levensboom

Download

- Stars (0)

5 Downloads

Owner: admin

Version: 1.0

Last Updated: 26-01-2021 14:15

Share
DescriptionPreviewVersions
001 database levensboom - inleiding bijbelvers .pdf

(NL) Klik om naar de taal te gaan om document te lezen
(EN) Click to go to language to read document
(Fr) Cliquez pour accéder à la langue pour lire le document
Database levensboom – inleiding Bijbelvers
Leviticus is het derde boek van de Hebreeuwse Bijbel. Leviticus dankt zijn naam
aan het feit dat het hoofdzakelijk regelingen voor en over het Levitische
priesterschap bevat. Reeds in de Vulgata heeft het de naam Leviticus. In het
Hebreeuws wordt het boek (Wajikra) (betekenis: ’En hij riep’) genoemd, naar het
eerste woord.
Zowel orthodoxe joden als orthodoxe christenen geloven dat de inhoud van het
boek door God aan Mozes is gedicteerd op de berg Sinaï. Volgens de in de
historisch-kritische wetenschap opgestelde documentaire hypothese moet Leviticus
worden toegeschreven aan een zekere priestercodex.
Onderzoekers zijn het er in het algemeen over eens dat het boek gedurende een
lange periode is ontwikkeld, en in zijn huidige vorm tijdens de Perzische periode van
538-332 BC is ontstaan.
Inhoud document
De inhoud van het boek kan als volgt worden ingedeeld:
Een reeks wetten over het brengen van offers: brandoffers, slachtoffers,
vredeoffers, zonde- of verzoeningsoffers, en dank- of lofoffers (hoofdstuk 1-7).
De wijding van Aäron en zijn zonen als priester (hoofdstuk 8-10). Hierin is ook
een verhaal opgenomen over Nadab en Abihu, die zichzelf priesterlijke voorrechten
aanmatigden.
Voorschriften aan de Israëlieten wat deze wel en niet mogen eten (spijswetten)
(hoofdstuk 11)
Wetten over reiniging, hygiëne en het brengen van offers (hoofdstuk 12-16).
Wetten over het onderscheid tussen Israël en de heidenen (hoofdstuk 17-20):
de spijzen (17), geslachtsverkeer (18) en zedelijk levensgedrag (19-20).
Wetten over de persoonlijke reiniging van priesters, hun voedsel, en de
feesten (hoofdstuk 20-25): priesters en feestdagen (21-23), de eredienst (24) en
sabbatjaar en jubeljaar (25).
Tenslotte een gedeelte met beloften voor hen die deze wetten in acht nemen,
en waarschuwingen voor hen die dit niet doen (hoofdstuk 26-27).
Formeel kan men spreken van een aantal overeenkomsten tussen de offers
van Israël en zijn buurlanden. Er is echter ook een aantal markante
verschillen:
absoluut monotheïsme
nadruk op ethische zaken
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
2
geen magie of toverkunst, want priesters staan niet tussen mens en God in, maar
voeren alleen handelingen uit
puurheid, zoals geen prostitutie, orgieën, vruchtbaarheidsriten en dergelijke
Interpretatie
Na het begin van het christelijke tijdperk werden delen van dit boek uitgelegd als
profetie over de Messias, Jezus Christus. Voor christelijke lezers gaat Leviticus
letterlijk over de joodse wetten en aanbiddingsvoorschriften, maar bevat hieronder
een verborgen laag van profetie die in de brief aan de Hebreeën wordt uitgelegd
Brontext: hier boven van wikipedia
spreuken13-12
Altijd maar hopen maakt het hart ziek, maar een vervuld verlangen is een
levensboom.
openbaring 22-14
Zalig zij die hun kleren rein wassen.
Zij zullen recht krijgen op de boom des levens
en door de poorten mogen ingaan in de stad.
leviticus 1:1-7
Jahwe riep Mozes en sprak tot hem vanuit de tent van de samenkomst:
2Zeg aan de Israëlieten: Wanneer iemand van u Jahwe een gave wil
aanbieden, kan hij daarvoor een rund of een stuk kleinvee kiezen. 3Wil hij
een rund als brandoffer aanbieden, dan moet hij een gaaf mannelijk dier
nemen en dat bij de ingang van de tent der samenkomst aanbieden; zo
schept Jahwe behagen in hem. 4Hij legt dan zijn hand op de kop van het
offerdier; zo wordt het goedgunstig aanvaard en bewerkt verzoening voor
hem. 5Hij slacht het rund voor Jahwe; de priesters, de zonen van Aäron,
offeren het bloed en sprenkelen het rondom op het altaar bij de ingang van
de tent der samenkomst. 6Hij vilt het offerdier en snijdt het in stukken.
7De priesters, de zonen van Aäron, brengen vuur op het altaar en stapelen
daar hout op.
leviticus 1:9-17
Dan wast hij de ingewanden en de poten en de priester doet alles op het
altaar in rook opgaan. Zo is het een reukoffer, een geurige gave die Jahwe
behaagt. 10Wil iemand een schaap of een geit als brandoffer aanbieden,
dan moet hij eveneens een gaaf mannelijk dier aanbieden. 11Hij slacht
het aan de noordkant van het altaar voor Jahwe. De priesters, de zonen
van Aäron, sprenkelen het bloed rondom op het altaar. 12Hij snijdt het
dier in stukken en de priester legt die, evenals de kop en het vet, op het
brandende hout, dat op het altaar ligt
leviticus 2:1-16
Wanneer iemand Jahwe een meeloffer aanbiedt, moet dat offer bestaan uit
bloem. Hij giet er olie op, voegt er wierook aan toe 2en brengt het naar de
priesters, de zonen van Aäron. Een priester neemt een handvol van de
bloem met olie en al de wierook, die erbij hoort, en doet dit als teken van
het geheel op het altaar in rook opgaan, een geurige gave die Jahwe
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
3
behaagt. 3De rest van het meeloffer komt toe aan Aäron en zijn zonen: dit
soort offergaven aan Jahwe is hoogheilig. 4Wanneer gij een meeloffer wilt
aanbieden, in de oven gebakken, dan moet het uit bloem zijn gemaakt en
de vorm hebben van ongezuurde broden, met olie aangemaakt, of van
ongezuurde dunne koeken, met olie bestreken. 5Biedt gij een meeloffer
aan, op de bakplaat bereid, dan moet het eveneens van bloem zijn, met
olie aangemaakt en ongezuurd. 6Snijd het in stukken en giet er olie over.
Zo is het een meeloffer. 7Biedt gij een meeloffer aan, in de pan bereid,
ook dan moet het bestaan uit bloem en olie. 8Het zo bereide meeloffer
brengt gij naar Jahwe. De offeraar overhandigt het aan de priester, die het
naar het altaar brengt. 9De priester neemt dan een deel van het
meeloffer, als teken van het geheel, en doet dat op het altaar in rook
opgaan, een geurige gave die Jahwe behaagt. 10De rest van het
meeloffer komt toe aan Aäron en zijn zonen: dit soort offergaven aan
Jahwe is hoogheilig. 11Geen enkel meeloffer dat ge aan Jahwe aanbiedt,
mag met zuurdeeg worden klaargemaakt; nooit mogen zuurdeeg of honing
deel uitmaken van de offergaven, die ge voor Jahwe in rook doet opgaan.
12Wel moogt ge ze als uitgelezen gaven aan Jahwe aanbieden, maar ze
mogen niet van het altaar opstijgen als aangename geur. 13Bij alle
meeloffers moet ge zout doen; bij geen ervan mag het zout van uw
verbond met God ontbreken. Ge moet dus zout voegen bij alle gaven die
gij aanbiedt. 14Biedt ge Jahwe een meeloffer uit de eerste vruchten aan,
dan moet dat bestaan uit geroosterde aren of geplet graan van de nieuwe
oogst. 15Ge moet er olie en wierook bijdoen. Zo is het een meeloffer.
16De priester doet, als teken van het geheel, een deel van het graan, wat
olie en al de wierook in rook opgaan, als offergave voor Jahwe.
leviticus 3:1-3
Wanneer iemand Jahwe een slachtoffer aanbiedt en daarvoor een rund
kiest, dan mag het een mannelijk of vrouwelijk dier zijn, als het maar gaaf
is. 2Hij legt zijn hand op de kop van het offerdier en slacht het bij de
ingang van de tent der samenkomst. De priesters, de zonen van Aäron,
sprenkelen het bloed rondom op het altaar. 3Dan biedt hij een deel van
het slachtoffer als offergave aan Jahwe aan: het vet aan en om de
ingewanden,
leviticus 3:6-7
Wil hij Jahwe een schaap of een geit als slachtoffer aanbieden, dan mag
het een mannelijk of een vrouwelijk dier zijn, als het maar gaaf is. 7Biedt
hij een schaap aan, dan brengt hij het dier voor Jahwe,
leviticus 3:9
Dan biedt hij Jahwe het vet van het slachtoffer als offergave aan: de hele
staart, afgesneden bij het staartbeen, het vet aan en om de ingewanden,
leviticus 3:12-15
Biedt hij een geit aan, dan brengt hij het dier voor Jahwe, 13legt het de
hand op de kop en slacht het bij de tent van de samenkomst. De zonen
van Aäron sprenkelen het bloed rondom op het altaar. 14Een deel van het
offerdier biedt hij Jahwe als offergave aan; het vet aan en om de
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
4
ingewanden, 15de nieren met het vet eraan, bij de lenden, en de
leverkwab, die hij met de nieren verwijdert.
leviticus 3:17
Dit is een blijvende bepaling voor al uw geslachten, waar ge ook woont:
nuttig nooit vet of bloed.
leviticus 4:1-11
Jahwe sprak tot Mozes: 2Zeg aan de Israëlieten: Wanneer iemand door
onoplettendheid zondigt tegen de voorschriften van Jahwe en iets doet dat
verboen is 3en het is een gezalfde priester die zondigt, zodat hij schuld
brengt over het volk, dan moet hij voor zijn zonde aan Jahwe een gave
stier als zondeoffer aanbieden. 4Hij brengt het dier naar de ingang van de
tent der samenkomst, voor Jahwe, legt het de hand op de kop en slacht
het voor Jahwe. 5De gezalfde priester gaat met het bloed van de stier
naar de tent van de samenkomst, 6doopt er zijn vinger in en besprenkelt
daarmee voor Jahwe zevenmaal het voorhangsel van het heiligdom. 7Hij
strijkt ook bloed aan de horens van het reukofferaltaar, dat in de tent van
de samenkomt voor Jahwe staat. De rest ervan giet hij uit aan de voet van
het reukofferaltaar, bij de ingang van de tent. 8Van de stier van het
zondeoffer haalt hij al het vet af: het vet aan en om de ingewanden, 9de
nieren en het vet eraan, bij de lenden, en de leverkwab, die hij met de
nieren verwijdert, 10op dezelfde manier als bij een rund voor het
slachtoffer. De priester doet dat op het brandofferaltaar in rook opgaan.
11De huid van de stier, al het vlees met de kop en de poten, de
ingewanden en de darmen,
leviticus 4:13-27
Is het heel de gemeenschap van Israël die door onoplettendheid zondigt,
zonder dat de gemeente weet, dat zij iets doet wat Jahwe heeft verboden
en daardoor schuld op zich laadt, 14dan moet heel de gemeente, zodra
de zonde aan het licht komt, een stier als zondeoffer aanbieden en die
voor de tent van de samenkomst brengen. 15Dan leggen de oudsten van
de gemeenschap voor Jahwe hun hand op de kop van het dier en men
slacht het voor Jahwe. 16Daarop gaat de gezalfde priester met het bloed
van de stier naar de tent van de samenkomst, 17doopt er zijn vinger in en
besprenkelt daarmee voor Jahwe zevenmaal het voorhangsel. 18Hij strijkt
ook bloed aan de horens van het altaar, dat in de tent van de samenkomst
voor Jahwe staat. De rest ervan giet hij uit aan de voet van het
brandofferaltaar, bij de ingang van de tent der samenkomst. 19Al het vet
haalt hij eraf en doet dat op het altaar in rook opgaan. 20Verder doet hij
met deze stier hetzelfde als met de stier van het zondeoffer. Zo voltrekt de
priester voor hen de verzoening en wordt hun vergeving geschonken.
21Hij brengt het dier buiten het kamp en verbrandt het op dezelfde wijze
als de eerstgenoemde stier. Dit is het zondeoffer voor de gemeente. 22Is
het een leider, die door onoplettendheid zondigt, omdat hij iets doet wat
Jahwe heeft verboden en daardoor schuld op zich laadt, 23dan moet hij,
zodra zijn zonde hem bekend wordt, een bok zonder gebrek aanbieden.
24Hij legt de hand op de kop van het dier en slacht het voor Jahwe, op de
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
5
plaats waar men ook het brandoffer slacht. Zo is het een zondeoffer. 25De
priester strijkt bloed van het zondeoffer aan de horens van het
brandofferaltaar; de rest van het bloed giet hij uit aan de voet van het
altaar. 26Al het vet doet hij op het altaar in rook opgaan, juist als het vet
van een slachtoffer. Zo voltrekt hij voor hem de verzoening voor zijn
zonden en wordt hem vergeving geschonken. 27Is het iemand van het
volk van het land die door onoplettendheid heeft gezondigd, omdat hij iets
heeft gedaan dat Jahwe heeft verboden en daardoor schuld op zich heeft
geladen,
leviticus 4:29
Hij legt zijn hand op de kop van het offerdier en slacht het op de plaats
waar ook het brandoffer geslacht wordt.
leviticus 4:32-35
Wil hij als zondeoffer een schaap aanbieden, dan moet het een gaaf
vrouwelijk dier zijn. 33Hij legt zijn hand op de kop van het dier en slacht
het als zondeoffer, op de plaats waar men het brandoffer slacht. 34De
priester strijkt het bloed van het zondeoffer aan de horens van het
brandofferaltaar. 35Al het vet haalt hij eruit, zoals bij een schaap van het
slachtoffer. De priester doet het met de andere offers voor Jahwe op het
altaar in rook opgaan. Zo voltrekt de priester voor hem de verzoening en
wordt hem vergeving geschonken.
leviticus 5:1-5
Wanneer iemand een vervloeking hoort en daar getuige van is of wanneer
hij iets ziet of weet en dat niet aangeeft, dan zondigt hij en draagt hij de
volle verantwoording. 2Iemand raakt bijvoorbeeld zonder erg iets onreins
aan, het kreng van een wild, tam of kruipend dier en een ander komt het te
weten en wordt daardoor schuldig; 3iemand raakt zonder erg iets onreins
van een mens aan, onverschillig wat, en een ander komt het te weten en
wordt daardoor schuldig; 4of iemand laat zich een ondoordachte eed
ontvallen ten goede of ten kwade of hoe dan ook en een ander komt het te
weten en wordt daardoor schuldig: 5in al deze gevallen moet de getuige
die aan een van deze dingen schuldig is, belijden op welk punt hij
gezondigd heeft.
leviticus 5:7-17
Kan hij een stuk kleinvee niet betalen, dan kan hij Jahwe ter
genoegdoening voor zijn zonde twee tortels of duiven brengen, een als
zondeoffer en een als brandoffer. 8Hij brengt ze naar de priester, die eerst
het dier offert dat voor het zondeoffer bestemd is; hij knijpt het vlak bij de
nek af, zonder die er af te trekken, 9en sprenkelt het bloed van het
zondeoffer tegen de altaarwand. De rest van het bloed wordt er tegen de
voet van het altaar uitgeknepen. Zo is het een zondeoffer. 10De tweede
vogel draagt hij, op de voorgeschreven wijze, als brandoffer op. Zo voltrekt
de priester voor hem de verzoening voor de zonde, die hij heeft bedreven
en wordt hem vergeving geschonken. 11Is hij niet in staat twee tortels of
twee duiven te betalen, dan moet hij als gave voor hetgeen hij misdaan
heeft een tiende efa bloem als zondeoffer brengen, zonder er olie op te
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
6
doen of er wierook bij te voegen, omdat het een zondeoffer is. 12Hij
brengt dat naar de priester, die er, als teken van het geheel, een handvol
uitneemt en met de offergaven van Jahwe op het altaar in rook doet
opgaan. Zo is het een zondeoffer. 13De priester voltrekt voor hem de
verzoening voor een van de genoemde zonden die hij heeft bedreven en
er wordt hem vergeving geschonken. De rest komt toe aan de priester,
zoals bij het meeloffer. 14Jahwe sprak tot Mozes: 15Wanneer iemand
een vergrijp begaat en zich door onoplettendheid bezondigt aan iets wat
Jahwe is toegewijd, dan moet hij Jahwe ter genoegdoening uit zijn kudde
een ram zonder gebrek als schuldoffer brengen, ter waarde van zoveel
zilveren sikkels in heilige munt. 16Hij moet het heilige waaraan hij zich
bezondigd heeft vergoeden, vermeerderd met een vijfde, en aan de
priester geven. De priester voltrekt voor hem de verzoening met de ram
van het schuldoffer en er wordt hem vergeving geschonken. 17Wanneer
iemand zonder het te weten zondigt tegen een van de voorschriften van
Jahwe en iets doet wat verboden is, dan is hij schuldig en moet ervoor
boeten.
leviticus 5:19
Het is een schuldoffer, want hij had zich schuldig gemaakt tegenover
Jahwe.
leviticus 6:1-4
Jahwe sprak tot Mozes: 2Geef Aäron en zijn zonen deze voorschriften: Dit
is de wet op het brandoffer: het brandoffer moet de hele nacht tot aan de
morgen op het vuur blijven liggen, dat op het altaar brandend wordt
gehouden. 3De priester, gekleed in een linnen gewaad en met een
lendendoek om het lichaam, verzamelt dan de as van het brandoffer, dat
op het altaar verteerd is, en legt die ernaast. 4Dan kleedt hij zich om en
brengt de as buiten het kamp op een reine plaats.
leviticus 6:6-19
Het vuur op het altaar moet zonder onderbreking blijven branden; het mag
nooit uitgaan. 7Dit is de wet op het meeloffer. De zonen van Aäron offeren
het voor Jahwe bij het altaar. 8Een priester neemt van het meeloffer een
handvol bloem en wat olie en doet dat met de bijbehorende wierook, als
teken van het geheel, op het altaar in rook opgaan, als een geur die Jahwe
behaagt. 9Het overige mogen Aäron en zijn zonen gebruiken, maar het
moet ongezuurd worden gegeten op een heilige plaats, binnen de voorhof
van de tent der samenkomst. 10Het mag niet met zuurdeeg worden
gebakken. Het is het aandeel dat ik hun van mijn offergaven schenk. Het is
even hoogheilig als het zondeoffer en het schuldoffer. 11Alle mannelijke
nakomelingen van Aäron mogen ervan eten; dit aandeel in de offergaven
van Jahwe is een blijvend recht, al uw geslachten door. Alles wat ermee in
aanraking komt is gewijd. 12Jahwe sprak tot Mozes: 13Dit is het offer dat
Aäron en zijn zonen moeten brengen op de dag van Aärons zalving: een
tiende efa bloem als dagelijks meeloffer, de ene helft ’s morgens, de
andere helft ’s avonds. 14Het moet, met olie gekneed, op de bakplaat
worden klaargemaakt. Ge moet het in stukken breken en opdragen als
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
7
meeloffer, waarvan de geur Jahwe behaagt. 15De zoon die hem als
gezalfde priester opvolgt, moet hetzelfde doen. Dit is een eeuwige wet.
Voor Jahwe moet het geheel en al in rook opgaan: 16Dat geldt voor elk
meeloffer van een priester: er mag niet van worden gegeten. 17Jahwe
sprak tot Mozes: 18Zeg aan Aäron en zijn zonen: Dit is de wet op het
zondeoffer. Het zondeoffer moet worden geslacht voor Jahwe, op dezelfde
plaats als het brandoffer: het is hoogheilig. 19De priester die het
zondeoffer opdraagt, moet het ook eten, en wel op een heilige plaats, in de
voorhof van de tent der samenkomst.
leviticus 6:21-22
Het aarden vaatwerk, waarin het gekookt is, moet stukgeslagen worden; is
het in een bronzen vat gekookt, dan moet dit geschuurd en uitgespoeld
worden. 22Alleen mannelijke leden van het priestergeslacht mogen het
eten: het is hoogheilig.
leviticus 6:24-30
Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende 25 Spreek tot Aäron en tot
zijn zonen, zeggende: Dit is de wet des zondoffers: in de plaats, waar het
brandoffer geslacht wordt, zal het zondoffer voor het aangezicht des
HEEREN geslacht worden; het is een heiligheid der heiligheden. 26 De
priester, die het voor de zonde offert, zal het eten; in de heilige plaats zal
het gegeten worden, in den voorhof van de tent der samenkomst. 27 Al
wat deszelfs vlees zal aanroeren, zal heilig zijn; zo wie van zijn bloed op
een kleed zal gesprengd hebben, dat, waarop hij gesprengd zal hebben,
zult gij in de heilige plaats wassen. 28 En het aarden vat, waarin het
gezoden is, zal gebroken worden; maar zo het in een koperen vat gezoden
is, zo zal het geschuurd en in water gespoeld worden. 29 Al wat mannelijk
is onder de priesteren, zal dat eten; het is een heiligheid der heiligheden.
30 Maar geen zondoffer, van welks bloed in de tent der samenkomst zal
gebracht worden, om in het heiligdom te verzoenen, zal gegeten worden;
het zal in het vuur verbrand worden.
leviticus 7:1-32
Dit is de wet op het schuldoffer. Het is hoogheilig. 2Het schuldoffer moet
men slachten op dezelfde plaats als het brandoffer. Het bloed moet men
rondom op het altaar sprenkelen. 3Men offert al het vet: de staart, het vet
aan de ingewanden, 4de nieren en het vet eraan, bij de lenden, en de
leverkwab die men met de nieren verwijdert. 5De priester doet het op het
altaar in rook opgaan als een offergave voor Jahwe. Zo is het een
schuldoffer. 6Alleen mannelijke leden van het priestergeslacht mogen
ervan eten, en wel op een heilige plaats; want het is hoogheilig. 7Wat voor
het zondeoffer geldt, geldt ook voor het schuldoffer: beide komen toe aan
de priester, die er de verzoening mee bewerkt. 8Als een priester voor
iemand een brandoffer opdraagt, krijgt hij de huid van het offerdier. 9Alle
meeloffers, die in de oven zijn gebakken of bereid in een vorm of op een
plaat, komen toe aan de priester, die ze opdraagt. 10Maar van de andere
meeloffers, met olie aangemaakt of niet, krijgen alle zonen van Aäron
evenveel. 11Dit is de wet op het slachtoffer dat iemand Jahwe aanbiedt.
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
8
12Biedt hij het als dankoffer aan, dan voegt hij bij het offerdier ongezuurde
koeken, aangemaakt met olie, ongezuurde platte koeken, met olie
bestreken, en bloem met olie gekneed, in de vorm van koeken. 13Bij dit
slachtoffer is naast deze koeken ook ongezuurd brood als gave
toegestaan. 14Van alles wat hij aanbiedt, offert hij een deel als bijdrage
voor Jahwe. Dit komt toe aan de priester, die het bloed van het slachtoffer
heeft gesprenkeld. 15Het vlees van dit offer moet op de dag zelf gegeten
worden; men mag er niets van laten liggen tot de volgende ochtend. 16Als
het een gelofteoffer of een vrije gave is, wordt het eveneens op de dag zelf
gegeten. Maar wat er overblijft, mag ook de volgende dag nog worden
gegeten. 17Zou er de derde dag nog iets van het offervlees over zijn, dan
moet dat verbrand worden. 18Wordt op de derde dag toch nog van dat
vlees gegeten, dan komt dat de offeraar niet ten goede; het baat hem
niets, want het is besmet en degene die ervan eet, zal ervoor boeten.
19Vlees dat met iets onreins in aanraking is geweest, mag niet gegeten
worden; het moet worden verbrand. Van het overige vlees mag ieder die
rein is, eten. 20Maar wie in staat van onreinheid vlees eet van een
slachtoffer, dat aan Jahwe is opgedragen, hij wordt uit zijn volk verwijderd.
21Wie iets onreins van een mens, van een onrein dier of een kruipend
beest heeft aangeraakt, en toch vlees eet van een slachtoffer, dat aan
Jahwe is opgedragen, hij wordt uit zijn volk verwijderd. 22Jahwe sprak tot
Mozes: 23Zeg aan de Israëlieten: Gij moogt geen vet van rund, schaap of
geit eten. 24Het vet van een gestorven of verscheurd dier mag men overal
voor gebruiken, maar gij moogt het niet eten. 25Ieder die vet eet van een
dier, dat men Jahwe als offer aanbiedt, wordt uit zijn volk verwijderd.
26Ge moogt ook geen bloed nuttigen, waar ge ook woont, noch van vogels
noch van landdieren. 27Iedereen die bloed nuttigt, wordt uit zijn volk
verwijderd. 28Jahwe sprak tot Mozes: 29Zeg aan de Israëlieten: Degene
die Jahwe een slachtoffer aanbiedt, moet een deel daarvan naar Jahwe
brengen; 30eigenhandig moet hij het vet en het borststuk als offergave
aan Jahwe aanbieden. Staande voor Jahwe, bestemt hij het borststuk tot
aandeel van de priesters. 31Het vet doet de priester op het altaar in rook
opgaan; het borststuk komt Aäron en zijn zonen toe. 32De
rechterschenkel van uw slachtoffers moet gij als bijdrage afstaan
leviticus 7:34-38
Want het borststuk, dat als gewijd deel wordt afgezonderd, en de
schenkel, die gij als bijdrage afstaat, heb ik van de slachtoffers der
Israëlieten afgenomen om ze aan de priester Aäron en zijn zonen te
geven. Tegenover de Israëlieten mogen zij altijd dit recht doen gelden.
35Dit is het deel van de offergaven van Jahwe, dat Aäron en zijn zonen
toekomt, vanaf de dag dat zij als priesters van Jahwe zijn aangesteld.
36Jahwe heeft aan de Israëlieten bevolen dat deel aan de priesters te
geven, vanaf de dag van hun zalving; het is een blijvend recht, alle
geslachten door. 37Dit was de wet op de brandoffers, de meeloffers, de
zonde – en de schuldoffers, de wijdingsoffers en slachtoffers. 38Dit alles
schreef Jahwe aan Mozes voor op de berg Sina
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
9
leviticus 8:1-18
Jahwe sprak tot Mozes: 2`Haal Aäron en zijn zonen, de gewaden en de
zalfolie, een stier voor het zondeoffer, twee rammen en een korf met
ongezuurd brood. 3Roep dan heel de gemeenschap samen bij de ingang
van de tent van de samenkomst.’ 4Mozes gaf gevolg aan Jahwe’s bevel
en heel de gemeenschap kwam bijeen, bij de ingang van de tent der
samenkomst. 5Daar sprak Mozes tot hen: `Wat wij nu gaan doen,
geschiedt op bevel van Jahwe.’ 6Daarop liet hij Aäron en zijn zonen naar
voren komen en reinigde hen met water. 7Hij bekleedde Aäron met de
tuniek, deed hem de gordel aan en hing hem de mantel om hij legde hem
de efod op en bond deze met de sjerp vast; 8hij deed hem de orakeltas
voor en legde daarin de oerim en toemmim. 9Hij zette hem de tulband op
het hoofd, met de gouden plaat, het teken van zijn wijding, aan de
voorkant. Zo had Jahwe het bevolen. 10Daarna nam Mozes de zalfolie,
en zalfde de woning met al wat daarin was, om haar te wijden. 11Hij
besprenkelde het altaar, en zalfde het altaar met toebehoren en het
wasbekken met het onderstel, om ze te wijden. 12Ook op het hoofd van
Aäron goot hij een weinig zalfolie uit, en zalfde hem om hem te wijden.
13Toen liet Mozes de zonen van Aäron naderbij komen. Hij bekleedde hen
met de tuniek, legde hen de gordel aan en bond hen de hoofddoeken om.
Zo had Jahwe het Mozes bevolen. 14Daarop liet hij de stier voor het
zondeoffer brengen. Aäron en zijn zonen legden hun handen op de kop
van het dier. 15Mozes slachtte het, streek met zijn vinger bloed op de
horens van het altaar om het van zondesmet te reinigen. De rest van het
bloed goot hij uit aan de voet van het altaar. Zo wijdde hij het door het
voltrekken van de verzoening. 16Toen nam Mozes het vet aan de
ingewanden, de leverkwab en de nieren met het vet eraan en deed dat op
het altaar in rook opgaan. 17De huid van de stier, het vlees en de darmen
verbrandde hij buiten het kamp. Zo had Jahwe het Mozes bevolen.
18Toen liet hij een ram voor het brandoffer brengen. Aäron en zijn zonen
legden hun handen op de kop van het dier.
leviticus 8:20-25
sneed het in stukken en deed de kop, de stukken vlees en het vet in rook
opgaan. 21De ingewanden en de poten waste hij en hij deed heel de ram
op het altaar in rook opgaan. Zo was het een brandoffer, een geurige gave
die Jahwe behaagt. Zo had Jahwe het Mozes bevolen. 22Tenslotte liet hij
de tweede ram brengen voor het wijdingsoffer. Aäron en zijn zonen legden
hun handen op de kop van het dier. 23Mozes slachtte het en deed wat
bloed op de rechteroorlel van Aäron, op zijn rechterduim en op de grote
teen van zijn rechtervoet. 24Toen liet Mozes de zonen van Aäron naar
voren komen en deed ook bij hen bloed op de rechteroorlel, de
rechterduim en de grote teen van hun rechtervoet. Hij sprenkelde ook
bloed rondom op het altaar. 25Daarna nam hij het vet: de staart, het vet
aan de ingewanden, de leverkwab, de nieren met het vet eraan en de
rechterschenkel.
leviticus 8:27-36
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
10
Dit alles gaf hij Aäron en zijn zonen om het voor Jahwe als hun gewijd
aandeel af te zonderen. 28Daarna nam Mozes het weer uit hun handen
en deed het met het brandoffer op het altaar in rook opgaan. Zo was het
een wijdingsoffer, een geurige gave die Jahwe behaagt. 29Staande voor
Jahwe, zonderde Mozes het borststuk als gewijd aandeel voor zichzelf af,
want dat was zijn deel van de ram van het wijdingsoffer. Zo had Jahwe het
Mozes bevolen. 30Met zalfolie en met bloed van het altaar besprenkelde
Mozes de gewaden van Aäron en vervolgens zijn zonen en hun gewaden.
Zo wijdde hij Aärons gewaden, zijn zonen en hun gewaden. 31Mozes
sprak tot Aäron en zijn zonen: `Kook het vlees bij de ingang van de tent
der samenkomst en eet het daar op met het brood voor de
wijdingsplechtigheid, dat nog in de mand zit. Aäron en zijn zonen moeten
het eten, volgens het mij gegeven bevel. 32Het vlees en het brood dat
overblijft moet gij verbranden. 33Gij moogt de tent van de samenkomst
niet verlaten tot de zeven dagen van uw wijding voorbij zijn, want zeven
dagen duurt uw wijding. 34Zoals men vandaag heeft gedaan, zo moet
men, volgens Jahwe’s bevel, ook de andere dagen doen, om de
verzoening voor u te voltrekken. 35Daarom moet gij zeven dagen, dag en
nacht, bij de ingang van de tent der samenkomst blijven. Dan doet gij wat
Jahwe u voorschrijft en zult ge niet sterven. Zo is mij bevolen.’ 36Aäron en
zijn zonen deden wat Jahwe door Mozes bevolen had.
leviticus 9:1-24
Op de achtste dag ontbood Mozes Aäron met zijn zonen en de oudsten
van Israël. 2Hij zei tot Aäron: `Haal een kalf voor een zondeoffer en een
ram voor een brandoffer, beide zonder gebrek, en breng ze voor Jahwe.
3En zeg tot de Israëlieten: Haal een bok voor een zondeoffer en een kalf
en een schaap, beide eenjarig en zonder gebrek, voor een brandoffer,
4een rund en een ram voor een slachtoffer, en een meeloffer, met olie
aangemaakt. Want vandaag zal Jahwe u verschijnen.’ 5De Israëlieten
brachten dat alles bij de tent van de samenkomst, zoals Mozes bevolen
had. Heel de gemeenschap kwam bijeen en stelde zich op voor Jahwe.
6Toen zei Mozes: `Nu de heerlijkheid van Jahwe aan u gaat verschijnen,
moet gij, naar zijn bevel, het volgende doen.’ 7Tot Aäron zei hij: `Ga naar
het altaar, draag uw zondeoffer en uw brandoffer op en voltrek de
verzoening voor u en het volk. Draag ook de offergave van het volk op en
voltrek de verzoening voor u en het volk. Draag ook de offergave van het
volk open voltrek de verzoening voor hen. Zo heeft Jahwe bevolen.’
8Aäron ging naar het altaar en slachtte het kalf van het zondeoffer voor
zichzelf. 9De zonen van Aäron brachten het bloed naar hem toe, hij
doopte er zijn vinger in en streek het op de horens van het altaar. De rest
van het bloed goot hij uit aan de voet van het altaar. 10Het vet, de nieren
en de leverkwab van het offerdier deed hij op het altaar in rook opgaan. Zo
had Jahwe het Mozes bevolen. 11Het vlees en de huid verbrandde hij
buiten het kamp. 12Daarop slachtte hij het brandoffer. De zonen van
Aäron brachten het bloed naar hem toe en hij sprenkelde het rondom op
het altaar. 13Ze reikten hem ook de stukken vlees en de kop van het
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
11
offerdier en hij deed ze op het altaar in rook opgaan. 14De ingewanden en
de poten waste hij en deed ze eveneens op het altaar in rook opgaan.
15Daarop offerde hij de gave van het volk. Hij liet de bok halen voor het
zondeoffer van het volk, slachtte die en droeg hem als zondeoffer op,
evenals het eerste dier. 16Ook het brandoffer voltrok hij op de
voorgeschreven wijze. 17Daarop droeg hij het meeloffer op en deed
daarvan een handvol op het altaar in rook opgaan. Dit offer kwam bij het
brandoffer, dat in de morgen gebracht wordt. 18Ook slachtte hij de stier
en de ram als slachtoffer voor het volk. De zonen van Aäron reikten hem
het bloed aan en hij sprenkelde het rondom op het altaar. 19De stukken
vet van de stier en de ram: de staart, het netvet, de nieren en de
leverkwab 20legde men bij de borststukken en hij deed ze op het altaar in
rook opgaan. 21Staande voor Jahwe, zonderde Aäron de borststukken en
de rechterschenkel als gewijd aandeel van de priesters af, zoals Mozes
bevolen had. 22Na zo de zondeoffers, brandoffers en slachtoffers te
hebben opgedragen, hief Aäron zijn handen op naar het volk en zegende
het. Dan daalde hij van het altaar af 23en ging met Mozes de tent van de
samenkomst binnen. En toen zij weer naar buiten kwamen, zegenden zij
het volk. Toen verscheen de heerlijkheid van Jahwe aan heel het volk.
24Van Jahwe ging een vuur uit, dat het brandoffer en de stukken vet op
het altaar verteerde. Toen het volk dat zag, begon het te juichen en wierp
zich ter aarde.
leviticus 10:1-9
Nadab en Abihu, zonen van Aäron, namen hun vuurpan, deden er vuur in
en legden er wierook op. Zij brachten vuur voor Jahwe, dat niet
beantwoordde aan zijn voorschriften. 2Toen ging er van Jahwe een vuur
uit, dat hen verteerde. Zo vonden zij voor Jahwe de dood. 3En Mozes zei
tot Aäron: `Dit bedoelde Jahwe toen Hij zei: Die tot Mij naderen ervaren
mijn heiligheid, en van mijn heerlijkheid is heel het volk getuige.’ Aäron
werd er stil van. 4Toen riep Mozes Misaël en Elsafan, de zonen van
Uzziël, een oom van Aäron, en zei: `Kom hier, draag je broeders het
heiligdom uit, buiten het kamp.’ 5Zij kwamen en droegen hen, in hun
tunieken gewikkeld, buiten het kamp, zoals Mozes had opgedragen.
6Mozes sprak tot Aäron en zijn zonen Eleazar en Itamar: `Laat je
hoofdhaar niet loshangen en scheur je kleren niet. Anders sterven jullie en
barst zijn toorn los tegen heel de gemeenschap. Laat jullie broeders, het
hele huis van Israël, treuren over de vuurgloed die Jahwe heeft ontstoken.
7Verlaat de ingang van de tent der samenkomst niet; dat zou jullie dood
zijn, want op jullie rust nog de zalfolie van Jahwe.’ 8Jahwe sprak tot
Aäron: 9`Wanneer gij of uw zonen opgaan naar de tent van de
samenkomst, moogt ge geen wijn of sterke drank drinken, anders sterft gij.
Dat is een blijvend voorschrift, al uw geslachten door.
leviticus 10:12-20
Mozes zei tot Aäron en tot Eleazar en Itamar, de zonen van Aäron die nog
in leven waren: `Wat er na het opdragen van de offergave aan Jahwe van
het meeloffer over is, moogt gij, zonder zuurdeeg, bij het altaar opeten: het
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
12
is hoogheilig. 13Gij moet het op een heilige plaats eten; gij en uw zonen
hebben recht op dit deel van de offergave voor Jahwe. Zo is het mij
bevolen. 14Maar het borststuk, dat gij als gewijd deel hebt afgezonderd,
en de schenkel die is afgestaan, moogt gij, uw zonen zowel als uw
dochters, eten op elke reine plaats, want dit deel van de slachtoffers der
Israëlieten komt u en uw geslacht rechtens toe. 15De schenkel die wordt
afgestaan, en het borststuk dat als gewijd deel wordt afgezonderd, moet
men tegelijk met het vet dat geofferd wordt, aanbrengen om ze voor Jahwe
als gewijd deel af te zonderen. Dan komen ze krachtens een blijvend recht
aan u en uw zonen toe. Zo heeft Jahwe het bevolen.’ 16Toen Mozes naar
de bok van het zondeoffer vroeg, ontdekte hij dat die al verbrand was.
Woedend vroeg hij aan Eleazar en Itamar, de zonen van Aäron die nog in
leven waren: 17`Waarom hebben jullie het zondeoffer niet op een heilige
plaats gegeten? Het was toch hoogheilig en Jahwe had het aan jullie
gegeven om de schuld van de gemeenschap weg te nemen door, staande
voor Jahwe, de verzoening voor haar te voltrekken. 18Nu het bloed van
het offerdier niet binnen het heiligdom was gebracht, hadden jullie het daar
moeten eten, zoals ik bevolen had.’ 19Aäron zei tegen Mozes: `Mijn
zonen hebben vandaag al een zondeoffer en een brandoffer opgedragen
en u weet wat mij is overkomen. Zou ik dan vandaag dat zondeoffer
hebben moeten eten? Zou Jahwe dat hebben goedgekeurd?’ 20Toen
Mozes dat gehoord had, was hij tevreden.
leviticus 11:1-2
Jahwe sprak tot Mozes en Aäron: 2Zeg aan de Israëlieten: Van alle
landdieren op aarde moogt gij de volgende eten:
leviticus 11:4
Van de herkauwers en de dieren met gespleten hoeven moogt ge de
volgende niet eten: de kameel, want hij herkauwt, maar heeft geen
gespleten hoeven, hij geldt voor u als onrein;
leviticus 11:8-13
Het vlees van deze dieren moogt gij niet eten en hun kadavers niet
aanraken; zij gelden voor u als onrein. 9Dit zijn de waterdieren die ge
moogt eten: alle waterdieren die vinnen en schubben hebben, moogt ge
eten, zowel de zeevissen als de riviervissen. 10Maar van alle zeevissen
en riviervissen, die geen vinnen en schubben hebben, de kleine zowel als
de grote, behoort ge een afschuw te hebben. 11Verafschuw ze en eet
nooit van dergelijke dode vis. 12Alle waterdieren zonder vinnen of
schubben moet ge verafschuwen. 13Van de volgende vogels behoort ge
een afschuw te hebben; ge moogt ze daarom niet eten: de arend, de
lammergier, de baardgier,
leviticus 11:20
Van alle gevleugelde viervoetige insekten behoort gij een afschuw te
hebben,
leviticus 11:23-24
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
13
Alle andere gevleugelde viervoetige insekten behoort gij te verafschuwen.
24Aan de volgende dieren verontreinigt gij u; ieder die het kadaver ervan
aanraakt, is tot de avond onrein;
leviticus 11:26-29
Alle dieren, die geen gespleten hoeven hebben en niet herkauwen, gelden
voor u als onrein; ieder die ze aanraakt, wordt onrein. 27Alle viervoetige
dieren, die zoolgangers zijn, gelden voor u als onrein, ieder die een
kadaver ervan aanraakt, is tot de avond onrein. 28Wie het vervoert, moet
zijn kleren wassen en is tot de avond onrein. Zij gelden voor u als onrein.
29Van de kruipende dieren gelden de volgende voor u als onrein: de mol,
de muis, de verschillende soorten padden,
leviticus 11:31-47
Al deze kruipende dieren gelden voor u als onrein. Wie zo’n kadaver
aanraakt, is tot de avond onrein; 32valt het ergens op, op een houten
voorwerp, een kleed, een stuk leer, een zak, of op enig ander
gebruiksvoorwerp, dan is dat tot de avond onrein; daarna is het weer rein.
33Valt zo’n dood dier in een aarden kruik, dan is de hele inhoud onrein; de
kruik moet ge stukslaan. 34Komt het water uit die kruik in aanraking met
voedsel, dan wordt ook dat onrein. 35Alles waarop zo’n dood dier valt,
wordt onrein; oven en haard moeten worden stukgeslagen; ze gelden voor
u als onrein en ze blijven dat. 36Een bron daarentegen en een put, waarin
water verzameld wordt, blijven rein; ligt er een dood dier in en raakt
iemand dat aan, dan wordt hij onrein. 37Valt zo’n dood dier op zaaigoed,
dan blijft dat rein; 38maar valt het op zaad dat in water staat, dan geldt dat
voor u als onrein. 39Wanneer een stuk slachtvee dood is gegaan, is
degene die het dier aanraakt tot de avond onrein. 40Wie het vlees
daarvan eet, moet zijn kleren wassen en is tot de avond onrein. Wie het
kadaver vervoert, moet zijn kleren wassen en is tot de avond onrein.
41Alle kruipende dieren behoort gij te verafschuwen; zij mogen niet
worden gegeten, 42of ze nu op de buik kruipen of vier of meer poten
hebben. Gij behoort ze te verafschuwen. 43Bezoedel u niet door kruipend
gedierte, verontreinig u niet door kruipend gedierte, verontreinig u daar niet
mee. 44Ik ben Jahwe uw God; zorg dus dat gij heilig zijt. Wees heilig,
omdat Ik heilig ben. Verontreinig u niet door enig kruipend gedierte. 45Ik
ben Jahwe, die u uit Egypte geleid heb om uw God te zijn. Wees heilig,
omdat Ik heilig ben. 46Dit is de wet op de landdieren, de vogels, de
waterdieren en de kruipende dieren, 47zodat men weet, welke dieren
onrein en welke rein zijn, welke dieren men mag eten en welke niet.
leviticus 12:1-8
Jahwe sprak tot Mozes: 2Zeg aan de Israëlieten: Wanneer een vrouw een
kind krijgt en het is een jongen, dan is zij zeven dagen onrein, zoals tijdens
de menstruatie. 3Op de achtste dag moet men de voorhuid van het kind
besnijden. 4Drieëndertig dagen duurt het, voor zij rein is van het bloed der
geboorte; zij mag niets aanraken wat heilig is en niet opgaan naar het
heiligdom, tot de dag van haar reiniging is aangebroken. 5Heeft zij een
meisje ter wereld gebracht, dan is zij twee weken onrein, zoals tijdens de
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
14
menstruatie. Zesenzestig dagen duurt het, voor zij rein is van het bloed der
geboorte. 6Wanneer na de geboorte van een zoon of dochter, de dag van
haar reiniging is aangebroken, moet zij de priester bij de ingang van de
tent der samenkomst een lam van nog geen jaar voor een brandoffer
aanbieden, en een duif en een tortel voor een zondeoffer. 7De priester
offert het, staande voor Jahwe, en voltrekt voor haar de verzoening. Dan is
de bron waaruit haar bloed gevloeid is, weer rein. Dit is de wet op de
vrouw, die een kind heeft gekregen, een jongen of een meisje. 8Kan zij
geen schaap betalen, dan mag zij ook twee tortels of duiven meebrengen,
een voor het brandoffer en een voor het zondeoffer. Daarmee voltrekt de
priester voor haar de verzoening, zodat zij weer rein wordt.
leviticus 13:1-9
Jahwe sprak tot Mozes en Aäron: 2Heeft iemand een gezwel, uitslag of
een vlek op zijn huid en het gaat lijken op huidziekte, dan moet men hem
bij de priester Aäron of bij een priester van diens geslacht brengen. 3De
priester onderzoekt de zieke plek op de huid. Is het haar daarop wit
geworden en ligt de plek zichtbaar dieper dan de rest van de huid, dan is
het een huidziekte. Als de priester dit heeft vastgesteld, moet hij hem
onrein verklaren. 4Betreft het enkel een lichte, witte vlek op de huid, die
niet zichtbaar dieper ligt dan de rest en zijn de haren niet wit geworden,
dan moet de priester de zieke zeven dagen afzonderen. 5Blijkt na zeven
dagen bij het onderzoek, dat de zieke plek op de huid niet veranderd is en
niet groter is geworden, dan moet de priester hem opnieuw zeven dagen
afzonderen. 6Blijkt na deze zeven dagen bij een nieuw onderzoek, dat de
plek op de huid dof is geworden en zich niet heeft uitgebreid, dan verklaart
de priester hem rein. Hij had gewoon uitslag; na het wassen van zijn kleren
is hij rein. 7Neemt de plek op de huid, nadat de zieke zich bij de priester
heeft gepresenteerd om gereinigd te worden, toch nog in omvang toe, dan
moet hij opnieuw voor de priester verschijnen. 8Als deze de uitbreiding
van de uitslag inderdaad vaststelt, moet hij hem onrein verklaren. Dan is
het huidziekte. 9Heeft iemand huidziekte, dan moet men hem bij de
priester brengen.
leviticus 13:12
Heeft de huidziekte het hele lichaam aangetast, zodat de zieke er van het
hoofd tot de voeten mee bedekt is, dan moet de priester een nauwkeurig
onderzoek instellen.
leviticus 13:14
Maar zo gauw er wild vlees opkomt, is hij onrein.
leviticus 13:16
Wordt het wild vlees weer wit, dan moet de zieke naar de priester gaan.
leviticus 13:18
Heeft iemand een zweer gehad, die genezen is,
leviticus 13:20-24
Stelt de priester vast, dat de plek zichtbaar dieper ligt dan de huid en dat
het haar erop wit is geworden, dan moet hij hem onrein verklaren. Het is
huidziekte die op de plek van de zweer is ontstaan. 21Stelt de priester
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
15
vast dat het haar niet wit is, dat de vlek niet dieper ligt dan de huid en dof
begint te worden, dan moet de priester hem zeven dagen afzonderen.
22Breidt de vlek op de huid zich uit, dan moet de priester hem onrein
verklaren; het is een zieke plek. 23Is de vlek daarentegen niet veranderd
en heeft ze zich niet uitgebreid, dan is het gewoon een litteken van die
zweer en moet de priester hem rein verklaren. 24Houdt iemand na
genezing van een brandwond een bleekrode of witte vlek op zijn huid
leviticus 13:26-29
Blijkt hem bij het onderzoek, dat het haar op die plek niet wit is en dat deze
niet dieper ligt dan de huid en dof begint te worden, dan moet hij hem
zeven dagen afzonderen. 27Stelt de priester na zeven dagen vast, dat de
plek op de huid inderdaad groter is geworden, dan moet hij hem onrein
verklaren; het is huidziekte. 28Is de plek daarentegen niet veranderd,
heeft ze zich niet uitgebreid en is ze dof geworden, dan is het gewoon een
opzwelling als gevolg van de brandwond. De priester moet hem rein
verklaren; het is een litteken van de brandwond. 29Heeft een man of een
vrouw een zieke plek op het hoofd of in de baard
leviticus 13:31-32
Wanneer de priester bij het onderzoek van de schurft constateert, dat de
zieke plek niet zichtbaar dieper ligt dan de rest van de huid, maar dat het
haar erop niet zwart is, dan moet hij de zieke zeven dagen afzonderen.
32Stelt de priester na zeven dagen bij een nieuw onderzoek vast, dat de
schurft zich niet heeft uitgebreid, dat de haren niet geel zijn geworden en
dat de zieke plek niet zichtbaar dieper ligt dan de rest van de huid,
leviticus 13:34-35
Blijkt na zeven dagen bij het onderzoek, dat de schurft zich niet heeft
uitgebreid en niet zichtbaar dieper ligt dan de rest van de huid, dan moet
de priester hem rein verklaren; na zijn kleren te hebben gewassen is hij
rein. 35Neemt de schurft, nadat de zieke rein is verklaard, toch nog in
omvang toe
leviticus 13:37-42
Blijkt hem, dat de plek niet veranderd is en dat er zwart haar op groeit, dan
is de kwaal genezen en is die persoon rein. De priester moet hem rein
verklaren. 38Heeft een man of een vrouw vlekken op de huid, witte
vlekken wel te verstaan, 39dan moet de priester die onderzoeken. Blijken
de vlekken op de huid dofwit te zijn dan is het gewoon uitslag, die de huid
heeft aangetast; die persoon is rein. 40Als een man zijn hoofdhaar
verliest, dan is hij gewoon kaalhoofdig; hij is rein. 41Verliest hij zijn haar
voor op het hoofd, dan is hij half kaal; hij is rein. 42Komt er op het kale
voor – of achterhoofd van die man een bleekrode vlek, dan heeft hij
huidziekte op de kruin of voor op het hoofd.
leviticus 13:45-47
Degene die aan huidziekte lijdt, moet in gescheurde kleren lopen en zijn
haren los laten hangen; hij moet zijn baard bedekken en roepen: `Onrein,
onrein!’ 46Zolang de ziekte duurt is hij onrein; hij moet apart wonen en
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
16
buiten het kamp blijven. 47Komen er plekken op een kledingstuk van wol
of linnen,
leviticus 13:49-53
en zijn die plekken op het kledingstuk, op het leer, op het weef – of
vlechtwerk of op een of ander leren voorwerp groen of rood, dan is het
uitslag; het moet aan de priester worden getoond. 50Na het onderzoek
van de plek moet deze het besmette voorwerp zeven dagen apart houden.
51Blijkt na zeven dagen bij het onderzoek, dat de plek op het kledingstuk,
op het weef – of vlechtwerk of op het leren gebruiksvoorwerp groter is
geworden, dan is het kwaadaardige uitslag; het voorwerp is onrein. 52Het
kledingstuk, het weef – of vlechtwerk van wol of linnen of de leren
voorwerpen waarop de vlek zit, moet hij verbranden. Het is kwaadaardige
uitslag; het moet worden verbrand. 53Blijkt de priester echter bij het
onderzoek, dat de plek op het kledingstuk, op het weef – of vlechtwerk of
op de leren voorwerpen niet groter is geworden,
leviticus 13:55-59
Stelt de priester na het wassen vast, dat de plek niet van kleur is
veranderd en niet groter is geworden, dan is het voorwerp onrein; het moet
worden verbrand. Hier geldt hetzelfde als bij de kale plek op de kruin of
voor op het hoofd. 56Stelt de priester echter vast, dat de plek na het
wassen dof geworden is, dan moet hij die plek uit het kledingstuk, het leer
of het weef – of vlechtwerk verwijderen. 57Komt de plek op het
kledingstuk, op het weef – of vlechtwerk of op het leren voorwerp toch weer
te voorschijn, dan woekert het voort; het bewuste voorwerp moet worden
verbrand. 58Komt na het wassen de plek op het kledingstuk, op het weef –
of vlechtwerk of op het leren voorwerp niet meer terug, dan moet men het
nog eens wassen; dan is het rein. 59Dit is de wet die bepaalt, hoe men
plekken in wollen of linnen kleren, in weef – of vlechtwerk en in leren
voorwerpen rein of onrein moet verklaren.
leviticus 14:3
Deze gaat het kamp uit en stelt een onderzoek in. Blijkt dan, dat de lijder
van zijn ziekte is genezen,
leviticus 14:5-15
De priester slacht een van de vogels boven een aarden schaal, gevuld met
bronwater. 6De nog levende vogel dompelt hij tezamen met het
cederhout, de karmozijn en de hysop in het bloed van de vogel, die boven
het bronwater geslacht is. 7Daarna besprenkelt hij degene die van zijn
ziekte gereinigd wil worden zevenmaal en reinigt hem zo; de nog levende
vogel laat hij wegvliegen. 8Degene die gereinigd wil worden moet zijn
kleren wassen, zijn haar afscheren en een bad nemen; dan is hij rein. Hij
kan terugkomen naar het kamp, maar hij mag de eerste zeven dagen nog
niet in zijn tent komen. 9Na die zeven dagen moet hij al zijn haren van
hoofd, baard en wenkbrauwen afscheren. Daarna moet hij zijn kleren
wassen en een bad nemen; dan is hij weer rein. 10Op de achtste dag
moet hij twee schapen zonder gebrek meebrengen, een lam van nog geen
jaar en zonder gebrek, drie tiende issaron bloem met olie aangemaakt
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
17
voor een meeloffer, en een log olie. 11De priester die de reiniging voltrekt,
brengt degene die gereinigd wil worden met zijn gaven voor Jahwe, bij de
ingang van de tent van de samenkomst. 12Hij offert het ene schaap met
de log olie als schuldoffer en staande voor Jahwe zondert hij beide af als
gewijd aandeel van de priesters. 13Hij slacht het dier in het heiligdom, op
de plek waar men ook het zondeoffer en het brandoffer slacht. Want het
schuldoffer komt evenals het zondeoffer aan de priester toe: het is
hoogheilig. 14De priester doet dan bij degene die gereinigd wil worden
wat bloed van het offerdier op de rechteroorlel, de rechterduim, en de
grote teen van zijn rechtervoet. 15Hij giet wat olie in de palm van zijn
linkerhand,
leviticus 14:17-33
Van de olie die de priester nog op zijn hand heeft, doet hij bij degene die
gereinigd wil worden iets op de rechteroorlel, de rechterduim en de grote
teen van zijn rechtervoet, op het bloed van het schuldoffer. 18De olie die
de priester dan nog op zijn hand heeft, smeert hij op het hoofd van degene
die gereinigd wil worden. Zo voltrekt hij aan hem de verzoening voor
Jahwe. 19Daarna draagt de priester het zondeoffer op en voltrekt de
verzoening aan degene die van zijn onreinheid gereinigd wil worden.
Tenslotte slacht hij het brandoffer 20en draagt dit samen met het
meeloffer op het altaar op. Zo voltrekt de priester voor hem de verzoening
en wordt hij weer rein. 21Is de man zo arm, dat hij dit alles niet kan
betalen, dan kan hij volstaan met een schaap voor een schuldoffer dat als
gewijd deel wordt afgezonderd om de verzoening voor hem te voltrekken,
een issaron bloem met olie aangemaakt voor een meeloffer, een log olie
22en twee tortels of duiven, naargelang hij heeft, voor een zondeoffer en
een brandoffer. 23Op de achtste dag van de reiniging, brengt hij dit alles
naar de priester, bij de ingang van de tent der samenkomst, voor Jahwe.
24Staande voor Jahwe zondert de priester het schaap voor het schuldoffer
en de log olie af als gewijd aandeel van de priesters. 25Dan slacht hij het
schaap voor het schuldoffer en doet bij degene die gereinigd wil worden
wat bloed op de rechteroorlel, de rechterduim en de grote teen van zijn
rechtervoet. 26De priester giet wat olie in de palm van zijn linkerhand
27en sprenkelt deze met zijn rechterwijsvinger zevenmaal voor Jahwe.
28Van de olie die hij nog op zijn hand heft, doet hij bij degene die
gereinigd wil worden, iets op de rechteroorlel, de rechterduim en de grote
teen van zijn rechtervoet, op het bloed van het schuldoffer. 29De olie die
de priester dan nog op zijn hand heeft, smeert hij op het hoofd van degene
die gereinigd wil worden. Zo voltrekt hij aan hem de verzoening voor
Jahwe. 30Dan draagt hij een van de tortels of duiven, naargelang hij
heeft, 31als zondeoffer op, de andere als brandoffer tesamen met een
meeloffer. Zo voltrekt de priester aan hem die gereinigd wil worden de
verzoening voor Jahwe. 32Dit is de wet voor hen die aan huidziekten
lijden en de gewone kosten van de reiniging niet kunnen betalen.
33Jahwe sprak tot Mozes en Aäron:
leviticus 14 36-37
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
18
Voordat de priester de plek komt onderzoeken, geeft hij bevel het huis te
ontruimen, zodat niets in het huis onrein wordt. Pas dan gaat hij het huis in
om het te onderzoeken. 37Blijkt hem bij dat onderzoek dat de muren
inderdaad zijn aangetast en dat er groene of rode plekken op zitten, die
zichtbaar dieper liggen dan de rest van de muur,
leviticus 14:39-43
Na die zeven dagen komt hij terug. Blijkt dan, dat de plekken op de muren
van het huis groter zijn geworden, 40dan haalt men er op zijn bevel de
aangetaste stenen uit en werpt die buiten de stad op een onreine plaats.
41Hij laat alle binnenmuren van het huis afkrabben en het afgekrabde
pleisterwerk buiten de stad storten op een onreine plaats. 42Daarna
vervangt men de oude stenen door nieuwe en het huis wordt opnieuw
bepleisterd. 43Komen de plekken, nadat de stenen uit het huis zijn
verwijderd, de muren zijn afgekrabd en opnieuw bepleisterd, toch weer te
voorschijn
leviticus 14:45-50
Het huis moet worden afgebroken; de stenen, het houtwerk en al het puin
moeten buiten de stad naar een onreine plaats gebracht worden. 46Ieder
die zo’n huis binnengaat, gedurende de tijd dat de priester het gesloten
heeft, is tot de avond onrein. 47Wie erin slaapt of eet, moet zijn kleren
wassen. 48Stelt de priester bij het onderzoek vast, dat de plekken, nadat
het huis opnieuw bepleisterd is, niet groter zijn geworden, dan verklaart hij
het huis rein; de zieke plekken zijn genezen. 49Om het huis van
zondesmet te reinigen, neemt hij twee vogels, cederhout, karmozijn en
hysop. 50De ene vogel slacht hij boven een aarden schaal met bronwater.
leviticus 14:53-54
De levende vogel laat hij dan buiten de stad wegvliegen. Zo voltrekt hij aan
het huis de verzoening; het is weer rein. 54Dit is de wet op alle soorten
van huidziekte, op schurft,
leviticus 14:57
Zij geeft aan wanneer iets onrein is of rein. Dit is de wet op de huidziekte.
leviticus 15:1-21
Jahwe sprak tot Mozes en Aäron: 2Zeg aan de Israëlieten: Wanneer een
man aan druiper lijdt, is hij door die druiper onrein. 3Deze onreinheid
treedt op zowel wanneer zijn druiper vloeit als door druiper wanneer dat
onderbroken wordt. 4Het bed, waarop iemand die aan druiper lijdt,
gelegen heeft, is onrein; alles waarop hij gezeten heeft, is eveneens
onrein. 5Als iemand zijn bed aanraakt, moet hij zijn kleren wassen en een
bad nemen; hij is tot de avond onrein. 6Degene die gaat zitten op iets
waar deze op gezeten heeft, moet zijn kleren wassen en een bad namen;
hij is tot de avond onrein. 7Wie hemzelf aanraakt, moet zijn kleren wassen
en een bad nemen; hij is tot de avond onrein. 8Heeft de man gespuwd op
iemand die rein was, dan moet deze zijn kleren wassen en een bad
nemen; hij is tot de avond onrein. 9Het zadel waar hij op gezeten heeft, is
onrein. 10Wie iets aanraakt, waar hij op gezeten heeft, wordt onrein;
degene die het optilt, moet zijn kleren wassen en een bad nemen; hij is tot
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
19
de avond onrein. 11Ieder die door de lijder wordt aangeraakt, zonder dat
deze zijn handen had afgespoeld, moet zijn kleren wassen en een bad
nemen; hij is tot de avond onrein. 12Het aarden vaatwerk, dat hij heeft
aangeraakt, moet men in stukken slaan; houten gereedschap moet met
water worden afgespoeld. 13Is de lijder van de druiper genezen en wil hij
gereinigd worden, dan moet hij zeven dagen wachten. Hij moet zijn kleren
wassen en in stromend water een bad nemen; dan is hij weer rein. 14Op
de achtste dag verschijnt hij met twee tortels of duiven voor Jahwe, bij de
ingang van de tent der samenkomst, en overhandigt ze aan de priester.
15Deze draagt er een op als zondeoffer en een als brandoffer. Zo voltrekt
hij aan hem de verzoening voor Jahwe vanwege zijn druiper. 16Wanneer
een man een zaaduitstorting heeft gehad, moet hij zijn hele lichaam
wassen; hij is tot de avond onrein. 17De kleren en de leren voorwerpen,
die met het zaad in aanraking zijn gekomen, moeten worden gewassen: zij
zijn tot de avond onrein. 18De man en de vrouw die gemeenschap
hebben gehad, moeten een bad nemen; zij zijn tot de avond onrein.
19Wanneer een vrouw een vloeiing heeft en het is de bloeding van haar
menstruatie, dan is zij zeven dagen onrein. Ieder die haar aanraakt, is tot
de avond onrein. 20Alles waarop zij tijdens haar onreinheid slaapt, wordt
onrein; alles waarop zij zit, eveneens. 21Ieder die haar bed aanraakt,
moet zijn kleren wassen en een bad nemen; hij is tot de avond onrein.
leviticus 15:24-32
Heeft iemand gemeenschap met zo’n vrouw, dan komt haar onreinheid
ook op hem. Hij is zeven dagen onrein; ook het bed waarop hij ligt, wordt
onrein. 25Heeft een vrouw een langdurige bloeding buiten de tijd van de
menstruatie of duurt de menstruatie bij haar langer dan normaal, dan is zij
heel die tijd onrein, zoals tijdens de menstruatie. 26Tijdens zo’n bloeding
geldt voor het bed hetzelfde als tijdens de menstruatie; ook voor alles waar
zij op zit, geldt hetzelfde: het is onrein evenals tijdens de menstruatie.
27Ieder die deze dingen aanraakt, wordt onrein: hij moet zijn kleren
wassen en een bad nemen; hij is tot de avond onrein. 28Houdt haar
bloeding op en wil zij gereinigd worden, dan moet zij zeven dagen
wachten. 29Op de achtste dag brengt zij twee tortels of duiven naar de
priester, bij de ingang van de tent der samenkomst. 30Deze draagt de ene
op als zondeoffer en de andere als brandoffer. Zo voltrekt hij aan haar de
verzoening voor Jahwe, vanwege de onreinheid door de bloeding.
31Waarschuw de Israëlieten voor de gevolgen van hun onreinheid. Deze
zou hun dood worden, wanneer zij in die toestand mijn woning bij hen
betreden. 32Dit is de wet op de man die aan druiper lijdt, de man die door
zaaduitstorting onrein is geworden
leviticus 16:1-11
Na de dood van de twee zonen van Aäron, die gestorven waren, toen zij
tot Jahwe naderden, 2sprak Jahwe tot Mozes: Zeg aan uw broer Aäron,
dat hij niet op elke willekeurige tijd in het heiligdom mag komen, achter het
voorhangsel bij de dekplaat van de ark; dat zou zijn dood betekenen. Want
boven de dekplaat van de ark verschijn Ik in een wolk. 3Alleen onder de
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
20
volgende voorwaarden mag hij het heiligdom binnengaan: Er moet een
stier zijn voor een zondeoffer en een ram voor een brandoffer. 4Hij doet
een gewijde, linnen tuniek aan, slaat een linnen lendendoek om, doet een
linnen gordel om zijn middel en zet een linnen tulband op zijn hoofd; dat
zijn de heilige gewaden. Voor hij ze aantrekt neemt hij een bad. 5Van de
gemeenschap der Israëlieten neemt hij twee bokken in ontvangst voor een
zondeoffer en een ram voor een brandoffer. 6Eerst draagt Aäron voor
zichzelf de stier als zondeoffer op om verzoening te bewerken voor
zichzelf en zijn geslacht. 7Dan brengt hij de twee bokken bij de ingang
van de tent der samenkomst 8en werpt over deze dieren het lot: het ene
`voor Jahwe’, het andere `voor Azazel’. 9De bok waarop het lot `voor
Jahwe’ valt, draagt Aäron als zondeoffer op. 10De bok waarop het lot
`voor Azazel’ valt, wordt levend voor Jahwe geplaatst om er eerst de
verzoening aan te voltrekken en hem vervolgens de woestijn in te sturen,
naar Azazel. 11Aäron draagt voor zichzelf de stier als zondeoffer op, om
verzoening te bewerken voor zichzelf en zijn geslacht.
leviticus 16:13-20
Voor Jahwe doet hij de wierook op het vuur, zodat de wierookwolk de
dekplaat boven de verbondsakte omhult; anders zou hij sterven. 14Met
zijn vingers sprenkelt hij zevenmaal bloed van de stier op de voorkant van
de dekplaat. 15Dan slacht hij voor het volk de bok als zondeoffer, brengt
het bloed van het dier achter het voorhangsel en sprenkelt het voor en op
de dekplaat, zoals hij met het bloed van de stier heeft gedaan. 16Zo
voltrekt hij aan het heiligdom de verzoening voor de onreinheid en de
overtredingen der Israëlieten, welke hun zonden ook mogen zijn. Zo zal hij
ook doen voor de tent der samenkomst, die bij hen staat, ondanks hun
onreinheid. 17Vanaf het ogenblik dat Aäron de tent van de samenkomst
binnengaat om in het heiligdom de verzoening te voltrekken, tot hij weer
naar buiten komt, mag niemand de tent betreden. Als hij de verzoening
voor zichzelf, voor zijn familie en voor de hele gemeenschap van Israël
voltrokken heeft, 18komt hij weer naar buiten om de verzoening te
voltrekken aan het altaar, dat voor Jahwe staat. Hij strijkt bloed van de
stier en de bok op de vier horens van het altaar; 19dan sprenkelt hij er
met zijn wijsvinger zevenmaal bloed op. Zo zuivert hij het altaar van de
onreinheden van de Israëlieten en heiligt hij het. 20Heeft Aäron de
verzoening van het heiligdom, de tent van de samenkomst en het altaar
voltooid, dan laat hij de bok die nog leeft bij zich brengen.
leviticus 16:22-35
Zo draagt de bok al hun misdaden weg naar een woest land. In de
woestijn wordt de bok losgelaten. 23Dan gaat Aäron de tent van de
samenkomst binnen, ontdoet zich van de linnen gewaden, die hij bij het
betreden van het heiligdom had aangetrokken, en legt ze daar neer.
24Daarna neemt hij op een heilige plaats een bad, trekt zijn eigen kleren
weer aan en gaat naar buiten om het brandoffer op te dragen voor zichzelf
en voor het volk en zo voor zichzelf en het volk de verzoening te
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
21
voltrekken. 25Het vet van het zondeoffer doet hij op het altaar in rook
opgaan.
leviticus 17:3
Wanneer een Israëliet in of buiten het kamp een rund, een schaap of een
geit slacht
leviticus 17:5-8
De Israëlieten mogen hun slachtoffers niet opdragen op elke willekeurige
plek; zij moeten de offerdieren bij de priester brengen, bij de ingang van de
tent der samenkomst, om ze daar als slachtoffers aan Jahwe op te dragen.
6De priester sprenkelt het bloed bij de ingang van de tent der samenkomst
op het altaar en doet het in rook opgaan als een geurige gave die Jahwe
behaagt. 7Zij mogen niet langer slachtoffers opdragen aan de saters, die
zij ontuchtig achterna lopen. Dit is een blijvend voorschrift voor hen, al hun
geslachten door. 8Gij moet tot hen zeggen: Wanneer iemand, een
Israëliet of een vreemdeling die bij u woont, een brandoffer of een
slachtoffer opdraagt,
leviticus 17:10-16
Als iemand, een Israëliet of een vreemdeling die bij u woont, bloed nuttigt,
treed Ik persoonlijk tegen hem op en verwijder hem uit zijn volk. 11Want
de levenskracht van mens en dier zit in het bloed. Ik sta u alleen toe het te
gebruiken op het altaar om verzoening te bewerken, want door de
levenskracht bewerkt het bloed verzoening. 12Daarom heb Ik de
Israëlieten gezegd: `Niemand van u mag bloed nuttigen, ook niet de
vreemdeling die bij u woont.’ 13Als iemand, een Israëliet of een
vreemdeling die bij u woont, op de jacht wild of gevogelte vangt, dat
gegeten mag worden, dan moet hij het bloed eruit laten lopen en met zand
bedekken. 14Want de levenskracht van mens en dier is zijn bloed;
daarom heb Ik de Israëlieten gezegd: `Nuttig nooit bloed van mens of dier.
Want de levenskracht van mens en dier is in zijn bloed. Ieder die het
nuttigt wordt uit zijn volk verwijderd.’ 15Iedereen, geboren Israëliet of
vreemdeling, die eet van een dier dat doodgegaan is of vreemdeling, die
eet van een dier dat doodgegaan is of verscheurd, moet zijn kleren
wassen en een bad nemen; hij is tot de avond onrein. Dan wordt hij weer
rein. 16Wast hij zijn kleren niet en neemt hij geen bad, dan zal hij ervoor
boeten.
leviticus 18:3-4
Leef niet naar de gebruiken van Egypte waar gij gewoond hebt, noch naar
die van Kana”n waar ik u heenbreng. Richt uw leven niet in volgens hun
gewoonten, 4maar houdt u aan mijn wetten en richt uw leven naar mijn
voorschriften. Ik ben Jahwe uw God.
leviticus 18:6-30
Niemand van u mag tot een bloedverwant naderen om diens schaamte te
ontbloten. 7De schaamte van uw vader, dat is de schaamte van uw
moeder, moogt ge niet ontbloten: omdat zij uw moeder is, moogt ge haar
schaamte niet ontbloten. 8Ook de schaamte van een andere vrouw van
uw vader moogt gij niet ontbloten; het is de schaamte van uw vader. 9De
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
22
schaamte van uw zuster, een dochter van uw vader of van uw moeder, in
uw familie of daarbuiten geboren, moogt gij niet ontbloten. 10De
schaamte van een dochter van uw zoon of dochter moogt gij niet
ontbloten; het is immers uw eigen schaamte. 11De schaamte van de
dochter van een andere vrouw van uw vader, door uw vader verwekt,
moogt gij niet ontbloten; omdat zij uw zuster is, moogt ge haar schaamte
niet ontbloten. 12De schaamte van de zuster van uw vader moogt gij niet
ontbloten; zij is de naaste bloedverwant van uw vader. 13De schaamte
van een zuster van uw moeder moogt gij niet ontbloten; zij is een
bloedverwant van uw moeder. 14De schaamte van een broer van uw
vader moogt gij niet ontbloten en tot diens vrouw niet naderen; zij is uw
tante. 15De schaamte van uw schoondochter moogt gij niet ontbloten;
omdat zij de vrouw van uw zoon is, moogt ge haar schaamte niet
ontbloten. 16De schaamte van de vrouw van uw broer moogt gij niet
ontbloten; het is de schaamte van uw broer. 17De schaamte van een
vrouw en die van haar dochter moogt gij niet beide ontbloten; ook de
dochter van een zoon of dochter van die vrouw moogt ge niet huwen.
Omdat zij bloedverwanten zijn, moogt ge haar schaamte niet ontbloten; dat
is een schande. 18Gij moogt niet trouwen met een zuster van uw vrouw;
wanneer ge de schaamte van de een ontbloot, terwijl de ander nog leeft,
geeft dat jaloezie. 19Gij moogt niet naderen tot een vrouw die menstruatie
heeft en onrein is. 20Gij moogt geen gemeenschap hebben met een
vrouw van uw naaste; want dan verontreinigt ge u. 21Gij moogt niet
toestaan, dat een van uw nakomelingen geofferd wordt aan de Moloch; ge
moogt de naam van uw God niet ontwijden: Ik ben Jahwe. 22Met een man
moogt gij geen omgang hebben als met een vrouw; dat is een gruwel.
23Met geen enkel dier moogt ge geslachtsgemeenschap hebben en u zo
verontreinigen. Ook een vrouw mag zich niet afgeven met een dier, dat is
een schanddaad. 24Verontreinig u dus niet door dergelijke dingen, want
de volken die Ik voor u verdrijf, hebben zich daardoor verontreinigd. 25Zo
is het land onrein geworden: Ik heb het geteisterd om zijn misdaad, zodat
het zijn bewoners uitspuwde. 26Maar gij moet mijn voorschriften en
wetten onderhouden en geen van deze gruweldaden bedrijven, noch de
geboren Israëliet noch de vreemdeling die bij u woont. 27Want al die
gruweldaden hebben de mensen die voor u in dit land woonden bedreven,
zodat het land er onrein van werd. 28Zorg dus dat gij uw land niet
opnieuw verontreinigt; anders spuwt het u ook uit, zoals het de volken voor
u heeft uitgespuwd. 29Al degenen die dergelijke gruweldaden bedrijven,
moeten uit hun volk worden verwijderd. 30Houd u aan wat Ik u voorschrijf
en laat u niet in met die afschuwelijke gebruiken, die er voor u in zwang
waren. Verontreinig u daardoor niet. Ik ben Jahwe uw God.
leviticus 19:1-35
Jahwe sprak tot Mozes: 2Zeg tot heel de gemeenschap van de
Israëlieten: Wees heilig, want Ik, Jahwe uw God, ben heilig. 3Ieder van u
moet eerbied hebben voor zijn moeder en vader. De sabbatdagen die Ik
heb voorgeschreven moet gij onderhouden. Ik ben Jahwe uw God. 4Laat
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
23
u niet in met afgoden en maak geen metalen beelden. Ik ben Jahwe uw
god. 5Wanneer gij aan Jahwe een slachtoffer opdraagt, doe het dan zo,
dat Hij behagen in u vindt. 6Men moet dat offer eten op de dag zelf of op
de dag daarna. Wat er op de derde dag nog over is, moet worden
verbrand. 7Op de derde dag mag men er niet meer van eten; het is
besmet en komt de offeraar niet ten goede. 8Wie er van eet, zal ervoor
boeten; wat Jahwe gewijd was, heeft hij ontwijd. Hij wordt uit zijn volk
verwijderd. 9Als gij uw oogst van het land haalt, moogt gij uw akker niet
tot de rand afmaaien en wat is blijven liggen niet bijeenrapen. 10Gij moogt
in uw wijngaard geen nalezing houden en de afgevallen druiven niet
bijeenrapen. Dat alles is bestemd voor de arme en de vreemdeling. Ik ben
Jahwe uw God. 11Gij moogt elkaar niet bestelen, niet beliegen en niet
bedriegen. 12Ge moogt mijn naam niet gebruiken voor meineed, want dan
ontwijdt ge de naam van uw God. Ik ben Jahwe. 13Gij moogt uw naaste
niet uitbuiten en hem in niets te kort doen. Wat een dagloner verdient
moogt ge niet vasthouden tot de volgende morgen. 14Gij moogt een dove
niet vervloeken en een blinde niets in de weg leggen, waarover hij
struikelen kan. Ge moet ontzag hebben voor uw God. Ik ben Jahwe.
15Wees niet partijdig bij het rechtspreken: begunstig de arme niet en zie
de rijke niet naar de ogen. Spreek rechtvaardig recht over uw
volksgenoten. 16Strooi geen lasterpraat rond over elkaar en sta uw
naaste niet naar het leven. Ik ben Jahwe. 17Wees niet haatdragend tegen
uw broeder. Wijs elkaar terecht: dan maakt ge u niet schuldig aan de
zonde van een ander. 18Neem geen wraak op een volksgenoot en
koester geen wrok tegen hem. Bemin uw naaste als uzelf. Ik ben Jahwe.
19Onderhoud mijn wetten. Gij moogt geen dieren van verschillende soort
kruisen; gij moogt op uw akker geen twee gewassen zaaien; gij moogt
geen kleren dragen van tweeërlei stof. 20Heeft iemand gemeenschap met
een slavin, die voor een andere man is bestemd, maar er is voor haar nog
geen losgeld betaald en zij is nog niet vrijgelaten, dan moet er
schadevergoeding worden gegeven, maar ze hoeven niet ter dood te
worden gebracht; zij was immers nog niet vrijgelaten. 21De man moet als
schuldoffer voor Jahwe een ram naar de ingang van de tent der
samenkomst brengen. 22Met deze ram moet de priester voor Jahwe aan
hem de verzoening voltrekken vanwege de zonde die hij heeft bedreven;
dan wordt deze daad hem vergeven. 23Als gij in het land komt en allerlei
vruchtbomen plant, moet ge van de vruchtbomen afblijven; ze mogen niet
worden gegeten. 24In het vierde jaar zijn alle vruchten bestemd voor een
dankfeest ter ere van Jahwe. 25Pas in het vijfde jaar moogt gij de
vruchten eten. Dan zullen de bomen steeds meer vrucht opbrengen. Ik ben
Jahwe uw God. 26Iets waar het bloed nog inzit moogt ge niet eten. Gij
moogt u niet inlaten met waarzeggerij of dodenbezwering. 27Gij moogt
aan uw hoofdhaar geen ronde rand knippen en de rand van uw baard niet
wegnemen. 28Ge moogt uw lichaam niet kerven voor een dode en u niet
laten tatouëren. Ik ben Jahwe. 29Onteer uw dochter niet door van haar
een publieke vrouw te maken; anders wordt het land ontuchtig en wemelt
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
24
het er van schanddaden. 30Gij moet mijn sabbatdagen onderhouden en
eerbied hebben voor mijn heiligdom. Ik ben Jahwe. 31Gij moogt geen
contact zoeken met de geesten van gestorvene en geen orakels
ondervragen. Daardoor zoudt ge u verontreinigen. Ik ben Jahwe uw God.
32Gij moet opstaan voor een grijsaard en eerbied hebben voor een
bejaarde. Gij moet ontzag hebben voor uw God. Ik ben Jahwe.
33Wanneer er vreemdelingen in uw land wonen, moogt ge die niet slecht
behandelen. 34Vreemdelingen die bij u wonen hebben dezelfde rechten
als een geboren Israëliet. Gij moet hen beminnen als uzelf, want gij zijt zelf
vreemdelingen geweest in Egypte. Ik ben Jahwe uw God. 35Wees niet
partijdig in de rechtspraak en niet oneerlijk met lengtematen, gewichten of
inhoudsmaten.
leviticus 19:37
Onderhoud en volbreng al mijn wetten en voorschriften. Ik ben Jahwe.
leviticus 20:1
Jahwe sprak tot Mozes:
leviticus 20:3-27
Ik treed persoonlijk op tegen zo iemand en verwijder hem uit zijn volk.
Door een van zijn kinderen ter beschikking te stellen van de Moloch heeft
hij mijn heiligdom verontreinigd en mijn heilige naam ontwijd. 4Mocht het
volk van het land zijn ogen sluiten voor het feit dat die man een van zijn
kinderen ter beschikking heeft gesteld van de Moloch en mocht het hem
niet ter dood brengen, 5dan treed Ik persoonlijk op tegen hem en tegen
zijn verwanten. Ik zal hem, en alle anderen die ontuchtig de Moloch
nalopen, uit hun volk verwijderen. 6Tegen degene die contact zoekt met
geesten en orakels raadpleegt en deze ontuchtig achterna loopt, treed Ik
persoonlijk op en verwijder hem uit zijn volk. 7Zorg dat gij heilig zijn; wees
heilig, want Ik ben Jahwe uw God. 8Onderhoud mijn wetten. Ik ben
Jahwe, degene die u heiligt. 9Ieder die zijn vader en zijn moeder
vervloekt, moet ter dood worden gebracht. Hij heeft zijn vader en zijn
moeder vervloekt; hij heeft zijn dood aan zichzelf te wijten. 10Hij die
overspel pleegt met de vrouw van een ander, de vrouw van zijn naaste,
moet ter dood worden gebracht, hijzelf en de vrouw met wie hij overspel
heeft gepleegd. 11Als een man gemeenschap heeft met een vrouw van
zijn vader, ontbloot hij de schaamte van zijn vader. Beiden moeten ter
dood worden gebracht; zij hebben hun dood aan zichzelf te wijten. 12Als
een man gemeenschap heeft met zijn schoondochter, moeten beiden ter
dood gebracht worden. Zij hebben een schanddaad begaan; zij hebben
hun dood aan zichzelf te wijten. 13Als een man met een andere man
omgang heeft als met een vrouw, begaan beiden een afschuwelijke daad.
Zij moeten ter dood worden gebracht; zij hebben hun dood aan zichzelf te
wijten. 14Als een man met een vrouw trouwt en tegelijk met haar moeder,
dan is dat een schande. Zowel de man als de beide vrouwen moeten
worden verbrand; zoiets schandaligs mag bij u niet voorkomen. 15Een
man die geslachtsgemeenschap heeft met een dier, moet gedood worden;
het dier moet ge afmaken. 16Als een vrouw zich afgeeft met een dier,
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
25
moet ge zowel de vrouw als het dier doden. Zij moeten ter dood worden
gebracht; zij hebben hun dood aan zichzelf te wijten. 17Als een man
trouwt met zijn zuster, een dochter van zijn vader of zijn moeder, en zij
zien elkaars schaamte, dan is dit een schande. Voor de ogen van hun
volksgenoten moeten zij verwijderd worden. Hij heeft de schaamte van zijn
zuster ontbloot; hij moet voor zijn misdaad boeten. 18Als een man
gemeenschap heeft met een vrouw tijdens de menstruatie en haar
schaamte, de bron van haar bloeding, ontbloot, en zij stemt daarmee in,
dan moeten beiden uit hun volk worden verwijderd. 19De schaamte van
een zuster van uw vader of uw moeder moogt gij niet ontbloten. Wie zoiets
doet heeft zijn eigen bloedverwant ontbloot; hij moet voor zijn misdaad
boeten. 20Een man die gemeenschap heeft met zijn tante, ontbloot de
schaamte van zijn oom. Zij moeten voor hun zonde boeten en zullen
kinderloos sterven. 21Als een man met de vrouw van zijn broer trouwt, is
dat een schande. Hij heeft de schaamte van zijn broer ontbloot; zij zullen
kinderloos blijven. 22Onderhoud en volbreng al mijn wetten en
voorschriften; dan zal het land waar Ik u heenbreng om er te wonen, u niet
uitspuwen. 23Leef niet naar de gebruiken van de volken die Ik voor u
verjaag. Omdat zij dergelijke dingen deden, walgde Ik van hen. 24Toen
sprak Ik tot u: Gij zult hun land in bezit nemen; Ik zelf geef het u in bezit,
een land van melk en honing. Ik ben Jahwe uw God. Ik heb u van de
andere volken onderscheiden. 25Maakt gij dan onderscheid tussen reine
en onreine landdieren, tussen reine en onreine vogels. Besmet u niet met
die landdieren, vogels en kruipende dieren, die Ik onrein heb verklaard en
als zodanig heb aangewezen. 26Wees heilig voor Mij, want Ik, Jahwe,
ben heilig. Ik heb u van de andere volken onderscheiden om Mij toe te
behoren. 27Mannen of vrouwen in wie de geest van een dode is of die
aan waarzeggerij doen, moeten ter dood worden gebracht. Zij moeten
worden gestenigd; zij hebben hun dood aan zichzelf te wijten.
leviticus 21:1-2
Jahwe sprak tot Mozes: Zeg aan de priesters, de zonen van Aäron: Een
priester mag zich niet verontreinigen aan het lijk van een volksgenoot,
2tenzij het gaat om een naaste bloedverwant: zijn vader, zijn moeder, een
zoon, een dochter, een broer.
leviticus 21:4-14
Maar zodra zij gehuwd is, mag hij zich voor haar niet verontreinigen en
zich niet ontwijden. 5Zij mogen op hun hoofd geen kale plek maken, de
rand van hun baard niet afscheren en hun lichaam niet kerven. 6Zij
moeten heilig zijn voor hun God en mogen zijn naam niet ontwijden. Zij
dragen de offers van Jahwe op, de spijs van hun God; daarom moeten zij
heilig zijn. 7Zij mogen niet huwen met een publieke vrouw, met een vrouw
die onteerd is, of met een vrouw die door haar man verstoten is. Want de
priester is heilig voor zijn God. 8Gij moet hem dan ook als heilig
beschouwen, want hij draagt de spijs van uw God op. Hij moet u heilig zijn,
want Ik, Jahwe, die u heilig maak, ben heilig. 9De dochter van een
priester, die zich door ontucht onteert, onteert haar vader; zij moet worden
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
26
verbrand. 10De voornaamste onder de priesters, over wiens hoofd de
zalvingsolie is uitgegoten en die gewijd is om de gewaden te dragen, mag
zijn hoofdhaar niet los laten hangen en zijn kleren niet scheuren. 11Hij
mag niet bij een lijk komen en zich daaraan verontreinigen, zelfs niet als
het zijn vader of moeder is. 12Hij mag zich niet verwijderen uit het
heiligdom van zijn God en het niet ontwijden, want hij is door de zalving
met olie aan zijn God gewijd. Ik ben Jahwe. 13De vrouw die hij huwt moet
maagd zijn. 14Hij mag geen weduwe huwen, geen verstoten vrouw, geen
onteerde vrouw en geen publieke vrouw; hij mag alleen trouwen met een
maagd uit zijn familie.
leviticus 21:16
Jahwe sprak tot Mozes:
leviticus 21:18-24
Iemand met een gebrek mag niet als priester optreden: een blinde niet,
een kreupele niet, evenmin iemand met een geschonden of misvormde
neus 19of iemand die zijn been of arm heeft gebroken; 20ook iemand
met een bochel niet, een dwerg niet, evenmin iemand met een vlek op het
oog, met een of andere huidziekte of een ontmande. 21Iemand uit het
geslacht van de priester Aäron, die een van die gebreken heeft, mag niet
optreden om Jahwe’s offergaven op te dragen. Vanwege zijn gebrek mag
hij niet optreden om de spijs van zijn God te offeren. 22Hij mag wel de
spijs van zijn God eten, het heilige zowel als het hoogheilige, 23maar
vanwege zijn gebrek mag hij niet bij het voorhangsel komen en het altaar
niet naderen. Hij mag mijn heiligdom niet ontwijden, want Ik ben Jahwe,
die hen heilig. 24Mozes bracht dit over aan Aäron en zijn zonen en aan
alle Israëlieten.
leviticus 22:1
Jahwe sprak tot Mozes:
leviticus 22:3-17
Zeg hun: Voor al uw geslachten geldt: Als iemand van uw familie onrein is
en toch nadert tot de heilige gaven die de Israëlieten aan Jahwe wijden,
moet die persoon van Mij verwijderd worden. Ik ben Jahwe. 4Als iemand
van Aärons geslacht een huidziekte heeft of aan druipen lijdt, mag hij niet
eten van de heilige gaven, voordat hij weer rein is. Dat geldt ook voor
degene die iets aanraakt dat door contact met een lijk onrein is geworden,
voor degene die een uitstorting heeft, 5die in aanraking komt met kruipend
gedierte, dat onrein maakt, of met een mens, die onrein maakt, of voor
degene die op een andere manier onrein is geworden. 6Hij is tot de avond
onrein en mag niet van de heilige gaven eten, voor hij een bad heeft
genomen. 7Na zonsondergang is hij weer rein. Dan mag hij weer eten van
de heilige gaven, want daar moet hij van leven. 8Een dier dat dood is
gegaan of verscheurd is, mag hij niet eten; anders wordt hij onrein. Ik ben
Jahwe. 9De priesters moeten doen wat Ik hun voorschrijf en zich op dit
punt niet bezondigen, want als zij het heilige ontwijden, zou dat hun dood
zijn. Ik ben Jahwe, die hen heilig. 10Een onbevoegde mag niet van de
gewijde gaven eten; iemand die bij een priester inwoont of werkt, evenmin.
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
27
11De slaven, die een priester met zijn eigen geld heeft gekocht of die in
zijn huis geboren zijn, mogen ervan eten. 12De dochter van een priester,
die met een niet-priester is getrouwd, mag niet eten van de heilige gaven,
die afgedragen worden. 13Is zij weduwe geworden of door haar man
verstoten, heeft zij geen kinderen en is zij weer terug in het ouderlijk huis,
zoals in haar jeugd, dan mag zij eten wat haar vader eet. Een onbevoegde
mag dat niet. 14Iemand die door onoplettendheid van de heilige gaven
eet, moet deze, vermeerderd met een vijfde, aan de priester vergoeden.
15De priesters mogen de heilige gaven, die de Israëlieten aan Jahwe
afdragen, niet laten ontwijden. 16Zij zouden er oorzaak van zijn, dat de
Israëlieten, door het eten van de gaven die een priester toekomen, schuld
op zich laden en tot boete verplicht zijn. Ik ben Jahwe, die hen heilig.
17Jahwe sprak tot Mozes:
leviticus 22:19-26
moet hij daarvoor een mannelijk dier nemen zonder gebrek, een rund, een
schaap of een geit. Dan schept Jahwe behagen in hem. 20Dieren met een
gebrek moogt gij niet aanbieden; dan schept Jahwe geen behagen in u.
21Ook als iemand ter vervulling van een gelofte of als vrije gave een rund
of een stuk kleinvee aan Jahwe opdraagt als slachtoffer, moet het, om
aanvaard te worden, een gaaf dier zijn, zonder gebrek. 22Is een dier
blind, kreupel of verminkt, heeft het zweren, uitslag of huidziekte, dan
moogt ge het Jahwe niet offeren; zulke dieren moogt ge niet op het altaar
brengen als offergaven voor Jahwe. 23Een rund of een schaap dat
misvormd is, moogt ge wel als vrije gave aanbieden, maar als gelofteoffer
wordt het niet aanvaard. 24Een dier, dat door kneuzen, verbrijzelen,
afrukken of snijden ontmand is, moogt ge Jahwe niet aanbieden. Een
dergelijk dier offert men niet in uw land 25en gij moogt het ook van een
vreemdeling niet aannemen om het aan te bieden als spijs voor uw God.
Zij zijn geschonden en hebben een gebrek; zij worden niet aanvaard.
26Jahwe sprak tot Mozes:
leviticus 22:28-32
Maar gij moogt een rund of een schaap niet slachten op dezelfde dag als
een jong van dat dier. 29Biedt ge Jahwe een slachtoffer aan uit
dankbaarheid, dan moet ge dat zo doen, dat het aanvaard wordt: 30het
moet op de dag zelf worden gegeten en ge moogt er niets van overlaten
tot de volgende dag. Ik ben Jahwe. 31Gij moet mijn geboden stipt
onderhouden. Ik ben Jahwe. 32Mijn heilige naam moogt ge niet ontwijden;
Ik wil mijn heiligheid door de Israëlieten erkend zien. Ik ben Jahwe die u
heilig.
leviticus 23:1
Jahwe sprak tot Mozes:
leviticus 23:4-9
Dit zijn de feesten voor Jahwe, de heilige dagen, die gij op de gestelde tijd
moet vieren. 5De veertiende dag van de eerste maand, tegen
zonsondergang, is het pasen ter ere van Jahwe. 6De vijftiende dag van
die maand is het feest van de ongezuurde broden ter ere van Jahwe; dan
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
28
moet gij zeven dagen ongezuurd brood eten. 7De eerste dag is voor u
een heilige dag; ge moogt dan niet werken. 8Zeven dagen achtereen
moet gij Jahwe offers aanbieden. De zevende dag is een heilige dag; dan
moogt ge niet werken. 9Jahwe sprak tot Mozes:
leviticus 23:12-23
Op de dag dat de schoof op deze wijze wordt aangeboden, moet ge een
gaaf lam van nog geen jaar als brandoffer aan Jahwe opdragen.
13Daarbij hoort een meeloffer van twee issaron bloem, aangemaakt met
olie, als geurige gave die Jahwe behaagt, en een plengoffer van een
vierde hin wijn. 14Tot de dag dat ge dit offer aan uw God hebt
opgedragen, moogt ge geen brood eten, en geen graankorrels, gepoft of
niet gepoft. Dat is een blijvende wet, al uw geslachten door, waar ge ook
woont. 15Vanaf de dag na de sabbat, waarop ge de schoof hebt gebracht
die voor de priester bestemd is, moet ge zeven sabbatten tellen. 16En
daags na de zevende sabbat, op de vijftigste dag, moet ge aan Jahwe vers
graan offeren. 17Van de plaats waar ge woont, moet gij als bijdrage twee
broden meebrengen van twee issaron bloem, met zuurdeeg gebakken, om
die als eerstelingen aan Jahwe aan te bieden. 18Bij dit brood moet ge
zeven gave lammeren van nog geen jaar, een stier en twee rammen aan
Jahwe opdragen met bijbehorende meeloffers en plengoffers, als een
geurige gave die Jahwe behaagt. 19Als zondeoffer moet ge een bok en
als slachtoffer twee lammeren van nog geen jaar opdragen. 20Met het
brood van het nieuwe graan zondert de priester voor Jahwe de beide
lammeren af; zij zijn Jahwe gewijd en komen aan de priester toe.
21Diezelfde dag moet gij vieren als een heilige dag; ge moogt dan niet
werken. 22Wanneer ge uw oogst van het land haalt, moogt ge uw akker
niet tot de rand afmaaien en wat is blijven liggen moogt ge niet
bijeenrapen. Dat is bestemd voor de armen en de vreemdelingen. Ik ben
Jahwe uw God. 23Jahwe sprak tot Mozes:
leviticus 23:25-26
Ge moogt dan niet werken en ge moet een offer opdragen aan Jahwe.
26Jahwe sprak tot Mozes:
leviticus 23:28-30
Ge moogt op die dag niet werken; het is de dag van verzoening, waarop
verzoening voor u wordt bewerkt bij Jahwe uw God. 29Wie zich niet
kastijdt, wordt uit zijn volk verwijderd. 30En wie op die dag werkt, neem Ik
weg uit zijn volk en verdelg hem.
leviticus 23:32-33
Het is grote sabbat voor u en ge moet uzelf kastijden; van de avond van de
negende dag van die maand tot de volgende avond moet gij sabbat
houden. 33Jahwe sprak tot Mozes:
leviticus 23:35-44
De eerste dag is een heilige dag; ge moogt dan niet werken. 36Zeven
dagen achtereen moet ge offers opdragen aan Jahwe. De achtste dag is
voor u een heilige dag; ook dan moet ge offers opdragen aan Jahwe. Dat
is het slotfeest; ge moogt dan niet werken. 37Dat zijn de feesten ter ere
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
29
van Jahwe, die ge als heilige dagen moet vieren en waarop gij hem offers
moet brengen: brandoffers, meeloffers, slachtoffers en plengoffers, al naar
gelang de verschillende dagen. 38Daarbij zijn de sabbatdagen ter ere van
Jahwe en de gaven die gij hem als gelofteoffers of als vrije gaven
aanbiedt, niet meegerekend. 39Op de vijftiende dag van de zevende
maand, als de oogst van het land is gehaald, moet bij zeven dagen het
feest van Jahwe vieren. 40Haal op de eerste dag citrusvruchten,
palmblaren, twijgen van loofbomen en wilgetakken bijeen en wees vol
vreugde voor Jahwe uw God, zeven dagen lang. 41Ieder jaar moet gij
zeven dagen feest vieren voor Jahwe; dat is een blijvende wet, al uw
geslachten door. In de zevende maand moet gij dat feest vieren. 42Zeven
dagen achtereen moet ge in loofhutten wonen; iedere geboren Israëliet
moet in een loofhut wonen. 43Dan zullen de komende geslachten blijven
beseffen, dat Ik de Israëlieten in loofhutten heb doen wonen, toen Ik hen
uit Egypte leidde. Ik ben Jahwe uw God. 44Zo maakte Mozes de
feestdagen van Jahwe aan de Israëlieten bekend.
leviticus 24:1
Jahwe sprak tot Mozes:
leviticus 24:3
Aäron moet deze in de tent van de samenkomst, voor het voorhangsel
waarachter de verbondsakte ligt, van de avond tot de morgen altijd
brandend houden voor Jahwe. Dat is een blijvende wet, al uw geslachten
door.
leviticus 24:5
Van bloem moet gij twaalf broden bakken, elk van twee issaron.
leviticus 24:9-13
De broden komen toe aan Aäron en zijn zonen; zij moeten ze eten op een
heilige plaats, want ze zijn hoogheilig. Dat is hun blijvend deel van de
offergaven voor Jahwe. 10Een zeker iemand, de zoon van een
Israëlitische moeder en een Egyptische vader, mengde zich eens onder de
Israëlieten. In het kamp raakte hij slaags met een Israëliet. 11Toen de
zoon van de Israëlitische vrouw begon te vloeken en de naam verwenste,
bracht men hem bij Mozes. Zijn moeder heette Selomit; zij was een
dochter van Dibri, uit de stam Dan. 12Hij werd gevangen gezet, in
afwachting van de beslissing van Jahwe. 13En Jahwe sprak tot Mozes:
leviticus 24:15
En tot de Israëlieten moet gij zeggen: Ieder die zijn God verwenst, zal
daarvoor boeten.
leviticus 24:17-23
Ieder die een mens doodslaat, moet ter dood gebracht worden, en wie een
dier doodslaat, moet het vergoeden: 18een leven voor een leven. 19Wie
een volksgenoot letsel toebrengt, moet zelf ondergaan wat hij de ander
aandeed: 20een wond voor een wond, een oog voor een oog, een tand
voor een tand; het letsel dat hij de ander toebracht, moet hijzelf
ondergaan. 21Wie een dier doodslaat, moet het vergoeden, maar wie een
mens doodslaat, moet ter dood gebracht worden. 22Hetzelfde recht geldt
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
30
voor de vreemdeling en voor de geboren Israëliet. Ik ben Jahwe uw God.
23Nadat Mozes dit had meegedeeld, brachten de Israëlieten de man, die
Jahwe verwenst had, buiten het kamp en stenigden hem. De Israëlieten
deden wat Jahwe aan Mozes had geboden.
leviticus 25:1
Jahwe sprak tot Mozes op de Sina
leviticus 25:3-6
Zes jaar kunt ge uw akkers inzaaien, zes jaar kunt ge uw wijngaarden
snoeien en de oogst binnenhalen, 4maar in het zevende jaar zal het grote
sabbat zijn voor het land. Dan moogt gij uw akker niet inzaaien, uw
wijngaard niet snoeien, 5de nagroei van het vorige gewas niet oogsten en
de druiven van uw ongesnoeide wijngaard niet plukken. Het land zal een
heel jaar sabbat houden. 6Wat het land tijdens de sabbat uit zichzelf
voortbrengt, zal voldoende zijn om uw slaaf en slavin, de dagloners en de
buitenlanders, die bij u wonen, te voeden.
leviticus 25:8-14
Na verloop van zeven sabbatjaren, zevenmaal zeven jaar, tezamen
negenenveertig jaar, 9moet gij op de dag van verzoening, de tiende dag
van de zevende maand, luid de bazuin laten klinken. In heel uw land moet
gij de bazuin laten schallen. 10Dat vijftigste jaar moet een heilig jaar voor
u zijn; dan moet ge in het land afkondigen dat alle bewoners hun slaven
vrijlaten. Het moet een jobeljaar voor u zijn; iedereen wordt hersteld in zijn
vroeger bezit en keert terug naar zijn familie. 11Het vijftigste jaar is een
jobeljaar voor u; ge moogt dan niet zaaien, de nagroei niet oogsten en de
druiven van uw ongesnoeide wijngaard niet plukken, 12want het is het
jobeljaar; dat moet heilig voor u zijn. Alleen wat het land uit zichzelf
voortbrengt, moogt ge eten. 13In het jobeljaar zal iedereen in zijn vroeger
bezit worden hersteld. 14Wanneer gij een stuk grond verkoopt aan een
volksgenoot of grond van hem koopt, moogt ge elkaar niet benadelen.
leviticus 25:17
Benadeel uw volksgenoot niet; heb eerbied voor uw God. Ik ben Jahwe uw
God.
leviticus 25:19-21
Het land zal rijke vrucht opbrengen, zodat gij volop te eten hebt;
ongestoord zult gij er wonen. 20En denkt ge soms: `Wat moeten wij in het
zevende jaar eten, als we niet zaaien en geen oogst binnenhalen?’,
21wees er dan van verzekerd, dat Ik u in het zesde jaar zo zal zegenen,
dat de oogst voor drie jaar genoeg zal zijn.
leviticus 25:23-55
Verkoop van land mag terugkoop niet uitsluiten, want het land behoort aan
Mij; gij zijt er vreemdelingen en gasten. 24Op alle land dat gij bezit, moet
ge een recht van terugkoop toestaan. 25Raakt uw broeder in
moeilijkheden, zodat hij een deel van zijn grond moet verkopen, dan moet
zijn naaste verwant de grond die zijn broeder verkocht heeft, terugkopen.
26Heeft hij niemand die het voor hem terugkoopt, maar gaat het hem zo
goed, dat hij zelf weer in staat is de grond terug te kopen, 27dan moet hij
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
31
het aantal jaren sinds de verkoop in mindering brengen op de verkoopprijs
en het verschil terugbetalen aan de man, aan wie hij de grond had
verkocht: dan krijgt hij zijn grond weer terug. 28Is hij niet in staat om terug
te kopen, dan blijft het verkochte tot het jobeljaar in het bezit van de koper.
Maar in het jobeljaar komt het vrij; dan wordt hij in zijn bezit hersteld.
29Verkoopt iemand een woonhuis in een ommuurde stad, dan kan hij het
alleen gedurende het eerste jaar na de verkoop terugkopen; alleen die tijd
heeft hij recht van terugkoop. 30Is het huis in de ommuurde stad na
verloop van een jaar niet teruggekocht, dan blijft het voor altijd eigendom
van de koper. Het recht van terugkoop is vervallen; ook in het jobeljaar
komt het niet vrij. 31Huizen in niet ommuurde dorpen horen bij de
landerijen; het recht van terugkoop blijft en in het jobeljaar komen zij vrij.
32De levieten behouden altijd het recht om de huizen, die zij in de
levietensteden bezitten, terug te kopen. 33Heeft een leviet in een stad,
waar hij bezitsrechten heeft, een huis verkocht en is hij niet in staat het
terug te kopen, dan komt dat huis in het jobeljaar vrij; want in de
levietensteden van Israël behoren de huizen aan de levieten. 34Ook de
weidegrond rond die steden mag niet worden verkocht; het is hun bezit
voor altijd. 35Vervalt uw broeder tot armoede en kan hij zich niet
handhaven, dan moet gij hem hulp bieden, zodat hij bij u kan leven, op
dezelfde wijze als een vreemdeling of een buitenlander. 36Uit eerbied
voor uw God moogt gij van uw broeder geen rente of toeslag vragen, zodat
hij bij u kan blijven leven. 37Leen hem geld zonder rente en geef hem te
eten zonder toeslag. 38Ik ben Jahwe uw God; Ik heb u uit Egypte geleid
om u Kana”n te geven en uw God te zijn. 39Vervalt uw broeder tot zo
grote armoede dat hij zich aan u moet verkopen, behandel hem dan niet
als een slaaf; 40beschouw hem als een dagloner of een buitenlander. Hij
moet tot het jobeljaar in dienst blijven; 41dan kan hij met zijn kinderen van
u heengaan: hij kan terugkeren naar zijn familie en wordt in zijn bezit
hersteld. 42Want zij zijn dienaren van Mij: Ik heb hen uit egypte geleid. Zij
kunnen niet als slaaf worden verkocht. 43Uit eerbied voor uw God moogt
gij hem niet tiranniseren. 44Hebt gij slaven of slavinnen nodig, koop ze
dan in het buitenland 45of koop buitenlanders, die bij u wonen, of
kinderen die zij bij u in het land hebben gekregen. Die kunt gij als slaven
bezitten 46en aan uw kinderen als erfgoed nalaten; die kunt ge voor altijd
als slaven in dienst houden. Maar niemand van u mag een broeder, een
Israëliet tiranniseren. 47Als een buitenlander die bij u woont rijk wordt en
uw broeder vervalt tot zo grote armoede dat hij zich aan hem of aan
iemand van diens familie verkoopt, 48dan heeft hij daarna recht van
vrijkoop. Een van zijn verwanten moet hem vrijkopen; 49zijn oom, diens
zoon of iemand anders van zijn naaste familie. Is hij zelf weer bemiddeld
geworden, dan kan hij zichzelf vrij kopen. 50Hij moet met de koper de tijd
tussen het jaar van de verkoop en het jobeljaar berekenen en in
overeenstemming daarmee de prijs van de verkoop bepalen. Voor de jaren
dat hij bij hem gewerkt heeft, geldt het tarief van een dagloner. 51Resten
er nog veel jaren tot aan het jobeljaar, dan moet hij een evenredig deel van
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
32
de koopsom als losprijs betalen. 52Resten er nog weinig jaren, ook dan
moet de losprijs in overeenstemming daarmee worden berekend. 53De
tijd dat hij bij hem is, moet hij behandeld worden als een dagloner; hij mag
onder uw ogen niet worden getiranniseerd. 54Wordt hij op geen van deze
manieren losgekocht, dan komt hij met zijn kinderen vrij in het jobeljaar.
55Want de Israëlieten zijn dienaren van Mij; Ik heb hen uit Egypte geleid.
Ik ben Jahwe uw God.
leviticus 26:1-4
Gij moogt in uw land geen afgodsbeelden maken, geen gebouwen
godenbeelden of wijstenen oprichten en geen stenen met beeldwerk
plaatsen om u daarvoor neer te buigen. Ik ben Jahwe uw God.
2Onderhoud mijn sabbatten en heb eerbied voor mijn heiligdom. Ik ben
Jahwe. 3Als ge uw leven richt naar mijn wetten en mijn geboden
nauwgezet volbrengt, 4dan zal Ik u regen geven op de juiste tijd, zodat uw
land rijke oogst oplevert en uw boomgaarden overvloedig vrucht dragen.
leviticus 26:6-34
Dan breng Ik vrede over het land en kunt gij slapen zonder dat iemand u
opschrikt. Wilde dieren houd Ik weg uit uw land en het zwaard dringt er
niet door. 7Uw vijanden jaagt gij op de vlucht; zij vallen door uw zwaard.
8Vijf van u achtervolgen er honderd, honderd achtervolgen er tienduizend;
de vijanden vallen door uw zwaard. 9Ik blijf u mijn gunsten schenken; Ik
maak u vruchtbaar en talrijk. Mijn verbond met u blijf Ik trouw. 10Terwijl gij
nog eet van de vorige oogst, zult gij uw voorraden al weg moeten doen
voor de nieuwe oogst. 11Midden onder u plaats Ik mijn woning; Ik keer mij
nooit van u af. 12Overal ga Ik met u mee: Ik zal uw God zijn en gij mijn
volk. 13Ik ben Jahwe uw God, die u uit Egypte heb geleid, zodat gij geen
slaven meer hoeft te zijn. Ik heb de stangen van uw juk gebroken en u
rechtop doen gaan. 14Maar als gij Mij niet gehoorzaamt en deze geboden
niet onderhoudt, 15u van mijn wetten niets aantrekt en mijn beslissingen
afwijst, als ge mijn geboden niet onderhoudt en ontrouw wordt aan mijn
verbond, 16weet dan wat Ik met u ga doen. Ellende breng Ik over u.
Tering en brandende koorts ontnemen uw ogen het licht en tasten uw
levenskracht aan. Zaait gij, dan is het voor niets; uw vijanden eten het op.
17Ikzelf treed tegen u op, zodat gij valt onder de slagen van uw vijand. Die
u haten, heersen over u. Gij slaat op de vlucht, ook als niemand u
achtervolgt. 18En als gij Mij ondanks dat alles nog niet gehoorzaamt, zal
Ik u zevenvoudig tuchtigen om uw zonden. 19Uw trotse kracht zal Ik
breken. De hemel boven u maak Ik als ijzer, de aarde beneden u als
koper. 20Vergeefs put gij uw krachten uit; uw land brengt niets op, uw
boomgaard evenmin. 21En blijft gij u dan nog tegen Mij verzetten en
weigeren Mij te gehoorzamen, dan zal Ik u opnieuw zevenvoudig slaan om
uw zonden. 22Wilde dieren stuur Ik op u af, die u van uw kinderen
beroven en uw vee verscheuren. Zij dunnen uw rijen zo uit, dat uw wegen
verlaten zijn. 23En als ge dan door dit alles nog niet wijzer zijt geworden
en u tegen Mij blijft verzetten, 24dan zal ook Ik hard tegen u zijn. Ik zal u
zevenvoudig slaan om uw zonden. 25Het zwaard roep Ik tegen u op om
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
33
de schending van het verbond te wreken. Kruipt gij bijeen in uw steden,
dan laat Ik de pest op u los, zodat gij in de macht van uw vijanden valt.
26En als Ik voor u geen brood op de plank heb, zullen tien vrouwen in een
oven bakken en het brood in porties verdelen. Gij zult wel eten, maar niet
genoeg krijgen. 27Gehoorzaam gij ondanks dat alles nog niet en blijft gij u
tegen Mij verzetten, 28dan blijf Ik in mijn toorn ook hard tegen u.
Zevenvoudig tuchtig Ik u om uw zonden. 29Gij zult het vlees eten van uw
zonen en dochters. 30Uw offerhoogten verwoest Ik, uw wierookaltaren
haal Ik omver, uw gedenktekens smijt Ik op een hoop met die van uw
afgoden, want Ik walg van u. 31Van uw steden maak Ik een woestijn, van
uw heiligdommen een puinhoop. De geur van uw gaven kan Ik niet meer
uitstaan. 32Als Ik eenmaal het land ga verwoesten, staan zelfs de
vijanden die er wonen verbijsterd. 33Ik verstrooi u onder de volken en
kom met getrokken zwaard achter u aan. Uw land wordt een woestenij, uw
steden een puinhoop. 34Zolang het land verwoest ligt en gij bij uw
vijanden woont, haalt het land zijn sabbatjaren in; het komt tot rust en haalt
zijn sabbatjaren in.
leviticus 26:36-40
Die het overleven, sla Ik in het land van hun vijanden met schrik en beven.
Als ze een opwaaiend blad horen ritselen, slaan zij al op de vlucht als voor
het zwaard. Zij vallen neer, ofschoon niemand hen achtervolgd. 37Zij
struikelen over elkaar als gingen zij op de vlucht voor het zwaard, al zit er
niemand achter hen aan. Gij kunt tegen uw vijanden geen stand houden.
38Gij sterft uit onder de volken; het land van uw vijanden verslindt u. 39En
die dat nog overleven, kwijnen in het land van hun vijanden weg om hun
schuld en om die van hun voorvaderen. 40Dan zullen zij hun schuld en
die van hun voorouders bekennen, hoe zij Mij ontrouw zijn geweest en
tegen Mij in zijn gegaan,
leviticus 26:42-46
dan zal Ik weer denken aan mijn verbond met Jakob, denken aan mijn
verbond met Isaak en Abraham, en aan het land. 43Het land zal verlaten
zijn en, zolang het door hun afwezigheid braak ligt, de sabbatjaren inhalen.
Zij boeten ondertussen voor hun schuld, omdat zij mijn uitspraken hebben
veracht en mijn wetten hebben verworpen. 44Maar zelfs als zij in het land
van hun vijanden zijn, zal Ik in mijn verachting en afschuw tegenover hen
niet zo ver gaan, dat Ik een eind aan hen maak; dan zou Ik ontrouw zijn
aan mijn verbond met hen. Ik ben Jahwe uw God. 45Ik zal weer denken
aan het verbond met hun voorvaderen, die Ik onder de ogen van de volken
uit Egypte heb geleid, en Ik zal hun God zijn. Ik, Jahwe. 46Dat zijn de
geboden, wetten en onderrichtingen, waardoor Jahwe door bemiddeling
van Mozes de verhouding tussen Hem en de Israëlieten omschreef.
leviticus 27:1
Jahwe sprak tot Mozes:
leviticus 27:3-11
dan geldt bij de omrekening het volgende tarief: voor een mannelijk
persoon tussen twintig en zestig jaar vijftig sikkel zilver, in heilige munt,
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
34
4voor een vrouwelijk persoon dertig sikkel, 5voor een mannelijk persoon
van vijf tot twintig jaar twintig sikkel, voor een vrouwelijk persoon van
dezelfde leeftijd tien sikkel, 6voor een mannelijk persoon tussen een
maand en vijf jaar vijf sikkel zilver, voor een vrouwelijk persoon drie sikkel
zilver, 7voor een mannelijk persoon boven de zestig jaar vijftien sikkel en
voor een vrouwelijk persoon tien sikkel. 8Is iemand niet in staat het
vastgestelde bedrag te betalen, dan moet men hem bij de priester
brengen. Deze stelt een bedrag vast, dat degene die de gelofte heeft
afgelegd, wel betalen kan. 9Betreft de gelofte een stuk vee, dat Jahwe als
gave kan worden aangeboden, dan worden de dieren, die men Hem
belooft, heilig. 10Men mag een goed dier niet vervangen door een slecht
dier en een slecht dier niet omruilen voor een goed. Vervangt men een dier
door een ander, dan zijn beiden heilig. 11Heeft hij een stuk vee beloofd,
dat onrein is en Jahwe niet als gave kan worden aangeboden, dan moet hij
het bij de priester brengen.
leviticus 27:13-14
Wil men het dier loskopen, dan moet men het vastgestelde bedrag
betalen, vermeerderd met een vijfde. 14Als iemand zijn huis aan Jahwe
toeheiligt, dan stelt de priester vast, hoeveel het waard is, veel of weinig;
het bedrag dat hij vaststelt is bindend.
leviticus 27:16-34
Wil iemand een stuk land aan Jahwe wijden, dan moet de waarde ervan
worden afgemeten naar het benodigde zaaigoed: per ezelslast zaaigerst
vijftig sikkel zilver. 17Wijdt hij zijn land in het jobeljaar aan Jahwe, dan
geldt hetzelfde bedrag. 18Doet hij dat buiten het jobeljaar, dan moet de
priester het aantal jaren tot het volgend jobeljaar in mindering brengen op
het vastgestelde bedrag. 19Wil iemand het stuk land dat hij aan Jahwe
gewijd heeft, terugkopen, dan moet hij het vastgestelde bedrag betalen,
vermeerderd met een vijfde; dan is het land weer van hem. 20Koopt hij
het stuk land niet terug en wordt het aan iemand anders verkocht, dan
vervalt het recht van terugkoop. 21Als het stuk land in het jobeljaar
vrijkomt, wordt het heilige grond, zoals een stuk land dat door ban-gelofte
aan Jahwe gewijd is: het wordt eigendom van de priester. 22Wijdt iemand
aan Jahwe een stuk land, dat hij gekocht heeft en dat dus geen
familiebezit was, 23dan moet de priester bij het vaststellen van het bedrag
rekening houden met het aantal jaren tot het volgende jobeljaar. Dezelfde
dag nog moet het vastgestelde bedrag betaald worden. Het is heilig en
behoort aan Jahwe. 24In het jobeljaar wordt het land weer eigendom van
de verkoper, tot wiens familiebezit het behoord heeft. 25Alle bedragen
moeten worden vastgesteld volgens de sikkel van het heiligdom, twintig
gera de sikkel. 26De eerstgeborenen van het vee, van runderen of
schapen, behoren aan Jahwe; men kan ze dus niet aan Hem wijden. Dat
rund of dat schaap behoort reeds aan Hem. 27Is het dier een onrein dier,
dan kan men het loskopen voor het vastgestelde bedrag, vermeerderd met
een vijfde. Wordt het niet losgekocht, dan moet het voor het vastgestelde
bedrag verkocht worden. 28Wijdt iemand iets van zijn bezit door de ban
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
35
aan Jahwe, mensen, vee of land, dan mag dat niet worden verkocht of
teruggekocht. Alles wat door de ban is gewijd, is hoogheilig en behoort aan
Jahwe. 29Een mens, die onder de ban ligt, kan niet worden vrijgekocht; hij
moet ter dood worden gebracht. 30De tienden van wat het land aan koren
of boomvruchten opbrengt, behoren aan Jahwe; ze zijn Hem gewijd.
31Wil iemand iets van zijn tienden terugkopen, dan wordt de prijs met een
vijfde verhoogd. 32Elk tiende dier van runderen of kleinvee, dat onder de
herdersstaf doorgaat, is aan Jahwe gewijd. 33Daarbij wordt niet gelet op
betere of mindere kwaliteit; ook mag men de dieren niet omwisselen. Doet
men dat toch, dan zijn beide dieren gewijd; ze kunnen niet worden
teruggekocht. 34Dit zijn de geboden, die Jahwe op de Sina
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
36
Database tree of life – introduction to Bible verse
Leviticus is the third book of the Hebrew Bible. Leviticus gets its name
to the fact that they are mainly arrangements for and about the Levitical
priesthood. Already in the Vulgate it has the name Leviticus. In the
Hebrew is the book (Wajikra) (meaning: ’And he called’), after it
first word.
Orthodox Jews as well as Orthodox Christians believe the contents of it
book is dictated by God to Moses on Mount Sinai. According to the in the
historical-critical science documentary hypothesis must be Leviticus
are attributed to a certain priestly codex.
Researchers generally agree that the book is for a
long period, and in its present form during the Persian period from
538-332 BC was created.
Document content
The content of the book can be classified as follows:
A series of laws about the offering of sacrifices : burnt offerings, sacrifices,
fellowship offerings, sin or atonement offerings, and thanksgiving or praise offerings
(chapters 1-7).
Consecration of Aaron and his sons as priests (chapters 8-10). This is also
included a story about Nadab and Abihu, who gave themselves priestly privileges
presumptuous.
Instructions to the Israelites about what they can and cannot eat (dietary laws)
(chapter 11)
Laws about cleansing, hygiene, and sacrifice (Chapters 12-16).
Laws about the distinction between Israel and the Gentiles (Chapters 17-20):
food (17), sexual intercourse (18) and moral behavior (19-20 ).
Laws about the personal cleansing of priests, their food, and the
feasts (chapters 20-25): priests and holidays (21-23), worship (24) and
Sabbath and Jubilee (25).
Finally, a section with promises for those who keep these laws,
and warnings for those who do not (chapters 26-27).
Formally one can speak of a number of similarities between the sacrifices
of Israel and its neighbors. However, there are also some striking ones
differences:
absolute monotheism
emphasis on ethical matters
no magic or sorcery, for priests do not stand between man and God, but
only perform actions
purity, such as no prostitution, orgies, fertility rites and the like
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
37
Interpretation
After the beginning of the Christian era, parts of this book were explained as
prophecy about the Messiah, Jesus Christ. For Christian readers, Leviticus goes
literally about Jewish laws and worship regulations, but includes below
a hidden layer of prophecy explained in the letter to the Hebrews
Source text: above:
https://nl.wikipedia.org/wiki/Leviticus
https://rkbijbel.nl/kbs/bijbel/willibrord1975/neovulgaat
De Willibrordvertaling is dé standaardvertaling van de rooms katholieke
geloofsgemeenschap in het Nederlands taalgebied en wordt uitgegeven door de
Katholieke Bijbelstichting, in nauwe samenwerking met de Vlaamse Bijbelstichting. De
Willibrordvertaling wordt alom gewaardeerd als een vertaling die trouw is aan de
grondtekst en die tegelijkertijd een tekst biedt in begrijpelijk hedendaags Nederlands.
Proverbs 13-12
Always hoping makes the heart sick, but a desire fulfilled is one
tree of life.
revelation 22-14
Blessed are those who wash their clothes clean.
They will be entitled to the tree of life
and they may enter the city through the gates.
leviticus 1: 1-7
Yahweh called Moses and said to him from the tent of the congregation,
2Say to the Israelites, If any of you want a gift from Jehovah
he can choose a cow or a piece of small stock. 3 He wants
present an ox as a burnt offering, and he must offer a sound male
take and present it at the entrance of the tent of meeting; so
Yahweh takes pleasure in him. 4He then puts his hand on the head of it
sacrificial animal; thus it is favorably accepted and makes reconciliation
him. 5He slaughters the ox for Yahweh; the priests, the sons of Aaron,
sacrifice the blood and sprinkle it round about on the altar at the entrance of
the tent of meeting. 6He skins the sacrificial animal and cuts it into pieces.
7The priests, the sons of Aaron, bring fire to the altar and stack it
wood on it.
leviticus 1: 9-17
Then he washes the entrails and the legs and the priest does everything on it
altar go up in smoke. Thus it is an offering of incense, a fragrant gift that Yahweh
pleases. 10 Anyone will offer a sheep or a goat as a burnt offering,
then he must also present a neat male animal. 11He slaughters
it on the north side of the altar to Yahweh. The priests, the sons
of Aaron, sprinkle the blood on the altar round about. 12He cuts it
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
38
The animal is cut into pieces, and the priest puts them on it, along with the head
and the fat
burning wood that is on the altar
leviticus 2: 1-16
When anyone offers a meal offering to Yahweh, that offering must consist of
flower. He pours oil on it, adds frankincense to it and takes it to the
priests, the sons of Aaron. A priest takes a handful of the
flour with oil and all the frankincense that goes with it, and do this as a sign of it
all go up in smoke upon the altar, a fragrant gift that Yahweh
pleases. 3The rest of the meal offering goes to Aaron and his sons, this
kind of offerings to Yahweh is most holy. 4When you want a meal offering
baked in the oven, then it must be made of flour and
be in the form of unleavened bread, made with oil, or of
thin unleavened cakes, brushed with oil. 5 Offer you a meal offering
prepared on the baking tray, it must also be flour, with
oil made and unleavened. Cut it into pieces and pour oil over it.
So it is a meal offering. 7 Offer you a meal offering prepared in a pan,
even then it must consist of flour and oil. 8The meal offering thus prepared
bring you to Yahweh. The offerer hands it over to the priest, who takes it
to the altar. 9The priest then takes a portion of it
meal offering, as a token of the whole, and put it on the altar in smoke
ascend, a fragrant gift that pleases Yahweh. The rest of it
Meal offering belongs to Aaron and his sons: these kinds of offerings
Yahweh is most holy. 11No meal offering that you offer to Yahweh,
may be prepared with leaven; should never be leaven or honey
are part of the offerings which you make to smoke to Yahweh.
12You may present them to Yahweh as choice gifts, but they
should not rise from the altar as a pleasant fragrance. 13At all
you must make meal offerings salt; none of them should contain your salt
covenant with God. So you must add salt to all gifts
you offer. 14Offer Yahweh a meal offering from the first fruits,
then it must consist of roasted ears or the crushed grain of the new
harvest. 15You must add oil and frankincense. So it is a meal offering.
16The priest, as a sign of the whole, does part of the grain, what
oil and all the frankincense to burn as an offering to Jehovah.
leviticus 3: 1-3
When someone offers Yahweh a sacrifice and an ox for it
, it may be a male or female animal, as long as it is intact
is. 2He puts his hand on the head of the sacrificial animal and slaughters it by the
entrance to the tent of meeting. The priests, the sons of Aaron,
sprinkle the blood all around on the altar. 3 Then he offers a part of it
the sacrifice as an offering to Yahweh, the fat on and around the
intestines,
leviticus 3: 6-7
If he wants to offer Yahweh a sheep or a goat as a victim, he may
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
39
be it a male or a female animal, as long as it is intact. 7 Offers
he brings a sheep, then he brings the animal to Jehovah,
leviticus 3: 9
Then he offers Yahweh the fat of the victim as an offering – the whole
tail, cut off at the coccyx, the fat on and around the intestines,
leviticus 3: 12-15
If he offers a goat, he will bring the animal before Yahweh
hand on its head and slaughter it at the tent of meeting. The sons
of Aaron sprinkle the blood on the altar round about. 14 Part of it
sacrificial animal he presents to Yahweh as an offering; the fat on and around the
entrails, the kidneys with fat on them, by the loins, and the
liver lobe, which he removes with the kidneys.
leviticus 3:17
This is a permanent provision for all your generations, wherever you live:
never use fat or blood.
leviticus 4: 1-11
Yahweh said to Moses, 2Say to the Israelites, If anyone passes through
inattention sins against the precepts of Yahweh and something does it
and it is an anointed priest who sins, so that he is guilty
brings upon the people, he must give a gift to Yahweh for his sin
offering bull as a sin offering. 4He takes the animal to the entrance of the
the tent of the congregation, before Jehovah, lay it on its head and slaughter it
it for Yahweh. 5The anointed priest walks with the bull’s blood
to the tent of the congregation, 6 dips his finger in it and sprinkles
therewith to Yahweh seven times the veil of the sanctuary. 7he
also put blood on the horns of the altar of incense that is in the tent of
the congregation stands before Yahweh. He pours out the rest of it at the foot of
the altar of incense, at the entrance of the tent. 8 From the bull of it
the sin offering he takes off all the fat, the fat on and around the inwards, 9th
kidneys and fat on them, by the loins, and the liver lobe, which he with the
kidneys, in the same way as with a bovine for it
victim. The priest makes this smoke on the altar of burnt offering.
11The skin of the bull, all the flesh with the head and legs, the
intestines and intestines,
leviticus 4: 13-27
Is it all the community of Israel that sins through inattention,
without the church knowing that it is doing something that Yahweh has forbidden
and thereby incurs guilt, 14then all the congregation must as soon as
the sin comes to light, present a bull as a sin offering and that
in front of the tent of the meeting. 15Then the elders lay down
the community for Yahweh put their hand on the head of the animal and men
slaughter it for Yahweh. 16Then the anointed priest walks with the blood
from the bull to the tent of the congregation, 17 dips his finger in and
sprinkles with it the veil for Yahweh seven times. 18He is ironing
and blood on the horns of the altar that is in the tent of the congregation
stands for Yahweh. The rest of it he pours out at the base of it
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
40
altar of burnt offering, at the entrance of the tent of meeting. 19All the fat
he takes it off and makes it smoke on the altar. 20 He continues
with this bull the same as with the bull of the sin offering. Thus the
priest for them the atonement and they are forgiven.
21He takes the animal out of the camp and burns it in the same way
as the former bull. This is the sin offering for the church. 22Is
it’s a leader who inattention sins because he’s doing something
Yahweh has forbidden and thereby incurs guilt, 23 then he must,
as soon as his sin becomes known to him, present a goat without blemish.
24He lays his hand on the head of the animal and slaughters it for Yahweh on the
place where people also slaughter the burnt offering. Thus it is a sin
offering. 25The
priest strikes blood of the sin offering on the horns of it
altar of burnt offering; the rest of the blood he pours out at the base of it
altar. He burns all the fat on the altar, just like the fat
of a victim. In this way he makes reconciliation for him
sins and is forgiven. 27 Is it someone of it
people of the land who have sinned through inattention because he has something
has done that Yahweh has forbidden and is therefore guilty
loaded,
leviticus 4:29
He puts his hand on the head of the sacrificial animal and slaughters it in its place
wherever the burnt offering is slaughtered.
leviticus 4: 32-35
If he wants to offer a sheep as a sin offering, it must be undamaged
be a female animal. 33He puts his hand on the head of the animal and slaughters
it as a sin offering, in the place where the burnt offering is slaughtered. 34The
priest strikes the blood of the sin offering on the horns of it
altar of burnt offering. 35 He takes out all the fat, like a sheep from it
victim. The priest does it with the other sacrifices for Yahweh on it
altar go up in smoke. Thus the priest makes reconciliation for him and
he is forgiven.
leviticus 5: 1-5
When someone hears and witnesses a curse or when
he sees or knows something and does not indicate it, then he sins and wears the
full accountability. 2Someone, for example, becomes unclean without very much
to, the bitch of a wild, tame, or creeping animal, and another comes to it
knowing and thereby becomes guilty; 3 someone gets unclean without very much
from one man to, whatever, and another finds out and
thereby becomes guilty; 4or someone takes an ill-considered oath
fall for better or for worse or anyhow and another comes to it
know and thereby becomes guilty: 5 in all these cases the witness must
guilty of any of these things, confess at what point he
has sinned.
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
41
leviticus 5: 7-17
If he cannot afford a piece of flock, he can serve Yahweh
make satisfaction for his sin two turtles or doves, one as
sin offering and one for burnt offering. 8He takes them to the priest first
the animal that is intended for the sin offering; he squeezes it close to the
neck, without pulling it off, 9 and sprinkles the blood from it
sin offering against the altar wall. The rest of the blood is there against the
the foot of the altar. Thus it is a sin offering. 10The second
he offers the bird as a burnt offering in the prescribed manner. So it happens
the priest made atonement for him for the sin which he committed
and he is forgiven. 11Is he not capable of two turtles or
two pigeons to pay, then he must as a gift for what he has done wrong
has to offer a tenth ephah flower as a sin offering, without putting oil on it
do or add frankincense, because it is a sin offering. 12He
brings that to the priest, who, as a token of the whole, is a handful
and burns it with the offerings of Yahweh on the altar
go up. Thus it is a sin offering. 13The priest performs for him
atonement for any of the listed sins he committed and
he is forgiven. The rest goes to the priest,
as with the meal offering. 14Jahweh said to Moses, 15When anyone
commits a crime and through inattention is guilty of something
Yahweh is devoted, so he must get Yahweh out of his flock for satisfaction
bring a ram without blemish as a trespass offering, worth so much
silver shekels in sacred coin. 16He must be the holy thing to which he stands
paid, plus a fifth, and to the
priest. The priest makes atonement for him with the ram
of the trespass offering and forgiveness is given to him. 17 When
someone without knowing it sins against any of the precepts of
Yahweh and does something that is forbidden, he is guilty and must do it
penance.
leviticus 5:19
It is a guilt offering because he was guilty of it
Yahweh.
leviticus 6: 1-4
Yahweh said to Moses, 2Give Aaron and his sons these precepts: This
is the law on the burnt offering: the burnt offering must be all night long to the
tomorrow remain on the fire that burns on the altar
kept. 3 The priest dressed in a linen robe and with a
loincloth around the body, then gather the ashes of the burnt offering, that
on the altar, and put it next to it. 4Then he gets dressed and
take the ashes outside the camp to a clean place.
leviticus 6: 6-19
The fire on the altar must continue to burn without interruption; it’s allowed
never go out. 7This is the law on the meal offering. The sons of Aaron sacrifice
it to Yahweh at the altar. 8A priest takes one of the meal offering
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
42
handful of flour and some oil and do that with the accompanying frankincense, if
the sign of the whole, going up in smoke upon the altar, like a fragrance that
Yahweh
pleases. 9Aaron and his sons may use the rest, but it
must be eaten unleavened in a holy place within the court
of the tent of meeting. 10It should not be with leaven
baked. It is the portion I give them of my offerings. It is
as sacred as the sin offering and the trespass offering. 11All male
the descendants of Aaron may eat of it; this share in the offerings
Yahweh’s judgment is abiding throughout all your generations. Everything in it
touch is devoted. 12Jahweh said to Moses, 13This is the sacrifice that
Aaron and his sons are to bring on the day of Aaron’s anointing: one
tenth ephah flour as a daily meal offering, half in the morning, the
other half in the evening. It must be kneaded with oil on the baking tray
are prepared. You must break it in pieces and command it as
meal offering, the fragrance of which is pleasing to Yahweh. 15The son who like
him
anointed priest must do the same. This is an eternal law.
To Yahweh it must all go up in smoke: 16This applies to everyone
a priest’s meal offering: it may not be eaten. 17Yahweh
said to Moses, 18Say to Aaron and his sons, This is the law upon it
sin offering. The sin offering is to be slaughtered for Yahweh, in the same way
place as the burnt offering, it is most holy. 19The priest who does it
sin offering, must eat it also, and in a holy place, in the
court of the tent of meeting.
leviticus 6: 21-22
The earthenware in which it is cooked must be broken; is
it boiled in a bronze vessel, then this should be sanded and rinsed
turn into. 22Only male members of the priestly family are allowed to do it
food: it is sacred.
leviticus 6: 24-30
And the LORD spake unto Moses, saying 25 Speak unto Aaron and unto
his sons, saying, This is the law of the sin offering, in the place where it is
burnt offering shall be slain, the sin offering shall be before him
LORD be slain; it is a holiness of holiness. 26 The
the priest that sacrifices it for sin shall eat it; in the holy place
to be eaten in the court of the tent of meeting. 27 Al
whatever touches its flesh shall be holy; so who of his blood
sprinkled one garment, that on which he sprinkled,
you shall wash in the holy place. 28 And the earthen vessel in which it
boiled will be broken; but if it is boiled in a copper vessel
it will be sanded and rinsed in water. 29 Anything male
is among the priests, shall eat it; it is a holiness of holiness.
30 But no sin offering, of whose blood shall be in the tent of meeting
brought to be reconciled in the sanctuary shall be eaten;
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
43
it will be burned in the fire.
leviticus 7: 1-32
This is the law on the guilt offering. It is sacred. 2The guilt offering must
they slaughter in the same place as the burnt offering. The blood must be
sprinkle around on the altar. 3All the fat is sacrificed – the tail, the fat
on the entrails, 4th kidneys and the fat on them, by the loins, and the
liver lobe that is removed with the kidneys. 5The priest does it on it
burn the altar as an offering to Yahweh. So it is one
guilt offering. 6Only male members of the priestly family are allowed
to eat of it, and in a holy place; for it is most holy. 7What for
the sin offering applies, also applies to the trespass offering: both accrue
the priest, who makes atonement with it. 8 Like a priest for
if anyone offers a burnt offering, he gets the skin of the sacrificial animal. 9All
flour offerings that have been baked in the oven or prepared in a mold or on a
plate, belong to the priest, who dedicates them. 10But from the other
meal offerings, whether oiled or not, are given to all Aaron’s sons
just as much. 11This is the law on the victim that anyone offers to Yahweh.
12 If he presents it as a peace offering, he adds unleavened bread to the sacrificial
animal
cakes with oil, unleavened flat cakes, with oil
brushed, and kneaded flour with oil, in the form of cakes. 13At this
In addition to these cakes, the victim is also unleavened bread as a gift
Allowed. 14Of everything he offers, he offers a portion as a contribution
for Yahweh. This is due to the priest, who has the blood of the victim
sprinkled. 15The flesh of this offering must be eaten on the day
turn into; nothing should be left until the next morning. 16 If
it is a vow offering or a free gift, it also becomes on the day itself
ate. But what remains can be used the next day
ate. 17If there was any of the sacrificial meat left on the third day, then?
that must be burned. On the third day it will still be like that
eaten meat, it does not benefit the offerer; it benefits him
nothing, because it is contaminated and whoever eats it will pay for it.
19 Meat that has come into contact with anything unclean must not be eaten
turn into; it must be burned. Anyone may use the remaining meat
is clean, eat. 20But whoever in a state of uncleanness eats the flesh of one
sacrifice dedicated to Yahweh, he is removed from his people.
21 Whoever is unclean of a man, of an unclean animal, or of a creeping thing
beast has touched, and yet eats flesh of a victim, that to
Yahweh is dedicated, he will be removed from his people. 22Yahweh spoke to
Moses: 23Say to the Israelites, Thou shalt not be fat of ox, sheep, or
goat eat. 24The fat of a dead or torn animal may be everywhere
for use, but you must not eat it. 25 Anyone who eats fat from one
any animal offered to Jehovah as a sacrifice is removed from his people.
26 Neither must you take blood wherever you live, nor of birds
nor of land animals. 27 Everyone who partakes of blood becomes one of his
people
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
44
deleted. 28Jahweh said to Moses, 29Say to the Israelites, This one
whoever offers a sacrifice to Yahweh, some of it must go to Yahweh
bring; With one hand, he must take the fat and the breast as an offering
to Yahweh. Standing before Yahweh, he sets the breastpiece to
share of the priests. 31The priest on the altar smokes the fat
to go up; the breastpiece belongs to Aaron and his sons. 32 The
you must give up your victims right shank as a contribution
leviticus 7: 34-38
For the breastpiece, which is set apart as a sacred portion, and the
shank, which you donate as a contribution, I have from the victims of the
Israelites to give them to Aaron the priest and his sons
to give. They may always assert this right against the Israelites.
35 This is the portion of the offerings of Jehovah, that of Aaron and his sons
from the day that they were ordained priests of Jehovah.
36Yahweh commanded the Israelites to give that portion to the priests
from the day of their anointing; it’s a permanent right, all
genders through. 37 This was the law on the burnt offerings, the meal offerings,
the
sin – and the guilt offerings, the ordination offerings and sacrifices. 38 All this
Jehovah wrote to Moses on Mount Sina
leviticus 8: 1-18
Yahweh said to Moses, 2Get Aaron and his sons, the robes, and the
anointing oil, a bull for the sin offering, two rams and a basket of
unleavened bread. 3Gather the whole community together at the entrance
of the tent of the congregation. ’ 4Moses obeyed Yahweh’s command
and all the congregation came together at the entrance of the tent of one
meeting. 5 Moses said to them, “ What are we going to do now?
It is done by the order of Yahweh. ’ 6And he sent for Aaron and his sons
come forward and cleanse them with water. 7He clothed Aaron with the
tunic, put the girdle on him and put the robe on him, and put it on him
the ephod and tied it with the sash; 8He put the oracle bag to him
and put therein the urim and toemmim. 9He put the turban on him
the head, with the gold plate, the sign of his consecration, to the
front. Yahweh had commanded it. 10Then Moses took the anointing oil,
and anointed the habitation with all that was in it, to dedicate it. 11he
sprinkled the altar, and anointed the altar with accessories and it
laver with the underframe, to dedicate them. 12 Also on the head of
He poured out Aaron a little anointing oil, and anointed him to dedicate him.
13Then Moses brought up Aaron’s sons. He clothed them
with the tunic, put the girdle on them and tied their kerchiefs on them.
Thus Yahweh commanded Moses. 14And he left the bull before it
offering a sin offering. Aaron and his sons put their hands on their heads
of the animal. 15Moses killed it and put blood on it with his finger
horns of the altar to cleanse it from the stain of sin. The rest of it
he poured out blood at the foot of the altar. So he dedicated it through it
accomplishing the Atonement. 16Then Moses took the fat on the
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
45
intestines, liver lobe and kidneys with the fat on it and put that on
the altar go up in smoke. 17The skin of the bull, the flesh, and the intestines
he burned outside the camp. Thus Yahweh commanded Moses.
18And he brought a ram for the burnt offering. Aaron and his sons
put their hands on the animal’s head.
leviticus 8: 20-25
cut it in pieces and smoked the head, the pieces of meat and the fat
go up. 21He washed the inwards and the legs, and did all the ram
go up in smoke on the altar. So it was a burnt offering, a fragrant gift
that pleases Yahweh. Thus Yahweh commanded Moses. 22 Finally he left
to bring the second ram for the ordination offering. Aaron and his sons laid
their hands on the head of the animal. 23Moses killed it and did something
blood on Aaron’s right ear, on his right thumb, and on the large one
toe of his right foot. 24Then Moses sent for Aaron’s sons
came forward and put blood on their right ear lobe, the
right thumb and the big toe of their right foot. He also sprinkled
blood all around on the altar. 25And he took the fat, the tail, the fat
on the intestines, the liver lobe, the kidneys with the fat attached and the
right shank.
leviticus 8: 27-36
All this he gave to Aaron and his sons, as they were consecrated to Yahweh
share. 28Then Moses took it out of their hands
and burned it with the burnt offering on the altar. So it was
an ordination offering, a fragrant gift that pleases Yahweh. 29 Standing in front
Yahweh, Moses separated the breast for himself as a sacred portion,
for that was his portion of the ram of the ordination offering. Yahweh had it that
way
Moses commanded. 30With anointing oil and sprinkled with blood from the altar
Moses took Aaron’s robes and then his sons and their robes.
So he dedicated Aaron’s robes, his sons, and their robes. 31 Moses
said to Aaron and his sons, Boil the flesh at the entrance of the tent
of the congregation and eat it there with the bread for the
ceremony, which is still in the basket. Aaron and his sons must
the food, according to the order given to me. 32 The meat and the bread that
what remains you must burn. 33You may enter the tent of the congregation
not forsake until the seven days of your consecration are over, for seven
days for your ordination. 34As they have done today, so must
according to Yahweh’s command, they also do every other day, every other day
to make reconciliation for you. 35Therefore seven days, day and
night, stay at the entrance of the tent of meeting. Then you do something
Yahweh commands you and you will not die. I have been ordered to do so. ’ 36
Aaron and
his sons did as Yahweh commanded through Moses.
leviticus 9: 1-24
On the eighth day, Moses called Aaron and his sons and the elders
of Israel. 2He said to Aaron, “ Get a calf for a sin offering and one
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
46
ram for a burnt offering, both without blemish, and bring them to Jehovah.
3And say to the Israelites, Bring a goat for a sin offering and a calf
and one sheep, both one year old and without blemish, for a burnt offering,
4 one ox and one ram for one sacrifice, and one meal offering with oil
created. For today Yahweh will appear to you. ’ 5The Israelites
brought all this to the tent of meeting, as Moses commanded
had. The whole community came together and stood before Yahweh.
6And Moses said, Now that the glory of Jehovah is about to appear unto you,
You must, according to his command, do the following. ” 7He said to Aaron, Go
to
the altar, bring up your sin offering and your burnt offering and complete it
reconciliation for you and the people. Also dedicate the offering of the people and
make atonement for you and the people. Also carry the offering of it
open the atonement for them. Thus has Yahweh commanded. ’
8 Aaron went to the altar and sacrificed the calf of the sin offering
himself. 9The sons of Aaron brought the blood to him, he
dipped his finger in it and put it on the horns of the altar. The rest
he poured out of the blood at the foot of the altar. 10The fat, the kidneys
and the lobe of the liver of the sacrificial animal he burned on the altar. So
Yahweh had commanded Moses. 11He burned the flesh and skin
outside the camp. 12Then he killed the burnt offering. The sons of
Aaron brought the blood to him and he sprinkled it on all sides
the altar. 13They also handed him the pieces of meat and the head of it
sacrificial animal and he made them smoke on the altar. 14 The intestines and
he washed the legs and also made them smoke on the altar.
15And he offered up the gift of the people. He had the goat fetched for it
sin offering of the people, slaughtered it and offered it up as a sin offering,
as well as the first animal. 16He also performed the burnt offering on the
prescribed manner. 17Then he offered up the meal offering and made it
a handful of them go up in smoke on the altar. This sacrifice came with it
burnt offering, which is brought in the morning. 18 He also killed the bull
and the ram as a sacrifice for the people. Aaron’s sons reached him
the blood and he sprinkled it round about on the altar. 19The pieces
fat from the bull and the ram: the tail, the net fat, the kidneys and the
The liver lobe 20 was placed near the breasts, and he put them on the altar
go up smoke. 21 Standing before Yahweh, Aaron removed the breasts and
the right shank as a consecrated portion of the priests, like Moses
had ordered. 22 After thus sacrificing sin offerings, burnt offerings, and sacrifices
Aaron lifted up his hands to the people and blessed
it. Then he went down from the altar and went with Moses into the tent of the
meeting in. And when they come out again, they blessed
the people. Then the glory of Yahweh appeared to all the people.
24 Fire went out from Yahweh, and it consumed the burnt offering and the fat
pieces
the altar was consumed. When the people saw this, they shouted and threw
turned to the ground.
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
47
leviticus 10: 1-9
Nadab and Abihu, the sons of Aaron, took their fire pan and put fire in it
and put frankincense on it. They brought fire to Yahweh, not that
conformed to his regulations. 2Then a fire went out from Jehovah
that consumed them. So they were killed for Yahweh. 3And Moses said
to Aaron: This is what Jehovah meant when he said, ”They that come near to me
experience.”
my holiness, and of my glory all the people are witnesses. ” Aaron
went silent. 4Then Moses called Mishael and Elsaphan, the sons of
Uzziel, Aaron’s uncle, said, “ Come here, carry your brothers it
out of the sanctuary, outside the camp. ’ 5They came and carried them into them
tunics wrapped outside the camp, as Moses commanded.
6Moses said to Aaron and his sons Eleazar and Ithamar, “ Leave
do not hang your hair loose and do not tear your clothes. Otherwise you die and
burst out his wrath against the whole community. You brothers, let it
all the house of Israel mourn for the blaze that Yahweh has kindled.
7 Do not leave the entrance to the tent of meeting; that would kill you
for on you still rests the anointing oil of Jehovah. ’ 8Yahweh spoke to
Aaron: 9 “When you or your sons go up to the tent of the
congregation, you must not drink wine or strong drink, or you die.
That is a permanent precept throughout your generations.
leviticus 10: 12-20
Moses spoke to Aaron, and to Eleazar and Ithamar, the sons of Aaron yet again
were alive: `What happened after offering the offering to Yahweh of
if the meal offering is left, you may eat it without leaven by the altar
is sacred. 13You must eat it in a holy place; you and your sons
are entitled to this part of the offering to Yahweh. So it is me
ordered. 14But the breast that you have set aside as a sacred portion,
and the shank that has been given up may you, your sons as well as your own
daughters eat in every clean place, for this portion of the victims of
Israelites are rightfully yours and your family. 15The shank that becomes
surrendered, and the breastpiece that is set apart as a sacred portion must
along with the fat that is sacrificed, put it on to Yahweh
as a consecrated part. Then they come under a permanent right
to you and your sons. Yahweh has commanded it. ” 16 When Moses went to
asked the goat of the sin offering, he found it already burned.
He was furious and asked Eleazar and Ithamar, the sons of Aaron, about them
life were: 17 Why have you not the sin offering upon a holy one?
eaten place? It was sacred, and Yahweh had it for you
given to take away the guilt of the community by standing
for Yahweh, to make atonement for her. 18Now the blood of
the sacrificial animal had not been brought into the sanctuary, you had it there
should eat as I ordered. ’ 19Aaron said to Moses, “ My
sons have already offered a sin offering and a burnt offering today
and you know what happened to me. Would I have that sin offering today?
should have eaten? Would Yahweh have approved of that? ’ 20 Then
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
48
Moses heard that, he was satisfied.
leviticus 11: 1-2
Yahweh said to Moses and Aaron, 2Say to the Israelites, Of all
land animals on the earth you may eat:
leviticus 11: 4
You may eat the ruminants and the split-hoofed animals
next do not eat: the camel, because it chews, but has none
cloven hooves, it counts as unclean to you;
leviticus 11: 8-13
You must not eat the flesh of these animals, nor their carcasses
to touch; they count as unclean to you. 9These are the aquatic animals that you
you may eat: all aquatic animals that have fins and scales, you may
food, both the sea fish and the river fish. 10But of all sea fish
and river fish, which have no fins and scales, the small as well as
the great one, you ought to be disgusted. 11 Hate them and eat
never such dead fish. 12All aquatic animals without fins or
scales you must detest. You belong to the following birds
to be disgusted; therefore you must not eat them: the eagle, the
bearded vulture, the bearded vulture,
leviticus 11:20
You ought to be a horror of all winged four-legged insects
to have,
leviticus 11: 23-24
All other winged four-legged insects you should abhor.
24You defile yourselves by the following beasts; anyone who has the cadaver of it
touch is unclean until evening;
leviticus 11: 26-29
All animals that do not have split hooves and do not chew the cud are valid
to you as unclean; anyone who touches them becomes unclean. 27All four-legged
animals that are solitary-goers count as unclean to you, everyone who has one
Touching its carcass is unclean until evening. 28Whoever transports it must
wash his clothes and be unclean until evening. They count as unclean to you.
29 Of the creeping things, the following are considered unclean to you: the mole,
the mouse, the different types of toads,
leviticus 11: 31-47
All these crawling animals count as unclean to you. Who such a cadaver
touch is unclean until evening; It stands out somewhere, on a wooden one
object, a cloth, a piece of leather, a bag, or anything else
utensil, then it will be unclean until evening; then it is clean again.
33 If such a dead animal falls into an earthen jar, all its contents are unclean; the
jug must smash. 34Can the water from that pitcher come into contact with
food, then that too becomes unclean. 35 Anything on which such a dead animal
falls,
become unclean; furnace and hearth must be smashed; they apply to
you as unclean and they remain that. 36A well, on the other hand, and a well,
wherein
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
49
water is collected, remain clean; a dead animal lies in it and hits
if someone does it, he becomes unclean. 37 Does such a dead animal fall on seed,
then that remains clean; 38 But if it falls on seed that is in water, that is the case
to you as unclean. 39When a piece of cattle has died is
the one who touches the animal until the evening unclean. 40Who the meat
eat of it, he must wash his clothes, and be unclean until evening. Who it
carcasses, has to wash his clothes and is unclean until evening.
41 You ought to abhor all creeping things; they are not allowed
be eaten, whether crawling on the stomach or on four or more legs
to have. You ought to detest them. 43 Don’t sully yourself by creeping
beasts, don’t be defiled with creeping things, don’t defile yourself there
along. 44I am Yahweh your God; so make sure that you are holy. Be holy,
because I am holy. Do not get contaminated by any creeping things. 45I
am Yahweh, who brought you out of Egypt to be your God. Be holy,
because I am holy. 46 This is the law on land animals, birds, the
aquatic animals and the crawling animals, so that one knows which animals
which are unclean and which are clean, which animals may be eaten and which are
not.
leviticus 12: 1-8
Yahweh said to Moses, Say to the children of Israel, If a woman has a
has a child and it is a boy, then she is unclean for seven days, as during
menstruation. On the eighth day, one should remove the child’s foreskin
circumcise. 4 It takes thirty-three days for her to be clean from the blood of the
birth; she must not touch anything that is sacred and go up to it
sanctuary until the day of its cleansing has come. 5 Does she have one
girl, she will be unclean for two weeks, as during the
period. It takes sixty-six days for her to be clean from the blood of the
birth. 6When after the birth of a son or daughter, the day of
her purification has arrived, she must meet the priest at the entrance of the
tent of the congregation a lamb of less than a year for a burnt offering
and a dove and a turtle for a sin offering. 7 The Priest
offer it standing before Jehovah, and make atonement for it. Then is
the well from which her blood flowed, clean again. This is the law on the
woman who has had a child, a boy or a girl. 8 May she
not pay a sheep, then she may also bring two doves or doves,
one for the burnt offering and one for the sin offering. Thus the
priest for her the atonement, so that she becomes clean again.
leviticus 13: 1-9
Yahweh said to Moses and Aaron, 2 Does anyone have a growth, a rash, or?
a spot on his skin and it starts to look like skin disease, then he should be
Take Aaron to the priest, or to a priest of his family. 3th
priest examines the sick spot on the skin. Is the hair on it white
and if the spot is visibly deeper than the rest of the skin, then
it’s a skin disease. When the priest has established this, he must take it
to declare unclean. 4It only concerns a light, white spot on the skin, which
is not visibly deeper than the rest and the hairs have not turned white,
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
50
then the priest must separate the sick person for seven days. 5 Turns out after
seven
days during the examination, that the diseased area on the skin has not changed
and
has not grown, then the priest must take it again seven days
seclude. 6 After these seven days, a new investigation shows that the
area on the skin has become dull and has not expanded, then explains
the priest clean him. He just had a rash; after washing his clothes
he is clean. 7Takes the spot on the skin after the sick person joins the priest
presented to be cleaned, still increasing in size, then
he must appear before the priest again. 8 If this is the extension
of the result, he must declare him unclean. Then is
the skin disease. 9 If someone has a skin disease, they must be treated
priest.
leviticus 13:12
Has the skin disease affected the whole body, so that the sick of it
head until the feet is covered with it, then the priest must be precise
set up an investigation.
leviticus 13:14
But as soon as game meat comes up, it is unclean.
leviticus 13:16
When the game meat becomes white again, the sick person must go to the priest.
leviticus 13:18
Has anyone had a sore that is healed
leviticus 13: 20-24
Does the priest determine that the spot is visibly deeper than the skin and that
the hair on it has turned white, he must declare it unclean. It is
skin disease that developed at the site of the ulcer. 21Sets the priest
determined that the hair is not white, that the stain is no deeper than the skin and
dull
the priest must set him apart for seven days.
22If the blemish on the skin spreads, the priest must make it unclean
to declare; it’s a sick place. 23 On the other hand, the stain has not changed
and it hasn’t expanded, then it’s just a scar of that
swear and the priest must declare him clean. 24Have someone after
healing of a burn a pale red or white spot on his skin
leviticus 13: 26-29
It appears to him during the examination that the hair in that place is not white and
that this one
lies no deeper than the skin and starts to become dull, then he has to use it
seven days. 27 After seven days the priest declares that the
The spot on the skin has indeed grown, then he must make it unclean
to declare; it’s skin disease. 28Has not the place changed,
if it has not expanded and has become dull, it is just one
swelling as a result of the burn. The priest must make him clean
to declare; it’s a scar from the burn. 29Has a husband or one
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
51
woman a sick spot on the head or in the beard
leviticus 13: 31-32
When the priest observes during the examination of the scabies that the
diseased spot is not visibly deeper than the rest of the skin, but that it is
hair is not black on it, then he must separate the sick person for seven days.
32 After seven days, the priest establishes by a new examination that the
scab has not spread, hairs have not turned yellow and
that the affected area is not visibly deeper than the rest of the skin,
leviticus 13: 34-35
After seven days, the examination shows that the scab has not developed
extensive and not visibly deeper than the rest of the skin, then it should
the priest declare him clean; after washing his clothes he is
clean. 35After the sick person has been declared clean, still ingests the scabies
size increases
leviticus 13: 37-42
If it appears to him that the place has not changed and that black hair is growing
on it, then
the disease is healed, and that person is clean. The priest must make him clean
to declare. 38 Does a man or a woman have spots on the skin, white
stains, that is, the priest must examine them. Turn out
the spots on the skin appear to be dull white then it is just a rash covering the skin
has affected; that person is clean. 40 Like a man’s hair on the head
he is just bald-headed; he is clean. 41 He’s losing his hair
on the front, then it is half bald; he is clean. 42 Gets bare
the front or back of that man’s head has a pale red spot, then he has
skin disease on the crown or on the front of the head.
leviticus 13: 45-47
The one who suffers from skin disease must walk and be in torn clothes
let hair hang loose; he must cover his beard and shout, ’Unclean,
unclean!’ 46 While the disease lasts, he is unclean; he must live separately and
stay outside the camp. Will there be spots on a wool garment?
or linen,
leviticus 13: 49-53
and are those spots on the garment, on the leather, on the weave – or
braid or on some leather object green or red, then it is
rash; it must be shown to the priest. 50 After the examination
from the site, the latter must separate the contaminated object for seven days.
51 After seven days on the examination, it appears that the spot on the garment,
is larger on the weave or braid or on the leather utensil
then it is malicious rash; the object is unclean. 52The
garment, weaving or plaiting of wool or linen or leather
He must burn objects that have the stain. It’s malicious
rash; it must be burned. 53 However, the priest appears at it
examine the spot on the garment, on the weave or braid or
has not grown larger on the leather objects,
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
52
leviticus 13: 55-59
After washing, the priest establishes that the spot is not colored
changed and has not grown, the object is unclean; it must
are burned. The same applies here as with the bald spot on the crown or
for the head. 56 However, the priest establishes that the place after the
washing has become dull, then he has to remove that spot from the garment, the
leather
or remove the weave or braid. 57 Gets the spot on it
garment, on the weaving or braid or on the leather object
to emerge, it continues to grow; the conscious object must become
burned. 58 After washing, is the spot on the garment, on the weave –
or braid or on the leather object no longer back, then one must
wash again; then it is clean. 59 This is the law that determines how one
spots in wool or linen clothes, in weaving or wickerwork and in leather
declare objects clean or unclean.
leviticus 14: 3
He leaves the camp and starts an investigation. It turns out that the sufferer
his disease has been healed,
leviticus 14: 5-15
The priest slaughters one of the birds over an earthen bowl filled with
spring water. 6 He dips the living bird together with it
cedar wood, crimson and hyssop in the blood of the bird, which is above
the spring water has been slaughtered. 7Then he sprinkles his own
sickness wants to be cleansed seven times and so cleans him; the still living
he lets the bird fly away. 8The one who wants to be cleansed must be
wash clothes, shave his hair and take a bath; then he is clean. He
can come back to camp, but he can still stay for the first seven days
not come into his tent. 9After those seven days, he must get rid of all his hair
shave off head, beard and eyebrows. Then he needs his clothes
wash and take a bath; then he is clean again. 10On the eighth day
he must bring two sheep without blemish, a lamb of none
year and without blemish, three tenths of Issaron flower made with oil
for a meal offering and a log of oil. 11The priest who performs the purification,
bring the one who wants to be cleansed with his gifts before Yahweh to the
entrance to the tent of the meeting. 12He sacrifices the one sheep with
the log of oil for a trespass offering, and standing before Yahweh he set them apart
as
devoted share of the priests. 13He slaughters the animal in the sanctuary
the place where people also slaughter the sin offering and the burnt
offering. Because it
guilt offering, like the sin offering, belongs to the priest: it is
high holy. 14The priest then deals with the person who wants to be cleansed
some blood of the sacrificial animal on the right earlobe, the right thumb, and the
big toe of his right foot. 15He pours some oil into his palm
left hand,
leviticus 14: 17-33
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
53
He puts the oil that the priest has on his hand to the one who does it
wants to be cleansed something on the right earlobe, the right thumb and the big
one
toe of his right foot, upon the blood of the trespass offering. 18The oil that
the priest still has on his hand, he smears it on the head of the one
who wants to be cleaned. In this way he performs reconciliation before him
Yahweh. 19Then the priest offers the sin offering and executes the sin offering
reconciliation to the one who wants to be cleansed from his uncleanness.
Finally, he slaughters the burnt offering and carries it along with it
meal offering on the altar. Thus the priest makes reconciliation for him
and he becomes clean again. 21 Is the man so poor that he cannot do all this?
pay, then he will suffice with a sheep for a guilt offering that if
sacred portion is set aside to make atonement for him,
one flower of issaron made with oil for a meal offering, one log of oil
22and two turtles or doves, as he has, for a sin offering and
a burnt offering. 23On the eighth day of cleansing, he brings all this
to the priest, at the entrance of the tent of meeting, to Jehovah.
24 The priest standing before Yahweh sets aside the sheep for the trespass offering
and the log of oil as the sacred portion of the priests. 25Then he slaughters it
sheep for the trespass offering and put to the one who wants to be cleansed
some blood on the right earlobe, thumb and big toe of his
right foot. 26The priest pours some oil into the palm of his left hand
27 And sprinkle it with his right index finger before Jehovah seven times.
28He puts the oil that is still on his hand to the one who is doing it
wants to be cleansed, something on the right earlobe, the right thumb, and the big
one
toe of his right foot, upon the blood of the trespass offering. 29The oil that
the priest still has on his hand, he smears it on the head of the one
who wants to be cleaned. In this way he performs reconciliation before him
Yahweh. 30Then he carries one of the doves or doves, as he is
has one as a sin offering, the other as a burnt offering along with one
flour offering. Thus the priest performs on him who wants to be cleansed
atonement for Yahweh. 32 This is the law for those who suffer from skin diseases
suffer and cannot afford the usual costs of cleaning.
33Jahweh said to Moses and Aaron,
leviticus 14 36-37
Before the priest comes to investigate the place, he orders the house
to evacuate so that nothing in the house becomes unclean. Only then does he enter
the house
to investigate it. 37 It turns out to him that the walls
are indeed affected and that there are green or red spots on them, which
visibly deeper than the rest of the wall,
leviticus 14: 39-43
After those seven days he returns. It turns out that the spots on the walls
of the house have grown bigger, 40then they get it at his command
out of the city, and cast them into an unclean place.
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
54
41He has all the interior walls of the house scraped off and it scraped off
pour plaster outside the city in an unclean place. 42 Then
the old stones are replaced by new ones and the house is restored
plastered. 43Come the places after the stones are out of the house
removed, the walls scraped and plastered again, yet again
emerge
leviticus 14: 45-50
The house has to be demolished; the stones, the woodwork and all the rubble
must be taken out of town to an unclean place. 46 Everyone
who enters such a house, during the time the priest closed it
is unclean until evening. Anyone who sleeps or eats in it must wear his clothes
Wash. 48 During the examination, the priest establishes that the spots after
the house has been plastered again, have not grown any bigger, he explains
clean the house; the sick spots have healed. 49 To the house of
To cleanse sin stain, he takes two birds, cedarwood, crimson and
hyssop. 50 He slaughters one bird over an earthen bowl of spring water.
leviticus 14: 53-54
He then lets the live bird fly away from the city. This is how he proceeds
the house the atonement; it is clean again. 54 This is the law of all species
from skin disease, to scabies,
leviticus 14:57
It indicates when something is unclean or clean. This is the law of the skin disease.
leviticus 15: 1-21
Yahweh said to Moses and Aaron, 2Say to the Israelites, When one
if a man suffers from a drug addict, he is unclean from that drug addict. 3This
uncleanness
occurs both when its dripper flows and through dripper when that
is interrupted. 4The bed on which a drug addicted
is unclean; everything he sat on is also
unclean. 5If someone touches his bed, he should wash his clothes and a
to take a bath; he is unclean until evening. 6 The one who sits down on something
what he sat on was to wash his clothes and bathe;
he is unclean until evening. 7Whoever touches himself must wash his clothes
and take a bath; he is unclean until evening. 8 The man spit up
someone who was clean should wash his clothes and bathe
take; he is unclean until evening. 9The saddle he has been sitting on is
unclean. 10Whoever touches anything that he sits on becomes unclean;
whoever lifts it should wash his clothes and take a bath; he is up to
the evening unclean. 11 Anyone touched by the sufferer, without it
he had rinsed his hands and had to wash his clothes and bathe
take; he is unclean until evening. 12The earthenware he has
touched, one must smash to pieces; wooden tools must with
water to be rinsed off. 13Has the sufferer of the drupe healed and will he
cleaned, he must wait seven days. He needs his clothes
wash and bathe in running water; then he is clean again. 14 On
on the eighth day he appears with two turtles or doves to Yahweh by the
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
55
enter the tent of meeting, and give it to the priest.
15 This one offers one for a sin offering and one for a burnt offering. So it
happens
he made atonement to him for Yahweh because of his drudgery. 16 When
a man has had an ejaculation, he needs his whole body
Wash; he is unclean until evening. 17The clothes and the leather articles,
those who have come into contact with the seed must be washed — they
are unclean until evening. 18The man and the woman having intercourse
have had a bath; they are unclean until evening.
19When a woman has a discharge, and it’s the bleeding from her
menstruation, she will be unclean for seven days. Anyone who touches her is to
the evening unclean. 20Whatever she sleeps on during her uncleanness becomes
unclean; everything she sits on, too. 21 Anyone who touches her bed
must wash his clothes and take a bath; he is unclean until evening.
leviticus 15: 24-32
If anyone has intercourse with such a woman, her uncleanness will come
also on him. He is unclean for seven days; the bed on which he lies also becomes
unclean. 25 Does a woman have prolonged bleeding outside the time of the
menstruation or if her period lasts longer than normal, then she is
unclean all the time, such as during menstruation. 26 During such bleeding
applies to bed the same as during menstruation; also true for everything
she sits up, the same applies: it is unclean as during menstruation.
27 Anyone who touches these things will become unclean; he must have his
clothes
wash and take a bath; he is unclean until evening. 28 Keep her
bleeding and if she wants to be cleansed, she must be seven days
to wait. 29On the eighth day she brings two doves or doves to the
priest, at the entrance of the tent of meeting. 30This one carries the one
as a sin offering and the other as a burnt offering. In this way he fulfills her
atonement for Yahweh, because of the uncleanness of the bleeding.
31Warn the Israelites of the consequences of their uncleanness. This one
would be their death if they in that condition my dwelling with them
enter. 32This is the law on the man who is drunkard, the man who is persistent
semen has become unclean
leviticus 16: 1-11
After the death of the two sons of Aaron, who were dead when they
Yahweh came near, Yahweh spoke to Moses, Tell your brother Aaron,
that he may not come into the sanctuary at any given time, behind it
veil at the cover of the ark; that would mean his death. Because
above the cover of the ark I appear in a cloud. 3Only under the
he may enter the sanctuary following conditions: There must be one
bull for a sin offering and a ram for a burnt offering. 4 He does
put on a sacred linen tunic, put on a linen loincloth, put on one
a linen girdle about his waist and a linen turban on his head; Which
are the sacred vestments. Before putting them on, he takes a bath. 5 of the
fellowship of the Israelites, he receives two goats for one
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
56
sin offering and a ram for a burnt offering. 6Aaron recommends first
himself the bull as a sin offering to make atonement for
himself and his sex. 7Then he brings the two goats to the entrance
of the tent of meeting 8 and cast lots for these beasts, the one
”for Yahweh,” the other ”for Azazel.” 9The goat on which the lot `for
Yahweh ”offers Aaron as a sin offering. 10The goat bearing the lot
’before Azazel’ falls, is placed alive before Yahweh, and the
make reconciliation and then send him into the desert,
to Azazel. 11Aaron offers the bull for a sin offering for himself
to make reconciliation for himself and his family.
leviticus 16: 13-20
He put the frankincense on the fire for Yahweh, so that the cloud of incense will
be
cover plate above the covenant deed; otherwise he would die. 14With
his fingers he sprinkles the bull’s blood seven times on the front of
the cover plate. 15Then he slaughters the goat for a sin offering for the people
the blood of the animal behind the veil and sprinkle it before and on
the cover plate, as he did with the bull’s blood. 16Zo
he makes atonement for uncleanness and for the sanctuary
offenses of the Israelites, whatever their sins may be. So will he
do also for the tent of meeting, which stands with them in spite of them
uncleanness. 17From the moment Aaron entered the tent of meeting
to make atonement in the sanctuary, until he again
comes out, no one may enter the tent. If he’s the atonement
for himself, for his family and for the entire community of Israel
He comes out again to make the Atonement
to complete the altar that stands before Yahweh. He strokes blood from the
bull and the goat on the four horns of the altar; 19Then he sprinkles there
seven times blood with his index finger. Thus he purifies the altar of the
impurities of the Israelites and sanctifies them. 20Has Aaron the
atonement of the sanctuary, the tent of meeting and the altar
completed, he has the goat that is still alive brought with him.
leviticus 16: 22-35
Thus the goat carries away all their crimes to a desolate land. In the
desert the goat is released. 23Then Aaron enters the tent of the
in the congregation, take off the linen robes that he came with it
entering the sanctuary, and puts them there.
24Then he takes a bath in a holy place and puts on his own clothes
and goes out to offer the burnt offering for himself
and for the people and thus for themselves and the people to be reconciled
accomplish. 25He smokes the fat of the sin offering on the altar
go up.
leviticus 17: 3
When an Israelite in or outside the camp has an ox, a sheep, or a
goat slaughter
leviticus 17: 5-8
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
57
The Israelites are not allowed to sacrifice their victims at random
place; they must bring the sacrificial animals to the priest, to the entrance of the
tent of the congregation, to offer them there as sacrifices to Yahweh.
6The priest sprinkles the blood at the entrance of the tent of meeting
on the altar, and burns it like a fragrant gift to Yahweh
pleases. 7They are no longer allowed to offer sacrifices to the satyrs, who
they pursue lewdly. This is a permanent precept for all of them
genders through. 8You must say to them, If anyone, one
Israelite or a stranger living with you, a burnt offering or a
victim orders,
leviticus 17: 10-16
If anyone, an Israelite or a stranger living with you, consumes blood,
I take personal action against him and remove him from his people. 11 Because
the vitality of humans and animals is in the blood. I only allow you to
use on the altar to make atonement, because through the
life force makes the blood atonement. 12That’s why I have the
Israelites said, “None of you may drink blood, including the
foreign national who lives with you. ’ 13 As someone, an Israelite or a
stranger living with you, hunting game or poultry, that
may be eaten, then he must let the blood run out and with sand
cover. 14For the life force of man and beast is his blood;
therefore I said to the Israelites, Never take the blood of man or animal.
Because the life force of humans and animals is in his blood. Anyone who it
consumes is removed from his people. ’ 15 Anyone born Israelite or
stranger eating of an animal that is dead or stranger who
eat of an animal that has died or been torn, must be its clothes
wash and take a bath; he is unclean until evening. Then he becomes again
clean. 16 If he does not wash his clothes or bathe, he will use it
penance.
leviticus 18: 3-4
Do not live according to the customs of Egypt where you lived, nor according to
those of Cana’n where I am taking you. Do not organize your life according to
them
habits, 4but keep my laws and direct your life according to mine
regulations. I am Yahweh your God.
leviticus 18: 6-30
None of you should approach a relative to shame him
bare. 7The shame of your father is your shame
mother, you must not uncover her; because she is your mother, you must have her
shame not uncovered. 8Also the shame of another woman of
you must not uncover your father; it is your father’s shame. 9The
shame of your sister, a daughter of your father or of your mother
you must not uncover your family or outside of it. 10The
you must not shame a daughter of your son or daughter
bare; after all, it is your own shame. 11The shame of the
daughter of another wife of your father, begotten of your father,
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
58
you must not uncover; because she is your sister, you may be her shame
not uncovered. 12You must not shame your father’s sister
bare; she is your father’s next of kin. 13the shame
you must not bare a sister of your mother; she is one
relative of your mother. 14The shame of a brother of yours
you must not uncover father, nor approach his wife; she is your
aunt. 15You must not uncover your daughter-in-law’s shame;
because she is your son’s wife, you must not shame her
bare. 16Do not shame your brother’s wife
bare; it is your brother’s shame. 17The shame of one
you must not uncover both the woman and her daughter’s; also the
daughter of a son or daughter of that woman you must not marry.
Because they are relatives, you must not uncover her shame; Which
is a shame. 18You must not marry your wife’s sister;
when you uncover the shame of the one while the other is still alive,
that gives jealousy. 19You must not approach a woman who is menstruating
has and is unclean. 20You must not have intercourse with one
your neighbor’s wife; because then you defile yourself. 21 You must not
allow one of your descendants to be sacrificed to Moloch; ge
do not profane the name of your God: I am Yahweh. 22With a man
you must not associate as with a woman; that is an abomination.
23You must not have sexual intercourse with any animal and so on
pollute. Also a woman should not give herself off with an animal, that is
a disgrace. 24 So don’t be polluted by such things, because
the nations that I am driving out before you have become defiled by it. 25Zo
the land has become unclean: I have afflicted it for its crime, so that
it spit out its inhabitants. 26But you must keep my precepts and
Maintain laws and do not commit any of these atrocities, nor the
born Israelite nor the foreigner living with you. 27 Because all those
the people who lived before you in this land committed atrocities,
so that the land became unclean. 28 So take care not to leave your land
re-pollutes; otherwise it will spit you out, as it does before the nations
you spit out. 29All those who commit such atrocities,
must be removed from their people. 30 Keep what I tell you
and do not engage in those abominable customs which are in vogue for you
goods. Don’t pollute yourself by that. I am Yahweh your God.
leviticus 19: 1-35
Yahweh said to Moses, Say to all the congregation of the
Israelites: Be holy, for I, Yahweh your God, am holy. 3Each of you
must respect his mother and father. The Sabbath days I
you must observe. I am Yahweh your God. 4Let
do not meddle with idols and do not make metal statues. I am your Yahweh
God. 5When you offer a sacrifice to Yahweh, do it so,
that he takes pleasure in you. 6 One must eat that offering on the day itself or on it
the day after. What is left on the third day must be
burned. 7On the third day it is no longer allowed to eat; it is
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
59
contaminated and does not benefit the offerer. 8Whoever eats it will do for it
to penance; what is sacred to Jehovah he has profaned. He becomes one of his
people
deleted. 9When you get your harvest from the land, you must not get your field
mow to the brim and do not collect what has remained. 10 You may
do not glean in your vineyard, nor the fallen grapes
gather together. All this is for the poor and the stranger. I am
Yahweh your God. 11You must not rob, lie or lie to one another
to cheat. You must not use my name for perjury, because then
you profane the name of your God. I am Yahweh. 13You may be your neighbor
do not exploit or deprive him of anything. What a day laborer deserves
you must not hold on until the next morning. 14 You may be a deaf person
do not curse and put nothing in the way of a blind man, over which he
can stumble. You must fear your God. I am Yahweh.
15Do not be partial to judging: do not favor the poor, and see
the rich not to the eyes. Judge yourselves righteously
fellow citizens. 16 Don’t spread slander about each other and stand your own
neighbor not to life. I am Yahweh. 17Do not be resentful against
your brother. Correct each other: then you are not guilty of the
sin of another. 18Take no revenge on a fellow citizen and
do not hold a grudge against him. Love your neighbor as yourself. I am Yahweh.
19 Keep my laws. You must not have animals of different kinds
to cross; you must not sow two crops in your field; you may
do not wear clothes of diversified material. 20 Does anyone have intercourse with
a slave girl who is destined for another man, but there is still one for her
no ransom paid and she has not yet been released, then there must be
damages are given, but they need not be put to death
are being brought; after all, she had not yet been released. 21The man must like
a trespass offering to Jehovah, a ram for the entrance of the tent of one
bring meeting. 22With this ram the priest shall wear before Yahweh
make atonement to him because of the sin he has committed;
then this act will be forgiven him. 23When you come into the land and all kinds of
things
plant fruit trees, do not touch the fruit trees; they are not allowed
are eaten. 24In the fourth year, all the fruits are for one
thanksgiving in honor of Yahweh. 25Only in the fifth year you may
eating fruits. Then the trees will yield more and more fruit. I am
Yahweh your God. 26You must not eat anything that has blood in it. Thou
do not engage in divination or necromancy. 27 You may
Do not cut a rounded edge on your hair or the edge of your beard
take away. 28You must not carve your body for the dead and you must not
get tattooed. I am Yahweh. 29Don’t dishonor your daughter because of hers
to make a public woman; otherwise the country will become lewd and swarm
it there of disgrace. 30You must keep my Sabbath days and
have reverence for my sanctuary. I am Yahweh. 31 You must not
contact the spirits of the dead and not oracles
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
60
interrogate. That would pollute yourself. I am Yahweh your God.
32You must stand up for an old man and revere one
elderly. You must fear your God. I am Yahweh.
33When strangers live in your land, you must not do them badly
to treat. 34 Foreign nationals living with you have the same rights
as a born Israelite. You must love them as yourself, for you are yourself
foreigners in Egypt. I am Yahweh your God. 35Don’t be
biased in jurisdiction and not unfair with measures of height, weights or
capacities.
leviticus 19:37
Keep and obey all my laws and regulations. I am Yahweh.
leviticus 20: 1
Yahweh said to Moses:
leviticus 20: 3-27
I take personal action against such a person and remove him from his people.
By making one of his children available to the Moloch
he defiles my sanctuary and defiles my holy name. 4 May it
people of the country close their eyes to the fact that that man is one of his
made children available to the Moloch and if it was him
do not put to death, then I will personally act against him and against him
are relatives. I will admit him, and all the others who lewd the Moloch
run after, remove from their people. 6 Against the person who seeks contact with
consults spirits and oracles and follows them lewdly, I tread
personally and remove him from his people. 7 Make yourself holy; orphan
holy, for I am Yahweh your God. 8 Keep my laws. I am
Yahweh, the one who sanctifies you. 9 Anyone who is his father and his mother
cursed, must be put to death. He has his father and his
mother cursed; he blamed his death on himself. 10He who
commits adultery with another’s wife, his neighbor’s wife,
must be put to death, himself and the woman with whom he is adulterous
committed. 11When a man has intercourse with a woman of
his father, he uncovers his father’s shame. Both must be there
be brought to death; they blame their deaths on themselves. 12 If
a man has intercourse with his daughter-in-law, both must be there
be brought to death. They have committed a disgrace; they have
blame their deaths on themselves. Like a man with another man
intercourse as with a woman, both commit a horrible act.
They must be put to death; they owe their death to themselves
to blame. 14If a man marries a woman and her mother at the same time,
then that’s a shame. Both the man and both women must
to be burned; something so scandalous should not happen to you. 15A
man who has sexual intercourse with an animal must be killed;
you have to kill the animal. 16When a woman deals herself with an animal,
you must kill both the woman and the animal. They must be put to death
brought; they blame their deaths on themselves. 17 Like a man
marries his sister, a daughter of his father or his mother, and she
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
61
see each other’s shame, then this is a shame. In front of them
they must be removed from their peers. He has the shame of his
sister naked; he must pay for his crime. 18 Like a man
has intercourse with a woman during menstruation and her
shame, the source of her bleeding, uncovered, and she agrees,
then both must be removed from their people. 19The shame of
you must not uncover a sister of your father or your mother. Who such a thing
does has uncovered his own kinsman; he must for his crime
penance. 20A man who has intercourse with his aunt uncovers the
shame of his uncle. They must atone for their sin and will
die childless. 21If a man marries his brother’s wife, there is
that’s a shame. He has uncovered his brother’s shame; they will
remain childless. 22Keep and do all my laws and
regulations; then the land where I am bringing you to dwell there will not be you
spit out. 23Live not according to the customs of the nations that I have before you
chase away. Because they did such things, I was disgusted with them. 24 Then
I said to you, You will take possession of their land; I myself give it to you,
a land of milk and honey. I am Yahweh your God. I got you from the
distinguish other peoples. 25Then make a distinction between clean ones
and unclean land animals, between clean and unclean birds. Do not infect yourself
with
those land animals, birds and creeping animals, which I have declared unclean and
designated as such. 26Be holy unto me, for I, Yahweh,
am holy. I have distinguished you from the Gentiles to make me my own
belong. 27Men or women in whom is the spirit of a dead person or who
Do divination must be put to death. They have to
be stoned; they blame their deaths on themselves.
leviticus 21: 1-2
Yahweh said to Moses, Say to the priests the sons of Aaron, One
priest must not defile himself on the body of a fellow citizen,
2unless it is a close relative: his father, his mother, one
son, daughter, brother.
leviticus 21: 4-14
But once she is married, he may not defile herself for her and
do not defile themselves. 5They must not make a bald spot on their heads, the
not shave the edge of their beard or cut their body. 6She
must be holy to their God and must not profane his name. She
offer up the sacrifices of Jehovah, the food of their God; therefore they must
be holy. 7They are not allowed to marry a public woman, with a woman
who has been dishonored, or with a wife who has been rejected by her
husband. Because the
priest is holy to his God. 8You must therefore consider him holy
consider, for he dedicates the food of your God. He must be holy to you,
for I, Jehovah, who make you holy, am holy. 9the daughter of one
a priest who defiles himself by fornication dishonors her father; she must be
burned. 10 The chief among the priests, over whose head the
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
62
anointing oil is poured out and who is consecrated to wear the robes may
do not let his hair hang down or tear his clothes. 11he
must not come to a body and defile himself on it, even if
it is his father or mother. 12He must not move away from it
sanctuary of his God and do not profane it, for he is through the anointing
consecrated with oil to his God. I am Yahweh. 13The woman he marries must
be a virgin. 14He must not marry a widow, not a divorced wife, none
dishonored woman and not a public woman; he may only marry one
virgin of his family.
leviticus 21:16
Yahweh said to Moses:
leviticus 21: 18-24
Someone with a defect may not act as a priest: a blind man should not,
not a cripple, nor someone with a violated or deformed one
nose or someone who has broken his leg or arm; Someone too
not with a hunchback, not a dwarf, nor someone with a spot on it
eye, with some kind of skin disease or a disarmed one. 21 Someone from the
family of Aaron the priest, who has one of these defects, is not allowed
act to offer Yahweh’s offerings. Due to its lack it is allowed
he does not act to offer the food of his God. 22He likes the
to eat the food of his God, both holy and most holy, 23but
because of his blemish, he is not allowed to come to the veil and the altar
do not approach. He must not profane my sanctuary, for I am Yahweh,
which make them holy. 24Moses told this to Aaron and his sons and to them
all Israelites.
leviticus 22: 1
Yahweh said to Moses:
leviticus 22: 3-17
Say to them, In all your generations, If any of your family is unclean
and yet draws near to the sacred gifts that the Israelites dedicate to Jehovah,
that person must be removed from Me. I am Yahweh. 4 As someone
of Aaron’s sex has a skin disease or is dripping, he is not allowed
eating the sacred gifts before he is clean again. That is also the case for
the one who touches something that has become unclean through contact with a
corpse,
for the one who has an outpouring, 5 who comes into contact with creeping
beast that makes unclean, or with a man that makes unclean, or for
the one who has become unclean in some other way. 6It is until evening
unclean and must not eat of the sacred gifts until he has a bath
taken. 7After sunset he will be clean again. Then he can eat from it again
the holy gifts, because he has to live from them. 8An animal that is dead
gone or torn, he must not eat; otherwise he becomes unclean. I am
Yahweh. 9The priests are to do what I tell them to do and follow this
point, for if they profane the holy thing, it would kill them
to be. I am Yahweh who make them holy. 10 An unauthorized person must not
disregard the
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
63
eating sacred gifts; nor does anyone who lives or works with a priest.
11 Slaves whom a priest has bought with his own money or who in
his home are allowed to eat from it. 12A priest’s daughter,
who is married to a non-priest must not eat of the sacred gifts,
that are paid. 13 Was she a widow or through her husband?
she has no children and is back in her family home,
as in her youth, she may eat what her father eats. An unauthorized one
that is not allowed. 14 Someone who through inattention of the sacred gifts
eat it, plus a fifth, to make good to the priest.
15The priests may give the holy gifts which the Israelites give to Yahweh
wear it over, don’t let it be defiled. 16They would cause the
Israelites, by eating the gifts due to a priest, are guilty
charge on themselves and be obliged to pay a fine. I am Yahweh who make them
holy.
17Jahweh said to Moses,
leviticus 22: 19-26
for that he must take a male without blemish, an ox, one
sheep or a goat. Then Yahweh takes pleasure in him. 20Animals with a
you must not present want; then Yahweh takes no delight in you.
21 Also as a bullock in fulfillment of a vow or as a free gift
or dedicates a piece of sheep to Yahweh as a victim, it must be
to be accepted, to be a flawless animal, without flaw. 22 is an animal
blind, crippled or maimed, has it sores, rash or skin disease, then
you must not sacrifice Yahweh; you are not allowed such animals on the altar
as offerings to Yahweh. 23 A cow or a sheep that
is deformed, you may present as a free gift, but as a vow offering
it is not accepted. 24 An animal that bruises, crushes,
tearing off or cutting is disgraced, you must not present Yahweh. A
Such an animal is not offered in your land, 25 and you may also from one
not accept a stranger to present it as food to your God.
They have been violated and have a defect; they are not accepted.
26Jahweh said to Moses,
leviticus 22: 28-32
But you must not slaughter an ox or a sheep on the same day as
a young of that animal. 29Offer Yahweh a sacrifice
gratitude, then you must do it in such a way that it is accepted: it
must be eaten on the day itself and you must leave nothing of it
until the next day. I am Yahweh. 31Ye must keep my commandments punctually
to maintain. I am Yahweh. 32You must not profane my holy name;
I want to see my holiness recognized by the Israelites. I am Yahweh who you
holy.
leviticus 23: 1
Yahweh said to Moses:
leviticus 23: 4-9
These are the feasts for Yahweh, the holy days, which ye shall at the appointed
time
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
64
must celebrate. 5 The fourteenth day of the first month, against
sunset, is Easter in honor of Yahweh. 6 The fifteenth day of
that month is the feast of unleavened bread in the honor of Jehovah; than
you must eat unleavened bread seven days. The first day is yours
a holy day; you are not allowed to work. 8 Seven days in a row
offer sacrifices to Yahweh. The seventh day is a holy day; than
you must not work. 9Jahweh said to Moses,
leviticus 23: 12-23
On the day the sheaf is presented in this way, you must have one
a whole lamb of less than a year as a burnt offering to Yahweh.
13 This includes a meal offering of two shisharon flour, made with
oil as a fragrance that pleases Yahweh, and a drink offering from one
fourth hin of wine. Until the day you have this offering to your God
ordered, you must not eat bread, and no grain, puffed or puffed
not popped. That is a permanent law throughout your generations, wherever you
go
lives. 15From the day after the sabbath on which you brought the sheaf
for the priest, count seven sabbaths. 16And
The day after the seventh Sabbath, on the fiftieth day, you must go to Yahweh
sacrifice grain. 17From the place where you live, you must make two
contributions
to bring loaves of two issaron flour, baked with leaven, to
to present them as firstfruits to Yahweh. 18You must go with this bread
seven unblemished lambs aged less than a year, a bull and two rams
Commit Yahweh with its meal offerings and drink offerings as one
fragrant gift that pleases Yahweh. 19You must use a goat as a sin offering
to dedicate as a victim two lambs less than a year old. 20With it
the bread of the new grain the priest sets aside for Yahweh both
lambs off; they are consecrated to Yahweh and belong to the priest.
21You must keep that same day as a holy day; you must not
to work. 22When you get your crop off the land, you may get your field
do not mow to the edge and what has remained you must not
gather together. It is intended for the poor and the foreigners. I am
Yahweh your God. 23Jahweh said to Moses,
leviticus 23: 25-26
Then you must not work and you must offer a sacrifice to Yahweh.
26Jahweh said to Moses,
leviticus 23: 28-30
You are not allowed to work on that day; it is the day of atonement on which
atonement is made for you by Yahweh your God. 29 Who is not
chastises, is removed from his people. 30And whoever works on that day I will
take
out of his people and destroy him.
leviticus 23: 32-33
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
65
It is a great Sabbath for you and you must chastise yourselves; of the evening of
the
ninth day of that month until the following evening you must Sabbath
to keep. 33Jahweh said to Moses,
leviticus 23: 35-44
The first day is a holy day; you are not allowed to work. 36 Seven
for days on end you are to offer sacrifices to Yahweh. The eighth day is
a holy day for you; even then you must offer sacrifices to Yahweh. Which
is the closing party; you are not allowed to work. 37These are the celebrations in
honor
Yahweh, which you are to keep as holy days, and on which you sacrifice him
burnt offerings, meal offerings, sacrifices, and drink offerings, as appropriate
depending on the different days. 38 The Sabbath days are in honor of this
Yahweh and the gifts that you gave him as vow offerings or as free gifts
offers, not counting. 39On the fifteenth day of the seventh
month, when the harvest is taken from the land, it must be at seven days
feast of Yahweh. 40Get citrus fruits on the first day,
palm leaves, twigs of deciduous trees and willow branches together and be full
joy to Jehovah your God seven days. 41 Every year you must
feast for Yahweh seven days; that is a permanent law, all of you
genders through. In the seventh month you must keep that feast. 42 Seven
you must live in booths for days on end; every born Israelite
must live in a booth. 43Then the generations to come will remain
realize that I made the Israelites dwell in booths when I made them
out of Egypt. I am Yahweh your God. 44So Moses made the
feast days of Yahweh known to the Israelites.
leviticus 24: 1
Yahweh said to Moses:
leviticus 24: 3
Aaron must put them in the tent of the congregation, before the veil
behind which lies the covenant deed, always from evening to morning
keep it burning for Yahweh. That is a permanent law, all your generations
by.
leviticus 24: 5
Bake twelve loaves of flour, each of two Shisharon.
leviticus 24: 9-13
The loaves belong to Aaron and his sons; they should eat them on one
holy place, for they are most holy. That is their permanent part of the
offerings to Yahweh. 10A certain person, the son of one
Israelite mother and an Egyptian father, once mingled among the
Israelites. In the camp he got into a fight with an Israelite. 11 When the
son of the Israelite woman began to curse and cursed the name,
they brought him to Moses. His mother’s name was Shelomit; she was one
daughter of Dibri, of the tribe of Dan. 12He was imprisoned in
awaiting the decision of Yahweh. 13 And Yahweh said to Moses,
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
66
leviticus 24:15
And say unto the Israelites, Whosoever despiseth his God shall
pay for it.
leviticus 24: 17-23
Anyone who kills a person must be put to death, and whoever one
kills animal to death, it must make good: a life for a life. 19Who
harms a fellow citizen, must himself undergo what he harms the other
a wound for a wound, an eye for an eye, a tooth
for a tooth; the injury he inflicted on the other must he himself
undergo. 21 Whoever kills an animal must make good, but whoever kills an
animal
kills man, must be put to death. 22The same law applies
for the stranger and for the born Israelite. I am Yahweh your God.
23After Moses told this, the Israelites brought the man who
Yahweh despised him outside the camp and stoned him. The Israelites
did what Yahweh commanded Moses.
leviticus 25: 1
Yahweh spoke to Moses on Sinah
leviticus 25: 3-6
You can sow your fields for six years, and you can sow your vineyards for six
years
pruning and reaping the harvest, but in the seventh year it will be great
Sabbath to the land. Then you must not sow your field, your
do not prune vineyard, harvest 5th regrowth of previous crop and
do not pluck the grapes of your pruned vineyard. The country will be one
keep the Sabbath all year round. 6 What the land of itself during the Sabbath
will be enough to keep your slave and slave girl, the hired servants and the
to feed foreigners living with you.
leviticus 25: 8-14
After seven sabbatical years, seven times seven years, all together
forty-nine years, 9 you must on the day of atonement, the tenth day
of the seventh month, sound the trumpet. Must be throughout your country
you sound the trumpet. 10 That fiftieth year must be a holy year for it
you are; then you must proclaim in the land that all the inhabitants are their slaves
to release. It must be a jobel year for you; everyone is restored to being
formerly owns and returns to his family. 11The fiftieth year is one
jobel year for you; you must then not sow, harvest the aftergrowth and the
do not pluck the grapes of your pruned vineyard, 12for it is
jobel year; that must be sacred to you. Only what the land takes by itself
you may eat. In the jobel year everyone will be in his old days
property are restored. 14When you sell a piece of land to one
You must not harm each other or buy land from him.
leviticus 25:17
Do not harm your fellow-citizen; reverence your God. I am your Yahweh
God.
leviticus 25: 19-21
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
67
The land will bring forth rich fruit, so that you will have plenty to eat;
you will live there undisturbed. 20And sometimes you think, ’What should we do
in it
seventh year, if we do not sow and reap no harvest? ’,
21Be assured therefore that in the sixth year I will bless you,
that the harvest will be enough for three years.
leviticus 25: 23-55
Land sales should not preclude repurchase as the land belongs to
Me; you are strangers and guests. 24In all the land that you own must
you grant a right of repurchase. 25 Touch your brother
difficulties, so that he has to sell part of his land, then has to
to buy back to his nearest relative the land that his brother has sold.
26Have he no one to buy it back for him, but so is it?
good that he himself is able to buy back the land again, 27 then he must
deduct the number of years since the sale from the sale price
and repay the difference to the man to whom he had the land
sold: then he will get his land back. 28 Is he unable to return
to buy, then the sold remains in the possession of the buyer until the year.
But in the jobel year it is released; then he is restored to his possession.
29 If anyone sells a house in a walled city, he can do it
only redeem during the first year after the sale; only that time
he has the right of repurchase. 30After the house in the walled city
If not repurchased after a year, it will remain property forever
from the buyer. The right of repurchase has expired; also in the jobel year
it is not released. 31Houses in unwalled villages belong to the
farmlands; the right of repurchase remains and they are released in the jobel year.
32The Levites always retain the right to the houses they are in
to buy back Levite cities. 33Have a Levite in a city,
where he owns property, sold a house and is unable to do it
to buy back, that house is released in the jobel year; because in the
Levite cities of Israel belong to the houses of the Levites. 34The
pasture land around those towns may not be sold; it is their possession
forever. 35Your brother falls into poverty and is unable to survive
maintain, then you must help him so that he can live with you, op
the same way as a foreigner or a foreigner. 36 Out of deference
for your God you must not ask your brother for interest or surcharge, so that
he can live with you. 37Lend him money without interest and give it to him
food without surcharge. 38I am Yahweh your God; I brought you out of Egypt
to give you Cana ”n and be your God. 39Turn your brother into so
great poverty that he has to sell himself to you, don’t treat him
like a slave; 40 consider him a day laborer or a foreigner. He
must remain in service until the jobel year; 41 then he can enjoy with his children
you go away: he can return to his family and be in his possession
restored. 42 For they are my servants; I brought them out of Egypt. She
cannot be sold into slavery. 43 Out of reverence for your God
do not tyrannize him. 44 If you need slaves or maidservants, buy them
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
68
then abroad 45or buy foreigners who live with you, or
children they have had with you in the country. You can do them as slaves
possess 46 and leave as an inheritance to your children; you can do that forever
as slaves. But none of you may be a brother, one
Tyrannize Israelite. 47If a foreigner living with you becomes rich and
your brother falls to such poverty that he turns to him or to
sells someone of his family, 48then he is entitled thereafter
redemption. One of his relatives must ransom him; 49his uncle, his
son or someone else of his immediate family. Is he mediated himself again?
then he can buy himself free. 50 It must be with the buyer’s time
between the year of the sale and the jobel year and calculate
determine the price of the sale accordingly. For years
that he has worked for him, the rate of a day laborer applies. 51 Residues
there are still many years until the jobel year, then he must be a proportional part
of it
pay the purchase price as a ransom. Only a few years remain, even then
the ransom must be calculated accordingly. 53 The
while he is with him, he must be treated as a day laborer; he may
not be tyrannized under your eyes. 54 Doesn’t he get on any of these
ways, then he and his children are released in the jobel year.
55For the Israelites are my servants; I brought them out of Egypt.
I am Yahweh your God.
leviticus 26: 1-4
You must not make idols or buildings in your land
to erect statues of gods or index stones and not stones with images
places to bow down to it. I am Yahweh your God.
2Keep my Sabbaths and revere my sanctuary. I am
Yahweh. 3If you direct your life according to my laws and my commandments
I will give you rain in due season, so that your
land yields a rich harvest and your orchards bear abundant fruit.
leviticus 26: 6-34
Then I will bring peace to the land and you can sleep without anyone telling you
startled. I will keep wild animals out of your land, and the sword will penetrate
not trough. 7You have put your enemies to flight; they fall by your sword.
8Five of you pursue a hundred, a hundred pursue ten thousand;
enemies fall by your sword. 9I keep on giving you my favors; I
make yourselves fruitful and numerous. I will remain faithful to my covenant with
you. 10While thou
you still eat from the previous harvest, you will have to dispose of your supplies
for the new crop. 11In the midst of you I will place my dwelling place; I turn
never get rid of you. 12I will go with you everywhere; I will be your God, and you
will be mine
people. 13I am Yahweh your God, who brought you out of Egypt, and you are
none
slaves need to be more. I broke the bars of your yoke and you
upright. 14But if you do not obey me and these commandments
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
69
15h does not care about my laws and my decisions
if you do not keep my commandments and become unfaithful to me
covenant, 16 then know what I’m going to do with you. I bring misery upon you.
Fear and a burning fever take away the light from your eyes and feel you
life force. If you sow, it is for nothing; your enemies eat it.
17I myself go against you, so that you fall under the blows of your enemy. That
hate you, rule over you. You flee, even if no one is taking you
haunts. 18And if, in spite of all this, you do not obey me, you will
I chastise you sevenfold for your sins. I will be your proud strength
break. I will make the heavens above you like iron, the earth below you like
copper. 20Do you exhaust your strength in vain; your land yields nothing, your
neither does the orchard. 21And you still continue to oppose me and
refuse to obey Me, I will strike you sevenfold again
your sins. I will send wild animals to you, those you of your children
rob and tear your livestock. They thin your rows so that your ways
be abandoned. 23And if you have not yet become wiser through all this
and you continue to oppose me, 24 then I also will be hard on you. I will you
strike sevenfold for your sins. 25I have called a sword against you
avenge the breach of the covenant. You creep together in your cities,
then I will release the pestilence upon you, so that you fall into the hand of your
enemies.
26And if I have no food for you, ten women shall be in one
bake the oven and divide the bread into portions. You will eat, but not
get enough. 27 In spite of all this, do not obey and remain
to oppose me, 28 then in my anger I also remain harsh against you.
I chastise you sevenfold for your sins. 29You will eat your flesh
sons and daughters. I have destroyed your high places, your incense altars
I will knock down, I will throw your memorials together with yours
idols, for I loathe you. I will make a wilderness of your cities
your shrines a mess. I can no longer smell the fragrance of your gifts
off. 32Once I start to destroy the land, even the
enemies who live there baffled. 33I will scatter you among the nations and
come after you with your sword drawn. Your land becomes desolate, your
cities a mess. 34 As long as the land is wasted and you are with you
dwells in enemies, the land makes up for its sabbath years; it settles down and
recovers
his sabbatical years.
leviticus 26: 36-40
Those who survive I strike with terror and trembling in the land of their enemies.
When they hear a blown leaf rustle, they are already on the run as before
the sword. They fall, although no one is pursuing them. 37She
stumble over each other as if they were fleeing from the sword, though there is
no one after them. You cannot stand against your enemies.
38You die among the nations; the land of your enemies devours you. 39 And
those who survive, languish in the land of their enemies for them
guilt and that of their forefathers. 40Then they will be their fault and
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
70
who confess to their ancestors how they have been unfaithful to me, and
have gone against me,
leviticus 26: 42-46
then I will remember my covenant with Jacob, remember mine
covenant with Isaac and Abraham, and on the land. 43The country will leave
and, as long as it lies fallow because of their absence, make up for the Sabbath
years.
In the meantime they are paying for their guilt because they have my statements
despised and have rejected my laws. 44 But even if they are in the country
their enemies, I will disdain and dislike them
do not go so far as to put an end to them; then I would be unfaithful
to my covenant with them. I am Yahweh your God. 45I will think again
to the covenant with their forefathers, which I in the eyes of the nations
out of Egypt, and I will be their God. I, Yahweh. 46 Those are the
commandments, laws, and teachings, by which Yahweh through mediation
Moses described the relationship between Him and the Israelites.
leviticus 27: 1
Yahweh said to Moses:
leviticus 27: 3-11
then the following rate applies to the conversion: for a male
person between twenty and sixty years fifty shekels of silver, in sacred coin,
4 thirty shekels for a female, 5 for a male person
from five to twenty years, twenty shekels, for a female person of
same age ten shekels, 6 for a male person between one
month and five years five shekels of silver, for a female person three shekels
silver, 7 for a male person over sixty years of age fifteen shekels and
for a female person ten shekels. 8 Is someone incapable of it
amount, he must be paid to the priest
bring. This fixes an amount that the one who has the vow
paid, can pay. 9The vow concerns a piece of cattle, which Yahweh is like
gift can be offered, then the animals become Him
promises, holy. 10 One should not replace a good animal with a bad one
not exchange an animal and a bad animal for a good one. One replaces an animal
through another, then both are holy. 11Has he promised a piece of cattle,
that which is unclean and cannot be presented as a gift to Yahweh, he must
take it to the priest.
leviticus 27: 13-14
If you want to redeem the animal, you have to pay the fixed amount
pay, plus a fifth. 14As a man his house to Yahweh
the priest determines how much it is worth, much or little;
the amount he sets is binding.
leviticus 27: 16-34
If anyone wants to dedicate a piece of land to Yahweh, its value must be
are measured according to the required seed: sowing per donkey load
fifty shekels of silver. 17And he dedicate his land to Yahweh in the Jubel year,
then
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
71
the same amount applies. If he does so outside the jobel year, the
priest deduct the number of years until the next jobel year
the determined amount. 19 Anyone want the piece of land that he may give to
Jehovah?
consecrated, he must pay the fixed amount,
plus a fifth; then the land is his again. 20 He buys
the piece of land is not returned and it is sold to someone else, then
the right of repurchase will lapse. 21 As the piece of land in the jobel year
released, it becomes sacred ground, like a piece of land taken by ban-vow
consecrated to Yahweh, it becomes the property of the priest. 22Deave someone
to Yahweh a piece of land which he bought, and therefore none
family property, 23 the priest must determine the amount
take into account the number of years until the next jobel year. The same
day the determined amount must be paid. It is sacred and
belongs to Yahweh. 24In the jobel year the land becomes property again
the seller, to whose family property it belonged. 25 All amounts
must be established according to the shekel of the sanctuary, twenty
gera the sickle. 26The firstborn of the cattle, of herds or
sheep belong to Yahweh; so they cannot be dedicated to Him. Which
ox or that sheep already belongs to Him. 27 If the animal is an unclean animal,
then it can be redeemed for the fixed amount plus
one fifth. If it is not redeemed, it must be for what has been determined
amount to be sold. 28A banish any man from his possession
to Yahweh, man, cattle, or land, it may not be sold or
bought back. Everything consecrated by the ban is sacred and belongs to
Yahweh. 29A man who is under ban cannot be redeemed; he
must be put to death. 30The tithes of grain in the land
or bring forth tree fruit belong to Yahweh; they are consecrated to Him.
31If anyone wants to buy back some of their tithes, the price is reduced by one
fifth raised. 32 Every tenth animal of bovine or flock that is under the
shepherd’s rod is consecrated to Yahweh. 33No attention is paid to this
better or less quality; Nor may the animals be exchanged. Is doing
If this is the case, both animals are consecrated; they cannot be
bought back. 34These are the commandments that Yahweh set on Sinah
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
72
Base de données Tree of Life – Introduction au verset
biblique
Lévitique est le troisième livre de la Bible hébraïque. Lévitique tire son nom du fait
qu’il contient principalement des arrangements pour et à propos du sacerdoce
lévitique. Déjà dans la Vulgate, il porte le nom de Lévitique. En hébreu, le livre est
appelé ( Wajikra ) (signifiant ”Et il a appelé”), après le premier mot.
Les juifs orthodoxes ainsi que les chrétiens orthodoxes croient que le contenu du
livre a été dicté par Dieu à Moïse sur le mont Sinaï. Selon l’hypothèse documentaire
développée dans la science historico-critique, le Lévitique doit être attribué à un
certain codex sacerdotal.
Les chercheurs conviennent généralement que le livre a été développé sur une
longue période de temps, émergeant sous sa forme actuelle au cours de la période
perse de 538-332 av.
Document de contenu
Le contenu du livre peut être classé comme suit:
Une série de lois sur l’offrande de sacrifices : holocaustes, sacrifices, offrandes
de fraternité, offrandes pour le péché ou d’expiation, et offrandes d’action de grâce
ou de louange (chapitres 1 à 7).
L’ordination d’ Aaron et de ses fils comme prêtres (chapitres 8-10). Il comprend
également une histoire de Nadab et Abihu , qui ont revendiqué des privilèges
sacerdotaux pour eux-mêmes.
Règles aux Israélites sur ce qu’ils peuvent et ne peuvent pas manger (lois
diététiques) (chapitre 11)
Lois sur la purification, l’hygiène et le sacrifice (chapitres 12-16).
Lois sur la distinction entre Israël et les Gentils (chapitres 17-20): les viandes
(17), les rapports sexuels (18) et le comportement moral (19-20 ).
Lois sur la purification personnelle des prêtres, leur nourriture et les
fêtes (chapitres 20-25): prêtres et fêtes (21-23), culte (24) et congé sabbatique et
jubilé (25).
Enfin, une section avec des promesses pour ceux qui respectent ces lois et
des avertissements pour ceux qui ne le font pas (chapitres 26-27).
Formellement, on peut parler d’un certain nombre de similitudes entre les
sacrifices d’Israël et de ses voisins. Cependant, il existe également un certain
nombre de différences frappantes:
monothéisme absolu
accent sur les questions éthiques
pas de magie ou de sorcellerie, car les prêtres ne se tiennent pas entre l’homme et
Dieu, mais ne font que des actions
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
73
pureté, comme pas de prostitution, orgies, rites de fertilité et autres
Interprétation
Après le début de l’ère chrétienne, des parties de ce livre ont été interprétées
comme une prophétie sur le Messie, Jésus-Christ. Pour les lecteurs chrétiens,
Lévitique concerne littéralement les lois juives et les règlements du culte, mais cidessous contient une couche cachée de prophétie expliquée dans la lettre aux
Hébreux.
Texte source : ci-dessus de wikipedia
Proverbes 13-12
L’espoir rend toujours le cœur malade, mais un désir satisfait est un arbre
de vie.
révélation 22-14
Heureux ceux qui nettoient leurs vêtements.
Ils auront droit à l’arbre de vie
et ils peuvent entrer dans la ville par les portes.
lévitique 1: 1-7
Yahvé appela Moïse et lui dit de la tente de l’assemblée: 2Dites aux
Israélites: Si l’un de vous veut offrir un cadeau à Yahvé, il peut choisir un
bœuf ou un troupeau pour cela. 3 S’il veut présenter un bœuf pour
l’holocauste, il doit prendre un mâle entier et le présenter à l’entrée de la
tente d’assignation. ainsi Yahvé prend plaisir à lui. 4Il pose alors sa main
sur la tête de l’animal sacrificiel; ainsi il est favorablement accepté et fait
expiation pour lui. 5Il abat le bœuf pour Yahvé; les prêtres, les fils
d’ Aaron , offrent le sang et le répandent tout autour sur l’autel à l’entrée de
la tente d’assignation. 6Il écorche l’animal sacrificiel et le coupe en
morceaux. 7Les sacrificateurs, les fils d’ Aaron , apportent du feu à l’autel
et y mettent du bois.
lévitique 1: 9-17
Puis il lave les entrailles et les jambes, et le prêtre brûle tout sur
l’autel. C’est donc une offrande d’encens, un cadeau parfumé qui plaît à
Yahvé. 10 Toute personne souhaitant présenter un mouton ou une chèvre
comme offrande brûlée doit également présenter un animal mâle sain. 11Il
l’abat du côté nord de l’autel de Yahvé. Les prêtres, les fils d’ Aaron ,
répandent le sang sur l’autel tout autour. 12Il coupe l’animal en morceaux,
et le sacrificateur les met, ainsi que la tête et la graisse, sur le bois brûlé
qui est sur l’autel.
lévitique 2: 1-16
Quand quelqu’un offre une offrande de repas à Yahvé, l’offrande doit être
de la farine. Il verse de l’huile dessus, y ajoute de l’encens et l’apporte aux
prêtres, les fils d’ Aaron . Un prêtre prend une poignée de la fleur avec de
l’huile et tout l’encens qui l’accompagne, et la fait fumer en signe de tout
sur l’autel, un cadeau parfumé qui plaît à Yahvé. 3Le reste de l’offrande de
repas sera donné à Aaron et à ses fils; les offrandes de ce genre à
l’Éternel sont des plus saintes . 4Si vous présentez une offrande de repas
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
74
cuite au four, elle doit être faite de farine, et elle doit être sous forme de
pain sans levain à base d’huile, ou de minces pains sans levain enrobés
d’huile. 5 Si vous offrez une offrande de repas préparée sur la plaque à
pâtisserie, elle doit aussi être de farine, faite avec de l’huile et sans
levain. Coupez-le en morceaux et versez de l’huile dessus. C’est donc une
offrande de repas. 7 Si vous offrez une offrande de repas préparée dans
une casserole, elle doit également être composée de farine et
d’huile. Vous apportez l’offrande de repas ainsi préparée à
Jéhovah. L’offrant le remet au prêtre, qui le porte à l’autel. 9Le sacrificateur
prend une portion de l’offrande de repas en gage du tout, et la brûle sur
l’autel, un cadeau parfumé qui plaît à Yahvé. 10Le reste de l’offrande de
repas sera pour Aaron et ses fils; les offrandes de ce genre à l’Éternel sont
des plus saintes . 11Aucune offrande de farine que vous présentez à
Yahvé ne peut être faite avec du levain; à aucun moment le levain ou le
miel ne peuvent faire partie des offrandes que vous faites pour fumer à
Yahvé. 12Vous pouvez les présenter à Yahvé comme des cadeaux
choisis, mais ils ne doivent pas sortir de l’autel comme un parfum
agréable. 13Vous devez ajouter du sel à toutes les offrandes de
repas; aucun d’entre eux ne devrait manquer du sel de votre alliance avec
Dieu. Vous devez donc ajouter du sel à tous les cadeaux que vous
offrez. 14Si vous offrez à Yahvé une offrande de farine des prémices, ce
doit être des épis rôtis ou le grain broyé de la nouvelle récolte. 15Vous
devez ajouter de l’huile et de l’encens. C’est donc une offrande de
repas. 16Le prêtre brûle une partie du grain, de l’huile et tout l’encens, en
signe de tout, en offrande à Jéhovah.
lévitique 3: 1-3
Quand quelqu’un offre un sacrifice à Yahvé et choisit un bœuf pour cela, il
peut s’agir d’un animal mâle ou femelle, à condition qu’il soit intact. 2Il
pose sa main sur la tête de l’animal sacrificiel et l’abat à l’entrée de la tente
d’assignation. Les prêtres, les fils d’ Aaron , répandent le sang sur l’autel
tout autour. 3Alors il offre une partie du sacrifice en offrande à Yahvé, la
graisse sur et autour des entrailles,
lévitique 3: 6-7
S’il veut offrir à Yahvé un mouton ou une chèvre comme victime, ce peut
être un animal mâle ou femelle, à condition qu’il soit intact. 7Il offre une
brebis et amène l’animal à l’Éternel,
lévitique 3: 9
Puis il présente à Jéhovah la graisse de la victime en offrande, toute la
queue coupée au coccyx, la graisse sur et autour des entrailles,
lévitique 3: 12-15
S’il offre une chèvre, il amènera l’animal devant Jéhovah, le mettra à la
main sur sa tête, et le tuera près de la tente d’assignation. Les fils
d’ Aaron répandent le sang sur l’autel tout autour. 14Il présente une partie
de l’animal sacrificiel en offrande à Jéhovah; la graisse sur et autour des
intestins15, les reins avec la graisse sur eux, par les reins, et le lobe du
foie, qu’il enlève avec les reins.
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
75
lévitique 3:17
C’est une volonté permanente pour toutes vos générations, où que vous
soyez: n’utilisez jamais de graisse ou de sang.
lévitique 4: 1-11
Yahvé dit à Moïse: 2Dis aux Israélites: Si quelqu’un pèche par
inadvertance contre les préceptes de Yahvé, et fait quelque chose
de condamné, 3Et c’est un sacrificateur oint qui pèche, de sorte
qu’il rende coupable le peuple, Présenter à Yahvé un bon taureau comme
offrande pour le péché. 4Il amène le vivant à l’entrée de la tente
d’assignation devant Jéhovah, il met sa main sur sa tête et le fait
massacrer devant Jéhovah. 5Le prêtre oint entre avec le sang du taureau
dans la tente de l’assemblée, 6 y trempe son doigt, et en asperge le voile
du sanctuaire sept fois devant Yahvé. 7Il a aussi mis du sang sur les
cornes de l’autel des parfums, qui se tient devant Yahvé dans la tente de
l’assemblée. Le reste, il le verse à la base de l’autel d’encens, à l’entrée de
la tente. 8Il enlève toute la graisse du taureau de l’offrande pour le péché,
la graisse sur et autour des entrailles, 9les reins et la graisse sur eux, par
les reins et le lobe du foie, qu’il enlève avec les reins, 10 dans le de la
même manière que pour un bœuf.pour la victime. Le prêtre fait cette
fumée sur l’autel de l’holocauste. 11 La peau du taureau, toute la chair
avec la tête et les pattes, les entrailles et les intestins,
lévitique 4: 13-27
Si c’est toute la communauté d’Israël qui pèche par inattention, sans que la
congrégation sache qu’elle fait quelque chose que Yahvé a interdit et
encourt ainsi la culpabilité, alors dès que le péché se révèle, toute la
congrégation doit utiliser une bulle offrant un offrande pour le péché et
l’amener devant la tente de l’assemblée 15Les anciens de la congrégation
mettent la main devant l’Eternel sur la tête de l’animal, et ils l’abattent pour
l’Eternel. 16Le sacrificateur oint entre avec le sang du taureau dans la
tente de l’assemblée, 17 y trempe son doigt et en asperge le voile sept fois
devant Yahvé. 18Il a aussi mis du sang sur les cornes de l’autel qui se
tient devant Yahvé dans la tente de l’assemblée. Le reste, il le verse au
pied de l’autel de l’holocauste, à l’entrée de la tente de réunion. 19 Il
enlève toute la graisse et la brûle sur l’autel. 20 Et il fait la même chose
pour ce taureau que pour le taureau de l’offrande pour le péché. Ainsi, le
prêtre fait l’expiation pour eux et ils sont pardonnés. 21Il sort l’animal du
camp et le brûle de la même manière que le premier taureau
mentionné. Ceci est l’offrande pour le péché pour l’église. 22Si c’est un
chef qui pèche par inadvertance, parce qu’il fait quelque chose que Yahvé
a interdit et par là même encourt la culpabilité, 23quand son péché lui est
connu, il doit présenter une chèvre sans défaut. 24Il pose la main sur la
tête de l’animal et l’abat pour Jéhovah, au lieu où l’holocauste est
abattu. C’est donc une offrande pour le péché. 25Le sacrificateur frappe le
sang de l’holocauste sur les cornes de l’autel de l’holocauste; il verse le
reste du sang à la base de l’autel. Il brûle toute la graisse de l’autel,
comme la graisse d’une victime. De cette façon, il fait l’expiation pour lui
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
76
pour ses péchés et est pardonné. 27Est-ce un des habitants du pays qui a
péché par inadvertance, parce qu’il a fait quelque chose que Yahvé a
interdit, et qu’il a commis par là une culpabilité?
lévitique 4:29
Il pose sa main sur la tête de l’animal sacrificiel et l’abat à l’endroit où
l’holocauste est également abattu.
lévitique 4: 32-35
S’il veut présenter une brebis comme une offrande pour le péché, ce doit
être une femelle bien nette. 33Il pose sa main sur la tête de l’animal et
l’abat en sacrifice pour le péché, au lieu où l’holocauste est abattu. 34Le
sacrificateur frappe le sang de l’holocauste sur les cornes de l’autel de
l’holocauste. 35Il enlève toute la graisse, comme celle des brebis d’une
victime. Le prêtre fait les autres offrandes à Yahvé sur la fumée de
l’autel. Ainsi, le prêtre fait l’expiation pour lui et est pardonné.
lévitique 5: 1-5
Quand quelqu’un entend une malédiction et en est témoin ou quand il voit
ou sait quelque chose et ne l’indique pas, il pèche et en est pleinement
responsable. Quelqu’un, par exemple, touche quelque chose d’impur sans
grand-chose, la chienne d’un animal sauvage, apprivoisé ou rampant, et
un autre découvre et devient ainsi coupable; 3 Personne ne touche quoi
que ce soit d’impur d’une personne sans aucun souci réel, quoi qu’il arrive,
et un autre en vient à le savoir et devient ainsi coupable; 4 si l’un
abandonne un serment irréfléchi pour le bien ou le mal ou quoi que ce soit
et qu’un autre le sache et devient ainsi coupable: 5 Dans tous ces cas, le
témoin qui est coupable de l’une de ces choses doit avouer à quel point il
a péché.
lévitique 5: 7-17
S’il ne peut pas payer pour un troupeau, il peut faire amende honorable à
Jéhovah pour son péché, deux tortues ou colombes, une pour un sacrifice
pour le péché et une pour un holocauste. 8Il les amène au prêtre, qui offre
d’abord l’animal destiné à l’offrande pour le péché; il la pince près du cou
sans l’arracher 9 et asperge le sang de l’offrande pour le péché contre
le mur de l’ autel . Le reste du sang est pressé contre la base de
l’autel. C’est donc une offrande pour le péché. 10Il offre le deuxième
oiseau en holocauste de la manière prescrite. Ainsi, le prêtre fait expiation
pour lui pour le péché qu’il a commis, et il lui est pardonné. 11S’il n’est pas
en mesure de payer pour deux tortues ou deux colombes, il doit offrir
une fleur dixième épha en offrande pour le péché en cadeau pour ce qu’il
a fait de mal , sans mettre d’huile dessus ni ajouter de l’encens, car c’est
un sacrifice pour le péché. . 12Il l’apporte au sacrificateur qui, en gage du
tout, en prend une poignée et la brûle avec les offrandes de l’Éternel sur
l’autel. C’est donc une offrande pour le péché. 13Le prêtre fait expiation
pour lui pour l’un des péchés dont il a été dit qu’il a commis, et le pardon
lui est donné. Le reste va au prêtre, comme pour l’offrande de
repas. 14Jahvé dit à Moïse: 15Si un homme commet une offense et se
livre par inadvertance à quelque chose de dévoué à Jéhovah, alors il
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
77
amènera à Jéhovah pour satisfaction de son troupeau un bélier sans
défaut comme offrande d’intrusion, valant autant de sicles d’argent en
pièce sacrée. 16Il doit réparer la chose sainte qu’il a péché, plus un
cinquième, et la donner au sacrificateur. Le prêtre fait l’expiation pour lui
avec le bélier de l’offrande pour infraction et le pardon est donné. 17
Quiconque, sans le savoir, pèche contre l’un des préceptes de Yahvé et
fait tout ce qui est interdit, est coupable et doit l’expier.
lévitique 5:19
C’est une offrande pour outrage, parce qu’il était coupable de Yahvé.
lévitique 6: 1-4
L’Eternel dit à Moïse: 2 Donne à Aaron et à ses fils ces instructions: Voici
la loi sur l’holocauste: l’holocauste doit rester sur le feu toute la nuit
jusqu’au matin, qui brûle sur l’autel. 3Le sacrificateur, vêtu d’une robe de
lin et d’un pagne autour de son corps, rassemble les cendres de
l’holocauste qui a été consumée sur l’autel et la pose à côté. 4Puis il revêt
ses vêtements et met les cendres hors du camp dans un endroit propre.
lévitique 6: 6-19
Le feu sur l’autel doit continuer à brûler sans interruption; il ne devrait
jamais s’éteindre. C’est la loi sur l’offrande de repas. Les fils d’ Aaron
l’ offrent à Jéhovah à l’autel. 8Un prêtre prend une poignée de farine et de
l’huile de l’offrande de farine, et la fait avec l’encens qui l’accompagne, en
gage de tout, à brûler sur l’autel, comme une odeur qui plaît à
l’Éternel. 9Le reste, Aaron et ses fils peuvent utiliser, mais ils doivent être
mangés avec des aliments sans levain dans un lieu saint, dans le parvis
de la tente d’assignation. 10Il ne doit pas être cuit avec du levain. C’est la
part que je leur donne de mes offrandes. Elle est aussi sacrée que
l’offrande pour le péché et l’offrande d’intrusion. 11Tous les descendants
mâles d’ Aaron pourront en manger; cette portion des offrandes de
Jéhovah est un droit permanent à travers toutes vos générations. Tout ce
qui entre en contact avec lui est sacré. 12Jahvé dit à Moïse: 13C’est ici
l’offrande qu’Aaron et ses fils apporteront le jour de l’ onction d’ Aaron : un
dixième éphah de farine comme offrande quotidienne pour le repas, moitié
le matin, moitié le soir. 14Il doit être pétri avec de l’huile sur la plaque à
pâtisserie. Brisez-le en morceaux et offrez-le en offrande de repas dont le
parfum est agréable à Yahvé. 15Le fils qui lui succède comme
sacrificateur oint doit faire de même. C’est une loi éternelle. Pour Yahvé,
tout doit partir en fumée: 16 Ceci est vrai de toute offrande de repas d’un
prêtre: il ne doit pas être mangé. 17Jahweh dit à Moïse: 18Dis à Aaron et
à ses fils: Voici la loi sur le sacrifice pour le péché. L’offrande pour le
péché doit être abattue à Yahvé au même endroit que l’holocauste: c’est
très saint . 19Le sacrificateur qui élève l’offrande pour le péché doit aussi
le manger dans un lieu saint, dans le parvis de la tente d’assignation.
lévitique 6: 21-22
La faïence dans laquelle elle est cuite doit être cassée; s’il est cuit dans un
récipient en bronze, il doit être poncé et rincé. 22Seuls les membres
masculins de la famille sacerdotale peuvent en manger, c’est très saint .
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
78
lévitique 6: 24-30
Et l’Éternel parla à Moïse, disant: 25 Parle à Aaron et à ses fils, disant:
Voici la loi du sacrifice pour le péché: Au lieu où l’holocauste sera tué, le
sacrifice pour le péché sera tué devant l’Éternel; c’est une sainteté de
sainteté. 26 Le sacrificateur qui le sacrifiera pour le péché le mangera; il
sera mangé dans le lieu saint, dans le parvis du tabernacle de la
congrégation. 27 Tout ce qui touche sa chair sera saint; quiconque
asperge de son sang sur un vêtement, sur lequel il asperge, tu le laveras
dans le lieu saint. 28 Et le vase de terre dans lequel il est bouilli sera
brisé; mais s’il est bouilli dans un récipient d’airain, il sera récuré et rincé à
l’eau. 29 Tout mâle parmi les prêtres en mangera; c’est une sainteté de
sainteté. 30 Mais aucune offrande pour le péché, dont le sang sera
apporté dans la tente d’assignation, pour être expié dans le sanctuaire, ne
sera mangée; il sera brûlé dans le feu.
lévitique 7: 1-32
C’est la loi sur l’offre de culpabilité. C’est sacré . L’offrande d’intrusion doit
être abattue au même endroit que l’holocauste. Le sang doit être répandu
autour de l’autel. 3Toute la graisse est sacrifiée, la queue, la graisse à
l’intérieur, le quatrième reins et la graisse dessus par les reins, et le lobe
du foie, qui est enlevé avec les reins. 5Le prêtre le brûle sur l’autel en
offrande à Jéhovah. C’est donc une offrande de culpabilité. 6Seuls les
membres masculins de la famille sacerdotale peuvent en manger, et dans
un lieu saint; car c’est très saint . 7Ce qui s’applique à l’offrande pour le
péché s’applique également à l’offrande pour infraction: les deux
appartiennent au prêtre, qui fait l’expiation avec eux. 8Si un prêtre offre
une holocauste pour quelqu’un, il prend la peau de l’animal
sacrificiel. 9Toutes les offrandes de repas cuites au four, ou préparées
dans un moule ou sur une assiette, vont chez le prêtre qui les
commande. 10Mais du reste des offrandes de farine, huilées ou non, tous
les fils d’ Aaron reçoivent un montant égal. 11C’est la loi sur la victime que
quiconque offre à Yahvé. 12Il la propose comme offrande de paix et ajoute
à l’animal sacrificiel des gâteaux sans levain, préparés avec de l’huile, des
gâteaux plats sans levain, badigeonnés d’huile et de la farine pétrie à
l’huile sous forme de gâteaux. En plus de ces gâteaux, le pain sans levain
est autorisé comme cadeau pour cette victime. 14Il offre une partie de tout
ce qu’il offre comme contribution à Jéhovah. Cela est dû au prêtre, qui a
aspergé le sang de la victime. 15La chair de cette offrande doit être
mangée le jour même; il ne faut rien y laisser jusqu’au lendemain
matin. 16Si c’est une offrande de vœu ou un cadeau gratuit, il est
également mangé le jour même. Mais ce qui reste peut également
être mangé le lendemain . 17Si une partie de la viande sacrificielle reste le
troisième jour, elle doit être brûlée. 18Si quelque de cette chair est
mangée le troisième jour, cela ne profitera pas à l’offrant; il ne lui sert à
rien, car il est contaminé et quiconque en mange en paiera. 19 La viande
qui a été en contact avec quelque chose d’impur ne doit pas être
consommée; il doit être brûlé. Quiconque est pur peut manger du reste de
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
79
la chair. 20Mais quiconque mange la chair d’un sacrifice dédié à Yahvé
dans un état d’impureté est éloigné de son peuple. 21 Quiconque touche à
quelque chose d’impur d’un homme, d’une bête impure ou d’une bête
rampante, et qui mange la chair d’un sacrifice dédié à l’Éternel, est écarté
de son peuple. 22Jahvé dit à Moïse: 23 Dis aux Israélites: Tu ne dois pas
manger la graisse du boeuf, du mouton ou de la chèvre. 24La graisse d’un
animal mort ou déchiré peut servir à n’importe quoi, mais vous ne devez
pas la manger. 25 Celui qui mange la graisse d’un animal offert en
sacrifice à Yahvé est éloigné de son peuple. 26 Vous ne devez pas non
plus emporter de sang où que vous habitiez, ni d’oiseaux ni d’animaux
terrestres. 27 Quiconque prend du sang est éloigné de son
peuple. 28Jahweh dit à Moïse: 29Dites aux enfants d’Israël: Que celui qui
offre un sacrifice à l’Eternel en apporte une partie à l’Eternel; 30Il offrira de
sa main la graisse et la poitrine en offrande à l’Éternel. Debout devant
Yahvé, il attribue le thorax à la part des prêtres. 31La graisse brûle le
prêtre sur l’autel; le pectoral appartient à Aaron et à ses fils. 32Vous devez
abandonner la jambe droite de vos victimes en guise de contribution
lévitique 7: 34-38
Pour la poitrine qui est mise de côté comme portion sacrée et la cuisse
que vous donnez comme contribution, j’ai pris des sacrifices des Israélites
pour la donner au sacrificateur Aaron et à ses fils. Ils peuvent toujours
affirmer ce droit contre les Israélites. 35 Voici la part des sacrifices de
l’Éternel qui alla à Aaron et à ses fils depuis le jour où ils furent nommés
sacrificateurs de l’Éternel. 36 L’Eternel ordonna aux Israélites de donner
cette portion aux sacrificateurs dès le jour de leur onction; c’est un droit
constant à travers toutes les générations. 37 Telle était la loi sur les
holocaustes, les offrandes de repas, le péché – et les offrandes
d’infraction, les offrandes d’ordination et les sacrifices. 38Toutes ces
choses que Yahvé a prescrites à Moïse sur la montagne de Sinah
lévitique 8: 1-18
Yahvé dit à Moïse: 2 Prends Aaron et ses fils, les robes et l’huile d’onction,
un taureau pour l’offrande pour le péché, deux béliers et une corbeille de
pains sans levain. Rassemblez toute la communauté à l’entrée de la tente
de la congrégation. 4Moïse obéit à l’ ordre de Yahvé , et toute l’assemblée
s’assembla à l’entrée de la tente d’assignation. 5 Moïse leur dit: “ Ce que
nous allons faire sera accompli par le commandement de Jéhovah. ’’ 6Et il
fit appeler Aaron et ses fils et les purifia avec de l’eau. 7Il revêtit Aaron de
la tunique, lui mit la ceinture, mit la robe sur lui, mit l’ éphod sur lui et le lia
avec la ceinture; 8Il lui présenta le sac d’oracle, et y mit l’ urim et
le toemmim . 9Il mit le turban sur sa tête, avec la plaque d’or, signe de sa
consécration, devant. Yahvé l’avait commandé. 10Et Moïse prit l’huile
d’onction, et oignit la demeure avec tout ce qu’elle contenait, pour la
consacrer. 11Il aspergea l’autel, et oignit l’autel avec des accessoires, et la
cuve avec le socle, pour les consacrer. 12Et il versa un peu d’huile
d’onction sur la tête d’ Aaron , et l’oignit pour le consacrer. 13Puis Moïse
éleva les fils d’ Aaron . Il les revêtit de la tunique, leur passa la ceinture et
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
80
leur noua les foulards. Ainsi Yahvé a commandé à Moïse. 14Puis il fit
apporter le taureau pour le sacrifice d’expiation. Aaron et ses fils ont posé
leurs mains sur la tête de l’animal. 15Moïse l’abattit et mit du sang sur les
cornes de l’autel avec son doigt pour le nettoyer de la tache du péché. Il a
versé le reste du sang à la base de l’autel. Il l’a donc consacré en faisant
l’Expiation. 16Et Moïse prit la graisse de l’intérieur, le lobe du foie et les
reins avec la graisse dessus, et les brûla sur l’autel. 17 La peau du
taureau, sa chair et ses intestins, il les brûlait hors du camp. Ainsi Yahvé a
commandé à Moïse. 18Et il fit apporter un bélier pour
l’holocauste. Aaron et ses fils ont posé leurs mains sur la tête de l’animal.
lévitique 8: 20-25
le couper en morceaux et brûler la tête, les morceaux de viande et la
graisse. 21 Et il lava l’intérieur et les jambes, et brûla tout le bélier sur
l’autel. C’était donc un holocauste, un cadeau parfumé qui plaît à
Yahvé. Ainsi Yahvé a commandé à Moïse. 22 Finalement, il fit apporter le
second bélier pour l’offrande de consécration. Aaron et ses fils ont posé
leurs mains sur la tête de l’animal. 23Moïse le massacra et mit un peu de
sang sur l’oreille droite d’ Aaron , sur son pouce droit et sur le gros orteil de
son pied droit. 24Alors Moïse fit sortir les fils d’ Aaron et mit du sang sur
eux aussi sur le lobe de l’oreille droite, le pouce du pouce droit et le gros
orteil de leur pied droit. Il a également répandu du sang sur l’autel tout
autour. 25Et il prit la graisse: la queue, la graisse à l’intérieur, le lobe du
foie, les reins avec la graisse dessus, et la cuisse droite.
lévitique 8: 27-36
Tout cela, il le donna à Aaron et à ses fils, pour le séparer pour Yahvé
comme leur portion sacrée. 28Et Moïse le prit de leurs mains et le brûla
avec l’holocauste sur l’autel. C’était donc une offrande d’ordination, un
cadeau parfumé qui plaît à Yahvé. 29 Se tenant devant Yahvé, Moïse se
sépara la poitrine comme portion consacrée, car c’était sa part du bélier de
l’offrande d’ordination. Ainsi Yahvé a commandé à Moïse. 30Moïse
aspergea les robes d’ Aaron d’huile d’onction et de sang de l’autel, puis
ses fils et leurs robes. Il a donc dédié les robes d’Aaron , ses fils et leurs
robes. 31Moïse dit à Aaron et à ses fils: “ Faites bouillir la chair à l’entrée
de la tente d’assignation, et mangez-la là avec le pain de consécration, qui
est encore dans la corbeille. Aaron et ses fils doivent en manger selon
mon ordre. 32 Brûlez la chair et le pain qui reste. 33 Vous ne devez pas
quitter la tente de la congrégation avant que les sept jours de votre
consécration ne soient passés, car votre consécration dure sept
jours. 34Comme cela a été fait aujourd’hui, ainsi selon
le commandement de Yahvé , faites aussi les autres jours, pour faire
l’expiation pour vous. 35Vous devez donc demeurer à l’entrée de la tente
de réunion sept jours, jour et nuit. Alors tu fais ce que Yahvé te dit et tu ne
mourras pas. J’ai reçu l’ordre de le faire. 36Aaron et ses fils firent ce que
Yahvé avait ordonné par Moïse.
lévitique 9: 1-24
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
81
Le huitième jour, Moïse a appelé Aaron et ses fils et les anciens
d’Israël. 2Il dit à Aaron : “ Apportez un veau pour le sacrifice d’expiation et
un bélier pour l’holocauste, tous deux sans défaut, et amenez-les à
Jéhovah. 3Et dites aux enfants d’Israël: Apportez un bouc pour le sacrifice
d’expiation, un veau et une brebis, tous deux âgés d’un an et sans défaut,
pour l’holocauste, 4 un bœuf et un bélier en sacrifice, et un offrande de
repas à base d’huile. Car aujourd’hui Yahvé vous apparaîtra. 5Les
Israélites apportèrent tout cela à la tente d’assignation, comme Moïse
l’avait ordonné. Toute la communauté s’est réunie et s’est tenue devant
Yahvé. 6Et Moïse dit: Maintenant que la gloire de l’Eternel est sur le point
de t’apparaître, fais ceci selon son ordre. 7Aaron, il dit: Va à l’autel, offre
ton sacrifice pour le péché et ton holocauste, et fais l’expiation pour toi et
le peuple. Consacrez également le sacrifice du peuple et faites l’expiation
pour vous et le peuple. Ouvrez aussi l’offrande du peuple et faites-lui
l’expiation. Ainsi a ordonné Yahvé. 8 Aaron est allé à l’autel et a tué pour
lui le veau de l’offrande pour le péché. 9Les fils d’ Aaron lui apportèrent le
sang, il y trempa son doigt et le mit sur les cornes de l’autel. Il a versé le
reste du sang à la base de l’autel. 10Il a brûlé la graisse, les reins et le
lobe du foie sur l’autel. Ainsi Yahvé a commandé à Moïse. 11Il a brûlé la
chair et la peau hors du camp. 12Puis il tua l’holocauste. Les fils d’ Aaron
lui apportèrent le sang, et il le répandit sur l’autel tout autour. 13Et ils lui
remirent les morceaux de chair et la tête de l’animal sacrificiel, et il les
brûla sur l’autel. 14Il a lavé les entrailles et les jambes et les a brûlées sur
l’autel. 15Et il offrit le don du peuple. Il a pris la chèvre comme offrande
pour le péché du peuple, l’a massacrée et l’a offerte comme offrande pour
le péché, comme le premier animal. 16Il a aussi fait l’holocauste de la
manière prescrite. 17Il offrit l’offrande de farine et en brûla une poignée sur
l’autel. Cette offrande est venue avec l’holocauste qui est apporté le
matin. 18Il tua aussi le taureau et le bélier en sacrifice pour le peuple. Les
fils d’ Aaron lui ont remis le sang, et il l’a aspergé sur l’autel tout
autour. 19Les morceaux de graisse du taureau et du bélier, la queue,
la graisse du filet , les reins et le lobe du foie, 20 ont été placés avec les
poitrines, et il les a brûlés sur l’autel. 21 Debout devant l’Éternel, Aaron
sépara les poitrines et la cuisse droite pour la portion sacrée des
sacrificateurs, comme Moïse l’avait ordonné. 22Après avoir offert les
offrandes pour le péché, les holocaustes et les sacrifices, Aaron leva
les mains vers le peuple et le bénit. Puis il descendit de l’autel et entra
avec Moïse dans la tente de l’assemblée. Et quand ils sont ressortis, ils
ont béni les gens. Alors la gloire de Yahvé apparut à tout le peuple. 24 Le
feu sortit de Jéhovah et consuma l’holocauste et la graisse sur
l’autel. Quand les gens ont vu cela, ils ont crié et sont tombés au sol.
lévitique 10: 1-9
Nadab et Abihu , les fils d’ Aaron , ont pris leur poêle à feu, y ont mis du
feu et y ont mis de l’encens. Ils ont apporté du feu à Jéhovah qui n’était
pas conforme à ses préceptes. 2Le feu sortit de Jéhovah et les
consuma. Ils ont donc été tués pour Yahvé. 3Et Moïse dit à Aaron : C’est
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
82
ce que Jéhovah voulait dire quand il dit: Ceux qui s’approchent de moi font
l’expérience de ma sainteté, et de ma gloire tout le peuple est
témoin. Aaron se tut. 4Et Moïse appela Mishael et Elsaphan , les fils
d’ Uzziel , l’ oncle d’Aaron , et dit: Viens ici, fais sortir du camp tes frères
du sanctuaire. 5Ils vinrent et les portèrent enveloppés dans leurs tuniques
à l’extérieur du camp, comme Moïse l’avait ordonné. 6Mozes parla
à Aaron et à ses fils Éléazar et Itamar : “ Laissez vos cheveux pendre et
ne déchirez pas vos vêtements. Sinon, vous mourrez et sa colère
explosera contre toute la communauté. Que vos frères, toute la maison
d’Israël, pleurent le feu que Yahvé a allumé. 7 Ne quittez pas l’entrée de la
tente de réunion; cela vous tuerait, car l’huile d’onction de Jéhovah est
toujours sur vous. 8Jahweh dit à Aaron : 9 “ Lorsque vous ou vos fils
montez à la tente de l’assemblée, vous ne devez ni boire de vin ni de
boisson forte, sinon vous mourrez. C’est un précepte permanent à travers
vos générations.
lévitique 10: 12-20
Moïse dit à Aaron et à Éléazar et Ithamar , les fils d’ Aaron qui étaient
encore vivants, très saint . 13Vous devez le manger dans un lieu
saint; vous et vos fils avez droit à cette portion de l’offrande à
Jéhovah. Donc cela m’a été ordonné. 14Mais la poitrine que vous avez
mise de côté comme portion sacrée, et la cuisse abandonnée, que vous,
vos fils et vos filles, mangiez en tout lieu propre, car cette portion des
sacrifices des Israélites est à vous de droit. et votre famille. 15 Le jarret
abandonné et le sein mis de côté comme portion sacrée doivent être mis
en place avec la graisse offerte, pour les séparer comme portion sacrée
devant Yahvé. Ensuite, ils reviennent à vous et à vos fils en vertu d’un
droit permanent. Yahvé l’a commandé. ” 16Lorsque Moïse a interrogé sur
le bouc pour le sacrifice d’expiation, il l’a trouvé déjà brûlé. Enragé, il
demanda à Éléazar et Ithamar , les fils d’ Aaron, qui étaient encore
vivants: «Pourquoi n’avez-vous pas mangé l’offrande pour le péché dans
un lieu saint? Pourtant, c’était très saint, et Yahvé vous l’avait donné
pour ôter la culpabilité de la communauté en faisant l’expiation pour cela,
debout devant Yahvé. 18 Maintenant que le sang de l’animal sacrificiel
n’avait pas été apporté dans le sanctuaire, vous auriez dû le manger làbas, comme je l’ai commandé. 19Aaron dit à Moïse: Mes fils ont déjà offert
aujourd’hui un sacrifice pour le péché et un holocauste, et vous savez ce
qui m’est arrivé. Aurais-je dû manger cette offrande pour le péché
aujourd’hui? Yahvé aurait-il approuvé cela? 20Lorsque Moïse entendit
cela, il fut satisfait.
lévitique 11: 1-2
L’Eternel dit à Moïse et à Aaron : Dis aux Israélites: Vous pouvez manger
de tous les animaux de la terre.
lévitique 11: 4
Parmi les ruminants et les animaux à sabots fendus, vous ne devez pas
manger ce qui suit: le chameau, car il mâche la queue, mais n’a pas de
sabots fendus, il vous est considéré comme impur;
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
83
lévitique 11: 8-13
Vous ne devez pas manger la chair de ces animaux ni toucher leurs
carcasses; ils sont impurs pour vous. 9Ce sont les créatures aquatiques
que vous pouvez manger: toutes les créatures aquatiques qui ont des
nageoires et des écailles, vous pouvez manger, des poissons de mer et
des poissons de rivière. 10Mais tous les poissons de mer et de rivières
sans nageoires ni écailles, petits et grands, vous devez avoir horreur. 11
Détestez-les et ne mangez jamais de tels poissons morts. 12Tous les
animaux aquatiques sans nageoires ni écailles doivent être
abhorrés. 13Vous devez avoir horreur des oiseaux suivants; il ne faut donc
pas les manger: l’aigle, le gypaète barbu, le gypaète barbu,
lévitique 11:20
Vous devez abhorrer tous les insectes ailés à quatre pattes ,
lévitique 11: 23-24
Tous les autres insectes ailés à quatre pattes que vous devriez
détester. 24Vous vous souillez par les bêtes suivantes quiconque touche
son corps est impur jusqu’au soir;
lévitique 11: 26-29
Tous les animaux qui n’ont pas les sabots fendus et qui ne mordillent pas
sont considérés comme impurs pour vous; quiconque les touche devient
impur. 27Tous les animaux à quatre pattes qui sont seuls sont impurs pour
vous; quiconque touche l’un de ses cadavres est impur jusqu’au soir. 28
Celui qui le porte doit laver ses vêtements et être impur jusqu’au soir. Ils
sont impurs pour vous. 29 Parmi les animaux rampants, vous êtes
considérés comme impurs: la taupe, la souris, les différentes espèces de
crapauds,
lévitique 11: 31-47
Tous ces animaux rampants sont impurs pour vous. Quiconque touche
une telle carcasse est impur jusqu’au soir; 32 S’il tombe sur quoi que ce
soit, sur un objet en bois, un tissu, un morceau de cuir, un sac ou tout
autre ustensile, il sera impur jusqu’au soir; alors il est à nouveau
propre. 33 Si un tel animal mort tombe dans une jarre de terre, tout son
contenu est impur; vous devez casser le pot. 34Si l’eau de la cruche entre
en contact avec la nourriture, elle devient aussi impure. 35 Tout ce sur
quoi tombe un tel animal mort devient impur; la fournaise et le foyer
doivent être brisés; ils sont impurs pour vous et ils le restent. 36Mais un
puits et un puits où l’eau est recueillie restent propres; s’il y a un animal
mort dedans et si quelqu’un le touche, il devient impur. 37 Si un tel animal
mort tombe sur la semence, il reste propre; 38 Mais s’il tombe sur la
semence dans l’eau, il vous sera impur. 39Si un morceau de bétail à
abattre meurt, celui qui le touche est impur jusqu’au soir. 40 Celui qui
mange sa chair doit laver ses vêtements et être impur jusqu’au soir. Celui
qui porte le cadavre doit laver ses vêtements et sera impur jusqu’au
soir. 41 Vous devez avoir en horreur toutes les choses rampantes; ils ne
doivent pas être mangés42, qu’ils rampent sur le ventre ou qu’ils aient
quatre pattes ou plus. Vous devez les détester. 43 Ne vous souillez pas
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
84
avec des choses rampantes, ne vous souillez pas avec des choses
rampantes, ne vous souillez pas avec elles. 44 Je suis Yahvé votre
Dieu; alors assurez-vous que vous êtes saint. Soyez saint parce que je
suis saint. Ne soyez pas contaminé par des objets rampants. 45 Je suis
Yahvé, qui vous ai fait sortir d’Égypte pour être votre Dieu. Soyez saint
parce que je suis saint. 46C’est la loi sur les animaux terrestres, les
oiseaux, les animaux aquatiques et les animaux rampants, 47 afin que
vous sachiez quels animaux sont impurs et lesquels sont purs, quels
animaux peuvent être mangés et lesquels ne le sont pas.
lévitique 12: 1-8
Yahvé dit à Moïse: 2Dis aux Israélites: Si une femme porte un enfant et
que c’est un garçon, alors elle est impure sept jours, comme pendant la
menstruation. Circoncis le prépuce de l’enfant le huitième jour. 4 Il lui faut
trente-trois jours pour être pure du sang de sa naissance; elle ne doit
toucher à rien de saint, ni monter au sanctuaire jusqu’à ce que le jour de
sa purification vienne. Si elle a donné naissance à une fille, elle sera
impure pendant deux semaines, comme pendant les règles. Il lui faut
soixante-six jours pour être purifiée du sang de la naissance. 6 Quand,
après la naissance d’un fils ou d’une fille, le jour de sa purification sera
venu, elle présentera au prêtre à l’entrée de la tente de rencontre un
agneau de moins d’un an pour l’holocauste, et une colombe et une
tourterelle pour une offrande pour le péché. 7Le sacrificateur la présente
devant l’Éternel, et fait propitiation. Alors la source à partir de laquelle son
sang a coulé est à nouveau propre. C’est la loi sur la femme qui a eu un
enfant, un garçon ou une fille. 8Si elle n’a pas les moyens de se payer une
brebis, elle peut aussi apporter deux tortues ou colombes, une pour
l’holocauste et une pour l’holocauste. Avec cela, le prêtre fait l’expiation
pour elle, afin qu’elle redevienne pure.
lévitique 13: 1-9
Yahvé dit à Moïse et à Aaron : Si un homme a une excroissance, une
éruption cutanée ou une tache sur la peau et que cela commence à
ressembler à une maladie de peau, emmenez-le voir Aaron le prêtre ou un
prêtre de sa famille. 3Le prêtre examine la tache malade sur la peau. Si
les cheveux sont devenus blancs et que la tache est visiblement plus
profonde que le reste de la peau, il s’agit d’une maladie de la
peau. Lorsque le prêtre a déterminé cela, il doit le déclarer impur. 4Si ce
n’est qu’une légère tache blanche sur la peau, qui n’est pas visiblement
plus profonde que les autres, et que les cheveux ne sont pas devenus
blancs, le prêtre doit séparer le malade pendant sept jours. S’il apparaît au
bout de sept jours à l’examen que la tache malade sur la peau n’a pas
changé ou n’a pas augmenté de taille, le prêtre doit la séparer à nouveau
pendant sept jours. 6 Si après ces sept jours un nouvel examen montre
que la tache de la peau est devenue terne et ne s’est pas étendue, le
prêtre le déclare pur. Il a juste eu une éruption cutanée; après avoir lavé
ses vêtements, il est propre. 7 Si, après que le patient s’est présenté au
prêtre pour le nettoyage, la zone de la peau augmente encore de taille, il
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
85
doit se présenter à nouveau devant le prêtre. 8S’il détermine en effet
l’extension du résultat, il doit le déclarer impur. Ensuite, c’est une maladie
de la peau. 9 Si une personne a une maladie de peau, elle doit être
conduite chez le prêtre.
lévitique 13:12
Si la maladie de la peau a touché tout le corps, de sorte que le patient en
est couvert de la tête aux pieds, le prêtre doit procéder à un examen
approfondi.
lévitique 13:14
Mais dès que la viande de gibier monte, elle est impure.
lévitique 13:16
Lorsque la viande de gibier redevient blanche, le malade doit se rendre
chez le prêtre.
lévitique 13:18
Quelqu’un a-t-il eu une plaie guérie
lévitique 13: 20-24
Si le prêtre détermine que la tache est visiblement plus profonde que la
peau et que les cheveux sont devenus blancs, alors il doit le déclarer
impur. C’est une maladie de la peau qui trouve son origine sur le site de
l’ulcère. 21Si le prêtre constate que les cheveux ne sont pas blancs, que la
tache n’est pas plus profonde que la peau et devient terne, le sacrificateur
les séparera pendant sept jours. 22Si la tache se répand sur la peau, le
sacrificateur doit le déclarer impur; c’est un endroit malade. Si, par contre,
la tache n’a pas changé et ne s’est pas propagée, ce n’est qu’une cicatrice
de cette plaie, et le prêtre doit la déclarer propre. 24 Après la guérison
d’une brûlure, une personne a une tache rouge pâle ou blanche sur la
peau
lévitique 13: 26-29
Si l’examen lui révèle que les poils de cette zone ne sont pas blancs et
qu’ils ne sont pas plus profonds que la peau et commencent à devenir
ternes, il doit les séparer pendant sept jours. 27 Si le sacrificateur constate
après sept jours que la tache sur la peau a bien poussé, il doit le déclarer
impur. c’est une maladie de peau. Par contre, si la zone n’a pas changé,
ne s’est pas étendue et est devenue terne, il s’agit simplement d’un
gonflement dû à la brûlure. Le prêtre doit le déclarer pur; c’est une
cicatrice de la brûlure. 29Un homme ou une femme a-t-il une tache malade
sur la tête ou dans la barbe?
lévitique 13: 31-32
Si, lors de l’examen de la gale, le prêtre constate que la tache malade
n’est pas visiblement plus profonde que le reste de la peau, mais que les
poils dessus ne sont pas noirs, alors il doit séparer le malade pendant sept
jours. 32Lorsque le prêtre constate après sept jours par un nouvel examen
que la croûte ne s’est pas étendue, que les poils ne sont pas jaunis et que
la zone malade n’est pas visiblement plus profonde que le reste de la
peau,
lévitique 13: 34-35
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
86
Si, au bout de sept jours, l’examen montre que la croûte ne s’est pas
étendue et n’est pas visiblement plus profonde que le reste de la peau, le
prêtre doit le déclarer propre; après avoir lavé ses vêtements, il est
propre. 35Après que la personne malade a été déclarée propre, la gale
continue de grossir
lévitique 13: 37-42
S’il lui semble que la tache n’a pas changé et que des cheveux noirs y
poussent, alors la maladie est guérie et cette personne est propre. Le
prêtre doit le déclarer pur. 38 Si un homme ou une femme a des taches
sur la peau, c’est-à-dire des taches blanches, 39 alors le prêtre doit les
examiner. Si les taches sur la peau semblent être d’ un blanc terne , c’est
simplement une éruption cutanée qui a affecté la peau; cette personne est
propre. 40Si un homme perd ses cheveux, il est tout simplement chauve; il
est propre. 41S’il perd ses cheveux sur le devant de la tête, il sera à moitié
chauve; il est propre. S’il y a une tache rouge pâle sur le front chauve ou à
l’arrière de la tête de l’homme, alors il a une maladie de la peau sur la
couronne ou sur le devant de la tête.
lévitique 13: 45-47
La personne souffrant d’une maladie de la peau doit porter des vêtements
déchirés et laisser pendre ses cheveux; il doit couvrir sa barbe et crier:
”Impur, impur!” 46 Tant que dure la maladie, il est impur; il doit vivre
séparément et rester en dehors du camp. 47 Y a-t-il des marques sur un
vêtement de laine ou de lin,
lévitique 13: 49-53
et si ces taches sur le vêtement, sur le cuir, sur le tissage ou la tresse ou
sur un objet en cuir sont vertes ou rouges, alors c’est une éruption
cutanée; il doit être montré au prêtre. 50Après avoir examiné le site, il doit
séparer l’objet contaminé pendant sept jours. 51 Si, au bout de sept jours,
l’examen montre que la tache sur le vêtement, sur le tissage ou la
vannerie ou sur l’ustensile de cuir a poussé, il s’agit d’une éruption cutanée
maligne; l’objet est impur. 52 Il doit brûler le vêtement, le tissage ou la
vannerie de laine ou de lin ou les articles de cuir sur lesquels la tache est
attachée. C’est une éruption cutanée maligne; il doit être brûlé. 53
Cependant, lorsque le prêtre l’examine, il apparaît que la tache sur le
vêtement, sur le tissage ou la vannerie ou sur les objets en cuir n’a pas
augmenté,
lévitique 13: 55-59
Si le prêtre, après le lavage, constate que la tache n’a pas changé de
couleur ni augmenté de taille, l’objet est impur; il doit être brûlé. Il en va de
même ici que pour la tache chauve sur la couronne ou sur la
tête. Cependant, si le prêtre constate que la tache est devenue terne après
le lavage, il doit l’enlever du vêtement, du cuir, du tissage ou de la
tresse. Si la tache sur le vêtement, sur le tissage ou la vannerie ou sur
l’objet en cuir réapparaît néanmoins, elle continue à proliférer; l’objet en
question doit être brûlé. 58 Si, après le lavage, la tache sur le vêtement,
sur le tissage ou la tresse ou sur l’objet en cuir ne revient pas, il doit être
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
87
lavé à nouveau; alors c’est propre. 59 C’est la loi qui détermine comment
les pièces rapportées dans les vêtements en laine ou en lin, dans le
tissage ou la vannerie et dans les articles en cuir doivent être déclarées
propres ou impures.
lévitique 14: 3
Il quitte le camp et lance une enquête. S’il apparaît alors que le malade de
sa maladie est guéri,
lévitique 14: 5-15
Le prêtre abat l’un des oiseaux au-dessus d’un bol en terre rempli d’eau de
source. 6Il plonge l’oiseau vivant avec le bois de cèdre, le cramoisi et
l’hysope dans le sang de l’oiseau abattu sur l’eau de source. 7Puis il
asperge sept fois celui qui veut être purifié de sa maladie et le nettoie
ainsi; il laisse l’oiseau vivant s’envoler. 8 Celui qui veut être purifié doit
laver ses vêtements, se raser les cheveux et prendre un bain; alors il est
propre. Il peut revenir au camp, mais il n’est pas autorisé à entrer dans sa
tente pendant les sept premiers jours. 9Après ces sept jours, il doit se
raser tous les cheveux de la tête, de la barbe et des sourcils. Ensuite, il
devrait laver ses vêtements et prendre un bain; puis il est à nouveau
propre. 10Le huitième jour, il apportera deux brebis sans défaut, un
agneau de moins d’un an et sans défaut, trois dixièmes
de farine de Sharon préparée avec de l’huile pour l’offrande de farine et
une bûche d’huile. 11Le sacrificateur qui fait la purification amène celui qui
veut être purifié par ses dons devant l’Éternel à l’entrée de la tente
d’assignation. 12Il sacrifie la seule brebis avec la bûche d’huile en offrande
d’intrusion, et se tenant devant l’Éternel les met à part comme la portion
sacrée des sacrificateurs. 13Il abat la bête dans le sanctuaire, où ils tuent
aussi l’holocauste et l’holocauste. Car l’offrande pour le péché, comme
l’offrande pour le péché, appartient au prêtre: elle est hautement
sainte . 14Ensuite, le prêtre met du sang de l’animal sacrificiel sur le lobe
droit de l’oreille, le pouce droit et le gros orteil de son pied droit à la
personne qui veut être purifiée. 15Il verse de l’huile dans la paume de sa
main gauche,
lévitique 14: 17-33
De l’huile que le prêtre a encore sur sa main, il met quelque chose sur le
lobe de l’oreille droite, le pouce droit et le gros orteil de son pied droit, sur
le sang de l’offrande d’intrusion de celui qui veut être purifié. 18Il étale
l’huile que le prêtre a encore sur la tête de la personne qui veut être
purifiée. C’est ainsi qu’il lui fait l’expiation pour Yahvé. 19Le sacrificateur
offre l’offrande pour le péché et fait l’expiation pour celui qui veut être
purifié de son impureté. Enfin, il abat l’holocauste et l’amène sur l’autel
avec l’offrande de repas. Ainsi le prêtre fait la réconciliation pour lui et il
redevient pur. 21Si un homme est si pauvre qu’il ne peut pas payer tout
cela, il suffira avec un mouton pour une offrande d’intrusion, mis
de côté comme portion consacrée pour faire l’expiation pour lui, une fleur
de Shisharon faite avec de l’huile pour une offrande de farine, une huile de
bois et deux tortues ou colombes, comme il l’a fait, pour le sacrifice
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
88
d’expiation et l’holocauste. 23Le huitième jour de purification, il apporte
tout cela au sacrificateur, à l’entrée de la tente d’assignation, devant
Jéhovah. 24 Le sacrificateur qui se tenait devant l’Éternel a mis à part les
brebis pour l’offrande d’intrusion et la bûche d’huile comme portion sacrée
des sacrificateurs. 25Ensuite, il égorge les brebis pour l’offrande d’intrusion
et met du sang sur le lobe de l’oreille droite, le pouce droit et le gros orteil
de son pied droit à celui qui veut être purifié. 26Le prêtre verse un peu
d’huile dans la paume de sa main gauche 27 et en asperge sept fois avec
son index droit devant Jéhovah. 28 De l’huile qu’il met encore sur sa main,
il met quelque chose sur le lobe de l’oreille droite, sur le pouce droit et sur
le gros orteil de son pied droit, sur le sang de l’offrande d’intrusion à celui
qui veut être nettoyé. 29Il enduit l’huile que le prêtre a encore sur la tête de
celui qui veut être purifié. C’est ainsi qu’il lui fait l’expiation pour
Yahvé. 30Then il évoque l’ un des colombes ou des colombes, comme il
l’ a, 31 comme offrande pour le péché, l’autre en holocauste, ainsi
que d’une offre repas. Ainsi le sacrificateur fait l’expiation pour Yahvé à
celui qui veut être purifié. 32 C’est la loi pour ceux qui souffrent de
maladies de la peau et ne peuvent pas payer les frais habituels de
nettoyage. 33Jahweh dit à Moïse et à Aaron :
lévitique 14 36-37
Avant que le prêtre ne vienne enquêter sur le site, il ordonne l’évacuation
de la maison afin que rien dans la maison ne devienne impur. Ce n’est
qu’alors qu’il entre dans la maison pour enquêter. 37Lors de l’examen, il lui
apparaît que les murs sont bien endommagés et qu’il y a des taches
vertes ou rouges dessus, qui sont visiblement plus profondes que le reste
du mur,
lévitique 14: 39-43
Après ces sept jours, il revient. Lorsqu’il apparaît alors que les taches sur
les murs de la maison se sont agrandies, 40 sur son ordre, ils enlèvent les
pierres endommagées et les jettent hors de la ville dans un endroit
impur. 41Il a gratté tous les murs intérieurs de la maison, et le plâtre gratté
à l’extérieur de la ville a été jeté dans un endroit impur. 42Les vieilles
pierres sont ensuite remplacées par de nouvelles et la maison est à
nouveau enduite. Une fois les pierres retirées de la maison, les murs
raclés et enduits à nouveau, les taches ressortent à nouveau
lévitique 14: 45-50
La maison doit être démolie; les pierres, les boiseries et tous les gravats
doivent être transportés hors de la ville dans un endroit impur. 46
Quiconque entre dans une telle maison, pendant que le sacrificateur l’a
fermée, est impur jusqu’au soir. Quiconque y dort ou y mange doit laver
ses vêtements. 48 Quand le prêtre constate, quand la maison est à
nouveau enduite, que les taches ne sont pas devenues plus grandes, il
déclare la maison propre; les taches malades ont guéri. 49 Pour nettoyer
la maison de la tache du péché, il prit deux oiseaux, du bois de cèdre, du
cramoisi et de l’hysope. 50 Il abat un oiseau sur un bol d’eau de source en
terre.
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
89
lévitique 14: 53-54
Il laisse ensuite l’oiseau vivant s’envoler de la ville. De cette manière, il fait
l’expiation pour la maison; il est à nouveau propre. 54 C’est la loi sur toutes
sortes de maladies de la peau, sur la gale,
lévitique 14:57
Cela indique quand quelque chose est impur ou propre. C’est la loi de la
maladie de la peau.
lévitique 15: 1-21
Yahvé dit à Moïse et à Aaron : 2Dis aux enfants d’Israël: Si un homme est
un toxicomane, il est impur à cause du toxicomane. 3Cette impureté
survient à la fois lorsque son dripper coule et à travers le dripper lorsqu’il
est interrompu. 4Le lit sur lequel repose quiconque est drogué est
impur; tout ce sur quoi il s’est assis est également impur. 5Si quelqu’un
touche son lit, il doit laver ses vêtements et prendre un bain; il est impur
jusqu’au soir. 6 Quiconque s’assoit sur un objet sur lequel il s’est assis doit
laver ses vêtements et se baigner; il est impur jusqu’au soir. 7 Quiconque
se touche doit laver ses vêtements et se baigner; il est impur jusqu’au
soir. 8Si l’homme crache sur quelqu’un qui était propre, qu’il lave ses
vêtements et se lave; il est impur jusqu’au soir. 9La selle sur laquelle il
était assis est impure. 10 Quiconque touche à quelque chose sur lequel il
s’assied devient impur; quiconque le soulève doit laver ses vêtements et
prendre un bain; il est impur jusqu’au soir. 11 Quiconque est touché par le
malade sans s’être rincé les mains doit laver ses vêtements et prendre un
bain; il est impur jusqu’au soir. 12La faïence qu’il a touchée doit être brisée
en morceaux; les outils en bois doivent être rincés à l’eau. 13Si le malade
du drogué est guéri, et s’il veut être purifié, il doit attendre sept jours. Il doit
laver ses vêtements et se baigner dans l’eau courante; puis il est à
nouveau propre. 14Le huitième jour, il se présenta devant l’Éternel avec
deux tortues ou colombes à l’entrée de la tente d’assignation, et les livra
au sacrificateur. 15 Celui-ci en offre un pour le sacrifice pour le péché et
un pour l’holocauste. De cette manière, il fait expiation pour Yahvé pour sa
corvée. 16Lorsqu’un homme s’est éjecté, il doit laver tout son corps; il est
impur jusqu’au soir. 17Les vêtements et objets de cuir qui sont entrés en
contact avec la semence doivent être lavés, ils sont impurs jusqu’au
soir. 18L’homme et la femme qui ont eu des relations sexuelles doivent se
baigner; ils sont impurs jusqu’au soir. 19Si une femme a un écoulement et
qu’il saigne de sa menstruation, elle est impure pendant sept
jours. Quiconque la touche est impur jusqu’au soir. 20 Tout ce sur quoi elle
dort pendant son impureté devient impur; tout ce sur quoi elle est assise
aussi. 21 Quiconque touche son lit doit laver ses vêtements et se
baigner; il est impur jusqu’au soir.
lévitique 15: 24-32
Si quelqu’un a des relations sexuelles avec une telle femme, son impureté
tombera également sur lui. Il est impur pendant sept jours; le lit sur lequel il
couche devient aussi impur. 25Si une femme a une période prolongée de
saignement en dehors de la période de ses règles ou si ses règles durent
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
90
plus longtemps que la normale, elle est impure tout ce temps, comme
pendant ses règles. 26Durant un tel saignement, il en va de même pour le
lit que pendant les règles; il en va de même pour tout ce sur quoi elle est
assise: elle est impure, comme elle l’est pendant les règles. 27 Quiconque
touche ces choses devient impur: il doit laver ses vêtements et se
baigner; il est impur jusqu’au soir. 28Si son saignement cesse et qu’elle
veut être nettoyée, elle doit attendre sept jours. 29Le huitième jour, elle
apporta deux colombes ou colombes au prêtre à l’entrée de la tente
d’assignation. 30 Celui-ci offre l’un comme offrande pour le péché et l’autre
comme holocauste. C’est ainsi qu’il lui fait l’expiation pour Yahvé, à cause
de l’impureté de l’hémorragie. 31Avertissez les Israélites des
conséquences de leur impureté. Cela les tuerait s’ils entraient chez moi
avec eux dans cet état. 32 Telle est la loi sur l’homme qui est un ivrogne,
l’homme qui est devenu impur à cause du sperme
lévitique 16: 1-11
Après la mort des deux fils d’ Aaron , qui étaient morts, alors qu’ils
s’approchaient de Jéhovah, Jéhovah parla à Moïse: Dis à Aaron, ton
frère , qu’il ne puisse à aucun moment entrer dans le sanctuaire, derrière
le voile par la plaque de l’Arche; cela signifierait sa mort. Car au-dessus de
la couverture de l’arche, j’apparais dans un nuage. 3 Ce n’est qu’aux
conditions suivantes qu’il peut entrer dans le sanctuaire: il doit y avoir un
taureau pour l’holocauste et un bélier pour l’holocauste. 4Il enfile une
tunique de lin sacrée, enveloppe un pagne de lin, met une ceinture de lin
autour de sa taille et met un turban de lin sur sa tête. ce sont les
vêtements sacrés. Avant de les mettre, il prend un bain. 5De l’assemblée
des Israélites, il prend deux boucs pour le sacrifice d’expiation et un bélier
pour l’holocauste. 6Tout d’abord, Aaron offre pour lui-même le taureau
comme offrande pour le péché, pour faire l’expiation pour lui-même et sa
famille. 7Alors il amène les deux boucs à l’entrée de la tente d’assignation,
8 et lance au sort ces animaux, l’un pour Jéhovah, l’autre
pour Azazel . 9La chèvre sur laquelle tombe le sort «pour Yahvé» présente
Aaron comme un sacrifice pour le péché. 10La chèvre portant le sort “
pour Azazel ’’ est mise vivante devant Yahvé, pour faire d’abord l’expiation,
puis pour l’envoyer dans le désert à Azazel . 11Aaron offre pour lui-même
le taureau comme offrande pour le péché, pour faire l’expiation pour luimême et sa famille.
lévitique 16: 13-20
Pour Yahvé, il met l’encens sur le feu, de sorte que la nuée d’encens
enveloppe la plaque de couverture au-dessus de l’acte d’alliance; sinon il
mourrait. 14De ses doigts, il asperge sept fois le sang du taureau sur la
face de la couverture. 15Et il massacra le bouc en sacrifice d’expiation
pour le peuple, et mit le sang de la bete derriere le voile, et le répandit
devant et sur le couvercle, comme il le faisait avec le sang du
taureau. 16Il fait donc expiation dans le sanctuaire pour l’impureté et les
transgressions des Israélites, quels que soient leurs péchés. Il fera de
même devant la tente d’assignation, qui se tient avec eux, malgré leur
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
91
impureté. 17Dès le moment où Aaron entre dans la tente de l’assemblée
pour faire l’expiation dans le sanctuaire, jusqu’à ce qu’il en ressorte,
personne n’entrera dans la tente. Lorsqu’il a fait l’expiation pour lui-même,
pour sa famille et pour toute la communauté d’Israël, 18 il est ressorti pour
faire l’expiation à l’autel qui se tient devant Yahvé. Il étale le sang du
taureau et de la chèvre sur les quatre cornes de l’autel; 19Ensuite, il
asperge sept fois de sang dessus avec son index. Ainsi, il nettoie l’autel de
l’impureté des Israélites et le sanctifie. 20Quand Aaron a
achevé l’expiation du sanctuaire, de la tente d’ assignation et de l’autel, il
lui apporte le bouc encore vivant.
lévitique 16: 22-35
Ainsi la chèvre emporte tous ses crimes dans un terrain vague. Dans le
désert, la chèvre est relâchée. 23Dan est Aaron, la tente d’ assignation
à l’intérieur, débarrasse les vêtements de lin qu’il a revêtus en entrant dans
le sanctuaire, et les a déposés là. 24Il prit un bain dans un lieu saint, se
vêtit de ses vêtements, et sortit pour offrir l’holocauste pour lui-même et
pour le peuple, et ainsi faire l’expiation pour lui-même et le peuple. 25 Il
brûle la graisse de l’offrande pour le péché sur l’autel.
lévitique 17: 3
Lorsqu’un Israélite abat un bœuf, un mouton ou une chèvre à l’intérieur ou
à l’extérieur du camp
lévitique 17: 5-8
Les Israélites ne sont autorisés à offrir leurs victimes nulle part; ils doivent
apporter les animaux sacrificiels au prêtre, à l’entrée de la tente
d’assignation, pour les y offrir en sacrifice à Yahvé. 6Le sacrificateur
asperge le sang sur l’autel à l’entrée de la tente d’assignation, et le brûle
comme un parfum qui plaît à Yahvé. 7Ils ne sont plus autorisés à offrir des
sacrifices aux satyres, qu’ils suivent avec convoitise. C’est un précepte
constant pour eux tout au long de leurs générations. 8Ensuite, dites-leur:
Quand quelqu’un, Israélite ou étranger vivant avec vous, offre un
holocauste ou un sacrifice,
lévitique 17: 10-16
Si quelqu’un, un Israélite ou un étranger vivant avec vous, consomme du
sang, je viendrai contre lui personnellement et le retirerai de son
peuple. 11Parce que la force vitale des humains et des animaux est dans
le sang. Je vous autorise seulement à l’utiliser sur l’autel pour faire
l’expiation, car par la force vitale le sang fait l’expiation. 12J’ai donc dit aux
Israélites: ’Nul de vous ne peut manger de sang, pas même l’étranger qui
vit avec vous.’ 13Si quelqu’un, Israélite ou étranger vivant avec vous,
attrape du gibier ou de la volaille dans la chasse à manger, laissez couler
le sang et couvrez-le de sable. 14Car la force vitale de l’homme et de la
bête est son sang; c’est pourquoi j’ai dit aux Israélites: Ne prenez jamais le
sang d’un homme ou d’un animal. Parce que la force vitale des humains et
des animaux est dans son sang. Quiconque en consomme est éloigné de
son peuple. 15 Quiconque est né israélite ou étranger qui mange d’un
animal mort ou d’un étranger, qui mange d’un animal mort ou déchiré, doit
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
92
laver ses vêtements et prendre un bain; il est impur jusqu’au soir. Puis il
redevient pur. 16S’il ne lave pas ses vêtements et ne prend pas de bain, il
le paiera.
lévitique 18: 3-4
Ne vivez pas là où vous avez habité les coutumes de l ’Egypte, ni celles
de Cana où je vais passer. Ne dirigez pas votre vie selon leurs habitudes,
4 vous gardez mes lois et dirigez votre vie mes règles. Je suis Yahvé votre
Dieu.
lévitique 18: 6-30
Aucun de vous ne devrait approcher un parent pour exposer sa honte. 7La
nudité de ton père, c’est la nudité de ta mère; ne la découvre pas; parce
qu’elle est ta mère, ne découvre pas sa nudité. 8Tu ne dois pas découvrir
la honte d’une autre femme de ton père; c’est la honte de ton père. 9Ne
découvre pas la nudité de ta sœur, fille de ton père ou de ta mère, née ou
non dans ta famille. 10Tu ne dois pas découvrir la honte d’une fille de ton
fils ou de ta fille; après tout, c’est votre propre honte. 11 Tu ne dois pas
découvrir la honte de la fille d’une autre femme de ton père, née de ton
père; parce qu’elle est votre sœur, vous ne devez pas découvrir sa
honte. 12Tu ne dois pas découvrir la nudité de la sœur de ton père; elle
est le plus proche parent de votre père. 13Vous ne devez pas découvrir la
honte d’une sœur de votre mère; elle est un parent de votre mère. 14Vous
ne devez pas découvrir la nudité d’un frère de votre père, ni vous
approcher de sa femme. c’est ta tante. 15Vous ne devez pas découvrir la
honte de votre belle-fille; parce qu’elle est la femme de votre fils, ne
découvrez pas sa nudité. 16 Vous ne devez pas découvrir la nudité de la
femme de votre frère; c’est la honte de ton frère. 17Ne découvre pas la
honte d’une femme et celle de sa fille; vous ne devez pas épouser la fille
d’un fils ou d’une fille de cette femme. Parce qu’ils sont parents, vous ne
devez pas découvrir sa honte; c’est une honte. 18 Vous ne devez pas
épouser la sœur de votre femme; lorsque vous découvrez la honte de l’un
alors que l’autre est encore en vie, cela crée de la jalousie. 19 Vous ne
devez pas vous approcher d’une femme qui a ses règles et qui est
impure. 20Vous ne devez pas avoir de relations sexuelles avec la femme
de votre prochain; parce qu’alors vous vous souillez. 21Vous ne devez
permettre à aucun de vos descendants d’être sacrifié à Moloch; ne
profanez pas le nom de votre Dieu: je suis Yahvé. 22Vous ne devez pas
vous associer à un homme comme à une femme; c’est une
abomination. 23Vous ne devez avoir de rapports sexuels avec aucun
animal et ainsi vous souiller. Une femme ne peut pas non plus se donner
avec un animal, c’est un acte honteux. 24 Ne vous laissez donc pas
souiller par de telles choses, car les nations que je chasse avant que vous
ne vous soyez souillées par elles. 25Le pays a été rendu impur; je l’ai
affligé à cause de son iniquité, de sorte qu’il a craché ses
habitants. 26Mais tu dois garder mes préceptes et mes lois, et ne faire
aucune de ces abominations, ni l’Israélite natal, ni l’étranger qui vit avec
toi. 27 Pour toutes ces abominations, le peuple qui habitait devant vous
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
93
dans ce pays les a commises, et le pays est devenu impur. 28 Ne souillez
donc plus votre pays; sinon, il vous vomit, comme il vomissait les nations
avant vous. 29Tous ceux qui commettent de telles atrocités doivent être
éloignés de leur peuple. 30 Tenez-vous en à ce que je vous dis et ne vous
mêlez pas de ces horribles coutumes qui étaient en vogue pour vous. Ne
vous polluez pas par ça. Je suis Yahvé votre Dieu.
lévitique 19: 1-35
Yahvé dit à Moïse: Dis à toute l’assemblée des Israélites: Soyez saints,
car moi, Yahvé votre Dieu, je suis saint. Chacun de vous doit respecter sa
mère et son père. Vous devez observer les jours de sabbat que j’ai
prescrits. Je suis Yahvé votre Dieu. Ne vous mêlez pas d’idoles et ne
fabriquez pas de statues métalliques. Je suis Yahvé votre dieu. 5Quand
vous offrez un sacrifice à Yahvé, faites-le pour qu’il prenne plaisir à
vous. 6Le sacrifice doit être mangé le jour ou le lendemain. Tout ce qui
reste le troisième jour doit être brûlé. 7Le troisième jour, il n’est plus
permis de manger; il est contaminé et ne profite pas à l’offrant. 8 Celui qui
en mange le paiera; ce qui est sacré pour Jéhovah, il l’a profané. Il est
éloigné de son peuple. 9Quand vous tirez votre récolte du champ, vous ne
devez pas couper votre champ à ras bord, ni ramasser ce qui reste. 10Tu
ne dois pas glaner dans ta vigne ni ramasser les raisins tombés. Tout cela
est pour les pauvres et les étrangers. Je suis Yahvé votre Dieu. 11 Vous
ne devez ni voler, ni mentir, ni vous tromper les uns les autres. 12 Vous ne
devez pas utiliser mon nom pour parjure, sinon vous profanerez le nom de
votre Dieu. Je suis Yahvé. 13 Ne profite pas de ton prochain et ne le prive
de rien. Ce que gagne un journalier, vous ne devez le garder que le
lendemain matin. 14Ne maudissez pas une personne sourde, et ne mettez
rien sur le chemin d’un aveugle pour trébucher. Vous devez craindre votre
Dieu. Je suis Yahvé. 15Ne soyez pas partial en jugeant: ne favorisez pas
les pauvres, et ne regardez pas les riches avec les yeux. Jugez votre
peuple avec justice. 16 Ne vous calomniez pas les uns les autres et ne
cherchez pas la vie de votre prochain. Je suis Yahvé. 17 N’ayez pas de
ressentiment envers votre frère. Corrigez-vous les uns les autres: alors
vous n’êtes pas coupable du péché d’autrui. 18Ne vous vengez pas et ne
gardez pas rancune contre un concitoyen. Aimez votre prochain comme
vous-même. Je suis Yahvé. 19 Gardez mes lois. Vous ne devez pas
croiser des bêtes de différentes sortes; vous ne devez pas semer deux
cultures dans votre champ; vous ne devez pas porter de vêtements de
matières différentes. 20Si quelqu’un a des relations sexuelles avec une
esclave destinée à un autre homme, mais qu’aucune rançon n’a encore
été payée pour elle, et qu’elle n’a pas encore été libérée, une
compensation doit être payée, mais ils n’ont pas besoin d’être mis à
mort; après tout, elle n’avait pas encore été libérée. 21L’homme amènera
un bélier à l’entrée de la tente d’assignation en offrande d’infraction à
l’Éternel. 22Avec ce bélier, le sacrificateur fera propitiation pour lui devant
l’Éternel à cause du péché qu’il a commis; alors cet acte lui sera
pardonné. 23Lorsque vous entrez dans le pays et que vous plantez toutes
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
94
sortes d’arbres fruitiers, éloignez les arbres fruitiers; ils ne doivent pas être
mangés. 24La quatrième année, tous les fruits sont pour une fête d’action
de grâces en l’honneur de Jéhovah. 25Ce n’est que la cinquième année
que vous pourrez manger le fruit. Ensuite, les arbres produiront de plus en
plus de fruits. Je suis Yahvé votre Dieu. 26Vous ne devez rien manger qui
contient du sang. Vous ne devez pas vous engager dans la divination ou la
nécromancie. 27 Vous ne devez pas couper un bord rond sur vos cheveux
ou couper le bord de votre barbe. 28 Vous ne devez pas sculpter votre
corps pour un mort ou vous faire tatouer . Je suis Yahvé. 29Ne déshonore
pas ta fille en faisant d’elle une femme publique; sinon le pays devient
obscène et grouillant de disgrâce. 30 Vous devez garder mes jours de
sabbat et vénérer mon sanctuaire. Je suis Yahvé. 31 Vous ne devez pas
chercher le contact avec les esprits des morts ou interroger les
oracles. Ce serait vous souiller. Je suis Yahvé votre Dieu. 32 Vous devez
défendre un vieil homme et vénérer un vieil homme. Vous devez craindre
votre Dieu. Je suis Yahvé. 33Lorsque les étrangers vivent dans votre pays,
ne les maltraitez pas. 34 Les étrangers vivant avec vous ont les mêmes
droits qu’un Israélite natal. Vous devez les aimer comme vous-même, car
vous-même étiez des étrangers en Egypte. Je suis Yahvé votre Dieu. 35
Ne soyez pas biaisé dans la jurisprudence et ne soyez pas injuste avec
des mesures de longueur, de poids ou de volume.
lévitique 19:37
Gardez et obéissez à toutes mes lois et règlements. Je suis Yahvé.
lévitique 20: 1
Yahvé dit à Moïse:
lévitique 20: 3-27
Je prends des mesures personnelles contre une telle personne et je
l’éloigne de son peuple. En mettant un de ses enfants à la disposition de
Moloch, il a souillé mon sanctuaire et souillé mon saint nom. 4Si le peuple
du pays ferme les yeux sur le fait que l’homme a mis un de ses enfants à
la disposition de Moloch, et s’il ne le met pas à mort, 5 j’irai
personnellement contre lui et contre ses proches. Je le retirerai de leur
peuple et de tous les autres qui suivent Moloch avec indécence. 6Contre
celui qui cherche le contact avec les esprits, consulte les oracles et les
poursuit de manière obscène, j’agirai personnellement et je l’éliminerai de
son peuple. 7 Rends-toi saint; sois saint, car je suis Jéhovah ton Dieu. 8
Gardez mes lois. Je suis Yahvé, celui qui vous sanctifie. 9 Quiconque
maudit son père et sa mère doit être mis à mort. Il a maudit son père et sa
mère; il a blâmé sa mort sur lui-même. 10 Celui qui commet un adultère
avec la femme d’un autre, la femme de son prochain, doit être mis à mort,
lui-même et la femme avec laquelle il a commis l’adultère. 11Lorsqu’un
homme a des relations sexuelles avec la femme de son père, il découvre
la honte de son père. Les deux doivent être mis à mort; ils se reprochent
leur mort. 12Si un homme a des relations sexuelles avec sa belle-fille, les
deux doivent être mis à mort. Ils ont commis une honte; ils se reprochent
leur mort. 13Si un homme s’associe à un autre homme comme à une
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
95
femme, tous deux commettent un acte horrible. Ils doivent être mis à
mort; ils se reprochent leur mort. 14Si un homme épouse une femme et sa
mère, c’est une honte. L’homme et les deux femmes doivent être
brûlés; quelque chose d’aussi scandaleux ne devrait pas vous
arriver. 15Un homme qui a des relations sexuelles avec un animal doit être
tué; vous devez tuer l’animal. 16Si une femme s’envole avec un animal,
vous devez tuer à la fois la femme et l’animal. Ils doivent être mis à
mort; ils se reprochent leur mort. 17Si un homme épouse sa sœur, la fille
de son père ou la fille de sa mère et qu’ils voient la honte l’un de l’autre,
c’est honteux. Ils doivent être éloignés de la vue de leur peuple. Il a
découvert la honte de sa sœur; il doit payer pour son crime. 18Si un
homme a des relations sexuelles avec une femme pendant la
menstruation et que sa honte, la source de son saignement, découvre et
qu’elle accepte, alors les deux doivent être éloignés de leur peuple. 19Ne
découvre pas la honte d’une sœur de ton père ou de ta mère. Quiconque
fait une telle chose a découvert son propre parent; il doit payer pour son
crime. 20Un homme qui a des relations sexuelles avec sa tante découvre
la honte de son oncle. Ils doivent expier leur péché et mourront sans
enfants. 21Un homme épouse la femme de son frère, c’est honteux. Il a
découvert la honte de son frère; ils resteront sans enfants. 22Tenez et
appliquez toutes mes lois et tous mes règlements; alors la terre où je vous
emmène vivre ne vous crachera pas. 23 Ne vivez pas selon les coutumes
des nations que je chasse loin de vous. Parce qu’ils faisaient de telles
choses, j’étais dégoûté d’eux. 24Je vous ai dit: Tu posséderas leur
pays; Je vous le donne moi-même, une terre de lait et de miel. Je suis
Yahvé votre Dieu. Je vous ai distingué des autres nations. 25Faites donc
la distinction entre les animaux terrestres purs et impurs, entre les oiseaux
purs et impurs. Ne vous contaminez pas avec ces animaux terrestres, ces
oiseaux et ces animaux rampants que j’ai déclarés impurs et désignés
comme tels. 26Soyez saint pour moi, car moi, Yahvé, je suis saint. Je vous
ai distingués des Gentils pour être à moi. 27Les hommes ou les femmes
qui sont dans l’esprit d’un mort ou qui pratiquent la divination doivent être
mis à mort. Ils doivent être lapidés; ils se reprochent leur mort.
lévitique 21: 1-2
Yahvé dit à Moïse: Dis aux prêtres, fils d’ Aaron : Un prêtre ne doit pas se
souiller sur le corps d’un concitoyen, à moins qu’il ne soit un proche
parent, son père, sa mère, un fils, une fille, un frère .
lévitique 21: 4-14
Mais une fois mariée, il ne doit pas se souiller ou se souiller d’elle. 5Ils ne
doivent pas faire de taches chauves sur la tête, se raser le bord de la
barbe ou se couper le corps. 6Ils doivent être saints pour leur Dieu et ne
doivent pas profaner son nom. Ils offrent les sacrifices de Jéhovah, la
nourriture de leur Dieu; c’est pourquoi ils doivent être saints. 7Ils ne
peuvent épouser une femme publique, ou une femme qui a été
déshonorée, ou une femme qui a été rejetée par son mari. Car le prêtre
est saint pour son Dieu. 8 Considérez-le donc comme saint, car il consacre
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
96
la nourriture de votre Dieu. Il doit être saint pour vous, car moi, Yahvé, qui
vous sanctifie, je suis saint. 9La fille du prêtre, qui se déshonore,
déshonore son père; elle doit être brûlée. 10Le chef des prêtres, sur la tête
duquel l’ huile d’onction a été versée, et qui est consacré pour porter les
robes, ne doit pas laisser ses cheveux pendre, ni déchirer ses
vêtements. 11Il ne doit pas venir à un cadavre et se souiller dessus, même
si c’est son père ou sa mère. 12Il ne doit pas se retirer du sanctuaire de
son Dieu ou le profaner, car il est consacré à son Dieu par l’onction
d’huile. Je suis Yahvé. 13La femme qu’il épouse doit être vierge. 14Il ne
doit pas épouser une veuve, ni une femme divorcée, ni une femme
déshonorée, ni une femme publique; il ne peut épouser qu’une vierge de
sa famille.
lévitique 21:16
Yahvé dit à Moïse:
lévitique 21: 18-24
Quelqu’un avec un défaut ne peut pas agir en tant que prêtre: ni un
aveugle, ni un infirme, ni quelqu’un avec un nez cassé ou déformé, ou
quelqu’un qui s’est cassé la jambe ou le bras; Ni une personne bossue, ni
un nain, ni une personne avec une tache sur l’œil, une maladie de la peau
ou une défigurée. 21 Aucun membre de la famille du sacrificateur Aaron ,
qui a un de ces défauts, ne viendra offrir les sacrifices de l’ Éternel . En
raison de son besoin, il n’est pas autorisé à agir pour offrir la nourriture de
son Dieu. 22Il peut manger la nourriture de son Dieu, à la fois sainte et
sainte , 23Mais à cause de sa tache, il ne doit pas s’approcher du voile ni
s’approcher de l’autel. Il ne doit pas profaner mon sanctuaire, car je suis
Yahvé qui les sanctifie. 24Moïse apporta cela à Aaron et à ses fils et à
tous les Israélites.
lévitique 22: 1
Yahvé dit à Moïse:
lévitique 22: 3-17
Dites-leur: Dans toutes vos générations, si l’un des membres de votre
famille est impur et s’approche des dons sacrés que les Israélites
consacrent à Yahvé, cette personne doit être éloignée de moi. Je suis
Yahvé. 4Si quelqu’un de la famille d’ Aaron a une maladie de la peau ou
s’il dégoutte, il ne doit pas manger des dons sacrés jusqu’à ce qu’il soit de
nouveau pur. Cela s’applique également à la personne qui touche quelque
chose qui est devenu impur par contact avec un cadavre, à la personne
qui a une effusion, 5 qui entre en contact avec des choses rampantes qui
rendent impur, ou avec une personne qui rend impur, ou celle qui est
devenu impur d’une autre manière. 6 Il est impur jusqu’au soir, et il ne peut
manger des dons sacrés qu’après avoir pris un bain. 7Après le coucher du
soleil, il sera de nouveau pur. Ensuite, il peut à nouveau manger des dons
sacrés, car il doit en vivre. 8Il ne doit pas manger un animal mort ou
déchiré; sinon il devient impur. Je suis Yahvé. 9Les prêtres doivent faire ce
que je leur commande et ne pas pécher sur ce point, car s’ils profanaient
la chose sainte, ce serait leur mort. Je suis Yahvé qui les sanctifie. 10Une
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
97
personne non autorisée ne peut pas manger des dons sacrés; pas plus
que quiconque vit ou travaille avec un prêtre. 11 Les serviteurs achetés
par un prêtre avec son argent ou nés dans sa maison peuvent en
manger. 12La fille d’un prêtre, mariée à un non-prêtre, ne peut pas manger
des dons sacrés qui sont pris. 13Si elle a été veuve ou rejetée par son
mari, n’a pas d’enfants, et lorsqu’elle est de retour dans la maison
familiale, comme dans sa jeunesse, elle peut manger ce que son père
mange. Une personne non autorisée n’est pas autorisée à le
faire. Quiconque mange par inadvertance les dons sacrés doit en faire une
compensation au prêtre, plus un cinquième. 15Les prêtres ne doivent pas
profaner les dons sacrés que les Israélites font à Jéhovah. 16Ils
inciteraient les Israélites, en mangeant les dons dus à un sacrificateur, à la
culpabilité et à l’expiation. Je suis Yahvé qui les sanctifie. 17 Yahvé dit à
Moïse:
lévitique 22: 19-26
il doit prendre pour cela un mâle sans défaut, un bœuf, un mouton ou une
chèvre. Alors Yahvé prend plaisir à lui. 20Vous ne devez pas présenter
d’animaux défectueux; alors Yahvé ne prend aucun plaisir en vous. 21Et
si, en accomplissement d’un vœu ou en don gratuit, un homme offre un
bœuf ou un troupeau à Yahvé en sacrifice, pour être accepté, il faut que ce
soit un animal sain, sans défaut. 22Si un animal est aveugle, boiteux ou
mutilé, s’il a des ulcères, des éruptions cutanées ou une maladie de la
peau, vous ne devez pas sacrifier à l’Éternel; Vous ne devez pas amener
de tels animaux sur l’autel comme offrandes à Jéhovah. 23Vous pouvez
offrir un bœuf ou un mouton déformé en cadeau, mais il ne sera pas
accepté comme offrande de vœux. 24 Vous ne devez présenter à Jéhovah
aucun animal qui a été meurtri, écrasé, déchiré ou coupé. Un tel animal
n’est pas sacrifié dans votre pays25, vous ne devez pas non plus
l’accepter d’un étranger pour le présenter comme nourriture à votre
Dieu. Ils ont été violés et ont un défaut; ils ne sont pas
acceptés. 26Jahweh dit à Moïse:
lévitique 22: 28-32
Mais vous ne devez pas abattre un bœuf ou un mouton le même jour
qu’un jeune de cet animal. 29Si vous offrez un sacrifice à Yahvé par
gratitude, vous devez le faire de manière à ce qu’il soit accepté: 30Il doit
être mangé le jour même, et vous ne devez rien laisser jusqu’au
lendemain. Je suis Yahvé. 31 Vous devez garder mes commandements
ponctuellement. Je suis Yahvé. 32 Vous ne devez pas profaner mon saint
nom; Je veux voir ma sainteté reconnue par les Israélites. Je suis Yahvé
qui vous sanctifie.
lévitique 23: 1
Yahvé dit à Moïse:
lévitique 23: 4-9
Ce sont les fêtes de Yahvé, les jours saints que vous devez observer au
moment fixé. 5Le quatorzième jour du premier mois, vers le coucher du
soleil, est Pâques en l’honneur de Yahvé. 6 Le quinzième jour de ce mois
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
98
est la fête des pains sans levain en l’honneur de Yahvé; alors vous devez
manger du pain sans levain pendant sept jours. 7Le premier jour est un
jour saint pour vous; vous n’êtes pas autorisé à travailler. 8Sept jours
d’affilée, tu offriras des sacrifices à Jéhovah. Le septième jour est un jour
saint; alors vous ne devez pas travailler. 9Jahvé dit à Moïse:
lévitique 23: 12-23
Le jour où la gerbe est ainsi présentée, offrez un agneau entier de moins
d’un an en holocauste à Yahvé. 13 Cela comprend une offrande
de farine de deux farine de Shisharon , faite avec de l’huile, comme
un parfum qui plaît à Yahvé, et une offrande d’un quatrième hin
de vin. 14Jusqu’au jour où tu offriras cette offrande à ton Dieu, tu ne
mangeras ni pain, ni grains de blé, qu’ils soient sauté ou sauté. C’est une
loi permanente à travers vos générations, où que vous viviez. 15À partir du
jour après le sabbat, où vous avez apporté la gerbe pour le prêtre, vous
devez compter sept sabbats. 16Et le lendemain du septième sabbat, le
cinquantième jour, offrez du blé frais à Jéhovah. 17De l’endroit où vous
habitez, apportez deux pains de pain de deux farine de Shisharon cuits
avec du levain, pour les présenter comme prémices à l’ Éternel . 18Avec
ce pain, tu offriras à Yahvé sept agneaux sans tache âgés de moins d’un
an, un taureau et deux béliers, accompagnés d’offrandes de repas et de
boissons, comme cadeau parfumé agréable à Yahvé. En offrande pour le
péché, vous devez offrir une chèvre et en sacrifice deux agneaux de moins
d’un an. 20Avec le pain du nouveau grain, le sacrificateur met à part les
deux agneaux pour Yahvé; ils sont consacrés à Yahvé et appartiennent au
prêtre. 21Vous devez observer ce même jour comme un jour saint; vous
n’êtes pas autorisé à travailler. 22Lorsque vous tirez votre récolte du
champ, vous ne devez pas couper votre champ à ras bord, et ce qui est
resté, vous ne devez pas le ramasser. Il est destiné aux pauvres et aux
étrangers. Je suis Yahvé votre Dieu. 23Jahweh dit à Moïse:
lévitique 23: 25-26
Alors tu ne dois pas travailler et tu dois offrir un sacrifice à Yahvé. 26Jahvé
dit à Moïse:
lévitique 23: 28-30
Vous n’êtes pas autorisé à travailler ce jour-là; c’est le jour de l’expiation,
quand l’expiation est faite pour vous par Jéhovah votre Dieu. 29 Celui qui
ne se châtie pas est éloigné de son peuple. 30Et quiconque travaille en ce
jour-là, je prendrai de son peuple et je le détruirai.
lévitique 23: 32-33
C’est un grand sabbat pour vous et vous devez vous châtier; du soir du
neuvième jour de ce mois jusqu’au soir suivant, observez le sabbat. 33
Yahvé dit à Moïse:
lévitique 23: 35-44
Le premier jour est un jour saint; vous n’êtes pas autorisé à
travailler. 36Sept jours d’affilée, tu offriras des sacrifices à Yahvé. Le
huitième jour est un jour saint pour vous; même alors, vous devez offrir
des sacrifices à Yahvé. C’est la fête de clôture; vous n’êtes pas autorisé à
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
99
travailler. 37 Ce sont les fêtes en l’honneur de Jéhovah, que vous devez
observer comme des jours saints et au cours desquelles vous lui offrirez
des sacrifices, des holocaustes, des offrandes de repas, des sacrifices et
des offrandes, selon les différents jours. 38 Cela n’inclut pas les jours de
sabbat en l’honneur de Yahvé et les dons que vous lui offrez comme
offrandes de vœux ou comme cadeaux gratuits. 39Le quinzième jour du
septième mois, quand la moisson sera enlevée du pays, célébrez la fête
de Yahvé en sept jours. 40 Le premier jour, cueillez des agrumes, des
feuilles de palmier et des branches de saule, et réjouissez-vous en
Jéhovah votre Dieu pendant sept jours. 41Chaque année, vous célébrerez
une fête en l’honneur de l’Éternel pendant sept jours; c’est une loi
respectueuse de toutes vos générations. Au septième mois, vous devez
célébrer cette fête. 42Sept jours d’affilée, vous devez habiter dans des
cabanes; chaque Israélite né doit vivre dans une cabine. 43Alors les
générations à venir continueront de comprendre que j’ai fait habiter les
Israélites dans des cabanes lorsque je les ai fait sortir d’Égypte. Je suis
Yahvé votre Dieu. 44 Moïse fit connaître aux Israélites les jours de fête de
Jéhovah.
lévitique 24: 1
Yahvé dit à Moïse:
lévitique 24: 3
Aaron le gardera brûlant pour Yahvé dans la tente d’assignation, devant le
voile derrière lequel est l’acte de l’alliance. C’est une loi permanente à
travers vos générations.
lévitique 24: 5
Faites cuire douze pains de farine, chacun de deux Shisharon .
lévitique 24: 9-13
Les pains appartiennent à Aaron et à ses fils; ils doivent les manger dans
un lieu saint, car ils sont très saints . C’est leur part permanente des
offrandes à Yahvé. 10Un certain, le fils d’une mère israélite et d’un père
égyptien, se mêlait autrefois aux Israélites. Dans le camp, il s’est battu
avec un Israélite. 11Lorsque le fils de la femme israélite se mit à maudire
et à mépriser le nom, ils l’amenèrent vers Moïse. Le nom de sa mère
était Shelomit ; elle était la fille de Dibri de la tribu de Dan. 12Il a été
emprisonné dans l’attente de la décision de Yahvé. 13 Et Yahvé dit à
Moïse:
lévitique 24:15
Et dites aux Israélites: Quiconque désire son Dieu l’expiera.
lévitique 24: 17-23
Quiconque tue un homme doit être mis à mort, et quiconque tue un animal
doit faire amende honorable: une vie pour une vie. 19 Quiconque blesse
un concitoyen doit subir lui-même ce qu’il a fait à un autre: 20 une blessure
pour une blessure, un œil pour un œil, une dent pour une dent; la blessure
qu’il a infligée à l’autre, il doit la subir. 21 Celui qui tue un animal doit être
réparé, mais celui qui tue un homme doit être mis à mort. 22La même loi
s’applique à l’étranger et à l’Israélite né. Je suis Yahvé votre Dieu. 23Après
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
100
que Moïse eut dit cela, les enfants d’Israël firent sortir l’homme que
l’Éternel avait méprisé et le lapidèrent. Les Israélites ont fait ce que Yahvé
avait commandé à Moïse.
lévitique 25: 1
Yahvé a parlé à Moïse à Sinah
lévitique 25: 3-6
Six ans pouvez-vous semer vos champs, six ans vous pouvez tailler vos
vignes et récolter la moisson, 4Mais la septième année, ce sera le grand
sabbat pour la terre. Alors vous ne devez pas semer votre champ, ni tailler
votre vignoble, ni récolter la pousse de l’ancienne récolte, ni cueillir les
raisins de votre vignoble non entretenu . Le pays gardera un sabbat
pendant une année entière. 6 Ce que le pays produit de lui-même pendant
le sabbat suffira à nourrir votre serviteur et servante, les mercenaires et les
étrangers qui vivent avec vous.
lévitique 25: 8-14
Après sept années sabbatiques, sept fois sept ans, ensemble quaranteneuf ans9, le jour de l’expiation, le dixième jour du septième mois, sonnez
de la trompette. Dans tout votre pays, vous devez sonner de la
trompette. 10Cette cinquantième année doit être une année sainte pour
vous; alors vous devez proclamer dans le pays que tous les habitants
relâcheront leurs esclaves. Ce doit être une année jobel pour vous; chacun
est restauré dans son ancienne possession et rendu à sa famille. 11La
cinquantième année est une année jobel pour vous; tu ne semeras pas
la repousse, tu ne récolteras pas les raisins de ta vigne déshabillée , tu ne
cueilliras pas, 12veux qu’elle soit jobeljaar ; cela doit être sacré pour
vous. Vous ne pouvez manger que ce que la terre produit d’elle-même. Au
cours de l’ année jobel, tout le monde retrouvera son ancienne
possession. 14Quand vous vendez une parcelle de terrain à un concitoyen
ou que vous lui achetez une terre, ne vous faites pas de mal les uns aux
autres.
lévitique 25:17
Ne faites pas de mal à votre compatriote; vénère ton Dieu. Je suis Yahvé
votre Dieu.
lévitique 25: 19-21
La terre produira des fruits riches, de sorte que vous aurez beaucoup à
manger; vous y vivrez sans être dérangé. 20Et pensez-vous parfois: “
Que mangerons-nous la septième année, si nous ne semons et ne
récoltons pas de moisson? ’’ 21 Alors soyez assuré que la sixième année
je vous bénirai tellement que la moisson sera suffisante pour trois ans.
lévitique 25: 23-55
La vente de terres ne devrait pas empêcher le rachat, car la terre
m’appartient; vous êtes des étrangers et des invités. 24Vous devez
accorder un droit de rachat sur toutes les terres que vous possédez. 25Si
votre frère a des ennuis et qu’il doit vendre une partie de sa terre, son
proche doit racheter la terre que son frère a vendue. 26S’il n’a personne
pour le racheter pour lui, mais qu’il se porte si bien qu’il est lui-même en
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
101
mesure de racheter le terrain, 27 alors il doit déduire le nombre d’années
depuis la vente du prix de vente et rembourser la différence à l’homme à
qui il avait vendu la terre: alors il récupérera sa terre. 28S’il est dans
l’impossibilité de racheter, l’objet vendu reste en la possession de
l’acheteur jusqu’à l’ année jobel . Mais dans l’ année jobel, il est libéré; puis
il est remis en sa possession. 29 Si une personne vend une maison dans
une ville fortifiée, elle ne peut la racheter que la première année après la
vente; ce n’est qu’à ce moment-là qu’il a le droit de racheter. 30Si la
maison de la ville fortifiée n’est pas rachetée au bout d’un an, elle reste à
jamais la propriété de l’acheteur. Le droit de rachat a expiré; il n’est pas
publié non plus dans l’ année jobel . 31Les maisons des villages sans
murs font partie de la terre; le droit de rachat demeure et ils sont
libérés dans l’ année jobel . 32Les Lévites conservent toujours le droit de
racheter les maisons qu’ils possèdent dans les villes lévites. 33Si un Lévite
dans une ville où il a des droits de propriété a vendu une maison et est
incapable de la racheter, cette maison est libérée dans l’ année jobel ; car
dans les villes lévites d’Israël, les maisons appartiennent aux
Lévites. 34Les pâturages autour de ces villes ne peuvent pas non plus être
vendus; c’est leur propriété pour toujours. 35 Si votre frère tombe dans la
pauvreté et ne peut pas subvenir à ses besoins, vous devez l’aider pour
qu’il puisse vivre avec vous, comme un étranger ou un étranger. 36 Par
respect pour votre Dieu, vous ne devez pas demander à votre frère un
intérêt ou un supplément, afin qu’il puisse vivre avec vous. 37Prêtez-lui de
l’argent sans intérêts et nourrissez-le sans surtaxe. 38Je suis Yahvé votre
Dieu; Je vous ai conduit hors d’Egypte à Kana ”n pour être donné et votre
Dieu. 39Valuez votre frère à une si grande pauvreté qu’il vous vendra, ne
le traitez pas comme un esclave. 40beschouw lui comme un journalier ou
un étranger Il doit rester dans son service jusqu’à l’ année du jobel , 41
alors il pourra s’éloigner de vous avec ses enfants: il pourra retourner dans
sa famille et être remis en sa possession.42 Car ce sont mes serviteurs: je
les ai fait sortir d’ Égypte . 43 Par respect pour votre Dieu, vous ne devez
pas le tyranniser.44 Si vous avez besoin d’esclaves ou de servantes,
achetez-les à l’étranger 45 ou achetez des étrangers qui vivent avec vous,
ou des enfants qu’ils ont eu avec vous dans le pays. Vous pouvez les
posséder. comme esclaves, et laisse-les à tes enfants comme héritage, et
garde-les pour toujours comme esclaves. Mais aucun de vous ne peut
tyranniser un frère, un Israélite.47Si un étranger qui vit avec vous devient
riche et que votre frère tombe jusqu’à ce que S’il se vend à lui ou à un
membre de sa famille, il a alors droit au rachat. Un de ses proches doit le
rançonner; 49 son oncle, son fils ou un autre membre de sa famille
immédiate. S’il a de nouveau été médiatisé, il peut s’acheter
gratuitement. 50 Il doit calculer avec l’acheteur le temps entre l’année de la
vente et l’ année jobel et déterminer en conséquence le prix de la
vente. Pendant les années où il a travaillé pour lui, le taux de journalier
s’applique. S’il reste de nombreuses années jusqu’à l’ année de jobel , il
doit payer une partie proportionnelle du prix d’achat à titre de rançon. S’il
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
102
reste quelques années, même dans ce cas, la rançon doit être calculée en
conséquence. 53 Le temps qu’il passe avec lui, il doit être traité comme un
serviteur à gages; il ne doit pas être tyrannisé sous vos yeux. S’il n’est
racheté d’aucune de ces manières, il sera libéré avec ses enfants au cours
de l’ année jobel . 55Car les Israélites sont mes serviteurs; Je les ai fait
sortir d’Egypte. Je suis Yahvé votre Dieu.
lévitique 26: 1-4
Vous ne devez pas créer d’idoles dans votre pays, ni installer des
bâtiments, des images de dieux ou d’extraterrestres, ni poser des pierres
avec des images pour vous prosterner devant eux. Je suis Yahvé votre
Dieu. Gardez mes sabbats et révérez mon sanctuaire. Je suis Yahvé. 3Si
vous dirigez votre vie selon mes lois et que vous gardez scrupuleusement
mes commandements, 4 Je vous donnerai de la pluie au bon moment, afin
que votre terre produise une riche moisson et vos vergers porteront du fruit
en abondance.
lévitique 26: 6-34
Ensuite, j’apporterai la paix à la terre et vous pourrez dormir sans que
personne ne vous surprenne. Je garderai les animaux sauvages hors de
votre pays, et l’épée ne pénétrera pas. 7Tu as mis tes ennemis en fuite; ils
tombent par ton épée. 8Cinq d’entre vous poursuivent cent, cent
poursuivent dix mille; les ennemis tombent par votre épée. 9Je continue de
vous donner mes faveurs; Je vous rend fertile et nombreux. Je resterai
fidèle à mon alliance avec vous. Pendant que vous mangez encore de la
récolte précédente, vous devrez ranger vos provisions pour la nouvelle
récolte. 11 Au milieu de vous, je placerai ma demeure; Je ne me détourne
jamais de toi. 12 J’irai avec vous partout, je serai votre Dieu, et vous mon
peuple. 13Je suis l’Eternel, votre Dieu, qui vous ai fait sortir d’Egypte, afin
que vous n’ayez plus besoin d’être esclaves. J’ai brisé les barreaux de ton
joug et je t’ai redressé. 14Mais si vous ne m’obéissez pas et ne gardez pas
ces commandements, 15h ne tenez pas compte de mes lois et rejetez mes
décisions, si vous ne gardez pas mes commandements et ne devenez pas
infidèles à mon alliance, 16 sachez ce que je vais faire de vous. Je
t’apporte la misère. La fièvre brûlante et la mort privent vos yeux de
lumière et affectent votre vitalité. Si vous semez, ce n’est pour rien; vos
ennemis le mangent. 17Je vais moi-même contre vous, afin que vous
tombiez sous les coups de votre ennemi. Ceux qui vous haïssent vous
dominent. Vous fuyez, même si personne ne vous poursuit. 18Et si,
malgré tout cela, vous ne m’obéissez pas, je vous châtierai sept fois pour
vos péchés. Je briserai votre fierté. Je ferai les cieux au-dessus de vous
comme le fer, la terre au-dessous de vous comme l’airain. 20 Épuisezvous en vain vos forces; votre terre ne rapporte rien, votre verger non
plus. 21Si vous continuez à me résister et que vous refusez de m’obéir, je
vous frapperai de nouveau sept fois pour vos péchés. Je vous enverrai
des bêtes sauvages, et elles vous voleront vos enfants et mettront votre
bétail en pièces. Ils amincissent vos rangs pour que vos voies soient
désertes. 23Et si vous n’êtes pas encore devenu plus sage par tout cela,
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
103
et que vous continuez à vous opposer à moi, alors je serai aussi dur avec
vous. Je vais vous battre sept fois pour vos péchés. 25Je vous appelle
l’épée pour venger la violation de l’alliance. Lorsque vous vous
rassemblerez dans vos villes, je libérerai la peste sur vous, et vous
tomberez entre les mains de vos ennemis. 26Si je n’ai pas de pain sur la
table pour vous, dix femmes feront cuire dans un four et diviseront le pain
en portions. Vous mangerez, mais vous n’en aurez pas assez. 27 Malgré
tout cela, si vous n’obéissez toujours pas, et si vous continuez à vous
opposer à moi, 28 alors je resterai dur contre vous dans ma colère. Je
vous châtie sept fois pour vos péchés. 29 Vous mangerez la chair de vos
fils et de vos filles. J’ai détruit vos hauts lieux, je démolirai vos autels
d’encens, je jetterai vos mémoriaux avec ceux de vos idoles, car je vous
déteste. Je ferai un désert de vos villes et un gaspillage de vos
sanctuaires. Je ne supporte plus le parfum de vos cadeaux. 32Une fois
que je vais détruire le pays, même les ennemis qui y vivent sont
déconcertés. 33 Je vous disperserai parmi les nations et je viendrai après
vous avec l’épée tirée. Votre terre sera désolée, vos villes seront en
ruines. 34 Tant que le pays sera dévasté et que vous habiterez avec vos
ennemis, le pays rattrapera ses années de sabbat; il s’installe et rattrape
ses années de sabbat.
lévitique 26: 36-40
Ceux qui survivront, je frapperai le pays de leurs ennemis avec terreur et
tremblement. Lorsqu’ils entendent un bruissement de feuille dans l’air, ils
sont déjà en fuite comme de l’épée. Ils tombent, même si personne ne les
poursuit. 37Ils trébuchent les uns sur les autres comme s’ils avaient fui
l’épée, bien que personne ne les poursuive. Vous ne pouvez pas résister à
vos ennemis. 38 Vous mourez parmi les nations; le pays de vos ennemis
vous dévore. 39Et ceux qui y survivent languissent au pays de leurs
ennemis à cause de leur culpabilité et de celle de leurs ancêtres. 40Alors
ils confesseront leur culpabilité et celle de leurs ancêtres, comment ils
m’ont été infidèle et comment ils se sont opposés à moi,
lévitique 26: 42-46
alors je me souviendrai de mon alliance avec Jacob, je me souviendrai de
mon alliance avec Isaac et Abraham, et du pays. 43La terre sera désolée
et, tant qu’elle restera en jachère à cause de leur absence, elle
compensera les années du sabbat. En attendant, ils expient leur
culpabilité, parce qu’ils ont méprisé mes déclarations et rejeté mes
lois. 44Mais même quand ils seront au pays de leurs ennemis, je n’irai pas
si loin dans mon mépris et mon dégoût à leur égard pour y mettre fin; alors
je serais infidèle à mon alliance avec eux. Je suis Yahvé votre Dieu. 45 Je
me souviendrai de l’alliance avec leurs ancêtres, que j’ai fait sortir d’Égypte
aux yeux des nations, et je serai leur Dieu. Moi, Yahvé. 46Tels sont les
commandements, les lois et les enseignements par lesquels Yahvé, par
l’intermédiaire de Moïse, a décrit la relation entre lui et les Israélites.
lévitique 27: 1
Yahvé dit à Moïse:
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
104
lévitique 27: 3-11
puis le taux suivant s’applique à la conversion: pour un homme entre vingt
et soixante ans cinquante shekels d’argent, en monnaie sacrée, 4 pour un
homme trente shekels, 5 pour un homme de cinq à vingt ans vingt shekels,
pour un femme du même âge dix shekels, 6 pour un homme entre un mois
et cinq ans cinq shekels d’argent, pour une femme trois shekels d’argent, 7
pour un homme de plus de soixante ans quinze shekels et pour une
femme dix shekels. 8Si un homme est incapable de payer le montant fixé,
il doit être conduit chez le prêtre. Ce dernier détermine un montant que la
personne qui a prononcé le vœu peut payer. 9Si le vœu concerne un
morceau de bétail, qui peut être offert à Jéhovah en cadeau, les animaux
qui lui sont promis deviennent saints. 10 Il ne faut pas remplacer un bon
animal par un mauvais animal ou échanger un mauvais animal contre un
bon. Si l’un remplace un animal par un autre, les deux sont sacrés. 11S’il a
promis un morceau de bétail impur et qui ne peut être présenté à Yahvé
en cadeau, il doit l’apporter au sacrificateur.
lévitique 27: 13-14
Si l’on veut racheter l’animal, on doit payer le montant fixe, plus un
cinquième. 14Quand un homme sanctifie sa maison à Jéhovah , le
sacrificateur déterminera combien elle vaut, beaucoup ou peu; le montant
qu’il fixe est contraignant.
lévitique 27: 16-34
Si quelqu’un veut consacrer une parcelle de terre à Yahvé, sa valeur doit
être mesurée par la quantité de semences nécessaire: cinquante sicles
d’argent pour chaque charge d’ âne . 17 S’il consacre sa terre à
Yahvé l’ année du Jubel , le même montant s’applique. S’il le fait en
dehors de l’ année jobel , le prêtre doit déduire le nombre d’années jusqu’à
l’année jobel suivante du montant fixe. 19 Quiconque veut racheter la
parcelle de terre qu’il a consacrée à Yahvé doit payer le montant fixé plus
un cinquième. alors la terre est à nouveau à lui. 20S’il ne rachète pas le
terrain et qu’il est vendu à quelqu’un d’autre, le droit de rachat devient
caduc. 21Lorsque la parcelle de terre est libérée l’ année Joël , elle devient
une terre sainte, comme une parcelle de terre consacrée à Yahvé par un
vœu d’interdiction: elle devient la propriété du sacrificateur. 22 Toute
personne consacrant à Yahvé un terrain qu’il a acheté et qui n’était donc
pas une propriété familiale, 23Le prêtre doit alors prendre en compte le
nombre d’années jusqu’à l’année jobel suivante pour déterminer le
montant . Le montant fixe doit être payé le jour même . Il est saint et
appartient à Yahvé. 24En l’ année jobel , la terre devient la propriété du
vendeur, à la famille dont la propriété appartenait. 25Toutes les sommes
sont à déterminer selon le sicle du sanctuaire, vingt gérahs le sicle. 26Les
premiers-nés du bétail, qu’ils soient des troupeaux ou des moutons, sont à
Jéhovah; ils ne peuvent donc pas lui être dédiés. Ce bœuf ou cette brebis
lui appartient déjà. 27Si l’animal est un animal impur, il peut être échangé
contre le montant spécifié plus un cinquième. S’il n’est pas remboursé, il
doit être vendu pour le montant fixe. 28 Tout homme consacre ses biens à
mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

{:nl}home{:}{:en}Home{:}{:fr}home{:}


All rights reserved © mijnervaringtussengod.be
105
l’Éternel, homme, bétail ou terre, afin qu’ils ne soient ni vendus ni
rachetés. Tout ce qui est consacré par le sort est très saint et appartient à
Jéhovah. 29Un homme interdit ne peut être racheté; il doit être mis à
mort. 30 Les dîmes de céréales ou d’arbres que produit le pays
appartiennent à Yahvé; ils lui sont consacrés. 31Si une personne veut
racheter une partie de sa dîme, le prix est augmenté d’un cinquième. 32
Chaque dixième animal de boeufs ou de troupeau qui passe sous le bâton
du berger est consacré à Yahvé. Aucune attention n’est accordée à une
qualité meilleure ou moins bonne; Les animaux ne peuvent pas non plus
être échangés. Si cela est fait de toute façon, les deux animaux sont
consacrés; ils ne peuvent pas être rachetés. 34Ce sont les
commandements que Yahvé sur Sina

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.