nl Nederlands
nl Nederlandsen Englishfr Françaisde Deutschit Italianoes Español

cursus 04 financiële boekrol – voor armen

Download

- Stars (0)

77 Downloads

Owner: admin

Version: 1.0

Last Updated: 25-11-2021 8:29

Share
DescriptionPreviewVersions
8.2 eigen cursussen - 04 de financiële boekrol - voor arme.pdf

Les 1 inleiding
gwenovitchj zei: ‘Een man (zoals christus) van voorname afkomst ging op reis naar een ver land om het koningschap in ontvangst te nemen en dan terug te keren. Hij riep tien van zijn dienaren bij zich, gaf elk van hen honderd drachme en zei tegen hen: “Ga daarmee handeldrijven terwijl ik weg ben.” Maar zijn landgenoten haatten hem en stuurden afgevaardigden achter hem aan met de boodschap: “We willen niet dat die man koning over ons wordt!” Bij zijn terugkeer, toen hij het koningschap had ontvangen, liet hij de dienaren aan wie hij het geld had gegeven bij zich roepen om te vernemen wat ze met handeldrijven hadden verdiend. De eerste kwam en zei: “Heer, uw geld heeft het tienvoudige opgeleverd.” Zijn meester zei: “Voortreffelijk, je bent een goede dienaar. Omdat je betrouwbaar bent geweest in iets zeer gerings verleen ik je het bestuur over tien steden.” De tweede kwam zeggen: “Uw geld, heer, heeft het vijfvoudige opgebracht.” Tegen hem zei hij: “Jij krijgt het bestuur over vijf steden.” Toen kwam de derde dienaar, die zei: “Heer, hier is uw geld, ik heb het in een doek voor u bewaard. Ik was bang voor u, omdat u een streng man bent die terugvordert wat hij niet heeft gestort en oogst wat hij niet heeft gezaaid.” Zijn meester zei tegen hem: “Je bent een slechte dienaar, met je eigen woorden zal ik je veroordelen! Je wist dat ik een streng man ben en terugvorder wat ik niet heb gestort en oogst wat ik niet heb gezaaid? Waarom heb je mijn geld dan niet bij de bank in bewaring gegeven? Dan had ik het bij mijn terugkeer met rente kunnen opvorderen.” En tegen degenen die erbij stonden zei hij: “Neem hem de honderd drachme af en geef ze aan de knecht die het tienvoudige verworven heeft.” Ze zeiden tegen hem: “Heer, hij heeft al het tienvoudige!” “Ik zeg jullie: wie heeft zal nog meer krijgen; maar wie niets heeft, hem zal zelfs wat hij heeft worden ontnomen.
Ik ga u 2 mogelijkheden tonen waar u liefdevol in terug vind over de uitleg van hier boven,
waar gwenovitch verteld over de liefde van zijn hart die de schepper hem schenkt als cadeau voor niets overstelpt de heer ons met zijn liefde als we goede vrucht dragen.
Mogelijkheid 1
In communistisch systeem waar woord van God ook bewerkstelligd,
om liefdevol te denken, omdat dat goed is voor de bedrijven,
maar hier op de website zijn we geen bedrijf, doen niet mee aan slaven werk van de rijken op aarde, behandelen de arme niet als dom, de heer ziet ons graag door zijn eenvoud in ons, moest God en de mensen, met de liefde van de heer,
de derde dienaar met lichamelijke barmhartigheid overstelpt worden,
door goede vrucht van ander, met de heer zijn gave van zijn talenten,
in Zijn liefde, en andere gelovigen,
als een gemeenschap elkaar helpt als kinderen van God,
met elk hun spaarrekening 3% giften om niet toe te geven aan duivel communistisch systeem, helpt de mens niet vrij te worden, bewerken slavenarbeid in de mond, omdat bedrijf moet winst maken, daar tegen over houd de heer zich vast aan het goede, omdat hij standvastig is als een rots, geeft hij aan hen die samen als gemeenschap elkaar ondersteunt,
zijn liefde om lichamelijke barmhartigheid uit te dragen als kinderen van God.
Mogelijkheid 2
Jezus spreekt over de gaven, talenten of genaden die we als mensen van God krijgen.
En het is de bedoeling dat we onder de inspiratie van de heilige Geest, God daarmee laten werken in of door ons leven.
En daar beloont Hij ons voor, of juist niet, als we niets met zijn
gaven doen … (klik hier) voor zijn gaven.

Les 2 voor arme volgens de bijbel

Deutenomium 8:18
bedenk dan, dat het Jahwe uw God is, die u kracht schenkt om rijkdom te verwerven, omdat Hij tot vandaag toe het verbond gestand doet, dat Hij met uw vaderen onder ede heeft gesloten.
1 timotheüs 6:17
Vermaan de rijken van deze wereld dringend niet hoogmoedig te zijn en hun hoop niet te stellen op de ongewisse rijkdom, maar op God die ons alles rijkelijk te genieten geeft.
Spreuken 23:4
Maak u niet moe om rijk te worden en houd ermee op, uw verstand daartoe te gebruiken.
Deutenomium 8:17
En mocht bij u de gedachte opkomen: `Met mijn eigen kracht en met mijn sterke hand heb ik deze rijkdom verworven,’
1 timotheüs 6:19
Zo bezorgen zij zich een goede belegging voor de toekomst, om eenmaal het leven te verwerven dat waarlijk leven is.
(de gaven en talenten die we verwerven van “les 1 inleiding”)

Spreuken 3:9
Verheerlijk Jahwe met uw bezit, met de eerstelingen van alles wat bij u binnenkomt.
Spreuken 13:11
Uit niets gewonnen rijkdom slinkt weer weg, maar wie gaandeweg verzamelt wordt rijk.
Spreuken 3:10
Dan zullen uw graanschuren rijk gevuld worden, uw perskuipen overlopen van most.
1 timotheüs 6:18
Zeg hun dat zij wel doen, zich verrijken door goede daden, en vrijgevig zijn en milddadig. (Met spaarekening giften met 3% voor een ander)
19Zo bezorgen zij zich een goede belegging voor de toekomst, om eenmaal het leven te verwerven dat waarlijk leven is.
Spreuken 22:7
De rijke heerst over de arme en wie leent wordt de slaaf van wie uitleent.
(zie les 1 inleiding over recht arme en rijke tot rechtvaardigheid klik hier)
Spreuken 8:18-19
Bij mij zijn rijkdom en roem, duurzaam bezit en gerechtigheid. 19Mijn vrucht is meer waard dan goud, dan zuiver goud, mijn opbrengst meer dan uitgelezen zilver.
Spreuken 6:9
Hoe lang blijft gij nog liggen, luiaard? Wanneer staat gij op uit uw slaap?
Lucas 12:32
Weest niet bevreesd, kleine kudde: het heeft Uw Vader behaagd u het Koninkrijk te schenken.

Lucas 16:10
Wie betrouwbaar is in het kleinste, is ook betrouwbaar in het grote; en wie onrechtvaardig is in het kleinste, is ook onrechtvaardig in het grote.
Marcus 10:27
Jezus keek hen aan en zei: “Dit ligt niet in de macht der mensen, maar wel in die van God: want voor God is alles mogelijk.
Lucas 16:11
Zijt ge dus niet betrouwbaar geweest in de onrechtvaardige mammon, wie zal u dan het waarachtige goed toevertrouwen?
Lucas 12:21
Zo gaat het met iemand die schatten vergaart voor zichzelf, maar niet rijk is bij God.’
Spreuken 6:6
Ga naar de mier, gij luiaard, bekijk haar gedrag en word wijs.
Spreuken 23:5
Gij richt uw ogen op de rijkdom en hij is verdwenen: hij maakt zich vleugels en als een adelaar vliegt hij hemelwaarts.
Jesaja 48:17
Zo spreekt Jahwe, uw Verlosser, de Heilige van Israël: Ik ben Jahwe, uw God. Ik onderricht u om te helpen, en leid u op de wegen die gij gaat.
Spreuken 19:14
Huis en have zijn een erfenis van de vaderen, maar een verstandige vrouw komt van Jahwe.
Spreuken 21:20
De wijze heeft kostbare schatten en olie in huis, maar de dwaas jaagt zijn bezit erdoor.
Spreuken 19:17
Wie zich over een arme ontfermt, leent aan Jahwe: Hij zal hem zijn weldaad vergelden.
Spreuken 24:33
Nog even slapen, nog even rusten, nog even de armen over elkaar en liggen!
Job 34:19
Machthebbers ziet Hij niet naar de ogen, een rijke is niet meer dan een arme, alleen immers zijn het werk van zijn handen.
Job 38:15
Maar de zondaars ontvangen dit licht niet, hun opgeheven arm wordt gebroken.
Psalmen 109:22
ik ben zo ellendig, zo arm, zo diep gewond in mijn hart,
Spreuken 11:29
Wie zijn huis in wanorde brengt zal wind oogsten en de dwaas wordt de slaaf van de wijze.
Spreuken 29:13
De arme en de onderdrukker ontmoeten elkaar: Jahwe geeft aan beiden het licht in hun ogen.
Prediker 5:14
Zoals een mens uit de schoot van zijn moeder gekomen is moet hij terug: even naakt. Van zijn bezittingen kan hij niets meenemen.
Marcus 9:36
Hij nam een kind en zette het in hun midden; Hij omarmde het en sprak tot hen:
Lucas 6:20
Hij sloeg nu zijn ogen op, keek zijn leerlingen aan en sprak: ’Zalig gij die arm zijt, want aan u behoort het Rijk Gods.
2 Korintiërs 6:10
wij treuren, maar zijn altijd blij; wij zijn berooid en maken velen rijk, haveloos en de wereld is van ons.
(hier op de website gaan we voor rechtvaardigheid helpen we elkaar door onze barmachtigheid van de heer te delen met andere)
Jacobus 2:1
Broeders, gij die gelooft in onze Heer Jezus Christus, de Heer der heerlijkheid, verbindt dit geloof toch niet met partijdigheid en vleierij.
Openbaring 3:17
Gij zegt: Ik ben rijk, want ik heb mij verrijkt en heb aan niets gebrek en beseft niet dat gij meer dan allen ellendig zijt en erbarmelijk, een blinde en naakte bedelaar.
Openbaring 13:16
En het maakt dat allen, kleinen en groten, rijken en armen, vrijen en slaven, een merkteken ontvangen op hun rechterhand of op hun voorhoofd;
Genesis 27:11
Maar Jakob zei tot zijn moeder Rebekka: `Dat gaat niet; mijn broer Esau is ruigbehaard en ik helemaal niet.
Exodus 8:5
Mozes antwoordde Farao: `Zegt u het maar; ik ga bidden voor u, uw hovelingen en uw onderdanen: Wanneer moeten de kikkers uit uw omgeving en uit uw huizen verdwijnen zodat er alleen in de Nijl nog overblijven?’
Exodus 14:21
Toen strekte Mozes zijn hand uit over de zee en Jahwe deed die hele nacht door een sterke oostenwind de zee terugwijken. Hij maakte van de zee droog land en de wateren spleten vaneen.
Exodus 14:27
Mozes strekte zijn hand uit over de zee, en toen het licht begon te worden vloeide de zee naar haar gewone plaats terug. Daar de Egyptenaren er tegen in vluchtten, dreef Jahwe hen midden in de zee.
Leviticus 5:7
Kan hij een stuk kleinvee niet betalen, dan kan hij Jahwe ter genoegdoening voor zijn zonde twee tortels of duiven brengen, een als zondeoffer en een als brandoffer.
Leviticus 5:11
Is hij niet in staat twee tortels of twee duiven te betalen, dan moet hij als gave voor hetgeen hij misdaan heeft een tiende efa bloem als zondeoffer brengen, zonder er olie op te doen of er wierook bij te voegen, omdat het een zondeoffer is.
Leviticus 27:8
Is iemand niet in staat het vastgestelde bedrag te betalen, dan moet men hem bij de priester brengen. Deze stelt een bedrag vast, dat degene die de gelofte heeft afgelegd, wel betalen kan.
Numeri 13:20
of de grond vruchtbaar is, of schraal, en of er bomen zijn of niet. Gij moet u moedig gedragen en ook wat vruchten van het land meebrengen.’ Het was juist de tijd van de eerste druiven.
Deuteronomium 33:20
Van Gad zei hij: Gezegend Hij, die ruimte geeft aan Gad: hij ligt neer als een leeuw, met een arm en een schedel als buit.
Ruth 1:21
Rijk ben ik hier weggegaan, met lege handen laat Jahwe mij terugkomen. Waarom mij nog Noomi noemen, nu Jahwe tegen mij heeft getuigd en de Almachtige mij zo slecht heeft behandeld? ’
Ruth 3:10
Hij zei: ` Mijn dochter, wees gezegend door Jahwe! Dit bewijs van trouw is nog mooier dan het vorige; je hebt geen jonge mannen nagelopen, geen arme en geen rijke.
Psalmen 70:6
Ik ben zo ellendig, zo arm – o God, kom spoedig tot mij! Mijn hulp zijt Gij, mijn bevrijder: Heer, laat U niet wachten.
Spreuken 30:9
opdat ik niet verzadigd raak en U ga verloochenen en ga zeggen: `Wie is Jahwe?’ – opdat ik niet arm word en ga stelen en mij aan de naam van mijn God vergrijp.
Jesaja 10:30
Gil het uit, Bat-gallim, luister, Lais, geef antwoord, Anatot!
Jesaja 41:14
HEILSORAKEL
14Wees niet bevreesd, Jakob, gij wormpje, gij wichtje, Israël. Ik sta u bij, luidt de godsspraak van Jahwe, de Heilige van Israël is uw verlosser.
Jesaja 46:6
Zij, die goud uit hun beurzen schudden en zilver in de weegschaal leggen, zij huren een smid, die er een god van maakt, en daarvoor knielen en buigen zij zich neer. (we mogen geen beelden aanbidden)
Ezechiël 30:21
Mensenkind, Ik heb de arm van Farao, de koning van Egypte gebroken; hij wordt niet verzorgd, niet behandeld met geneesmiddelen, noch verbonden; hij krijgt nooit meer de kracht om het zwaard te hanteren.
Ezechiël 38:13
Seba, Dedan, de kooplui van Tarsis en alle handelaars zullen je vragen: ’Kom je om te plunderen? Heb je dat hele leger op de been gebracht om buit te verzamelen, om zilver en goud te roven, om have en goed weg te slepen en een grote slag te slaan?’
Zacharias 11:17
Wee de nietswaardige herder, die de schapen in de steek laat! Het zwaard zal zijn arm treffen en zijn rechteroog: zijn arm zal volkomen verdorren, zijn rechteroog volkomen verduisteren.’
Mattheüs 12:13
Daarop zei Hij tot de man: “Steek uw hand uit.” Hij stak ze uit en ze werd weer even gezond als de andere.
Marcus 2:12
Hij stond op, nam zijn bed en voor aller ogen ging hij onmiddellijk naar buiten. Iedereen stond er versteld van, en ze verheerlijkten God en zeiden: “Zoiets hebben wij nog nooit gezien.”
Lucas 5:25
Onmiddellijk stond hij voor aller ogen op, nam het bed waarop hij gelegen had mee en ging God verheerlijkend naar huis.
Jesaja 51:5
In een oogwenk breng Ik mijn gerechtigheid nabij, mijn heil verschijnt, met machtige arm doe Ik de volken recht wedervaren; de eilanden zien naar Mij uit en mijn arm is hun hoop.

Handelingen 13:17
De God van dit volk Israël heeft onze vaderen uitverkoren en het volk groot gemaakt tijdens het verblijf in Egypte en het met machtige hand daarvan weggevoerd.
Exodus 7:19
Vervolgens sprak Jahwe tot Mozes: `Zeg aan Aäron: Neem uw staf en strek uw hand uit over de wateren van Egypte: over zijn rivieren en stromen, over zijn moerassen en alle waterplassen; alles zal bloed worden. Bloed zal er zijn in heel Egypte, tot in de bomen en de bronnen toe.’
Exodus 7:20
Mozes en Aäron deden wat Jahwe hun bevolen had. Voor de ogen van Farao en al zijn hovelingen hief hij zijn staf op, sloeg op het water van de Nijl en al het water van de Nijl werd als bloed.
Exodus 23:2
Al zijn degenen die kwaad willen talrijk, gij zult u niet bij hen aansluiten. Bij een rechtsgeding moogt ge uw verklaring niet laten beïnvloeden door de meerderheid en zo het recht verkrachten.
Leviticus 12:8
Kan zij geen schaap betalen, dan mag zij ook twee tortels of duiven meebrengen, een voor het brandoffer en een voor het zondeoffer. Daarmee voltrekt de priester voor haar de verzoening, zodat zij weer rein wordt.
Leviticus 14:21
Is de man zo arm, dat hij dit alles niet kan betalen, dan kan hij volstaan met een schaap voor een schuldoffer dat als gewijd deel wordt afgezonderd om de verzoening voor hem te voltrekken, een issaron bloem met olie aangemaakt voor een meeloffer, een log olie

Deuteronomium 15:4
Er zullen bij u trouwens geen armen zijn, want Jahwe uw God zal u overvloedig zegenen in het land dat Hij u in eigendom geeft,
Deuteronomium 24:14
Een arme en behoeftige dagloner, een volksgenoot of een vreemdeling die in uw stad of in uw land woont, moogt ge niet hard behandelen.
Rechters 14:15
De zevende dag zeiden ze tot de vrouw van Simson: `Jij moet je man zo ver brengen dat hij ons de oplossing van het raadsel vertelt’ anders verbranden wij jou en je hele familie. Of heb je ons soms uitgenodigd om ons arm te maken?’
2 Samuel 12:3
de arme maar een enkel lammetje, dat hij gekocht had. Hij had het in leven kunnen houden en het was bij hem opgegroeid, tussen zijn kinderen; het dier at van zijn bord, het dronk uit zijn beker en het sliep op zijn schoot; het was net zijn dochter.
1 koningen 13:4
Toen de koning hoorde wat de man Gods tegen het altaar van Betel riep, stak hij, staande op het altaar, zijn hand uit en beval: Grijpt die man!’ Maar de hand die hij tegen de man Gods had uitgestoken verstijfde en hij kon haar niet meer terugtrekken.
Prediker 9:11
Nog iets anders zag ik onder de zon: niet altijd winnen de snelsten de wedloop of de dappersten de oorlog. Het zijn niet altijd de wijzen die te eten hebben, de verstandigen die rijk worden of de deskundigen die bijval krijgen. Alles hangt af van tijd en toeval.

Jesaja 40:20
Wie een votiefbeeld wil maken, kiest een stuk hout zonder molm, zoekt een vakman met ervaring die het beeld vast kan zetten, zodat het niet wankelt.
Ezechiël 4:7
Ontbloot uw arm, richt uw blik op Jeruzalem en profeteer tegen de belegerde stad.
Job 40:9
Heb jij een arm zo sterk als die van God? Heb jij een donderstem zo luid als die van God?
Psalm 89:13
Het noorden, het zuiden – Gij schiep ze: uw naam ruisen de Tabor, de Hermon.
Psalm 98:1
Een psalm. Zingt voor de Heer een nieuw lied, want wonderen heeft Hij gedaan; triomf heeft zijn hand Hem gebracht, overwinning zijn heilige arm.
Jesaja 62:8
Bij zijn rechterhand heeft Jahwe gezworen en bij zijn machtige arm: nooit meer geef Ik uw koren aan uw vijanden te eten; nooit drinken nog vreemden de wijn, waarvoor gij u hebt moe gemaakt.
Exodus 6:6
Zeg daarom tot de Israëlieten: Ik ben Jahwe; Ik zal u wegvoeren uit de dwangarbeid van Egypte; Ik zal u bevrijden van hun overheersing; met uitgestrekte arm en onder toediening van zware straffen zal Ik u verlossen.
(waar de heer gwenovitch voor geroepen heeft in alle eenvoud)
Jesaja 63:12
Die zijn luisterrijke arm naast Mozes liet voortgaan; die voor hen uit het water liet splijten om zich een eeuwige naam te verwerven?

Jesaja 53:1
`Wie heeft er geloofd in wat wij hebben gehoord, en aan wie is Jahwe’s arm getoond?’
Deuteronomium 33:27
De God van oudsher is uw toevlucht, wijd open zijn de armen van de Eeuwige. De vijand drijft Hij voor u uit, Hij beveelt u: sla hem ter neer.
Exodus 25:34
In de luchter zelf moeten vier amandelbloemen met knoppen en bladen gedreven worden:
Job 29:16
een vader was ik voor behoeftigen, en ik zette mij in voor het recht van vreemden. (daarom heeft de heer mij geroepen om als vader hier te spreken voor de messias zijn naam)
Psalm 102:18
tot de beden der armsten zich neigde, hun smeekgebed niet heeft versmaad.
Jesaja 26:6
De voeten der armen, de stappen der geringen lopen er overheen.’
Exodus 37:18
Zes armen gingen van opzij uit de schacht omhoog, drie aan elke kant.
Exodus 37:22
De knoppen en armen vormden één geheel met de luchter: één stuk drijfwerk van zuiver goud.
Job 5:15-16
Maar de behoeftigen redt Hij uit hun muil,
de misdeelden uit de klauwen van de machtige.
16De arme kan dus hoop hebben
en de onrechtvaardige wordt de mond gesnoerd.
Job 20:10
Zijn kinderen raken al zijn rijkdom kwijt, vragen zelfs bedelaars om een aalmoes.
Job 20:19
Omdat hij de armen eerder slaat dan steunt, hun huizen eerder rooft dan beschermt;
Job 31:16
Nooit heb ik armen geweigerd waarom zij vroegen, nooit weduwen overgelaten aan hun lot,
Psalm 9:19
niet voorgoed blijft de arme vergeten,
wat de nederigen hebben gehoopt is niet voor altijd verloren.
Psalm 72:2
dat uw volk rechtvaardig hij richte, uw verdrukten voorsta naar recht;
Psalm 109:31
want nevens de arme staat Hij, om hem te verlossen uit de greep van wie vonnis hadden gewezen.
Psalm 140:13
Ik weet: de Heer voert het geding van de arme, het pleit van de schamele. 14Zo looft de rechtvaardige uw naam, in uw glans verwijlt wie oprecht is.
Jesaja 1:17
Leert liever het goede te doen, betracht de rechtvaardigheid, helpt de verdrukten, verschaft recht aan de wezen, verdedigt de weduwen.
(gwenovitch zet zich ook in tot rechtvaardigheid hier op de site)
Jesaja 10:2
en zo de armen uit hun rechten ontzetten, en geringen van mijn volk onthouden wat hun toekomt, de weduwen plunderen en de wezen uitbuiten. (Zoals de rijken de arme behandelen omdat ze de goede gaven niet bezitten en plunderen van de arme
zie gaven en talenten “les 1 inleiding”)
Jesaja 13:7
Daarom laat ieder zijn handen slap hangen, ontzinkt de mensen alle moed.
Hosea 11:3
en dat terwijl Ik toch degene ben die Efraim heeft leren lopen, die hem bij zijn armen heeft gevat. Zij echter wilden maar niet weten dat Ik het was die hen behoedde.
Amos 8:4
Hoort dit, gij die strikken spant voor de armen om de misdeelden in het land te verdelgen,
Zefanja 3:12
Dan laat Ik binnen uw muren alleen nog over een ootmoedig, bescheiden volk, dat zijn toevlucht vindt bij de naam van Jahwe,
Mattheüs 18:5
En wie in mijn Naam zulk een kind (als gwenovitch in deze gemeenschap) opneemt, neemt Mij op.
Mattheüs 26:9
Het had immers duur verkocht kunnen worden ten bate van de armen.”
Lucas 2:28
nam ook hij het kind in zijn armen en verkondigde Gods lof met de woorden:
Lucas 8:40
Toen Jezus bij zijn terugkeer door het volk werd ontvangen, omdat iedereen Hem verwachtte,
Lucas 14:13
Maar als ge een gastmaal geeft, nodig armen, gebrekkigen, kreupelen en blinden uit.
Ezéchiel 30:24
De arm van de koning van Babel zal Ik sterk maken en hem mijn zwaard in de hand geven, maar de armen van Farao zal Ik breken; en kermend als een dodelijk gewonde zal hij voor de koning van Babel bezwijken.
Genesis 45:15
Hij kuste zijn andere broers en schreide toen hij ze omhelsde. Toen pas durfden zijn broers met hem spreken.
Exodus 25:32
Zes armen moeten van opzij uit de schacht omhoog gaan, drie aan elke kant.
Exodus 25:36
De knoppen en armen vormen een geheel met de luchter: één stuk drijfwerk van zuiver goud.
Deuternomium 15:7
Is in een of andere stad van het land, dat Jahwe uw God u schenkt, een van uw broeders tot armoede vervallen, dan moet ge niet hard zijn voor uw arme broeder en uw beurs niet voor hem dichthouden.
Job 30:25
Ben ik soms niet droef geweest met de bedroefden, arm met de armen?
Job 31:32
Geen vreemdeling hoefde buiten te slapen, voor reizigers stond mijn deur altijd open.
Job 34:28
Zij doen de arme het uitschreeuwen en God hoort het, want de klacht van de arme laat Hem niet onverschillig.
Psalm 10:12
Verhef U, Heer! Grijp in met machtige hand, o God!
vergeet Gij dezen niet die neergebogen zijn:
Psalm 69:34
de Heer zal de misdeelden verhoren, Hij veracht niet de zijnen in kluisters.
Psalm 82:3
Geef de schamele recht en de wees, bescherm wie gering en berooid is,
Psalm 107:41
doch de arme ontrukt Hij aan onheil, maakte talrijk als schapen de stammen.
Psalm 112:9
Waar nood is geeft hij overvloedig: zijn gerechtigheid trotseert de tijden. En machtig verheft zich zijn hoorn. (de arme heeft evenveel recht als de rijke, maar de rijke misbruikt zijn macht naar de arme das niet goed)
Psalm 113:7
die de arme opricht uit het stof, uit het slijk wil heffen de schamele,
Psalm 132:15
Mild zal Ik met voedsel het zegenen, Ik verzadig zijn schamelen met brood;
Spreuken 13:7
Sommigen doen zich rijk voor en bezitten helemaal niets, anderen houden zich arm en zijn schatrijk.
Spreuken 13:23
De pas ontgonnen grond van de armen geeft rijkelijk voedsel, maar het bezit wordt geroofd als er geen recht is.
Spreuken 21:13
Wie zijn oor gesloten houdt voor de kreet van de arme, hij zal ook zelf eens roepen en geen antwoord krijgen.
Spreuken 21:28
Een leugenachtige getuige komt ten val, maar de man die weet te luisteren zal altijd kunnen spreken.
Spreuken 28:27
Hij die aan de arme geeft, lijdt geen gebrek, maar wie zijn ogen voor hem sluit, wordt zwaar vervloekt.
Spreuken 29:7
De rechtvaardige erkent het recht van de armen, de zondaar heeft er geen begrip voor.
Spreuken 30:14
er is een geslacht, dat tanden heeft als zwaarden en een gebit als messen, om uit het land de armen weg te eten, uit het mensenvolk de behoeftigen.
Jesaja 3:14
Jahwe spant een proces aan tegen de oudsten en de leiders van zijn volk: `Gij hebt de wijngaarden leeggeplunderd, met het geroofde goed van de armen uw huizen gevuld. ( hoe de rijken handelen geen rekening of behoefte geven tot onderrichting vertrappelen ze de arme omdat ze niet zoon goede gaven als Jahwe hebben)
Jesaja 11:4
hij geeft de geringen hun recht en de armen in het land krijgen een eerlijk vonnis. Hij kastijdt de verdrukkers met de roede van zijn mond en de bozen doodt hij met de adem van zijn lippen.
Jesaja 29:19
De armen vinden hun vreugde weer in Jahwe, de misdeelden in het land juichen om de Heilige van Israël.
Jesaja 40:11
Als een herder zal Hij zijn kudde weiden; in zijn arm brengt Hij de lammeren samen en draagt ze aan zijn borst terwijl Hij de ooien voortleidt.
Jeremia 5:4
Ik dacht eerst: `Dat zijn de armen. Die weten niet beter, die kennen de wil van Jahwe niet; ze weten niet wat God van hen vraagt.
Jeremia 48:25
`De hoorn van Moab is afgehouwen zijn kracht is gebroken’ – godsspraak van Jahwe -.
Ezechiel 22:29
Het volk van het land maakt zich schuldig aan afpersing en eigent zich andermans goed toe; het verdrukt misdeelden en behoeftigen en doet de vreemdelingen geweld aan, tegen alle recht in.
Zacharia 7:10
verdrukt niet de weduwe en de wees, de vreemdeling en de arme, en beraamt tegen elkaar geen kwaad.’
Zacharia 13:6
En wanneer iemand hem vraagt: ’Waar komen dan de wonden in uw borst vandaan?’ zal hij antwoorden: ’Die zijn mij toegebracht in het huis van mijn minnaars.’
Marcus 10:16
Daarop omarmde Hij ze en zegende hen, terwijl Hij hun de handen oplegde.
Marcus 14:5
De balsem had voor meer dan driehonderd denaries verkocht kunnen worden ten bate van de armen.” Toen zij tegen haar uitvoeren,
Johannes 12:5
“Waarom is die balsem niet voor driehonderd denaries verkocht en het geld aan de armen gegeven?”
Handelingen 24:17
Zo ben ik na vele jaren teruggekomen om aalmoezen voor mijn volk te brengen of offers op te dragen.
2 Korintiërs 9:9
Zo staat er ook geschreven: Hij heeft overvloedig gegeven aan de armen, zijn milddadigheid zal immer blijven.
Exodus 17:12
Tenslotte werden Mozes’ armen moe. Toen haalden ze een steen voor hem waar hij op ging zitten. Aäron en Chur ondersteunden zijn armen, elk aan een kant. Zo bleven zijn armen omhooggeheven, tot zonsondergang toe.
Exodus 34:29
Toen Mozes de berg Sinaï afdaalde met de twee stenen platen, de tekst van het verbond, was hij zich er niet van bewust dat zijn gezicht glansde omdat hij met Hem gesproken had.
Leviticus 23:22
Wanneer ge uw oogst van het land haalt, moogt ge uw akker niet tot de rand afmaaien en wat is blijven liggen moogt ge niet bijeenrapen. Dat is bestemd voor de armen en de vreemdelingen. Ik ben Jahwe uw God.
Numeri 8:4
Verder blijven de heilige gaven eigendom van de persoon die ze aanbiedt, en krijgt de priester nog wat men hem wil geven.
Rechters 5:10
Gij berijders van witte ezelinnen, op rijke sjabrakken gezeten, gij die over de wegen gaat, blijft er van spreken,
1 koningen 1:2
Daarom zeiden zijn hovelingen tot hem: `Er moest voor onze heer de koning maar een jonge maagd gezocht worden; zij zou de koning ten dienste kunnen staan en hem verzorgen; zij zou in uw schoot kunnen slapen, en dan zal onze heer de koning het toch wel warm krijgen.’
1 koningen 3:20
Maar midden in de nacht, terwijl uw dienares sliep, stond zij op, haalde mijn kind bij mij weg en legde het in haar eigen schoot en haar dode kind legde zij mij in de schoot.
1 koningen 7:49
de luchters van zuiver goud, vijf rechts en vijf links voor de achterzaal, de gouden bloemen, lampen en snuiters,
Job 24:4-5
verkrachten het recht van de armen: onderduiken is hun enige kans. 5En dan gaan deze tobbers op pad, al vroeg door de steppe, als wilde ezels op zoek naar voedsel; en ’s avonds laat hebben hun kinderen nog niets te eten.
Job 29:12
want redder was ik van reddeloze armen, helper van hulpeloze wezen.
Psalm 12:6
’Om geweld aan de nederigen is het,
het is om het klagen der armen
dat Ik thans Mij verhef spreekt de Heer,
’wie bedreigd wordt stel Ik in het heil.’
Psalm 22:27
Eenmaal stillen de armen hun honger;
loven mogen de Heer die Hem zoeken;
hun hart vin de leven voor immer.
Psalm 74:21
Niet steeds sta de weerloze vernederd: uw naam love wie arm en ontrecht was.
Psalm 109:16
’Daar hem elke barmhartigheid ver was, daar hij veeleer de weerloze arme, de wanhopige, joeg in de dood,
Spreuken 28:3
Een heerser die de armen verdrukt is als een regen die wegspoelt en geen brood brengt.
Spreuken 28:8
Wie zijn bezit door rente en woeker vermeerdert, verzamelt het voor degene die medelijden heeft met de arme.
Hooglied 5:14
Zijn armen zijn staven van goud, met chrysoliet bezet; zijn lijf is van gepolijst ivoor, afgezet met saffieren.
Jesaja 14:30
De armen van mijn volk zullen weiden in mijn beemden, de geringen zullen zich ongestoord neervlijen; maar uw wortel doe Ik sterven van de honger, en wat er van u rest, dat roei Ik uit!
Jesaja 49:22
Zo spreekt de Heer, Jahwe: Zie, Ik hef mijn hand op naar de volkeren, en steek voor de naties mijn banier omhoog; zij zullen uw zonen op hun armen naar u brengen, en uw dochters worden op hun schouders aangedragen.
Jesaja 58:7
Is vasten niet dit: uw brood delen met wie honger heeft; arme zwervers opnemen in uw huis; een naakte kleden die gij ziet en u niet onttrekken aan de zorg voor uw broeder?
Jeremia 2:34
Zelfs aan de zoom van uw kleed kleeft bloed van onschuldigen, van mensen, die niet op inbraak zijn betrapt.
Jeremia 5:28
Ze glimmen van het vet; zij zijn door en door verdorven. Ze verkrachten het recht; ze komen niet op voor de wezen; de zaak van de armen behartigen zij niet.
Jeremia 22:16-17
Hij kwam op voor armen en behoeftigen. Dat noem Ik: Mij kennen – godsspraak van Jahwe -. 17Maar gij zijt alleen uit op eigen gewin, op onschuldig bloed vergieten, op verdrukking en afpersing.
Jeremia 40:7
De officieren en manschappen die nog te velde waren, vernamen dat Gedalja, zoon van Achikam, door de koning van Babel als gouverneur was aangesteld en dat hij belast was met de zorg voor de armsten van het land, mannen, vrouwen en kinderen die niet in ballingschap naar Babel waren weggevoerd.
Klaagliederen 2:12
Zij vroegen hun moeder nog: `Waar is het brood en de wijn?’ maar streden gewond met de dood in de straten der stad en gaven de geest op de schoot van hun moeder.
Ezechiel 16:49
De ongerechtigheid van je zuster Sodom en haar dochters bestond hierin dat ze leefden in een overdaad waar ze prat op gingen en in zorgeloze rust, en zich om de misdeelde en de behoefte niet bekommerden.
Ezechiel 18:12
de misdeelde en de behoeftige verdrukt, zich andermans goed toeëigent, een onderpand niet teruggeeft, zijn ogen opslaat naar de afgoden en gruweldaden bedrijft,
Ezechiel 18:17
zich van onrecht onthoudt, mijn geboden naleeft en mijn voorschriften opvolgt: dan zal die zoon niet sterven vanwege de ongerechtigheid van zijn vader; hij zal zeker in leven blijven.
Ezechiel 21:26
Want de koning van Babel staat aan de tweesprong, waar de twee wegen beginnen, en vraagt een orakel. Hij schudt de pijlen, raadpleegt de huisgoden en bekijkt de lever.
Daniël 2:32
Het hoofd van dat beeld was van zuiver goud, zijn borst en armen van zilver, zijn buik en lenden van brons,
Amos 2:7
omdat zij de geringen als het stof van de aarde vertrappen en het recht van de armen verkrachten, Vader en zoon gaan naar dezelfde meid en ontwijden zo mijn heilige naam.
Amos 5:7
Men verandert het recht in alsem en slaat de gerechtigheid tegen de grond.
Amos 5:12
Ik weet immers, hoe talrijk uw misdaden zijn, hoe menigvuldig uw zonden; gij kwelt de rechtschapenen, gij neemt steekpenningen aan en verdrukt in de poort de armen.
Amos 8:6
Dan kopen wij de kleine man voor geld, de arme voor een paar schoenen, en verhandelen wij zelfs het uitschot van ons koren.’
Mattheüs 19:21
Jezus sprak tot hem: “Wilt ge volmaakt zijn, ga dan naar huis, verkoop wat ge bezit en geef het aan de armen; daarmee zult ge een schat in de hemel bezitten. En kom dan terug om Mij te volgen.”
Johannes 12:6
Hij zei dat, niet omdat hij bezorgd was voor de armen, maar omdat hij een dief was en uit de beurs die hij bewaarde, wegnam wat erin kwam.
Johannes 13:29
Omdat Judas de beurs hield, meenden sommigen dat Jezus hem opdroeg: “Koop wat wij voor het feest nodig hebben”, of dat hij iets aan de armen moest geven.
Handelingen 10:2
Hij en al zijn huisgenoten waren vroom en godvrezend. Hij gaf veel aalmoezen aan het volk en bad voortdurend tot God.
(onze thuis die we willen oprichten waar we over dromen die we krijgen zal van de heer zijn voorzienigheid op zijne tijd klik hier)
Handelingen 10:31
en zei: Cornelius, uw gebed is verhoord en uw aalmoezen zijn voortdurend in Gods gedachte.
Handelingen 15:4
Bij hun aankomst te Jeruzalem werden zij ontvangen door de gemeente, de apostelen en de oudsten en zij verhaalden alles wat God met hun medewerking tot stand had gebracht.
Handelingen 20:10
Maar Paulus kwam naar beneden, strekte zich over hem uit, sloeg zijn armen om hem heen en zei: “Weest niet ongerust, want er is leven in hem.”
Kolossenzen 4:10
De groeten van Aristarchus, mijn medegevangene, en Marcus, de neef van Barnabas, over wie gij reeds aanwijzingen hebt gekregen; ontvangt hem goed, als hij bij u komt.
Jacobus 2:5
Luistert, lieve broeders: God heeft de armen naar de wereld uitverkoren om rijk te zijn in het geloof en erfgenamen van het koninkrijk dat Hij beloofd heeft aan wie Hem liefhebben.
Exodus 2:9
De dochter van Farao beval haar: `Neem dit kind mee en voed het voor mij; ik zal u er persoonlijk voor belonen.’ Toen nam de vrouw het kind mee en voedde het.
Exodus 9:29
En Mozes gaf hem ten antwoord: `Zodra ik buiten de stad ben hef ik mijn handen op naar Jahwe; dan zal de donder zwijgen en de hagel ophouden; dan weet u dat heel de aarde Jahwe toebehoort.
Exodus 23:11
Maar tijdens het zevende jaar moet gij het niet bewerken en het braak laten liggen. Dan kunnen de behoeftigen van uw volk er van eten. Wat zij overlaten is voor de dieren die in het wild leven. Hetzelfde geldt ook voor uw wijngaard en uw olijftuin.
Exodus 37:23
Voor de luchter werden zeven lampen met snuiters en bakjes vervaardigd, alles van zuiver goud.
Leviticus 19:10
Gij moogt in uw wijngaard geen nalezing houden en de afgevallen druiven niet bijeenrapen. Dat alles is bestemd voor de arme en de vreemdeling. Ik ben Jahwe uw God.
Numeri 32:6
Maar Mozes zei tot de Gadieten en Rubenieten: `Wat! Uw broeders ten strijde trekken en u hier blijven!
Psalm 62:10
Een mens – niets dan een ademtocht, vervluchtigend zelfs de grootsten; zij gaan omhoog op de balans, nauwelijks een zucht tesamen!
Jesaja 14:32
Wat antwoorden wij de gezangen van dat volk? Dat Jahwe de grondvesten van Sion heeft gelegd, en dat de armen van zijn volk daar geborgen zijn.
Jesaja 25:4
Want Gij zijt een toevlucht geweest voor de regeringen, een houvast voor de armen in nood, een beschutting tegen de regen, schaduw tegen de hitte. Het razen van tirannen is als regen in de winter,
Jesaja 41:17
Armen en misdeelden zoeken water en het is er niet, hun tong is van de dorst verdroogd. Ik, Jahwe, zal hen verhoren; Ik, de God van Israël, verlaat hen niet.
Ezechiel 13:20
Zo spreekt Jahwe de Heer: De strikken waarmee gij de levens als vogels vangt, zal Ik afrukken van de armen van uw slachtoffers, en de levens die gij als vogels gevangen hebt vrijlaten.
Daniel 4:27
en riep toen uit: ’Is dit niet het grootse Babel dat ik door macht van mijn rijkdom en tot glorie van mijn majesteit gebouwd heb als mijn koninklijk verblijf!’
Daniel 10:6
Zijn lichaam leek op topaas en zijn gelaat lichtte als de bliksem; zijn ogen waren vurige fakkels, zijn armen en benen glansden als gepolijst brons en zijn stem was zo luid als het geschreeuw van een menigte.
Amos 4:1
Hoort dit woord, gij koeien van Basan daar op Samaria’s berg, gij die de geringen verdrukt, die de armen vertrapt en tot uw mannen zegt: ’Breng ons te drinken!’
Lucas 9:48
en sprak tot hen: ’Wie dit kind (gwenovitch) opneemt in mijn Naam, neemt Mij op, en wie Mij opneemt, neemt Hem op die Mij gezonden heeft. Wie dus de kleinste is onder u allen, die is de grootste.’
Lucas 14:21
Bij zijn thuiskomst bracht die dienaar dat alles aan zijn meester over. Nu ontstak de heer des huizes in toorn en beval aan zijn dienaar: Haast je naar de straten en stegen van de stad en breng de armen, gebrekkigen, blinden en kreupelen hierbinnen.
Lucas 18:22
Toen Jezus dit hoorde, zei Hij tot hem: ’Toch ontbreekt u één ding: verkoop alles wat ge bezit en deel het uit aan de armen; daarna zult ge een schat bezitten in de hemel. En kom dan terug om Mij te volgen.’
Lucas 19:8
Maar Zacheüs trad op de Heer toe en sprak: ’Heer, bij deze schenk ik de helft van mijn bezit aan de armen; en als ik iemand iets afgeperst heb, geef ik het hem vierdubbel terug.’
Handelingen 9:36
Er leefde destijds in Joppe een leerlinge met name Tabita, wat in vertaling Dorkas, Gazelle, betekent. Zij was onuitputtelijk in het doen van goede werken en het geven van aalmoezen.
Handelingen 10:4
Deze staarde hem aan en zei door vrees bevangen: “Wat is er, heer?” Hij antwoordde: “Uw gebeden en aalmoezen zijn omhoog gestegen en zijn voortdurend in Gods gedachte.
Handelingen 20:35
In alles heb ik u getoond, dat men door zo te arbeiden de zwakken te hulp moet komen en dat gij de woorden van de Heer Jezus indachtig moet zijn. Hij heeft immers gezegd: Het is zaliger te geven dan te ontvangen.”
1 Korintiërs 4:9
Want ons, apostelen, heeft God, dunkt mij, de minste plaats aangewezen, die van ter dood veroordeelden. Wij zijn een schouwspel geworden voor heel de wereld, voor engelen en voor mensen:
1 Thessalonicenzen 1:9
Zij vertellen zelf hoe wij bij u zijn gekomen en hoe wij door u zijn ontvangen: hoe gij u van de afgoden tot God hebt bekeerd, om de levende en waarachtige God te dienen,
Genesis 48:14
Toen strekte Israël de rechterhand uit en legde die op het hoofd van Efraim, ofschoon hij de jongste was; en zijn linkerhand legde hij op het hoofd van Manasse, – ofschoon Manasse de eerstgeborene was; hij kruiste dus zijn handen.
Rechters 15:14
Toen hij in Lechi aankwam en de Filistijnen luid schreeuwend op hem toeliepen, greep de geest van Jahwe hem aan: opeens werden de touwen om zijn armen als vlasdraad dat door het vuur wordt verteerd, en de boeien smolten van zijn handen.
1 Samuël 2:8
Hij beurt de zwakke op uit het stof; Hij haalt de arme weg van de asbelt en geeft hem een plaats bij de groten; een erezetel wijst Hij hem toe. Van Jahwe zijn de zuilen der aarde: daarop heeft Hij de wereld gezet.
1 koningen 1:3
Dus werd er in het gehele Israëlitische gebied naar een mooi meisje gezocht. De keus viel op Abisag de Sunammitische, en men bracht haar bij de koning.
Ester 9:22
als de dagen, waarop de joden rust van hun vijanden hadden gekregen, en als de maand, waarin hun droefheid in vreugde was verkeerd en hun rouw in een feestdag was omgeslagen. Ze moesten die dagen maken tot dagen van maaltijden en van vreugde, elkaar porties van de maaltijden sturen en de armen goed bedenken.
Job 24:14
moordenaars die opstaan in het donker om armen en zwakken te doden, dieven die ’s nachts rondsluipen,
Hooglied 8:6
Draag mij als een zegel op uw hart, als een zegel aan uw arm: want sterk als de dood is de liefde, met de onverbiddelijkheid van het dodenrijk sluit zij ieder ander buiten. Haar vonken zijn bliksemschichten, vlammen van Jahwe.
Jeremia 49:9
Als de druivenplukkers komen,
valt er niets meer te oogsten.
Als ’s nachts de dieven inbreken,
vernielen zij al wat zij willen.
Ezechiel 30:25
De armen van de koning van Babel zal Ik sterk maken, maar de armen van Farao zullen alle kracht verliezen. Egypte zal weten dat Ik Jahwe ben: Ik geef de koning van Babel mijn zwaard in de hand en hij zal er Egypte mee treffen.
Amos 2:6
Zo spreekt Jahwe: Na de herhaalde misdaden van Israël kom Ik niet op mijn besluit terug! Omdat zij de rechtvaardige voor geld verkopen, de arme voor een paar schoenen,
Amos 5:11
Daarom: gij die de zwakke vertrapt en van zijn graanoogst schatting heft, gij bouwt wel huizen van steen, maar erin wonen zult ge niet; gij plant wel fraaie wijngaarden, maar de wijn daarvan drinken zult ge niet.
Marcus 10:21
Toen keek Jezus hem liefdevol aan en sprak: “Een ding ontbreekt u: ga verkopen wat ge bezit en geef het aan de armen, daarmee zult ge een schat bezitten in de hemel. En kom dan terug om Mij te volgen.”
2 kronieken 6:12
Toen ging Salomo voor het altaar van Jahwe staan ten aanschouwen van heel de gemeenschap van Israël, en strekte zijn handen uit.
Jesaja 41:7
De vakman moedigt de smid aan, de polijster met zijn hamer hem die op het aambeeld slaat; hij zegt van een soldering: `Dat is in orde.’ Hij bevestigt het beeld dan met spijkers, zodat het niet wankelt.

(En)
own courses – the financial scroll

lesson 0 content | the financial scroll
FIRST FIND THE COURSE “ Seek the kingdom of God first ”
and everything will be given to you

Lesson 1 introduction
Lesson 2 for the poor according to the bible

Lesson 1 introduction
gwenovitchj said: ’A man (like christ) of great descent went on a journey to a distant land to receive the kingship and then return. He called ten of his servants to him, gave each of them a hundred drachmas, and said to them, ”Go trade with it while I am gone.” But his countrymen hated him and sent deputies after him with the message, ”We don’t want that man to become king over us!” On his return, when he had received the kingship, he summoned the servants to whom he had given the money, to learn what they had earned by trading. The first came and said, ”Lord, your money has increased tenfold.” His master said: “Excellent, you are a good servant. Because you have been trustworthy in something very small, I grant you the government of ten cities.” The second came to say, ”Your money, sir, has yielded fivefold.” He said to him, “You will rule over five cities.” Then the third servant came and said, “Lord, here is your money, I have kept it for you in a cloth. I was afraid of you because you are a stern man who reclaims what he has not deposited and reaps what he has not sown.” His master said to him: “You are an evil servant, with your own words I will condemn you! You knew that I am a stern man and reclaim what I have not deposited and reap what I have not sown? Then why didn’t you put my money in the bank for safekeeping? Then I could have claimed it with interest on my return.” And he said to those who stood by, ”Take the hundred drachma from him and give it to the servant who has bought tenfold.” They said to him, ”Lord, he has tenfold of everything!” “I say to you, whoever has will have more; but whoever has nothing, even what he has will be taken from him.
I’m going to show you 2 possibilities that you will find lovingly in the explanation from above,
where gwenovitch tells about the love of his heart that the creator gives him as a gift for nothing the lord showers us with his love when we bear good fruit.
Option 1
In communist system where word of God also effected,
to think lovingly, because that is good for the business,
but here on the website we are not a business, do not participate in slave work of the rich on earth, do not treat the poor as stupid, the lord loves us by his simplicity in us, should God and man, with the love of the lord,
the third servant, be showered with corporal mercy
, with the good fruit of another, with the lord his gift of his talents,
in His love, and other believers,
when a community helps each other as children of God,
each with their savings account 3% gifts not to give in to devil communist system, does not help man become free, work slave labor in the mouth, because company must make a profit, in return the lord clings to the good, because he is steadfast as a rock, he gives to those who together as a community support each other,
his love to show physical mercy as ki others of God.
Option 2
Jesus speaks about the gifts , talents or graces that we as people receive from God.
And it is the intention that under the inspiration of the Holy Spirit, we let God work with it in or through our lives.
And He rewards us for that, or not, if we are nothing with
do gifts … (click here) for his gifts.

Lesson 2 for the poor according to the bible

Deut. 8:18
remember, therefore, that it is Yahweh your God who gives you power to gain riches, because He has kept the covenant to this day which He swore with your fathers.
1 Timothy 6:17
Urgently exhort the rich of this world not to be proud and to put their hopes not in uncertain riches, but in God who gives us all things rich to enjoy.
Proverbs 23:4
Do not tire yourself of getting rich, and stop using your mind to do it.
Deut. 8:17
And should the thought occur to you, ’With my own strength and with my mighty hand have I acquired this riches,’
1 Timothy 6:19
In this way they obtain a good investment for the future, in order to acquire the life that is truly life.
(the gifts and talents we acquire from “lesson 1 introduction”)

Proverbs 3:9
Glorify Yahweh with your possessions, with the firstfruits of all that comes in to you.
Proverbs 13:11
Riches gained from nothing will dwindle again, but those who accumulate gradually become rich.
Proverbs 3:10
Then your granaries will be richly filled, your vats will overflow with wine.
1 Timothy 6:18
Tell them that they do well, enrich themselves with good deeds, and be generous and bountiful. (With savings account gifts with 3% for someone else) 19In this way they obtain a good investment for the future, in order to acquire the life that is truly life.

Proverbs 22:7
The rich rules over the poor, and the borrower becomes the slave of the lender.
(see lesson 1 introduction on justice poor and rich to justice click here )
Proverbs 8:18-19
With me are wealth and fame, lasting wealth and righteousness. 19My fruit is worth more than gold, than pure gold, my produce more than choice silver.
Proverbs 6:9
How long do you lie down, sloth? When do you arise from your sleep?
Luke 12:32
Fear not, little flock: it has pleased thy Father to bestow upon thee the Kingdom.

Luke 16:10
He who is reliable in the least is also trustworthy in the great; and he who is unjust in the least is unjust also in the great.
Mark 10:27
Jesus looked at them and said, “This is not in the power of men, but in that of God: for with God all things are possible.
Luke 16:11
Have you not been faithful in unrighteous mammon, then who will entrust to you the true good?
Luke 12:21
So it is with one who lays up treasures for himself, but is not rich with God.’
Proverbs 6:6
Go to the ant, you sloth, watch her behavior and become wise.
Proverbs 23:5
You fix your eyes on the riches and it is gone: it makes wings and like an eagle it flies heavenward.
Isaiah 48:17
Thus says Yahweh your Redeemer, the Holy One of Israel: I am Yahweh your God. I instruct you to help, and guide you in the ways you walk.
Proverbs 19:14
House and goods are the inheritance of the fathers, but a wise woman comes from the LORD.
Proverbs 21:20
The wise has precious treasures and oil in his house, but the fool wastes his wealth.
Proverbs 19:17
He who has compassion on a poor man lends to the LORD: He will repay him his favor.
Proverbs 24:33
Just a little more sleep, a little more rest, just a little longer folded your arms and lie down!
Job 34:19
He does not look at those in power, a rich man is no more than a poor man, for only the work of his hands are the work of his hands.
Job 38:15
But the sinners do not receive this light, their uplifted arm is broken.
Psalm 109:22
I’m so miserable, so poor, so deeply wounded in my heart,
Proverbs 11:29
Whoever destroys his house will reap the wind, and the fool will become the slave of the wise.
Proverbs 29:13
The poor and the oppressor meet: Yahweh gives to both the light in their eyes.
Ecclesiastes 5:14
Just as a man came out of his mother’s womb, he must return: naked for a while. He cannot take any of his possessions with him.
Mark 9:36
He took a child and set it in their midst; He embraced it and said to them:
Luke 6:20
He now lifted his eyes, looked at his disciples and said: ’Blessed are you who are poor, for yours is the kingdom of God.
2 Corinthians 6:10
we mourn, but are always glad; we are destitute and make many rich, ragged and the world is ours.
(here on the website we go for justice we help each other by sharing our mercy of the lord with others)
James 2:1
Brethren, you who believe on our Lord Jesus Christ, the Lord of glory, do not associate this faith with partiality and flattery.
Revelation 3:17
Thou sayest, I am rich, for I am rich, and have need of nothing, and know not that thou art wretched and wretched above all, a blind and naked beggar.
Revelation 13:16
And it causes all, small and great, rich and poor, free and slave, to receive a mark on their right hand or on their forehead;
Genesis 27:11
But Jacob said to his mother Rebekah, ’That will not work; my brother Esau is shaggy and I am not at all.
Exodus 8:5
Moses answered Pharaoh, ’Tell me; I am going to pray for you, your courtiers and your subjects: When must the frogs disappear from your surroundings and from your houses, so that only the Nile remains?’
Exodus 14:21
Then Moses stretched out his hand over the sea, and Yahweh made the sea retreat all that night by a strong east wind. He made the sea dry land, and the waters parted.
Exodus 14:27
Moses stretched out his hand over the sea, and when the light began to dawn, the sea flowed back to its usual place. As the Egyptians fled against it, Yahweh drove them into the midst of the sea.
Leviticus 5:7
If he cannot afford a sheep, he may bring to Yahweh two turtlenecks or doves, one for a sin offering and one for a burnt offering, as a compensation for his sin.
Leviticus 5:11
If he is unable to pay for two turtlenecks or two doves, then as a gift for what he has done he shall bring a tenth of an ephah of flower as a sin offering, without putting oil on it or adding frankincense to it, because it is a sin offering.
Leviticus 27:8
If a person is unable to pay the specified amount, he should be brought to the priest. This determines an amount that the person who has taken the vow can pay.
Numbers 13:20
whether the soil is fertile, or whether it is arid, and whether there are trees or not. You must behave yourself bravely and also bring some fruits of the land.’ It was just the time of the first grapes.
Deuteronomy 33:20
Of Gad he said: Blessed is He who gives space to Gad: he lies down like a lion, with an arm and a skull for spoil.
Ruth 1:21
Rich I went away from here; Yahweh sends me back empty-handed. Why call me Noomi, when Yahweh has testified against me and the Almighty has treated me so badly? ’
Ruth 3:10
He said, ’My daughter, be blessed by Yahweh! This token of fidelity is even more beautiful than the previous one; you have gone after no young men, neither the poor nor the rich.
Psalms 70:6
I am so wretched, so poor – O God, come to me soon! You are my helper, my deliverer: Lord, do not delay.
Proverbs 30:9
lest I be satisfied and deny You, and say, Who is Yahweh? – lest I become poor and steal, and transgress the name of my God.
Isaiah 10:30
Shout out, Bat-gallim, listen, Lais, answer, Anatot!
Isaiah 41:14
SALVATION ORACLE
14Do not be afraid, Jacob, you little worm, you little girl, Israel. I stand by you, declares the LORD, the Holy One of Israel is your saviour.
Isaiah 46:6
Those who shake gold out of their purses and put silver in the balance, they hire a smith to make a god of it, and before that they kneel and bow down. (we are not allowed to worship statues)
Ezekiel 30:21
Son of man, I have broken the arm of Pharaoh king of Egypt; he is not cared for, not treated with medicines, nor bandaged; he never regains the strength to wield the sword.
Ezekiel 38:13
Sheba, Dedan, the merchants of Tarshish and all the merchants will ask you, ’Do you come to plunder? Have you gathered all that army to gather booty, to plunder silver and gold, to drag away goods and goods, and strike a great battle?’
Zechariah 11:17
Woe to the worthless shepherd who forsakes the sheep! The sword shall strike his arm and his right eye: his arm shall wither utterly, his right eye shall be utterly darkened.’
Matthew 12:13
Then He said to the man, ”Stretch out your hand.” He stuck them out and she became as healthy as the others.
Mark 2:12
He got up, took his bed and went out immediately before all eyes. Everyone was amazed, and they glorified God and said, ”We have never seen such a thing.”
Luke 5:25
Immediately he arose before all eyes, took with him the bed on which he had been lying, and went home glorifying God.
Isaiah 51:5
In the twinkling of an eye I bring near My righteousness, My salvation appears, With mighty arm I bring justice to the nations; the islands look for me and my arm is their hope.

Acts 13:17
The God of this people Israel chose our fathers and magnified the people while they were in Egypt, and carried them away with a mighty hand.
Exodus 7:19
And the LORD spake unto Moses, Say unto Aaron, Take thy rod, and stretch out thy hand over the waters of Egypt, over its rivers and streams, over its swamps, and over all the pools of water; everything will become blood. Blood will be in all Egypt, even in the trees and the wells.’
Exodus 7:20
Moses and Aaron did as the LORD commanded them. In the sight of Pharaoh and all his servants he lifted up his staff and struck the waters of the Nile, and all the waters of the Nile became as blood.
Exodus 23:2
Though many who will evil are many, you will not join them. In a lawsuit you must not allow your statement to be influenced by the majority and thus violate the law.
Leviticus 12:8
If she cannot afford a sheep, she may also bring two turtlenecks or doves, one for the burnt offering and one for the sin offering. With this the priest makes atonement for her, so that she becomes clean again.
Leviticus 14:21
If the man is so poor that he cannot afford all this, he may suffice with a sheep for a trespass offering, which is set apart as a consecrated portion to make atonement for him, an issaron flower made with oil for a meal offering, a log oil

Deuteronomy 15:4
Moreover, there will be no poor with you, for the LORD your God will bless you abundantly in the land which He gives you as your possession,
Deuteronomy 24:14
You must not treat harshly a poor and needy day laborer, a fellow-countryman, or a stranger who dwells in your city or in your country.
Judges 14:15
On the seventh day they said to Samson’s wife, ”You must bring your husband to tell us the solution of the riddle,” or we will burn you and all your family. Or have you invited us to make us poor?’
2 Samuel 12:3
the poor only one lamb, which he had bought. He could have kept it alive and it had grown up with him, among his children; the animal ate from his plate, drank from his cup, and slept on his lap; it was just his daughter.
1 kings 13:4
When the king heard what the man of God cried to the altar of Bethel, he, standing on the altar, stretched out his hand and commanded: Take that man!’ But the hand that he had stretched out against the man of God stiffened and he could no longer withdraw it.
Ecclesiastes 9:11
Another thing I saw under the sun: not always the fastest win the race or the bravest the war. It is not always the wise who get to eat, the wise who get rich, or the experts who get acclaim. Everything depends on time and chance.

Isaiah 40:20
If you want to make a votive statue, choose a piece of wood without molm, look for a craftsman with experience who can fix the statue so that it does not falter.
Ezekiel 4:7
Bare your arm, set your eyes on Jerusalem, and prophesy against the besieged city.
Job 40:9
Do you have an arm as strong as God’s? Do you have a voice of thunder as loud as God’s?
Psalm 89:13
The north, the south – Thou created them: thy name rustle Tabor, Hermon.
Psalm 98:1
A psalm. Sing to the Lord a new song, for wonders He has wrought; triumph his hand has brought him, victory his holy arm.
Isaiah 62:8
Yahweh has sworn by his right hand, and by his mighty arm, Never again will I give your grain to your enemies to eat; never again do strangers drink the wine for which you have wearied yourself.
Exodus 6:6
Therefore say to the children of Israel, I am Yahweh; I will bring you out of the bondage of Egypt; I will deliver you from their domination; with outstretched arm and under severe punishment I will deliver you.
(which Mr. gwenovitch has called for in all simplicity)
Isaiah 63:12
Who let his glorious arm go forth beside Moses; who split the water for them to gain an everlasting name?

Isaiah 53:1
”Who has believed in what we have heard, and to whom has the LORD’s arm been shown?”
Deuteronomy 33:27
The God of old is your refuge, wide open are the arms of the Eternal. He drives the enemy out before you, He commands you: slay him.
Exodus 25:34
Four almond flowers with buds and leaves must be floated into the chandelier itself:
Job 29:16
a father I was to the needy, and I stood up for the justice of strangers. (therefore the lord has called me to speak here as a father for the messiah’s name)
Psalm 102:18
until the prayers of the poorest have bowed, and have not spurned their supplication.
Isaiah 26:6
The feet of the poor, the steps of the lowly walk over them.’
Exodus 37:18
Six arms rose from the side of the shaft, three on each side.
Exodus 37:22
The knobs and arms formed one whole with the chandelier: one piece of gear made of pure gold.
Job 5:15-16
But the needy He rescues from their mouths,
the needy from the clutches of the mighty.
16So the poor can have hope
and the unrighteous is silenced.
Job 20:10
His children lose all his wealth, even beggars ask for alms.
Job 20:19
Because he strikes rather than supports the poor, robs rather than protects their houses;
Job 31:16
Never have I refused arms they asked for, never left widows to fend for themselves,
Psalm 9:19
the poor will not forever be forgotten,
what the humble have hoped is not lost forever.
Psalm 72:2
let him judge your people righteously, your afflicted with justice;
Psalm 109:31
for he stands beside the poor, to deliver him from the clutches of those who had judged.
Psalm 140:13
I know: the Lord conducts the plea of the poor, the plea of the poor. 14Let the righteous bless your name, in your glory dwell the upright.
Isaiah 1:17
Learn rather to do good, practice justice, help the oppressed, give justice to the orphans, defend the widows.
(gwenovitch is also committed to justice here on the site)
Isaiah 10:2
and so set the poor out of their rights, and deprive the lowly of my people their due, plunder the widows, and exploit the orphans. (As the rich treat the poor because they do not possess the good gifts and plunder from the poor
see gifts and talents “lesson 1 introduction”)
Isaiah 13:7
That is why everyone lets his hands hang limp, people lose all courage.
Hosea 11:3
and yet I am the one who taught Ephraim to walk, who took him by the arms. However, they did not want to know that it was I who protected them.
Amos 8:4
Hear this, you who lay snares for the poor to destroy the poor in the land,
Zephaniah 3:12
Then I will leave within your walls only a humble, humble people, who take refuge in the name of the LORD,
Matthew 18:5
And whoever receives such a child (as gwenovitch in this community) in My Name receives Me.
Matthew 26:9
After all, it could have been sold dearly for the benefit of the poor.”
Luke 2:28
he also took the child in his arms and proclaimed God’s praise, saying:
Luke 8:40
When Jesus was received by the people on his return, because everyone was waiting for him,
Luke 14:13
But when you give a banquet, invite the poor, the infirm, the lame, and the blind.
Ezekiel 30:24
I will make the arm of the king of Babylon strong, and I will put my sword in his hand, but I will break the arms of Pharaoh; and groaning like a mortally wounded man he will succumb to the king of Babylon.
Genesis 45:15
He kissed his other brothers and wept as he hugged them. Only then did his brothers dare to speak to him.
Exodus 25:32
Six arms should go up the shaft from the side, three on each side.
Exodus 25:36
The knobs and arms form a whole with the chandelier: one piece of gear made of pure gold.
Deuteronomy 15:7
If one of your brethren has fallen into poverty in any city of the land which the LORD your God is giving you, then do not be hard on your poor brother or close your purse against him.
Job 30:25
Have I not been sad with the afflicted, poor with the poor?
Job 31:32
No stranger needed to sleep outside, my door was always open to travelers.
Job 34:28
They make the poor cry out and God hears it, for the lament of the poor does not leave Him indifferent.
Psalm 10:12
Rise up, Lord! Act with mighty hand, O God!
do not forget these that are bowed down:
Psalm 69:34
the Lord will hear the deprived, He despiseth not his own in fetters.
Psalm 82:3
Give justice to the poor and the orphan, protect the poor and destitute,
Psalm 107:41
but he rescues the poor from calamity, and makes the tribes as many as sheep.
Psalm 112:9
Where there is need he gives abundantly: his righteousness defies the times. And mighty lifts up his horn. (the poor has as much right as the rich, but the rich misuses his power to the poor badger)
Psalm 113:7
who raises up the poor from the dust, who will raise the poor out of the mire,
Psalm 132:15
Mildly will I bless it with food, I will satisfy its poor with bread;
Proverbs 13:7
Some pretend to be rich and have nothing at all, others pretend to be poor and very rich.
Proverbs 13:23
The newly cleared land of the poor provides rich food, but property is stolen when there is no justice.
Proverbs 21:13
Whoever shuts his ear to the cry of the poor, he himself will also cry and receive no answer.
Proverbs 21:28
A lying witness falls, but the man who knows how to listen will always be able to speak.
Proverbs 28:27
He who gives to the poor has no want, but whoever closes his eyes to him is severely cursed.
Proverbs 29:7
The righteous recognize the rights of the poor, the sinner does not understand it.
Proverbs 30:14
there is a generation that has teeth like swords and teeth like knives, to eat the poor out of the land, and the needy out of the people of men.
Isaiah 3:14
Yahweh is suing the elders and rulers of his people, saying, ”You have plundered the vineyards, and have filled your houses with the stolen goods of the poor. (how the rich act do not give account or need for instruction they trample the poor because they have not such good gifts as Yahweh)
Isaiah 11:4
he gives justice to the poor and the poor in the land receive a fair sentence. He chastens the oppressors with the rod of his mouth, and kills the wicked with the breath of his lips.
Isaiah 29:19
The poor find their joy again in Yahweh, the deprived in the land rejoice in the Holy One of Israel.
Isaiah 40:11
Like a shepherd he will feed his flock; in his arm he gathers the lambs and carries them on his breast as he leads the ewes.
Jeremiah 5:4
At first I thought, ’Those are the poor. They know no better, they know not the will of the LORD; they do not know what God asks of them.
Jeremiah 48:25
”The horn of Moab is cut off, its strength is broken” – the oracle of the LORD -.
Ezekiel 22:29
The people of the land are guilty of extortion and appropriate other people’s property; it oppresses the deprived and the needy and does violence to the strangers against all justice.
Zechariah 7:10
oppress not the widow and the orphan, the stranger and the poor, and plot no evil against one another.’
Zechariah 13:6
And when someone asks him, ”Where do the wounds in your chest come from?” he will answer, ’These have been brought to me in the house of my lovers.’
Mark 10:16
Then He embraced them and blessed them, laying His hands on them.
Mark 14:5
The balm could have been sold for more than three hundred denarii for the benefit of the poor.” When they run against her,
John 12:5
”Why wasn’t that balm sold for three hundred denarii and the money given to the poor?”
Acts 24:17
Thus I have come back after many years to give alms to my people or to offer sacrifices.
2 Corinthians 9:9
So also it is written: He gave bountifully to the poor, and his bounty endures forever.
Exodus 17:12
Finally Moses’ arms grew tired. Then they brought him a stone on which he sat. Aaron and Hur supported his arms, each on one side. His arms remained raised in this way until sunset.
Exodus 34:29
When Moses came down Mount Sinai with the two stone plates, the text of the covenant, he was not aware that his face was shining because he had spoken with Him.
Leviticus 23:22
When you take your crops from the land, you must not mow your field to the brim, and you must not gather up what is left. It is for the poor and the foreigners. I am Yahweh your God.
Numbers 8:4
Furthermore, the sacred gifts remain the property of the person who offers them, and the priest still gets what one wants to give him.
Judges 5:10
You riders of white donkeys, who sit on rich shawls, you that walk in the roads, keep speaking of them,
1 kings 1:2
So his eunuchs said to him, ”A young maiden must be sought for our lord the king; she could serve the king and take care of him; she might sleep in your womb, and our lord the king will be warm anyway.’
1 kings 3:20
But in the middle of the night, while your maidservant was sleeping, she arose and took my child from me and placed it in her own womb, and placed her dead child in my womb.
1 kings 7:49
the chandeliers of pure gold, five on the right and five on the left for the back room, the golden flowers, lamps and snuffers,
Job 24:4-5
rape the rights of the poor: going into hiding is their only chance. 5And then these worriers set out early in the steppe, like wild donkeys in search of food; and late at night their children have nothing to eat.
Job 29:12
for I was savior of helpless poor, helper of helpless orphans.
Psalm 12:6
’For violence to the humble it is,
it is for the lamentation of the poor
that I now exalt myself, saith the Lord,
’I will save those who are threatened.’
Psalm 22:27
Once the poor satisfy their hunger;
praise the Lord those who seek Him;
their hearts will live forever.
Psalm 74:21
Not always the defenseless stand humiliated: Thy name love those who were poor and unjust.
Psalm 109:16
’Since every mercy was far from him, since he rather drove the defenseless poor, the desperate, to death,
Proverbs 28:3
A ruler who oppresses the poor is like a rain that washes away and brings no bread.
Proverbs 28:8
Whoever increases his wealth with interest and usury, gathers it up for the one who pities the poor.
Song of Songs 5:14
His arms are bars of gold, set with chrysolite; its body is of polished ivory, trimmed with sapphires.
Isaiah 14:30
The poor of my people shall feed in my meadows, the lowly shall lie undisturbed; but your root will I die of hunger, and what remains of you I will cut off!
Isaiah 49:22
Thus saith the Lord Jehovah: Behold, I lift up my hand unto the nations, and lift up my banner before the nations; they will bring your sons to you in their arms, and your daughters will be carried on their shoulders.
Isaiah 58:7
Is not fasting this: to share your bread with the hungry; take in poor bums into your home; clothe a naked man that thou seest, and hide not thyself from the care of thy brother?
Jeremiah 2:34
Even on the hem of your garment is the blood of the innocent, of people who have not been caught breaking in.
Jeremiah 5:28
They gleam with grease; they are corrupt through and through. They are raping the law; they don’t stand up for the orphans; they do not care for the cause of the poor.
Jeremiah 22:16-17
He stood up for the poor and needy. That I call: Knowing Me – oracle of Yahweh -. 17But you seek only for your own gain, for shedding innocent blood, for oppression and extortion.
Jeremiah 40:7
The officers and men who were still in the field learned that Gedaliah the son of Achikam had been made governor by the king of Babylon and that he was in charge of the care of the poorest of the land, men, women and children not captivity to Babylon.
Lamentations 2:12
They also asked their mother, ”Where is the bread and wine?” but fought wounded with death in the streets of the city, and gave up the ghost in their mother’s womb.
Ezekiel 16:49
The iniquity of your sister Sodom and her daughters was, that they lived in lavishness that they boasted, and in carefree rest, and did not care for the needy and want.
Ezekiel 18:12
oppresses the deprived and the needy, appropriates another’s property, does not return a pledge, lifts up his eyes to idols and commits abominations,
Ezekiel 18:17
abstain from iniquity, and keep my commandments, and keep my precepts: and that son shall not die because of the iniquity of his father; he will surely live.
Ezekiel 21:26
For the king of Babylon stands at the fork where the two roads begin, and asks for an oracle. He shakes the arrows, consults the household gods and examines the liver.
Daniel 2:32
The head of that image was of pure gold, its breast and arms of silver, its belly and loins of bronze,
Amos 2:7
because they trample the lowly like the dust of the earth and violate the justice of the poor, Father and son go to the same maiden and thus profane my holy name.
Amos 5:7
Justice is turned into wormwood and justice is smashed to the ground.
Amos 5:12
For I know how many your transgressions are, how many your sins; you torment the righteous, you take bribes and oppress the poor in the gate.
Amos 8:6
Then we buy the little man for money, the poor man for a pair of shoes, and we even trade in the dregs of our corn.’
Matthew 19:21
Jesus said to him: “If you want to be perfect, go home, sell what you have and give to the poor; with it you will have treasure in heaven. And then come back to follow Me.”
John 12:6
He said that, not because he cared about the poor, but because he was a thief and took from the purse he kept what came in it.
John 13:29
Because Judas kept the purse, some believed that Jesus instructed him to ”Buy what we need for the feast,” or that he should give to the poor.
Acts 10:2
He and all his household members were pious and God-fearing. He gave much alms to the people and prayed to God constantly.
(our home that we want to erect that we dream of that we will get from the lord’s providence in due time click here)
Acts 10:31
and said, Cornelius, thy prayer is heard, and thy alms are continually in the mind of God.
Acts 15:4
On their arrival at Jerusalem they were received by the congregation, the apostles, and the elders, and they related all that God had accomplished with their cooperation.
Acts 20:10
But Paul came down, stretched out over him, put his arms around him, and said, ”Don’t be alarmed, for there is life in him.”
Colossians 4:10
Greetings from Aristarchus, my fellow prisoner, and Mark, the nephew of Barnabas, of whom you have already received instructions; receive him well when he comes to you.
James 2:5
Hear, dear brethren: God has chosen the poor of the world to be rich in faith and heirs of the kingdom which He has promised to those who love Him.
Exodus 2:9
Pharaoh’s daughter commanded her, ’Take this child and feed it for me; I will personally reward you for it.’ Then the woman took the child and nursed it.
Exodus 9:29
And Moses answered him, ’As soon as I am out of the city, I lift up my hands to Yahweh; then shall the thunder be silent and the hail shall cease; then you know that all the earth belongs to Yahweh.
Exodus 23:11
But during the seventh year thou shalt not till it, and leave it fallow. Then the needy of your people may eat of it. What they leave is for the animals that live in the wild. The same goes for your vineyard and your olive garden.
Exodus 37:23
Seven lamps with snouts and bowls were made for the chandelier, all of pure gold.
Leviticus 19:10
Thou shalt not glean in thy vineyard, nor gather the fallen grapes. All this is for the poor and the stranger. I am Yahweh your God.
Numbers 32:6
But Moses said to the Gadites and Reubenites, ”What! Go to war with your brothers and stay here!
Psalm 62:10
A man – nothing but a breath, evaporating even the greatest; they go up on the balance, barely a sigh together!
Isaiah 14:32
How do we answer the songs of that people? That the LORD hath laid the foundations of Zion, and that the poor of his people are hid there.
Isaiah 25:4
For You have been a refuge from governments, a handhold for the poor in need, a shelter from the rain, a shade from the heat. The raging of tyrants is like winter rain,
Isaiah 41:17
The poor and the needy seek water and it is not there, their tongues are parched with thirst. I, Yahweh, will hear them; I, the God of Israel, do not forsake them.
Ezekiel 13:20
Thus says Yahweh the Lord: I will tear off the snares with which you catch the lives like birds from the arms of your victims, and release the lives that you have captured like birds.
Daniel 4:27
and then exclaimed, ”Is not this great Babylon which I have built by the might of my riches and to the glory of my majesty as my royal abode!”
Daniel 10:6
His body resembled topaz and his face shone like lightning; his eyes were torches of fire, his arms and legs gleamed like burnished bronze, and his voice was as loud as the cries of a crowd.
Amos 4:1
Hear this word, you cows of Bashan in Samaria’s mountain, you who oppress the poor, who trample the poor, and say to your men, ’Bring us to drink!’
Luke 9:48
and said to them, ’Whoever receives this child (gwenovitch) in My Name receives Me, and whoever receives Me receives Him who sent Me. So whoever is the smallest among you all is the greatest.’
Luke 14:21
When he returned home, that servant conveyed all this to his master. Now the master of the house was wroth, and commanded his servant: Make haste into the streets and alleys of the city, and bring in here the poor, the infirm, the blind, and the crippled.
Luke 18:22
When Jesus heard this, He said to him: ’Yet one thing you lack: sell all that you have and distribute it to the poor; after that thou shalt have treasure in heaven. And then come back to follow Me.’
Luke 19:8
But Zacchaeus approached the Lord and said, “Lord, I hereby give half my substance to the poor; and if I’ve extorted something from someone, I’ll give it back fourfold.’
Acts 9:36
At that time there lived in Joppa a student named Tabita, which in translation means Dorcas, Gazelle. She was inexhaustible in doing good works and giving alms.
Acts 10:4
The latter stared at him and said in terror, ”What is it, my lord?” He replied, “Your prayers and alms have ascended and are constantly in God’s mind.
Acts 20:35
In all things I have shown you that by thus laboring one should help the weak, and that ye should remember the words of the Lord Jesus. For he has said, It is more blessed to give than to receive.”
1 Corinthians 4:9
For us apostles, I think God hath appointed the least place, that of the condemned to death. We have become a spectacle to all the world, to angels and to men:
1 Thessalonians 1:9
They themselves tell how we came to you and how we were received by you: how you turned to God from idols, to serve the living and true God,
Genesis 48:14
And Israel stretched out their right hand and laid it on Ephraim’s head, though he was the youngest; and he laid his left hand on Manasseh’s head, though Manasseh was the firstborn; so he crossed his hands.
Judges 15:14
When he came to Lehi, and the Philistines came yelling at him, the spirit of the LORD seized him: suddenly the ropes about his arms became like flax thread consumed by fire, and the fetters melted from his hands.
1 Samuel 2:8
He raises the weak from the dust; He takes the poor away from the ash-belt and gives him a place with the great; He assigns him a seat of honor. The pillars of the earth belong to Yahweh: on them he set the world.
1 kings 1:3
So a beautiful girl was sought throughout the Israelite territory. The choice fell on Abishag the Shunammite, and she was brought before the king.
Esther 9:22
as the days when the Jews had received rest from their enemies, and as the month when their sorrow was turned into joy, and their mourning turned into a feast. They were to make those days days of meals and of joy, send each other portions of meals, and think well of the poor.
Job 24:14
murderers who rise in the dark to kill the poor and the weak, thieves who prowl at night,
Song of Songs 8:6
Carry me as a seal on your heart, as a seal on your arm: for strong as death is love, with the inexorability of the realm of the dead it excludes everyone else. Her sparks are lightnings, the flames of Yahweh.
Jeremiah 49:9
When the grape pickers come,
there is nothing left to harvest.
When the thieves break in at night,
they destroy whatever they want.
Ezekiel 30:25
The arms of the king of Babylon will I make strong, but the arms of Pharaoh shall lose all strength. Egypt shall know that I am Yahweh: I have put my sword into the hand of the king of Babylon, and he shall strike Egypt with it.
Amos 2:6
Thus says Yahweh: After the repeated crimes of Israel, I will not change my decision! Because they sell the righteous for money, the poor for a pair of shoes,
Amos 5:11
Therefore, you who trample the weak, and take tribute from his crop of grain, you build houses of stone, but you shall not dwell in them; You plant beautiful vineyards, but you shall not drink the wine of them.
Mark 10:21
Then Jesus looked at him lovingly and said, “You lack one thing: go and sell what you have and give to the poor, and you will have treasure in heaven with it. And then come back to follow Me.”
2 chronicles 6:12
Then Solomon stood before the altar of the LORD in the sight of all the congregation of Israel, and stretched out his hands.
Isaiah 41:7
The craftsman encourages the smith, the polisher with his hammer strikes him on the anvil; he says of a soldering: ’That’s all right.’ He then fastens the statue with nails so that it does not falter.

(Fr)
propres cours – le parchemin financier

contenu de la leçon 0 | le parchemin financier
D’ABORD TROUVEZ LE COURS « Cherchez d’abord le royaume de Dieu »
et tout vous sera donné

Leçon 1 introduction
Leçon 2 pour les pauvres selon la bible

Leçon 1 introduction
gwenovitchj a déclaré: «Un homme (comme le Christ) de grande descendance est parti en voyage vers une terre lointaine pour recevoir la royauté et ensuite revenir. Il appela dix de ses serviteurs, leur donna à chacun cent drachmes et leur dit : « Allez en faire du commerce pendant mon absence. Mais ses compatriotes le haïssaient et envoyèrent des députés après lui avec le message : « Nous ne voulons pas que cet homme devienne roi sur nous ! A son retour, lorsqu’il eut reçu la royauté, il convoqua les serviteurs à qui il avait donné l’argent, pour savoir ce qu’ils avaient gagné en faisant du commerce. Le premier vint et dit : « Seigneur, ton argent a décuplé. Son maître dit : « Excellent, tu es un bon serviteur. Parce que vous avez été digne de confiance dans quelque chose de très petit, je vous accorde le gouvernement de dix villes. Le second vint dire : « Votre argent, monsieur, a quintuplé. Il lui dit : « Tu régneras sur cinq villes. » Alors le troisième serviteur vint et dit : « Seigneur, voici ton argent, je te l’ai gardé dans un drap. J’avais peur de toi parce que tu es un homme sévère qui réclame ce qu’il n’a pas déposé et récolte ce qu’il n’a pas semé. Son maître lui dit : « Tu es un mauvais serviteur, avec tes propres mots je te condamnerai ! Vous saviez que je suis un homme sévère et que je réclame ce que je n’ai pas déposé et que je récolte ce que je n’ai pas semé ? Alors pourquoi n’avez-vous pas mis mon argent à la banque pour le garder en sécurité ? Alors j’aurais pu le réclamer avec intérêt à mon retour. Et il dit à ceux qui se tenaient à côté : « Prenez-lui les cent drachmes et donnez-les au serviteur qui a acheté dix fois. Ils lui dirent : « Seigneur, il a tout décuplé ! « Je vous le dis, celui qui a aura plus ; mais à celui qui n’a rien, même ce qu’il a lui sera enlevé.
Je vais vous montrer 2 possibilités que vous trouverez affectueusement dans l’explication d’en haut,
où gwenovitch raconte l’amour de son coeur que le créateur lui donne en cadeau pour rien le seigneur nous comble de son amour quand on porte bien fruit.
Option 1
Dans le système communiste où la parole de Dieu s’effectuait également,
penser avec amour, car c’est bon pour l’entreprise,
mais ici sur le site Web nous ne sommes pas une entreprise, ne participez pas au travail d’esclave des riches sur terre, ne traitez pas les pauvres comme stupide, le seigneur nous aime par sa simplicité en nous, que Dieu et l’homme, avec l’amour du seigneur,
le troisième serviteur, soient comblés de miséricorde corporelle
, du bon fruit d’un autre, du seigneur son don de ses talents ,
dans son amour, et les autres croyants,
quand une communauté s’entraide comme enfants de Dieu,
chacun avec son compte d’épargne 3% cadeaux à ne pas céder au diable système communiste, n’aide pas l’homme à devenir libre, travaille le travail d’esclave dans la bouche , parce que l’entreprise doit faire du profit, en retour le seigneur s’accroche au bien, parce qu’il est inébranlable comme un roc, il donne à ceux qui ensemble en communauté se soutiennent,
son amour de faire preuve de miséricorde physique comme ki autres de Dieu.
Option 2
Jésus parle des dons , des talents ou des grâces que nous, en tant que personnes, recevons de Dieu.
Et c’est l’intention que sous l’inspiration du Saint-Esprit, nous laissions Dieu travailler avec lui dans ou à travers nos vies.
Et Il nous récompense pour cela, ou non, si nous ne sommes rien avec
faire des cadeaux… (cliquez ici) pour ses cadeaux.

Leçon 2 pour les pauvres selon la bible

Deut. 8:18
Souviens-toi donc que c’est Yahvé, ton Dieu, qui te donne le pouvoir d’acquérir des richesses, parce qu’il a gardé jusqu’à ce jour l’alliance qu’il a jurée avec tes pères.
1 Timothée 6:17
Exhortez instamment les riches de ce monde à ne pas être fiers et à placer leurs espoirs non dans des richesses incertaines, mais en Dieu qui nous donne toutes choses riches dont nous pouvons jouir.
Proverbes 23:4
Ne vous lassez pas de devenir riche et arrêtez d’utiliser votre esprit pour le faire.
Deut. 8:17
Et si la pensée vous venait à l’esprit, ’C’est de ma propre force et de ma main puissante que j’ai acquis ces richesses’,
1 Timothée 6:19
De cette façon, ils obtiennent un bon investissement pour l’avenir, afin d’acquérir la vie qui est vraiment la vie.
(les dons et les talents que nous acquérons de la « leçon 1 introduction »)

Proverbes 3:9
Glorifiez Yahvé avec vos biens, avec les prémices de tout ce qui vous arrive.
Proverbes 13 :11
Les richesses acquises à partir de rien s’amenuiseront à nouveau, mais ceux qui accumulent s’enrichiront progressivement.
Proverbes 3:10
Alors vos greniers seront richement remplis, vos cuves déborderont de vin.
1 Timothée 6:18
Dites-leur qu’ils font bien, qu’ils s’enrichissent de bonnes actions et qu’ils sont généreux et généreux. (Avec des cadeaux sur compte d’épargne avec 3% pour quelqu’un d’autre) 19De cette manière, ils obtiennent un bon investissement pour l’avenir, afin d’acquérir la vie qui est vraiment la vie.

Proverbes 22:7
Le riche règne sur le pauvre, et l’emprunteur devient l’esclave du prêteur.
(voir leçon 1 introduction sur la justice pauvres et riches à la justice cliquez ici )
Proverbes 8:18-19
Avec moi sont la richesse et la renommée, la richesse durable et la justice. 19Mon fruit vaut plus que l’or que l’or pur, mon produit plus que l’argent précieux.
Proverbes 6:9
Combien de temps restes-tu allongé, paresseux ? Quand sortez-vous de votre sommeil ?
Luc 12:32
N’aie pas peur, petit troupeau : il a plu à ton Père de t’accorder le Royaume.

Luc 16 :10
Celui qui est fiable dans le moindre est aussi digne de confiance dans le grand ; et celui qui est injuste dans le moindre est injuste aussi dans le plus grand.
Marc 10:27
Jésus les regarda et dit : « Ceci n’est pas au pouvoir des hommes, mais au pouvoir de Dieu : car à Dieu tout est possible.
Luc 16 :11
N’as-tu pas été fidèle à l’iniquité Mammon, alors qui te confiera le vrai bien ?
Luc 12:21
Ainsi en est-il de celui qui s’amasse des trésors, mais qui n’est pas riche de Dieu.’
Proverbes 6 :6
Allez à la fourmi, paresseux, surveillez son comportement et devenez sage.
Proverbes 23:5
Vous fixez vos yeux sur la richesse et elle est partie : elle fait des ailes et comme un aigle, elle vole vers le ciel.
Esaïe 48:17
Ainsi parle Yahvé votre Rédempteur, le Saint d’Israël : Je suis Yahvé votre Dieu. Je vous demande d’aider et de vous guider dans votre façon de marcher.
Proverbes 19 :14
La maison et les biens sont l’héritage des pères, mais une femme sage vient de l’Éternel.
Proverbes 21:20
Le sage a de précieux trésors et de l’huile dans sa maison, mais l’insensé gaspille sa richesse.
Proverbes 19 :17
Celui qui a compassion d’un pauvre prête à l’Éternel : Il lui rendra sa grâce.
Proverbes 24 :33
Juste un peu plus de sommeil, un peu plus de repos, juste un peu plus de temps croisez les bras et allongez-vous !
Job 34:19
Il ne regarde pas ceux qui sont au pouvoir, un riche n’est qu’un pauvre, car seul le travail de ses mains est le travail de ses mains.
Travail 38:15
Mais les pécheurs ne reçoivent pas cette lumière, leur bras levé est brisé.
Psaume 109:22
Je suis si misérable, si pauvre, si profondément blessé dans mon cœur,
Proverbes 11 :29
Celui qui détruira sa maison récoltera le vent, et l’insensé deviendra l’esclave du sage.
Proverbes 29 :13
Le pauvre et l’oppresseur se rencontrent : Yahvé donne à tous deux la lumière dans leurs yeux.
Ecclésiaste 5:14
Tout comme un homme sort du ventre de sa mère, il doit revenir : nu pendant un moment. Il ne peut emporter aucun de ses biens avec lui.
Mark 09:36
Il prit un enfant et le plaça au milieu d’eux ; Il l’embrassa et leur dit :
Luc 6:20
Il leva alors les yeux, regarda ses disciples et dit : « Heureux les pauvres, car le royaume de Dieu est à vous.
2 Corinthiens 6:10
nous pleurons, mais sommes toujours heureux; nous sommes démunis et rendons beaucoup de riches, en haillons et le monde est à nous.
(ici sur le site nous allons pour la justice nous nous entraidons en partageant notre miséricorde du seigneur avec les autres)
Jacques 2:1
Frères, vous qui croyez en notre Seigneur Jésus-Christ, le Seigneur de gloire, n’associez pas cette foi à la partialité et à la flatterie.
Apocalypse 3:17
Tu dis, je suis riche, car je suis riche et je n’ai besoin de rien, et je ne sais pas que tu es malheureux et malheureux par-dessus tout, un mendiant aveugle et nu.
Apocalypse 13:16
Et cela fait que tous, petits et grands, riches et pauvres, libres et esclaves, reçoivent une marque sur leur main droite ou sur leur front ;
Genèse 27 :11
Mais Jacob dit à sa mère Rebecca : « Cela ne marchera pas ; mon frère Esaü est hirsute et je ne le suis pas du tout.
Exode 8 :5
Moïse répondit à Pharaon : « Dis-le-moi ; Je vais prier pour vous, vos courtisans et vos sujets : Quand les grenouilles doivent-elles disparaître de votre environnement et de vos maisons, pour qu’il ne reste que le Nil ?
Exode 14:21
Alors Moïse étendit sa main sur la mer, et Yahvé fit reculer la mer toute la nuit par un fort vent d’est. Il assécha la mer et les eaux se séparèrent.
Exode 14:27
Moïse étendit sa main sur la mer, et quand la lumière commença à poindre, la mer retourna à sa place habituelle. Tandis que les Égyptiens s’enfuyaient contre elle, Yahvé les chassa au milieu de la mer.
Lévitique 5:7
S’il n’a pas les moyens d’acheter une brebis, il peut apporter à Yahvé deux cols roulés ou colombes, une pour le sacrifice d’expiation et une pour l’holocauste, en compensation de son péché.
Lévitique 5:11
S’il n’est pas en mesure de payer deux cols roulés ou deux colombes, alors en cadeau pour ce qu’il a fait, il apportera un dixième d’épha de fleur en sacrifice d’expiation, sans y mettre d’huile ni d’encens, car il est une offrande pour le péché.
Lévitique 27:8
Si une personne n’est pas en mesure de payer le montant spécifié, elle doit être amenée chez le prêtre. Cela détermine un montant que la personne qui a fait le vœu peut payer.
Nombres 13:20
si le sol est fertile, ou s’il est aride, et s’il y a des arbres ou non. Vous devez vous comporter bravement et apporter aussi quelques fruits de la terre. C’était juste l’époque des premiers raisins.
Deutéronome 33:20
De Gad il dit : Béni soit Celui qui donne de l’espace à Gad : il se couche comme un lion, avec un bras et un crâne pour butin.
Ruth 1:21
Riche je suis parti d’ici, Yahvé me renvoie les mains vides. Pourquoi m’appeler Noomi, alors que Yahvé a témoigné contre moi et que le Tout-Puissant m’a si mal traité ? ’
Ruth 3:10
Il dit : « Ma fille, sois bénie de Yahvé ! Ce gage de fidélité est encore plus beau que le précédent ; vous n’avez couru après aucun jeune homme, ni le pauvre ni le riche.
Psaumes 70 : 6
Je suis si misérable, si pauvre – Dieu, viens vite à moi ! Tu es mon aide, mon libérateur : Seigneur, ne tarde pas.
Proverbes 30:9
de peur que je ne sois rassasié et que je ne te renie, et que je ne dise : Qui est Yahvé ? – de peur que je ne devienne pauvre et vole, et que je ne transgresse le nom de mon Dieu.
Esaïe 10h30
Crie, Bat-gallim, écoute, Lais, réponds, Anatot !
Esaïe 41:14
ORACLE DU SALUT
14N’aie pas peur, Jacob, petit ver, petite fille, Israël. Je me tiens à tes côtés, déclare l’Éternel, le Saint d’Israël est ton sauveur.
Esaïe 46:6
Ceux qui secouent l’or de leurs bourses et mettent de l’argent dans la balance, ils louent un forgeron pour en faire un dieu, et devant cela ils s’agenouillent et se prosternent. (nous ne sommes pas autorisés à adorer les statues)
Ézéchiel 30:21
Fils de l’homme, j’ai brisé le bras de Pharaon, roi d’Egypte; il n’est ni soigné, ni traité avec des médicaments, ni bandé ; il ne retrouve jamais la force de manier l’épée.
Ézéchiel 38:13
Saba, Dedan, les marchands de Tarsis et tous les marchands vous demanderont : « Viens-tu piller ? Avez-vous rassemblé toute cette armée pour ramasser du butin, pour piller de l’argent et de l’or, pour emporter des biens et des biens, et livrer une grande bataille ?
Zacharie 11 :17
Malheur au berger sans valeur qui abandonne les brebis ! L’épée frappera son bras et son œil droit : son bras se desséchera complètement, son œil droit sera complètement obscurci.
Matthieu 12 :13
Alors Il dit à l’homme : ” Étends ta main. ” Il les a tenus debout et elle est devenue en aussi bonne santé que les autres.
Marc 2:12
Il se leva, prit son lit et sortit immédiatement avant tous les yeux. Tout le monde a été surpris, et ils glorifiaient Dieu et dit: « On n’a jamais vu une telle chose. »
Luc 5:25
Aussitôt, il se leva à tous les yeux, prit avec lui le lit sur lequel il était couché et rentra chez lui en glorifiant Dieu.
Esaïe 51 : 5
En un clin d’œil je rapproche ma justice, mon salut apparaît, avec un bras puissant je rends justice aux nations; les îles me cherchent et mon bras est leur espoir.

Actes 13:17
Le Dieu de ce peuple Israël a choisi nos pères et a magnifié le peuple pendant qu’il était en Egypte, et l’a emmené avec une main puissante.
Exode 7:19
Et l’Éternel parla à Moïse : Dis à Aaron : Prends ta verge, et étends ta main sur les eaux de l’Égypte, sur ses fleuves et ruisseaux, sur ses marécages et sur toutes les étangs ; tout deviendra du sang. Le sang sera dans toute l’Egypte, même dans les arbres et les puits.’
Exode 7:20
Moïse et Aaron firent ce que l’Éternel leur avait commandé. Aux yeux de Pharaon et de tous ses serviteurs, il leva son bâton et frappa les eaux du Nil, et toutes les eaux du Nil devinrent comme du sang.
Exode 23:2
Bien que beaucoup de ceux qui feront le mal soient nombreux, vous ne les rejoindrez pas. Dans un procès, vous ne devez pas permettre que votre déclaration soit influencée par la majorité et ainsi violer la loi.
Lévitique 12:8
Si elle n’a pas les moyens d’acheter un mouton, elle peut aussi apporter deux cols roulés ou des colombes, un pour l’holocauste et un pour le sacrifice pour le péché. Avec cela, le prêtre fait l’expiation pour elle, afin qu’elle redevienne propre.
Lévitique 14:21
Si l’homme est si pauvre qu’il ne peut pas se permettre tout cela, il peut lui suffire d’un mouton pour une offrande pour le délit, qui est mis à part comme portion consacrée pour faire l’expiation pour lui, une fleur d’issaron faite avec de l’huile pour une offrande de repas, un huile de bûche

Deutéronome 15:4
De plus, il n’y aura pas de pauvre avec toi, car l’Éternel, ton Dieu, te bénira abondamment dans le pays qu’il te donne en possession,
Deutéronome 24 :14
Vous ne devez pas traiter durement un journalier pauvre et nécessiteux, un compatriote ou un étranger qui habite dans votre ville ou dans votre pays.
Juges 14:15
Le septième jour, ils dirent à la femme de Samson : « Vous devez amener votre mari pour nous dire la solution de l’énigme », ou nous vous brûlerons, vous et toute votre famille. Ou nous avez-vous invités pour nous rendre pauvres ?
2 Samuel 12:3
le pauvre un seul agneau, qu’il avait acheté. Il aurait pu la garder en vie et elle avait grandi avec lui, parmi ses enfants ; l’animal mangeait dans son assiette, buvait dans sa coupe et dormait sur ses genoux ; c’était juste sa fille.
1 rois 13:4
Lorsque le roi entendit ce que l’homme de Dieu criait à l’autel de Béthel, il, debout sur l’autel, étendit la main et commanda : Prends cet homme ! Mais la main qu’il avait tendue contre l’homme de Dieu se raidit et il ne put plus la retirer.
Ecclésiaste 9 :11
Une autre chose que j’ai vue sous le soleil : pas toujours le plus rapide gagne la course ou le plus courageux la guerre. Ce ne sont pas toujours les sages qui mangent, les sages qui s’enrichissent ou les experts qui sont acclamés. Tout dépend du temps et du hasard.

Esaïe 40:20
Si vous voulez faire une statue votive, choisissez un morceau de bois sans molm, cherchez un artisan avec expérience qui pourra réparer la statue pour qu’elle ne vacille pas.
Ézéchiel 4:7
Dénudez votre bras, posez vos yeux sur Jérusalem et prophétisez contre la ville assiégée.
Travail 40:9
Avez-vous un bras aussi fort que celui de Dieu ? Avez-vous une voix de tonnerre aussi forte que celle de Dieu ?
Psaume 89:13
Le nord, le sud – Tu les as créés : ton nom bruisse Tabor, Hermon.
Psaume 98:1
Un psaume. Chantez au Seigneur un cantique nouveau, car il a fait des merveilles ; triomphe sa main lui a apporté, victoire son bras saint.
Esaïe 62:8
Yahvé a juré par sa main droite et par son bras puissant, Je ne donnerai plus jamais ton blé à tes ennemis à manger; plus jamais les étrangers ne boivent le vin dont vous vous êtes fatigué.
Exode 6:6
Dis donc aux enfants d’Israël : Je suis Yahvé ; je te ferai sortir de l’esclavage d’Égypte; je te délivrerai de leur domination ; à bras étendu et sous une punition sévère, je vous délivrerai.
(ce que M. gwenovitch a demandé en toute simplicité)
Esaïe 63:12
Qui a laissé son bras glorieux aller à côté de Moïse ; qui a fendu l’eau pour qu’ils gagnent un nom éternel ?

Esaïe 53:1
« Qui a cru à ce que nous avons entendu, et à qui le bras de l’Éternel a-t-il été montré ?
Deutéronome 33:27
Le Dieu d’autrefois est votre refuge, grands ouverts sont les bras de l’Éternel. Il chasse l’ennemi devant vous, Il vous commande : tuez-le.
Exode 25:34
Quatre fleurs d’amandier avec des boutons et des feuilles doivent flotter dans le lustre lui-même :
Travail 29:16
un père j’étais pour les nécessiteux, et j’ai défendu la justice des étrangers. (c’est pourquoi le seigneur m’a appelé pour parler ici en tant que père pour le nom du messie)
Psaume 102:18
jusqu’à ce que les prières des plus pauvres se soient inclinées et n’aient pas dédaigné leur supplication.
Esaïe 26:6
Les pieds des pauvres, les pas des humbles marchent dessus.
Exode 37:18
Six bras s’élevaient du côté de l’arbre, trois de chaque côté.
Exode 37:22
Les boutons et les bras formaient un tout avec le lustre : une pièce d’engrenage en or pur.
Travail 5:15-16
Mais les nécessiteux qu’il sauve de leur bouche,
les nécessiteux des griffes des puissants.
16Ainsi les pauvres peuvent avoir de l’espoir
et les injustes sont réduits au silence.
Travail 20:10
Ses enfants perdent toutes ses richesses, même les mendiants demandent l’aumône.
Travail 20:19
Parce qu’il frappe plutôt qu’il ne soutient les pauvres, vole plutôt qu’il ne protège leurs maisons ;
Travail 31:16
Jamais je n’ai refusé les armes qu’ils demandaient, je n’ai jamais laissé les veuves se débrouiller seules,
Psaume 9:19
les pauvres ne seront pas oubliés à jamais,
ce que les humbles ont espéré n’est pas perdu à jamais.
Psaume 72:2
qu’il juge ton peuple avec droiture, tes affligés avec justice;
Psaume 109:31
car il se tient à côté des pauvres, pour le délivrer des griffes de ceux qui ont jugé.
Psaume 140 :13
Je sais : le Seigneur conduit le plaidoyer des pauvres, le plaidoyer des pauvres. 14Que les justes bénissent ton nom, dans ta gloire habite les hommes droits.
Esaïe 01:17
Apprenez plutôt à faire le bien, à pratiquer la justice, à aider les opprimés, à rendre justice aux orphelins, à défendre les veuves.
(gwenovitch s’engage aussi pour la justice ici sur le site)
Esaïe 10 :2
et ainsi écarter les pauvres de leurs droits, et priver les humbles de mon peuple de leur dû, piller les veuves et exploiter les orphelins. (Comme les riches traitent les pauvres parce qu’ils ne possèdent pas les bons dons et pillent les pauvres,
voir dons et talents « introduction de la leçon 1 »)
Esaïe 13:7
C’est pourquoi chacun laisse pendre ses mains molles, les gens perdent tout courage.
Osée 11:3
et pourtant c’est moi qui ai appris à marcher à Éphraïm, qui l’ai pris par les bras. Cependant, ils ne voulaient pas savoir que c’était moi qui les protégeais.
Amos 8:4
Écoutez ceci, vous qui tendez des pièges aux pauvres pour détruire les pauvres dans le pays,
Sophonie 3:12
Alors je ne laisserai dans tes murs qu’un peuple humble, humble, qui se réfugie au nom de l’Éternel,
Matthieu 18 :5
Et quiconque reçoit un tel enfant (comme gwenovitch dans cette communauté) en Mon Nom Me reçoit.
Matthieu 26:9
Après tout, il aurait pu être vendu cher au profit des pauvres.
Luc 2:28
il prit aussi l’enfant dans ses bras et proclama la louange de Dieu en disant :
Luc 8:40
Quand Jésus fut reçu par le peuple à son retour, parce que tout le monde l’attendait,
Luc 14 :13
Mais quand vous donnez un banquet, invitez les pauvres, les infirmes, les boiteux et les aveugles.
Ézéchiel 30:24
Je renforcerai le bras du roi de Babylone, et je mettrai mon épée dans sa main, mais je briserai les bras de Pharaon ; et gémissant comme un blessé mortellement, il succombera au roi de Babylone.
Genèse 45 :15
Il embrassa ses autres frères et pleura en les serrant dans ses bras. Ce n’est qu’alors que ses frères osèrent lui parler.
Exode 25:32
Six bras doivent remonter sur l’arbre depuis le côté, trois de chaque côté.
Exode 25:36
Les boutons et les bras forment un tout avec le lustre: une pièce d’équipement constituée d’or pur.
Deutéronome 15:7
Si l’un de vos frères est tombé dans la pauvreté dans une ville du pays que l’Éternel, ton Dieu, te donne, alors ne soyez pas dur sur votre pauvre frère ou de fermer votre sac à main contre lui.
Travail 30:25
N’ai-je pas été triste avec les affligés, pauvre avec les pauvres ?
Travail 31:32
Aucun étranger n’avait besoin de dormir dehors, ma porte était toujours ouverte aux voyageurs.
Travail 34:28
Ils font crier le pauvre et Dieu l’entend, car la complainte du pauvre ne le laisse pas indifférent.
Psaume 10:12
Lève-toi, Seigneur ! Agis d’une main puissante, ô Dieu !
n’oubliez pas ceux qui sont inclinés :
Psaume 69:34
le Seigneur entendra Déshérités, il dédaigne pas son propre chaînes d’airain.
Psaume 82:3
Rendez justice aux pauvres et aux orphelins, protégez les pauvres et les démunis,
Psaume 107:41
mais il sauve les pauvres de la calamité, et rend les tribus aussi nombreuses que les brebis.
Psaume 112 : 9
Là où il y a besoin, il donne abondamment : sa justice défie les temps. Et le puissant lève sa corne. (le pauvre a autant de droits que le riche, mais le riche abuse de son pouvoir pour le pauvre blaireau)
Psaume 113:7
qui relève le pauvre de la poussière, qui relève le pauvre de la fange,
Psaume 132:15
Je le bénirai légèrement avec de la nourriture, je rassasierai ses pauvres avec du pain ;
Proverbes 13:7
Certains prétendent être riches et n’avoir rien du tout, d’autres prétendent être pauvres et très riches.
Proverbes 13:23
La terre nouvellement défrichée des pauvres fournit une nourriture riche, mais les biens sont volés quand il n’y a pas de justice.
Proverbes 21:13
Celui qui ferme l’oreille au cri des pauvres, lui aussi pleurera et ne recevra aucune réponse.
Proverbes 21:28
Un témoin menteur tombe, mais l’homme qui sait écouter pourra toujours parler.
Proverbes 28:27
Celui qui donne aux pauvres n’a pas besoin, mais celui qui lui ferme les yeux est sévèrement maudit.
Proverbes 29:7
Le juste reconnaît les droits des pauvres, le pécheur ne le comprend pas.
Proverbes 30 :14
il y a une génération qui a des dents comme des épées et des dents comme des couteaux, pour manger les pauvres du pays, et les nécessiteux du peuple des hommes.
Esaïe 3:14
Yahweh poursuit les anciens et les chefs de son peuple en disant : « Vous avez pillé les vignes et rempli vos maisons des biens volés des pauvres. (comment les riches agissent ne rendent pas compte ou n’ont pas besoin d’instruction ils piétinent les pauvres parce qu’ils n’ont pas d’aussi bons dons que Yahweh)
Esaïe 11 :4
il rend justice aux pauvres et les pauvres du pays reçoivent une juste sentence. Il châtie les oppresseurs avec le bâton de sa bouche, et tue les méchants avec le souffle de ses lèvres.
Esaïe 29 :19
Les pauvres retrouvent leur joie en Yahvé, les démunis du pays se réjouissent en le Saint d’Israël.
Esaïe 40 :11
Comme un berger, il paîtra son troupeau ; dans son bras il rassemble les agneaux et les porte sur sa poitrine comme il conduit les brebis.
Jérémie 5:4
Au début, j’ai pensé : ’Ce sont les pauvres. Ils ne connaissent pas mieux, ils ne connaissent pas la volonté de l’Éternel; ils ne savent pas ce que Dieu leur demande.
Jérémie 48:25
”La corne de Moab est coupée, sa force est brisée” – l’oracle de l’Éternel -.
Ézéchiel 22:29
Les gens du pays sont coupables d’extorsion et s’approprient la propriété d’autrui ; il opprime les démunis et les nécessiteux et fait violence aux étrangers contre toute justice.
Zacharie 7 :10
n’opprimez pas la veuve et l’orphelin, l’étranger et le pauvre, et ne complotez pas les uns contre les autres.
Zacharie 13:6
Et quand quelqu’un lui demande : « D’où viennent les blessures dans ta poitrine ? il répondra : ’Ceux-ci m’ont été apportés dans la maison de mes amants.’
Marc 10:16
Puis Il les embrassa et les bénit, leur imposant les mains.
Marc 14:5
Le baume aurait pu être vendu plus de trois cents deniers au profit des pauvres. Quand ils courent contre elle,
Jean 12:5
« Pourquoi ce baume n’a-t-il pas été vendu trois cents deniers et l’argent donné aux pauvres ?
Actes 24:17
Ainsi je suis revenu après de nombreuses années pour faire l’aumône à mon peuple ou pour offrir des sacrifices.
2 Corinthiens 9:9
De même il est écrit : Il a donné généreusement aux pauvres, et sa générosité dure à toujours.
Exode 17:12
Finalement, les bras de Moïse se fatiguèrent. Puis ils lui apportèrent une pierre sur laquelle il s’assit. Aaron et Hur soutenaient ses bras, chacun d’un côté. Ses bras restèrent ainsi levés jusqu’au coucher du soleil.
Exode 34:29
Lorsque Moïse est descendu du mont Sinaï avec les deux plaques de pierre, le texte de l’alliance, il n’était pas conscient que son visage brillait parce qu’il avait parlé avec lui.
Lévitique 23:22
Lorsque vous prenez vos récoltes de la terre, vous ne devez pas faucher votre champ jusqu’au bord, et vous ne devez pas ramasser ce qui reste. C’est pour les pauvres et les étrangers. Je suis Yahvé votre Dieu.
Nombres 8:4
De plus, les dons sacrés restent la propriété de celui qui les offre, et le prêtre obtient toujours ce qu’on veut lui donner.
Juges 5:10
Vous, cavaliers d’ânes blancs, qui êtes assis sur de riches châles, vous qui marchez sur les routes, continuez d’en parler,
1 rois 1:2
Alors ses eunuques lui dirent : « Il faut chercher une jeune fille pour notre seigneur le roi ; elle pouvait servir le roi et prendre soin de lui ; elle pourrait dormir dans ton ventre, et notre seigneur le roi aura chaud de toute façon.
1 rois 3:20
Mais au milieu de la nuit, pendant que ta servante dormait, elle se leva et me prit mon enfant et le plaça dans son ventre, et mit son enfant mort dans mon ventre.
1 rois 7:49
les lustres d’or pur, cinq à droite et cinq à gauche pour l’arrière-salle, les fleurs d’or, lampes et éteignoirs,
Travail 24:4-5
violer les droits des pauvres : se cacher est leur seule chance. 5Et alors ces inquiets partirent de bonne heure dans la steppe, comme des ânes sauvages en quête de nourriture; et tard le soir, leurs enfants n’ont rien à manger.
Travail 29:12
car j’étais le sauveur des pauvres impuissants, l’aide des orphelins impuissants.
Psaume 12:6
’Pour la violence des humbles, c’est,
c’est pour la lamentation des pauvres
que je m’exalte maintenant, dit le Seigneur,
’Je sauverai ceux qui sont menacés.’
Psaume 22:27
Une fois que les pauvres satisfont leur faim ;
louez le Seigneur ceux qui le cherchent;
leurs cœurs vivront pour toujours.
Psaume 74:21
Les sans défense ne sont pas toujours humiliés : ton nom aime ceux qui étaient pauvres et injustes.
Psaume 109:16
« Puisque toute miséricorde était loin de lui, puisqu’il chassait plutôt à la mort les pauvres sans défense, les désespérés,
Proverbes 28:3
Un chef qui opprime les pauvres est comme une pluie qui emporte et n’apporte pas de pain.
Proverbes 28:8
Quiconque augmente sa fortune avec intérêt et usure, l’amasse pour celui qui a pitié des pauvres.
Cantique des Cantiques 5:14
Ses armes sont des barres d’or serties de chrysolite ; son corps est en ivoire poli, garni de saphirs.
Esaïe 14:30
Les pauvres de mon peuple paîtront dans mes prés, les humbles reposeront tranquillement ; mais je mourrai de faim de ta racine, et ce qu’il te restera, je le couperai !
Esaïe 49:22
Ainsi parle le Seigneur Jéhovah : Voici, je lève ma main vers les nations, et je lève ma bannière devant les nations ; ils vous amèneront vos fils dans leurs bras, et vos filles seront portées sur leurs épaules.
Esaïe 58:7
Jeûner n’est-ce pas ceci : partager son pain avec les affamés ; accueillir les pauvres clochards dans votre maison; habille un homme nu que tu vois, et ne te cache pas des soins de ton frère ?
Jérémie 2:34
Même sur l’ourlet de ton vêtement, il y a le sang d’innocents, de gens qui n’ont pas été surpris en train d’entrer en effraction.
Jérémie 5:28
Ils brillent de graisse ; ils sont corrompus de part en part. Ils violent la loi ; ils ne défendent pas les orphelins ; ils ne se soucient pas de la cause des pauvres.
Jérémie 22 :16-17
Il a défendu les pauvres et les nécessiteux. Que j’appelle : Me connaissant – oracle de Yahvé -. 17Mais tu ne cherches que pour ton propre profit, pour répandre le sang innocent, pour l’oppression et l’extorsion.
Jérémie 40:7
Les officiers et les hommes qui étaient encore sur le terrain apprirent que Guedalia, fils d’Achikam, avait été nommé gouverneur par le roi de Babylone et qu’il était chargé de prendre soin des plus pauvres du pays, hommes, femmes et enfants non captifs. Babylone.
Lamentations 2:12
Ils ont également demandé à leur mère : « Où sont le pain et le vin ? mais combattirent blessés à mort dans les rues de la ville, et rendirent l’esprit dans le ventre de leur mère.
Ézéchiel 16:49
L’iniquité de ta sœur Sodome et de ses filles était qu’elles vivaient dans la prodigalité dont elles se vantaient, et dans un repos insouciant, et ne se souciaient pas des nécessiteux et des miséreux.
Ézéchiel 18:12
opprime les démunis et les nécessiteux, s’approprie les biens d’autrui, ne rend pas de gage, lève les yeux sur les idoles et commet des abominations,
Ézéchiel 18:17
abstiens-toi de l’iniquité, et garde mes commandements, et garde mes préceptes : et ce fils ne mourra pas à cause de l’iniquité de son père ; il vivra sûrement.
Ézéchiel 21:26
Car le roi de Babylone se tient à l’embranchement où commencent les deux routes, et demande un oracle. Il secoue les flèches, consulte les dieux domestiques et examine le foie.
Daniel 2:32
La tête de cette image était d’or pur, sa poitrine et ses bras d’argent, son ventre et ses reins d’airain,
Amos 2:7
parce qu’ils piétinent les humbles comme la poussière de la terre et violent la justice des pauvres, Père et fils vont vers la même jeune fille et profanent ainsi mon saint nom.
Amos 5:7
La justice est transformée en absinthe et la justice est écrasée au sol.
Amos 5:12
Car je sais combien sont vos transgressions, combien sont vos péchés ; tu tourmentes les justes, tu prends des pots-de-vin et tu opprimes les pauvres à la porte.
Amos 8:6
Ensuite, nous achetons le petit pour de l’argent, le pauvre pour une paire de chaussures, et nous échangeons même la lie de notre blé.
Matthieu 19 :21
Jésus lui dit : « Si tu veux être parfait, rentre chez toi, vends ce que tu as et donne aux pauvres ; avec elle, vous aurez un trésor dans le ciel. Et puis reviens pour Me suivre.
Jean 12: 6
Il a dit cela, non pas parce qu’il se souciait des pauvres, mais parce qu’il était un voleur et qu’il prenait de la bourse, il gardait ce qu’il y avait dedans.
Jean 13:29
Parce que Judas gardait la bourse, certains pensaient que Jésus lui avait demandé « d’acheter ce dont nous avons besoin pour la fête », ou qu’il devait donner aux pauvres.
Actes 10 :2
Lui et tous les membres de sa famille étaient pieux et craignaient Dieu. Il faisait beaucoup d’aumônes au peuple et priait Dieu constamment.
(notre maison que nous voulons ériger dont nous rêvons que nous obtiendrons de la providence du seigneur en temps voulu cliquez ici)
Actes 10:31
et dit : Cornélius, ta prière est exaucée, et ton aumône est continuellement dans l’esprit de Dieu.
Actes 15:4
A leur arrivée à Jérusalem, ils furent reçus par la congrégation, les apôtres et les anciens, et ils racontèrent tout ce que Dieu avait accompli avec leur coopération.
Actes 20:10
Mais Paul descendit, s’étendit sur lui, l’entoura de ses bras et dit : « Ne vous inquiétez pas, car il y a de la vie en lui.
Colossiens 4:10
Salutations d’Aristarque, mon compagnon de captivité, et de Marc, le neveu de Barnabas, dont vous avez déjà reçu des instructions ; reçois-le bien quand il vient à toi.
Jacques 2:5
Écoutez, chers frères : Dieu a choisi les pauvres du monde pour être riches de foi et héritiers du royaume qu’il a promis à ceux qui l’aiment.
Exode 2:9
La fille de Pharaon lui ordonna : « Prends cet enfant et nourris-le pour moi ; Je vous en récompenserai personnellement. Alors la femme a pris l’enfant et l’a allaité.
Exode 9:29
Et Moïse lui répondit : « Dès que je suis hors de la ville, je lève les mains vers Yahvé ; alors le tonnerre se taira, et la grêle cessera ; alors tu sais que toute la terre appartient à Yahvé.
Exode 23:11
Mais pendant la septième année, tu ne la cultiveras pas et tu la laisseras en jachère. Alors les nécessiteux de ton peuple pourront en manger. Ce qu’ils laissent, c’est pour les animaux qui vivent dans la nature. Il en va de même pour votre vignoble et votre oliveraie.
Exodus 37:23
Sept lampes à museau et bols ont été fabriquées pour le lustre, toutes en or pur.
Lévitique 19:10
Tu ne glaneras pas dans ta vigne, et tu ne récolteras pas les raisins tombés. Tout cela est pour les pauvres et les étrangers. Je suis Yahvé votre Dieu.
Nombres 32:6
Mais Moïse dit aux Gadites et aux Rubénites : « Quoi ! Partez en guerre avec vos frères et restez ici !
Psaume 62:10
Un homme – rien qu’un souffle, évaporant même le plus grand ; ils montent sur la balance, à peine un soupir ensemble !
Esaïe 14:32
Comment répondons-nous aux chansons de ce peuple ? Que l’Éternel a posé les fondements de Sion, et que les pauvres de son peuple y sont cachés.
Esaïe 25:4
Car tu as été un refuge contre les gouvernements, une prise pour les pauvres dans le besoin, un abri contre la pluie, une ombre contre la chaleur. La rage des tyrans est comme la pluie d’hiver,
Esaïe 41:17
Les pauvres et les nécessiteux cherchent de l’eau et elle n’y est pas, leurs langues sont desséchées par la soif. Moi, Yahvé, je les entendrai; Moi, le Dieu d’Israël, je ne les abandonne pas.
Ézéchiel 13:20
Ainsi parle Yahvé l’Éternel : J’arracherai les pièges avec lesquels vous attraperez les vies comme des oiseaux des bras de vos victimes, et je libérerai les vies que vous avez capturées comme des oiseaux.
Daniel 4:27
puis s’écria : « N’est-ce pas cette grande Babylone que j’ai bâtie par la puissance de mes richesses et à la gloire de ma majesté comme ma demeure royale !
Daniel 10:6
Son corps ressemblait à une topaze et son visage brillait comme un éclair ; ses yeux étaient des torches de feu, ses bras et ses jambes brillaient comme du bronze bruni, et sa voix était aussi forte que les cris d’une foule.
Amos 4:1
Écoutez cette parole, vaches de Basan dans la montagne de Samarie, vous qui opprimez les pauvres, qui piétinez les pauvres, et dites à vos hommes : « Abreuvez-nous !
Luc 9:48
et leur dit : « Quiconque reçoit cet enfant (gwenovitch) en mon nom me reçoit, et quiconque me reçoit reçoit celui qui m’a envoyé. Ainsi, celui qui est le plus petit d’entre vous est le plus grand.’
Luc 14:21
Lorsqu’il rentra chez lui, ce serviteur fit part de tout cela à son maître. Le maître de la maison, furieux, ordonna à son serviteur : Dépêchez-vous dans les rues et les ruelles de la ville, et faites entrer ici les pauvres, les infirmes, les aveugles et les estropiés.
Luc 18:22
Quand Jésus entendit cela, il lui dit : « Il te manque encore une chose : vends tout ce que tu as et distribue-le aux pauvres ; après quoi tu auras un trésor dans le ciel. Et puis reviens pour Me suivre.’
Luc 19:8
Mais Zachée s’approcha du Seigneur et dit : « Seigneur, je donne par la présente la moitié de mes biens aux pauvres ; et si j’ai extorqué quelque chose à quelqu’un, je le rends au quadruple.
Actes 9:36
A cette époque vivait à Joppé une étudiante nommée Tabita, ce qui signifie en traduction Dorcas, Gazelle. Elle était inépuisable à faire de bonnes œuvres et à faire l’aumône.
Actes 10:4
Ce dernier le dévisagea et dit avec terreur : « Qu’y a-t-il, mon seigneur ? Il répondit : « Vos prières et aumônes sont montées et sont constamment dans la pensée de Dieu.
Actes 20:35
En toutes choses, je vous ai montré qu’en travaillant ainsi, on doit aider les faibles, et que vous devez vous souvenir des paroles du Seigneur Jésus. Car il a dit : Il y a plus de bonheur à donner qu’à recevoir.
1 Corinthiens 4:9
Pour nous apôtres, je pense que Dieu a désigné la moindre place, celle des condamnés à mort. Nous sommes devenus un spectacle pour tout le monde, pour les anges et pour les hommes :
1 Thessaloniciens 1:9
Ils racontent eux-mêmes comment nous sommes venus à vous et comment nous avons été reçus par vous : comment vous vous êtes tournés vers Dieu à partir des idoles, pour servir le Dieu vivant et vrai,
Genèse 48:14
Et Israël étendit sa main droite et la posa sur la tête d’Éphraïm, bien qu’il fût le plus jeune; et il posa sa main gauche sur la tête de Manassé, bien que Manassé fût le premier-né ; alors il croisa les mains.
Juges 15:14
Quand il arriva à Léhi, et que les Philistins vinrent lui crier dessus, l’esprit de l’Éternel s’empara de lui.
1 Samuel 2:8
Il relève le faible de la poussière ; Il retire le pauvre de la ceinture de cendres et lui donne une place parmi les grands ; Il lui attribue un siège d’honneur. Les colonnes de la terre appartiennent à Yahvé : sur elles il a placé le monde.
1 rois 1:3
Ainsi, une belle fille a été recherchée sur tout le territoire israélite. Le choix tomba sur Abishag la Sunamite, et elle fut amenée devant le roi.
Esther 9:22
comme les jours où les Juifs avaient reçu le repos de leurs ennemis, et comme le mois où leur tristesse se changea en joie, et leur deuil se changea en fête. Ils devaient faire de ces jours des jours de repas et de joie, s’envoyer des portions de repas et penser du bien des pauvres.
Travail 24:14
des meurtriers qui se lèvent dans l’obscurité pour tuer les pauvres et les faibles, des voleurs qui rôdent la nuit,
Cantique des Cantiques 8:6
Porte-moi comme un sceau sur ton cœur, comme un sceau sur ton bras : car aussi fort que soit l’amour, avec l’inexorabilité du royaume des morts, il exclut tout le monde. Ses étincelles sont des éclairs, les flammes de Yahvé.
Jérémie 49:9
Quand les vendangeurs arrivent,
il n’y a plus rien à récolter.
Quand les voleurs font irruption la nuit,
ils détruisent tout ce qu’ils veulent.
Ézéchiel 30:25
Je renforcerai les bras du roi de Babylone, mais les bras de Pharaon perdront toute force. L’Égypte saura que je suis l’Éternel : j’ai remis mon épée entre les mains du roi de Babylone, et il en frappera l’Égypte.
Amos 2:6
Ainsi parle Yahvé : Après les crimes répétés d’Israël, je ne changerai pas ma décision ! Parce qu’ils vendent les justes pour de l’argent, les pauvres pour une paire de chaussures,
Amos 5:11
C’est pourquoi, vous qui foulez aux pieds le faible et qui tirez le tribut de sa récolte de blé, vous bâtissez des maisons de pierre, mais vous n’y habiterez pas; Vous plantez de belles vignes, mais vous n’en boirez pas le vin.
Marc 10:21
Alors Jésus le regarda avec amour et dit : « Il te manque une chose : va vendre ce que tu as et donne aux pauvres, et tu auras un trésor dans le ciel avec. Et puis reviens pour Me suivre.
2 chroniques 6:12
Alors Salomon se tint devant l’autel de l’Éternel, aux yeux de toute l’assemblée d’Israël, et étendit les mains.
Esaïe 41:7
L’artisan encourage le forgeron, le polisseur avec son marteau le frappe sur l’enclume ; il dit d’une soudure : « C’est bon. Il fixe ensuite la statue avec des clous pour qu’elle ne vacille pas.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.