nl Nederlands
nl Nederlandsen Englishfr Françaisde Deutschit Italianoes Español

bijbelvers 005 deuteronomium

Download

- Stars (0)

0 Downloads

Owner: admin

Version: 1.0

Last Updated: 21-09-2021 4:38

Share
DescriptionPreviewVersions
3.2.1 geloven christendom - bijbelvers 005 deuteronomium.pdf

Bron: https://rkbijbel.nl/kbs/bijbel/willibrord1975/neovulgaat https://nl.wikipedia.org/wiki/Deuteronomium

De Willibrordvertaling is dé standaardvertaling van de rooms katholieke geloofsgemeenschap in het Nederlands taalgebied en wordt uitgegeven door de Katholieke Bijbelstichting, in nauwe samenwerking met de Vlaamse Bijbelstichting. De Willibrordvertaling wordt alom gewaardeerd als een vertaling die trouw is aan de grondtekst en die tegelijkertijd een tekst biedt in begrijpelijk hedendaags Nederlands.

Deuteronomium is het vijfde boek van de Thora (Pentateuch) en Hebreeuwse Bijbel.

Aan het einde van Numeri staan de Israëlieten in het territorium van de Moabieten en op het punt om het Beloofde Land binnen te gaan. Het opschrift van Deuteronomium 1:1-5 kondigt een rede van Mozes aan, die hij op dit markante punt in de geschiedenis van de Israëlieten hield. Aan het einde van Deuteronomium wordt naar die dag[8] en plaats Moab[9] terugverwezen.

Deuteronomium is daarom de afscheidsrede van Mozes, die hij hield met zijn dood voor ogen. Dit past in de traditie van deuteronomistische geschiedenis.[10] De afscheidsrede van Mozes valt op door de grote lengte. In feite valt de rede uiteen in vier redevoeringen, ieder voorafgegaan door een opschrift:

Deuteronomium 1-4 (opschrift: 1:1-5)

Deuteronomium 5-28 (opschrift 4:44)

Deuteronomium 29-32 (opschrift 28:69)

Deuteronomium 33 (opschrift 33:1)

Rond de opschriften worden ook handelingen van Mozes beschreven, vooral in Deuteronomium 31.

Eerste redevoering (hoofdstuk 1-4)

De redevoering begint met JHWHs bevel van de Horeb (de deuteronomistische benaming van de Sinaï) op te breken om het Beloofde Land in bezit te nemen.[11] De verovering mislukte omdat het volk weerspannig was[12] en leidde tot een ernstige nederlaag.[13] Als straf mocht deze ongehoorzame generatie, net als hun leider Mozes, het Beloofde Land niet innemen.[14] Pas de volgende generatie versloeg legendarische

1

figuren als Sichon en Og, vermeed schermutselingen met de Edomieten, Moabieten en Ammonieten en veroverde het gebied ten oosten van de Jordaan.

In het verhaal staat Mozes aan de grens met de Westelijke Jordaanoever, in de vallei tegenover Bet-Peor. In Deuteronomium 4 en 5 verrast het verslag, want de gebeurtenissen rond de Horeb die volgen, gingen chronologisch vooraf aan de gebeurtenissen in Deuteronomium 1-3.

De sectie in 4:1-14 stelt met de terugblik (vers 3) bij de vrees voor God (vers 10) en het verbond het eerste gebod centraal. De blijvende indruk van de ontmoeting met God is het woord, niet de figuur (vers 12). De volgende passage in 4:15-28 grijpt terug naar de gebeurtenissen op de Horeb, vooral naar de onzichtbare vorm van God. Waar deze gedachte in vers 12 het contrast tussen de vorm en het woord van God diende, beklemtoont het hier het verbod op het maken van een beeld van God. In 4:29-40 komen de gebeurtenissen op de Horeb opnieuw in beeld, maar met een nieuw facet: de ontmoeting van God op deze berg bewijst het unieke karakter van God (vers 35).

Tweede redevoering (hoofdstuk 5-28)

De tweede toespraak vormt de hoofdmoot van het boek. De hoofdstukken 5-11 vormen een inleiding. Hierin worden de tien geboden herhaald, die God op de berg Sinaï gegeven heeft. In de hoofdstukken 12-28 volgt de wetsherhaling met instellingen die de Israëlieten in acht moeten nemen wanneer ze zich in het land Kanaän vestigen.

Deze tweede toespraak kan als volgt worden onderverdeeld:

de hoofdstukken 5-11 vormen een uiteenzetting van de tien geboden, waarop de theocratie gebaseerd was;

de hoofdstukken 12-28 bevatten bepalingen voor aanbidding, reinheid, belastingen, de drie jaarlijkse feesten, de handhaving van het recht, van koningen, priesters en profeten, oorlog, en het persoonlijke en sociale leven van de mensen. Deze bepalingen zijn eerder sociaal dan religieus.

Derde redevoering (hoofdstuk 29-32)

De derde redevoering bestaat voor een groot deel uit een beschrijving van de straffen die op het verlaten van de wet stonden, en van de zegeningen die het gevolg zijn van gehoorzaamheid. Mozes roept hen op gelovig het verbond dat God met hen gesloten had trouw te blijven. Het besluit met een lied dat God Mozes opgedragen had te schrijven (32:1-47) en het verhaal van zijn sterven (32:48-52).

Vierde redevoering (hoofdstuk 33)

De vierde redevoering bevat de zegeningen die Mozes uitsprak over elke stam.

Overige delen van Deuteronomium

In Deuteronomium 31 stelt Mozes Jozua aan als zijn opvolger om het volk het land Kanaän binnen te leiden. Hoofdstuk 34 beschrijft Mozes’ begrafenis.

Hoofdstuk 1

Dit is de rede die Mozes aan de overzijde van de Jordaan voor heel Israël gehouden heeft, in de Araba bij Suf, tussen Paran en Tofel, Laban, Chaserot en Di-zahab. 2De afstand van de Horeb tot aan Kades-barnea langs de weg door het seïrgebergte is elf dagreizen. 3Toen Mozes in opdracht van Jahwe zijn rede tot de Israëlieten hield, was het het veertigste jaar, de eerste dag van de elfde maand. 4Mozes had Sichon, de koning van de Amorieten die in Chesbon woonde, en Og, de koning van Basan die in Astarot en Edrei woonde, verslagen. 5Aan de overzijde van de Jordaan, in Moab, begon hij toen deze wet af te kondigen. Hij zei: 6Jahwe onze God heeft bij de Horeb tot ons gezegd: `Gij zijt nu lang genoeg bij deze berg gebleven. 7Trek verder naar het bergland van de Amorieten en naar hun naburen in de Araba, in het bergland, in de Sefela, in de Negeb en aan de zeekust, het gebied van de Kanaänieten, en de Libanon tot aan de grote rivier, de Eufraat. 8Aan u geef Ik dat land in handen. Ga dus bezit nemen van het land, dat Jahwe aan uw vaderen, aan Abraham, Isaak en Jakob onder ede beloofd heeft, aan hen en aan hun nageslacht.’ 9In die tijd heb ik tot u gezegd: `Ik kan de zorg voor u niet meer alleen dragen. 10Jahwe uw God heeft u vandaag al even talrijk gemaakt als de sterren aan de hemel. 11En ik hoop dat Jahwe, de God van uw vaderen, u nog duizend maal zo talrijk maakt en u zijn zegen schenkt, zoals Hij beloofd heeft. 12Het is voor mij niet meer mogelijk alle zorgen, lasten en onenigheden, die zich bij u voordoen, alleen te dragen. 13Wijs daarom uit elke stam verstandige, kundige en ervaren mannen aan; dan zal ik die als uw leiders aanstellen.’ 14Gij hebt daarop geantwoord: `Dat is een uitstekend voorstel.’ 15Toen heb ik uw stamhoofden, verstandige en ervaren mannen, als leiders over u aangesteld, aanvoerders van duizend en honderd, aanvoerders van vijftig en tien, en ook nog schrijvers, uit elke stam. 16Uw rechters heb ik toen voorgehouden: `Gij moet beide partijen horen en rechtvaardig vonnis vellen, zowel bij rechtszaken met volksgenoten als met vreemdelingen. 17Ge moogt bij het rechtspreken niemand naar de ogen zien: ge moet de
mindere man even goed gehoor verlenen als de hooggeplaatste. Ge moet u door niemand laten intimideren, want de rechtspraak is iets van God. Als een zaak te moeilijk voor u is, moet ge die aan mij voorleggen; dan zal ik die behandelen.’ 18Zo heb ik indertijd uw taak omschreven. 19Daarop zijn wij van de Horeb weggegaan en zijn wij, op bevel van Jahwe, zoals gijzelf hebt meegemaakt, door die grote en verschrikkelijke woestijn getrokken in de richting van het bergland van de Amorieten, tot wij in Kades-barnea kwamen. 20Ik heb u toen gezegd: `Gij hebt nu het bergland van de Amorieten bereikt, dat Jahwe onze God ons schenkt. 21Jahwe uw God heeft u dit land overgeleverd. Trek op en neem het in bezit, zoals Jahwe de God van uw vaderen u beloofd heeft. Vrees niet en wees niet bang!’ 22Maar toen zijt ge met u allen naar mij toe gekomen en hebt gezegd: `Laat ons eerst enkele mannen vooruitsturen om het land te verkennen en ons in te lichten over de weg die wij moeten nemen, en over de steden waar wij zullen komen.’ 23Omdat dit voorstel mij verstandig leek, heb ik twaalf mannen aangewezen, een uit elke stam. 24Die zijn op weg gegaan, het gebergte in. Zij zijn tot het dal Eskol doorgedrongen en hebben dat verkend; 25zij hebben vruchten van het land geplukt en die mee naar beneden gebracht. En toen zij ons verslag uitbrachten, hebben zij gezegd: `Het land dat Jahwe onze God ons schenkt is een heerlijk land.’ 26Maar gij hebt er toen niet heen willen trekken; ge zijt in verzet gekomen tegen Jahwe uw God. 27Ge hebt in uw tenten zitten morren en gezegd: `Jahwe haat ons! Hij heeft ons uit Egypte geleid en nu laat Hij ons in de handen van de Amorieten vallen om ons uit te roeien! 28Waar trekken wij toch naar toe? Onze broeders hebben ons de moed benomen door te zeggen: `De mensen daar zijn groter en langer dan wij; de steden zijn groot en de vestingmuren hemelhoog. Wij hebben er zelfs Enakieten gezien.’ 29Ik heb u nog gezegd: `Wees voor hen niet bang of bevreesd. 30Jahwe uw God gaat voor u uit. Hij zal zelf voor u strijden, juist zoals Hij dat in Egypte voor uw eigen ogen heeft gedaan, 31en in de woestijn, waar gij ervaren hebt hoe Jahwe uw God u gedragen heeft zoals iemand zijn zoon draagt, heel de lange tocht tot hier toe.’ 32Maar desondanks hebt ge geen vertrouwen gesteld in Jahwe uw God, 33in Hem die onderweg voor u uitging op zoek naar een legerplaats, ’s nachts in een vuurgloed om u de weg te wijzen die ge moest gaan, en overdag in een wolk. 34Toen Jahwe uw gepraat hoorde, is Hij kwaad geworden en heeft gezworen: 35`Niet een van die mannen, dat verdorven geslacht, zal het heerlijke land aanschouwen, dat Ik uw vaderen onder ede beloofd heb, 36behalve Kaleb, zoon van Jefunne. Aan hem en zijn kinderen zal Ik het land schenken dat hij heeft verkend, want hij is Jahwe in alles trouw gebleven.’ 37Ook op mij is Jahwe door uw schuld kwaad geworden; Hij heeft mij gezegd: `Gij zult er evenmin binnengaan, 38maar wel Jozua, zoon van Nun, uw helper. Spreek hem moed in, want hij zal Israël in bezit stellen van het land. 39Ook uw kleine kinderen, die volgens uw zeggen een prooi voor de vijand zouden zijn, uw zonen, die nu nog geen goed van kwaad kunnen onderscheiden, zij zullen er binnengaan; aan hen zal Ik het
schenken en zij zullen het in bezit nemen. 40Maar gij moet nu opnieuw de woestijn intrekken, in de richting van de Rietzee.’ 41Toen hebt ge geantwoord: `Wij hebben misdaan tegen Jahwe! Wij zullen optrekken en de strijd beginnen, zoals Jahwe onze God heeft bevolen.’ Ieder van uw gordde zijn wapens aan, alsof het ineens gemakkelijk was het bergland in te trekken. 42Maar Jahwe sprak tot mij: `Zeg hun dat ze niet optrekken en de strijd niet beginnen, want Ik zal niet met hen zijn; en dan zouden ze door de vijand verslagen worden.’ 43Ik heb u die woorden overgebracht, maar ge hebt niet willen luisteren; ge hebt u verzet tegen Jahwe en zijt toch zo vermetel geweest om het bergland in te trekken. 44De Amorieten in dat bergland zijn tegen u uitgerukt, als bijen hebben ze u achtervolgd, en van seïr af tot Chorma toe op u ingeslagen. 45Na uw terugkeer hebt ge voor Jahwe een weeklacht aangeheven, maar Hij heeft niet naar u geluisterd en u niet verhoord. 46Daarom zijt ge zo lang in Kades gebleven.

Hoofdstuk 2

Daarna zijn wij opnieuw de woestijn in getrokken in de richting van de Rietzee, zoals Jahwe mij had opgedragen, en lange tijd zijn wij om het seïrgebergte heengetrokken. 2Toen heeft Jahwe mij gezegd: 3`Ge zijt lang genoeg om dit gebergte heengetrokken, ga nu naar het noorden 4en geef het volk dit bevel: Gij komt nu dwars door het gebied van uw broeders, de zonen van Esau die in seïr wonen. Zij zullen bang voor u zijn, maar ge moet er wel voor zorgen 5geen strijd met hen aan te gaan, want Ik zal u van hun land zelfs geen voetbreed geven: aan Esau immers heb Ik het seïrgebergte in eigendom gegeven. 6Het voedsel dat ge nodig hebt moet ge tegen betaling van hen kopen, en het drinkwater eveneens. 7Gij weet toch dat Jahwe uw God alles wat gij doet gezegend heeft: Hij heeft voor u gezorgd op uw tocht door die grote woestijn; al die veertig jaren is Jahwe uw God met u geweest, zodat het u aan niets heeft ontbroken.’ 8Zo zijn wij dan langs onze broeders getrokken, langs de zonen van Esau die in seïr wonen, zonder op de weg te komen die vanuit Elat en Esjon-geber door de Araba loopt. Daarop zijn wij een andere richting uitgegaan en door de woestijn van Moab getrokken. 9 Jahwe heeft mij toen gezegd: `Val de Moabieten niet aan en begin geen oorlog tegen hen, want Ik zal u van hun land niets in eigendom geven. 10Vroeger woonden daar Emieten, een groot en talrijk volk; zij waren even lang als de Enakieten. 11Evenals de Enakieten rekende men hen tot de Refaieten, maar de Moabieten noemden hen Emieten. 12In seïr woonden vroeger Chorieten, maar de zonen van Esau hebben hen verdreven en uitgeroeid en zich daar in hun plaats gevestigd, juist zoals de Israëlieten gedaan hebben met het land dat Jahwe hun in eigendom heeft gegeven. 13Steek nu de Zered over.’ Wij zijn de Zered overgestoken. 14Onze tocht vanaf Kadesbarnea tot het oversteken van de Zered had achtendertig jaar geduurd, zo lang dat de generatie weerbare mannen geheel uit het kamp was verdwenen, zoals Jahwe had gezworen. 15Jahwe had ook ingegrepen om hen tot de laatste man uit het kamp te doen verdwijnen. 16Toen al die weerbare mannen

All rights reserved © mijnervaringtussengod.be

5

mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

huispagina

door de dood uit het volk waren verdwenen, 17heeft Jahwe mij gezegd: 18`Ge trekt nu bij Ar de grens van Moab over 19en komt dan in de buurt van de Ammonieten. Ge moogt hen niet aanvallen en geen oorlog tegen hen beginnen, want Ik zal u van hun land niets in eigendom geven. 20Ook dit werd als gebied van de Refaieten beschouwd, die daar vroeger gewoond hebben. Bij de Ammonieten heetten zij Zamzummieten. 21Zij waren een groot en talrijk volk, en even lang als de Enakieten; maar Jahwe had hen voor de Ammonieten weggevaagd, zodat dezen hen verdreven en zich daar in hun plaats gevestigd hebben. 22Voor de zonen van Esau die in seïr wonen had Jahwe hetzelfde gedaan: voor hen heeft Hij de Chorieten weggevaagd, zodat zij hen verdreven en tot op heden in hun plaats wonen. 23Zo is het ook de Awwieten vergaan die woonden in de dorpen tot Gaza toe; de Kaftorieten, uit Kaftor afkomstig, hebben hen weggevaagd en zich daar in hun plaats gevestigd. 24Trek nu verder, de Arnon over. Sichon, de Amoritische koning van Chesbon, lever Ik met zijn land aan u over. Begin de verovering en bind de strijd met hen aan. 25Vandaag begin Ik bij alle volken onder de hemel angst en schrik voor u te verspreiden: degenen die van u horen zullen voor u beven en sidderen.’ 26Toen heb ik vanuit de Kedemotwoestijn boden gezonden naar Sichon, de koning van Chesbon, met dit vredesvoorstel: 27`Laat mij door uw land trekken. Ik zal de heerbaan volgen en er rechts noch links van afwijken. 28Verkoop mij tegen betaling het voedsel en het drinkwater dat ik nodig heb. Ik vraag van u alleen dat u mij te voet door uw land laat trekken, 29zoals ook de zonen van Esau die in seïr wonen, dat hebben toegestaan. Dan kan ik de Jordaan oversteken naar het land dat Jahwe onze God ons schenkt.’ 30Maar Sichon, de koning van Chesbon, heeft ons geen doortocht willen verlenen; Jahwe uw God had zijn gemoed verhard en zijn hart verstokt om hem aan u over te leveren, zoals het ook is gebeurd. 31Daarop heeft Jahwe mij gezegd: `Nu ga Ik Sichon en zijn land aan u overgeven. Begin de verovering en neem het land in bezit.’ 32En toen Sichon zelf met heel zijn leger tegen ons was uitgetrokken, in de richting van Jahas, 33heeft Jahwe onze God hem aan ons overgeleverd; wij hebben hem verslagen met zijn zonen en zijn hele legermacht. 34Al zijn steden hebben wij in die dagen veroverd; een voor een hebben wij ze met de ban geslagen, vrouwen en kinderen, zonder iemand in leven te laten. 35Maar het vee hebben we buitgemaakt met alles wat er in de veroverde steden te plunderen viel. 36Vanaf Aroer aan de oever van de Arnon en de stad in het dal tot Gilead toe heeft geen enkele stad ons kunnen weerstaan: Jahwe onze God heeft ze allemaal aan ons overgeleverd. 37Alleen tegen het land van de Ammonieten, heel het gebied langs de Jabbok en de steden in het bergland, zijt gij niet opgetrokken, omdat Jahwe onze God dat verboden had.

Hoofdstuk 3
Daarna zijn wij de weg naar Basan opgegaan. En toen Og, de koning van
Basan, met zijn hele leger tegen ons ten strijde trok, bij Edrei, 2heeft
Jahwe mij gezegd: `Wees niet bang voor hem, want Ik heb hem met zijn

All rights reserved © mijnervaringtussengod.be

6

mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

huispagina

leger en zijn land aan u overgeleverd. Ge moet hem op dezelfde wijze behandelen als Sichon, de koning van de Amorieten, die in Chesbon woonde.’ 3Zo heeft Jahwe onze God ook Og, de koning van Basan, met zijn hele leger aan ons overgeleverd. Wij hebben hem verslagen en niemand in leven gelaten. 4Indertijd hebben wij al zijn steden ingenomen; geen stad die wij niet op hen veroverd hebben: zestig steden, heel de streek Argob, het koninkrijk van Og in Basan, 5allemaal versterkte steden met hoge muren, met poorten en grendels, zonder te spreken van de zeer vele onversterkte plaatsen op het land. 6Wij hebben ze met de ban geslagen evenals Sichon, de koning van Chesbon, met mannen, vrouwen en kinderen. 7Maar het vee en wat er in die steden te plunderen viel, hebben wij buitgemaakt. 8Zo hebben wij in die tijd op de beide Amoritische koningen het land aan de overkant van de Jordaan veroverd: van Aroer tot het Hermongebergte 9de Sidoniers noemen de Hermon Sirjon, de Amorieten Senir -, 10alle steden op de hoogvlakte, heel Gilead en heel Basan tot Salka en Edrei, steden van het koninkrijk van Og in Basan. 11- Og, de koning van Basan, was de laatste van de Refaieten. Hij had een ijzeren bed, dat nu nog in Rabbat-ammon staat; het is negen el lang en vier el breed, volgens de gewone el. 12Dit land hebben wij in die tijd in bezit genomen. Het gebied vanaf Aroer aan de oever van de Arnon met het halve bergland van Gilead en de steden die daar liggen heb ik aan de Rubenieten en Gadieten overgedragen. 13De rest van Gilead met heel Basan, het koninkrijk van Og, heb ik aan de halve stam Manasse overgedragen. – Heel de streek Argob met heel Basan heette land van de Refaieten. 14Jair, zoon van Manasse, veroverde heel de streek Argob tot aan het grensgebied van de Gesurieten en Maakatieten. Hij noemde die – namelijk Basan – naar zijn eigen naam dorpen van Jair, zoals ze nu nog heten. 15Aan Makir heb ik Gilead overgedragen; 16aan de Rubenieten en Gadieten het gebied van Gilead tot aan de Arnon, met het midden van de rivier als grens, en tot de Jabbok, de grens met de Ammonieten, 17de Araba met de Jordaan als grens vanaf Kinneret tot aan de zee van de Araba, de Zoutzee, aan de voet van de hellingen van de Pisga in het oosten. 18In die tijd heb ik u bevolen: `Jahwe uw God heeft u dit land wel in bezit gegeven, maar toch moeten al uw strijdbare mannen oversteken aan de spits van uw broeders, de Israëlieten. 19Alleen uw vrouwen en kinderen en uw vee – want ik weet dat gij een grote veestapel hebt – mogen in de steden blijven, die ik aan u heb overgedragen. 20Pas als Jahwe uw God uw broeders rust heeft doen vinden evenals u, en ook zij aan de andere kant van de Jordaan het land in bezit genomen hebben dat Jahwe uw God hun schenkt, pas dan mag ieder van u terugkeren naar de bezittingen die ik u geschonken hebt.’ 21En Jozua heb ik in die tijd ingescherpt: `U hebt met eigen ogen gezien, wat Jahwe uw God met die twee koningen heeft gedaan. 22Zo zal Jahwe uw God doen met alle koninkrijken waar u komt. U hoeft niet bang voor hen te zijn: Jahwe uw God, Hij strijdt voor u.’ 23In die tijd heb ik Jahwe gesmeekt: ` 24Jahwe, mijn Heer, Gij hebt mij het begin laten zien van uw grote macht en uw

All rights reserved © mijnervaringtussengod.be

7

mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

huispagina

sterke hand. Er is geen god in de hemel of op de aarde, die zulke werken en zulke machtige daden verricht als Gij! 25Ik bid U, laat mij oversteken, en laat mij aan de andere kant van de Jordaan dat heerlijke land aanschouwen, dat prachtige gebergte en de Libanon.’ 26Maar om u bleef Jahwe toornig op mij en Hij heeft mij niet verhoord. Hij heeft mij gezegd: `Nu is het genoeg: spreek Mij daar niet meer over! 27Beklim de top van de Pisga en kijk naar het westen en het noorden, naar het zuiden en het oosten. Geef uw ogen goed de kost, want ge zult de Jordaan niet oversteken. 28Draag uw taak aan Jozua over, sterk hem en spreek hem moed in. Want hij zal bij de overtocht voor het volk uitgaan, hij zal het in bezit stellen van het land dat gij ziet.’ 29Wij verbleven toen in de vallei nabij Bet-peor.

Hoofdstuk 4

Luister dan, Israël, naar de voorschriften en bepalingen die ik u leer, en handel daarnaar. Dan zult gij leven en bezit gaan nemen van het land dat Jahwe, de God van uw vaderen, u schenkt. 2Aan wat ik u voorschrijf, moogt gij niets toevoegen en er niets van afdoen; ge moet de geboden van Jahwe uw God onderhouden die ik u geef. 3Met eigen ogen hebt gij gezien wat Jahwe uw God in Baäl-peor gedaan heeft: iedereen die achter Baäl-peor was aangelopen, heeft Hij uit uw midden uitgeroeid. 4Maar Gij die trouw zijt gebleven aan Jahwe uw God, gij zijt allen vandaag nog in leven. 5Ik heb u nu de voorschriften en bepalingen geleerd, zoals Jahwe uw God mij heeft opgedragen. Handel ernaar in het land dat gij in bezit gaat nemen 6en breng ze stipt ten uitvoer, want daaruit zal voor de volken uw wijsheid en uw inzicht blijken. Als zij al deze voorschriften horen, zullen ze zeggen: `Dat machtige volk is wijs en verstandig.’ 7Is er soms een andere grote natie, aan wie hun goden zo nabij zijn als Jahwe onze God ons nabij is, zo vaak wij Hem aanroepen? 8Of is er een andere grote natie die zulke volmaakte voorschriften en bepalingen heeft als de wet die ik u heden geef? 9Wees dus op uw hoede en zorg er voor, dat gij niet vergeet wat gij met eigen ogen gezien hebt. Laat dat uw leven lang niet uit uw gedachten gaan en geef het door aan uw kinderen en kleinkinderen:

10het was de dag dat gij bij de Horeb voor Jahwe uw God hebt gestaan, omdat Hij mij gezegd had: `Breng het volk bijeen; Ik wil hen toespreken, zodat zij Mij leren vrezen, al de dagen dat zij in het land leven, en zodat ook hun kinderen leren dat te doen.’ 11Op die dag zijt gij volk bij de voet van de berg gaan staan. De berg was een laaiende vuurzee, tot hoog aan de hemel, met duisternis en donkere wolken. 12En uit het vuur heeft Jahwe uw God tot u gesproken. Gij hebt toen wel zijn woorden gehoord, maar geen gestalte gezien. Er was alleen maar een stem. 13Jahwe heeft u toen zijn verbond geopenbaard en u bevolen het uit te voeren: de tien geboden die Hij toen op twee stenen platen heeft gegrift. 14En mij heeft Jahwe in die tijd bevolen u te onderrichten in de voorschriften en bepalingen die gij moet volbrengen in het land dat ge aan de overkant in bezit gaat nemen. 15Omdat gij geen gestalte gezien hebt, toen Jahwe u bij de Horeb uit het vuur heeft toegesproken, moet gij zorgen, 16u niet te

All rights reserved © mijnervaringtussengod.be

8

mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

huispagina

bezondigen door beelden te maken van welke gestalte dan ook: of het nu de vorm van een man of een vrouw is, 17de vorm van een dier, dat op het land leeft, de vorm van een vogel, die langs de hemel vliegt, 18de vorm van een of ander kruipend gedierte of de vorm van een vis, die in het water onder de aarde leeft. 19En als gij uw ogen naar de hemel heft en daar de zon, de maan, de sterren of een ander hemellichaam ziet, laat u dan niet verleiden om u voor hen neer te buigen en hen te vereren. Jahwe uw God heeft hen toebedeeld aan de andere volken onder de hemel. 20U echter heeft Jahwe uitgekozen en uit Egypte, die ijzeroven, gevoerd om zijn eigen volk te zijn, zoals gij heden zijt. 21Omdat Jahwe door uw schuld op mij vertoornd was, heeft Hij gezworen dat ik de Jordaan niet zou oversteken en niet zou binnengaan in het heerlijke land dat Jahwe uw God u in eigendom geeft. 22Ik zal dus hier in dit land sterven zonder de Jordaan over te steken. Maar gij zult oversteken en bezit nemen van dat heerlijke land. 23Zorg dat gij dan het verbond niet vergeet, door Jahwe uw God met u gesloten, en dat gij zijn verbod niet overtreedt door beelden te maken, van welke gestalte ook. 24Want Jahwe uw God is een verslindend vuur, een jaloerse God. 25Als gij kinderen en kleinkinderen hebt gekregen en ingeburgerd zijt in het land, en u dan bezondigt door beelden te maken in welke vorm dan ook, door te doen wat Jahwe uw God mishaagt, zodat ge zijn toorn opwekt, 26dan neem ik heden de hemel en de aarde tegen u tot getuigen, dat ge spoedig verdwenen zult zijn uit het land dat ge aan de overkant van de Jordaan in bezit gaat nemen. In plaats van daar lang te leven zult ge volledig worden uitgeroeid. 27Verstrooien zal Jahwe u onder de volken, en slechts een klein getal zal er van u overblijven onder de volken, waar Jahwe u heendrijft. 28Daar zult gij goden kunnen vereren, maaksels van mensen handen, van hout en van steen, die niet zien of horen, niet eten of ruiken. 29Maar zoekt gij daar Jahwe uw God weer, dan zult ge Hem vinden, als ge Hem tenminste zoekt met heel uw hart en heel uw ziel. 30Wanneer dit alles over u gekomen is en gij geen uitweg meer ziet, dan zult ge tenslotte terugkeren tot Jahwe uw God en luisteren naar zijn woord. 31Want Jahwe uw God is een barmhartige God; Hij zal u niet aan uw lot overlaten, Hij wil uw ondergang niet en Hij zal het verbond niet vergeten dat Hij uw vaderen met een eed heeft bevestigd. 32Ga de oude tijden maar na die u zijn voorafgegaan, vanaf de dag dat God mensen op de aarde schiep, kijk maar van het ene uiteinde van de hemel tot aan het andere: is er ooit zo iets groots gebeurd of is er ooit iets dergelijks gehoord? 33Heeft een volk ooit een god uit het vuur horen spreken zoals gij, en daarbij het leven behouden? 34Of heeft ooit een god gepoogd uit een ander volk een volk te komen uitkiezen door beproevingen, door tekenen en wonderen, door oorlogen, met sterke hand en uitgestrekte arm, door grote, schrikwekkende daden, zoals Jahwe uw God die voor uw eigen ogen in Egypte heeft verricht? 35Gij hebt dat mogen aanschouwen, om tot de erkenning te komen dat Jahwe uw God is; er is geen ander dan Hij. 36Uit de hemel heeft Hij u zijn stem laten horen om u de weg te wijzen, en op aarde heeft Hij u dat grote vuur laten zien, waaruit gij hem hebt horen

All rights reserved © mijnervaringtussengod.be

9

mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

huispagina

spreken. 37Omdat Hij uw vaderen heeft liefgehad en hun nageslacht heeft uitverkoren, daarom heeft Hij in eigen persoon u met grote macht uit Egypte geleid. 38Hij heeft volken, groter en machtiger dan gij, voor u verdreven; Hij heeft u naar hun land gebracht en het u in eigendom gegeven, zoals het heden is. 39Erken dan heden en prent het in uw hart: Jahwe is God in de hemel boven en op de aarde beneden; er is geen ander. 40Onderhoud zijn voorschriften en geboden die ik u heden geef. Dan zult gij met uw kinderen gelukkig zijn en lang leven op de grond die Jahwe uw God u voor altijd schenkt. 41Toen wees Mozes aan de overkant van de Jordaan drie steden aan 42als wijkplaats voor degene die zonder opzet een ander, die hij van te voren niet haatte, heeft doodgeslagen. Door naar een van die steden de wijk te nemen kan hij zijn leven redden. 43Het waren Beser in de woestijn op de hoogvlakte voor de Rubenieten, Ramot in Gilead voor de Gadieten en Golan in Basan voor de Manassieten. 44Dit is de wet die Mozes de Israëlieten heeft opgelegd. 45Het zijn de verordeningen, voorschriften en bepalingen die Mozes bij de tocht uit Egypte mondeling aan de Israëlieten heeft medegedeeld, 46aan de overkant van de Jordaan, in de vlakte bij Bet-peor, in het gebied van Sichon, de koning van de Amorieten die in Chesbon woonde. Mozes en de Israëlieten hadden hem bij hun komst uit Egypte verslagen 47en zijn land in bezit genomen, evenals dat van Og, de koning van Basan, – de twee koningen van de Amorieten aan de oostkant van de Jordaan 48vanaf Aroer tot aan het Siongebergte, ook Hermon genoemd, 49en heel de Araba ten oosten van de Jordaan tot aan de Dode Zee, aan de voet van de hellingen van de Pisga.

Hoofdstuk 5

Mozes riep heel Israël bijeen en sprak tot hen: Israël, luister naar de voorschriften en bepalingen, die ik heden voor u afkondig. Leer die en volbreng ze nauwgezet. 2Jahwe onze God heeft bij de Horeb met ons een verbond gesloten. 3Niet met onze voorouders heeft Jahwe dat verbond gesloten, maar met ons, met allen die hier heden nog in leven zijn. 4Van aangezicht tot aangezicht heeft Jahwe op de berg vanuit het vuur met u gesproken. 5- Ik stond toen tussen Jahwe en u in, om u zijn woorden over te brengen, want uit angst voor het vuur zijt gij de berg niet opgegaan. – Hij heeft gezegd: 6`Ik ben Jahwe uw God, die u uit Egypte heeft geleid, dat slavenhuis. 7Naast Mij zult gij geen andere goden hebben. 8Gij zult geen beelden maken in de vorm van enig wezen boven in de hemel, beneden op de aarde of in de wateren onder de aarde. 9Ge moogt u niet voor hen neerbuigen en hen niet vereren, want Ik, Jahwe uw God, ben een jaloerse God, die de schuld van de vaders wreekt op hun kinderen tot in het derde en vierde geslacht van hen die Mij verwerpen. 10Maar Ik bewijs goedheid tot in het duizendste geslacht van hen die Mij liefhebben en mijn geboden onderhouden. 11Gij zult de naam van Jahwe uw God niet misbruiken, want Jahwe laat hen die zijn naam misbruiken niet ongestraft. 12Onderhoud de sabbat: die moet heilig voor u zijn, zoals Jahwe uw God u heeft geboden. 13Zes dagen kunt ge werken en al uw arbeid verrichten,

All rights reserved © mijnervaringtussengod.be

10

mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

huispagina

14maar de zevende dag is een sabbat voor Jahwe uw God. Dan moogt ge geen enkele arbeid verrichten, gijzelf niet, uw zoon niet, uw dochter niet, uw slaaf niet, uw slavin niet, uw rund niet, uw ezel niet, uw overige vee niet en ook niet de vreemdelingen binnen uw poorten. Dan kunnen uw slaaf en uw slavin uitrusten even als gijzelf. 15Bedenk dat gij slaaf zijt geweest in Egypte en dat Jahwe uw God u met sterke hand en uitgestrekte arm uit dat land heeft geleid. Daarom heeft Hij u geboden de sabbat te onderhouden. 16Eer uw vader en moeder, zoals Jahwe uw God u heeft geboden. Dan zult ge lang leven en gelukkig zijn op de grond die Hij u schenkt. 17Gij zult niet doden. 18Gij zult geen echtbreuk plegen. 19Gij zult niet stelen. 20Gij zult tegen uw naaste niet vals getuigen. 21Gij zult uw zinnen niet zetten op de vrouw van uw naaste; ge zult niet uit zijn op het huis van uw naaste, noch op zijn land, zijn slaaf of zijn slavin, zijn rund, of zijn ezel, of iets dat hem toebehoort.’ 22Deze woorden heeft Jahwe op de berg met luider stem tot heel het vergaderde volk gesproken uit het vuur en de donkere wolk. Hij heeft daar niets meer aan toegevoegd. Hij heeft ze op twee stenen platen gegrift en die aan mij ter hand gesteld. 23Maar toen gij uit de duisternis zijn stem had gehoord, terwijl de berg in brand stond, zijt gij met al uw stamhoofden en oudsten naar mij toegekomen. 24Gij hebt gezegd: `Jahwe onze God heeft ons zijn grote heerlijkheid laten aanschouwen en wij hebben Hem uit het vuur horen spreken. Wij hebben heden ervaren, dat een mens in leven kan blijven als God tot hem spreekt. 25Toch vrezen wij dat het onze dood wordt. Dat geweldige vuur zal ons nog verslinden. Als wij Jahwe onze God nog eens horen spreken, sterven wij. 26Niemand heeft ooit de levende God uit het vuur horen spreken zoals wij, en het er levend afgebracht. 27Gaat u naar Hem toe om te horen wat Jahwe onze God tot u zegt; en als u dat dan aan ons meedeelt, zullen wij gehoorzamen en het volbrengen.’ 28Toen Jahwe de voorstellen hoorde die gij mij deedt, zei Hij tot mij: `Ik heb gehoord wat dit volk u heeft voorgesteld. Het is een goed voorstel. 29Ik zou wensen dat hun hart zo blijft, dat zij Mij vrezen en altijd mijn geboden onderhouden. Dan zullen zij en hun kinderen voor altijd gelukkig zijn. 30Ga naar hen toe en zeg dat zij naar hun tenten teruggaan. 31Gijzelf moet dan hier bij Mij blijven. Ik ga u alle geboden, voorschriften en bepalingen meedelen, die gij hen moet leren volbrengen in het land dat Ik hun in bezit geef.’ 32Breng dus stipt ten uitvoer wat Jahwe uw God u geboden heeft en wijk er rechts noch links van af. 33Bewandel van het begin tot het eind de weg die Jahwe u heeft voorgeschreven. Dan zult gij leven. Gij zult gelukkig zijn en lang blijven leven in het land dat gij in bezit gaat nemen.’

Hoofdstuk 6

Dit zijn de geboden, voorschriften en bepalingen die ik u in opdracht van Jahwe uw God moet leren. Gij moet die volbrengen in het land dat ge aan de overkant in bezit gaat nemen, 2en heel uw leven met uw kinderen en kleinkinderen Jahwe uw God vrezen door al zijn voorschriften en geboden na te komen die ik u opleg. Dan zult gij lang blijven leven. 3Luister dan, Israël, en volbreng ze nauwgezet. Dan zult gij gelukkig zijn en talrijk

All rights reserved © mijnervaringtussengod.be

11

mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

huispagina

worden in het land van melk en honing, dat Jahwe de God van uw vaderen u heeft beloofd. 4Luister, Israël, Jahwe is onze God, Jahwe alleen! 5Gij moet Jahwe uw God beminnen met heel uw hart, met heel uw ziel en met al uw krachten. 6De geboden die ik u heden voorschrijf, moet ge in uw hart prenten. 7Ge moet er met uw kinderen telkens opnieuw over spreken, wanneer ge thuis zijt en onderweg, als ge slapen gaat en opstaat. 8Bind ze als een teken op uw hand en als een band op uw voorhoofd. 9Grif ze in de deurposten van uw huis en op de poorten van uw stad. 10Wanneer Jahwe uw God u in het land gebracht heeft, dat Hij uw vaderen Abraham, Isaak en Jakob onder ede beloofd heeft, een land met grote en prachtige steden die gij niet gebouwd hebt, 11met huizen vol kostbare dingen die gij, niet gevuld hebt, met gehouwen regenbakken die gij niet hebt uitgekapt, met wijngaarden en olijfbomen die gij niet hebt geplant, en wanneer gij dan in overvloed te eten hebt, 12zorg er dan voor Jahwe niet te vergeten, die u uit Egypte heeft geleid, dat slavenhuis. 13Gij moet Jahwe uw God vrezen, Hem dienen en zweren bij zijn naam. 14Gij moogt niet achter andere goden aanlopen, de goden van de volken om u heen. 15Want Jahwe uw God die bij u is, is een jaloerse God; Hij zou vertoornd op uw worden en u wegvagen uit het land. 16Gij zult Jahwe uw God niet tarten zoals ge dat in Massa hebt gedaan. 17Gij moet de geboden van Jahwe uw God stipt nakomen, de verordeningen en voorschriften die Hij u heeft gegeven. 18Gij moet u richten naar Jahwe’s wens en wil. Dan zult gij gelukkig zijn en bezit gaan nemen van het heerlijke land dat Jahwe uw vaderen onder ede beloofd heeft. 19Al uw vijanden zal Hij voor u verjagen, zoals Hij beloofd heeft. 20Wanneer uw zoon u later vraagt: `Wat betekenen toch die verordeningen, bepalingen en voorschriften, die Jahwe onze God u gegeven heeft’ 21dan moet gij hem antwoorden: `Wij waren slaven van Farao in Egypte, maar Jahwe heeft ons met sterke hand uit Egypte geleid. 22Voor onze eigen ogen heeft Hij Egypte, Farao en heel zijn hof met grote, schrikwekkende tekenen en wonderen getroffen. 23Maar ons heeft Hij vandaar weggeleid om ons te brengen naar het land dat Hij onze vaderen onder ede beloofd had. 24Daarom heeft Jahwe onze God ons geboden al deze voorschriften te volbrengen en Hem te vrezen. Dan zullen wij altijd gelukkig zijn en zal Hij ons leven schenken, zoals thans het geval is. 25Daarom is het onze plicht tegenover Jahwe onze God, nauwgezet alle geboden te volbrengen die Hij ons gegeven heeft.’

Hoofdstuk 7

Wanneer Jahwe uw God u in het land heeft gebracht dat gij in bezit gaat nemen, en hij vele volken voor u verdrijft, de Hethieten, Girgasieten, Amorieten, Kanaänieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten, zeven volken talrijker en sterker dan gijzelf, 2en wanneer Jahwe uw God ze aan u overlevert, zodat gij ze verslaat, dan moet gij ze met de ban slaan. Gij moogt geen verbond met hen aangaan en geen medelijden met hen hebben. 3Gij moogt geen familiebanden met hen aanknopen: uw dochters moogt gij niet aan een van hun zonen geven, noch voor uw zoon een van hun dochters kiezen. 4Zij zouden uw kinderen van Mij vervreemden, zodat

All rights reserved © mijnervaringtussengod.be

12

mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

huispagina

ze andere goden gaan vereren. En dan zou Jahwe’s toorn tegen u ontbranden en zou Hij u spoedig wegvagen. 5Neen, zo moet gij tegen hen optreden; hun altaren moet ge neerhalen, hun heilige stenen verbrijzelen, hun heilige bomen omhakken en hun godenbeelden verbranden. 6Want gij zijt een volk, dat aan Jahwe uw God gewijd is. U heeft Hij onder alle volken op aarde uitverkoren om zijn eigen volk te zijn. 7Niet omdat gij talrijker zijt dan de andere volken heeft Jahwe zich aan u verbonden en u uitverkoren, want gij zijt het kleinste van alle volken; 8maar omdat Jahwe u liefhad en Hij de eed aan uw vaderen gestand wilde doen, daarom heeft Hij u met sterke hand uit het slavenhuis geleid en u verlost uit de macht van Farao, de koning van Egypte. 9Erken dan dat Jahwe uw God inderdaad God is, de getrouwe God, die het verbond gestand doet en vol erbarmen is voor wie Hem liefhebben en zijn geboden onderhouden tot in het duizendste geslacht, 10maar die degenen die Hem verwerpen in hun eigen persoon straft en te gronde richt, hen persoonlijk. Hij wacht niet: iemand die Hem verwerpt, straft Hij, hem persoonlijk. 11Volbreng dus de geboden, voorschriften en bepalingen die ik u heden voorschrijf. 12Wanneer gij aan deze bepalingen gehoor geeft en ze nauwgezet volbrengt, dan zal Jahwe uw God het genadig verbond gestand doen, dat Hij met uw vaderen onder ede heeft gesloten. 13Hij zal u liefhebben, zegenen en talrijk maken. Zegenen zal Hij de vrucht van uw schoot en de vrucht van uw grond, uw koren, most en olie, de worp van uw runderen en de aanwas van uw kleinvee, op de grond die Hij uw vaderen onder ede beloofd heeft. 14Gezegend zult gij zijn boven alle volken. Geen man of vrouw zal bij u onvruchtbaar zijn, en ook uw vee niet. 15Jahwe zal u behoeden voor alle ziekten en alle verschrikkelijke kwalen van Egypte, die gij hebt meegemaakt; Hij zal die niet over u laten komen, maar ze uw vijanden overzenden. 16Gij zult alle volken verslinden, die Jahwe uw God in uw macht geeft. Gij moogt u daarbij niet laten vertederen en gij moogt hun goden niet vereren, want dat zou uw ondergang zijn. 17Al zoudt gij denken: `Die volken zijn veel talrijker dan ik! Hoe zal ik die ooit kunnen verjagen?’, 18gij moet toch niet bang voor hen zijn. Denk aan wat Jahwe uw God met Farao en heel Egypte heeft gedaan, 19aan de geweldige plagen die gij met eigen ogen hebt gezien, aan de tekenen en de wonderen, aan de sterke hand en uitgestrekte arm, waarmee Jahwe uw God u heeft bevrijd. Op dezelfde wijze zal Jahwe uw God al die volken behandelen, voor wie gij zo bang zijt. 20Angst en beven zal Jahwe uw God onder hen doen ontstaan, tot ook de laatsten onder hen die zich voor u hadden verscholen, de dood vinden. 21Wees niet angstig voor hen: Jahwe uw God die bij u is, is een grote, een ontzagwekkende God. 22Maar Jahwe uw God zal die volken slechts langzaamaan voor u verdrijven gij zult hen niet ineens vernietigen. Anders zouden er in uw land te veel wilde dieren komen. 23Jahwe uw God zal hen aan u overleveren en hen in grote verwarring brengen tot zij vernietigd zijn. 24Hij zal hun koningen in uw macht geven, zodat gij hun naam onder de hemel kunt wegvagen. Niemand zal u kunnen weerstaan tot gij hen hebt uitgeroeid.

All rights reserved © mijnervaringtussengod.be

13

mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

huispagina

25Hun godenbeelden moet gij verbranden. Kijk niet begerig naar het goud en zilver dat eraan zit en eigen u dat niet toe; dat zou uw ongeluk zijn, want Jahwe uw God heeft een afschuw van die dingen. 26Gij moogt die afschuwelijke dingen niet in huis halen, anders komt ge zelf ook onder de ban. Gij moet ze met diepe weerzin en afschuw behandelen, want ze liggen onder de ban.

Hoofdstuk 8

Alle geboden die ik u heden voorhoud, moet gij nauwgezet volbrengen. Dan zult gij leven, talrijk worden en bezit gaan nemen van het land dat Jahwe uw vaderen onder ede beloofd heeft. 2Blijf denken aan heel die tocht van veertig jaar, die Jahwe uw God u in de woestijn heeft laten maken. Hij heeft u toen vernederd en op de proef gesteld om uw gezindheid te leren kennen: Hij wilde zien of ge zijn geboden zoudt onderhouden of niet. 3Hij heeft u vernederd en u honger laten lijden, maar u ook het manna te eten gegeven dat gij noch uw vaderen ooit hadden gezien. Hij wilde u daardoor laten beseffen dat de mens niet leeft van brood alleen, maar van alles wat uit de mond van Jahwe komt. 4De kleren aan uw lijf zijn niet versleten en uw voeten zijn niet gezwollen, al die veertig jaren. 5Besef dan dat Jahwe uw God u heeft opgevoed zoals een man zijn eigen zoon opvoedt, 6en dat gij de geboden van Jahwe uw God moet onderhouden door zijn wegen te gaan en Hem te vrezen. 7Voorwaar, Jahwe uw God brengt u in een heerlijk land, een land met beken vol water, met bronnen en stromen, die op de bergen en in de dalen ontspringen, 8een land met tarwe, gerst, wijnstokken, vijgen en granaatappels, een land met vette olijven en honing, 9een land waar gij niet zuinig hoeft te zijn met brood en waar het u aan niets ontbreekt, een land waar ijzer zit in het gesteente en waar men koper delft uit de bergen. 10Maar als gij daar volop te eten hebt, prijs dan Jahwe uw God om het heerlijke land dat Hij u schonk. 11Wacht u ervoor, Jahwe uw God te vergeten, en zijn geboden, voorschriften en bepalingen, die ik u heden opleg, niet na te leven. 12En wanneer gij volop te eten hebt, mooie huizen bouwt, 13veel runderen en schapen krijgt, zilver en goud ophoopt, zodat al uw bezittingen toenemen, 14laat dan uw hart niet hoogmoedig worden, zodat ge Jahwe uw God vergeet, die u uit Egypte, dat slavenhuis, heeft geleid; 15die u door die grote en verschrikkelijke woestijn heeft gevoerd, vol giftige slangen en schorpioenen, door dat dorstige land zonder water; die uit de keiharde rots water voor u liet ontspringen; 16die u in de woestijn het manna te eten gaf, dat uw vaderen nooit hadden gezien. Hij heeft u vernederd en op de proef gesteld, om u tenslotte wel te doen. 17En mocht bij u de gedachte opkomen: `Met mijn eigen kracht en met mijn sterke hand heb ik deze rijkdom verworven,’ 18bedenk dan, dat het Jahwe uw God is, die u kracht schenkt om rijkdom te verwerven, omdat Hij tot vandaag toe het verbond gestand doet, dat Hij met uw vaderen onder ede heeft gesloten. 19En als gij Jahwe uw God vergeet, achter andere goden aanloopt, hen vereert en u voor hen neerbuigt, dan verzeker ik u heden, dat gij zult omkomen. 20Zoals Jahwe de volken voor u heeft doen

All rights reserved © mijnervaringtussengod.be

14

mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

huispagina

omkomen, zo zult ook gij omkomen, omdat gij niet naar Jahwe uw God hebt geluisterd.

Hoofdstuk 9

Luister, Israël! Heden trekt gij de Jordaan over om volken, groter en machtiger dan gijzelf, uit hun bezit te verdrijven, met grote steden en hemelhoge vestingmuren, 2grote en rijzige mensen, de bekende Enakieten, over wie gij het gezegde hebt gehoord: `Wie is tegen de Enakieten bestand?’ 3Heden zult gij weten dat Jahwe uw God u bij het oversteken voorgaat als een verslindend vuur. Hij zal hen wegvagen en uitroeien, zoals Jahwe uw God u beloofd heeft. 4En wanneer Jahwe uw God hen voor u uitjaagt, denk dan niet, dat Hij u in dit land heeft gebracht en het u in bezit heeft gegeven om uw verdiensten; om het goddeloos leven van die volken jaagt Jahwe hen voor u weg. 5Niet om uw verdiensten of om de oprechtheid van uw hart gaat gij hun land in bezit nemen, maar om hun goddeloos leven jaagt Jahwe uw God die volken voor u weg, en tevens om de belofte te houden die Hij uw vaderen Abraham, Isaak en Jakob onder ede gedaan heeft. 6Erken dus dat Jahwe uw God u dit heerlijke land niet schenkt om uw verdiensten; gij zijt trouwens een hardnekkig volk. 7Bedenk en vergeet niet, hoe gij in de woestijn de toorn van Jahwe uw God hebt opgewekt. Van de dag af dat gij uit Egypte zijt getrokken tot uw aankomst op deze plaats zijt gij weerspannig geweest tegen Jahwe. 8En bij de Horeb hebt gij Jahwe zo toornig gemaakt, dat Hij u in zijn woede wilde vernietigen. 9Ik was de berg opgegaan om de stenen platen in ontvangst te nemen, de oorkonden van het verbond dat Jahwe met u had gesloten. Veertig dagen en veertig nachten was ik op de berg gebleven, zonder te eten of te drinken. 10Daarop had Jahwe mij de twee stenen platen gegeven, door de vinger van God beschreven, met alle geboden erop, die Jahwe u op de berg vanuit het vuur had gegeven, op de dag van de samenkomst. 11En op het eind van die veertig nachten, toen Jahwe mij de twee stenen platen gegeven had, de oorkonden van het verbond, 12zei Hij tot mij: `Sta op en ga vlug naar beneden, want het volk dat gij uit Egypte hebt geleid, is tot zonde vervallen; zij zijn nu al afgeweken van de weg die Ik hun had voorgeschreven; zij hebben een beeld gegoten.’ 13En Jahwe vervolgde: `Ik heb nu gezien wat een hardnekkig volk het is. 14Laat mij begaan! Ik ga hen vernietigen en hun naam van de aarde wegvagen. En dan maak Ik van u een volk dat nog sterker en talrijker is.’ 15Toen ik mij omkeerde en de berg afkwam, die nog steeds in brand stond, met de twee stenen oorkonden van het verbond in mijn handen, 16zag ik met eigen ogen, dat gij tegen Jahwe gezondigd hadt door een gegoten beeld te maken van een stier. Toen waart gij al afgeweken van de weg die Jahwe u had voorgeschreven. 17Met beide handen greep ik de twee stenen platen en smeet ze voor uw ogen in stukken. 18En evenals de eerste keer heb ik mij voor Jahwe neergeworpen en ben ik veertig dagen en veertig nachten voor Hem blijven liggen zonder te eten of te drinken, vanwege de zonde die gij begaan hadt door tegen Jahwe’s wil te handelen en daarmee zijn toorn op

All rights reserved © mijnervaringtussengod.be

15

mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

huispagina

te wekken. 19Ik was werkelijk bang, dat Jahwe u in zijn toorn en woede zou gaan uitroeien. Maar ook die keer heeft Jahwe mij verhoord. 20Ook op Aäron was Jahwe zo vertoornd, dat Hij hem wilde ombrengen. Daarom heb ik toen ook voor Aäron gebeden. 21Ik heb daarop die stier, dat zondige maaksel van u, gegrepen, in het vuur gesmeten, in stukken geslagen en tot stof gemalen; en de as heb ik in de beek geworpen die van de berg stroomt. 22Ook in Tabera, in Massa en in Kibrot-hattaawa hebt gij Jahwe’s toorn opgewekt. 23En toen Hij u van Kades-barnea uitzond met de opdracht: `Ga het land in bezit nemen, dat Ik u heb geschonken,’ hebt gij u verzet tegen het bevel van Jahwe uw God. Gij hebt niet op Hem vertrouwd en niet naar zijn bevel geluisterd. 24Weerspannig zijt gij geweest tegen Jahwe van de dag af dat Hij u heeft uitverkoren. 25Ik wierp mij dus voor Jahwe neer. Veertig dagen en veertig nachten ben ik voor Hem blijven liggen, omdat Jahwe gezegd had, dat Hij u wilde vernietigen. 26Ik bad tot Jahwe: `Jahwe, mijn Heer, ik smeek U, vernietig uw eigen volk toch niet, dat Gij met grote macht verlost hebt en dat gij met sterke hand uit Egypte hebt geleid. 27Denk aan uw dienaren Abraham, Isaak en Jakob, en let niet op de hardnekkigheid van dit volk, op zijn schuld en zijn zonden. 28In het land waaruit gij hen hebt weggevoerd, zou men kunnen zeggen: Jahwe was niet in staat, hen in het land te brengen dat Hij hun beloofd had, of: Hij haatte hen en heeft hen van hier weggevoerd om ze in de woestijn te laten sterven. 29Zij zijn toch uw eigen volk, dat Gij met grote kracht en uitgestrekte arm hebt uitgeleid.’

Hoofdstuk 10

Toen sprak Jahwe tot mij: `Houw twee stenen platen precies als de vorige en kom de berg op naar Mij toe; maak ook een ark van hout. 2Ik zal in die platen dezelfde woorden griffen als in de andere die gij stukgesmeten hebt. Ge moet die dan in de ark leggen.’ 3Ik heb een ark van acaciahout gemaakt, ik heb twee stenen platen gehouwen precies als de vorige, en ik ben met die stenen platen de berg opgegaan. 4Evenals de eerste keer grifte Hij in de platen de tien geboden, die Hij op de berg vanuit het vuur voor u had afgekondigd, op de dag van de samenkomst. Daarop gaf Jahwe ze aan mij. 5Ik ben weer de berg afgekomen en heb de platen neergelegd in de ark, die ik gemaakt had. Daar zijn ze gebleven, zoals Jahwe had bevolen. 6De Israëlieten vertrokken van Beerot, een stad van de Jaakanieten, naar Mosera. Daar overleed Aaron; hij werd ter plaatse begraven. Zijn zoon Eleazar volgde hem op. 7Vandaar trokken zij naar Gudgod, en van Gudgod naar Jotbat, een streek met veel water. 8In die tijd zonderde Jahwe de stam Levi af om de ark van Jahwe’s verbond te dragen, om in dienst van Jahwe te staan en te zegenen met zijn naam. Zo is het tot heden toe. 9Daarom heeft Levi geen erfdeel, geen eigendom gekregen zoals zijn broeders; zijn eigendom is Jahwe uw God, zoals Hij hem beloofd heeft. 10Ik ben dus evenlang op de berg gebleven als de eerste keer, veertig dagen en veertig nachten. En ook ditmaal verhoorde Jahwe mij en zag ervan af u te vernietigen. 11Hij zei tot mij: `Sta o en trek voor het volk uit, zodat zij bezit gaan nemen van het land, dat Ik hun

All rights reserved © mijnervaringtussengod.be

16

mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

huispagina

vaderen onder ede beloofd heb.’ 12Welnu dan Israël: wat verlangt Jahwe uw God anders van u dan dat gij Hem vreest en zijn wegen gaat, dat gij Hem bemint en dient met heel uw hart en heel uw ziel, 13dat gij de geboden van Jahwe onderhoudt en de voorschriften die ik u heden geef? Dan zult gij gelukkig zijn. 14Zie, aan Jahwe uw God behoren de hemel, de hemel der hemelen en de aarde met al wat erop is; 15maar alleen met uw vaderen heeft Jahwe zich verbonden, omdat Hij hen liefhad, en uit alle volken heeft Hij u, hun nakomelingen, uitverkoren. Zo is het heden. 16Besnijd dan de voorhuid van uw hart en blijf niet langer hardnekkig. 17Jahwe uw God is de God der goden en de heer der heren, de grootste, de machtigste, de verhevenste God die, niemand naar de ogen ziet en die zich niet laat omkopen; 18die recht doet aan weduwen en wezen, en die aan vreemdelingen zijn liefde bewijst door hun voedsel en kleding te schenken. 19Ook gij moet de vreemdeling uw liefde bewijzen, want zelf zijt gij vreemdelingen geweest in Egypte. 20Jahwe uw God zult gij vrezen, Hem dienen, Hem aanhangen en bij zijn naam uw eden afleggen. 21Hem moet gij loven, Hij is uw God, die voor u in Egypte zulke grote, indrukwekkende dingen heeft gedaan, zoals gij met eigen ogen hebt gezien. 22Met zeventig man zijn uw vaderen naar Egypte getrokken en nu heeft Jahwe uw God u even talrijk gemaakt als de sterren aan de hemel.

Hoofdstuk 11

Gij moet Jahwe uw God beminnen en altijd zijn verordeningen en voorschriften, zijn bepalingen en geboden onderhouden. 2Erken heden – en ik spreek nu niet tot uw kinderen, die nog niets verstaan en niets ervaren hebben – erken heden de lessen van Jahwe uw God, zijn grote macht, zijn sterke hand en zijn uitgestrekte arm, 3de tekenen en de werken die Hij in Egypte aan Farao, de koning van Egypte, en aan heel zijn land heeft verricht, 4die Hij aan het Egyptische leger, dat u met paarden en wagens achtervolgde, heeft verricht door het voorgoed onder de wateren van de Rietzee te bedelven en te doen omkomen; 5de tekenen die Hij voor u in de woestijn heeft verricht tot gij hier zijt gekomen; 6die Hij aan Datan en Abiram, zonen van de Rubeniet Eliab, heeft verricht, toen de aarde zich opende en van heel Israël alleen hun families, degenen die bij hen woonden en heel hun aanhang, verzwolg. 7Met eigen ogen hebt gij toch al die grote werken gezien, die Hij verricht heeft. 8Onderhoud daarom al de geboden die ik u heden geef. Dan zult gij sterk genoeg zijn om het land te veroveren dat gij aan de overkant in bezit gaat nemen. 9En dan zult gij lang blijven leven op de grond die Jahwe onder ede heeft beloofd aan uw vaderen en aan hun nageslacht, een land van melk en honing. 10Het land dat gij in bezit gaat nemen, is een heel ander land als Egypte, waar gij vandaan komt. Dat moest gij na het zaaien zelf bevloeien, als een groentetuin. 11Het land dat gij aan de overkant in bezit gaat nemen, is een land met bergen en dalen, dat door regen uit de hemel besproeid wordt; 12een land waar Jahwe uw God zorg voor draagt en waarop Hij ononderbroken zijn aandacht gericht houdt, van het begin van het jaar tot het einde. 13Als gij metterdaad gehoor geeft aan de geboden

All rights reserved © mijnervaringtussengod.be

17

mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

huispagina

die Ik u heden geef, als gij Jahwe bemint en dient met heel uw hart en heel uw ziel, 14dan zal Ik uw land op tijd regen schenken, herfstregen en voorjaarsregen, zodat gij er koren, most en olie kunt oogsten 15en in het vrije veld zal Ik groen gewas voor uw vee laten groeien. Gij zult er volop te eten hebben. 16Zorg ervoor, dat ge uw hart niet laat verleiden, zodat ge afdwaalt, andere goden dient en u voor hen neerbuigt, 17want dan zal Jahwe tegen u in toorn ontsteken. Hij zal de hemel sluiten, zodat er geen regen valt; uw grond zal niets opbrengen en ge zult in korte tijd verdwenen zijn uit het heerlijke land dat Jahwe u schenkt. 18Prent dan mijn woorden in uw hart en in uw ziel, bind ze als een teken op uw hand en draag ze als een band om uw voorhoofd. 19Onderwijs ze aan uw kinderen door er telkens opnieuw met hen over te spreken, wanneer ge thuis zijt of onderweg, wanneer ge slapen gaat en opstaat. 20Grif ze in de deurposten van uw huis en op de poorten van uw stad. 21Dan zult gij en uw nakomelingen op de grond die Jahwe uw vaderen beloofde even lang blijven leven als de hemel boven de aarde staat. 22Als gij de geboden die ik u geef, nauwgezet onderhoudt, als gij Jahwe uw God bemint, als ge zijn wegen gaat en Hem aanhangt, 23dan zal Hij al die volken voor u verjagen en zult gij volken, groter en machtiger dan gij, uit hun bezit verdrijven. 24Iedere plek die uw voeten betreden zal u toebehoren; van de woestijn tot de Libanon en van de Eufraat tot de zee in het westen zal uw gebied zich uitstrekken. 25Niemand zal u kunnen weerstaan: in heel het gebied waar gij komt brengt Jahwe uw God ontzag en schrik teweeg, zoals Hij beloofd heeft. 26Zo stel ik u heden zegen voor en vloek: 27zegen als gij gehoorzaamt aan de geboden van Jahwe, die ik u heden geef; 28vloek als gij aan zijn geboden niet gehoorzaamt en afwijkt van de weg die ik u heden voorschrijf, door achter andere goden aan te lopen, die gij niet kent. 29En wanneer Jahwe uw God u binnenleidt in het land dat gij in bezit gaat nemen, dan moet gij zegen leggen op de Gerizzim en vloek o de Ebal. 30Die liggen aan de overkant van de Jordaan, aan de weg naar het westen, in het gebied van de Kanaänieten die in de Araba wonen, op de hoogte van Gilgal, niet ver van de eik van More. 31Als gij de Jordaan overtrekt om bezit te nemen van het land dat Jahwe uw God u schenkt, en als gij het in bezit genomen hebt en daar gevestigd zijt, volbreng dan nauwgezet al de voorschriften en bepalingen die ik u heden geef.

Hoofdstuk 12

Hier volgen de voorschriften en bepalingen die ge in het land, dat Jahwe de God van uw vaderen u in bezit geeft, nauwgezet moet volbrengen, zolang ge op die grond zult leven. 2Alle plaatsen, waar de volken die gij verdrijft hun goden vereren, moet gij met de grond gelijk maken, of zij nu op hoge bergen, op heuvels of ergens onder een groene boom liggen. 3Hun altaren moet gij omverhalen, hun wijstenen stukslaan, hun heilige palen verbranden en hun godenbeelden verbrijzelen, zodat gij de herinnering daaraan uit die plaats doet verdwijnen. 4Op die wijze moogt gij Jahwe uw God niet vereren. 5Alleen de plaats die Jahwe uw God in een van uw stammen uitkiest om daar zijn naam te vestigen en daar te

All rights reserved © mijnervaringtussengod.be

18

mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

huispagina

verblijven, die plaats moet gij opzoeken en daar alleen moet gij heengaan. 6Daarheen moet gij uw brandoffers en slachtoffers brengen, uw tienden en andere bijdragen, uw gelofteoffers en uw vrije gaven, evenals de eerstgeborenen van uw runderen en uw kleinvee. 7En daar moet gij met uw familie voor Jahwe uw God maaltijd houden en feestvieren om het welslagen, waarmee Hij al uw ondernemingen heeft gezegend. 8Gij moogt u niet gedragen zoals wij hier, waar iedereen doet wat hem goeddunkt, 9omdat gij nog niet de rust en het bezit hebt bereikt, die Jahwe uw God u schenkt. 10Maar als gij de Jordaan over zijt en u vestigt in het land dat Jahwe uw God u in eigendom geeft, zal Hij zorgen dat uw vijanden u met rust laten, zodat gij er veilig kunt wonen. 11Naar de plaats die Jahwe uw God uitkiest om er zijn naam te vestigen, moet gij dan alle gaven brengen die ik u voorschrijf, uw brandoffer en slachtoffers, uw tienden en andere bijdragen, evenals de bijzondere gaven die gij aan Jahwe belooft. 12Dan moet gij feestvieren voor Jahwe uw God met uw zonen en dochters, met uw slaven en slavinnen en met de levieten binnen uw poorten; want zij hebben geen stuk grond en geen eigendom zoals gij. 13Brandoffers moogt ge niet op iedere willekeurige heilige plaats opdragen, 14maar alleen op de plaats die Jahwe uw God bij een van uw stammen uitkiest. Daar moet gij uw brandoffers brengen en daar moet gij ook al het andere volbrengen wat ik u voorschrijf. 15Wel kunt gij in al uw steden en zo vaak ge wilt, slachten en vlees eten, naargelang de zegen die Jahwe uw God u schenkt. Iedereen, rein of onrein, mag daarvan eten, net als van een gazel of een hert. 16Alleen het bloed moogt ge niet eten; dat moet ge als water weglaten lopen. 17Maar het is niet geoorloofd in uw steden te eten van de tienden van uw koren, most of olie, van de eerstgeborenen van uw runderen of kleinvee, van de gelofteoffers die gij beloofd hebt, of van uw vrije gaven en andere bijdragen. 18Alleen bij Jahwe uw God, op de plaats die Hij uitkiest, moogt gij daarvan eten met uw zoon en dochter, met uw slaaf en slavin en met de levieten binnen uw poorten; bij Jahwe uw God moet gij feest vieren over het welslagen van uw ondernemingen. 19Zorg dat ge in uw land nooit de levieten verwaarloost. 20Wanneer Jahwe uw God uw gebied heeft uitgebreid, zoals Hij beloofd heeft, en gij denkt: `Ik zou vlees willen eten,’ omdat ge daar trek in hebt, dan moogt gij vlees eten zoveel ge wilt. 21En als de plaats die Jahwe uw God uitkiest om er zij naam te vestigen, voor u te ver weg ligt, dan moogt gij gerust runderen of kleinvee slachten, zoals ik u heb voorgeschreven en er in uw eigen stad van eten zoveel ge wilt, 22als ge het maar eet, zoals men een gazel of een hert eet: iedereen, rein of onrein, kan ervan eten. 23Houd alleen vast dat ge geen bloed moogt eten; want het bloed is het leven, en het is niet geoorloofd vlees te eten met het leven erin. 24Gij moogt het bloed niet eten; dat moet ge als water weg laten lopen. 25Gij moogt het niet eten; dan zullen gij en uw kinderen na u gelukkig zijn, omdat gij uw leven richt naar Jahwe’s wil. 26Maar met uw heilige gaven en met wat gij Jahwe door gelofte hebt toegezegd moet ge naar de plaats gaan die Hij uitkiest. 27Van uw brandoffers moet ge het vlees en het

All rights reserved © mijnervaringtussengod.be

19

mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

huispagina

bloed op het altaar van Jahwe offeren; van uw slachtoffers moet het bloed op het altaar worden uitgestort, maar het vlees moogt ge eten. 28Onderhoud gehoorzaam alles wat ik u heden voorschrijf; dan zullen gij en uw kinderen altijd gelukkig zijn, omdat gij uw leven richt naar Jahwe’s wens en wil. 29Wanneer Jahwe uw God de volken uitroeit die gij gaat verdrijven, en gij hen verjaagd hebt en woont in hun land, 30wees dan op uw hoede en laat u, nadat zij vernietigd zijn, niet in dezelfde strikken vangen als zij. Vraag niet naar hun goden met de gedachte: `Hoe hebben die volken hun goden vereerd?’ om het ook zo te gaan doen. 31Neen, zo moogt gij Jahwe uw God niet vereren. Want alle mogelijke gruwelen die Jahwe verafschuwt, hebben zij voor hun goden bedreven; zelfs hun zonen en dochters hebben zij voor hun goden verbrand.

Hoofdstuk 13

Alles wat ik u voorschrijf moet gij stipt volbrengen; ge moogt er niets aan toevoegen en er niets van afdoen. 2Wanneer onder u een profeet opstaat of iemand die droomgezichten heeft, en hij u tekenen en wonderen aankondigt, 3en het teken of wonder dat hij voorspeld heeft komt uit, maar hij zegt dan: `Laat ons achter andere goden aangaan goden waarvan gij de macht niet kent – en die gaan dienen,’ 4geef dan geen gehoor aan wat die profeet of die dromer zegt. Jahwe uw God stelt u dan op de proef om te zien of gij Hem met heel uw hart en ziel bemint. 5Gij moet Jahwe uw God volgen, Hem vrezen, zijn geboden onderhouden en naar Hem luisteren; Hem moet gij dienen en Hem aanhangen. 6Maar die profeet of dromer moet ter dood gebracht worden, omdat hij afval heeft gepreekt van Jahwe uw God, die u uit Egypte heeft geleid en u uit het slavenhuis heeft verlost; hij wilde u afbrengen van de weg die Jahwe uw God heeft voorgeschreven. Zo zult gij dat kwaad bij u uitroeien. 7Wanneer uw broer, een zoon van uw moeder, uw zoon of uw dochter, uw liefste vrouw of uw beste vriend u in het geheim probeert te verleiden en voorstelt: `Laat ons andere goden gaan dienen,’ van wie gij en uw voorouders de macht niet hebben gekend, 8goden van de volken rondom, dichtbij of ver van u af, waar ter wereld ook, 9dan moogt gij daar niet aan toegeven en niet naar hem luisteren. Gij moogt geen medelijden met hem hebben en hem niet sparen of in bescherming nemen. 10Gij moet hem zonder uitstel doden. Zelf moet gij als eerste uw hand tegen hem opheffen en daarna moeten alle volksgenoten het doodvonnis voltooien. 11Gij moet hem doodstenigen, want hij heeft geprobeerd u af te brengen van Jahwe uw God die u uit Egypte, dat slavenhuis, heeft geleid. 12Heel Israël zal het horen, met vrees vervuld worden en niet opnieuw proberen een dergelijke wandaad bij u te bedrijven. 13Wanneer gij verneemt dat er in een van de steden die Jahwe uw God u als woonplaats schenkt, 14mannen optreden, nietsnutten, die hun stadgenoten proberen te verleiden en voorstellen: `Laat ons andere goden dienen’ van wie gij de macht niet kent, 15dan moet gij dat nagaan, een onderzoek instellen en nauwkeurig navraag doen. Blijkt het waar en komt het vast te staan, dat een dergelijke gruweldaad bij u is bedreven, 16dan moet gij de inwoners van die stad

All rights reserved © mijnervaringtussengod.be

20

mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

huispagina

uitmoorden; ge moet de stad en alle inwoners met de ban slaan en ook het vee doden. 17Alle buitgemaakte goederen moet ge op het stadsplein bijeenbrengen en met de stad in brand steken, als een gave voor Jahwe uw God. Die stad zal altijd een ruine blijven; ze mag nooit meer worden opgebouwd. 18Eigen u niets toe van wat onder de ban ligt. Dan zal Jahwe zijn brandende toorn laten varen, u barmhartig zijn, medelijden met u hebben en u talrijk maken, zoals hij uw vaderen onder ede beloofd heeft. 19Dat zal Hij doen, wanneer gij luistert naar Jahwe uw God, zijn geboden onderhoudt die ik u heden geef, en uw leven richt naar zijn wil.

Hoofdstuk 14

Jahwe uw God beschouwt u als zijn zonen. Ge moogt omwille van een dode uw lichaam niet kerven en uw voorhoofd niet kaal scheren. 2Gij zijt een volk, dat aan Jahwe uw God is gewijd; uit alle volken van de hele wereld heeft Jahwe u uitverkoren om zijn eigen volk te zijn. 3Gij zult niets eten wat een gruwel is. 4Dit zijn de landdieren, die ge moogt eten: runderen, schapen, geiten, 5herten, gazellen, damherten, antilopen, gemzen en berggeiten. 6Alle herkauwende dieren met gespleten hoeven moogt ge eten. 7Van de herkauwers en van de dieren met gespleten hoeven moogt de volgende niet eten: de kameel, de haas en de klipdas, want dat zijn wel herkauwers, maar ze hebben geen gespleten hoeven; zij gelden voor u als onrein. 8Evenzo het varken, want het heeft wel gespleten hoeven, maar het is geen herkauwer; het geldt dus als onrein. Het vlees van deze dieren moogt ge niet eten en hun kadavers niet aanraken. 9Dit zijn de waterdieren die ge moogt eten. Alle dieren die vinnen en schubben hebben kunt ge eten. 10Maar alle dieren die geen vinnen en schubben hebben, moogt ge niet eten; ze gelden voor u als onrein. 11Alle reine vogels moogt ge eten, 12maar dit zijn de vogels die ge niet moogt eten: de arend, de lammergier, de baardgier, 13de wouw en de verschillende soorten valken, 14alle soorten raven, 15de oehoe, de kortooruil, de langooruil en alle soorten sperwers, 16de steenuil, de ibis, de witte uil, 17de pelikaan, de visarend, de aalscholver, 18de ooievaar, alle soorten reigers, de hop en de vleermuis. 19Ook alle gevleugelde insekten gelden voor u als onrein; ge moogt die niet eten; 20maar alle reine gevleugelde dieren moogt ge eten. 21Een dood dier moogt ge niet eten. Ge kunt het de vreemdeling binnen uw poorten laten eten of verkopen aan een buitenlander. Want gij zijt een volk dat aan Jahwe uw God is gewijd. Ge moogt een lammetje niet koken in de melk van zijn moeder. 22Ieder jaar moet gij van de graanoogst die van uw land komt, het tiende deel afdragen. 23Bij Jahwe uw God, op de plaats die Hij uitkiest om er zijn naam te vestigen, moet gij de tiende eten van uw koren, most en olie en de eerstgeborenen van uw runderen en uw schapen. Daardoor zult gij leren altijd ontzag te hebben voor Jahwe uw God. 24En wanneer de afstand te groot is, wanneer gij dat alles niet mee kunt nemen, omdat de plaats die Jahwe uw God uitkiest om er zijn naam te vestigen, te ver weg ligt en omdat Hij u zo overvloedig heeft gezegend, 25dan moet gij alles te gelde maken en u met het geld naar de plaats begeven die Jahwe

All rights reserved © mijnervaringtussengod.be

21

mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

huispagina

uw God uitkiest. 26Voor dat geld kunt gij dan kopen wat ge wilt: runderen, schapen, wijn of sterke drank of wat ge ook verlangt. Daarvan kunt ge dan eten voor Jahwe uw God en samen met uw familie feest vieren.

27Verwaarloos echter de levieten binnen uw poorten niet, want zij hebben geen stuk grond, geen eigendom zoals gij. 28Om de drie jaar moet gij het tiende deel van de oogst van dat jaar naar de stadspoort brengen en daar neerleggen. 29Dan kunnen de levieten, die geen stuk grond en geen eigendom bezitten zoals gij, de vreemdelingen, de wezen en de weduwen daarvan eten en zich verzadigen. Jahwe uw God zal u daarvoor zegenen bij al uw ondernemingen.

Hoofdstuk 15

Om de zeven jaar moet gij een kwijtschelding houden. 2Bij deze kwijtschelding gaat het als volgt: Ieder die iets aan zijn naaste heeft geleend, moet hem die schuld kwijtschelden. Hij mag zijn naaste of broeder niet tot betaling dwingen, omdat er een kwijtschelding ter ere van Jahwe is uitgeroepen. 3Een buitenlander moogt ge tot betaling dwingen, maar wat uw broeder voor u heeft, moet ge hem kwijtschelden. 4Er zullen bij u trouwens geen armen zijn, want Jahwe uw God zal u overvloedig zegenen in het land dat Hij u in eigendom geeft, 5als ge tenminste gehoor geeft aan wat Jahwe uw God zegt, en al de geboden nauwgezet volbrengt die ik u heden opleg. 6De zegen van Jahwe uw God zal o u rusten, zoals Hij beloofd heeft. Gij zult aan veel volken leningen verstrekken, maar zelf niets behoeven te lenen. Gij zult over veel volken heersen, maar zij zullen niet heersen over u. 7Is in een of andere stad van het land, dat Jahwe uw God u schenkt, een van uw broeders tot armoede vervallen, dan moet ge niet hard zijn voor uw arme broeder en uw beurs niet voor hem dichthouden. 8Ge moet die integendeel wijd opendoen en hem alles lenen wat hij tekort komt. 9En laat bij u niet de lage gedachte opkomen, dat het zevende jaar, het jaar van de kwijtschelding, nabij is, zodat ge geen medelijden toont met uw arme broeder en hem niets leent. Want beroept hij zich tegen u op Jahwe, dan wordt gij schuldig bevonden. 10Geef met milde hand en met een blij gemoed. Als gij dat doet, zal op al het werk dat gij onderneemt de zegen rusten van Jahwe uw God. 11Armen zullen er altijd blijven in het land; juist daarom gebied ik u: doe uw beurs wijd open voor uw behoeftige en arme landgenoot. 12Wanneer uw broeder, een Hebreeuwse man of vrouw, zich als slaaf aan u verkoopt, moet hij u zes jaar dienen, maar het zevende jaar moet ge hem vrij laten heengaan. 13En bij de vrijlating moogt gij hem niet met lege handen laten heengaan. 14Ge moet hem geschenken meegeven van uw schapen, uw dorsvloer en uw perskuip, naargelang Jahwe uw God u heeft gezegend. 15Bedenk dat gij zelf slaaf zijt geweest in Egypte en dat Jahwe uw God u verlost heeft. Daarom geef ik u vandaag dit gebod. 16Zegt hij echter: `Ik wil bij u niet weg,’ omdat hij van u en van uw familie is gaan houden en omdat hij het goed bij u had, 17dan moet gij zijn oor met een priem aan de deur steken en zal hij voor altijd uw slaaf zijn. Voor uw slavin geldt hetzelfde. 18Het mag u niet hard vallen hem vrij te laten: zes jaar heeft hij het dubbele loon

All rights reserved © mijnervaringtussengod.be

22

mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

huispagina

van een dagloner voor u verdiend en de zegen van Jahwe uw God zal daardoor rusten op alles wat gij doet. 19Iedere mannelijke eerstgeborene van uw runderen en uw schapen moet gij toewijden aan Jahwe uw God. Gij moogt met het eerstgeborene van uw runderen geen arbeid verrichten en het eerstgeborene van uw schapen niet scheren. 20Gij moet deze dieren ieder jaar met uw familie eten bij Jahwe, op de plaats die Hij uitkiest. 21Als een dier een ernstig gebrek heeft, als het kreupel of blind is of iets van dien aard, moogt gij het niet als slachtoffer aan Jahwe uw God opdragen. 22Dan kunt gij er thuis van eten, of gij rein zijt of niet, net als bij een hert of een gazel. Alleen het bloed moogt ge niet eten; dat moet gij als water weg laten lopen.

Hoofdstuk 16

Zorg dat ge in de maand Abib pasen viert voor Jahwe uw God, want in de maand Abib heeft Hij u in de nacht uit Egypte geleid. 2Het paasoffer voor Jahwe uw God, een schaap of een rund, moet gij slachten op de plaats die Jahwe uitkiest om er zijn naam te vestigen. 3Daarbij moogt ge geen gezuurd brood eten: zeven dagen moet ge ongezuurd brood eten, het brood der verdrukking, want ge zijt in grote haast uit Egypte getrokken. Zo zult ge de dag van het vertrek uit Egypte heel uw leven blijven gedenken. 4Zeven dagen lang mag er in heel uw gebied geen zuurdeeg te vinden zijn. Van het vlees dat ge op de avond van de eerste dag slacht, moogt ge niets bewaren tot de volgende morgen. 5Gij moogt het paasoffer niet slachten in de woonplaats die Jahwe uw God u schenkt, 6maar alleen op de plaats die Hij uitkiest om er zijn naam te vestigen. Gij moet het slachten in de avond, bij het ondergaan van de zon, het tijdstip van uw vertrek uit Egypte. 7Gij moet het koken en nuttigen op de plaats die Jahwe uw God uitkiest, en de volgende morgen kunt ge weer naar huis gaan. 8Zes dagen moet ge ongezuurd brood eten. De zevende dag is het slotfeest ter ere van Jahwe uw God; dan moogt ge niet werken. 9Als ge de eerste sikkel in het koren hebt geslagen, moet ge zeven weken aftellen 10en dan het wekenfeest vieren ter ere van Jahwe uw God, met vrijwillige gaven, al naar Hij u gezegend heeft. 11Op de plaats die Jahwe uw God uitkiest om er zijn naam te vestigen, moet gij feest vieren met uw zonen en dochters, met uw slaven en slavinnen, met de levieten binnen uw poorten, met de vreemdelingen, de weduwen en de wezen, die bij u wonen. 12Gij moet bedenken, dat gij zelf slaaf zijt geweest in Egypte, en deze voorschriften nauwgezet volbrengen. 13Als gij de opbrengst van uw dorsvloer en uw perskuip binnen hebt, moet gij zeven dagen lang het loofhuttenfeest vieren. 14Gij moet dan feestvieren met uw zonen en dochters, met uw slaven en slavinnen, met de levieten, de vreemdelingen, de weduwen en de wezen binnen uw poorten. 15Zeven dagen moet ge feest vieren voor Jahwe uw God, op de plaats die Hij uitkiest. Jahwe uw God zal uw oogst en uw werk zo zegenen, dat ge volop feest kunt vieren. 16Driemaal per jaar moeten al uw mannen voor Jahwe uw God verschijnen, op de plaats die Hij uitkiest: op het feest van de ongezuurde broden, op het wekenfeest en op het loofhuttenfeest. Niemand mag met lege handen voor Jahwe

All rights reserved © mijnervaringtussengod.be

23

mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

huispagina

verschijnen; 17ieder moet naar vermogen geschenken meebrengen, al naar Jahwe uw God hem gezegend heeft. 18In al de steden die Jahwe uw God u schenkt, moet gij voor uw stammen rechters en schrijvers aanstellen om het volk een eerlijke rechtspraak te verzekeren. 19Gij moogt het recht niet verdraaien, niemand naar de ogen zien en geen steekpenningen aannemen, want steekpenningen verblinden de ogen van wijzen en geven de zaak van rechtvaardigen geen kans. 20Alleen wat recht is, moet gij nastreven; dan zult gij leven en het land bezitten dat Jahwe uw God u schenkt. 21Als gij een altaar bouwt voor Jahwe uw God, moogt gij daarnaast geen stuk hout plaatsen als heilige paal. 22Gij moogt geen wijsteen oprichten, want Jahwe uw God heeft daar een afkeer van.

Hoofdstuk 17

Gij moogt Jahwe uw God geen rund of schaap offeren, dat een gebrek heeft, want daarvan heeft Hij een afschuw. 2Wanneer in uw midden, in een van de steden die Jahwe uw God u schenkt, iemand is, man of vrouw, die doet wat Jahwe uw God mishaagt, zijn verbond overtreedt, 3andere goden gaat vereren en zich neerbuigt voor de zon, de maan of een ander hemellichaam, 4en het wordt u gemeld of het komt u ter ore: dan moet gij een nauwkeurig onderzoek instellen. Blijkt het waar te zijn en staat het inderdaad vast, dat een dergelijke gruweldaad in Israël bedreven is, 5dan moet gij de man of vrouw die deze misdaad heeft begaan, buiten de stadspoort brengen en doodstenigen. 6De doodstraf mag slechts worden voltrokken op de verklaring van twee of drie getuigen, niet op de verklaring van een. 7Eerst moeten de getuigen de hand tegen de ter dood veroordeelde opheffen, daarna de overige mensen. Zo zult gij dit kwaad uit uw midden uitroeien. 8Wanneer het u te moeilijk valt in uw eigen stadspoort een uitspraak te doen inzake moord, rechtsvordering, geweldpleging of in enig ander rechtsgeding, dan moet gij u naar de plaats begeven, die Jahwe uw God uitkiest, 9om de levitische priesters en de rechter, die o dat ogenblik het ambt bekleedt, te raadplegen. Zij zullen uitspraak voor u doen. 10Overeenkomstig de uitspraak die zij doen op de plaats die Jahwe uitkiest, moet gij handelen: ge moet u nauwgezet houden aan de beslissing die zij nemen. 11Volgens de beslissing die zij nemen en de uitspraak die zij doen, moet gij handelen; van hetgeen zij vaststellen, moogt gij niet afwijken, naar rechts noch naar links. 12Waagt iemand het niet te gehoorzamen aan de priester die daar voor Jahwe uw God dienst doet, of aan de rechter, dan moet die man sterven. Zo zult gij dit kwaad uit Israël uitroeien. 13Als de mensen dit vernemen, zullen zij met vrees vervuld worden en het niet meer wagen zoiets te doen. 14Wanneer gij het land zijt binnengegaan dat Jahwe uw God u schenkt, het in bezit hebt genomen en er gevestigd zijt, en wanneer gij dan zegt: `Ik wil een koning hebben, zoals de volken in mijn omgeving,’ 15dan moet gij iemand nemen die Jahwe uw God uitkiest; een volksgenoot moet gij als koning over u aanstellen, geen vreemdeling of iemand die niet tot uw volk behoort. 16Hij mag er niet veel paarden op n houden en het volk niet terug laten gaan naar Egypte om nog meer paarden te krijgen; want Jahwe uw God heeft u

All rights reserved © mijnervaringtussengod.be

24

mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

huispagina

gezegd: `Die weg moogt gij nooit meer opgaan.’ 17Hij mag er niet veel vrouwen op nahouden, anders gaat hij de verkeerde weg op. Evenmin mag hij veel zilver en goud vergaren. 18Zodra hij bezit heeft genomen van de troon, moet hij voor zichzelf op een boekrol een afschrift laten maken van deze wet, die bij de levitische priesters berust. 19Hij moet die rol bij zich houden en er alle dagen van zijn leven in lezen, zodat hij ontzag leert hebben voor Jahwe zijn God en alle bepalingen van deze wet en alle voorschriften stipt onderhoudt. 20Dan zal hij zich niet verheven achten boven zijn broeders en zal hij naar rechts noch links van de geboden afwijken; en dan zullen hijzelf en zijn zonen lange tijd koning blijven in Israël.

Hoofdstuk 18

De levitische priesters, alle leden van de stam Levi, zullen geen bezit en eigendom mogen hebben zoals de overige Israëlieten: zij moeten leven van de gaven die men aan Jahwe offert en van diens bezit. 2Levi zal geen grond bezitten zoals zijn broeders: Jahwe zal zijn bezit zijn, zoals Hij hem beloofd heeft. 3Van de gaven van het volk komt de priester rechtens het volgende toe: van een rund of een schaap dat men als slachtoffer opdraagt moeten het schouderstuk, de beide kaken en de maag aan de priester gegeven worden. 4Ook de eerstelingen van uw koren, most en olie, en de eerste wol van uw schapen moet gij hem geven. 5Want Jahwe uw God heeft hem en zijn zonen uit al uw stammen uitverkoren om voor altijd de dienst voor Jahwe’s naam te verrichten. 6En wanneer een leviet uit een van de Israëlitische steden waar hij als gast verbleef, naar de plaats wenst te komen die Jahwe uitkiest, 7dan mag hij de dienst van de naam van Jahwe zijn God verrichten, evengoed als zijn medelevieten die daar voor Jahwe staan. 8Hij zal evenveel van de spijzen krijgen als zij, wat zijn familiebezit ook moge opbrengen. 9Wanneer gij het land zijt binnengegaan dat Jahwe uw God u schenkt, moet ge niet gaan meedoen aan de gruweldaden van die volken. 10Het mag bij u niet voorkomen, dat iemand zijn zoon of zijn dochter door het vuur laat gaan, zich afgeeft met waarzeggerij, met geestenbezwering, mantiek of toverij, 11zich met bezweringen inlaat, geesten en orakels ondervraagt of de doden oproept. 12Want van iedereen die dergelijke dingen doet heeft Jahwe uw God een afschuw; en om dergelijke gruweldaden drijft Hij die volken voor u weg. 13Gij moet Jahwe uw God onvoorwaardelijk trouw zijn. 14De volken die gij verdrijft mogen naar geestenbezweerders en waarzeggers geluisterd hebben, aan u staat Jahwe dat niet toe. 15Uit uw eigen broeders zal Jahwe uw God een profeet doen opstaan zoals ik dat ben, naar wie gij moet luisteren. 16Gij hebt dat immers bij de Horeb, op de dag van de samenkomst, aan Jahwe uw God gevraagd. Toen hebt gij gezegd: `Laat mij de stem van Jahwe mijn God niet meer horen, en dat grote vuur niet meer zien, anders sterf ik.’ 17Jahwe heeft mij toen gezegd: `Zij hebben gelijk. 18Ik zal uit hun eigen broeders een profeet doen opstaan zoals gij dat zijt. Ik zal hem mijn woorden in de mond leggen en hij zal hun alles zeggen wat Ik hem opdraag. 19En van degene die geen gehoor geeft aan

All rights reserved © mijnervaringtussengod.be

25

mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

huispagina

de woorden die hij in mijn naam spreekt, zal Ikzelf rekenschap vragen. 20Is er een profeet die zich vermeet in mijn naam te spreken zonder dat Ik hem opdracht heb gegeven, of die spreekt in de naam van andere goden, dan moet hij sterven, die profeet. 21Misschien denkt ge bij uzelf: `Hoe kunnen wij weten dat een woord niet van Jahwe afkomstig is?’ 22Wel, als een profeet beweert in de naam van Jahwe te spreken, maar wat hij gezegd heeft gebeurt niet en komt niet uit, dan is dat woord geen woord van Jahwe, maar van die onbeschaamde profeet. Voor zo iemand moet gij geen ontzag hebben.

Hoofdstuk 19

Wanneer Jahwe uw God de volken van het land, dat Hij u schenkt, heeft uitgeroeid, wanneer gij hen verdreven hebt en in hun steden en hun huizen woont, 2dan moet gij drie steden aanwijzen in het land dat Jahwe uw God u in bezit geeft. 3Ge moet de afstand opmeten en het grondgebied van het land, dat Jahwe uw God u in eigendom geeft, in drieën verdelen. Dan kan iedereen die doodslag heeft begaan, daarheen de wijk nemen. 4Door daarheen de wijk te nemen kan iemand die doodslag heeft begaan, zijn leven redden, als hij tenminste zijn naaste zonder opzet heeft neergeslagen en hem tevoren geen haat heeft toegedragen. 5Als hij bijvoorbeeld met zijn naaste het bos is ingegaan om hout te hakken, met zijn bijl zwaait om een boom te vellen, en het ijzer schiet van de steel, zodat het zijn naaste dodelijk treft, dan kan hij zijn leven redden door naar een van die steden de wijk te nemen. 6Anders zou de bloedwreker hem in toorn achtervolgen, hem vanwege de grote afstand kunnen inhalen en hem neerslaan, ofschoon hij onschuldig is hij droeg het slachtoffer immers tevoren geen haat toe. 7Daarom gebied ik u drie steden aan te wijzen. 8 En als Jahwe uw grondgebied groter maakt, zoals Hij uw vaderen gezworen heeft, en u het hele land schenkt dat Hij hun heeft beloofd. 9- gij dient dan natuurlijk al de geboden die ik u heden opleg, stipt te volbrengen en Jahwe uw God te beminnen en altijd zijn wegen te gaan – dan moet gij nog drie andere steden aanwijzen. 10Zo zal er in het land dat Jahwe uw God u in eigendom geeft, geen onschuldig bloed vergoten worden, dat op uw hoofd zou neerkomen. 11Wanneer iemand echter zijn naaste haat, hem heimelijk opwacht, aanvalt en doodslaat en daarop de wijk neemt naar een van die steden, 12dan moeten de oudsten van zijn woonplaats hem terughalen en aan de bloedwreker uitleveren, zodat hij niet aan de dood ontsnapt. 13Gij moogt geen medelijden hebben met zo iemand; degene die onschuldig bloed vergiet, moet uit Israël verwijderd worden. Dan zal het u goed gaan. 14Op het grondgebied dat gij krijgt, als Jahwe uw God u het land in bezit heeft gegeven, moogt ge bij uw buurman de grensstenen, door de voorouders opgericht, niet verleggen. 15Bij geen enkel vergrijp of misdrijf is het voldoende, als een persoon tegen de dader getuigt; alleen een verklaring van twee of drie getuigen is rechtsgeldig. 16Wanneer een valse getuige iemand van een misdrijf beschuldigt, 17moeten de twee partijen voor Jahwe verschijnen, bij de priesters en de rechters die op dat ogenblik het ambt bekleden. 18Blijkt na een zorgvuldig

All rights reserved © mijnervaringtussengod.be

26

mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

huispagina

onderzoek door de rechters, dat de getuige inderdaad onbetrouwbaar is en een valse aanklacht tegen zijn broeder heeft ingediend, 19dan moet gij hem aandoen wat hij zijn broeder dacht aan te doen. Zo zult gij dit kwaad uit uw midden uitroeien. 20Als de mensen dit vernemen, zullen zij met vrees vervuld worden en nooit een dergelijk kwaad meer bedrijven. 21Gij moet met niemand medelijden hebben: het is een leven voor een leven, een oog voor een oog, een tand voor een tand, een hand voor een hand, een voet voor een voet.

Hoofdstuk 20

Als gij tegen uw vijanden ten strijde trekt en ziet, dat zij veel meer paarden, wagens en soldaten hebben dan gij, dan moet gij toch niet bang voor hen zijn, want Jahwe uw God is met u. Hij, die u uit Egypte heeft geleid. 2Voor gij de strijd begint, moet een priester naar voren treden en de soldaten toespreken. 3Hij moet tegen hen zeggen: `Luister, Israël! Aanstonds begint gij de strijd tegen uw vijanden. Laat u niet ontmoedigen, wees niet bang, sla niet uit angst op de vlucht en heb geen schrik voor hen. 4Want Jahwe uw God trekt met u mee, om voor u tegen uw vijanden te strijden en u te redden.’ 5Dan moeten de schrijvers aan de soldaten vragen: `Is er iemand die een nieuw huis heeft gebouwd, maar er nog niet ingetrokken is? Laat hem naar huis gaan, want als hij in de strijd sneuvelt, zou een ander in zijn huis trekken. 6Is er iemand die een wijngaard heeft geplant, maar er nog niet van geplukt heeft? Laat hem naar huis gaan, want als hij in de strijd sneuvelt, zou een ander er de eerste vruchten van plukken. 7Is er iemand die zich met een vrouw heeft verloofd, maar nog niet met haar getrouwd is? Laat hem naar huis gaan, want als hij in de strijd sneuvelt, zou een ander met haar trouwen.’ 8 Bovendien moeten de schrijvers de soldaten vragen: `Is er iemand die bang is of zonder moed? Laat hem naar huis gaan, want hij zou ook zijn broeders kunnen ontmoedigen.’ 9Als de schrijvers deze vragen gesteld hebben, moeten zij over de soldaten aanvoerders aanstellen. 10Wanneer gij op het punt staat een stad aan te vallen, moet ge haar eerst voorstellen zich over te geven. 11Gaat de stad op uw voorstel in en opent zij haar poorten voor u, dan moeten alle inwoners herendienst verrichten en u dienstbaar zijn. 12Geeft de stad zich niet over en gaat zij de strijd met u aan, zodat gij het beleg begint, 13en Jahwe uw God levert ze aan u uit, dan moet gij de hele mannelijke bevolking uitmoorden. 14Alles wat Jahwe uw God u in de stad buit laat maken, de vrouwen en kinderen, het vee en alle goederen, kunt ge houden en voor uzelf gebruiken. 15Het voorgaande geldt voor de steden die zeer ver verwijderd liggen en niet behoren tot de steden van de volken hier. 16Maar in de steden van deze volken die Jahwe uw God u in eigendom geeft, moogt gij niemand in leven laten. 17Gij moet Hethieten, Amorieten, Kanaänieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten met de ban slaan, zoals Jahwe uw God u bevolen heeft. 18Anders brengen zij u er toe, mee te doen met al de gruwelen die zij voor hun goden hebben bedreven en te zondigen tegen Jahwe uw God. 19Wanneer ge een stad lange tijd moet belegeren, voor ge ze kunt innemen, dan moet ge de

All rights reserved © mijnervaringtussengod.be

27

mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

huispagina

bomen om die stad niet vernielen door er de bijl in te slaan. Ge moogt er wel van eten, maar ze niet omhakken. De bomen buiten de stad zijn toch geen mensen, dat gij ze in het beleg zoudt betrekken? 20Alleen de bomen waarvan men naar uw beste weten niet eet, moogt ge vernielen; die kunt ge omhakken om er belegeringswerktuigen van te maken, tot de stad, die met u in oorlog is, bezwijkt.

Hoofdstuk 21

Wanneer men op de grond die Jahwe uw God u in bezit geeft, in het open veld iemand vindt liggen die vermoord is, zonder dat men weet wie hem heeft neergeslagen, 2dan moeten uw oudsten en rechters er heengaan en opmeten, hoever de vermoorde van de steden in de omtrek verwijderd ligt. 3Van de stad waar de vermoorde het dichtst bij ligt, moeten de oudsten een jonge koe, waar nog niet mee gewerkt is en die nog in geen juk gespannen is, 4naar een dal brengen waar altijd water staat en waar men dus niet ploegt of zaait, en daar de koe de nek breken. 5Dan moeten de levitische priesters naar voren treden, want Jahwe uw God heeft hen uitverkoren om in zijn dienst te staan en met zijn naam te zegenen. Bij hen berust de beslissing in ieder geschil over geweldpleging. 6Van de stad waar de vermoorde het dichtst bij ligt, moeten de oudsten boven de jonge koe, die men in het dal de nek gebroken heeft, hun handen wassen 7en verklaren: `Onze handen hebben dit bloed niet vergoten, onze ogen hebben het niet gezien. 8 Jahwe, reken dit uw volk Israël, dat gij verlost hebt, niet aan en laat geen bloed van een onschuldige op uw volk neerkomen.’ Dan zijn zij vrij van bloedschuld. 9Gij moet dus alle schuld om dit vergoten bloed uit uw midden verwijderen; gij moet handelen volgens Jahwe’s wil. 10Wanneer gij ten strijde trekt tegen uw vijanden, Jahwe ze aan u uitlevert en gij krijgsgevangenen maakt, 11en wanneer ge dan bij de gevangenen een mooie vrouw ziet en verliefd op haar wordt, dan moogt ge met haar trouwen. 12Als ge haar binnenbrengt in uw huis, moet zij haar hoofdhaar scheren, haar nagels knippen 13en het kleed afleggen, dat ze als gevangene droeg. Zij moet een volle maand de gelegenheid hebben om haar vader en haar moeder te bewenen. Dan pas moogt ge tot haar gaan en haar bezit ten, zodat zij uw vrouw wordt. 14Mocht zij u niet meer bevallen, dan moet ge haar laten gaan waarheen zij wil. Gij moogt haar in geen geval verkopen of als slavin behandelen, want gij hebt omgang met haar gehad. 15Wanneer een man die twee vrouwen heeft van de een meer houdt en van de ander minder, en wanneer zij hem beiden een zoon geschonken hebben en de eerstgeborene een zoon is van de minder geliefde vrouw, 16dan mag die man, als hij zijn bezittingen aan zijn zonen vermaakt, de zoon van zijn geliefde vrouw niet als eerstgeborene behandelen, ten koste van de zoon van de minder geliefde vrouw, die rechtens de eerstgeborene is. 17Hij moet de zoon van de minder geliefde vrouw als eerstgeborene erkennen en hem dubbel deel geven van al wat hij bezit, want die zoon is de eersteling van zijn mannelijke kracht; hem behoort het eerstgeboorterecht. 18Wanneer iemand een opstandige en weerspannige zoon heeft, die

All rights reserved © mijnervaringtussengod.be

28

mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

huispagina

weigert naar zijn ouders te luisteren en hun ondanks alle straffen niet gehoorzaamt, 19moeten zijn ouders hem vastgrijpen, hem naar de poort bij de oudsten van de stad brengen 20en tot hen zeggen: `Onze zoon is opstandig en weerspannig, hij luistert niet naar ons; het is een losbol en een dronkaard.’ 21Dan moeten zijn medeburgers hem doodstenigen. Zo zult gij dit kwaad bij u uitroeien. Als de Israëlieten dit vernemen, zullen zij allen met vrees vervuld worden. 22Wanneer iemand zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf, waarop de doodstraf staat, moet gij hem na de voltrekking van het doodvonnis aan een paal hangen. 23Maar ’s nachts moogt ge zijn lijk niet aan die paal laten hangen; ge moet het diezelfde dag begraven. Want een gehangene is door God vervloekt, en ge moogt de grond die Jahwe uw God u in eigendom geeft, niet verontreinigen.

Hoofdstuk 22

Wanneer ge een rund of een schaap tegenkomt, dat bij uw broeder is weggelopen, moogt ge niet toezien zonder een hand uit te steken. Het is uw plicht het dier terug te brengen. 2Als uw broeder niet bij u in de buurt woont of als ge hem niet kent, moet ge het dier mee naar huis nemen en bij u houden, tot uw broeder het komt zoek en. Dan moet ge het hem teruggeven. 3Hetzelfde geldt voor zijn ezel, voor zijn kleed, in een woord, voor alles wat uw broeder verliest en door u gevonden wordt. Het mag u in geen geval onverschillig laten. 4Ook als een ezel of een os van uw broeder ten val komt, moogt ge niet toezien zonder een hand uit te steken. Ge moet hem helpen het dier weer op de been te brengen. 5Een vrouw mag geen mannekleren dragen en een man geen vrouwekleren. Van iedereen die zoiets doet, heeft Jahwe uw God een afschuw. 6Wanneer gij onderweg in een boom of op de grond een vogelnestje vindt met jongen of met eitjes en het wijfje zit erop, dan moogt ge het wijfje niet meenemen en de jongen achterlaten. 7Het wijfje moet ge weg laten vliegen, de jongen moogt ge meenemen. Dan zult ge gelukkig zijn en lang blijven leven. 8 Als ge een nieuw huis bouwt, moet ge om het dak een muurtje maken; dan komt er geen bloedschuld over uw huis, als iemand eraf valt. 9Ge moogt in uw wijngaard geen ander gewas zaaien. Anders vervalt de hele oogst aan het heiligdom, zowel hetgeen gij gezaaid hebt als de opbrengst van uw wijngaard. 10Ge moogt een os en een ezel niet samen voor de ploeg spannen. 11Ge moogt geen kleren dragen die tegelijk uit wol en linnen geweven zijn. 12Aan de vier uiteinden van het kleed dat ge draagt moet ge kwasten maken. 13Wanneer een man een vrouw huwt en nadat hij omgang met haar gehad heeft, niet meer op haar gesteld is, 14en wanneer hij haar beschuldigt en in opspraak brengt door te zeggen: `Ik heb deze vrouw gehuwd, maar toen ik tot haar naderde, ontdekte ik dat zij geen maagd meer was,’ 15dan moeten de ouders van het meisje het bewijs van haar maagdelijkheid bij de oudsten in de stadspoort brengen. 16De vader van het meisje moet tot de oudsten zeggen: `Aan deze man heb ik mijn dochter ten huwelijk gegeven, maar zij bevalt hem niet, 17en nu beschuldigt hij haar en beweert: Ik heb ontdekt dat uw dochter geen maagd meer was. Welnu dan, hier is het bewijs van haar maagdelijkheid.’

All rights reserved © mijnervaringtussengod.be

29

mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

huispagina

Daarbij spreiden zij het kleed voor de oudsten van de stad uit. 18Dan moeten de oudsten van die stad de man tuchtigen 19en hem een geldboete van honderd zilverstukken opleggen, die zij aan de vader van het meisje ter hand stellen; want hij heeft een Israëlitische maagd in opspraak gebracht. Zij blijft zijn vrouw; zijn leven lang heeft hij niet meer het recht haar te verstoten. 20Blijkt de beschuldiging waar te zijn en stelt men vast, dat het meisje inderdaad geen maagd was, 21dan moet men haar naar de deur van haar ouderlijk huis brengen. En de burgers van de stad moeten haar doodstenigen; want zij heeft een schanddaad in Israël begaan door ontucht te plegen, terwijl ze nog in haar ouderlijk huis woonde. Zo zult gij dit kwaad bij u uitroeien. 22Wanneer een man op heterdaad betrapt wordt, terwijl hij gemeenschap heeft met een getrouwde vrouw, moeten beiden sterven, de man die gemeenschap had met die vrouw, en ook de vrouw. Zo zult gij dit kwaad uit Israël uitroeien. 23Wanneer een man in de stad een maagdelijk meisje ontmoet, dat verloofd is, en gemeenschap met haar heeft, 24moet gij beiden naar de stadspoort brengen en doodstenigen: het meisje, omdat ze niet om hulp heeft geroepen, hoewel ze in de stad was, en de man, omdat hij de vrouw van zijn naaste verkracht heeft. Zo zult gij dit kwaad bij u uitroeien. 25Ontmoet de man het verloofde meisje echter buiten de stad, overweldigt hij haar en heeft hij gemeenschap met haar, dan moet alleen de man sterven. 26Het meisje moet ge ongemoeid laten; zij heeft geen schuld waar de dood op staat. Dit geval staat gelijk met dat van iemand die een ander overvalt en vermoordt. 27De man heeft haar immers buiten de stad ontmoet. Ook al zou het meisje om hulp geroepen hebben, niemand had haar kunnen helpen. 28Wanneer een man een maagdelijk meisje ontmoet dat nog niet verloofd is, haar vastgrijpt en gemeenschap met haar heeft, en wanneer zij op heterdaad betrapt worden, 29moet de man die gemeenschap met dat meisje heeft gehad aan haar vader vijftig zilverstukken betalen. Hij moet haar huwen, omdat hij haar verkracht heeft; zijn leven lang heeft hij niet meer het recht haar te verstoten.

Hoofdstuk 23

Een man mag niet trouwen met een vrouw van zijn vader; hij mag het dek van zijn vader niet opslaan. 2Iemand die door kneuzing is ontmand of wiens lid is afgesneden, heeft geen toegang tot de gemeente van Jahwe. 3Een bastaard heeft geen toegang tot de gemeente van Jahwe; zelfs zijn nakomelingen tot in het tiende geslacht hebben er geen toegang. 4Ammonieten en Moabieten hebben geen toegang tot de gemeente van Jahwe; zelfs hun nakomelingen tot het tiende geslacht hebben er geen toegang, nu niet en nooit niet. 5Want toen gij uit Egypte zijt getrokken, zijn zij onderweg niet met eten en drinken naar u toegekomen, en zij hebben Bileam, zoon van Beor, uit Petor in Aram-naharaim gehuurd om u te vervloeken. 6Maar Jahwe uw God heeft niet naar Bileam willen luisteren en de vloek tot een zegen gemaakt, omdat Hij u liefhad. 7Zolang ge leeft, moogt ge geen vriendschap of vrede met hen zoeken. 8 Edomieten moogt ge niet verafschuwen, want zij zijn uw broeders. Egyptenaren moogt ge

All rights reserved © mijnervaringtussengod.be

30

mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

huispagina

niet verafschuwen, want gij zijt vreemdelingen geweest in hun land. 9Hun nakomelingen hebben in het derde geslacht toegang tot de gemeente van Jahwe. 10Wanneer gij tegen uw vijanden optrekt en een kamp opslaat, moet ge u hoeden voor alles wat onbehoorlijk is. 11Ieder van u, die tengevolge van een nachtelijk gebeuren onrein is, moet het kamp verlaten en buiten blijven. 12Bij het vallen van de avond moet hij zich wassen en na zonsondergang mag hij het kamp weer betreden. 13Buiten het kamp moet er een gelegenheid zijn, waar ge heen kunt gaan. 14Bij uw uitrusting moet ge een schop hebben, en als ge buiten het kamp uw behoefte doet, moet ge daarmee een kuiltje graven en uw uitwerpselen bedekken. 15Want Jahwe uw God gaat rond door uw kamp om u te beschermen en uw vijanden aan u uit te leveren. Uw kamp moet dus heilig zijn. Jahwe mag niets onbehoorlijks bij u opmerken; anders zou Hij zich van u afwenden. 16Een slaaf die bij zijn heer is weggelopen en bij u komt moogt ge niet aan zijn heer uitleveren. 17Hij mag in uw land blijven wonen, in de stad waaraan hij de voorkeur geeft. Ge moogt hem niet hard behandelen. 18Een Israëlitische man of vrouw mag zich niet lenen voor godsdienstige ontucht. 19Bij het inlossen van uw geloften moogt ge geen hoerengeld of hondenloon in de tempel van Jahwe uw God brengen. Want van beiden heeft Hij een afschuw. 20Ge moogt van uw broeder geen rente eisen, niet van geld, niet van levensmiddelen of van iets anders dat hij leent. 21Ge moogt wel rente vragen van een buitenlander, maar niet van uw broeder. Dan zal Jahwe uw God u zegenen bij al uw ondernemingen, in het land dat gij in bezit gaat nemen. 22Wanneer ge een gelofte doet aan Jahwe uw God, moogt ge de inlossing daarvan niet uitstellen, want hij eist die toch van u op en dan rust er schuld op u. 23Als ge geen geloften aflegt, rust er geen schuld op u; maar als ge eenmaaliets beloofd hebt, moet ge die belofte ook nakomen en volbrengen, 24want ge hebt die gelofte aan Jahwe uw God gedaan uit vrije wil en met eigen mond. 25Wanneer ge door een wijngaard van uw naaste komt, moogt ge druiven eten zoveel ge wilt, maar er geen meenemen. 26Wanneer ge door een korenveld van uw naaste komt, moogt ge wel met de hand aren plukken, maar niet de sikkel slaan in het te velde staand gewas.

Hoofdstuk 24

Wanneer iemand die een vrouw gehuwd heeft, niet meer van haar houdt, omdat hij iets onbehoorlijks bij haar heeft ontdekt, een scheidingsbrief voor haar schrijft, haar die ter hand stelt en haar zijn huis uitstuurt, 2en als die vrouw, nadat zij zijn huis verlaten heeft, met een ander is gehuwd, 3en ook die tweede man houdt niet meer van haar, schrijft voor haar een scheidingsbrief, stelt haar die ter hand en stuurt haar zijn huis uit, of de tweede man met wie zij gehuwd is, komt te sterven, 4dan kan de eerste man die haar verstoten heeft, niet opnieuw met haar trouwen, aangezien zij onrein is geworden. Daar heeft Jahwe een afschuw van en gij moogt geen zonde brengen over het land dat Jahwe uw God u schenkt. 5Iemand die pas getrouwd is, hoeft niet in het leger te gaan of andere verplichtingen op zich te nemen. Een jaar lang is hij vrij om voor zijn huis te zorgen; hij

All rights reserved © mijnervaringtussengod.be

31

mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

huispagina

zal vreugde brengen aan de vrouw met wie hij getrouwd is. 6Een handmolen of een bovenste molensteen mag men niet in pand nemen, want dan neemt men het leven zelf in pand. 7Wanneer iemand een van zijn mede-israëlieten rooft en betrapt wordt, als hij hem als slaaf behandelt of verkoopt, dan moet die rover sterven. Zo zult gij dit kwaad bij u uitroeien. 8 In gevallen van huidziekte moet ge u met de grootste nauwgezetheid houden aan de aanwijzingen van de levitische priesters. Wat ik hun heb voorgeschreven, moet gij nauwgezet volbrengen. 9Bedenk, wat Jahwe uw God met Mirjam gedaan heeft, bij uw uittocht uit Egypte. 10Wanneer ge van uw naaste een schuld hebt te vorderen, moogt ge zijn huis niet binnengaan om een pand van hem te nemen. 11Ge moet buiten blijven staan en de man op wie ge de vordering hebt, moet het pand buiten bij u brengen. 12Is die man arm, dan moogt ge u niet in zijn pand te rusten leggen. 13Ge moet het hem bij het vallen van de avond terugbezorgen. Dan kan hij in zijn mantel slapen. Hij zal u daarvoor zegenen en Jahwe uw God zal het u als verdienste aanrekenen. 14Een arme en behoeftige dagloner, een volksgenoot of een vreemdeling die in uw stad of in uw land woont, moogt ge niet hard behandelen. 15Iedere dag moet ge hem voor zonsondergang zijn loon uitbetalen, want hij is arm en ziet er verlangend naar uit. Anders roept hij Jahwe tegen u aan en laadt ge schuld op u. 16Vaders mogen niet ter dood gebracht worden om hun kinderen, en kinderen niet om hun vader. Ieder zal ter dood gebracht worden om zijn eigen schuld. 17Ge moogt de rechten van vreemdeling of wees niet schenden en het kleed van een weduwe niet in pand nemen. 18Bedenkt dat ge slaaf zijt geweest in Egypte, en dat Jahwe uw God u daaruit verlost heeft. Daarom gebied ik u zo te handelen. 19Wanneer ge bij het binnenhalen van de oogst een schoof op uw akker vergeet, moogt ge niet teruggaan om die te halen. Ge moet die overlaten aan vreemdelingen, weduwen en wezen. Dan zal Jahwe uw God u zegenen bij al uw werk. 20Wanneer ge de olijven hebt afgeslagen, moogt ge de takken niet opnieuw gaan afzoeken. Dat is het deel van vreemdelingen, weduwen en wezen. 21Wanneer ge de oogst van uw wijngaard inzamelt, moogt ge geen nalezing houden. Dat is het deel van vreemdelingen, weduwen en wezen. Bedenk dat gij slaaf zijt geweest in Egypte. Daarom gebied ik u zo te handelen.

Hoofdstuk 25

Wanneer twee mannen die onenigheid met elkaar hebben voor het gerecht verschijnen en men velt vonnis over hen, door de onschuldige vrij te spreken en de schuldige te veroordelen, 2dan moet de rechter de schuldige, als hij tot stokslagen is veroordeeld, voor zich op de grond laten leggen en hem in zijn tegenwoordigheid een aantal stokslagen laten toedienen, overeenkomstig de aard van het misdrijf. 3Veertig slagen mag hij hem geven en niet meer. Worden uw broeder meer slagen toegediend, dan zou hij voor uw ogen al te zeer vernederd worden. 4Ge moogt een rund bij het dorsen niet muilbanden. 5Wanneer twee broers bij elkaar wonen en een van hen komt te sterven zonder een zoon na te laten, dan

All rights reserved © mijnervaringtussengod.be

32

mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

huispagina

mag de vrouw van de overledene niet huwen met een man buiten de familie. Haar zwager zal gemeenschap met haar hebben, haar tot vrouw nemen en het zwagerhuwelijk met haar sluiten. 6De eerste zoon die zij hem schenkt, zal op naam van zijn overleden broer staan, zodat diens naam niet uit Israël verdwijnt. 7Is de man niet van zins zijn schoonzuster te huwen, dan moet deze in de poort naar de oudsten gaan en zeggen: `Mijn zwager weigert de naam van zijn broer in Israël te doen voortleven; hij wil met mij geen zwagerhuwelijk sluiten.’ 8 Dan moeten de oudsten van de stad hem ontbieden en hem over de zaak onderhouden. Blijft hij bij zijn standpunt en zegt hij: `Ik ben niet van plan haar te huwen,’ 9dan moet zijn schoonzuster ten overstaan van de oudsten op hem toegaan, hem zijn sandalen van de voeten trekken, hem in het gezicht spuwen en daarbij zeggen: `Zo wordt er gedaan met de man die het huis van zijn broer niet in stand houdt.’ 10En in Israël zal hij heten: barrevoetersgespuis. 11Wanneer twee mannen met elkaar vechten en de vrouw van de een komt haar man te hulp en grijpt de aanvaller met de hand bij zijn schaamdelen, 12dan moet ge haar onverbiddelijk de hand afkappen. 13Gij zult in uw buidel geen twee soorten gewichten hebben, zware en lichte. 14Gij zult geen twee soorten efa in huis hebben, grote en kleine. 15Uw gewichten moeten vol en zuiver zijn en uw efa’s eveneens. Dan zult gij lang leven op de grond die Jahwe uw God u schenkt. 16Want Jahwe uw God heeft een afschuw van iedereen die zoiets doet, van iedereen die onrecht doet. 17Blijf denken aan wat de Amalekieten u op uw tocht uit Egypte hebben aangedaan: 18hoe zij onderweg op u afkwamen en, toen gij doodop waart van vermoeienis, zonder enige vrees voor God alle zwakken die waren achtergebleven, van u afsneden. 19Als Jahwe uw God u dan in het land dat Hij u in eigendom geeft, rust heeft verleend van alle vijanden in uw omgeving, dan moet gij de herinnering van Amalek onder de hemel wegvagen. Vergeet dat nooit.

Hoofdstuk 26

Wanneer gij zijt gekomen in het land dat Jahwe uw God u in eigendom geeft, wanneer gij het in bezit hebt genomen en er gevestigd zijt, 2dan moet gij de eerste veldvruchten die gij oogst in het land, dat Jahwe uw God u schenkt, in een korf doen en daarmee naar de plaats gaan, die Jahwe uw God zal uitkiezen om er zijn naam te vestigen. 3Gij moet naar de priester gaan die er in die dagen is, en hem zeggen: `Heden belijd ik voor Jahwe mijn God, dat ik in het land ben gekomen, dat Hij onze vaderen onder ede beloofd had.’ 4De priester neemt dan de korf van u aan en zet hem voor het altaar van Jahwe uw God. 5Dan moet gij, staande voor Jahwe uw God, zeggen: `Mijn vader was een zwervende Arameeër. Hij is met een klein getal mensen naar Egypte gegaan en, terwijl hij daar als vreemdeling verbleef, een groot, machtig, talrijk volk geworden. 6Toen de Egyptenaren ons slecht behandelden, ons verdrukten en ons harde slavenarbeid oplegden, 7hebben wij tot Jahwe, de God van onze vaderen, geroepen. En Jahwe heeft ons verhoord en zich onze vernedering, ons zwoegen en onze verdrukking aangetrokken. 8

All rights reserved © mijnervaringtussengod.be

33

mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

huispagina

Hij heeft ons uit Egypte geleid met sterke hand, met uitgestrekte arm, onder grote verschrikkingen, tekenen en wonderen. 9Hij heeft ons naar deze plaats gebracht en ons dit land geschonken, een land van melk en honing. 10Daarom breng ik nu de eerste vruchten van de grond, die Gij, Jahwe, mij hebt geschonken.’ Dan moet ge die voor Jahwe uw God neerleggen, u voor Hem neerbuigen 11en samen met de levieten en de vreemdelingen die bij u wonen feestvieren, om al de weldaden die Hij aan u en aan uw huis heeft geschonken. 12Wanneer gij in het derde jaar, het jaar van de tiende, de gehele tiende van uw oogst volledig hebt afgestaan en aan de levieten, de vreemdelingen, de weduwen en de wezen hebt gegeven, en zij daar in uw stad volop van eten, 13dan moet gij voor Jahwe uw God verklaren: `Ik heb het heilige uit mijn huis weggedaan en het gegeven aan de levieten, de vreemdelingen, de weduwen en de wezen, zoals Gij mij geboden hebt. Geen van uw geboden heb ik overtreden of veronachtzaamd. 14Ik heb er niet in de rouwtijd van gegeten, het niet weggedaan, terwijl ik onrein was, en er niets van aan een dode geofferd. Ik heb gehoor gegeven aan Jahwe mijn God en alles wat Gij mij geboden hebt, ten uitvoer gebracht. 15Zie neer uit de hemel, uw heilige woning; zegen uw volk Israël en zegen de grond, die Gij ons hebt geschonken, het land van melk en honing, zoals Gij onze vaderen onder ede beloofd hebt.’ 16Heden gebiedt Jahwe uw God u deze voorschriften en bepalingen te volbrengen. Gij moet ze stipt ten uitvoer brengen, met heel uw hart en heel uw ziel. 17Gij hebt heden van Jahwe de verzekering gekregen, dat Hij uw God zal zijn, als gij tenminste zijn wegen gaat, zijn voorschriften, geboden en bepalingen onderhoudt en naar Hem luistert. 18En Jahwe heeft heden van u de verzekering gekregen, dat gij, zoals Hij beloofd heeft, zijn eigen volk zult zijn en al zijn geboden zult onderhouden. 19Daarom zal Hij aan u groter eer, faam en luister schenken dan aan de andere volken, die Hij geschapen heeft, en zult gij een volk zijn dat Jahwe uw God is toegewijd, zoals Hij beloofd heeft.

Hoofdstuk 27

Mozes en de oudsten van Israël droegen het volk op: `Onderhoud de voorschriften die ik u heden geef. 2Op de dag dat gij de Jordaan overtrekt naar het land dat Jahwe uw God u schenkt, moet gij grote stenen oprichten, ze met kalk bestrijken 3en daarin alle bepalingen van deze wet griffen, op de dag dat gij oversteekt. Dan zult ge het land binnengaan dat Jahwe uw God u schenkt, een land van melk en honing, zoals Jahwe de God van uw vaderen u beloofd heeft. 4Als gij de Jordaan over zijt, moet gij die stenen op de berg Ebal oprichten, zoals ik u heden voorschrijf, en ze met kalk bestrijken. 5Ge moet daar voor Jahwe uw God een altaar bouwen, met onbehouwen stenen. 6Van ruwe steenblokken moet ge dat altaar bouwen. Daarop moet ge aan Jahwe uw God brandoffers opdragen 7en ook slachtoffers, om er maaltijd te houden en feest te vieren voor Jahwe uw God. 8 En in de stenen moet ge klaar en duidelijk alle geboden van deze wet griffen.’ 9Mozes en de levitische priesters richtten het woord tot heel Israël: ’Wees stil, Israël, en luister! Heden zijt gij het volk van

All rights reserved © mijnervaringtussengod.be

34

mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

huispagina

Jahwe uw God geworden. 10Daarom moet gij Hem gehoorzamen en zijn geboden en voorschriften volbrengen, die ik u heden voorhoud.’ 11Op die dag gebood Mozes het volk: 12Wanneer gij de Jordaan zijt overgestoken, moeten de volgende stammen op de Gerizzim gaan staan om de zegen uit te spreken over het volk: Simeon, Levi, Juda, Issachar, Jozef en Benjamin. 13En de volgende stammen moeten op de Ebal gaan staan voor de vervloeking: Ruben, Gad, Aser, Zebulon, Dan en Naftali. 14Dan moeten de levieten het woord nemen en met luide stem tot alle mannen van Israël zeggen: 15Vervloekt de man, die een gehouwen of gegoten beeld maakt en dat in het verborgene opstelt, want Jahwe verafschuwt het maaksel van zo’n beeldhouwer. En heel het volk antwoordt: Amen. 16Vervloekt wie zijn vader of moeder veracht. En heel het volk zegt: Amen. 17Vervloekt wie bij zijn buurman een grenssteen verlegt. En heel het volk zegt: Amen. 18Vervloekt wie een blinde de verkeerde weg wijst. En heel het volk zegt: Amen. 19Vervloekt wie de rechten van vreemdeling, wees of weduwe schendt. En heel het volk zegt: Amen. 20Vervloekt wie slaapt bij de vrouw van zijn vader; want hij licht het dek van zijn vader op. En heel het volk zegt: Amen. 21Vervloekt wie slaapt bij een dier. En heel het volk zegt: Amen. 22Vervloekt wie slaapt bij zijn zuster, een dochter van zijn vader of zijn moeder. En heel het volk zegt: Amen. 23Vervloekt wie slaapt bij zijn schoonmoeder. En heel het volk zegt: Amen. 24Vervloekt wie zijn naaste heimelijk neerslaat. En heel het volk zegt: Amen. 25Vervloekt wie steekpenningen aanneemt om onschuldig bloed te vergieten. En heel het volk zegt: Amen. 26Vervloekt wie de voorschriften van deze wet niet hooghoudt en ze niet volbrengt. En heel het volk zegt: Amen.

Hoofdstuk 28

Als gij inderdaad gehoorzaamt aan Jahwe en alle geboden die ik u heden opleg, stipt volbrengt, dan zal Hij u hoog verheffen boven alle volken op de aarde. 2Dan zullen de volgende zegeningen over u komen en u ten deel vallen, omdat gij gehoorzaamt aan Jahwe uw God. 3Gezegend zijt gij in de stad, gezegend zijt gij op het land. 4Gezegend is de vrucht van uw schoot, de vrucht van uw grond en de vrucht van uw vee, de worp van uw runderen en de aanwas van uw schapen. 5Gezegend is uw korf en uw trog. 6Gezegend zijt gij bij uw komen, gezegend bij uw gaan. 7Jahwe zal de vijanden die zich tegen u verheffen voor u op de vlucht drijven. Langs een weg rukken zij tegen u op, langs zeven wegen vluchten zij. 8 Jahwe zal zegen doen komen in uw schuren en bij al uw ondernemingen. Jahwe uw God zal u zegenen in het land dat Hij u schenkt. 9Jahwe zal van u een volk maken dat Hem is toegewijd, zoals Hij u onder ede beloofd heeft, als gij tenminste de geboden van Jahwe uw God onderhoudt en zijn wegen gaat. 10Alle volken op de aarde zullen zien, dat Jahwe’s naam over u is uitgeroepen, en zij zullen ontzag voor u hebben. 11Op de grond die Jahwe uw vaderen onder ede beloofd heeft, zal Hij u rijke overvloed schenken in alles, in de vrucht van uw schoot, in de vrucht van uw vee en in de vrucht van uw grond. 12Jahwe zal de rijke schatkamer van de hemel voor u openen om uw land op tijd regen te geven en al uw ondernemingen

All rights reserved © mijnervaringtussengod.be

35

mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

huispagina

te zegenen, zodat gij aan veel volken kunt lenen, maar zelf niet behoeft te lenen. 13Tot kop zal Jahwe u maken en niet tot staart. Gij zult omhoog gaan en nooit omlaag, als gij tenminste gehoorzaamt aan de geboden van Jahwe uw God, die ik u heden geef, en die nauwgezet volbrengt, 14en als gij van alle voorschriften die ik u heden geef, rechts noch links afwijkt, door achter andere goden aan te lopen en die te vereren. 15Als gij echter niet gehoorzaamt aan Jahwe uw God en zijn geboden en voorschriften, die ik u heden opleg, niet stipt ten uitvoer brengt, dan zullen de volgende vervloekingen over u komen en u treffen. 16Vervloekt zijt gij in de stad, vervloekt zijt gij op het land. 17Vervloekt is uw korf en uw trog. 18Vervloekt is de vrucht van uw schoot, de vrucht van uw grond, de worp van uw runderen en de aanwas van uw schapen. 19Vervloekt zijt gij bij uw komen, vervloekt bij uw gaan. 20Bij alles wat gij onderneemt, zal Jahwe vloek, verwarring en verwensing over u zenden, tot gij in korte tijd vernietigd en weggevaagd zijt, omdat gij slecht hebt gehandeld en Mij hebt verlaten. 21Jahwe zal maken dat de pest zich bij u vastzet, tot zij u heeft weggevaagd van de grond die ge in bezit gaat nemen. 22Jahwe zal u slaan met tering, koorts, ontsteking en koudvuur, met droogte, dorheid en korenbrand. Die zullen u op de hielen blijven zitten tot ge zijt omgekomen. 23De hemel boven uw hoofd zal brons zijn, de aarde beneden u ijzer. 24Jahwe zal stof en zand op uw land laten regenen; uit de hemel komen die op u neer, totdat gij zijt vernietigd. 25Jahwe zal u voor uw vijanden op de vlucht drijven. Langs een weg rukt gij tegen hen op, langs zeven wegen vlucht gij, zodat ge een afschrikkend voorbeeld wordt voor alle koninkrijken op aarde. 26Uw lijken zullen tot aas dienen voor de vogels in de lucht en voor de dieren op het land, en er zal niemand zijn die ze wegjaagt. 27Jahwe zal u slaan met Egyptische zweren, met builen, uitslag en schurft, die ge niet kunt genezen. 28Jahwe zal u slaan met razernij, blindheid en waanzin, 29zodat ge midden op de dag als een blinde in het duister rondtast, op uw weg niet vooruitkomt en altijd verdrukt en beroofd wordt, terwijl niemand u helpt. 30Verlooft gij u met een vrouw, een ander zal haar bezitten; bouwt gij een huis, ge zult er niet in wonen; plant gij een wijngaard, ge zult zelfs de eerste vruchten niet plukken. 31Uw runderen worden voor uw ogen geslacht, maar gij zult er niet van eten; uw ezels worden in uw bijzijn geroofd, en ge ziet ze niet meer terug; uw schapen worden aan uw vijand gegeven, en niemand biedt u hulp. 32Uw zonen en dochters worden uitgeleverd aan een ander volk; iedere dag zult ge smachtend naar hen uitzien, zonder dat ge er iets aan kunt doen. 33Een onbekend volk zal de opbrengst van uw grond en van uw zwoegen verteren; gijzelf zult aldoor verdrukt en mishandeld worden. 34Waanzinnig zult ge worden door wat uw ogen zien. 35Jahwe zal u slaan met kwaadaardige, ongeneeslijke zweren op uw knieën en op uw dijen, van uw voetzool tot op uw kruin. 36Jahwe zal u en de koning, die gij over u aanstelt, wegvoeren naar een volk dat gijzelf en uw voorouders niet hebben gekend; daar kunt ge andere goden dienen, goden van hout en van steen. 37En bij alle volken waar Jahwe u heendrijft, zult gij een

All rights reserved © mijnervaringtussengod.be

36

mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

huispagina

voorwerp worden van ontzetting, een mikpunt van schimp en van spot. 38Veel zaad zult ge naar uw akkers dragen, maar weinig zult ge oogsten, want de sprinkhanen vreten ze kaal. 39Wijngaarden zult ge planten en verzorgen, maar de wijn zult ge niet drinken of opslaan, want de wormen vreten ze weg. 40Olijfbomen zult ge bezitten in heel uw gebied, maar zalven met de olie zult gij u niet, want uw olijven vallen af. 41Zonen en dochters zult ge verwekken, maar toebehoren zullen zij u niet, want als gevangenen gaan zij van u weg. 42Van al uw bomen en van de opbrengst van uw grond maakt het ongedierte zich meester. 43De vreemdeling die bij u woont zal steeds hoger boven u stijgen, gijzelf zult steeds dieper zinken. 44Hij zal aan u lenen, gij niet aan hem. Hij zal de kop zijn, gij de staart. 45Al deze vervloekingen komen op u neer, zij zullen u achtervolgen en u treffen, tot gij zijt vernietigd, omdat ge niet hebt gehoorzaamd aan Jahwe uw God en de geboden en bepalingen die Hij u gaf, niet hebt onderhouden. 46Bij u en uw nakomelingen zullen die vervloekingen voor altijd een teken en een waarschuwing zijn. 47Omdat gij in de tijd van uw overvloed Jahwe uw God niet met vreugde en blij van geest hebt gediend, 48daarom zult gij in honger, dorst en naaktheid, in gebrek aan alles, dienstbaar zijn aan de vijanden, die Jahwe op u afzendt. Een ijzeren juk zal Hij op uw nek leggen tot Hij u heeft vernietigd. 49Jahwe zal van verre, van de grenzen der aarde, een volk op u afsturen, dat neerschiet als een arend, een volk, waarvan ge de taal niet verstaat, 50een wreed volk, dat de oude mensen niet ontziet en geen medelijden heeft met de jeugd. 51Het verteert de vrucht van uw vee en de vrucht van uw grond, totdat gij zijt vernietigd; het laat niets voor u over, geen koren, geen most en geen olie, geen worp van uw runderen, geen aanwas van uw schapen, totdat het u te gronde heeft gericht. 52Het belegert uw steden, en in heel uw land zullen die hoge en sterke muren, waarop gij vertrouwd hebt, ineenstorten; het belegert al uw steden in het hele land, dat Jahwe uw God u schenkt. 53In de verschrikkelijke nood waarin uw vijand u brengt, zult ge de vrucht van uw schoot opeten, het vlees van de zonen en dochters, die Jahwe u heeft geschonken. 54En als de meest verfijnde en verwende man in die verschrikkelijke nood, die de vijand over uw steden brengt, niets meer over heeft, dan zal hij achterdochtig kijken naar zijn broer, naar zijn geliefde vrouw en naar de kinderen die hij nog heeft, 55om het vlees van de kinderen dat hij eet, maar niet met hen te moeten delen. 56En als de meest verfijnde en verwende vrouw, zo verfijnd en verwend, dat zij haar voeten maar amper op de grond durft te zetten, in de verschrikkelijke nood, die de vijand over uw steden brengt, niets meer over heeft, dan zal zij met achterdocht kijken naar haar geliefde man naar haar zoon en haar dochter, 57om heimelijk de nageboorte van haar schoot en de kinderen die zij baart te kunnen opeten. 58Als gij al de geboden van deze wet, die in dit boek staan opgetekend, niet nauwgezet volbrengt volbrengt in ontzag voor de heerlijke en ontzagwekkende naam van Jahwe uw God, 59dan zal Hij u en uw nakomelingen met vreselijke plagen treffen, met zware, slepende kwalen, met kwaadaardige,

All rights reserved © mijnervaringtussengod.be

37

mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

huispagina

langdurige ziekten. 60Alle plagen van Egypte, die u zo’n schrik hebben aangejaagd, zal Hij op u doen terugvallen, zodat ze aan u blijven vastkleven. 61En alle andere ziekten en plagen, die niet in dit boek staan opgetekend, zal Jahwe eveneens over u doen komen, totdat gij zijt vernietigd. 62In plaats van talrijk te worden als de sterren aan de hemel, zult gij met slechts enkelen overblijven, omdat gij niet naar Jahwe uw God hebt geluisterd. 63Zoals Jahwe er vreugde in vond u gelukkig en talrijk te maken, zo zal Hij er vreugde in vinden u te gronde te richten en u te vernietigen; uitgerukt zult gij worden uit de grond die gij in bezit gaat nemen. 64Jahwe zal u onder alle volken verstrooien, van het ene eind van de aarde tot aan het andere; daar zult ge andere goden dienen, die gij en uw voorouders niet hebben gekend, goden van hout en van steen. 65En bij die volken zult gij geen rust vinden, geen veilige plek zal er zijn voor uw voeten. Jahwe zal daar uw hart laten sidderen, uw ogen doen kwijnen en uw ziel laten versmachten. 66Voortdurend zal uw leven in gevaar zijn; dag en nacht zult ge in angst zitten, omdat ge uw leven niet zeker zijt. 67In de ochtend zult ge zeggen: `Was het maar avond!’ en ’s avonds zult ge zeggen: `Was het maar ochtend!’, om de schrik die uw hart vervult en om dat wat uw ogen moeten aanzien. 68Jahwe zal u per schip terugvoeren naar Egypte, terwijl ik u toch gezegd had: `Nooit zult ge die weg teruggaan.’ Daar zult ge u aan uw vijand willen verkopen als slaven en slavinnen, maar er zal geen koper zijn. 69Dit zijn de bepalingen van het verbond dat Mozes op bevel van Jahwe in Moab met de Israëlieten sloot, naast het verbond, dat Jahwe op de Horeb met hem had gesloten.

Hoofdstuk 29

Mozes riep heel Israël bijeen en sprak: Gij hebt alles gezien wat Jahwe voor uw ogen in Egypte gedaan heeft met Farao, met al zijn hovelingen en met heel zijn land, 2de grote plagen die gij met eigen ogen gezien hebt, de grote tekenen en wonderen. 3Maar tot op deze dag heeft Jahwe u geen hart gegeven om te verstaan, geen ogen om te zien, geen oren om te horen. 4Veertig jaar heb Ik u door de woestijn laten trekken; de kleren aan uw lijf zijn niet versleten en ook de sandalen aan uw voeten niet. 5Geen brood hadt ge te eten, geen wijn of sterke drank te drinken. Zo moest gij begrijpen, dat Ik, Jahwe, uw God ben. 6Toen gij deze plaats hadt bereikt, trokken Sichon, de koning van Chesbon, en Og, de koning van Basan, tegen ons ten strijde, maar wij hebben hen verslagen; 7wij hebben hun land veroverd en het aan Ruben, Gad en de halve stam Manasse gegeven. 8 Onderhoud dan de bepalingen van dit verbond en volbreng ze; dan zult gij voorspoed hebben bij alles wat ge onderneemt. 9Heden staat gij allen voor Jahwe uw God: uw hoofden, uw rechters, uw oudsten en uw schrijvers, alle mannen van Israël, 10met uw kinderen en uw vrouwen, met de vreemdelingen in uw kampen, van de houthakkers tot de waterdragers, 11om toe te treden tot het verbond van Jahwe uw God, tot het verdrag dat Hij met u aangaat. 12Heden wil Hij u verheffen tot zijn volk en wil Hijzelf uw God zijn, zoals Hij u heeft beloofd en aan uw vaderen Abraham, Isaak en Jakob heeft gezworen. 13Ik sluit dit verbond en dit

All rights reserved © mijnervaringtussengod.be

38

mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

huispagina

verdrag niet alleen met u, 14die hier vandaag samen met ons voor Jahwe onze God staat, maar ook met hen die vandaag niet bij ons zijn. 15Gij weet immers, dat wij in Egypte hebben gewoond en dat wij op onze tocht door het gebied van verschillende volken zijn getrokken. 16Toen hebt gij hun gruwelbeelden gezien, hun schandgoden van hout en steen, van zilver en goud. 17Laat dan niemand van u, geen man of vrouw, geen familie of stam, zijn hart heden afkeren van Jahwe onze God om de goden van die volken te gaan vereren. Er mag bij u geen wortel zijn, die gif en alsem voortbrengt. 18En wanneer iemand bij het horen van de bepalingen van dit verdrag zich wel veilig waant en zegt: `Mij zal het goed gaan, ook al blijf ik mijn verstokt hart volgen: de overvloed zal de dorst wel lessen,’ 19dan zal Jahwe hem dat nooit vergeven; neen, de toorn en de naijver van God zullen tegen die man ontbranden, alle vervloekingen die in dit boek staan opgetekend, zullen hem overvallen, en Jahwe zal zijn naam van de aarde wegvagen. 20Jahwe zal hem uit de stammen van Israël halen en hem treffen met al de rampen, waarmee dit boek de overtreder van het verbond bedreigt. 21En wanneer het volgend geslacht, de zonen die na u komen, en de buitenlanders, die uit een ver land afkomstig zijn, de plagen zien en de ziekten, waarmee Jahwe dit land heeft getroffen, dan zullen zij zeggen: 22`Dit hele land is door zwavel en zout verschroeid: er wordt niet gezaaid, er groeit niets, geen enkel gewas schiet er op. In zijn grimmige toorn heeft Jahwe het geheel verwoest, juist als Sodom en Gomorra, als Adma en Seboim.’ 23En alle volken zullen vragen: `Waarom heeft Jahwe zo met dit land gedaan? Wat betekent die geweldige, ziedende toorn?’ 24Dan zal het antwoord zijn: `Zij hebben zich niet gehouden aan het verbond, dat Jahwe de God van hun vaderen met hen had gesloten, toen Hij hen uit Egypte leidde. 25Ze zijn andere goden gaan vereren en hebben zich voor hen neergebogen, goden die zij niet kenden en die Hij niet voor hen had bestemd. 26Daarom is de toorn van Jahwe tegen dit land ontbrand en heeft Hij er alle vervloekingen op laten neerkomen, die in dit boek staan opgetekend. 27In grimmige toorn en hevige woede heeft Jahwe hen van hun grond verjaagd en naar een ander land gedreven, zoals gij nu ziet.’ 28Wat verborgen is, gaat Jahwe onze God aan; maar wat geopenbaard is, gaat voor altijd ons en onze kinderen aan: de bepalingen van deze wet, die wij moeten volbrengen.

Hoofdstuk 30

Wanneer alles wat ik u nu heb voorgehouden over u is gekomen, de zegen en de vloek, en wanneer gij het in uw hart overdenkt, onder welke volken Jahwe uw God u ook heeft verspreid, 2zodat gijzelf met uw kinderen terugkeert tot Jahwe uw God en Hem met heel uw hart en heel uw ziel weer gehoorzaamt, zoals ik u dat heden voorhoud, 3dan zal Jahwe uw God u in uw vroegere staat herstellen; Hij zal zich over u ontfermen en u opnieuw bijeenbrengen uit al de volken, waaronder Hij u verstrooid had. 4Al zijt ge verspreid tot het eind van de wereld, Jahwe uw God zal u weer bijeenbrengen. Hij zal u daarvandaan terughalen 5en u brengen naar het land dat uw voorouders in bezit genomen hadden; en gij zult het weer in

All rights reserved © mijnervaringtussengod.be

39

mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

huispagina

bezit nemen. Hij zal u gelukkig maken en nog talrijker dan uw voorouders. 6Jahwe uw God zal uw hart en dat van uw nakomelingen besnijden, zodat gij Hem zult beminnen met heel uw hart en heel uw ziel en daardoor het leven zult bezitten. 7Dan zal Jahwe uw God al deze vervloekingen doen neerkomen op de vijanden en tegenstanders die u achtervolgd hebben. 8 Maar gij zult weer gehoor geven aan Jahwe en alle geboden volbrengen die ik u heden geef. 9Jahwe uw God zal u rijke voorspoed schenken in alles wat ge onderneemt, in de vrucht van uw schoot, in de worp van uw vee en in de opbrengst van uw grond. Want Jahwe zal er weer vreugde in vinden u gelukkig te maken, zoals Hij dat ook bij uw voorouders deed. 10Maar dan moet gij aan Jahwe gehoorzamen en alle geboden en voorschriften onderhouden, die in dit wetboek staan opgetekend; dan moet gij met heel uw hart en heel uw ziel terugkeren tot Jahwe uw God. 11De geboden die ik u heden geef, zijn niet te zwaar voor u en zij liggen niet buiten uw bereik. 12Ze zijn niet in de hemel en ge hoeft niet te zeggen: `Wie zal naar de hemel opvaren om ze voor ons te halen en ze ons te laten horen, zodat wij ze kunnen volbrengen?’ 13Ze zijn niet overzee en ge hoeft niet te zeggen: `Wie zal de zee over varen om ze voor ons te halen en ze ons te laten horen, zodat wij ze kunnen volbrengen?’ 14Neen, het woord is dicht bij u, in uw mond en in uw hart. Gij kunt het dus volbrengen. 15Ik houd u vandaag het leven en het geluk voor, maar ook de dood en het ongeluk. 16Als gij luistert naar de geboden van Jahwe uw God, die ik u heden geef, als gij Jahwe uw God bemint, zijn wegen gaat en zijn geboden, voorschriften en bepalingen nakomt, dan zult gij leven en talrijk worden en zal Jahwe uw God u zegenen in het land dat ge in bezit gaat nemen. 17Maar als uw hart afdwaalt, als ge niet luistert en u laat verleiden, zodat gij u voor andere goden neerbuigt en die vereert, 18dan kondig ik u heden aan, dat gij zult omkomen en dat ge niet lang zult leven op de grond, die ge na de overtocht van de Jordaan in bezit gaat nemen. 19Ik neem heden de hemel en de aarde tot getuigen tegen u. Leven en dood houd ik u voor, zegen en vloek. Kies dan het leven, dan zult gij met uw nakomelingen het leven bezitten, 20door Jahwe uw God te beminnen, naar Hem te luisteren en aan Hem gehecht te blijven. Want daarvan hangt het af, of gij zult leven en of gij lang zult wonen op de grond, die Jahwe aan uw vaderen, aan Abraham, Isaak en Jakob onder ede heeft toegezegd.

Hoofdstuk 31

Aan het slot van zijn woorden tot Israël, 2zei Mozes tot hen: `Ik ben nu honderdtwintig jaar en nauwelijks meer tot iets in staat. Bovendien heeft Jahwe mij gezegd: Gij komt de Jordaan niet over. 3Maar Jahwe uw God zal bij de overtocht voor u uitgaan; Hij zal die volken voor u vernietigen, zodat gij hun land in bezit kunt nemen. Jozua zal bij de overtocht voor u uitgaan, zoals Jahwe gezegd heeft. 4Jahwe zal hen vernietigen, zoals Hij Sichon en Og, de koningen van de Amorieten, en hun land heeft vernietigd. 5En als Jahwe hen aan u overlevert, moet gij met hen precies zo handelen als ik u heb voorgeschreven. 6Wees sterk en moedig, wees

All rights reserved © mijnervaringtussengod.be

40

mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

huispagina

niet bang en heb geen schrik voor hen, want Jahwe uw God trekt zelf met u mee: Hij geeft u niet prijs, Hij laat u niet in de steek. 7Toen riep Mozes Jozua en in tegenwoordigheid van heel Israël zei hij tot hem: `Wees sterk en vol moed! U zult dit volk in het land brengen, dat Jahwe aan hun vaderen onder ede beloofd heeft: u zult hun dat land in bezit geven. 8 Jahwe gaat voor u uit, Hij zal met u zijn: Hij geeft u niet prijs en laat u niet in de steek. Wees dus niet bang of bevreesd.’ 9Daarna stelde Mozes deze wet op schrift en overhandigde die aan de levitische priesters, die de ark van het verbond van Jahwe dragen, en aan alle oudsten van Israël. 10En Mozes beval hun: `Op het loofhuttenfeest van ieder zevende jaar, het jaar dat voor de kwijtschelding is aangewezen, 11wanneer Israël voor Jahwe verschijnt, op de plaats die Hij uitkiest, moet gij deze wet in het bijzijn van heel Israël voorlezen. 12Roep dan het volk bijeen, de mannen, de vrouwen, de kinderen en de vreemdelingen in uw steden. Zij moeten luisteren en Jahwe uw God leren vrezen, zodat zij al de bepalingen van deze wet nauwgezet volbrengen. 13Ook hun kinderen die er nog geen weet van hebben, moeten luisteren en Jahwe uw God leren vrezen, zolang gij leeft op de grond, die ge na de overtocht van de Jordaan in bezit gaat nemen.’ 14Jahwe sprak tot Mozes: `Het ogenblik van uw dood is gekomen. Roep Jozua en begeef u met hem naar de tent van de samenkomst; dan zal Ik hem aanstellen.’ Toen Mozes en Jozua zich in de tent van de samenkomst begeven hadden, 15verscheen Jahwe in een wolkkolom, die bij de ingang van de tent bleef staan. het lied van Mozes 16Jahwe sprak tot Mozes: `Gij gaat nu bij uw vaderen rusten. Maar dit volk zal ontuchtig achter de vreemde goden aanlopen van het land waar het komt. Het zal Mij verlaten en het verbond verbreken, dat Ik met hen gesloten heb. 17Op die dag zal mijn toorn tegen hen ontbranden, Ik zal hen aan hun lot overlaten en mijn gelaat voor hen verbergen, zodat iedereen hen kan verslinden en veel rampen en tegenslagen hen treffen. Op die dag zal het zeggen: Deze rampen hebben mij getroffen, omdat mijn God niet met mij is. 18Maar Ik zal op die dag mijn gelaat blijven verbergen om al het kwaad dat zij hebben gedaan door zich tot andere goden te wenden. 19Schrijf daarom het volgende lied op en leer het de Israëlieten; leg hun dit lied in de mond, zodat Ik een getuigenis tegen hen heb. 20Want Ik ga deze mensen brengen naar de grond, die Ik hun vaderen onder ede beloofd heb, naar een land van melk en honing. Daar zullen zij zich volop dik eten, zich tot andere goden wenden en die vereren; en Mij zullen zij versmaden en mijn verbond verbreken. 21En als dan een menigte rampen en tegenslagen hen treft, zal dit lied tegen hen blijven getuigen, omdat het voortleeft bij hun nakomelingen. Maar al te goed ken Ik de plannen, die zij vandaag al hebben, nog eer Ik hen in het land heb gebracht dat Ik hun onder ede beloofd heb.’ 22Op die dag schreef Mozes dit lied en leerde het de Israëlieten. 23Jahwe stelde Jozua, de zoon van Nun, aan en zei: `Wees sterk en vol moed, want gij zult de Israëlieten in het land brengen, dat Ik hun onder ede beloofd heb. Ik zal met u zijn.’ 24Toen Mozes al de bepalingen van deze wet op schrift had gesteld,

All rights reserved © mijnervaringtussengod.be

41

mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

huispagina

25beval hij de levieten, die de ark van het verbond van Jahwe dragen: 26`Neem dit wetboek en leg het naast de ark van het verbond van Jahwe uw God. Daar zal het als getuige tegen u dienen. 27Ik weet maar al te goed, hoe opstandig en hardnekkig gij zijt. Nu reeds, terwijl ik nog in leven ben, zijt gij al in opstand gekomen tegen Jahwe. Wat zal het dan worden, als ik dood ben? 28Roep alle stamoudsten en schrijvers bij mij samen. In hun bijzijn zal ik deze woorden uitspreken en de hemel en de aarde tegen hen tot getuigen nemen. 29Want ik weet, dat ge na mijn dood tot zware zonde zult vervallen, en dat ge zult afwijken van de weg, die ik u heb voorgeschreven. Dan zal het ongeluk u treffen, omdat ge doet wat Jahwe mishaagt en Hem tart door de maaksels van uw handen.’ 30Toen sprak Mozes ten aanhoren van de hele gemeente van Israël de woorden van dit lied:

Hoofdstuk 32

Hoor, hemelen, wat ik ga zeggen, luister, aarde, naar het woord van mijn mond. 2Mijn boodschap moet zijn als een stromende regen, mijn leer als de druppende dauw, als een regenbui o het groen, als druppels dauw op het gras. 3Jahwe’s naam roep ik uit: Breng hulde aan onze God! 4Hij is de rots, wat Hij doet is volmaakt, al zijn wegen zijn recht; een God van trouw, zonder onrecht, rechtvaardig is Hij en waarachtig. 5Zijn zonen zonder smet, zij vervielen tot zonde, een boos, verdorven geslacht. 6Is dat uw dank aan Jahwe, dwaas, onnozel volk? Hij is toch uw vader, Hij heeft u verwekt. Hij heeft u gemaakt, u het leven gegeven. 7Denk aan de dagen van vroeger, zie naar de tijd van voorbije geslachten. Vraag het uw vader, hij zal het vertellen, vraag het uw oudsten, zij zeggen het u. 8 Toen de Allerhoogste bezit toewees aan de volken en Hij aan de mensen ieder hun deel gaf, heeft Hij de grenzen der naties bepaald naar het getal van Gods zonen. 9Toen werd zijn volk het deel van Jahwe. Jakob het Hem toegemeten bezit. 10Hij heeft het gevonden in de woestijn, in de wildernis, dat oord vol gehuil. Hij heeft het verzorgd en bewaakt, als de appel van zijn oog het behoed, 11zoals een arend die ziet naar zijn jongen en boven hen heen en weer vliegt, die zijn vleugels uitspreidt voor hen, hen opneemt en draagt op zijn wieken. 12Jahwe alleen heeft zijn volk geleid, geen vreemde god heeft naast Hem gestaan. 13Hij voerde hen naar de hoogten van het land, de oogst van het veld gaf Hij hun te eten, met honing uit rotsen voedde Hij hen, met olie uit keihard gesteente, 14met boter van koeien, melk van schapen, met vette lammeren, met rammen en bokken uit Basan, met de fijnste bloem van de tarwe, met het bloed van druiven en sterke dranken. 15En Jakob at en raakte verzadigd, Jesurun werd vet en ging achteruitslaan – dik zijt ge geworden, vet en zwaar -; hij verliet de God die hem had gemaakt, versmaadde de rots die zijn heil was. 16Zij tartten Hem met vreemde goden en tergden Hem met gruwelijke beelden; 17aan geesten offerden zij niet-goden, godheden die zij nooit hadden gekend, nieuwelingen, pas opgekomen, die hun vaders nooit hadden geëerd. 18De rots die u voortbracht hebt gij verlaten, vergeten de God die u heeft verwekt. 19Jahwe zag het! Gekrenkt als Hij was, verwierp

All rights reserved © mijnervaringtussengod.be

42

mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

huispagina

Hij zijn zonen en dochters. 20Hij sprak: Ik verberg voor hen mijn gelaat; Ik wil zien, hoe het dan met hen afloopt. Een onbetrouwbaar geslacht zijn zij, mensen, op wie men niet aan kan. 21Met niet-goden hebben zij mij getart, met hun goden van niets mij getergd. Nu tart Ik hen met een niet-volk, terg Ik hen met een natie van niets. 22Het vuur van mijn toorn ontbrandt, dringt door tot de diepten van het dodenrijk, verzengt de aarde en al wat er groeit, en verteert de grondvesten der bergen. 23Ik bedelf hen onder de rampen, al mijn pijlen verschiet Ik op hen: 24moordende honger, vernielende pest, verwoestende ziekten. Ik stuur dieren met scherpe tanden en giftige slangen op hen af. 25Buiten brengt het zwaard de dood, in hun huizen de schrik aan jongemannen en meisjes, aan zuigelingen en grijsaards. 26Ik zou hen vernietigd hebben, hun naam bij de mensen uitgewist, 27had Ik niet de spot van hun vijand gevreesd, het onbegrip van hun belager, die zeggen zou: Onze macht heeft hen overwonnen, Jahwe heeft er niets toe gedaan! 28Want het is een volk zonder begrip en alle inzicht ontbreekt hun. 29Waren zij wijs, zij zouden het vatten en acht slaan op wat nog gaat komen. 30Hoe kon een man er duizend verjagen en twee er tienduizend doen vluchten, als niet hun rots hen verkocht had, als Jahwe hen niet in de steek had gelaten? 31Onze rots is niet als de hunne: dat zullen zij zelf erkennen. 32Uit Sodom stamt hun wijnstok, uit de wijngaarden van Gomorra; hun druiven zijn giftige druiven, zij dragen bittere trossen, 33hun wijn is slangevenijn en wrang als adderengif. 34Wees overtuigd: dat alles bewaar Ik, in mijn schatkamers berg Ik het op 35voor de dag van wraak en vergelding, de tijd dat hun voeten wankel worden. Ja, hun ongeluksdag is nabij, wat voor hen bestemd is, nadert snel. 36Jahwe doet recht aan zijn volk, Hij erbarmt zich over zijn dienaars. Als Hij ziet, dat hun kracht is vergaan, dat het bittere eind hen dreigt, 37zal Hij zeggen: waar zijn hun goden – de rots waar zij op vertrouwden 38die het vet van hun slachtoffers aten en dronken de wijn, die zij plengden? Laat zij maar opstaan om u te helpen, laat zij u omringen met hun bescherming! 39Erken dan: Ik ben het, Ik alleen, er is geen God buiten mij. Ik ben het, die dood maakt en levend. Ik sla wonden en heel ze ook weer; Geen is er die redt uit mijn hand, 40Ik hef mijn hand naar de hemel; Ik zeg: zowaar Ik in eeuwigheid leef, 41Ik wet mijn fonkelend zwaard en maak Mij gereed voor het oordeel. Ik neem wraak op mijn vijanden, Ik bestraf degenen die Mij haten. 42Ik voer mijn pijlen dronken met bloed – mijn zwaard verslindt vlees -, bloed van geslagenen en gevangenen, van de langharige leiders van de vijand. 43Verblijd u, naties, over zijn volk, want Hij wreekt het bloed van zijn dienaren, op zijn vijanden neemt Hij wraak en zuivert het land voor zijn volk. 44Mozes trad naar voren en droeg met Hosea, de zoon van Nun, ten aanhoren van het volk de frele tekst van dit lied voor. 45En toen hij voor heel Israël dit lied had beeindigd, 46zei hij tot hen: `Neem alle woorden ter harte die ik heden tegen u tot getuige maak, en beveel uw kinderen, dat zij alle bepalingen van deze wet stipt volbrengen. 47Want het gaat voor u om een belangrijke zaak, waar uw leven van afhangt; ja, daarvan hangt af, hoe lang gij zult

All rights reserved © mijnervaringtussengod.be

43

mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

huispagina

leven op de grond, die ge aan de overkant van de Jordaan in bezit gaat nemen.’ 48Diezelfde dag sprak Jahwe tot Mozes: 49`Ga het Abarimgebergte op, de berg Nebo in Moab, recht tegenover Jericho; dan kunt ge Kanaän zien, het land dat Ik de Israëlieten in bezit geef. 50Daar zult gij sterven op de berg die ge beklimt en met uw voorvaderen worden verenigd, zoals uw broer Aaron, die op de berg Hor overleed en met zijn voorvaderen werd verenigd. 51Want gij zijt Mij ontrouw geweest bij de wateren van Meribat-kades, in de woestijn Sin, door bij de Israëlieten geen recht te doen aan mijn heiligheid. 52Vanuit de verte moogt ge kijken naar het land, dat Ik de Israëlieten schenk, maar ge zult er niet binnengaan.’
Hoofdstuk 33

Dit is de zegen, die Mozes, de man Gods, voor zijn dood over de Israëlieten uitsprak. 2Hij zei: Jahwe is van de Sinaï gekomen, uit seïr stralend over hen opgegaan, van het Parangebergte in luister verschenen. Ontelbare heiligen waren met Hem, machtigen gingen aan zijn zijde. 3Met liefde omringt Gij uw volk, de heilig en zijn in uw hand; en zij, zij volgen uw schreden en trekken achter u aan. 4Mozes heeft ons een wet gegeven, het bezit van Jakobs gemeente. 5Er is in Jesurun een koning gekomen, toen de leiders van het volk vergaderden, toen Israëls stammen bijeenkwamen. 6Ruben moet leven, hij mag niet sterven. al is hij maar klein in getal. 7Van Juda zei hij: Hoor, Jahwe, naar het roepen van Juda en breng hem terug bij zijn volk. Maak zijn daden machtig en help hem tegen zijn vijand 8 Van Levi zei hij Geef aan levi uw toemmim, de oerim aan uw getrouwe, die Gij beproefd hebt te Massa, getoetst bij het water van Meriba. 9Hij is het, die zei van zijn vader en moeder: Ik bekommer mij niet om hen. Hij schonk aan zijn broers geen aandacht en keek niet om naar zijn kinderen, maar aan uw woord hield hij vast, aan uw verbond was hij trouw. 10Zij leren Jakob uw geboden en Israël uw wet; zij brengen U geurige gaven, op uw altaar branden zij offers. 11Zegen, Jahwe, zijn kracht, begunstig al wat hij doet. Breek zijn tegenstander de lenden, dat zijn vijand niet meer opstaat. 12Van Benjamin zei hij: Jahwe’s beminde woont veilig bij Hem, altijd beschermt hem de Hoogste, die tussen zijn heuvels woont. 13Van Jozef zei hij: Gezegend door Jahwe zijn land met de edele dauw uit de hemel, met het water van onder de aarde, 14met het mooiste dat rijpt in de zon, dat groeit bij de wisselende maan, 15met het puik van de aloude bergen, de keur van de eeuwige heuvels, 16met het beste dat de aarde bezit: de gunst van die woont in de doornstruik. Deze zegen moge komen op het hoofd van Jozef, op de kruin van de gewijde onder zijn broers. 17Prachtig is hij, een eerstgeboren stier, met horens als een buffel: hij stoot er de volken mee neer, allemaal, tot het eind van de aarde. Dat zijn de tienduizenden van Efraim, de duizenden van Manasse. 18Van Zebulon zei hij: Vier feest, Zebulon, als ge uittrekt, vier feest, Issakar, in uw tenten. 19Zij nodigen hun verwanten naar de berg, waar zij passende offers brengen Zij halen rijkdom uit de zee, verborgen schatten uit het zand. 20Van Gad zei hij: Gezegend Hij, die ruimte geeft aan Gad: hij ligt neer als een leeuw, met een arm en een schedel als buit. 21Het

All rights reserved © mijnervaringtussengod.be

44

mijn ervaring tussen mij en god – database van goed & kwaad

huispagina

beste gebied koos hij voor zichzelf, waar de taak van een leider hem wachtte. Als de hoofden bijeenkwamen, bracht hij Jahwe’s wil ten uitvoer en zijn besluiten over Israël. 22Van Dan zei hij: Dan is een jonge leeuw, die voorwaarts stormt uit Basan. 23Van Naftali zei hij: Naftali heeft de gunst van Jahwe en is vervuld van zijn zegen. De zee en het zuidland bezit hij. 24Van Aser zei hij: Boven alle zonen zij Aser gezegend, het meest geliefd van zijn broers; hij moge zijn voeten in olie baden. 25Mogen uw grendels van ijzer en brons zijn, dat uw sterkte altijd mag blijven. 26Jesurun, geen is er als God: Hij rijdt met macht langs de hemel, met majesteit over de wolken. 27De God van oudsher is uw toevlucht, wijd open zijn de armen van de Eeuwige. De vijand drijft Hij voor u uit, Hij beveelt u: sla hem ter neer. 28Israël woont veilig, ongestoord is Jakobs verblijf in een land van koren en most, waar de hemelen druipen van dauw. 29Wie, Israël, is er gelukkig als gij, gij volk, bevrijd door Jahwe, die u zijn hulp heeft verleend en uw machtig zwaard heeft gezegend! Uw vijanden kruipen voor u, en gij, op hun ruggen zet gij uw voet.

Hoofdstuk 34

Toen ging Mozes uit de vlakte de berg Nebo op, naar de top van de Pisga, recht tegenover Jericho. En Jahwe liet hem het hele land zien: Gilead tot aan Dan toe, 2heel Naftali, het gebied van Efraim en Manasse, het gebied van Juda tot aan de Zee in het westen, 3de Negeb, de Jordaanstreek, de vlakte van Jericho, de palmenstad, tot Soar toe. 4Toen zei Jahwe tot hem: `Dat is nu het land, waarvan Ik aan Abraham, Isaak en Jakob onder ede beloofd heb: Aan uw nakomelingen zal Ik het geven. Ik heb het u met uw eigen ogen laten zien, ofschoon ge de overtocht daarheen niet zult meemaken.’ 5Daar in Moab stierf Mozes, de dienaar van Jahwe, zoals deze gezegd had. 6Hij werd begraven in het dal, bij Bet-peor in Moab; tot op heden weet niemand waar zijn graf ligt. 7Mozes was honderdtwintig jaar, toen hij stierf; zijn ogen waren niet verzwakt en zijn krachten niet afgenomen. 8 In de vlakte van Moab treurden de Israëlieten dertig dagen over Mozes, totdat de rouwtijd voorbij was. 9Jozua, zoon van Nun, was van de geest van wijsheid vervuld, sinds Mozes hem de handen had opgelegd, en de Isralieten gehoorzaamden hem en deden wat Jahwe aan Mozes had opgedragen; 10maar er is in Israël geen profeet meer opgestaan als Mozes, die Jahwe van aangezicht tot aangezicht gekend had 11en die, door Jahwe gezonden, in Egypte aan Farao, aan zijn hovelingen en aan heel zijn land al die tekenen en wonderen gedaan had 12en met grote macht ten aanschouwen van Israël indrukwekkende daden verricht had.

(EN)
Believe christianity – bible verse Deuteronomy

Source: https://rkbijbel.nl/kbs/bijbel/willibrord1975/neovulgaat https://nl.wikipedia.org/wiki/Deuteronomy
The Willibrord translation is the standard translation of the Roman Catholic faith community in the Dutch-speaking region and is published by the Catholic Bible Foundation, in close collaboration with the Flemish Bible Foundation. The Willibrord Translation is widely appreciated as a translation that is faithful to the original text and at the same time offers a text in understandable contemporary Dutch.
Deuteronomy is the fifth book of the Torah (Pentateuch) and Hebrew Bible.
At the end of Numbers, the Israelites are in Moab territory and about to enter the Promised Land. The superscription of Deuteronomy 1:1-5 announces a sermon from Moses, which he delivered at this pivotal point in the history of the Israelites. At the end of Deuteronomy, that day[8] and place Moab[9] is referred back to.
Deuteronomy is therefore Moses’ farewell speech, which he delivered with his death in mind. This fits in the tradition of deuteronomistic history.[10] Moses’ farewell speech is striking because of its great length. In fact, speech is divided into four speeches, each preceded by a superscription:
Deuteronomy 1-4 (caption: 1:1-5)
Deuteronomy 5-28 (caption 4:44)
Deuteronomy 29-32 (caption 28:69)
Deuteronomy 33 (caption 33:1)
Acts of Moses are also described around the inscriptions, especially in Deuteronomy 31.
First Speech (Chapter 1-4)
The discourse begins with YHWH’s command to break up the Horeb (the deuteronomistic name of Sinai) to take possession of the Promised Land.[11] The conquest failed because the people were recalcitrant[12] and led to a serious defeat.[13] As punishment, this disobedient generation, like their leader Moses, was not allowed to take the Promised Land.[14] Only the next generation defeated legendary
such figures as Sihon and Og, avoided skirmishes with the Edomites, Moabites, and Ammonites and conquered the area east of the Jordan.
In the story, Moses stands on the border with the West Bank, in the valley opposite Beth-Peor. In Deuteronomy 4 and 5, the account surprises, because the events surrounding Horeb that follow preceded the events of Deuteronomy 1-3 chronologically.
The section in 4:1-14 focuses on the first commandment with the retrospect (verse 3) at the fear of God (verse 10) and the covenant. The lasting impression of the encounter with God is the word, not the figure (verse 12). The next passage in 4:15-28 harks back to the events at Horeb, especially the invisible form of God. Where this thought in verse 12 served the contrast between the form and the word of God, here it emphasizes the prohibition against making an image of God. In 4:29-40, the events at Horeb come into focus again, but with a new facet: God’s meeting on this mountain proves the uniqueness of God (verse 35).

Second Speech (Chapter 5-28)
The second speech forms the bulk of the book. Chapters 5-11 are an introduction. In it are repeated the ten commandments, which God gave on Mount Sinai. In chapters 12-28 follows the repetition of the law with ordinances that the Israelites must observe when settling in the land of Canaan.
This second speech can be broken down as follows:
chapters 5-11 expound the ten commandments on which the theocracy was based;
chapters 12-28 contain provisions for worship, purity, taxes, the three annual festivals, the maintenance of justice, of kings, priests and prophets, war, and the personal and social life of the people. These provisions are social rather than religious.
Third Speech (chapter 29-32)
Much of the third discourse is a description of the penalties for leaving the law, and of the blessings that come from obedience. Moses calls on them to faithfully remain faithful to the covenant that God had made with them. It concludes with a song God commanded Moses to write (32:1-47) and the story of his death (32:48-52).
Fourth Speech (Chapter 33)
The fourth discourse contains the blessings that Moses pronounced on each tribe.
Other parts of Deuteronomy
In Deuteronomy 31, Moses appoints Joshua as his successor to lead the people into the land of Canaan. Chapter 34 describes Moses’ burial.

Chapther 01
1 These are the words which Moses addressed to all Israel beyond the Jordan, in the desert, in the Arabah facing Suph, between Paran and Tophel, Laban, Hazeroth and Dizahab.

2 It is eleven days’ journey from Horeb by way of Mount Seir to Kadesh-Barnea.

3 It was in the fortieth year, on the first day of the eleventh month, that Moses told the Israelites everything that Yahweh had ordered him to tell them.

4 He had defeated Sihon king of the Amorites, who lived at Heshbon, and Og king of Bashan, who lived at Ashtaroth and Edrei.

5 There, in Moab beyond the Jordan, Moses resolved to expound this Law. He said:

6 ’Yahweh our God said to us at Horeb, ”You have stayed long enough at this mountain.

7 Move on, continue your journey, go to the highlands of the Amorites, to all those who live in the Arabah, in the highlands, in the lowlands, in the Negeb and in the coastland; go into Canaan and to Lebanon as far as the great River Euphrates.

8 Look, that is the country I have given you; go and take possession of the country that Yahweh promised on oath to give to your ancestors, Abraham, Isaac and Jacob, and to their descendants after them.”

9 ’At the same time, I told you, ”I cannot be responsible for you by myself.

10 Yahweh your God has increased your numbers, until you are now as numerous as the stars of heaven.

11 And Yahweh your God is going to increase you a thousand times more, and bless you as he has promised you.

12 So how can I cope by myself with the bitter burden that you are, and with your bickering?

13 From each of your tribes pick wise, shrewd and experienced men for me to make your leaders.”

14 You replied, ”Your plan is good.”

15 So I took your tribal leaders, wise, experienced men, and appointed them to lead you, as captains of thousands, hundreds, fifties, tens, and as scribes for your tribes.

16 At that same time I told your judges, ”You must give your brothers a fair hearing and see justice done between one person and his brother or the foreigner living with him.

17 You must be impartial in judgement and give an equal hearing to small and great alike. Do not be afraid of any human person, for the verdict is God’s. Should a case be too difficult, bring it for me to hear.

18 And on that occasion I gave you instructions about everything you were to do.”

19 ’So, as Yahweh our God had ordered, we left Horeb and made our way through that vast and terrible desert, which you saw on the way to the Amorite highlands, and arrived at Kadesh-Barnea.

20 I then said, ”You have now reached the Amorite highlands, which Yahweh our God has given us.

21 Look, Yahweh your God has given you this country. March in, take possession of it as Yahweh, the God of your ancestors, has said; do not be afraid or discouraged.”

22 Then you all came to me and said, ”Let us send men ahead of us to explore the country; they shall report to us which way we ought to take and what towns we shall come to.”

23 This seemed good advice to me and I selected twelve men from among you, one from each tribe.

24 These men made towards the highlands and went up into them; they reached the Valley of Eshcol and reconnoitred it.

25 They collected some of the produce of the country and brought it down to us; and they made us this report, ”Yahweh our God has given us a fine country.”

26 You, however, refused to go up there and rebelled against the voice of Yahweh your God.

27 You muttered in your tents, saying, ”Yahweh hates us, and that is why he has brought us out of Egypt, to put us into the Amorites’ power and so destroy us.

28 What kind of place are we making for? Our brothers have discouraged us by saying that the people are stronger and taller than we are, the cities immense, with walls reaching to the sky. And we have seen Anakim there too.”

29 ’And I said to you, ”Do not take fright, do not be afraid of them.

30 Yahweh your God goes ahead of you and will be fighting on your side, just as you saw him act in Egypt.

31 You have seen him in the desert too: Yahweh your God continued to support you, as a man supports his son, all along the road you followed until you arrived here.”

32 But for all this, you put no faith in Yahweh your God,

33 going ahead of you on the journey to find you a camping ground, by night in the fire to light your path, and in the cloud by day.

34 ’Yahweh heard what you were saying and in his anger swore this oath,

35 ”Not one of these people, this perverse generation, will see the fine country I swore to give your ancestors,

36 except Caleb son of Jephunneh. He will see it. To him and to his children I shall give the land he has set foot on, for he has been perfectly obedient to Yahweh.”

37 Yahweh was angry with me too, because of you. ”You will not go in either,” he said.

38 ”Your assistant, Joshua son of Nun, will be the one to enter. Encourage him, since he is to bring Israel into possession of the country.

39 And your little ones too, who, you said, would be seized as booty, these children of yours who do not yet know good from evil, they will go in; I shall give it to them and they will own it.

40 But, as regards yourselves, turn round, go back into the desert, towards the Sea of Suph.”

41 ’In reply, you then said to me, ”We have sinned against Yahweh our God. We shall go up and fight just as Yahweh our God has ordered us.” And each one of you buckled on his arms and equipped himself to march up into the highlands.

42 But Yahweh said to me, ”Tell them this: Do not go up and fight. I am not with you. Do not let yourselves be defeated by your enemies.”

43 So I told you, but you would not listen, and you rebelled against the voice of Yahweh; presumptuously you marched into the highlands.

44 The Amorites, who live in that country of hills, came swarming out against you like bees, pursued you and beat you from Seir to Hormah.

45 On your return, you wept in Yahweh’s presence, but he would not listen to your cries or pay attention.

46 That was why you had to stay at Kadesh as long as you did.’

Chapther 02
1 ’We then turned round and made for the desert, in the direction of the Sea of Suph, as Yahweh had ordered me. For many days we skirted Mount Seir.

2 Yahweh then said to me,

3 ”You have gone far enough round this mountain; now turn north.

4 And give the people this order: You are about to pass through the territory of your kinsmen, the sons of Esau who live in Seir. They are afraid of you, and you will be well protected.

5 Do not provoke them, for I shall give you none of their land, no, not so much as a foot’s length of it. I have given the highlands of Seir to Esau as his domain.

6 Pay them in money for what food you eat; and pay them in money for the water you drink.

7 Yahweh your God has blessed you in all you do; he has watched over your journeying through this vast desert. Yahweh your God has been with you these forty years and you have never been in want.”

8 ’So we passed beyond those relatives of ours, the children of Esau who live in Seir, by the road through the Arabah, Elath and Ezion-Geber; then, changing direction, we took the road towards the Plains of Moab.

9 Yahweh then said to me, ”Do not attack Moab, do not provoke him to fight, for I shall give you none of his land, since I have given Ar to the children of Lot as their domain.”

10 (At one time the Emim lived there, a great and numerous people, tall as the Anakim;

11 and, like the Anakim, they were considered to be Rephaim, though the Moabites call them Emim.

12 The Horites, too, lived in Seir at one time; these, however, were dispossessed and exterminated by the children of Esau who settled there in place of them, just as Israel has done in the country given to it by Yahweh as a heritage.)

13 ”On your way, then! Cross the Wadi Zered!” ’And so we crossed the Wadi Zered.

14 From Kadesh-Barnea to the crossing of the Wadi Zered our wanderings had taken thirty-eight years; as a result of which, the entire generation of those of age to bear arms had been eliminated, as Yahweh had sworn to them.

15 Yahweh’s hand had been against them, to eliminate them completely from the camp.

16 ’When death had carried off from the people those of age to bear arms, to the last man,

17 Yahweh said this to me,

18 ”You are now crossing Ar, the country of Moab,

19 and soon you will encounter the children of Ammon. Do not attack them, do not provoke them, for I shall give you none of the land belonging to the children of Ammon as your domain. I have given it to the children of Lot as theirs.”

20 (This used also to be considered as Rephaim territory; at one time the Rephaim lived there, though the Ammonites call them Zamzummim,

21 a great and numerous people, and tall like the Anakim. Yahweh exterminated them for the Ammonites who dispossessed them and settled there in place of them,

22 just as he had done for the children of Esau who live in Seir, so that they dispossessed the Horites and settled there instead of them and are still there now.

23 It was the same with the Avvites who occupied encampments as far as Gaza: the Caphtorim, coming from Caphtor, exterminated them and settled there instead.)

24 ”On your way! Break camp and cross the Wadi Arnon. See, I am putting Sihon the Amorite, king of Heshbon, at your mercy, and his country too. Set about the conquest; engage him in battle.

25 Today and henceforth, I shall fill the peoples under all heaven with fear and terror of you; whoever hears word of your approach will tremble and writhe in anguish because of you.”

26 ’So, from the desert of Kedemoth I sent envoys to Sihon king of Heshbon with this peaceful message,

27 ”I intend to cross your country. I shall go my way, straying neither to right nor to left.

28 I shall eat and pay for the food you choose to sell me, and I shall drink and pay for the water you let me have. I only want to march through,

29 just as the children of Esau who live in Seir permitted, as well as the Moabites who live in Ar, until I cross the Jordan into the country that Yahweh our God is giving us.”

30 ’But Sihon king of Heshbon would not give us leave to pass through his territory; Yahweh our God had made his spirit obstinate and his heart stubborn, to put him at your mercy, as he still is.

31 Yahweh said to me, ”You see, I am starting to give you Sihon and his country. Begin the conquest by seizing his country.”

32 Sihon marched out against us, he and all his people, to give battle at Jahaz.

33 And Yahweh our God handed him over to us: we defeated him and his sons and all his people.

34 We captured all his towns and laid all these towns under the curse of destruction: men, women and children, we left no survivors

35 except the livestock which we took as our booty, and the spoils of the captured towns.

36 From Aroer on the edge of the Arnon valley and from the town down in the valley, as far as Gilead, not one town was beyond our reach; Yahweh our God delivered them all to us.

37 You did not, however, go near the country of the Ammonites, or the region of the River Jabbok, or the towns in the highlands, or anywhere forbidden us by Yahweh our God.’

Chapther 03
1 ’We then turned on Bashan and invaded that. And Og king of Bashan marched out against us, he and all his people, to give battle at Edrei.

2 Yahweh said to me, ”Do not be afraid of him, for I have put him at your mercy, him, all his people and his country. You will treat him as you treated Sihon king of the Amorites who lived in Heshbon.”

3 So, Yahweh our God put Og king of Bashan at our mercy too, with all his people. We beat him so thoroughly that nobody was left.

4 That was when we captured all his towns; there was not a town of theirs we did not take: sixty towns, the whole confederation of Argob, Og’s kingdom in Bashan,

5 all of them fortresses defended by high walls and fortified with gates and bars, not to mention the Perizzite towns, which were very numerous.

6 We laid them under the curse of destruction as we had done Sihon king of Heshbon, laying all these towns under the curse of destruction: men, women and children-

7 but we seized the livestock and spoils of the towns as booty for ourselves.

8 ’Thus, by then we had taken the country of the two Amorite kings beyond the Jordan, stretching from the Wadi Arnon to Mount Hermon

9 (the Sidonians call Hermon ’Sirion’ and the Amorites call it ’Senir’):

10 all the towns of the tableland, all Gilead, and all Bashan as far as Salecah and Edrei, the capital cities of Og in Bashan.

11 (Og king of Bashan was the last survivor of the Rephaim; his bed was the iron bed that can be seen at Rabbah-of-the-Ammonites, nine cubits long and four wide, according to the human cubit.)

12 ’Then we took possession of this country, from Aroer on the Wadi Arnon. To the Reubenites and Gadites I gave half the highlands of Gilead with its towns.

13 To the half-tribe of Manasseh I gave the rest of Gilead and the whole of Bashan, Og’s kingdom. (The whole confederation of Argob and the whole of Bashan is called the country of the Rephaim.

14 Since Jair son of Manasseh occupied the whole confederation of Argob as far as the frontiers of the Geshurites and Maacathites, after him Bashan is called the Encampments of Jair even today.)

15 To Machir I gave Gilead.

16 To the Reubenites and the Gadites I gave the region from Gilead to the Wadi Arnon, the middle of the ravine marking the boundary, and up as far as the Jabbok, the ravine marking the frontier of the Ammonites.

17 The Arabah and the Jordan serve as frontiers from Chinnereth down to the Sea of the Arabah (the Salt Sea), at the foot of the slopes of Pisgah on the east.

18 ’I then gave you this order: ”Yahweh your God has given you this country to be yours. Armed, every one of you fit to fight must go ahead of your brothers the Israelites.

19 Only your wives, your children and your flocks (you have many flocks, I know) must stay behind in the towns which I have given you,

20 until Yahweh has brought your brothers to rest as he has already brought you, and they too possess the territory which Yahweh your God is giving them on the other side of the Jordan; after that, you can go home, each to the domain I have given you.”

21 I then gave Joshua this order, ”You can see for yourself everything that Yahweh our God has done to these two kings; Yahweh will do the same to all the kingdoms through which you pass.

22 Do not be afraid of them: Yahweh your God himself is fighting for you.”

23 ’I then pleaded with Yahweh.

24 ”My Lord Yahweh,” I said, ”now that you have begun to reveal your greatness and your power to your servant with works and mighty deeds no God in heaven or on earth can rival,

25 may I not go across and see this fine country on the other side of the Jordan, that fine upland country and the Lebanon?”

26 But, because of you, Yahweh was angry with me and would not listen. ”Enough!” he said, ”Do not mention this subject again!

27 Climb to the top of Pisgah; turn your eyes to the west, the north, the south, the east. Look well, for across this Jordan you shall not go.

28 Give Joshua your instructions; encourage him, strengthen him; for he will be the one to cross at the head of this people; he will be the one to bring them into possession of the country which you will see.”

29 ’We then stayed in the valley, close to Beth-Peor.’

Chapther 04
1 ’And now, Israel, listen to the laws and customs which I am teaching you today, so that, by observing them, you may survive to enter and take possession of the country which Yahweh, God of your ancestors, is giving you.

2 You must add nothing to what I command you, and take nothing from it, but keep the commandments of Yahweh your God just as I lay them down for you.

3 You can see for yourselves what Yahweh has done about the Baal of Peor; Yahweh your God has destroyed all those of you who followed the Baal of Peor;

4 but those of you who stayed faithful to Yahweh your God are all alive today.

5 Look: as Yahweh my God commanded me, I have taught you laws and customs, for you to observe in the country of which you are going to take possession.

6 Keep them, put them into practice, and other peoples will admire your wisdom and prudence. Once they know what all these laws are, they will exclaim, ”No other people is as wise and prudent as this great nation!”

7 And indeed, what great nation has its gods as near as Yahweh our God is to us whenever we call to him?

8 And what great nation has laws and customs as upright as the entirety of this Law which I am laying down for you today?

9 ’But take care, as you value your lives! Do not forget the things which you yourselves have seen, or let them slip from your heart as long as you live; teach them, rather, to your children and to your children’s children.

10 The day you stood at Horeb in the presence of Yahweh your God, Yahweh said to me, ”Summon the people to me; I want them to hear me speaking, so that they will learn to fear me all the days they live on earth, and teach this to their children.”

11 So you came and stood at the foot of the mountain, and the mountain flamed to the very sky, a sky darkened by cloud, murky and thunderous.

12 Yahweh then spoke to you from the heart of the fire; you heard the sound of words but saw no shape; there was only a voice.

13 He revealed his covenant to you and commanded you to observe it, the Ten Words which he inscribed on two tablets of stone.

14 Yahweh then ordered me to teach you the laws and customs that you were to observe in the country into which you are about to cross, to take possession of it.

15 ’Hence, be very careful what you do. Since you saw no shape that day at Horeb when Yahweh spoke to you from the heart of the fire,

16 see that you do not corrupt yourselves by making an image in the shape of anything whatever: be it statue of man or of woman,

17 or of any animal on the earth, or of any bird that flies in the heavens,

18 or of any reptile that crawls on the ground, or of any fish in the waters under the earth.

19 When you raise your eyes to heaven, when you see the sun, the moon, the stars — the entire array of heaven — do not be tempted to worship them and serve them. Yahweh your God has allotted these to all the other peoples under heaven,

20 but Yahweh has chosen you, bringing you out of the iron-foundry, Egypt, to be his own people, his own people as you still are today.

21 ’Yahweh is angry with me because of you; he has sworn that I shall not cross the Jordan or enter the fine country which Yahweh your God is giving you as your heritage.

22 Yes, I am to die in this country; I shall not cross this Jordan; you will go over and take possession of that rich land.

23 Be careful not to forget the covenant which Yahweh your God has made with you, by sculpting an image or making a statue of anything, since Yahweh your God has forbidden this;

24 for Yahweh your God is a consuming fire, a jealous God.

25 ’When you have fathered children and grandchildren and have grown old in the country, when you have grown corrupt and made some image, doing what Yahweh regards as wrong and so provoking his anger-

26 today I call heaven and earth to witness against you — you will quickly vanish from the country which you are crossing the Jordan to possess. Your days will not be prolonged there, for you will be utterly destroyed.

27 Yahweh will scatter you among the peoples, and only a small number of you will remain among the nations where Yahweh will have driven you.

28 There you will serve gods made by human hand, of wood and of stone, that cannot see or hear, eat or smell.

29 ’If, however, from there you start searching once more for Yahweh your God, and if you search for him honestly and sincerely, you will find him.

30 You will suffer; everything I have said will befall you, but in the final days you will return to Yahweh your God and listen to his voice.

31 For Yahweh your God is a merciful God and will not desert or destroy you or forget the covenant which he made on oath with your ancestors.

32 ’Put this question, then, to the ages that are past, that have gone before you, from when God created the human race on earth: Was there ever a word so majestic, from one end of heaven to the other? Was anything like it ever heard?

33 Did ever a people hear the voice of the living God speaking from the heart of the fire, as you have heard it, and remain alive?

34 Has it ever been known before that any god took action himself to bring one nation out of another one, by ordeals, signs, wonders, war with mighty hand and outstretched arm, by fearsome terrors — all of which things Yahweh your God has done for you before your eyes in Egypt?

35 ’This he showed you, so that you might know that Yahweh is the true God and that there is no other.

36 To instruct you, he made you hear his voice from heaven, and on earth he let you see his great fire, and from the heart of the fire you heard his words.

37 Because he loved your ancestors and, after them, chose their descendants, he has brought you out of Egypt, displaying his presence and mighty power,

38 dispossessing for you nations who were larger and stronger than you, to make way for you and to give you their country as your heritage, as it still is today.

39 ’Hence, grasp this today and meditate on it carefully: Yahweh is the true God, in heaven above as on earth beneath, he and no other.

40 Keep his laws and commandments as I give them to you today, so that you and your children after you may prosper and live long in the country that Yahweh your God is giving you for ever.’

41 Moses then set aside three towns in the east, beyond the Jordan,

42 to which any killer might flee who had accidentally, without any previous feud, killed his fellow; by taking refuge in one of these towns he could save his life.

43 These were, for the Reubenites, Bezer in the desert on the tableland; for the Gadites, Ramoth in Gilead; for the Manassehites, Golan in Bashan.

44 This is the Law which Moses presented to the Israelites.

45 These are the stipulations, the laws and the customs which Moses gave the Israelites after they had left Egypt,

46 beyond the Jordan in the valley near Beth-Peor, in the country of Sihon the Amorite king who had lived at Heshbon. Moses and the Israelites had defeated him when they left Egypt,

47 and had taken possession of his country, as well as that of Og king of Bashan — two Amorite kings to the east beyond the Jordan,

48 from Aroer on the edge of the Arnon Valley, all the way to Mount Sion (that is, Hermon) –

49 and of the whole Arabah east of the Jordan as far as the Sea of the Arabah, at the foot of the slopes of Pisgah.

Chapther 05
1 Moses called all Israel together and said to them, ’Listen, Israel, to the laws and customs that I proclaim to you today. Learn them and take care to observe them.

2 ’Yahweh our God made a covenant with us at Horeb.

3 Yahweh made this covenant not with our ancestors, but with us, with all of us alive here today.

4 On the mountain, from the heart of the fire, Yahweh spoke to you face to face,

5 while I stood between you and Yahweh to let you know what Yahweh was saying, since you were afraid of the fire and had not gone up the mountain. He said:

6 ’ ”I am Yahweh your God who brought you out of Egypt, out of the place of slave-labour.

7 ’ ”You will have no gods other than me.

8 ’ ”You must not make yourselves any image or any likeness of anything in heaven above or on earth beneath or in the waters under the earth;

9 you must not bow down to these gods or serve them. For I, Yahweh your God, am a jealous God and I punish the parents’ fault in the children, the grandchildren and the great-grandchildren, among those who hate me;

10 but I show faithful love to thousands, to those who love me and keep my commandments.

11 ’ ”You must not misuse the name of Yahweh your God, for Yahweh will not leave unpunished anyone who uses his name for what is false.

12 ’ ”Observe the Sabbath day and keep it holy, as Yahweh your God has commanded you.

13 Labour for six days, doing all your work,

14 but the seventh day is a Sabbath for Yahweh your God. You must not do any work that day, neither you, nor your son, nor your daughter, nor your servants — male or female — nor your ox, nor your donkey, nor any of your animals, nor the foreigner who has made his home with you;

15 so that your servants, male and female, may rest, as you do. Remember that you were once a slave in Egypt, and that Yahweh your God brought you out of there with mighty hand and outstretched arm; this is why Yahweh your God has commanded you to keep the Sabbath day.

16 ’ ”Honour your father and your mother, as Yahweh your God has commanded you, so that you may have long life and may prosper in the country which Yahweh your God is giving you.

17 ’ ”You must not kill.

18 ’ ”You must not commit adultery.

19 ’ ”You must not steal.

20 ’ ”You must not give false evidence against your fellow.

21 ’ ”You must not set your heart on your neighbour’s spouse, you must not set your heart on your neighbour’s house, or field, or servant-man or woman — or ox, or donkey or any of your neighbour’s possessions.”

22 ’These were the words Yahweh spoke to you when you were all assembled on the mountain. Thunderously, he spoke to you from the heart of the fire, in cloud and thick darkness. He added nothing, but wrote them on two tablets of stone which he gave to me.

23 ’Now, having heard this voice coming out of the darkness, while the mountain was all on fire, you came to me, all of you, heads of tribes and elders,

24 and said, ”Yahweh our God has shown us his glory and his greatness, and we have heard his voice from the heart of the fire. Today we have seen that God can speak with a human being and that person still live.

25 So why should we expose ourselves to death again? For this great fire might devour us if we go on listening to the voice of Yahweh our God, and then we should die.

26 For what creature of flesh could possibly live after hearing, as we have heard, the voice of the living God speaking from the heart of the fire?

27 Go nearer yourself and listen to everything that Yahweh our God may say, and then tell us everything that Yahweh our God has told you; we shall listen and put it into practice!”

28 ’Yahweh heard what you were saying to me, and he then said to me, ”I have heard what these people are saying. Everything they have said is well said.

29 If only their heart were always so, set on fearing me and on keeping my commandments, so that they and their children might prosper for ever!

30 Go and tell them to go back to their tents.

31 But you yourself stay here with me, and I shall tell you all the commandments, the laws and the customs which you are to teach them and which they are to observe in the country which I am giving them as their possession.”

32 ’Keep them and put them into practice: such is Yahweh’s command to you. Stray neither to right nor to left.

33 Follow the whole way that Yahweh has marked for you, and you will survive to prosper and live long in the country which you are going to possess.’

Chapther 06
1 ’Such, then, are the commandments, the laws and the customs which Yahweh your God has instructed me to teach you, for you to observe in the country which you are on your way to possess.

2 And hence, if, throughout your lives, you fear Yahweh your God and keep all his laws and commandments, which I am laying down for you today, you will live long, you and your child and your grandchild.

3 Listen then, Israel, keep and observe what will make you prosperous and numerous, as Yahweh, God of your ancestors, has promised you, in giving you a country flowing with milk and honey.

4 ’Listen, Israel: Yahweh our God is the one, the only Yahweh.

5 You must love Yahweh your God with all your heart, with all your soul, with all your strength.

6 Let the words I enjoin on you today stay in your heart.

7 You shall tell them to your children, and keep on telling them, when you are sitting at home, when you are out and about, when you are lying down and when you are standing up;

8 you must fasten them on your hand as a sign and on your forehead as a headband;

9 you must write them on the doorposts of your house and on your gates.

10 ’When Yahweh has brought you into the country which he swore to your ancestors Abraham, Isaac and Jacob that he would give you, with great and prosperous cities you have not built,

11 with houses full of good things you have not provided, with wells you have not dug, with vineyards and olive trees you have not planted, and then, when you have eaten as much as you want,

12 be careful you do not forget Yahweh who has brought you out of Egypt, out of the place of slave-labour.

13 Yahweh your God is the one you must fear, him alone you must serve, his is the name by which you must swear.

14 ’Do not follow other gods, gods of the peoples round you,

15 for Yahweh your God among you is a jealous God; the wrath of Yahweh your God would blaze out against you, and he would wipe you off the face of the earth.

16 Do not put Yahweh your God to the test as you tested him at Massah.

17 Keep the commandments of Yahweh your God, and his instructions and laws which he has laid down for you,

18 and do what Yahweh regards as right and good, so that you may prosper and take possession of the fine country which Yahweh swore to give your ancestors,

19 driving out your enemies before you; such was Yahweh’s promise.

20 ’In times to come, when your child asks you, ”What is the meaning of these instructions, laws and customs which Yahweh our God has laid down for you?”

21 you are to tell your child, ”Once we were Pharaoh’s slaves in Egypt, and Yahweh brought us out of Egypt by his mighty hand.

22 Before our eyes, Yahweh worked great and terrible signs and wonders against Egypt, against Pharaoh and his entire household.

23 And he brought us out of there, to lead us into the country which he had sworn to our ancestors that he would give us.

24 And Yahweh has commanded us to observe all these laws and to fear Yahweh our God, so as to be happy for ever and to survive, as we do to this day.

25 For us, right living will mean this: to keep and observe all these commandments in obedience to Yahweh our God, as he has commanded us.” ’

Chapther 07
1 ’When Yahweh your God has brought you into the country which you are going to make your own, many nations will fall before you: Hittites, Girgashites, Amorites, Canaanites, Perizzites, Hivites and Jebusites, seven nations greater and stronger than yourselves.

2 Yahweh your God will put them at your mercy and you will conquer them. You must put them under the curse of destruction. You must not make any treaty with them or show them any pity.

3 You must not intermarry with them; you must not give a daughter of yours to a son of theirs, or take a daughter of theirs for a son of yours,

4 for your son would be seduced from following me into serving other gods; the wrath of Yahweh would blaze out against you and he would instantly destroy you.

5 Instead, treat them like this: tear down their altars, smash their standing-stones, cut down their sacred poles and burn their idols.

6 For you are a people consecrated to Yahweh your God; of all the peoples on earth, you have been chosen by Yahweh your God to be his own people.

7 ’Yahweh set his heart on you and chose you not because you were the most numerous of all peoples — for indeed you were the smallest of all-

8 but because he loved you and meant to keep the oath which he swore to your ancestors: that was why Yahweh brought you out with his mighty hand and redeemed you from the place of slave-labour, from the power of Pharaoh king of Egypt.

9 From this you can see that Yahweh your God is the true God, the faithful God who, though he is true to his covenant and his faithful love for a thousand generations as regards those who love him and keep his commandments,

10 punishes in their own persons those that hate him. He destroys anyone who hates him, without delay; and it is in their own persons that he punishes them.

11 Hence, you must keep and observe the commandments, laws and customs which I am laying down for you today.

12 ’Listen to these ordinances, be true to them and observe them, and in return Yahweh your God will be true to the covenant and love which he promised on oath to your ancestors.

13 He will love you and bless you and increase your numbers; he will bless the fruit of your body and the produce of your soil, your corn, your new wine, your oil, the issue of your cattle, the young of your flock, in the country which he swore to your ancestors that he would give you.

14 You will be the most blessed of all peoples. None of you, man or woman, will be sterile, no male or female of your beasts infertile.

15 Yahweh will deflect all illness from you; he will not afflict you with those evil plagues of Egypt which you have known, but will inflict them on all who hate you.

16 ’So, devour all the peoples whom Yahweh your God puts at your mercy, show them no pity, do not serve their gods: or you will be ensnared.

17 ’You may say in your heart, ”These nations outnumber me; how shall I be able to dispossess them?”

18 Do not be afraid of them: remember how Yahweh your God treated Pharaoh and all Egypt,

19 the great ordeals that you yourselves have seen, the signs and wonders, the mighty hand and outstretched arm with which Yahweh your God brought you out. This is how Yahweh your God will treat all the peoples whom you fear to face.

20 And what is more, Yahweh your God will send hornets to destroy those who are left and who hide from you.

21 ’Do not be afraid of them, for Yahweh your God is among you, a great and terrible God.

22 Little by little, Yahweh your God will clear away these nations before you; you cannot destroy them all at once, or wild animals will breed and be disastrous for you.

23 But Yahweh your God will put them at your mercy, and disaster after disaster will overtake them until they are finally destroyed.

24 He will put their kings at your mercy and you will blot out their names under heaven; no one will be able to resist you — until you have destroyed them all.

25 ’You must burn the statues of their gods, not coveting the gold and silver that covers them; take it and you will be caught in a snare: it is detestable to Yahweh your God.

26 You must not bring any detestable thing into your house: or you, like it, will come under the curse of destruction. You must regard them as unclean and loathsome, for they are under the curse of destruction.’

Chapther 08
1 ’You must keep and put into practice all the commandments which I enjoin on you today, so that you may survive and increase in numbers and enter the country which Yahweh promised on oath to your ancestors, and make it your own.

2 Remember the long road by which Yahweh your God led you for forty years in the desert, to humble you, to test you and know your inmost heart — whether you would keep his commandments or not.

3 He humbled you, he made you feel hunger, he fed you with manna which neither you nor your ancestors had ever known, to make you understand that human beings live not on bread alone but on every word that comes from the mouth of Yahweh.

4 The clothes on your back did not wear out and your feet were not swollen, all those forty years.

5 ’Learn from this that Yahweh your God was training you as a man trains his child,

6 and keep the commandments of Yahweh your God, and so follow his ways and fear him.

7 ’But Yahweh your God is bringing you into a fine country, a land of streams and springs, of waters that well up from the deep in valleys and hills,

8 a land of wheat and barley, of vines, of figs, of pomegranates, a land of olives, of oil, of honey,

9 a land where you will eat bread without stint, where you will want nothing, a land where the stones are iron and where the hills may be quarried for copper.

10 You will eat and have all you want and you will bless Yahweh your God in the fine country which he has given you.

11 ’Be careful not to forget Yahweh your God, by neglecting his commandments, customs and laws which I am laying down for you today.

12 When you have eaten all you want, when you have built fine houses to live in,

13 when you have seen your flocks and herds increase, your silver and gold abound and all your possessions grow great,

14 do not become proud of heart. Do not then forget Yahweh your God who brought you out of Egypt, out of the place of slave-labour,

15 who guided you through this vast and dreadful desert, a land of fiery snakes, scorpions, thirst;

16 who in this waterless place brought you water out of the flinty rock; who in this desert fed you with manna unknown to your ancestors, to humble you and test you and so make your future the happier.

17 ’Beware of thinking to yourself, ”My own strength and the might of my own hand have given me the power to act like this.”

18 Remember Yahweh your God; he was the one who gave you the strength to act effectively like this, thus keeping then, as today, the covenant which he swore to your ancestors.

19 Be sure: if you forget Yahweh your God, if you follow other gods, if you serve them and bow down to them — I testify to you today — you will perish.

20 Like the nations Yahweh is to destroy before you, so you yourselves will perish, for not having listened to the voice of Yahweh your God.’

Chapther 09
1 ’Listen, Israel; today you are about to cross the Jordan, to go and dispossess nations greater and stronger than yourself, and cities immense, with walls reaching to the sky.

2 A people great and tall, these Anakim, as you know; you have heard the saying: Who can stand up to the sons of Anak?

3 Know then today that Yahweh your God himself will go ahead of you, destroying them like a devouring fire, and that he himself will subdue them before you so that you can dispossess and quickly make an end of them, as Yahweh has already said.

4 Do not think to yourself, once Yahweh your God has driven them before you, ”Yahweh has brought me into possession of this country because I am upright,” when Yahweh is dispossessing these nations for you, because they do wrong.

5 You are not going into their country to take possession because of any right behaviour or uprightness on your part; rather, it is because of their wickedness that Yahweh is dispossessing these nations for you, and also to keep the pact which he swore to your ancestors, Abraham, Isaac and Jacob.

6 Be clear about this: Yahweh is not giving you possession of this fine country because of any right conduct on your part, for you are an obstinate people.

7 ’Remember; never forget how you provoked Yahweh your God in the desert. From the very day that you left Egypt until you arrived here, you have been rebels against Yahweh.

8 At Horeb, you provoked Yahweh, and Yahweh was so angry with you that he was ready to destroy you.

9 I had gone up the mountain to receive the stone tablets, the tablets of the covenant that Yahweh was making with you. I stayed forty days and forty nights on the mountain, with nothing to eat or drink.

10 Yahweh gave me the two stone tablets inscribed by the finger of God, exactly corresponding to what Yahweh had said to you on the mountain, from the heart of the fire, on the day of the Assembly.

11 After forty days and forty nights, having given me the two stone tablets, the tablets of the covenant,

12 Yahweh said to me, ”Get up, go down quickly, for your people, whom you have brought out of Egypt, are corrupting one another. They have been quick to leave the way I marked out for them; they have cast themselves a metal idol.”

13 Yahweh then said to me, ”I have seen this people, and what an obstinate people they are!

14 Leave me, I am going to destroy them and wipe out their name under heaven; and I shall make you into a mightier and more numerous nation than they are!”

15 ’I went back down the mountain, which was blazing with fire, and in my hands were the two tablets of the covenant.

16 When I looked, I saw that you had been sinning against Yahweh your God. You had cast yourselves a metal calf; you had been quick to leave the way marked out for you by Yahweh.

17 I seized the two tablets and with my two hands threw them down and broke them before your eyes.

18 Then I fell prostrate before Yahweh; as before, I spent forty days and forty nights with nothing to eat or drink, on account of all the sins which you had committed, by doing what was displeasing to Yahweh and thus arousing his anger.

19 For I was afraid of this anger, of the fury which so roused Yahweh against you that he was ready to destroy you. And, once again, Yahweh heard my prayer.

20 Yahweh was enraged with Aaron and was ready to destroy him too; I also pleaded for Aaron on that occasion.

21 That work of sin, the calf you had made, I took and burned and broke to pieces; having ground it to the finest dust, I threw its dust into the stream that comes down from the mountain.

22 ’At Taberah too and at Massah and Kibroth-ha-Taavah, you provoked Yahweh.

23 And when Yahweh, meaning you to leave Kadesh-Barnea, said, ”Go up and take possession of the country which I have given you,” you rebelled against the command of Yahweh your God and would not believe him or listen to his voice.

24 You have been rebels against Yahweh from the day he first knew you.

25 ’So I fell prostrate before Yahweh and lay there those forty days and forty nights, Yahweh having said that he was going to destroy you.

26 And I pleaded with Yahweh. ”My Lord Yahweh,” I said, ”do not destroy your people, your heritage whom in your greatness you have redeemed, whom you have brought out of Egypt with your mighty hand.

27 Remember your servants, Abraham, Isaac, and Jacob; take no notice of this people’s stubbornness, their wickedness, and their sin,

28 so that, in the country from which you have brought us, it may not be said, ’Yahweh was not able to bring them to the country which he had promised them. He hated them; that was why he brought them out — to slaughter them in the desert.’

29 But these are your people, your heritage, whom you yourself have brought out by your great power and your outstretched arm.” ’

Chapther 10
1 ’Yahweh then said to me, ”Cut two stone tablets like the first ones, and come up to me on the mountain. Make an ark of wood;

2 on the tablets I shall inscribe the words that were on the first tablets, which you broke; put them in the ark.”

3 So I made an ark of acacia wood, cut two stone tablets like the first and went up the mountain with the two tablets in my hand.

4 And he inscribed the tablets, as he had inscribed them before, with the Ten Words which Yahweh had said to you on the mountain, from the heart of the fire, on the day of the Assembly. Yahweh then gave them to me.

5 I turned and came down from the mountain and put the tablets in the ark I had made, and there they stayed, as Yahweh had commanded me.

6 ’The Israelites left the wells of the Bene-Jaakan for Moserah, where Aaron died; he was buried there, and his son Eleazar succeeded him in the priesthood.

7 From there, they set out for Gudgodah, and from Gudgodah for Jotbathah, an area rich in streams.

8 Yahweh then set apart the tribe of Levi to carry the ark of Yahweh’s covenant, to stand in the presence of Yahweh, to serve him and to bless in his name, as they still do today.

9 This is why Levi has no share or heritage with his brothers: Yahweh is his heritage, as Yahweh your God then told him.

10 ’And, as before, I stayed on the mountain for forty days and forty nights. And again Yahweh heard my prayer and agreed not to destroy you.

11 And Yahweh said to me, ”Be on your way at the head of this people, so that they can go and take possession of the country which I swore to their ancestors that I would give them.”

12 ’And now, Israel, what does Yahweh your God ask of you? Only this: to fear Yahweh your God, to follow all his ways, to love him, to serve Yahweh your God with all your heart and all your soul,

13 to keep the commandments and laws of Yahweh, which I am laying down for you today for your own good.

14 ’Look, to Yahweh your God belong heaven and the heaven of heavens, the earth and everything on it;

15 yet it was on your ancestors, for love of them, that Yahweh set his heart to love them, and he chose their descendants after them, you yourselves, out of all nations, up to the present day.

16 Circumcise your heart then and be obstinate no longer;

17 for Yahweh your God is God of gods and Lord of lords, the great God, triumphant and terrible, free of favouritism, never to be bribed.

18 He it is who sees justice done for the orphan and the widow, who loves the stranger and gives him food and clothing.

19 (Love the stranger then, for you were once strangers in Egypt.)

20 Yahweh your God is the one whom you must fear and serve; to him you must hold firm; in his name take your oaths.

21 Him you must praise, he is your God: for you he has done these great and terrible things which you have seen for yourselves;

22 and, although your ancestors numbered only seventy persons when they went down to Egypt, Yahweh your God has now made you as many as the stars of heaven.’

Chapther 11
1 ’You must love Yahweh your God and always keep his observances, his laws, his customs, his commandments.

2 You are the ones who have had the experience, not your children. They have not had the experience, they have not witnessed the lessons of Yahweh your God, his greatness, his mighty hand and his outstretched arm,

3 the signs and the deeds which he performed in the heart of Egypt, against Pharaoh king of Egypt and his entire country,

4 what he did to the armies of Egypt, to their horses and their chariots, by overwhelming them with the waters of the Sea of Reeds when they were pursuing you, and leaving no trace of them to this day;

5 what he did for you in the desert, until you arrived here;

6 what he did to Dathan and Abiram the sons of Eliab the Reubenite, when, with all Israel standing round, the earth opened its mouth and swallowed them, with their families, their tents and all their supporters.

7 All these great deeds of Yahweh you have seen with your own eyes.

8 ’You must keep all the commandments which I enjoin on you today, so that you may have the strength to conquer the country into which you are about to cross, to take possession of it,

9 and so that you may live long in the country which Yahweh promised on oath to bestow on your ancestors and their descendants, a country flowing with milk and honey.

10 ’For the country which you are about to enter and make your own is not like the country of Egypt from which you have come, where, having done your sowing, you had to water the seed by foot, as though in a vegetable garden.

11 No, the country which you are about to enter and make your own, is a country of hills and valleys watered by the rain of heaven.

12 Yahweh your God looks after this country, the eyes of Yahweh your God are always on it, from the beginning of the year to the end.

13 Depend on it: if you faithfully obey the commandments I enjoin on you today, loving Yahweh your God and serving him with all your heart and all your soul,

14 I shall give your country rain at the right time, rain in autumn, rain in spring, so that you can harvest your wheat, your new wine and your oil.

15 I shall provide grass in the fields for your cattle, and you will eat to your heart’s content.

16 Beware of letting your heart be seduced: if you go astray, serve other gods and bow down to them,

17 Yahweh’s anger will be kindled against you, he will shut the heavens, there will be no more rain, the soil will not yield its produce and, in the fine country given you by Yahweh, you will quickly perish.

18 ’Let these words of mine remain in your heart and in your soul; fasten them on your hand as a sign and on your forehead as a headband.

19 Teach them to your children, and keep on telling them, when you are sitting at home, when you are out and about, when you are lying down and when you are standing up.

20 Write them on the doorposts of your house and on your gates,

21 so that you and your children may live long in the country which Yahweh swore to your ancestors that he would give them for as long as there is a sky above the earth.

22 ’For if you faithfully keep and observe all these commandments that I enjoin on you today, loving Yahweh your God, following all his ways and holding fast to him,

23 Yahweh will dispossess all these nations before you, and you will dispossess nations greater and more powerful than yourselves.

24 Wherever the sole of your foot treads will be yours; your territory will run from the desert all the way to the Lebanon; and from the River, from the River Euphrates, as far as the Western Sea, will be your territory.

25 No one will be able to resist you; Yahweh your God will make you feared and dreaded throughout the territory you tread, as he has promised you.

26 ’Today, look, I am offering you a blessing and a curse:

27 a blessing, if you obey the commandments of Yahweh your God which I enjoin on you today;

28 a curse, if you disobey the commandments of Yahweh your God and leave the way which today I have marked out for you, by following other gods hitherto unknown to you.

29 And when Yahweh your God has brought you into the country which you are about to enter and make your own, you must set the blessing on Mount Gerizim and the curse on Mount Ebal.

30 (These mountains, as everyone knows, are on the other side of the Jordan on the westward road, in the territory of the Canaanites who live in the Arabah, opposite Gilgal, near the Oak of Moreh.)

31 For you are about to cross the Jordan, to enter and take possession of the country given you by Yahweh your God. You will possess it, you will live in it,

32 and you must keep and observe all the laws and customs promulgated by me to you today.’

Chapther 12
1 ’Now, these are the laws and customs which you must keep in the country which Yahweh, God of your ancestors, is giving you as yours, and which you must observe every day that you live in that country.

2 ’You must completely destroy all the places where the nations you dispossess have served their gods, on high mountains, on hills, under any spreading tree;

3 you must tear down their altars, smash their sacred stones, burn their sacred poles, hack to bits the statues of their gods and obliterate their name from that place.

4 ’Not so must you behave towards Yahweh your God.

5 You must seek Yahweh your God in the place which he will choose from all your tribes, there to set his name and give it a home: that is where you must go.

6 That is where you must bring your burnt offerings and your sacrifices, your tithes and offerings held high, your votive offerings and your voluntary offerings, and the first-born of your herd and flock;

7 and that is where you must eat in the presence of Yahweh your God, rejoicing over your labours, you and your households, because Yahweh your God has blessed you.

8 ’You must not behave as we are behaving here today, each of you doing what he himself sees fit,

9 since you have not yet come to the resting place and the heritage that Yahweh your God is going to give you.

10 You are about to cross the Jordan and live in the country given you by Yahweh your God as your heritage; he will grant you peace from all the enemies surrounding you, and you will live in safety.

11 To the place chosen by Yahweh your God as a home for his name, to that place you must bring all the things that I am laying down for you: your burnt offerings and your sacrifices, your tithes and offerings held high, and all the best of your possessions dedicated by you to Yahweh.

12 That is where you will rejoice in the presence of Yahweh your God, you and your sons and daughters, your serving men and women, and the Levite living in your community since he has no share or heritage of his own among you.

13 ’Take care you do not offer your burnt offerings in all the sacred places you see;

14 only in the place that Yahweh chooses in one of your tribes may you offer your burnt offerings and do all the things which I have commanded you.

15 ’This notwithstanding, and whenever you wish, you may slaughter and eat meat wherever you live — as much as the blessing of Yahweh affords you. Clean or unclean may eat it, as though it were gazelle or deer.

16 You will not, however, eat the blood, but will pour that like water on the ground.

17 ’You must not eat the tithe of your wheat, of your new wine or of your oil, or the first-born of your herd or flock, or any of your votive offerings or voluntary offerings, or your offerings held high to Yahweh, at home.

18 You must eat these in the presence of Yahweh your God in the place Yahweh your God chooses and there alone, you, your son and your daughter, your serving man and serving woman, and the Levite living in your community, expressing your joy in all your labours in the presence of Yahweh your God.

19 As long as you live on your soil, be careful not to neglect the Levite.

20 ’When Yahweh your God enlarges your territory as he has promised you, and you say, ”I should like to eat meat,” if you want to eat meat you may eat as much as you like.

21 If the place in which Yahweh your God chooses to set his name is too far away, you may slaughter any of your herd or flock that Yahweh has given you, as I have prescribed for you; you may eat as much of it as you please at home.

22 But you must eat it as you would gazelle or deer; clean and unclean may eat it together.

23 Take care, however, not to eat the blood, since blood is life, and you must not eat the life with the meat.

24 You must not eat it, but must pour it like water on the ground.

25 You must not eat it — so that you, and your children after you, may prosper, doing what is right in Yahweh’s eyes.

26 But the holy things of yours and the things which you have dedicated, you must go and take to the place chosen by Yahweh.

27 The burnt offerings of meat and blood must be presented on the altar of Yahweh your God; whereas, in your sacrifices, the blood must be poured on the altar of Yahweh your God; the meat you yourselves may eat.

28 Faithfully keep and obey all these orders which I am giving you, so that you and your children after you may prosper for ever, doing what is good and right in the eyes of Yahweh your God.

29 ’When Yahweh your God has annihilated the nations confronting you, whom you are going to dispossess, and when you have dispossessed them and made your home in their country,

30 beware of being entrapped into copying them, after they have been destroyed to make way for you, and do not enquire about their gods, saying, ”How did these nations worship their gods? I am going to do the same too.”

31 This is not the way to treat Yahweh your God. For in honour of their gods they have done everything detestable that Yahweh hates; yes, in honour of their gods, they even burn their own sons and daughters as sacrifices!’

Chapther 13
1 ’Whatever I am now commanding you, you must keep and observe, adding nothing to it, taking nothing away.

2 ’If a prophet or a dreamer of dreams arises among you, offering you some sign or wonder,

3 and the sign or wonder comes about; and if he then says to you, ”Let us follow other gods (hitherto unknown to you) and serve them,”

4 you must not listen to that prophet’s words or to that dreamer’s dreams. Yahweh your God is testing you to know if you love Yahweh your God with all your heart and all your soul.

5 Yahweh your God is the one whom you must follow, him you must fear, his commandments you must keep, his voice you must obey, him you must serve, to him you must hold fast.

6 That prophet or that dreamer of dreams must be put to death, since he has preached apostasy from Yahweh your God who brought you out of Egypt and redeemed you from the place of slave-labour; and he would have diverted you from the way in which Yahweh your God has commanded you to walk. You must banish this evil from among you.

7 ’If your brother, the son of your father or of your mother, or your son or daughter, or the spouse whom you embrace, or your most intimate friend, tries secretly to seduce you, saying, ”Let us go and serve other gods,” unknown to you or your ancestors before you,

8 gods of the peoples surrounding you, whether near you or far away, anywhere throughout the world,

9 you must not consent, you must not listen to him; you must show him no pity, you must not spare him or conceal his guilt.

10 No, you must kill him, your hand must strike the first blow in putting him to death and the hands of the rest of the people following.

11 You must stone him to death, since he has tried to divert you from Yahweh your God who brought you out of Egypt, from the place of slave-labour.

12 All Israel, hearing of this, will be afraid, and none of you will do such a wicked thing again.

13 ’If you hear that in one of the towns which Yahweh your God has given you for a home,

14 there are men, scoundrels from your own stock, who have led their fellow-citizens astray, saying, ”Let us go and serve other gods,” hitherto unknown to you,

15 it is your duty to look into the matter, examine it, and enquire most carefully. If it is proved and confirmed that such a hateful thing has taken place among you,

16 you must put the inhabitants of that town to the sword; you must lay it under the curse of destruction — the town and everything in it.

17 You must pile up all its loot in the public square and burn the town and all its loot, offering it all to Yahweh your God. It is to be a ruin for all time, and never rebuilt.

18 From what is thus put under the curse of destruction you must keep nothing back, so that Yahweh may turn from the ferocity of his anger and show you mercy, and have pity on you and increase your numbers, as he swore he would to your ancestors,

19 on condition that you listen to the voice of Yahweh your God by keeping all his commandments which I am enjoining on you today, and by doing what is right in the eyes of Yahweh your God.’

Chapther 14
1 ’You are children of Yahweh your God. You must not gash yourselves or shave your foreheads for the dead.

2 For you are a people consecrated to Yahweh your God, and Yahweh has chosen you to be his own people from all the peoples on the earth.

3 ’You must not eat anything disgusting.

4 These are the animals you may eat: ox, sheep, goat,

5 deer, gazelle, roebuck, ibex, antelope, oryx, mountain sheep.

6 You may eat any animal that has a divided and cloven hoof and that is a ruminant.

7 Of those, however, that are ruminants and of those that have a divided and cloven hoof you may not eat the following: the camel, the hare and the coney, which are ruminants but have no cloven hoof; you must class them as unclean.

8 So also the pig, which though it has a cloven hoof is not a ruminant; you must class it as unclean. You must neither eat the meat of such animals nor touch their dead bodies.

9 ’Of whatever lives in water you may eat the following: you may eat anything that has fins and scales.

10 But you must not eat anything without fins and scales: you must class it as unclean.

11 ’You may eat all clean birds,

12 but the following birds you must not eat: the tawny vulture, the griffon, the osprey,

13 the kite and the several kinds of buzzard,

14 all kinds of raven,

15 the ostrich, the screech owl, the seagull, the several kinds of hawk,

16 owl, barn owl, ibis,

17 pelican, white vulture, cormorant,

18 stork, the several kinds of heron, hoopoe and bat.

19 You are to class all winged insects as unclean and must not eat them.

20 You may eat any clean fowl.

21 ’You must not eat any animal that has died a natural death. You may give it to a resident foreigner to eat, or sell it to a foreigner. For you are a people consecrated to Yahweh your God. ’You must not boil a kid in its mother’s milk.

22 ’Every year, you must take a tithe of what your fields produce from what you have sown

23 and, in the presence of Yahweh your God, in the place where he chooses to give his name a home, you must eat the tithe of your wheat, of your new wine and of your oil, and the first-born of your herd and flock; and by so doing, you will learn always to fear Yahweh your God.

24 ’If the road is too long for you, if you cannot bring your tithe because the place in which Yahweh chooses to make a home for his name is too far away, when Yahweh your God has blessed you,

25 you must convert it into money and, with the money clasped in your hand, you must go to the place chosen by Yahweh your God;

26 there you may spend the money on whatever you like, oxen, sheep, wine, fermented liquor, anything you please. There you must eat in the presence of Yahweh your God and rejoice, you and your household.

27 Do not neglect the Levite living in your community, since he has no share or heritage of his own among you.

28 ’At the end of every three years, you must take all the tithes of your harvests for that year and collect them in your community.

29 Then the Levite — since he has no share or heritage of his own among you — the foreigner, the orphan and the widow living in your community, will come and eat all they want. And so Yahweh your God will bless you in all the labours that you undertake.’

Chapther 15
1 ’At the end of every seven years, you must grant remission.

2 The nature of the remission is as follows: any creditor holding a personal pledge obtained from his fellow must release him from it; he must not exploit his fellow or his brother once the latter has appealed to Yahweh for remission.

3 A foreigner you may exploit, but you must remit whatever claim you have on your brother.

4 There must, then, be no poor among you. For Yahweh will grant you his blessing in the country which Yahweh your God is giving you to possess as your heritage,

5 only if you pay careful attention to the voice of Yahweh your God, by keeping and practising all these commandments which I am enjoining on you today.

6 If Yahweh your God blesses you as he has promised, you will be creditors to many nations but debtors to none; you will rule over many nations, and be ruled by none.

7 ’Is there anyone poor among you, one of your brothers, in any town of yours in the country which Yahweh your God is giving you? Do not harden your heart or close your hand against that poor brother of yours,

8 but be open handed with him and lend him enough for his needs.

9 Do not allow this mean thought in your heart, ”The seventh year, the year of remission, is near,” and scowl at your poor brother and give him nothing; he could appeal against you to Yahweh, and you would incur guilt!

10 When you give to him, you must give with an open heart; for this, Yahweh your God will bless you in all your actions and in all your undertakings.

11 Of course, there will never cease to be poor people in the country, and that is why I am giving you this command: Always be open handed with your brother, and with anyone in your country who is in need and poor.

12 ’If your fellow Hebrew, man or woman, sells himself to you, he can serve you for six years. In the seventh year you must set him free,

13 and in setting him free you must not let him go empty handed.

14 By way of present, you will load his shoulders with things from your flock, from your threshing-floor and from your winepress; as Yahweh your God has blessed you, so you must give to him.

15 Remember that you were once a slave in Egypt and that Yahweh your God redeemed you; that is why I am giving you this order today.

16 ’But if he says to you, ”I do not want to leave you,” because he loves you and your household and is happy with you,

17 you must take an awl and drive it through his ear into the door and he will be your servant for ever. You must do the same to a female slave.

18 ’Do not think it hard on you to have to give him his freedom; he is worth twice what a paid servant would cost you, and has served you for six years. And Yahweh your God will bless you in everything you do.

19 ’You must consecrate every first-born male from your herd and flock to Yahweh your God. You must not put the first-born of your herd to work, or shear the first-born of your flock.

20 You must eat it, you and your household, each year, in the presence of Yahweh your God, in the place which Yahweh chooses.

21 If it has any defect, if it is lame or blind — any serious defect — you must not sacrifice it to Yahweh your God.

22 You will eat it at home, unclean and clean together, as you would gazelle or deer;

23 only, you will not eat its blood, but pour that like water on the ground.’

Chapther 16
1 ’Observe the month of Abib and celebrate the Passover for Yahweh your God, because it was in the month of Abib that Yahweh your God brought you out of Egypt by night.

2 You must sacrifice a Passover from your flock or herd for Yahweh your God in the place where Yahweh chooses to give his name a home.

3 You must not eat leavened bread with this; for seven days you must eat it with unleavened bread — the bread of affliction — since you left Egypt in great haste; this is so that, as long as you live, you will remember the day you came out of Egypt.

4 For seven days no leaven must be found in any house throughout your territory, nor must any of the meat that you sacrifice in the evening of the first day be kept overnight until the next day.

5 You must sacrifice the Passover not in any of the towns given you by Yahweh your God,

6 but in the place where Yahweh your God chooses to give his name a home; there you must sacrifice the Passover, in the evening at sunset, at the hour when you came out of Egypt.

7 You will cook it and eat it in the place chosen by Yahweh your God, and in the morning you must return and go to your tents.

8 For six days you will eat unleavened bread; on the seventh day there will be an assembly for Yahweh your God; and you must do no work.

9 ’You must count seven weeks, counting these seven weeks from the time you begin to put your sickle into the standing corn.

10 You will then celebrate the feast of Weeks for Yahweh your God with the gift of a voluntary offering proportionate to the degree in which Yahweh your God has blessed you.

11 You must rejoice in the presence of Yahweh your God, in the place where Yahweh your God chooses to give his name a home, you, your son and your daughter, your serving men and women, the Levite living in your community, the foreigner, the orphan and the widow living among you.

12 Remember that you were once a slave in Egypt, and carefully observe these laws.

13 ’You must celebrate the feast of Shelters for seven days, at the time when you gather in the produce of your threshing-floor and winepress.

14 You must rejoice at your feast, you, your son and your daughter, your serving men and women, the Levite, the foreigner, the orphan and the widow living in your community.

15 For seven days, you must celebrate the feast for Yahweh your God in the place chosen by Yahweh; for Yahweh your God will bless you in all your produce and in all your undertakings, so that you will have good reason to rejoice.

16 ’Three times a year all your menfolk must appear before Yahweh your God in the place chosen by him: at the feast of Unleavened Bread, at the feast of Weeks, at the feast of Shelters. No one must appear empty-handed before Yahweh,

17 but each must give what he can, in proportion to the blessing which Yahweh your God has bestowed on you.

18 ’You must appoint judges and scribes in each of the towns that Yahweh your God is giving you, for all your tribes; these are to mete out proper justice to the people.

19 You must not pervert the law; you must be impartial; you will take no bribes, for a bribe blinds the eyes of the wise and ruins the cause of the upright.

20 Strict justice must be your ideal, so that you may live long in possession of the country given you by Yahweh your God.

21 ’You must not plant a sacred pole of any wood whatsoever beside the altar which you erect for Yahweh your God;

22 nor will you set up a standing-stone, a thing Yahweh your God would abhor.’

Chapther 17
1 ’To Yahweh your God you must sacrifice nothing from herd or flock that has any blemish or defect whatsoever, for Yahweh your God holds this detestable.

2 ’If there is anyone, man or woman, among you in any of the towns given you by Yahweh your God, who does what is wrong in the eyes of Yahweh your God by violating his covenant,

3 who goes and serves other gods and worships them, or the sun or the moon or any of heaven’s array — a thing I have forbidden-

4 and this person is denounced to you: if after careful enquiry it is found true and confirmed that this hateful thing has been done in Israel,

5 you must take the man or woman guilty of this evil deed outside your city gates, and there you must stone that man or woman to death.

6 A death sentence may be passed only on the word of two witnesses or three; and no one must be put to death on the word of one witness alone.

7 The witnesses’ hands must strike the first blow in putting the condemned to death, the rest of the people following. You must banish this evil from among you.

8 ’If a case comes before you which is too difficult for you, a case of murder, conflicting claims, damage to property — any kind of dispute — in your towns, you must make your way to the place chosen by Yahweh your God,

9 and approach the levitical priests and the judge then in office. They will hold an enquiry and let you know their sentence.

10 You must abide by the verdict which they give you in this place chosen by Yahweh, and you will take care to carry out all their instructions.

11 You will abide by the decision which they give you and by the sentence which they pronounce, not deviating to right or to left from the verdict which they have given you.

12 If anyone presumes to disobey either the priest who is there in the service of Yahweh your God, or the judge, that person must die. You must banish this evil from Israel.

13 And when the people hear of this they will all be afraid and not act presumptuously any more.

14 ’If, having reached the country given by Yahweh your God and having taken possession of it and, while living there, you think, ”I should like to appoint a king to rule me — like all the surrounding nations,”

15 the king whom you appoint to rule you must be chosen by Yahweh your God; the appointment of a king must be made from your own brothers; on no account must you appoint as king some foreigner who is not a brother of yours.

16 ’He must not, however, acquire more and more horses, or send the people back to Egypt with a view to increasing his cavalry, since Yahweh has told you, ”You must never go back that way again.”

17 Nor must he keep on acquiring more and more wives, for that could lead his heart astray. Nor must he acquire vast quantities of silver and gold.

18 Once seated on his royal throne, and for his own use, he must write a copy of this Law on a scroll, at the dictation of the levitical priests.

19 It must never leave him, and he must read it every day of his life and learn to fear Yahweh his God by keeping all the words of this Law and observing these rules,

20 so that he will not think himself superior to his brothers, and not deviate from these commandments either to right or to left. So doing, long will he occupy his throne, he and his sons, in Israel.’

Chapther 18
1 ’The levitical priests, the whole tribe of Levi will be without share or heritage of their own in Israel; they will live on the foods offered to Yahweh and on his heritage.

2 Levi will have no heritage of his own among his brothers; Yahweh will be his heritage, as he has promised him.

3 ’This is what is due to the priests from the people, from those who offer an ox or a sheep in sacrifice: the priest must be given the shoulder, the cheeks and the stomach.

4 You must give him the first-fruits of your wheat, of your new wine and of your oil, as well as the first-fruits of your sheep-shearing.

5 For Yahweh your God has chosen him from all your tribes to stand before Yahweh your God, to do the duties of the sacred ministry, and to bless in Yahweh’s name — him and his sons for all time.

6 ’If a Levite living in one of your towns anywhere in Israel decides to move to the place chosen by Yahweh,

7 he shall minister there in the name of Yahweh his God like all his fellow Levites who stand ministering there in the presence of Yahweh,

8 eating equal shares with them — what he has from the sale of his patrimony notwithstanding.

9 ’When you have entered the country given you by Yahweh your God, you must not learn to imitate the detestable practices of the nations there already.

10 There must never be anyone among you who makes his son or daughter pass through the fire of sacrifice, who practises divination, who is soothsayer, augur or sorcerer,

11 weaver of spells, consulter of ghosts or mediums, or necromancer.

12 For anyone who does these things is detestable to Yahweh your God; it is because of these detestable practices that Yahweh your God is driving out these nations before you.

13 ’You must be faultless in your relationship with Yahweh your God.

14 For these nations whom you are going to dispossess have listened to soothsayers and mediums, but Yahweh your God does not permit you to do this. From among yourselves, from among your own brothers,

15 Yahweh your God will raise up a prophet like me; you will listen to him.

16 This is exactly what you asked Yahweh your God to do — at Horeb, on the day of the Assembly, when you said, ”Never let me hear the voice of Yahweh my God or see this great fire again, or I shall die.”

17 Then Yahweh said to me,

18 ”What they have said is well said. From their own brothers I shall raise up a prophet like yourself;

19 I shall put my words into his mouth and he will tell them everything I command him. Anyone who refuses to listen to my words, spoken by him in my name, will have to render an account to me.

20 But the prophet who presumes to say something in my name which I have not commanded him to say, or who speaks in the name of other gods, that prophet must die.”

21 ’You may be privately wondering, ”How are we to tell that a prophecy does not come from Yahweh?”

22 When a prophet speaks in the name of Yahweh and the thing does not happen and the word is not fulfilled, then it has not been said by Yahweh. The prophet has spoken presumptuously. You have nothing to fear from him.’

Chapther 19
1 ’When Yahweh your God has annihilated the nations whose country Yahweh your God is going to give you, and you have dispossessed them and are living in their towns and in their houses,

2 you must set aside three towns, centrally placed in the country which Yahweh your God is giving you for your own.

3 You will keep the approaches to them in good order, dividing the area of the country which Yahweh your God is giving you as your heritage, into three parts, so that any killer can flee to these towns.

4 Here is an example of how someone may save his life by fleeing to them. ’If anyone has struck his fellow accidentally, without any previous feud with him

5 (for example, he goes with his fellow into the forest to cut wood; his arm swings the axe to fell a tree; the head slips off the handle and strikes his companion dead), that man may take refuge in one of these towns and save his life.

6 It must not be allowed that the avenger of blood, in the heat of his anger, should pursue the killer and that the length of the road should help him to overtake and wound him fatally; for the man has not deserved to die, having had no previous feud with his victim.

7 ’Hence I am giving you this order: You must set aside three towns,

8 and if Yahweh your God enlarges your territory, as he swore to your ancestors that he would, and gives you the whole country which he promised to give to your ancestors-

9 provided that you keep and observe all the commandments which I am enjoining on you today, loving Yahweh your God and always following his ways-then, to those three towns you will add three more.

10 In this way, innocent blood will not be shed in the country which Yahweh your God is going to give you as your heritage; otherwise you would incur blood-guilt.

11 ’But if it happens that a man has a feud with his fellow and lies in wait for him and attacks him and fatally wounds him and he dies, and the man takes refuge in one of these towns,

12 the elders of his own town must send there and have him taken and handed over to the avenger of blood, to be put to death.

13 You must show him no pity. You must banish the shedding of innocent blood from Israel, and then you will prosper.

14 ’You must not displace your neighbour’s boundary mark, positioned by men of old in the heritage soon to be yours, in the country which Yahweh your God is about to give you.

15 ’A single witness will not suffice to convict anyone of a crime or offence of any kind; whatever the misdemeanour, the evidence of two witnesses or three is required to sustain the charge.

16 ’If someone gives false evidence against anyone, laying a charge of apostasy,

17 both parties to this dispute before Yahweh must appear before the priests and judges then in office.

18 The judges will make a careful enquiry, and if it turns out that the witness is a liar and has made a false accusation against his brother,

19 you must treat the witness as he would have treated his brother. You must banish this evil from among you.

20 The rest, hearing of this, will be afraid and never again do such an evil thing among you.

21 You must show no pity. ’Life for life, eye for eye, tooth for tooth, hand for hand, foot for foot.’

Chapther 20
1 ’When you go to war against your enemies and see horses and chariots and an army greater than your own, you must not be afraid of them; Yahweh your God is with you, he who brought you out of Egypt.

2 When you are about to join battle, the priest must come forward and address the people.

3 He must say to them, ”Listen, Israel: today you are about to join battle with your enemies. Do not be faint hearted. Let there be no fear or trembling or alarm as you face them.

4 Yahweh your God is marching with you, to fight your enemies for you and make you victorious.”

5 ’The scribes will then address the people, as follows: ”Has anyone built a new house and not yet dedicated it? Let him go home, in case he dies in battle and someone else performs the dedication.

6 ”Has anyone planted a vineyard and not yet enjoyed its fruit? Let him go home, in case he dies in battle and someone else enjoys its fruit.

7 ”Has anyone contracted to marry a girl and not yet married her? Let him go home, in case he dies in battle and someone else marries her.”

8 ’Finally, the scribes will say to the people: ”Is anyone frightened or faint hearted? Let him go home, in case he makes his brothers faint hearted too!”

9 ’Then, when the scribes have finished speaking to the people, commanders will be appointed to lead them.

10 ’When you advance on a town to attack it, first offer it peace-terms.

11 If it accepts these and opens its gates to you, all the people inside will owe you forced labour and work for you.

12 But if it refuses peace and gives battle, you must besiege it.

13 Yahweh your God having handed it over to you, you will put the whole male population to the sword.

14 But the women, children, livestock and whatever the town contains by way of spoil, you may take for yourselves as booty. You will feed on the spoils of the enemies whom Yahweh your God has handed over to you.

15 ’That is how you will treat towns far away and not belonging to the nations near you.

16 But as regards the towns of those peoples whom Yahweh your God is giving you as your heritage, you must not spare the life of any living thing.

17 Instead, you must lay them under the curse of destruction: Hittites, Amorites, Canaanites, Perizzites, Hivites and Jebusites, as Yahweh your God has commanded,

18 so that they may not teach you to do all the detestable things which they do to honour their gods: in doing these, you would sin against Yahweh your God.

19 ’If, when attacking a town, you have to besiege it for a long time before you capture it, you must not destroy its trees by taking the axe to them: eat their fruit but do not cut them down. Is the tree in the fields human, that you should besiege it too?

20 Any trees, however, which you know are not fruit trees, you may destroy and cut down and use to build siege-works against the hostile town until it falls.’

Chapther 21
1 ’If, in the country which Yahweh your God gives you as your possession, a victim of murder is found lying in the open country and it is not known who has killed that person,

2 your elders and scribes must measure the distance between the victim and the surrounding towns,

3 and establish which town is the nearest to the victim. The elders of that town must then take a heifer that has not yet been put to work or used as a draught animal under the yoke.

4 The elders of that town must bring the heifer down to a permanently flowing river, to a spot that has been neither ploughed nor sown, and there by the river they must break the heifer’s neck.

5 The priests, the sons of Levi, will then step forward, these being the men whom Yahweh your God has chosen to serve him and to bless in Yahweh’s name, and it being their business to settle all cases of dispute or of violence.

6 All the elders of the town nearest to the victim of murder must then wash their hands in the stream, over the slaughtered heifer.

7 They must pronounce these words, ”Our hands have not shed this blood and our eyes have seen nothing.

8 O Yahweh, forgive your people Israel whom you have redeemed, and let no innocent blood be shed among your people Israel. May this bloodshed be forgiven them!”

9 You must banish all shedding of innocent blood from among you, if you mean to do what is right in the eyes of Yahweh.

10 ’When you go to war against your enemies and Yahweh your God delivers them into your power and you take prisoners,

11 and among the prisoners you see a beautiful woman, and you fall in love with her, and you take her to be your wife

12 and bring her home; she must shave her head and cut her nails,

13 and take off her prisoner’s garb; she must stay inside your house and mourn her father and mother for a full month. You may then go to her and be a husband to her, and she will be your wife.

14 Should she cease to please you, you will let her go where she wishes, not selling her for money: you must not make any profit out of her, since you have exploited her.

15 ’If a man has two wives, one loved and the other unloved, and the loved one and the unloved both bear him children, and if the first-born son is of the unloved wife,

16 when the man comes to bequeath his goods to his sons, he may not treat the son of the wife whom he loves as the first-born, at the expense of the son of the wife whom he does not love, the true first-born.

17 As his first-born he must acknowledge the son of the wife whom he does not love, giving him a double share of his estate; this son being the first-fruit of his vigour, the right of the first-born is his.

18 ’If a man has a stubborn and rebellious son who will not listen to the voice either of his father or of his mother and, even when they punish him, still will not pay attention to them,

19 his father and mother must take hold of him and bring him out to the elders of his town at the gate of that place.

20 To the elders of his town, they will say, ”This son of ours is stubborn and rebellious and will not listen to us; he is a wastrel and a drunkard.”

21 All his fellow-citizens must then stone him to death. You must banish this evil from among you. All Israel, hearing of this, will be afraid.

22 ’If a man guilty of a capital offence is to be put to death, and you hang him from a tree,

23 his body must not remain on the tree overnight; you must bury him the same day, since anyone hanged is a curse of God, and you must not bring pollution on the soil which Yahweh your God is giving you as your heritage.’

Chapther 22
1 ’If you see your brother’s ox or one of his sheep straying, you must not disregard it: you must take it back to your brother.

2 And if he is not close at hand or you do not know who he is, you must take it home with you and keep it by you until your brother comes to look for it; you will then return it to him.

3 ’You must do the same with his donkey, the same with his cloak, the same with anything that your brother loses and that you find; you must not disregard it.

4 ’If you see your brother’s donkey or ox fall over on the road, you must not disregard it, but must help your brother get it on its feet again.

5 ’A woman must not dress like a man, nor a man like a woman; anyone who does this is detestable to Yahweh your God.

6 ’If, when out walking, you come across a bird’s nest, in a tree or on the ground, with chicks or eggs and the mother bird sitting on the chicks or the eggs, you must not take the mother as well as the chicks.

7 Let the mother go; the young you may take for yourself. Thus will you have prosperity and long life.

8 ’When you build a new house, you must give your roof a parapet; then your house will not incur blood-vengeance, should anyone fall off the top.

9 ’You must not sow any other crop in your vineyard, or the whole yield may become forfeit, both the crop you have sown and the yield of your vines.

10 ’You must not plough with ox and donkey together.

11 ’You must not wear clothing woven part of wool, part of linen.

12 ’You must make tassels for the four corners of the cloak in which you wrap yourself.

13 ’If a man marries a woman, has sexual intercourse with her and then, turning against her,

14 taxes her with misconduct and publicly defames her by saying, ”I married this woman and when I had sexual intercourse with her I did not find evidence of her virginity,”

15 the girl’s father and mother must take the evidence of her virginity and produce it before the elders of the town, at the gate.

16 To the elders, the girl’s father will say, ”I gave this man my daughter for a wife and he has turned against her,

17 and now he taxes her with misconduct, saying, I have found no evidence of virginity in your daughter. Here is the evidence of my daughter’s virginity!”

18 They must then display the cloth to the elders of the town.

19 The elders of the town in question will have the man arrested and flogged, and fine him a hundred silver shekels for publicly defaming a virgin of Israel, and give this money to the girl’s father. She will remain his wife; as long as he lives, he may not divorce her.

20 ’But if the accusation that the girl cannot show evidence of virginity is substantiated,

21 she must be taken out, and at the door of her father’s house her fellow-citizens must stone her to death for having committed an infamy in Israel by bringing disgrace on her father’s family. You must banish this evil from among you.

22 ’If a man is caught having sexual intercourse with another man’s wife, both must be put to death: the man who has slept with her and the woman herself. You must banish this evil from Israel.

23 ’If a virgin is engaged to a man, and another man encounters her in the town and has sexual intercourse with her,

24 you will take them both to the gate of the town in question and stone them to death: the girl, for not having called for help in the town; the man, for having exploited his fellow-citizen’s wife. You must banish this evil from among you.

25 But if the man ran into the betrothed girl in the open country and slept with her, having taken her by force, her ravisher alone must die;

26 you must do nothing to the girl, she has not committed a capital offence. The case is like that of a man who attacks and kills his fellow:

27 since he came across her in the open country, the betrothed girl may have called out, without anyone’s coming to her rescue.

28 ’If a man meets a young virgin who is not betrothed and seizes her, sleeps with her and is caught in the act,

29 her ravisher must give the girl’s father fifty silver shekels; since he has exploited her, she must be his wife and, as long as he lives, he may not divorce her.’

Chapther 23
1 ’A man must not take his father’s wife; he must not withdraw the skirt of his father’s cloak from her.

2 ’A man whose testicles have been crushed or whose male member has been cut off must not be admitted to the assembly of Yahweh.

3 No half-breed may be admitted to the assembly of Yahweh; not even his descendants to the tenth generation may be admitted to the assembly of Yahweh.

4 No Ammonite or Moabite may be admitted to the assembly of Yahweh; not even his descendants to the tenth generation may be admitted to the assembly of Yahweh, and this is for all time;

5 since they did not come to meet you with food and drink when you were on your way out of Egypt, and even hired Balaam son of Beor to oppose you by cursing you, from Pethor in Aram Naharaim.

6 But Yahweh your God refused to listen to Balaam, and Yahweh your God turned the curse on you into a blessing, because Yahweh your God loved you.

7 Never, as long as you live, must you seek their welfare or their prosperity.

8 ’You must not regard the Edomite as detestable, for he is your brother; you must not regard the Egyptian as detestable, since you were once a foreigner in his country.

9 The third generation of children born to these may be admitted to the assembly of Yahweh.

10 ’When you are in camp, at war with your enemies, you must avoid anything bad.

11 If any one of you is unclean by reason of a nocturnal emission, he must leave and not come back into camp,

12 but towards evening wash himself, and return to camp at sunset.

13 ’You must have a latrine outside the camp, and go out to this;

14 you must have a trowel in your equipment and, when you squat outside, you must scrape a hole with it, then turn round and cover up your excrement.

15 For Yahweh your God goes about the inside of your camp to guard you and put your enemies at your mercy. Your camp must therefore be a holy place; Yahweh must not see anything indecent there or he will desert you.

16 ’You must not allow a master to imprison a slave who has escaped from him and come to you.

17 Let him make his home with you and yours, wherever he pleases in whichever of your towns he prefers; you must not molest him.

18 ’There must be no sacred prostitute among the women of Israel, and no sacred prostitute among the men of Israel.

19 You must not bring the wages of a prostitute or the earnings of a ’dog’ to the house of Yahweh your God, whatever vow you may have made: both are detestable to Yahweh your God.

20 ’You must not lend on interest to your brother, whether the loan be of money, of food, or of anything else that may earn interest.

21 You may demand interest on a loan to a foreigner, but you must not demand interest from your brother; so that Yahweh your God may bless you in all your labours, in the country which you are about to enter and make your own.

22 ’If you make a vow to Yahweh your God, you must not be slack about fulfilling it: Yahweh your God will certainly hold you answerable for it and you will incur guilt.

23 If, however, you make no vow, you do not incur guilt.

24 Whatever passes your lips you must keep to, and the vow that you have made to Yahweh, your generous God, you must fulfil.

25 ’If you go into your neighbour’s vineyard, you may eat as many grapes as you please, but you must not put any in your basket.

26 If you go into your neighbour’s standing corn, you may pick ears by hand, but you must not put a sickle into your neighbour’s corn.’

Chapther 24
1 ’Suppose a man has taken a wife and consummated the marriage; but she has not pleased him and he has found some impropriety of which to accuse her; he has therefore made out a writ of divorce for her and handed it to her and then dismissed her from his house;

2 she leaves his home and goes away to become the wife of another man.

3 Then suppose this second man who has married her takes a dislike to her and makes out a writ of divorce for her and hands it to her and dismisses her from his house or if this other man who took her as his wife dies,

4 her first husband, who has repudiated her, may not take her back as his wife now that she has been made unclean in this way. For that is detestable in Yahweh’s eyes and you must not bring guilt on the country which Yahweh your God is giving you as your heritage.

5 ’If a man is newly married, he must not join the army, nor must he be pestered at home; he must be left at home, free of all obligations for one year, to make his new wife happy.

6 ’No one may take a mill or a millstone in pledge; that would be to take life itself in pledge.

7 ’If anyone is caught, having kidnapped one of his brother-Israelites, whether he makes him his slave or sells him, that thief must die. You must banish this evil from among you.

8 ’In a case of a virulent skin-disease, take care you faithfully observe and exactly carry out everything that the levitical priests direct you to do. You must keep and observe everything that I have commanded them.

9 Remember what Yahweh your God did to Miriam when you were on your way out of Egypt.

10 ’If you are making your brother a loan on pledge, you must not go into his house and seize the pledge, whatever it may be.

11 You must stay outside, and the man to whom you are making the loan must bring the pledge out to you.

12 And if the man is poor, you must not go to bed with his pledge in your possession;

13 you must return it to him at sunset so that he can sleep in his cloak and bless you; and it will be an upright action on your part in God’s view.

14 ’You must not exploit a poor and needy wage-earner, be he one of your brothers or a foreigner resident in your community.

15 You must pay him his wages each day, not allowing the sun to set before you do, since he, being poor, needs them badly; otherwise he may appeal to Yahweh against you, and you would incur guilt.

16 ’Parents may not be put to death for their children, nor children for parents, but each must be put to death for his own crime.

17 ’You must not infringe the rights of the foreigner or the orphan; you must not take a widow’s clothes in pledge.

18 Remember that you were once a slave in Egypt and that Yahweh your God redeemed you from that. That is why I am giving you this order.

19 ’If, when reaping the harvest in your field, you overlook a sheaf in that field, do not go back for it. The foreigner, the orphan and the widow shall have it, so that Yahweh your God may bless you in all your undertakings.

20 ’When you beat your olive tree, you must not go over the branches twice. The foreigner, the orphan and the widow shall have the rest.

21 ’When you harvest your vineyard, you must not pick it over a second time. The foreigner, the orphan and the widow shall have the rest.

22 ’Remember that you were once a slave in Egypt. That is why I am giving you this order.’

Chapther 25
1 ’If people fall out, they must go to court for judgement; the judges must declare the one who is right to be in the right, the one who is wrong to be in the wrong.

2 If the one who is in the wrong deserves a flogging, the judge must have him laid on the ground and flogged in his presence, the number of strokes proportionate to his offence.

3 He may impose forty strokes but no more; otherwise, by the infliction of more, serious injury may be caused and your brother be humiliated before you.

4 ’You must not muzzle an ox when it is treading out the corn.

5 ’If brothers live together and one of them dies childless, the dead man’s wife may not marry a stranger outside the family. Her husband’s brother must come to her and, exercising his duty as brother, make her his wife,

6 and the first son she bears must assume the dead brother’s name; by this means his name will not be obliterated from Israel.

7 But if the man declines to take his brother’s wife, she must go to the elders at the gate and say, ”I have no brother-in-law willing to perpetuate his brother’s name in Israel; he declines to exercise his duty as brother in my favour.”

8 The elders of the town must summon the man and talk to him. If, on appearing before them, he says, ”I refuse to take her,”

9 then the woman to whom he owes duty as brother must go up to him in the presence of the elders, take the sandal off his foot, spit in his face, and pronounce the following words, ”This is what is done to the man who refuses to restore his brother’s house,”

10 and his family must henceforth be known in Israel as House of the Unshod.

11 ’If, when two men are fighting, the wife of one intervenes to protect her husband from the other’s blows by reaching out and seizing the other by his private parts,

12 you must cut off her hand and show no pity.

13 ’You must not keep two different weights in your bag, one heavy, one light.

14 You must not keep two different measures in your house, one large, one small.

15 You must keep one weight, full and accurate, so that you may have long life in the country given you by Yahweh your God.

16 For anyone who does things of this kind and acts dishonestly is detestable to Yahweh your God.

17 ’Remember how Amalek treated you when you were on your way out of Egypt.

18 He met you on your way and, after you had gone by, he fell on you from the rear and cut off the stragglers; when you were faint and weary, he had no fear of God.

19 When Yahweh your God has granted you peace from all the enemies surrounding you, in the country given you by Yahweh your God to own as your heritage, you must blot out the memory of Amalek under heaven. Do not forget.’

Chapther 26
1 ’When you have entered the country which Yahweh your God is giving you as heritage, when you have taken possession of it and are living in it,

2 you must set aside the first-fruits of all the produce of the soil raised by you in your country, given you by Yahweh your God. You must put these in a basket and go to the place where Yahweh your God chooses to give his name a home.

3 You will go to the priest then in office and say to him, ”Today I declare to Yahweh my God that I have reached the country which Yahweh swore to our ancestors that he would give us.”

4 ’The priest will then take the basket from your hand and lay it before the altar of Yahweh your God.

5 In the presence of Yahweh your God, you will then pronounce these words: ”My father was a wandering Aramaean, who went down to Egypt with a small group of men, and stayed there, until he there became a great, powerful and numerous nation.

6 The Egyptians ill-treated us, they oppressed us and inflicted harsh slavery on us.

7 But we called on Yahweh, God of our ancestors. Yahweh heard our voice and saw our misery, our toil and our oppression;

8 and Yahweh brought us out of Egypt with mighty hand and outstretched arm, with great terror, and with signs and wonders.

9 He brought us here and has given us this country, a country flowing with milk and honey.

10 Hence, I now bring the first-fruits of the soil that you, Yahweh, have given me.” ’You will then lay them before Yahweh your God, and prostrate yourself in the presence of Yahweh your God.

11 You must then rejoice in all the good things that Yahweh your God has bestowed on you and your family-you, the Levite and the foreigner living with you.

12 ’In the third year, the tithing year, when you have finished taking the tithe of your whole income and have given it to the Levite, the foreigner, the orphan and the widow so that, in your towns, they may eat to their heart’s content,

13 in the presence of Yahweh your God, you must say: ”I have cleared my house of what was consecrated. Yes, I have given it to the Levite, the foreigner, the orphan and the widow, in accordance with all the commandments you have imposed on me, neither going beyond your commandments nor neglecting them.

14 When in mourning, I have not eaten any of it; when unclean, I have taken none of it away; I have given none of it for the dead. I have obeyed the voice of Yahweh my God and I have behaved in every way as you have commanded me.

15 Look down from your holy dwelling, from heaven, and bless your people Israel and the country which you have given us, as you swore to our ancestors, a country flowing with milk and honey.” ’

16 ’Yahweh your God commands you today to observe these laws and customs; you must keep and observe them with all your heart and with all your soul.

17 ’Today you have obtained this declaration from Yahweh: that he will be your God, but only if you follow his ways, keep his statutes, his commandments, his customs, and listen to his voice.

18 And today Yahweh has obtained this declaration from you: that you will be his own people — as he has said — but only if you keep all his commandments;

19 then for praise and renown and honour, he will raise you higher than every other nation he has made, and you will be a people consecrated to Yahweh, as he has promised.’

Chapther 27
1 Moses and the elders of Israel gave the people this command: ’Keep all the commandments which I am laying down for you today.

2 After you have crossed the Jordan into the country which Yahweh your God is giving you, you must set up tall stones, coat them with lime

3 and on them write all the words of this Law, when you have crossed and entered the country which Yahweh your God is giving you, a country flowing with milk and honey, as Yahweh, God of your ancestors, has promised you.

4 ’When you have crossed the Jordan, you must erect these stones on Mount Ebal, as I command you today, and coat them with lime.

5 There, for Yahweh your God, you must build an altar of stones, on which no iron has been used.

6 You must build the altar of Yahweh your God of rough stones, and on this altar you will present burnt offerings to Yahweh your God,

7 and immolate communion sacrifices and eat them there, rejoicing in the presence of Yahweh your God.

8 On these stones you must write all the words of this Law; cut them carefully.’

9 Moses and the levitical priests then said to all Israel: ’Be silent, Israel, and listen. Today you have become a people for Yahweh your God.

10 You must listen to the voice of Yahweh your God and observe the commandments and laws which I am laying down for you today.’

11 That day Moses gave the people this order:

12 ’When you have crossed the Jordan, the following will stand on Mount Gerizim to bless the people: Simeon and Levi, Judah and Issachar, Joseph and Benjamin.

13 And the following will stand on Mount Ebal for the curse: Reuben, Gad and Asher, Zebulun, Dan and Naphtali.

14 The Levites will then speak, proclaiming loudly to all the Israelites:

15 ”Accursed be anyone who makes a carved or cast idol, a thing detestable to Yahweh, a workman’s artefact, and sets it up in secret.” And the people are all to respond by saying, Amen.

16 ”Accursed be anyone who treats father or mother dishonourably.” And the people must all say, Amen.

17 ”Accursed be anyone who displaces a neighbour’s boundary mark.” And the people must all say, Amen.

18 ”Accursed be anyone who leads the blind astray on the road.” And the people must all say, Amen.

19 ”Accursed be anyone who violates the rights of the foreigner, the orphan and the widow.” And the people must all say, Amen.

20 ”Accursed be anyone who has sexual intercourse with his father’s wife and withdraws the skirt of his father’s cloak from her.” And the people must all say, Amen.

21 ”Accursed be anyone who has sexual intercourse with any kind of animal.” And the people must all say, Amen.

22 ”Accursed be anyone who has sexual intercourse with his sister, the daughter of his father or of his mother.” And the people must all say, Amen.

23 ”Accursed be anyone who has sexual intercourse with his mother-in-law.” And the people must all say, Amen.

24 ”Accursed be anyone who secretly strikes down his neighbour.” And the people must all say, Amen.

25 ”Accursed be anyone who accepts a bribe to take an innocent life.” And the people must all say, Amen.

26 ”Accursed be anyone who does not make the words of this Law effective by putting them into practice.” And the people must all say, Amen.’

Chapther 28
1 ’But if you faithfully obey the voice of Yahweh your God, by keeping and observing all his commandments, which I am laying down for you today, Yahweh your God will raise you higher than every other nation in the world,

2 and all these blessings will befall and overtake you, for having obeyed the voice of Yahweh your God.

3 ’You will be blessed in the town and blessed in the countryside;

4 blessed, the offspring of your body, the yield of your soil, the yield of your livestock, the young of your cattle and the increase of your flocks;

5 blessed, your basket and your kneading trough.

6 You will be blessed in coming home, and blessed in going out.

7 The enemies who attack you, Yahweh will defeat before your eyes; they will advance on you from one direction and flee from you in seven.

8 Yahweh will command blessedness to be with you, on your barns and on all your undertakings, and he will bless you in the country given you by Yahweh your God.

9 ’From you Yahweh will make a people consecrated to himself, as he has sworn to you, if you keep the commandments of Yahweh your God and follow his ways.

10 The peoples of the world, seeing that you bear Yahweh’s name, will all be afraid of you.

11 Yahweh will make you abound in possessions: in the offspring of your body, in the yield of your cattle and in the yield of your soil, in the country which he swore to your ancestors that he would give you.

12 For you Yahweh will open his treasury of rain, the heavens, to give your country its rain at the right time, and to bless all your labours. You will make many nations your subjects, yet you will be subject to none.

13 Yahweh will put you at the head, not at the tail; you will always be on top and never underneath, if you listen to the commandments of Yahweh your God, which I am laying down for you today, and then keep them and put them into practice,

14 not deviating to right or to left from any of the words which I am laying down for you today, by following other gods and serving them.

15 ’But if you do not obey the voice of Yahweh your God, and do not keep and observe all his commandments and laws which I am laying down for you today then all these curses will befall and overtake you.

16 ’You will be accursed in the town and accursed in the countryside;

17 accursed, your basket and your kneading trough;

18 accursed, the offspring of your body, the yield of your soil, the young of your cattle and the increase of your flock.

19 You will be accursed in coming home, and accursed in going out.

20 ’Yahweh will send a curse on you, a spell, an imprecation on all your labours until you have been destroyed and quickly perish, because of your perverse behaviour, for having deserted me.

21 Yahweh will fasten the plague on you, until it has exterminated you from the country which you are about to enter and make your own.

22 Yahweh will strike you down with consumption, fever, inflammation, burning fever, drought, wind-blast, mildew, and these will pursue you to your ruin.

23 The heavens above you will be brass, the earth beneath you iron.

24 Your country’s rain Yahweh will turn into dust and sand; it will fall on you from the heavens until you perish.

25 Yahweh will have you defeated by your enemies; you will advance on them from one direction and flee from them in seven; and you will be a terrifying object-lesson to all the kingdoms of the world.

26 Your carcase will be carrion for all wild birds and all wild animals, with no one to scare them away.

27 ’Yahweh will strike you down with Egyptian ulcers, with swellings in the groin, with scurvy and the itch, for which you will find no cure.

28 Yahweh will strike you down with madness, blindness, distraction of mind,

29 until you grope your way at noon like a blind man groping in the dark, and your steps will lead you nowhere. ’You will never be anything but exploited and plundered, with no one to save you.

30 Get engaged to a woman, another man will have her; build a house, you will not live in it; plant a vineyard, you will not gather its first-fruits.

31 Your ox will be slaughtered before your eyes and you will eat none of it; your donkey will be carried off in front of you and not be returned to you; your sheep will be given to your enemies, and no one will come to your help.

32 Your sons and daughters will be handed over to another people, and every day you will wear your eyes out watching for them, while your hands are powerless.

33 A nation hitherto unknown to you will eat the yield of your soil and of all your hard work. You will never be anything but exploited and crushed.

34 You will be driven mad by the sights you will see.

35 Yahweh will strike you down with foul ulcers on knee and leg, for which you will find no cure — from the sole of your foot to the top of your head.

36 ’Yahweh will send away both you and the king whom you have appointed to rule you to a nation unknown either to you or to your ancestors, and there you will serve other gods, made of wood and stone.

37 And you will be the astonishment, the byword, the laughing-stock of all the peoples where Yahweh is taking you.

38 ’You will cast seed in plenty on the fields but harvest little, since the locust will devour it.

39 You will plant and till your vineyards but not drink the wine or gather the grapes, since the grub will eat them up.

40 You will grow olive trees throughout your territory but not anoint yourself with the oil, since your olive trees will be cut down.

41 You will father sons and daughters but they will not belong to you, since they will go into captivity.

42 All your trees and the whole yield of your soil will be the prey of insects.

43 ’The foreigners living with you will rise higher and higher at your expense, while you yourself sink lower and lower.

44 You will be subject to them, not they to you; they will be the ones at the head, and you the one at the tail.

45 ’All these curses will befall you, pursue you and overtake you until you have been destroyed, for not having obeyed the voice of Yahweh your God by keeping his commandments and laws which he has laid down for you.

46 They will be a sign and a wonder over you and your descendants for ever.

47 ’For not having joyfully and with happy heart served Yahweh your God, despite the abundance of everything,

48 you will have to serve the enemy whom Yahweh will send against you, in hunger, thirst, lack of clothing and total privation. He will put an iron yoke on your neck, until he has destroyed you.

49 ’Against you Yahweh will raise a distant nation from the ends of the earth like an eagle taking wing: a nation whose language you do not understand,

50 a nation grim of face, with neither respect for the old, nor pity for the young.

51 He will eat the yield of your cattle and the yield of your soil until you have been destroyed; he will leave you neither wheat, nor wine, nor oil, nor the young of your cattle, nor increase of your flock, until he has made an end of you.

52 He will besiege you inside all your towns until your loftiest and most strongly fortified walls collapse, on which, throughout your country, you have relied. He will besiege you inside all the towns throughout your country, given you by Yahweh your God.

53 During the siege and in the distress to which your enemy will reduce you, you will eat the offspring of your own body, the flesh of the sons and daughters given you by Yahweh your God.

54 The gentlest and tenderest of your men will scowl at his brother, and at the wife whom he embraces, and at his remaining children,

55 not willing to give any of them any of his own children’s flesh, which he is eating; because of the siege and the distress to which your enemy will reduce you in all your towns, he will have nothing left.

56 The most refined and fastidious of your women, so refined, so fastidious that she has never ventured to set the sole of her foot to the ground, will scowl at the husband whom she embraces, and at her son and daughter, and at the after-birth when it leaves her womb, and at the child to which she has given birth-

57 she will hide away and eat them, so complete will be the starvation resulting from the siege and the distress to which your enemy will reduce you in all your towns.

58 ’If you do not keep and observe all the words of this Law, which are written in this book, in the fear of this glorious and awe-inspiring name: Yahweh your God,

59 Yahweh will strike you down with monstrous plagues, you and your descendants: with plagues grievous and lasting, diseases pernicious and enduring.

60 He will afflict you with all the maladies of Egypt which you used to dread, and they will fasten on you.

61 What is more, Yahweh will afflict you with all the plagues and all the diseases not mentioned in the book of this Law, until you have been destroyed.

62 There will only be a small group of you left, you who were once as numerous as the stars of heaven. ’For not having obeyed the voice of Yahweh your God,

63 just as Yahweh used to delight in making you happy and in making your numbers grow, so will he take delight in ruining you and destroying you. You will be torn from the country which you are about to enter and make your own.

64 Yahweh will scatter you throughout every people, from one end of the earth to the other; there you will serve other gods made of wood and stone, hitherto unknown either to you or to your ancestors.

65 Among these nations there will be no repose for you, no rest for the sole of your foot; there Yahweh will give you a quaking heart, weary eyes, halting breath.

66 Your life ahead of you will hang in doubt; you will be afraid day and night, uncertain of your life.

67 In the morning you will say, ”How I wish it were evening!”, and in the evening you will say, ”How I wish it were morning!”, such terror will grip your heart and such sights you will see!

68 Yahweh will send you back to Egypt, either by ship or by a road which I promised you would never see again. And there you will want to offer yourselves for sale to your enemies as serving men and women, but no one will buy you.’

69 These are the words of the covenant which Yahweh ordered Moses to make with the Israelites in Moab, in addition to the covenant which he had made with them at Horeb.

Chapther 29
1 Moses called all Israel together and said to them: ’You have seen everything that Yahweh did before your eyes in Egypt, to Pharaoh, to his servants and to his whole country-

2 the great ordeals which you yourselves witnessed, those signs and the great wonders.

3 But until today Yahweh has not given you a heart to understand, eyes to see, or ears to hear.

4 ’I have been leading you for forty years in the desert, yet the clothes which you have been wearing have not worn out, nor have the sandals on your feet.

5 You have had no bread to eat, you have had no wine or fermented liquor to drink, so that you would learn that I, Yahweh, am your God.

6 ’When you reached this place, Sihon king of Heshbon and Og king of Bashan came out to do battle against us; we defeated them.

7 We conquered their country and gave it as heritage to Reuben, Gad and the half-tribe of Manasseh.

8 ’Keep the words of this covenant, put them into practice, and you will thrive in everything you do.

9 ’All of you are standing here today in the presence of Yahweh your God: your tribal leaders, your elders, your scribes, all the men of Israel,

10 with your children and your wives (and the foreigner too who is in your camp, be he your wood-cutter or your water-carrier),

11 and you are about to pass into the covenant of Yahweh your God, sworn with imprecation, which he has made with you today,

12 and by which, today, he makes you a nation for himself and he himself becomes a God to you, as he has promised you, and as he swore to your ancestors Abraham, Isaac and Jacob.

13 Not only on your behalf am I today making this covenant and pronouncing this solemn curse,

14 not only on behalf of those standing here with us in the presence of Yahweh our God today, but also on behalf of those not here with us today.

15 ’Yes, you know the people with whom we used to live in Egypt, and those through whose countries we have travelled — the nations through whom we have passed.

16 You have seen their abominations and their idols made of wood and stone, silver and gold, which were there.

17 ’Let there be no man or woman of you, no clan or tribe, whose heart turns away from Yahweh your God today, to go and serve the gods of these nations. Among you let there be no root which bears poison or wormwood.

18 If, after hearing this imprecation, anyone, blessing himself, should say in his heart, ”I shall do well enough if I follow the dictates of my heart; much water drives away thirst,”

19 Yahweh will not pardon him. The wrath and jealousy of Yahweh will blaze against such a person; every curse written in this book will fall on him, and Yahweh will blot his name out under heaven.

20 Yahweh will single him out of all the tribes of Israel for misfortune, in accordance with all the curses of the covenant written in the book of this Law.

21 ’The future generation, that of your children coming after you, and the foreigner arriving from some far-away land, on seeing the plagues and diseases inflicted on this country by Yahweh, will exclaim,

22 ”Sulphur! Salt!-The whole country is burning! No one will sow, nothing grow, no vegetation spring ever again! Devastation like that of Sodom and Gomorrah, Admah and Zeboiim, devastated by Yahweh in his furious wrath!”

23 And all the nations will exclaim, ”Why has Yahweh treated this country like this? Why this great blaze of anger?”

24 ’And people will say, ”Because they deserted the covenant of Yahweh, God of their ancestors, the covenant which he made with them when he brought them out of Egypt;

25 because they went and served other gods and worshipped them, gods hitherto unknown to them, gods that were no part of their heritage from him:

26 this is why Yahweh’s anger has blazed against this country, afflicting it with all the curses written in this book.

27 In anger, in fury, in fierce wrath, Yahweh has torn them from their own country and flung them into another country, where they are today.”

28 Things hidden belong to Yahweh our God, but things revealed are ours and our children’s for ever, so that we can put all the words of this Law into practice.’

Chapther 30
1 ’And when all these words have come true for you — the blessing and the curse, which I have offered you — if you meditate on them in your heart wherever among the nations Yahweh your God has driven you,

2 if you return to Yahweh your God, if with all your heart and with all your soul you obey his voice, you and your children, in everything that I am laying down for you today,

3 then Yahweh your God will bring back your captives, he will have pity on you and gather you back from all the peoples among whom Yahweh your God has scattered you.

4 Should you have been banished to the very sky’s end, Yahweh your God will gather you again even from there, will come there to reclaim you

5 and bring you back to the country which belonged to your ancestors, so that you may possess it in your turn, and be made prosperous there and more numerous than your ancestors.

6 ’Yahweh your God will circumcise your heart and the heart of your descendants, so that you will love Yahweh your God with all your heart and soul, and so will live.

7 Yahweh your God will make all these curses recoil on your foes and on your enemies who have persecuted you.

8 And once again you will obey the voice of Yahweh your God and you will put all his commandments into practice, which I am laying down for you today.

9 Yahweh your God will make you prosper in all your labours, in the offspring of your body, in the yield of your cattle and in the yield of your soil. For once again Yahweh will delight in your prosperity as he used to take delight in the prosperity of your ancestors,

10 if you obey the voice of Yahweh your God, by keeping his commandments and decrees written in the book of this Law, and if you return to Yahweh your God with all your heart and soul.

11 ’For this Law which I am laying down for you today is neither obscure for you nor beyond your reach.

12 It is not in heaven, so that you need to wonder, ”Who will go up to heaven for us and bring it down to us, so that we can hear and practise it?”

13 Nor is it beyond the seas, so that you need to wonder, ”Who will cross the seas for us and bring it back to us, so that we can hear and practise it?”

14 No, the word is very near to you, it is in your mouth and in your heart for you to put into practice.

15 ’Look, today I am offering you life and prosperity, death and disaster.

16 If you obey the commandments of Yahweh your God, which I am laying down for you today, if you love Yahweh your God and follow his ways, if you keep his commandments, his laws and his customs, you will live and grow numerous, and Yahweh your God will bless you in the country which you are about to enter and make your own.

17 But if your heart turns away, if you refuse to listen, if you let yourself be drawn into worshipping other gods and serving them,

18 I tell you today, you will most certainly perish; you will not live for long in the country which you are crossing the Jordan to enter and possess.

19 Today, I call heaven and earth to witness against you: I am offering you life or death, blessing or curse. Choose life, then, so that you and your descendants may live,

20 in the love of Yahweh your God, obeying his voice, holding fast to him; for in this your life consists, and on this depends the length of time that you stay in the country which Yahweh swore to your ancestors Abraham, Isaac and Jacob that he would give them.’

Chapther 31
1 Moses went and spoke to all Israel as follows,

2 ’Today, I am one hundred and twenty years old, and can no longer act as leader. Yahweh has told me, ”You shall not cross this Jordan.”

3 Yahweh your God himself will lead you across, he himself will destroy and dispossess these nations confronting you; Joshua too will lead you across, as Yahweh has said.

4 Yahweh will treat them as he has treated Sihon and Og the Amorite kings and their country — he destroyed them.

5 Yahweh will put them at your mercy, and you will deal with them exactly as prescribed by the commandments which I have laid down for you.

6 Be strong, stand firm, have no fear, do not be afraid of them, for Yahweh your God is going with you; he will not fail you or desert you.’

7 Moses then summoned Joshua and, in the presence of all Israel, said to him, ’Be strong, stand firm; you will be the one to go with this people into the country which Yahweh has sworn to their ancestors that he would give them; you are to be the one who puts them into possession of it.

8 Yahweh himself will lead you; he will be with you; he will not fail you or desert you. Have no fear, do not be alarmed.’

9 Moses committed this Law to writing and gave it to the priests, the sons of Levi, who carried the ark of Yahweh’s covenant, and to all the elders of Israel.

10 And Moses gave them this command, ’At the end of every seven years, at the time fixed for the year of remission, at the feast of Shelters,

11 when all Israel assembles in the presence of Yahweh your God in the place chosen by him, you must proclaim this Law in the hearing of all Israel.

12 Call the people together, men, women, children, and the foreigner residing with you, so that, hearing it, they may learn to fear Yahweh your God and keep and observe all the words of this Law.

13 Their children, who as yet do not know it, will hear it and learn to fear Yahweh your God, all the time you live in the country which you are crossing the Jordan to possess.’

14 Yahweh said to Moses, ’And now the time is near when you must die. Summon Joshua and take your places at the Tent of Meeting, so that I can give him his orders.’ Moses and Joshua went and took their places at the Tent of Meeting,

15 and Yahweh showed himself at the Tent in a pillar of cloud; the pillar of cloud stood at the door of the Tent.

16 Yahweh said to Moses, ’You will soon be sleeping with your ancestors, and this people is about to play the harlot by following the gods of the foreigners of the country, among whom they are going to live. They will desert me and break my covenant, which I have made with them.

17 That very day, my anger will blaze against them; I shall desert them and hide my face from them. A host of disasters and misfortunes will overtake them to devour them, and when that day comes they will say, ”If such disasters overtake me, surely Yahweh my God cannot be with me?”

18 Yes indeed, I shall hide my face that day, on account of all the evil which they will have done by turning to other gods.

19 ’Now write down this song for you to use; teach it to the Israelites, put it into their mouths, for it to be a witness on my behalf against the Israelites:

20 against Israel, whom I am bringing into the country which I swore to his ancestors that I would give him, a country flowing with milk and honey: against Israel, who will eat to his heart’s content and grow fat, and will then turn to other gods and serve them, despising me and breaking my covenant.

21 When a host of disasters and misfortunes overtakes him, this song, like a witness, will give evidence against him, since his descendants will not have forgotten it. Yes, even today, before I have brought him to the country which I have promised him on oath, I know what plans he has in mind.’

22 So, that day, Moses wrote out this song and taught it to the Israelites.

23 To Joshua son of Nun, Yahweh gave this order, ’Be strong and stand firm, for you are to be the one to bring the Israelites into the country which I have promised them on oath, and I myself shall be with you.’

24 When Moses had completely finished writing the words of this Law in a book,

25 he gave this command to the Levites who carried the ark of Yahweh’s covenant:

26 ’Take the book of this Law and put it beside the ark of the covenant of Yahweh your God. Let it lie there as evidence against you.

27 For I know how rebellious and stiff-necked you are. If today, while I am still alive and with you, you rebel against Yahweh, how much more will you rebel against him after my death!

28 ’Gather all your tribal elders and scribes round me, so that I may be sure that they hear these words, as I call heaven and earth to witness against them.

29 For I know that after my death you are certain to grow corrupt; you will leave the way which I have marked out for you; in the final days disaster will befall you for having done what is evil in Yahweh’s eyes, for having provoked his anger by your behaviour.’

30 In the hearing of the whole assembly of Israel, Moses then recited the words of this song to the end:

Chapther 32
1 Listen, heavens, while I speak; hear, earth, the words that I shall say!

2 May my teaching fall like the rain, may my word drop down like the dew, like showers on the grass, like light rain on the turf!

3 For I shall proclaim the name of Yahweh. Oh, tell the greatness of our God!

4 He is the Rock, his work is perfect, for all his ways are equitable. A trustworthy God who does no wrong, he is the Honest, the Upright One!

5 They have acted perversely, those he fathered without blemish, a deceitful and underhand brood.

6 Is this the return you make to Yahweh? O people brainless and unwise! Is this not your father, who gave you being, who made you, by whom you subsist?

7 Think back on the days of old, think over the years, down the ages. Question your father, let him explain to you, your elders, and let them tell you!

8 When the Most High gave the nations each their heritage, when he partitioned out the human race, he assigned the boundaries of nations according to the number of the children of God,

9 but Yahweh’s portion was his people, Jacob was to be the measure of his inheritance.

10 In the desert he finds him, in the howling expanses of the wastelands. He protects him, rears him, guards him as the pupil of his eye.

11 Like an eagle watching its nest, hovering over its young, he spreads out his wings to hold him, he supports him on his pinions.

12 Yahweh alone is his guide; no alien god for him!

13 He gives him the heights of the land to ride, he feeds him on the yield of the mountains, he gives him honey from the rock to taste, and oil from the flinty crag;

14 curds from the cattle, milk from the flock, and the richness of the pasture, rams of Bashan’s breed, and goats, the richness of the wheat kernel; the fermented blood of the grape for drink.

15 Jacob has eaten to his heart’s content, Jeshurun, grown fat, has now lashed out. (You have grown fat, gross, bloated.) He has disowned the God who made him, and dishonoured the Rock, his salvation,

16 whose jealousy they aroused with foreigners — with things detestable they angered him.

17 They sacrificed to demons who are not God, to gods hitherto unknown to them, to newcomers of yesterday whom their ancestors had never respected.

18 (You forget the Rock who fathered you, the God who made you, you no longer remember.)

19 Yahweh saw it and, in anger, he spurned his sons and daughters.

20 ’I shall hide my face from them,’ he said, ’and see what will become of them. For they are a deceitful brood, children with no loyalty in them.

21 They have roused me to jealousy with a non-god, they have exasperated me with their idols. In my turn I shall rouse them to jealousy with a non-people, I shall exasperate them with a stupid nation.

22 Yes, a fire has blazed from my anger, it will burn right down to the depths of Sheol; it will devour the earth and all its produce, it will set fire to the footings of the mountains.

23 I shall hurl disasters on them, on them I shall use up all my arrows.

24 They will be weakened by hunger, eaten away by plague and the bitter scourge. Against them I shall send the fang of wild animals and the poison of snakes that glide in the dust.

25 Outside, the sword bereaves, while inside terror will reign. Young man and girl alike will perish, suckling and greybeard both together.

26 I should crush them to dust, I said, I should wipe out all memory of them,

27 did I not fear the boasting of the enemy.’ But do not let their foes be mistaken! Do not let them say, ’We have got the upper hand and Yahweh plays no part in this.’

28 What a short-sighted nation this is, how thoroughly imperceptive!

29 Were they wise, they would succeed, they would be able to read their destiny.

30 How else could one man rout a thousand, how could two put ten thousand to flight, were it not that their Rock has sold them, that Yahweh has delivered them up?

31 But their rock is not like our Rock; our enemies cannot pray for us!

32 For their vine springs from the stock of Sodom and from the groves of Gomorrah: their grapes are poisonous grapes, their clusters are bitter;

33 their wine is snakes’ poison, the vipers’ cruel venom.

34 But he, is he not safe with me, sealed inside my treasury?

35 Vengeance is mine, I will pay them back, for the time when they make a false step. For the day of their ruin is close, doom is rushing towards them, for he will see to it that their power fails. that neither serf nor free man remains.

36 (For Yahweh will see his people righted, he will take pity on his servants.)

37 ’Where are their gods then?’ he will ask, ’the rock where they sought refuge,

38 who ate the fat of their sacrifices and drank the wine of their libations?’ Let these arise and help you, let these be the shelter above you!

39 See now that I, I am he, and beside me there is no other god. It is I who deal death and life; when I have struck, it is I who heal (no one can rescue anyone from me).

40 Yes, I raise my hand to heaven, and I say, ’As surely as I live for ever,

41 When I have whetted my flashing sword, I shall enforce justice, I shall return vengeance to my foes, I shall take vengeance on my foes.

42 I shall make my arrows drunk with blood, and my sword will feed on flesh: the blood of the wounded and the prisoners, the dishevelled heads of the enemy!’

43 Heavens, rejoice with him, let all the children of God pay him homage! Nations, rejoice with his people, let God’s envoys tell of his power! For he will avenge the blood of his servants, he will return vengeance to my foes, he will repay those who hate him and purify his people’s country.

44 Moses came with Joshua son of Nun and recited all the words of this song in the people’s hearing.

45 When Moses had finished reciting these words to all Israel,

46 he said to them, ’Take all these words to heart; I intend them today to be evidence against you. You must order your children to keep and observe all the words of this Law.

47 You must not think of this as empty words, for the Law is your life, and by its means you will live long in the country which you are crossing the Jordan to possess.’

48 Yahweh spoke to Moses that same day and said to him,

49 ’Climb this mountain of the Abarim, Mount Nebo, in the country of Moab, opposite Jericho, and view the Canaan which I am giving to the Israelites as their domain.

50 Die on the mountain you have climbed, and be gathered to your people, as your brother Aaron died on Mount Hor and was gathered to his people.

51 Because, with the other Israelites, you broke faith with me at the Waters of Meribah-Kadesh in the desert of Zin, because you did not make my holiness clear to the Israelites;

52 you may only see the country from outside; you cannot enter it — the country which I am giving to the Israelites.’

Chapther 33
1 This is the blessing that Moses, man of God, pronounced over the Israelites before he died.

2 He said: Yahweh came from Sinai, from Seir he dawned on us, from Mount Paran blazed forth, For them he came, after the mustering at Kadesh, from his zenith as far as the foothills.

3 You who love the ancestors! Your holy ones are all at your command. At your feet they fell, under your guidance went swiftly on.

4 (Moses enjoined a law on us.) The assembly of Jacob comes into its inheritance;

5 there was a king in Jeshurun when the heads of the people foregathered and the tribes of Israel were all assembled!

6 May Reuben survive and not die out, survive though his men be few!

7 Of Judah he said this: Listen, Yahweh, to the voice of Judah, and bring him back to his people. That his hands may defend his rights, come to his help against his foes!

8 Of Levi he said: To Levi, give your urim, to your faithful one, your thummim, having tested him at Massah, having striven with him at the Waters of Meribah.

9 Of his father and mother, he says, ’I have not seen them.’ He does not acknowledge his brothers, nor does he know his own children. Yes, they have kept your word, they hold firmly to your covenant.

10 They will teach your customs to Jacob, and your Law to Israel. They will put incense before you and burnt offerings on your altar.

11 Yahweh, bless his worthiness, and accept the actions he performs. Crush the loins of those who rise against him and of his foes, so that they rise no more!

12 Of Benjamin he said: Beloved of Yahweh, he rests trustfully near him. The Most High protects him day after day and dwells between his hillsides.

13 Of Joseph he said: His land is blessed by Yahweh. For him the best of heaven’s dew and of the deep that lies below,

14 the best of what the sun makes grow, of what springs with every month,

15 the first-fruits of the ancient mountains, the best from the hills of old

16 the best of the land and all it holds, the favour of him who dwells in the Bush. May the hair grow thick on the head of Joseph, on the brow of the consecrated one among his brothers!

17 First-born of the Bull, his the glory. His horns are the wild ox’s horns, with which he gores the peoples to the very ends of the earth. Such are the myriads of Ephraim, such are the thousands of Manasseh.

18 Of Zebulun he said: Prosper, Zebulun, in your expeditions, and you, Issachar, in your tents!

19 On the mountain where the people come to pray they offer upright sacrifices, for they taste the riches of the seas and the treasures hidden in the sands.

20 Of Gad he said: Blessed be he who gives Gad space enough! He lies there like a lioness; he has savaged arm and face and head.

21 Then he took the first portion for himself, saw that there was stored up for him a leader’s share. He has come at the head of the people, has carried out the saving justice of Yahweh and his judgements on Israel.

22 Of Dan he said: Dan is a lion cub leaping from Bashan.

23 Of Naphtali he said: Naphtali, sated with favours, filled with the blessings of Yahweh: the west and south are to be his domain.

24 Of Asher he said: Most blessed of the sons let Asher be! Let him be the most privileged of his brothers and let him bathe his feet in oil!

25 Be your bolts of iron and of bronze and your security as lasting as your days!

26 No one is like the God of Jeshurun: he rides the heavens to your rescue, rides the clouds in his majesty!

27 The God of old is your refuge, his the eternal arm which here below drives the enemy before you; he it is who says, ’Destroy!’

28 Israel rests trustfully. The well-spring of Jacob is chosen out for a land of corn and wine; there heaven itself rains down dew.

29 Blessed are you, O Israel! Who is like you, O victorious people? Yahweh is the shield that protects you and the sword that leads you to triumph. Your enemies will try to corrupt you, but you yourself will trample on their backs.

Chapther 34
1 Then, leaving the Plains of Moab, Moses went up Mount Nebo, the peak of Pisgah opposite Jericho, and Yahweh showed him the whole country: Gilead as far as Dan,

2 the whole of Naphtali, the country of Ephraim and Manasseh, the whole country of Judah as far as the Western Sea,

3 the Negeb, and the region of the Valley of Jericho, city of palm trees, as far as Zoar.

4 Yahweh said to him, ’This is the country which I promised on oath to give to Abraham, Isaac and Jacob, saying: I shall give it to your descendants. I have allowed you to see it for yourself, but you will not cross into it.’

5 There in the country of Moab, Moses, servant of Yahweh, died as Yahweh decreed;

6 he buried him in the valley, in the country of Moab, opposite Beth-Peor; but to this day no one has ever found his grave.

7 Moses was a hundred and twenty years old when he died, his eye undimmed, his vigour unimpaired.

8 The Israelites wept for Moses on the Plains of Moab for thirty days. The days of weeping for the mourning rites of Moses came to an end.

9 Joshua son of Nun was filled with the spirit of wisdom, for Moses had laid his hands on him, and him the Israelites obeyed, carrying out the order which Yahweh had given to Moses.

10 Since then, there has never been such a prophet in Israel as Moses, the man whom Yahweh knew face to face.

11 What signs and wonders Yahweh caused him to perform in Egypt against Pharaoh, all his servants and his whole country!

12 How mighty the hand and great the fear that Moses wielded in the eyes of all Israel!

(Fr)

Croire au christianisme – verset biblique deutéronome

Source : https://rkbijbel.nl/kbs/bijbel/willibrord1975/neovulgaat https://nl.wikipedia.org/wiki/Deuteronomy

La traduction de Willibrord est la traduction standard de la communauté de foi catholique romaine dans la région de langue néerlandaise et est publiée par la Fondation biblique catholique, en étroite collaboration avec la Fondation biblique flamande. La traduction Willibrord est largement appréciée en tant que traduction fidèle au texte original et offrant en même temps un texte en néerlandais contemporain compréhensible.

Deutéronome est le cinquième livre de la Torah (Pentateuque) et de la Bible hébraïque.

A la fin des Nombres, les Israélites sont en territoire de Moab et sur le point d’entrer dans la Terre Promise. La suscription de Deutéronome 1:1-5 annonce un sermon de Moïse, qu’il a prononcé à ce moment charnière de l’histoire des Israélites. À la fin du Deutéronome, ce jour[8] et le lieu Moab[9] sont mentionnés.

Deutéronome est donc le discours d’adieu de Moïse, qu’il a prononcé en pensant à sa mort. Cela s’inscrit dans la tradition de l’histoire deutéronomiste.[10] Le discours d’adieu de Moïse frappe par sa grande longueur. En fait, le discours est divisé en quatre discours, chacun précédé d’une suscription :

Deutéronome 1-4 (légende : 1:1-5)

Deutéronome 5-28 (légende 4:44)

Deutéronome 29-32 (légende 28:69)

Deutéronome 33 (légende 33:1)

Des actes de Moïse sont également décrits autour des inscriptions, notamment dans Deutéronome 31.

Premier discours (chapitres 1-4)

Le discours commence par l’ordre de YHWH de briser le Horeb (le nom deutéronomiste du Sinaï) pour prendre possession de la Terre promise.[11] La conquête a échoué parce que le peuple était récalcitrant[12] et a conduit à une grave défaite.[13] En guise de punition, cette génération désobéissante, comme son chef Moïse, n’a pas été autorisée à prendre la Terre Promise.[14] Seule la génération suivante a vaincu le légendaire

des personnages tels que Sihon et Og, ont évité les escarmouches avec les Édomites, les Moabites et les Ammonites et ont conquis la région à l’est du Jourdain.

Dans l’histoire, Moïse se tient à la frontière avec la Cisjordanie, dans la vallée en face de Beth-Peor. Dans Deutéronome 4 et 5, le récit surprend, car les événements entourant Horeb qui suivent ont précédé chronologiquement les événements de Deutéronome 1-3.

La section dans 4:1-14 se concentre sur le premier commandement avec le rétrospective (verset 3) à la crainte de Dieu (verset 10) et l’alliance. L’impression durable de la rencontre avec Dieu est le mot, pas le chiffre (verset 12). Le passage suivant en 4:15-28 rappelle les événements d’Horeb, en particulier la forme invisible de Dieu. Là où cette pensée du verset 12 servait le contraste entre la forme et la parole de Dieu, elle met ici l’accent sur l’interdiction de faire une image de Dieu. En 4:29-40, les événements d’Horeb reviennent au premier plan, mais avec une nouvelle facette : la rencontre de Dieu sur cette montagne prouve l’unicité de Dieu (verset 35).

Deuxième discours (Chapitre 5-28)

Le deuxième discours constitue l’essentiel du livre. Les chapitres 5 à 11 sont une introduction. En elle sont répétés les dix commandements, que Dieu a donnés sur le mont Sinaï. Dans les chapitres 12-28 suit la répétition de la loi avec les institutions que les Israélites doivent observer lorsqu’ils s’installent dans le pays de Canaan.

Ce deuxième discours peut être décomposé comme suit :

les chapitres 5 à 11 exposent les dix commandements sur lesquels la théocratie était fondée ;

les chapitres 12-28 contiennent des dispositions pour le culte, la pureté, les impôts, les trois fêtes annuelles, le maintien de la justice, des rois, des prêtres et des prophètes, la guerre et la vie personnelle et sociale du peuple. Ces dispositions sont sociales plutôt que religieuses.

Troisième discours (chapitres 29-32)

Une grande partie du troisième discours est une description des sanctions pour avoir abandonné la loi et des bénédictions qui découlent de l’obéissance. Moïse les appelle à rester fidèlement fidèles à l’alliance que Dieu a faite avec eux. Il se termine par un chant que Dieu a commandé à Moïse d’écrire (32 :1-47) et l’histoire de sa mort (32 :48-52).

Quatrième discours (chapitre 33)

Le quatrième discours contient les bénédictions que Moïse a prononcées sur chaque tribu.

Autres parties du Deutéronome

Dans Deutéronome 31, Moïse nomme Josué comme son successeur pour conduire le peuple au pays de Canaan. Le chapitre 34 décrit l’enterrement de Moïse.

Chapitres 01
1 Voici les paroles que Moïse adressa à tout Israël, de l’autre côté du Jourdain, dans le désert, dans l’Arahah, vis-à-vis de Souph, entre Pharan, Thophel, Laban, Haséroth et Di-Zahab.
2 Il y a onze journées de marche depuis Horeb, par le chemin de la montagne de Séïr, jusqu’à Cadès-Barné.
3 En la quarantième année, au onzième mois, le premier jour du mois, Moïse parla aux enfants d’Israël selon tout ce que Yahweh lui avait ordonné de leur dire:
4 après qu’il eut battu Séhon, roi des Amorrhéens, qui habitait à Hésebon, et Og, roi de Basan, qui habitait à Astaroth et à Edraï.
5 De l’autre côté du Jourdain, dans le pays de Moab, Moïse commença à expliquer cette loi, en disant:
6 Yahweh, notre Dieu, nous a parlé à Horeb, en disant: «vous avez séjourné assez longtemps dans cette montagne;
7 tournez-vous et partez; allez à la montagne des Amorrhéens et dans tous ses alentours: dans l’Arabah, dans la montagne, dans la Séphéla, dans le Négeb, sur la côte de la mer, au pays des Chamanéens, et au Liban, jusqu’au grand fleuve, au fleuve de l’Euphrate.
8 Voici que je mets ce pays devant vous; allez et prenez possession du pays que Yahweh a juré à vos pères, Abraham, Isaac et Jacob, de leur donner, à eux et à leur postérité après eux.
9 Je vous parlai ainsi dans ce temps-là: «Je ne puis, à moi seul, vous porter.
10 Yahweh, votre Dieu vous a multipliés, et vous êtes aujourd’hui aussi nombreux que les étoiles du ciel.
11 Que Yahweh, le Dieu de vos pères, vous fasse croître encore mille fois plus, et qu’il vous bénisse comme il vous l’a promis!
12 Comment porterais-je, à moi seul, votre charge, votre fardeau et vos contestations?
13 Prenez dans vos tribus des hommes sages, intelligents et connus, et je les établirai à votre tête.»
14 Vous me répondîtes en disant: «La chose que tu proposes de faire est bonne».
15 Je pris donc les chefs de vos tribus, des hommes sages et connus, et je les mis à votre tête comme chefs de milliers, chefs de centaines, chefs de cinquantaines et chefs de dizaines, et comme magistrats dans vos tribus.
16 Dans le même temps, je donnai ce commandement à vos juges: «Ecoutez les débats de vos frères, et jugez selon la justice les différends qu’ils auront chacun avec son frère ou avec l’étranger qui est avec lui.
17 Vous n’aurez point égard, dans vos jugements, à l’apparence des personnes; vous écouterez les petits comme les grands, n’ayant peur d’aucun homme, car le jugement est de Dieu; et si vous trouvez une cause trop difficile, vous la porterez devant moi, pour que je l’entende.»
18 C’est ainsi que je prescrivis, dans ce temps-là, toutes les choses que vous auriez à faire.
19 Etant partis d’Horeb, nous traversâmes tout ce vaste et affreux désert que vous avez vu, nous dirigeant vers la montagne des Amorrhéens, comme Yahweh, votre Dieu, nous l’avait ordonné, et nous arrivâmes à Cadès-Barné.
20 Je vous dis alors: «Vous êtes arrivés à la montagne des Amorrhéens, que nous donne Yahweh, notre Dieu.
21 Vois, Yahweh, ton Dieu, met ce pays devant toi; monte et prends-en possession, comme te l’a dit Yahweh, le Dieu de tes pères; ne crains point et ne t’effraie point.»
22 Vous vous approchâtes tous de moi et vous dites: «Envoyons des hommes devant nous, pour explorer le pays et nous faire un rapport sur le chemin par lequel nous y monterons, et sur les villes où nous arriverons.»
23 La chose m’ayant paru bonne, je pris parmi vous douze hommes, un homme par tribu.
24 Ils partirent et, après avoir traversé la montagne, ils arrivèrent à la vallée d’Escol et l’explorèrent.
25 Ils prirent dans leurs mains des fruits du pays et nous les apportèrent, et ils nous firent un rapport, en disant: «C’est un bon pays que nous donne Yahweh, notre Dieu.»
26 Cependant vous ne voulûtes point monter, et vous fûtes rebelles à l’ordre de Yahweh, votre Dieu. Vous murmurâtes dans vos tentes, en disant:
27 «C’est parce que Yahweh nous hait qu’il nous a fait sortir du pays d’Egypte, pour nous livrer entre les mains de l’Amorrhéen, afin de nous détruire.
28 Où montons-nous? Nos frères nous ont fait fondre le coeur, en disant: C’est un peuple plus grand et de plus haute stature que nous; ce sont des grandes villes, dont les murailles s’élèvent jusqu’au ciel, et même nous y avons vu des fils des Enacim.»
29 Je vous dis: «Ne vous effrayez pas et n’ayez pas peur d’eux.
30 Yahweh, votre Dieu, qui marche devant vous, combattra lui-même pour vous, selon tout ce qu’il a fait pour vous sous vos yeux en Egypte,
31 et ensuite au désert, où tu as vu comment Yahweh, ton Dieu, t’a porté, ainsi qu’un homme porte son fils, sur toute la route que vous avez parcourue jusqu’à votre arrivée en ce lieu.»
32 Malgré cela vous n’aviez pas confiance en Yahweh, votre Dieu,
33 qui marchait devant vous sur le chemin pour vous chercher des lieux de campement, dans un feu pendant la nuit pour vous montrer le chemin où vous deviez marcher, et dans une nuée pendant le jour.
34 Yahweh entendit le bruit de vos paroles et, dans sa colère, il jura, en disant:
35 «Aucun des hommes de cette génération mauvaise ne verra le bon pays que j’ai juré de donner à vos pères,
36 excepté Caleb fils de Jéphoné; il le verra, lui, et je lui donnerai, à lui et à ses enfants, le pays qu’il a foulé, parce qu’il a fidèlement suivi Yahweh.»
37 Yahweh s’irrita aussi contre moi, à cause de vous, et il dit: «Toi non plus tu n’y entreras point.
38 Mais Josué, fils de Nun, ton serviteur, y entrera; fortifie-le, car c’est lui qui mettra Israël en possession de ce pays.
39 Et vos petits enfants dont vous avez dit: Ils seront une proie! Et vos fils qui ne connaissent aujourd’hui ni le bien ni le mal, eux y entreront, c’est à eux que je le donnerai, ce sont eux qui le posséderont.
40 Vous, retournez en arrière et partez pour le désert, par le chemin de la mer Rouge.»
41 Vous répondîtes en me disant: «Nous avons péché contre Yahweh; nous monterons et nous combattrons, selon tout ce que Yahweh, notre Dieu, nous a ordonné.» Et vous ceignîtes chacun vos armes, et vous vous disposâtes inconsidérément à monter à la montagne.
42 Yahweh me dit: «Dis-leur: Ne montez pas et ne combattez pas, car je ne suis pas au milieu de vous; ne vous faites pas battre par vos ennemis.»
43 Je vous parlai, mais vous n’écoutâtes point; vous résistâtes à l’ordre de Yahweh, et vous fûtes assez présomptueux pour monter à la montagne.
44 Alors l’Amorrhéen qui habite cette montagne, sortit à votre rencontre; il vous poursuivit comme font les abeilles, et vous battit en Seïr, jusqu’à Horma.
45 Vous revîntes et vous pleurâtes devant Yahweh; mais Yahweh n’écouta pas votre voix, et ne vous prêta pas l’oreille.
46 Vous restâtes de longs jours à Cadès, le temps que vous y avez séjourné.

Chapitres 02
1 Changeant de direction, nous partîmes pour le désert, par le chemin de la mer Rouge, comme Yahweh me l’avait ordonné, et nous tournâmes longtemps autour de la montagne de Séïr.
2 Et Yahweh me dit:
3 «Vous avez assez tourné autour de cette montagne; reprenez la direction du nord.
4 Donne cet ordre au peuple: Vous allez passer sur la frontière de vos frères, les enfants d’Esaü, qui habitent en Séïr.
5 Ils auront peur de vous; mais prenez bien garde d’avoir des démêlés avec eux, car je ne vous donnerai rien dans leur pays, pas même ce que peut couvrir la plante du pied: j’ai donné à Esaü la montagne de Séïr en propriété.
6 Vous achèterez d’eux à prix d’argent la nourriture que vous mangerez, et vous achèterez d’eux à prix d’argent même l’eau que vous boirez.
7 Car Yahweh ton Dieu t’a béni dans tout le travail de tes mains, il a connu ta marche à travers ce grand désert; voilà quarante ans que Yahweh, ton Dieu, est avec toi: tu n’as manqué de rien.»
8 Nous passâmes donc à distance de nos frères, les enfants d’Esaü, qui habitent en Séïr, nous éloignant du chemin de l’Arabah, d’Elath et d’Asiongaber; nous nous détournâmes et nous prîmes la direction du désert de Moab.
9 Yahweh me dit: «N’attaque pas Moab et n’engage pas de combat avec lui, car je ne te donnerai aucunne possession dans son pays: c’est aux enfants de Lot que j’ai donné Ar en propriété.
10 Les Emim y habitaient auparavant, peuple grand, nombreux et de haute taille, comme les Enacim.
11 Eux aussi sont regardés comme des Rephaïm, de même que les Enacim; mais les Moabites les appellent Emim.
12 En Séïr habitaient aussi jadis les Horrhéens; mais les enfants d’Esaü les chassèrent et, les ayant détruits de devant eux, ils s’établirent à leur place, comme l’a fait Israël pour le pays qu’il possède et que Yahweh lui a donné.
13 Maintenant, levez-vous et passez le torrent de Zared.» Et nous passâmes le torrent de Zared.
14 Le temps que durèrent nos marches, de Cadès-Barné au passage du torrent de Zared, fut de trente-huit ans, jusqu’à ce que toute la génération des hommes de guerre eût disparu du milieu du camp, comme Yahweh le leur avait juré.
15 La main de Yahweh fut aussi sur eux pour les détruire du milieu du camp, jusqu’à ce qu’ils eussent disparu.
16 Lorsque la mort eut fait disparaître tous les hommes de guerre du milieu du peuple,
17 Yahweh me parla, en disant:
18 «Tu vas passer aujourd’hui la frontière de Moab, Ar, et tu approcheras des enfants d’Ammon.
19 Ne les attaque pas et n’aie pas de démêlés avec eux, car je ne te donnerai aucune possession dans le pays des enfants d’Ammon: c’est aux enfants de Lot que je l’ai donné en possession.
20 On regardait aussi ce pays comme un pays de Rephaïm; des Rephaïm y habitaient auparavant, et les Ammonites les appelaient Zomzommim:
21 peuple grand, nombreux et de haute taille, comme les Enacim, Yahweh les détruisit devant les Ammonites, qui les chassèrent et s’établirent à leur place.
22 C’est ainsi que fit Yahweh pour les enfants d’Esaü qui habitent en Séïr, lorsqu’il détruisit devant eux les Horrhéens; les ayant chassés, ils s’établirent à leur place jusqu’à ce jour.
23 De même les Hévéens, qui habitaient dans des villages jusqu’à Gaza, furent détruits par les Caphtorim, qui étant sortis de Caphtor, s’établirent à leur place.
24 — Levez-vous, partez et passez le torrent de l’Arnon. Voici que je livre entre tes mains Séhon, roi de Hésebon, Amorrhéens, ainsi que son pays. Commence à t’en emparer, engage le combat avec lui!
25 Dès aujourd’hui je vais répandre la frayeur et la crainte de ton nom sur tous les peuples qui sont sous tous les cieux, en sorte que, au bruit de ta renommée, ils trembleront et seront dans l’angoisse à cause de toi.»
26 Du désert de Cademoth, j’envoyai des messagers à Séhon, roi de Hésebon, avec des paroles de paix, lui faisant dire:
27 «Que je puisse passer par ton pays; je suivrai le grand chemin, sans m’écarter ni à droite ni à gauche.
28 Tu me vendras à prix d’argent la nourriture que je mangerai, et tu me donneras à prix d’argent l’eau que je boirai; je ne veux que passer avec mes pieds:
29 — C’est ce qu’on fait pour moi les enfants d’Esaü qui habitent en Séïr, et les Moabites qui habitent à Ar: — jusqu’à ce que je passe le Jourdain pour entrer dans le pays que Yahweh, notre Dieu, nous donne.»
30 Mais Séhon, roi de Hésebon, ne voulut pas nous laisser passer chez lui, car Yahweh, ton Dieu, avait endurci son esprit et rendu son coeur inflexible, afin de le livrer entre tes mains, comme tu le vois aujourd’hui.
31 Yahweh me dit: «Voici que j’ai commencé de te livrer Séhon et son pays. Commence à le conquérir afin de prendre possession de son pays.»
32 Séhon sortit à notre rencontre, avec tout son peuple, pour nous livrer bataille à Jasa.
33 Et Yahweh, notre Dieu, nous le livra et nous le battîmes, lui et ses fils, et tout son peuple.
34 Nous prîmes alors toutes ses villes et nous dévouâmes par anathème tout ville, les hommes, les femmes et les enfants, sans en laisser échapper un seul.
35 Seulement, nous pillâmes pour nous le bétail et le butin des villes que nous avions prises.
36 Depuis Aroër qui est sur le bord de la vallée d’Arnon, et depuis la ville qui est dans la vallée, jusqu’à Galaad, il n’y eut pas de ville trop inaccessible pour nous; Yahweh, notre Dieu, nous les livra toutes.
37 Mais tu n’approchas pas du pays des enfants d’Ammon, ni d’aucun endroit qui est sur le bord du torrent de Jaboc, ni des villes de la montagne, ni d’aucun des lieux dont Yahweh, notre Dieu, t’avait défendu de t’emparer.

Chapitres 03

1 Nous étant tournés, nous montâmes par le chemin de Basan, et Og, roi de Basan, sortit à notre rencontre, avec tout son peuple, pour nous livrer bataille à Edraï.
2 Yahweh me dit: «Ne le crains point, car je l’ai livré entre tes mains, lui et tout son peuple, et son pays; tu le traiteras comme tu as traité Séhon, roi des Amorrhéens, qui habitait à Hésebon.»
3 Et Yahweh, notre Dieu, livra aussi entre nos mains Og, roi de Basan, avec tout son peuple; nous le battîmes jusqu’à ce qu’il ne lui restât plus aucun de ses gens.
4 Nous prîmes alors toutes ses villes, et il n’y en eut pas une qui ne tombât entre notre pouvoir: soixante villes, toute la région d’Argob, le royaume d’Og en Basan.
5 Toutes ces villes étaient fortifiées, avec de hautes murailles, des portes et des barres; sans compter les villes sans murailles, en très grand nombre.
6 Nous les dévouâmes par anathème, comme nous l’avions fait pour Séhon, roi de Hésebon, dévouant par anathème villes, hommes, femmes et enfants.
7 Mais nous pillâmes pour nous tout le bétail et le butin des villes.
8 Ainsi, dans ce temps-là, nous prîmes aux deux rois des Amorrhéens le pays qui est au-delà du Jourdain, depuis le torrent de l’Arnon jusqu’à la montagne d’Hermon.
9 — Les Sidoniens appellent l’Hermon Sarion, et les Amorrhéens Sanir; —
10 toutes les villes de la plaine, tout Galaad et tout Basan, jusqu’à Selcha et Edraï,villes du royaume d’Og en Basan.
11 Car Og, roi de Basan, était resté seul de la race des Rephaïm. Voici, son lit, un lit en fer, n’est-il pas à Rabbath, ville des enfants d’Ammon? Sa longueur est de neuf coudées, et sa largeur de quatre coudées, en coudées d’homme.
12 Nous prîmes alors possession de ce pays. Je donnai aux Rubénites et aux Gadites le terrictoire à partir d’Aroër qui domine la vallée de l’Arnon, ainsi que la moitié de la montagne de Galaad avec ses villes.
13 Je donnai à la demi-tribu de Manassé le reste de Galaad et toute la partie de Basan formant le royaume d’Og. — Toute la contrée d’Argob, avec tout Basan, c’est ce qu’on appelle le pays des Rephaïm.
14 Jaïr, fils de Manassé, obtint toute la contrée d’Argob jusqu’à la frontière des Gessuriens et des Macathiens, et il donna son nom aux bourgs de Basan, appelés Bourgs de Jaïr, jusqu’à ce jour. –
15 Je donnai Galaad à Machir.
16 Aux Rubénites et aux Gadites, je donnai une partie de Galaad et le pays jusqu’au torrent de l’Arnon, le milieu de la vallée servant de limite, et jusqu’au torrent de Jacob, frontière des enfants d’Ammon,
17 ainsi que l’Arabah, avec le Jourdain pour limite, depuis Cénéreth jusqu’à la mer de l’Arabah, la mer Salée, au pied des pentes du Phasga, vers l’Orient.
8 En ce temps-là, je vous donnai cet ordre: «Yahweh, votre Dieu, vous à donné ce pays pour qu’il soit votre propriété; vous tous, hommes forts, vous marcherez en armes devant vos frères, les enfants d’Israël.
19 Vos femmes seulement, vos petits enfants et vos troupeaux, — je sais que vous avez de nombreux troupeaux, — resteront dans les villes que je vous ai données,
20 jusqu’à ce que Yahweh ait accordé le repos à vos frères comme à vous, et qu’ils possèdent, eux aussi, le pays que Yahweh, votre Dieu, leur donne de l’autre côté du Jourdain. Alors vous retournerez chacun dans l’héritage que je vous ai donné.»
21 En ce temps-là, je donnai aussi des ordres à Josué, en disant: «Tes yeux ont vu tout ce que Yahweh, votre Dieu, a fait à ces deux rois: ainsi fera Yahweh à tous les royaumes contre lesquels tu vas marcher.
22 Ne les craignez point; car Yahweh, votre Dieu, combat lui-même pour vous.»
23 En ce temps-là, je suppliai Yahweh, en disant:
24 «Seigneur Yahweh, vous avez commencé à montrer à votre serviteur votre grandeur et votre main puissante; car quel Dieu y a-t-il, au ciel et sur la terre, qui puisse accomplir vos oeuvres et vos hauts faits?
25 Que je passe, je vous prie, que je voie ce bon pays au-delà du Jourdain, cette belle montagne et le Liban!»
26 Mais Yahweh s’irrita contre moi, à cause de vous, et il ne m’exauça point. Yahweh me dit: «C’est assez, ne me parle plus de cette affaire.
27 Monte au sommet du Phasga, porte tes regards vers l’occident, vers le nord, vers le midi et vers l’orient, et contemple de tes yeux; car tu ne passeras pas ce Jourdain.
28 Donne des ordres à Josué, fortifie le et encourage-le, car c’est lui qui marchera devant ce peuple et qui le mettra en possession du pays que tu verras.»
29 Nous demeurâmes dans la vallée, vis-à-vis de Beth-Phogor;

Chapitres 04

1 Et maintenant, Israël, écoute les lois et les ordonnances que je vous enseigne pour les mettre en pratique, afin que vous viviez, que vous entriez et que vous possédiez le pays que vous donne Yahweh, le Dieu de vos pères.
2 Vous n’ajouterez rien à ce que je vous prescris, et vous n’en retrancherez rien; mais vous observerez les commandements de Yahweh, votre Dieu, que je vous prescris.
3 Vos yeux ont vu ce que Yahweh a fait à cause de Baal-Phogor: Yahweh, ton Dieu, a détruit du milieu de toi tous ceux qui avaient suivi Baal-Phogor;
4 tandis que vous, qui vous êtes attachés à Yahweh, votre Dieu, vous êtes aujourd’hui tous vivants.
5 Je vous ai enseigné des lois et des ordonnances comme Yahweh, mon Dieu, me l’a commandé, afin que vous les mettiez en pratique dans le pays où vous entrez pour le posséder.
6 Vous les observerez et les mettrez en pratique; car ce sera là votre sagesse et votre intelligence, aux yeux des peuples qui entendront parler de toutes ces lois et diront: Certes, cette grande nation est un peuple sage et intelligent!
7 Quelle est,, en effet, la grande nation qui ait des dieux près d’elle, comme nous avons Yahweh, notre Dieu, toutes les fois que nous l’invoquons?
8 Et quelle est la grande nation qui ait des lois et des ordonnances justes, comme toute cette loi que je mets aujourd’hui devant vous?
9 Seulement prends garde à toi et garde attentivement ton âme, de peur d’oublier les choses que tes yeux ont vues, et de les laisser sortir de ton coeur, un seul jour de ta vie; mais enseigne-les à tes enfants et aux enfants de tes enfants.
10 Souviens-toi du jour où tu te présenteras devant Yahweh, ton Dieu, en Horeb, lorsque Yahweh me dit: «Assemble-moi le peuple; je leur ferai entendre mes paroles, afin qu’ils apprennent à me craindre, tout le temps qu’ils les enseignent à leur enfants.»
11 Vous vous approchâtes et vous vous tîntes au pied de la montagne; la montagne était en feu et la flamme s’élevait jusque dans les profondeurs du ciel, parmi des ténèbres, des nuées et de l’obscurité.
12 Alors Yahweh vous parla du milieu du feu; vous entendiez le son des paroles, mais sans voir de figure: vous n’entendîtes qu’une voix.
13 Il promulga son alliance, qu’il vous ordonna d’observer, savoir les dix commandements, et il les écrivit sur deux tables de pierre.
14 En ce temps-là, Yahweh me commanda de vous enseigner des lois et des ordonnances, pour que vous les pratiquiez dans le pays où vous allez entrer pour en prendre possession.
15 Puisque vous n’avez vu aucune figure le jour où Yahweh vous parla du milieu du feu en Horeb, prenez bien garde à vos âmes,
16 de peur que vous ne vous fassiez une image taillée, figure de quelque idole, image d’homme ou de femme,
17 toute image d’animal qui vit sur la terre, toute image d’oiseau qui vole dans le ciel,
18 toute image de bête qui rampe sur le sol, toute image de poisson qui vit dans les eaux au-dessous de la terre;
19 de peur que, levant les yeux vers le ciel, et voyant le soleil, la lune et les étoiles, toute l’armée des cieux, tu ne sois attiré à te prosterner devant eux et à leur rendre un culte, eux que Yahweh, ton Dieu, a donnés en partage à tous les peuples qui sont partout sous le ciel.
20 Mais vous, Yahweh vous a pris et vous a fait sortir de la fournaise à fondre le fer, de l’Egypte, pour devenir le peuple de son héritage, comme vous l’êtes aujourd’hui.
21 Et Yahweh s’irrita contre moi, à cause de vous, et il jura que je ne passerais pas le Jourdain, et que je n’entrerais pas dans le bon pays que Yahweh, ton Dieu, te donne en héritage.
22 Je vais mourir dans ce pays-ci, sans passer le Jourdain; mais vous le passerez et vous posséderez ce bon pays.
23 Prenez garde à vous, pour ne pas oublier l’alliance que Yahweh, votre Dieu, a contractée avec vous, et ne pas vous faire d’image taillée, de figure quelconque de ce que Yahweh, ton Dieu, t’a défendu.
24 Car Yahweh, ton Dieu, est un feu dévorant, un Dieu jaloux.
25 Lorsque tu auras des enfants et des enfants, et que vous aurez longtemps habité le pays, si vous vous corrompez et si vous vous faites quelque image taillée, figure de quoi que ce soit, faisant ainsi ce qui est mal aux yeux de Yahweh, ton Dieu, pour l’irriter,
26 — j’en prends aujourd’hui à témoin contre vous le ciel et la terre, — vous périrez bientôt et disparaîtrez du pays dont vous allez prendre possession en passant le Jourdain; vous n’y prolongerez pas vos jours, car vous serez entièrement détruits.
27 Yahweh vous dispersera parmi les peuples, et vous resterez en petit nombre au milieu des nations où Yahweh vous mènera.
28 Et là vous servirez des dieux, ouvrages de mains d’homme, du bois et la pierre, qui ne voient point, n’entendent point, ne mangent point et ne sentent point.
29 De là vous chercherez Yahweh, ton Dieu, et tu le trouveras, si tu le cherches de tout ton coeur et de toute ton âme.
30 Au milieu de ta détresse, quand toutes ces choses seront venues sur toi, dans les derniers jours, tu retourneras à Yahweh, ton Dieu, et tu écouteras sa voix;
31 car c’est un Dieu compatissant que Yahweh, ton Dieu: il ne t’abandonnera pas et ne te détruira pas; il n’oubliera pas son alliance avec tes pères, qu’il leur a jurée.
32 Interroge les temps anciens qui t’ont précédé, depuis le jouR où Dieu créa l’homme sur la terre, et d’une extrémité du ciel à l’autre extrémité: est-il jamais arrivé si grande chose, et a-t-on jamais entendu rien de pareil?
33 Un peuple a-t-il entendu la voix de Dieu parlant du milieu du feu, comme tu l’as entendue, et est-il demeuré vivant?
34 Jamais un dieu essaya-t-il de venir prendre pour lui une nation du milieu d’une autre nation, par des épreuves, des signes, des miracles, par la guerre, à main forte et à bras étendu, et par de grandes épouvantes, selon tout ce qu’a fait pour vous Yahweh, votre Dieu, sous tes yeux, en Egypte?
35 Ces choses t’ont été montrées, afin que tu connusses que c’est Yahweh qui est Dieu, et qu’il n’y en a point d’autre que lui
36 . Du ciel, il t’a fait entendre sa voix pour t’instruire, et sur la terre, il t’a fait voir son grand feu, et tu as entendu ses paroles du milieu du feu.
37 Parce qu’il a aimé tes pères, il a choisi leur postérité après eux, il t’a fait sortir d’Egypte par sa présence, par sa grande puissance,
38 pour chasser devant toi des nations plus nombreuses et plus fortes que toi, pour te faire entrer dans leur pays et te le donner en héritage, comme tu le vois aujourd’hui.
39 Sache donc en ce jour et grave dans ton coeur que c’est Yahweh qui est Dieu, en haut dans le ciel et en bas sur la terre; il n’y en a point d’autre.
40 Observe ses lois et ses commandements que je te prescris aujourd’hui, afin que tu sois heureux, toi et tes enfants après toi, et afin que tu prolonges tes jours, dans toute la suite des âges, sur la terre que te donne Yahweh , ton Dieu.»
41 Alors Moïse mit à part trois villes de l’autre côté du Jourdain, à l’orient,
42 afin qu’elles servissent de refuge au meurtrier qui aurait tué son prochain par mégarde, sans avoir été auparavant son ennemi, et que, en se réfugiant dans l’une de ces villes, il sauvât sa vie.
43 Ce furent: Bosor, dans le désert, dans la plaine, pour les Rubénites; Ramoth, en Galaad, pour les Gadites, et Golan, en Basan pour les Manassites.
44 C’est ici la loi que Moïse mit devant les yeux des enfants d’Israël;
45 — ce sont les préceptes, les lois et les ordonnances que Moïse donna aux enfants d’Israël lors de leur sortie d’Egypte;
46 — de l’autre côté du Jourdain, dans la vallée, vis-à-vis de Beth-Phogor, au pays de Séhon, roi des Amorrhéens, qui habitait à Hésebon, et qui avait été battu par Moïse et les enfants d’Israël, lors de leur sortie d’Egypte.
47 Ils prirent possession de son pays et de celui d’Og, roi de Basan, deux rois des Amorrhéens qui étaient au delà du Jourdain, à l’orient,
48 depuis Aroër sur le bord du torrent de l’Arnon jusqu’à la montagne de Sion, qui est l’Hermon, avec toute l’Arabah,
49 de l’autre côté du Jourdain, à l’orient, jusqu’à la mer de l’Arabah, au pied du Phasga.

Chapitres 05

1 Moïse convoqua tout Israël et leur dit: «Ecoute, Israël, les lois et les ordonnances que je vous fais entendre aujourd’hui; apprennez-les et mettez les soigneusement en pratique.
2 Yahweh, notre Dieu, a conclu avec nous une alliance en Horeb.
3 Ce n’est point avec nos pères que Yahweh a conclu cette alliance, c’est avec nous, qui sommes ici aujourd’hui tous vivants.
4 Yahweh vous parla face à face sur la montagne, du milieu du feu,
5 — Je me tenais alors entre Yahweh et vous, pour rapporter sa parole; car vous aviez peur du feu, et vous ne montâtes point sur la montagne. — Il dit:
6 «Je suis Yahweh, ton Dieu, qui t’ai fait sortir du pays d’Egypte, de la maison de servitude.
7 Tu n’auras point d’autres dieux devant ma face.
8 Tu ne te feras point d’image taillée, ni aucune figure de ce qui est en haut dans le ciel, ou de ce qui est en bas sur la terre, ou de ce qui est dans les eaux au-dessous de la terre.
9 Tu ne te prosterneras point devant eux et ne les serviras point; car moi, Yahweh, ton Dieu, je suis un Dieu jaloux, punissant l’iniquité des pères sur leur enfants, sur la troisième et sur la quatrième génération, pour ceux qui me haïssent,
10 et faisant miséricorde jusqu’à mille générations, pour ceux qui m’aiment et qui gardent mes commandements.
11 Tu ne prendras point le nom de Yahweh, ton Dieu en vain; car Yahweh ne laissera pas impuni celui qui prendra son nom en vain.
12 Observe le jour du sabbat, pour le sanctifier, comme te l’a ordonné Yahweh, ton Dieu.
13 Pendant six jours tu travailleras et tu feras tout ton ouvrage.
14 Mais le septième jour est un sabbat consacré à Yahweh, ton Dieu: tu ne feras aucun ouvrage, ni toi, ni ton fils, ni ta fille, ni ton serviteur, ni ta servante, ni ton boeuf, ni ton âne, ni aucune de tes bêtes, ni l’étranger qui est dans tes portes, afin que ton serviteur et ta servante se reposent comme toi.
15 Tu te souviendras que tu as été esclave au pays d’Egypte, et que Yahweh, ton Dieu, t’en a fait sortir d’une main forte et d’un bras étendu: c’est pourquoi Yahweh, ton Dieu, t’a ordonné d’observer le jour du sabbat.
16 Honore ton père et ta mère, comme Yahweh, ton Dieu te l’a ordonné, afin que tes jours soient prolongés et que tu sois heureux dans le pays que Yahweh, ton Dieu, te donne.
17 Tu ne tueras point.
18 Tu ne commettras point d’adultère.
19 Tu ne déroberas point.
20 Tu ne porteras point de faux témoignage contre ton prochain.
21 Tu ne convoiteras point la femme de ton prochain. Tu ne désireras point la maison de ton prochain, ni son champ, ni son serviteur, ni sa servante, ni son boeuf, ni son âne, ni rien de ce qui appartient à ton prochain.»
22 Telles sont les paroles que Yahweh adressa à toute votre assemblée, sur la montagne, du milieu du feu, de la nuée et de l’obscurité, d’une voix forte; et il n’ajouta rien. Il les écrivit sur deux tables de pierre, qu’il me donna.
23 Lorsque vous eûtes entendu la voix du milieu des ténèbres, la montagne étant toute en feu, vous vous approchâtes de moi, tous vos chefs de tribus et vos anciens,
24 et vous dîtes: «Voici que Yahweh, notre Dieu, nous a montré sa gloire et sa grandeur, et nous avons entendu sa voix du milieu du feu; aujourd’hui nous avons vu Dieu parler à l’homme et l’homme rester vivant.
25 Et maintenant pourquoi mourrions-nous? Car ce grand feu nous dévorera; si nous entendons encore la voix de Yahweh, notre Dieu, nous mourrons.
26 Car parmi toute chair, quel est celui qui a entendu, comme nous, la voix du Dieu vivant parlant du milieu du feu, et qui soit demeuré en vie?
27 Toi, approche-toi, et écoute tout ce que dira Yahweh, notre Dieu: nous l’écouterons et nous le ferons.»
28 Yahweh entendit vos paroles tandis que vous me parliez, et Yahweh me dit: «J’ai entendu les paroles que ce peuple t’a adressées: tout ce qu’ils ont dit est bien.
29 Oh! S’ils avaient toujours ce même coeur pour me craindre et pour observer mes commandements, afin qu’ils soient heureux à jamais, eux et leurs enfants!
30 Va, dis-leur: Retournez dans vos tentes.
31 Mais toi, reste ici avec moi, et je te dirai tous les commandements, les lois et les ordonnances que tu leur enseigneras, pour qu’ils les mettent en pratique dans le pays que je leur donne en possession.
32 Vous aurez soin de faire ce que Yahweh, votre Dieu, vous a commandé; vous ne vous en détournerez ni à droite ni à gauche,
33 mais vous suivrez en tout la voie que Yahweh, votre Dieu, vous a prescrite, afin que vous viviez et que vous soyez heureux, et que vous prolongiez vos jours dans le pays que vous posséderez.»

Chapitres 06
1 Voici le commandement, les lois et les ordonnances que Yahweh, votre Dieu a ordonné de vous enseigner, pour que vous les mettiez en pratique dans le pays où vous allez passer pour en prendre possession,
2 afin que tu craignes Yahweh, ton Dieu, toi, ton fils et le fils de ton fils, en observant, tous les jours de ta vie, toutes ses lois et tous ses commandements que je te prescris, et afin que tes jours soient prolongés.
3 Tu les écouteras, Israël, et tu auras soin de les mettre en pratique, afin que tu sois heureux et que vous multipliiez beaucoup, comme te l’a dit Yahweh, le Dieu de tes pères, dans un pays où coulent le lait et le miel.
4 Ecoute, Israël: Yahweh, notre Dieu, est seul Yahweh.
5 Tu aimeras Yahweh, ton Dieu, de tout ton coeur, de toute ton âme et de toute ta force.
6 Et ces commandements que je te donne aujourd’hui, seront dans ton coeur.
7 Tu les inculqueras à tes enfants, et tu en parleras quand tu seras dans ta maison, quand tu iras en voyage, quand tu te coucheras et quand tu te lèveras.
8 Tu les attacheras sur ta main pour te servir de signe, et ils seront comme un frontal entre tes yeux.
9 Tu les écriras sur les poteaux de ta maison et sur tes portes.
10 Lorsque Yahweh, ton Dieu, t’aura fait entrer dans le pays qu’il a juré à tes pères, à Abraham, à Isaac et à Jacob, de te donner: grandes et bonnes villes que tu n’as pas bâties,
11 maisons pleines de toutes sortes de biens que tu n’as pas remplies, citernes que tu n’as pas creusées, vignes et oliviers que tu n’as pas plantés; lorsque tu mangeras et te rassasieras,
12 garde-toi d’oublier Yahweh, qui t’a fait sortir du pays d’Egypte, de la maison de servitude.
13 Tu craindras Yahweh ton Dieu, tu le serviras et tu jureras par son nom.
14 Vous n’irez point après d’autres dieux, d’entre les dieux des peuples, qui seront autour de vous.
15 Car Yahweh, ton Dieu, qui est au milieu de toi, est un Dieu jaloux; la colère de Yahweh, ton Dieu, s’enflammerait contre toi, et il t’exterminerait de dessus la terre.
16 Vous ne tenterez point Yahweh, votre Dieu, comme vous l’avez tenté à Massah.
17 Mais vous observerez avec soin les commandements de Yahweh, votre Dieu, ses préceptes et ses lois qu’il t’a prescrites.
18 Tu feras ce qui est droit et bon aux yeux de Yahweh, afin que tu sois heureux, que tu entres, pour le posséder, dans le bon pays que Yahweh a promis par serment à tes pères,
19 lorsqu’il aura chassé tous tes ennemis devant toi comme Yahweh l’a dit.
20 Lorsque ton fils t’interrogera un jour en disant: «Qu’est-ce que ces commandements, ces lois et ces ordonnances que Yahweh, notre Dieu, vous a prescrits?»
21 tu diras à ton fils: «Nous étions esclaves de Pharaon, en Egypte, et Yahweh nous a fait sortir de l’Egypte par sa main puissante.
22 Yahweh a opéré, sous nos yeux, des miracles et des prodiges grands et terribles contre l’Egypte, contre Pharaon
23 et contre toute sa maison; et il nous a fait sortir de là, pour nous amener dans le pays qu’il avait promis par serment à nos pères.
24 Yahweh nous a commandé de mettre en pratique toutes ces lois et de craindre Yahweh, notre Dieu, afin que nous soyons toujours heureux et qu’il nous conserve en vie, comme il le fait aujourd’hui.
25 Et ce sera pour nous la justice, si nous prenons garde à pratiquer tous ces préceptes en présence de Yahweh, notre Dieu, comme il nous l’a ordonné.»

Chapitres 07

1 Lorsque Yahweh, ton Dieu, t’aura fait entrer dans le pays dont tu vas prendre possession, et qu’il aura chassé devant toi beaucoup de nations, les Héthéens, les Gergéséens, les Amorrhéens, les Chananéens, les Phéréséens, les Hévéens et les Jébuséens, sept nations plus nombreuses et plus puissantes que toi,
2 et que Yahweh, ton Dieu, te les aura livrées et que tu les auras battues, tu les dévoueras par anathème, tu ne concluras pas d’alliance avec elles et tu ne leur feras point de grâce.
3 Tu ne contracteras point de mariage avec elles, tu ne donneras point tes filles à leurs fils, et tu ne prendras point leurs filles pour tes fils;
4 car elles détourneraient de marcher après moi tes fils, qui serviraient d’autres dieux; la colère de Yahweh s’enflammerait contre vous, et il te détruirait promptement.
5 Mais voici comment vous agirez à leur égard: Vous renverserez leurs autels, vous briserez leurs stèles, vous abattrez leurs aschérim et vous livrerez au feu leurs images taillées.
6 Car tu es un peuple saint à Yahweh, ton Dieu. Yahweh, ton Dieu, t’a choisi pour être son peuple particulier, parmi tous les peuples qui sont sur la face de la terre.
7 Si Yahweh s’est attaché à vous et vous a choisis, ce n’est pas que vous surpassiez en nombre tous les peuples, car vous êtes le plus petit de tous les peuples.
8 Mais, parce que Yahweh vous aime et parce qu’il a voulu tenir le serment qu’il avait fait à vos pères, Yahweh vous a fait sortir par sa main puissante et vous a rachetés de la maison de servitude, de la main de Pharaon,roi d’Egypte.
9 Sache donc que c’est Yahweh, ton Dieu, qui est Dieu, le Dieu fidèle qui garde l’alliance et la miséricorde jusqu’à mille générations, pour ceux qui l’aiment et qui gardent ses commandements.
10 Mais il rend la pareille en face à ceux qui le haïssent, en les faisant périr; il ne tarde point à l’égard de celui qui le hait, et il lui rend la pareille en face.
11 C’est pourquoi tu observeras les commandements, les lois et les ordonnances que je te prescris aujourd’hui, en les mettant en pratique.
12 Si vous écoutez ces ordonnances, si vous les gardez et les mettez en pratique, en retour Yahweh, ton Dieu, gardera envers toi l’alliance et la miséricorde qu’il a jurées à tes pères.
13 Il t’aimera, te bénira et te multipliera; il bénira le fruit de tes entrailles et le fruit de ton sol, ton blé, ton vin nouveau et ton huile, les portées de tes vaches et les petits de tes brebis, sur la terre qu’il a juré à tes pères de te donner.
14 Tu seras béni plus que tous les peuples; il n’y aura chez toi ni homme ni femme stérile, ni bête stérile parmi tes troupeaux.
15 Yahweh éloignera de toi toute maladie; il ne t’enverra aucune de ces affections malignes d’Egypte que tu connais; mais il en affligera tous ceux qui te haïssent.
16 Tu dévoreras tous les peuples que Yahweh, ton Dieu, va te livrer; ton oeil sera sans pitié pour eux, et tu ne serviras point leurs dieux, car ce serait un piège pour toi.
17 Que si tu dis dans ton coeur: «Ces nations sont plus nombreuses que moi; comment pourrai-je les chasser?»
18 Ne les crains point; rappelle à ton souvenir ce que Yahweh, ton Dieu, a fait à Pharaon et à toute l’Egypte:
19 les grandes épreuves et les prodiges, la main forte et le bras étendu, par lesquels Yahweh, ton Dieu, t’a fait sortir: ainsi fera Yahweh, ton Dieu, à tous les peuples dont tu as peur.
20 Yahweh, ton Dieu, enverra même sur eux les frelons, jusqu’à ce que soient détruits ceux qui auront pu échapper et se cacher devant toi.
21 Tu ne t’effraieras point à cause d’eux; car Yahweh, ton Dieu, est au milieu de toi, Dieu grand et terrible!
22 Yahweh, ton Dieu, chassera peu à peu ces nations devant toi; tu ne pourras pas les exterminer promptement, de peur que les bêtes sauvages ne se multiplient contre toi.
23 Yahweh, ton Dieu, te les livrera, et il jettera parmi elles une grande consternation, jusqu’à ce qu’elles soient détruites.
24 Il livrera leurs rois entre tes mains et tu feras disparaître leurs noms de dessous les cieux; personne ne tiendra devant toi, jusqu’à ce que tu les aies détruits.
25 Vous consumerez par le feu les images taillées de leurs dieux; tu ne convoiteras point l’argent ou l’or qui est sur elles, et tu ne le prendras point pour toi, de peur qu’il ne te soit un piège; car il est en abomination à Yahweh, ton Dieu.
26 Tu n’introduiras point une chose abominable dans ta maison, afin que tu ne sois pas, comme elle, dévoué par anathème; tu l’auras en horreur extrême, tu l’auras en extrême abomination, car c’est une chose dévouée par anathème.

Chapitres 08
1 Vous aurez soin de mettre en pratique tous les commandements que je vous prescris aujourd’hui, afin que vous viviez, que vous multipliiez, que vous entriez et que vous preniez possession du pays que Yahweh a juré de donner à vos pères.
2 Tu te souviendras de tout le chemin par lequel Yahweh, ton Dieu, t’a fait marcher pendant ces quarante années dans le désert, afin de t’humilier, et de t’éprouver, pour connaître les sentiments de ton coeur, si tu garderas ou non ses commandements.
3 Il t’a humilié, il t’a fait avoir faim, et il t’a nourri de la manne, que tu ne connaissais pas et que n’avaient pas connue tes pères, afin de t’apprendre que l’homme ne vit pas de pain seulement, mais que l’homme vit de tout ce qui sort de la bouche de Dieu.
4 Ton vêtement ne s’est pas usé sur toi, et ton pied ne s’est pas enflé, pendant ces quarante années:
5 afin que tu reconnaisses en ton coeur que Yahweh, ton Dieu, t’instruit, comme un homme instruit son enfant,
6 et que tu observes les commandements de Yahweh, ton Dieu, en marchant dans ses voies et en le craignant.
7 Car Yahweh, ton Dieu, va te faire entrer dans un bon pays, pays de torrents, de sources et d’eaux profondes, qui jaillissent dans les vallées et les montagnes;
8 pays de froment, d’orge, de vignes, de figuiers et de grenadiers; pays d’oliviers, d’huile et de miel;
9 pays où tu mangeras du pain en abondance, où tu ne manqueras de rien; pays dont les pierres sont du fer, et des montagnes duquel tu tireras l’airain.
10 Tu mangeras et te rassasieras, et tu béniras Yahweh, ton Dieu, pour le bon pays qu’il t’a donné.
11 Garde-toi d’oublier Yahweh, ton Dieu, négligeant d’observer ses commandements, ses ordonnances et ses lois que je te prescris aujourd’hui,
12 de peur que, quand tu mangeras et te rassasieras, que tu bâtiras et habiteras de belles maisons,
13 que tu verras se multiplier tes boeufs et tes brebis. S’augmenter ton argent, ton or, et s’augmenter tous tes biens,
14 ton coeur ne s’élève et que tu n’oublies Yahweh, ton Dieu, qui t’a fait sortir du pays d’Egypte, de la maison de servitude;
15 qui t’a conduit dans ce grand et affreux désert, où il y a des serpents brûlants et des scorpions, dans des lieux arides et sans eau, et qui a fait jaillir pour toi de l’eau du rocher le plus dur;
16 qui t’a donné à manger dans le désert une manne inconnue à tes pères, afin de t’humilier et de t’éprouver, pour te faire ensuite du bien;
17 et que tu ne dises en ton coeur; «C’est ma force et la vigueur de ma main qui m’ont procuré ces richesses.»
18 Souviens-toi de Yahweh, ton Dieu, car c’est lui qui te donne de la force pour les acquérir, afin d’accomplir, comme tu le vois aujourd’hui, son alliance qu’il a jurée à tes pères.
19 Si, oubliant Yahweh, ton Dieu, il t’arrive d’aller après d’autres dieux, de les servir et de te prosterner devant eux, j’atteste aujourd’hui contre vous que vous périrez certainement.
20 Comme les nations que Yahweh fait périr devant vous, ainsi vous périrez, parce que vous n’aurez pas écouté la voix de Yahweh, votre Dieu.

Chapitres 09
1 Ecoute, Israël. Tu vas aujourd’hui passer le Jourdain, pour marcher à la conquête de nations plus grandes et plus puissantes que toi, de grandes villes dont les murailles s’élèvent jusqu’au ciel,
2 d’un peuple grand et de haute stature, des enfants des Enacim, que tu connais et dont tu as entendu dire: Qui pourra tenir contre les enfants d’Enac?
3 Sache aujourd’hui que Yahweh, ton Dieu, passera lui-même devant toi comme un feu dévorant; c’est lui qui les détruira, lui qui les humiliera devant toi; tu les chasseras et tu les feras périr promptement, comme Yahweh te l’a dit.
4 Ne dis pas dans ton coeur, lorsque Yahweh, ton Dieu , les chassera de devant toi: «C’est à cause de ma justice que Yahweh m’a fait venir pour prendre possession de ce pays». Car c’est à cause de la méchanceté de ces nations que Yahweh les chasse de devant toi.
5 Non, ce n’est point à cause de ta justice et de la droiture de ton coeur que tu viens prendre possession de leur pays; mais c’est à cause de la méchanceté de ces nations que Yahweh, ton Dieu, les chasse de devant toi; c’est aussi pour accomplir la parole que Yahweh a jurée à tes pères, à Abraham, à Isaac et à Jacob.
6 Sache donc que ce n’est pas à cause de ta justice que Yahweh, ton Dieu, te donne ce bon pays en propriété; car tu es un peuple au cou raide.
7 Souviens-toi, n’oublie pas combien tu as irrité Yahweh, ton Dieu, dans le désert. Depuis le jour où tu es sorti du pays d’Egypte jusqu’à votre arrivée dans ce lieu, vous avez été rebelles envers Yahweh.
8 Même en Horeb vous avez excité Yahweh à la colère, et Yahweh fut irrité contre vous jusqu’à vouloir vous détruire.
9 Lorsque je montai sur la montagne, pour recevoir les tables de pierre, les tables de l’alliance que Yahweh avait conclue avec vous, je demeurai sur la montagne quarante jours et quarante nuits, sans manger de pain et sans boire d’eau;
10 et Yahweh me donna les deux tables de pierre écrites du doigt de Dieu, et contenant toutes les paroles que Yahweh vous avait dites sur la montagne, du milieu du feu, le jour de l’assemblée.
11 Au bout des quarante jours et des quarante nuits, Yahweh me donna les deux tables de pierre, les tables de l’alliance.
12 Yahweh me dit alors: «Lève-toi, descends vite d’ici, car ton peuple, que tu as fait sortir d’Egypte, s’est corrompu. Ils se sont promptement écartés de la voie que je leur avais prescrite; ils se sont fait une image de fonte.»
13 Et Yahweh me dit: «Je vois que ce peuple est un peuple au cou raide.
14 Laisse-moi, que je les détruise et que j’efface leur nom de dessous les cieux; et je ferai de toi une nation plus puissante et plus nombreuse que ce peuple.»
15 Je me tournai et je descendis de la montagne, et la montagne était toute en feu, et j’avais dans mes deux mains les deux tables de l’alliance.
16 Je regardai, et voici que vous aviez péché contre Yahweh, votre Dieu; vous vous étiez fait une veau de fonte, et vous vous étiez promptement écartés de la voie que Yahweh vous avait prescrite.
17 Alors, saisissant les deux tables, je les jetai de mes mains et je les brisai sous vos yeux.
18 Et je tombai devant Yahweh, comme la première fois, pendant quarante jours et quarante nuits, sans manger de pain, et sans boire d’eau, à cause de tous les péchés que vous aviez commis en faisant ce qui est mal aux yeux de Yahweh, de manière à l’irriter.
19 Car j’étais effrayé en voyant la colère et la fureur dont Yahweh était animé contre vous, jusqu’à vouloir vous détruire; mais cette fois encore Yahweh m’exauça.
20 Yahweh était aussi fortement irrité contre Aaron, au point de vouloir le faire périr, et j’intercédai aussi pour Aaron en ce temps-là.
21 Je pris le péché que vous aviez fait, le veau d’or, je le brûlai au feu, je le broyai jusqu’à ce qu’il fût bien réduit en poudre, et je jetai cette poudre dans le torrent qui descend de la montagne.
22 A Tabééra, à Massah et à Kibroth-Hattaava, vous avez encore excité Yahweh à la colère.
23 Et lorsque Yahweh vous envoya de Cédès-Barné, en disant: Montez et prenez possession du pays que je vous donne, vous fûtes rebelles à l’ordre de Yahweh, votre Dieu, vous n’eûtes pas foi en lui et vous n’obéîtes pas à sa voix.
24 Vous avez été rebelles à Yahweh depuis le jour où je vous ai connus.
25 Je me prosternai donc devant Yahweh pendant les quarante jours et les quarante nuits que je restai prosterné, car Yahweh parlait de vous détruire.
26 Je priai Yahweh et je dis: «Seigneur Yahweh, ne détruisez pas votre peuple, votre héritage, que vous avez racheté par votre grandeur, que vous avez fait sortir d’Egypte par votre main puissante.
27 Souvenez-vous de vos serviteurs, Abraham, Isaac et Jacob; ne regardez point à l’opiniâtreté de ce peuple, à sa méchanceté et à son péché,
28 de peur que le pays d’où vous nous avez fait sortir ne dise: Parce que Yahweh n’avait pas le pouvoir de les faire entrer dans le pays qu’il leur avait promis, et parce qu’il les haïssait, il les a fait sortir pour les faire mourir dans le désert.
29 Et pourtant ils sont votre peuple et votre héritage, que vous avez fait sortir d’Egypte par votre grande puissance et par votre bras étendu!»

Chapitres 10

1 En ce temps-là, Yahweh me dit: Taille-toi deux tables de pierre, comme les premières, et monte vers moi sur la montagne; tu feras aussi une arche de bois.
2 J’écrirais sur ces tables les paroles qui étaient sur les premières tables, que tu as brisées, et tu les mettras dans l’arche.
3 Je fis une arche de bois d’acacia et, ayant taillé deux tables de pierre comme les premières, je montai sur la montagne, les deux tables dans ma main.
4 Il écrivit sur ces tables ce qui avait été écrit sur les premières, les dix paroles que Yahweh vous avait dites sur la montagne, du milieu du feu, le jour de l’assemblée;
5 et Yahweh me les donna. Je me tournai et, étant descendu de la montagne, je mis les tables dans l’arche que j’avais faite, et elles y sont restées, comme Yahweh me l’avait ordonné.
6 Les enfants d’Israël partirent de Béeroth-Bené-Jakan pour Moséra. Là mourut Aaron, et il y fut enterré; Eléazar, son fils, fut grand prêtre à sa place.
7 De là ils partirent pour Gadgad, et de Gadgad pour Jétébatha, pays riche en cours d’eaux.
8 En ce temps-là, Yahweh sépara la tribu de Lévi, pour porter l’arche de l’alliance de Yahweh, pour se tenir devant Yahweh, pour le servir et pour bénir en son nom: ce qu’elle a fait jusqu’à ce jour.
9 C’est pourquoi Lévi n’a ni part ni héritage avec ses frères: c’est Yahweh qui est son héritage, comme Yahweh, ton Dieu, le lui a dit.
10 Je me tins sur la montagne, comme précédemment, quarante jours et quarante nuits, et Yahweh m’exauça encore cette fois: Yahweh ne voulut pas te détruire.
11 Yahweh me dit: «Lève-toi, va te mettre à la tête du peuple; qu’ils entrent et qu’ils prennent possession du pays que j’ai juré à leurs pères de leur donner.
12 Et maintenant, Israël, que demande de toi Yahweh, ton Dieu, si ce n’est que tu craignes Yahweh, ton Dieu, en marchant dans toutes ses voies, en aimant et en servant Yahweh, ton Dieu, de tout ton coeur et de toute ton âme,
13 en observant les commandements de Yahweh et ses lois que je te prescris aujourd’hui, afin que tu sois heureux?
14 Vois! A Yahweh, ton Dieu, appartiennent le ciel et le ciel des cieux, la terre et tout ce qu’elle renferme.
15 Et c’est à tes pères seulement que Yahweh s’est attaché pour les aimer; et c’est leur postérité après eux, c’est vous qu’il a choisi d’entre tous les peuples, comme vous le voyez aujourd’hui.
16 Circoncisez donc votre coeur et ne raidissez plus votre cou.
17 Car Yahweh, votre Dieu, est le Dieu des dieux, le Seigneur des Seigneurs, le Dieu grand, fort et terrible, qui ne fait point acception des personnes et qui ne reçoit point de présent,
18 qui fait droit à l’orphelin et à la veuve, qui aime l’étranger et lui donne de la nourriture et des vêtements.
19 Vous aimerez l’étranger, car vous avez été étrangers dans le pays d’Egypte.
20 Tu craindras Yahweh, ton Dieu, tu le serviras, tu t’attacheras à lui, et tu jureras par son nom.
21 Il est ta louange, il est ton Dieu; c’est lui qui a fait pour toi ces choses grandes et terribles que tes yeux ont vues.
22 Tes pères descendirent en Egypte au nombre de soixante-dix personnes, et maintenant Yahweh, ton Dieu, a fait de toi une multitude comme les étoiles du ciel.

Chapitres 11

1 Tu aimeras Yahweh, ton Dieu, et tu observeras ce qu’il demande de toi, ses lois, ses ordonnances et ses commandements, tous les jours de ta vie.
2 Reconnaissez aujourd’hui, — car je ne m’adresse pas à vos enfants, qui ne connaissent pas et qui n’ont pas vu les leçons de Yahweh,votre Dieu,– reconnaissez sa grandeur, sa main forte et son bras étendu;
3 ses prodiges et ses oeuvres qu’il a faits au milieu de l’Egypte, contre Pharaon, roi d’Egypte, et contre tout son pays;
4 ce qu’il a fait à l’armée d’Egypte, à ses chevaux et à ses chars, comment il a précipité sur eux les eaux de la mer Rouge, lorsqu’il vous poursuivaient, et comment Yahweh les a détruits jusqu’à ce jour.
5 Reconnaissez ce qu’il a fait pour vous dans le désert, jusqu’à votre arrivée en ce lieu;
6 ce qu’il a fait à Dathan et Abiron, fils d’Eliab, fils de Ruben, que la terre, ouvrant sa bouche, engloutit, avec leurs maisons, leurs tentes et toutes les personnes de leur suite, au milieu de tout Israël.
7 Car vos yeux ont vu toutes les grandes oeuvres que Yahweh a faites.
8 Vous observerez donc tous les commandements que je vous prescris aujourd’hui, afin que vous soyez forts, que vous entriez et que vous vous rendiez maîtres du pays où vous allez passer pour en prendre possession,
9 et afin que vous prolongiez vos jours sur la terre que Yahweh a juré à vous pères de leur donner, à eux et à leur postérité, pays où coulent le lait et le miel.
10 Car le pays où tu vas entrer pour le posséder n’est pas comme le pays d’Egypte, d’où vous êtes sortis, que tu ensemençais et que tu arrosais avec ton pied, comme au jardin potager.
11 Mais le pays où vous allez passer pour le posséder est un pays de montagnes et de vallées, qui boit les eaux de la pluie du ciel;
12 un pays dont Yahweh, ton Dieu, prend soin, et sur lequel Yahweh a continuellement les yeux, depuis le commencement de l’année jusqu’à la fin de l’année.
13 Si vous obéissez à mes commandements que je vous prescris aujourd’hui, aimant Yahweh, votre Dieu, en le servant de tout votre coeur et de toute votre âme,
14 je donnerai à votre pays la pluie en son temps, la pluie première et celle de la dernière saison, et tu recueilleras ton blé, ton vin nouveau et ton huile;
15 je mettrai aussi de l’herbe dans tes champs pour ton bétail, et tu mangeras et te rassasieras.
16 Prenez garde à vous, de peur que votre coeur ne soit séduit, que vous ne vous détourniez et ne serviez d’autres dieux et ne vous prosterniez devant eux.
17 La colère de Yahweh s’enflammerait contre vous; il fermerait le ciel, et il n’y aurait point de pluie; la terre ne donnerait pas ses produits et vous péririez promptement dans le bon pays que Yahweh vous donne.
18 Mettez donc sur votre coeur et sur votre âme ces paroles que je vous dis. Vous les lierez comme un signe sur vos mains, et elles seront comme des fronteaux entre vos yeux.
19 Vous les enseignerez à vos enfants, et vous leur en parlerez, soit quand tu resteras dans ta maison, ou que tu iras en voyage, soit quand tu te coucheras ou que tu te lèveras.
20 Tu les écriras sur les poteaux de ta maison et sur tes portes:
21 afin que vos jours et les jours de vos enfants, dans le pays que Yahweh a juré à vos pères de leur donner, soient aussi nombreux que les jours des cieux au-dessus de la terre.
22 Car si vous observez soigneusement tous ces commandements que je vous prescris d’accomplir, aimant Yahweh, votre Dieu, marchant dans toutes ses voies et vous attachant à lui,
23 Yahweh chassera toutes ces nations devant vous, et vous vous rendrez maîtres de nations plus grandes et plus puissantes que vous.
24 Tout lieu que foulera la plante de vos pieds sera à vous; votre frontière s’étendra du désert au Liban, et du fleuve de l’Euphrate jusqu’à la mer occidentale.
25 Nul ne tiendra devant vous; Yahweh, votre Dieu, répandra devant vous, comme il vous l’a dit, la crainte et l’effroi sur tout le pays où vous mettrez le pied.
26 Voici que je mets aujourd’hui devant vous une bénédiction et une malédiction:
27 la bénédiction, si vous obéissez aux commandements de Yahweh, votre Dieu, que je vous prescris aujourd’hui;
28 la malédiction, si vous n’obéissez pas aux commandements de Yahweh, votre Dieu, et si vous vous détournez de la voie que je vous prescris en ce jour, pour aller après d’autres dieux que vous n’avez pas connus.
29 Et lorsque Yahweh, ton Dieu, t’aura fait entrer dans le pays où tu vas pour en prendre possession, tu prononceras la bénédiction sur le mont Garizim, et la malédiction sur le mont Ebal.
30 Ces montagnes ne sont-elles pas de l’autre côté du Jourdain, derrière le chemin de l’occident, au pays des Chananéens qui habitent dans l’Arabah, vis-à-vis de Galgala, près des térébinthes de Moré?
31 Car vous allez passer le Jourdain pour entrer en possession du pays que Yahweh, votre Dieu, vous donne; vous le posséderez et vous y habiterez.
32 Vous aurez donc soin d’observer toutes les lois et toutes les ordonnances que je mets aujourd’hui devant vous.»

Chapitres 12
1 Voici les lois et les ordonnances que vous aurez soin de mettre en pratique dans le pays que Yahweh, le Dieu de vos pères, vous à donné pour le posséder, tout le temps que vous vivrez sur ce sol.
2 Vous détruirez entièrement tous les lieux où les nations que vous allez chasser servaient leurs dieux, sur les hautes montagnes, sur les collines et sous tout arbre vert.
3 Vous renverserez leurs autels, vous briserez leurs stèles, vous livrerez au feu leurs aschérim, vous mettrez en pièces les images taillées de leurs dieux, et vous ferez disparaître de ces lieux jusqu’à leurs noms.
4 Vous ne ferez pas ainsi à l’égard de Yahweh, votre Dieu.
5 Mais vous le chercherez au lieu que Yahweh, votre Dieu, choisira parmi toutes vos tribus pour y mettre son nom et en faire sa demeure, et c’est là que tu iras.
6 C’est là que vous présenterez vos holocaustes et vos sacrifices, vos dîmes et ce que votre main aura prélevé, vos voeux et vos offrandes volontaires, et les premiers-nés de vos boeufs et de vos brebis.
7 C’est là que vous ferez des repas sacrés devant Yahweh, votre Dieu, et que vous vous réjouirez, vous et vos familles, en jouissant de tous les biens que votre main aura acquis et par lesquels Yahweh, ton Dieu, t’aura béni.
8 Vous ne ferez pas, selon tout ce que nous faisons maintenant ici, chacun ce que bon lui semble,
9 parce que vous n’êtes pas encore arrivés au repos et à l’héritage que te donne Yahweh, ton Dieu.
10 Mais vous passerez le Jourdain et vous habiterez le pays que Yahweh, votre Dieu, vous donnera en héritage, et il vous donnera du repos en vous protégeant contre tous les ennemis qui vous entourent, et vous habiterez en sécurité.
11 Alors dans le lieu que Yahweh, votre Dieu, choisira pour y faire habiter son nom, c’est là que vous présenterez tout ce que je vous commande, vos holocaustes et vos sacrifices, vos dîmes et ce que votre main aura prélevé, et toutes les offrandes de choix pour l’accomplissement de vos voeux que vous ferez à Yahweh.
12 Et vous vous réjouirez en présence de Yahweh, votre Dieu, vous, vos fils et vos filles, vos serviteurs et vos servantes, et le Lévite qui sera dans vos portes, car il n’a reçu ni part ni héritage avec vous.
13 Garde-toi d’offrir tes holocaustes dans tous les lieux que tu verras;
14 mais tu offriras tes holocaustes au lieu que Yahweh aura choisi dans l’une de tes tribus, et c’est là que tu feras tout ce que je te commande.
15 Tu pourras néanmoins, tant que tu le désireras, tuer du bétail et manger de la viande dans toutes tes portes, selon les bénédictions que t’accordera Yahweh, ton Dieu; l’homme impur et l’homme pur pourront en manger, comme on mange de la gazelle et du cerf. Mais vous ne mangerez pas le sang: tu le répandras sur la terre, comme de l’eau.
17 Tu ne pourras pas manger dans tes portes la dîme de ton blé, de ton vin nouveau et de ton huile, ni les premiers-nés de tes boeufs et de tes brebis, ni toutes les offrandes que tu auras vouées, ni tes offrandes volontaires, ni ce que ta main aura prélevé.
18 C’est devant Yahweh, ton Dieu, dans le lieu que Yahweh, ton Dieu, aura choisi, que tu les mangeras, toi, ton fils et ta fille, ton serviteur et ta servante, et le Lévite qui sera dans tes portes; tu te réjouiras devant Yahweh, ton Dieu, en jouissant de tous les biens que ta main aura acquis.
19 Garde-toi de délaisser le Lévite, aussi longtemps que tu vivras sur ton sol.
20 Lorsque Yahweh, ton Dieu, aura élargi tes frontières, comme il te l’a promis, et que tu diras: Je veux manger de la viande, ton âme éprouvant le désir de manger de la viande, tu pourras manger de la viande toutes les fois que tu le désireras.
21 Si le lieu que Yahweh, ton Dieu, choisira pour y mettre son nom est éloigné de toi, tu pourras tuer de tes boeufs et de tes brebis que Yahweh t’a donnés, selon que je te l’ai prescrit, et tu en mangeras dans tes portes, toutes les fois que tu le désireras.
22 Tu en mangeras comme on mange de la gazelle ou du cerf: l’homme pur ou l’homme impur en mangeront l’un et l’autre.
23 Seulement tiens ferme à ne pas manger le sang, car le sang, c’est l’âme, et tu ne mangeras pas l’âme avec la chair.
24 Tu ne le mangeras pas; tu le répandras sur la terre comme de l’eau.
25 Tu ne le mangeras pas, afin que tu sois heureux, toi et tes enfants après toi, en faisant ce qui est droit aux yeux de Yahweh.
26 Mais les saintes offrandes qui te sont demandées et celles que tu as vouées, tu les prendras et tu iras au lieu que Yahweh aura choisi,
27 et tu offriras tes holocaustes, la chair et le sang, sur l’autel de Yahweh, ton Dieu, et tu mangeras la chair.
28 Observe et écoute toutes ces choses que je t’ordonne, afin que tu sois heureux, toi et tes enfants après toi, à perpétuité, en faisant ce qui est bien et droit aux yeux de Yahweh.
29 Lorsque Yahweh, ton Dieu, aura exterminé les nations là où tu vas pour les chasser de devant de toi, que tu les auras chassées et que tu habiteras dans leur pays,
30 prends garde que tu ne sois pris au piège en les imitant, après qu’elles auront été détruites devant toi. Garde-toi de rechercher leurs dieux, en disant: «Comment ces nations servaient-elles leurs dieux? Je veux faire de même, moi aussi.»
31 Tu n’agiras pas ainsi à l’égard de Yahweh, ton Dieu; car elles faisaient pour leurs dieux toutes les abominations que déteste Yahweh, et même elles livrent au feu leurs fils et leurs filles en l’honneur de leurs dieux.
32 Toutes les choses que je vous prescris, vous les observerez en les mettant en pratique, sans y rien ajouter et sans en rien retrancher.

Chapitres 13

1 S’il s’élève au milieu de toi un prophète ou un songeur qui t’annonce un signe ou un prodige,
2 et que s’accomplisse le signe ou le prodige dont il t’a parlé en disant: «Allons après d’autres dieux, — des dieux que tu ne connais pas! — et servons-les,»
3 tu n’écouteras pas les paroles de ce prophète ou de ce songeur; car Yahweh, votre Dieu, vous éprouve pour savoir si vous aimez Yahweh, votre Dieu, de tout votre coeur et de toute votre âme.
4 C’est après Yahweh, votre Dieu, que vous irez, c’est lui que vous craindrez; vous observerez ses commandements, vous obéirez à sa voix, vous le servirez et vous vous attacherez à lui.
5 Et ce prophète ou ce songeur sera mis à mort, car il a prêché la révolte contre Yahweh, votre Dieu, qui vous a fait sortir du pays d’Egypte et vous a délivrés de la maison de servitude, pour te détourner de la voie dans laquelle Yahweh, ton Dieu, t’a ordonné de marcher. Tu ôteras ainsi le mal du milieu de toi.
6 Si ton frère, fils de ta mère, ou ton fils, ou ta fille, ou la femme qui repose sur ton sein, ou ton ami qui est comme ta propre âme, t’incite en secret, en disant: «Allons, et servons d’autres dieux,» — des dieux que n’ont connus ni toi ni tes pères,
7 d’entre les dieux des peuples qui vous entourent, près de toi ou loin de toi, d’un bout de la terre à l’autre, —
8 tu ne lui céderas pas et tu ne l’écouteras pas; ton oeil sera sans pitié pour lui, tu ne l’épargneras pas et tu ne le couvriras pas,
9 mais tu le feras mourir; ta main se lèvera la première contre lui pour le mettre à mort, et la main de tout le peuple ensuite;
10 tu l’accableras de pierres jusqu’à ce qu’il meure, parce qu’il a cherché à te détourner de Yahweh, ton Dieu, qui t’a fait sortir du pays d’Egypte, de la maison de servitude.
11 Tout Israël l’apprendra et sera dans la crainte, afin que l’on ne commette plus une action aussi criminelle au milieu de toi.
12 Si tu entends dire de l’une des villes que Yahweh, ton Dieu, t’a données pour demeure:
13 «Des gens pervers, sortis du milieu de toi, ont séduit les habitants de leur ville, en disant: «Allons et servons d’autres dieux,» — des dieux que vous ne connaissez pas! –
14 tu feras une enquête, tu examineras, tu interrogeras avec soin. Si ce bruit est vrai et le fait établi, si cette abomination a été commise au milieu de toi,
15 alors, tu ne manqueras pas de passer au fil de l’épée les habitants de cette ville, la dévouant par anathème avec tout ce qu’elle contient, et tu passeras aussi son bétail au fil de l’épée.
16 Tu amasseras tout son butin au milieu de la place, et tu brûleras entièrement au feu la ville avec tout son butin, pour Yahweh, ton Dieu; elle sera pour toujours un monceau de ruines, elle ne sera plus rebâtie.
17 Rien de ce qui aura été dévoué par anathème ne s’attachera à ta main, afin que Yahweh revienne de l’ardeur de sa colère, qu’il te fasse grâce et miséricorde, et qu’il te multiplie, comme il l’a juré à tes pères,
18 si tu obéis à la voix de Yahweh, ton Dieu, en observant tous ses commandements que je te prescris aujourd’hui, et en faisant ce qui est droit aux yeux de Yahweh, ton Dieu.

Chapitres 14
1 Vous êtes les enfants de Yahweh, votre Dieu. Vous ne ferez point d’incision et vous ne tondrez point une place entre les yeux pour un mort.
2 Car tu es un peuple saint à Yahweh, ton Dieu; et Yahweh t’a choisi pour lui être un peuple particulier entre tous les peuples qui sont sur la face de la terre.
3 Tu ne mangeras aucune chose abominable.
4 Voici les animaux dont vous mangerez:
5 le boeuf, la brebis et la chèvre; le cerf, la gazelle et le daim; le bouquetin, l’antilope, le boeuf sauvage et la chèvre sauvage.
6 Vous mangerez de tout animal qui a la corne divisée et le pied fourchu, et qui rumine.
7 Mais vous ne mangerez pas de ceux qui ruminent seulement, ou qui ont seulement la corne divisée et le pied fourchu; tels sont le chameau, le lièvre et le lapin, qui ruminent, mais qui n’ont pas la corne divisée: ils seront impurs pour vous;
8 tel est encore le porc, qui a la corne divisée, mais qui ne rumine pas: il sera impur pour vous. Vous ne mangerez pas de leur chair, et vous ne toucherez pas leurs corps morts.
9 Voici les animaux que vous mangerez parmi tous ceux qui sont dans les eaux: vous mangerez de tout ce qui a nageoires et écailles;
10 mais tout ce qui n’a pas: ce sera impur pour vous.
11 Vous mangerez tout oiseau pur.
12 Voici ceux dont vous ne mangerez pas:
13 l’aigle, l’orfraie et le vautour; le faucon
14 le milan et toute espèce d’autours; toute
15 espèce de corbeaux; l’autruche, le hibou, la mouette et toute espèce d’éperviers;
16 le chat-huant, l’ibis et la chouette;
17 le pélican, le cormoran et le plongeon;
18 la cigogne et toute espèce de hérons; la
19 huppe et la chauve-souris. Vous regarderez comme impur tout insecte ailé: on
20 n’en mangera pas. Vous mangerez tout oiseau pur.
21 Vous ne mangerez d’aucune bête morte. Tu la donneras à l’étranger qui est dans tes portes, pour qu’il la mange, ou tu la vendras à un étranger; car tu es un peuple saint à Yahweh, ton Dieu. Tu ne feras pas cuire un chevreau dans le lait de sa mère.
22 Tu lèveras la dîme de tout le produit de tes semailles, de ce que ton champ rapportera chaque année.
23 Et tu mangeras devant Yahweh, ton Dieu, dans le lieu qu’il aura choisi pour y faire habiter ton nom, la dîme de ton blé, de ton vin nouveau et de ton huile, ainsi que les premiers-nés de tes boeuf et de tes brebis, afin que tu apprennes à craindre Yahweh, ton Dieu, à jamais.
24 Mais si le chemin est trop long pour toi, et que tu ne puisses l’y transporter, parce que le lieu que Yahweh choisira pour y faire habiter son nom sera trop loin de toi, lorsque Yahweh, ton Dieu, t’aura béni:
25 tu échangeras ta dîme pour de l’argent et , ayant serré l’argent dans ta main, tu iras au lieu que Yahweh, ton Dieu, aura choisi.
26 Là, tu achèteras avec l’argent tout ce que désirera ton âme, des boeufs, des brebis, du vin, des liqueurs fermentées, tout ce que demandera ton âme, et tu mangeras là devant Yahweh, ton Dieu, et tu te réjouiras, toi et ta maison.
27 Tu ne délaisseras pas le Lévite qui sera dans tes portes, car il n’a ni part ni héritage avec toi.
28 A la fin de chaque troisième année, tu mettras à part toute la dîme de tes produits de cette année-là, et tu la déposeras dans tes portes.
29 Alors viendra le Lévite, qui n’a ni part ni héritage avec toi, ainsi que l’étranger, l’orphelin et la veuve, qui seront dans tes portes, et ils mangeront et se rassasieront, afin que Yahweh, ton Dieu, te bénisse dans toutes les oeuvres que tu entreprendras de tes mains.

Chapitres 15

1 A la fin de chaque septième année, tu fera rémission.
2 Voici comment se pratiquera la rémission: tout créancier qui aura fait un prêt accordera rémission pour ce qu’il a prêté à son prochain: il ne pressera pas son prochain et son frère, quand on aura publié la rémission de Yahweh.
3 Tu pourras presser l’étranger; mais pour ce qui t’appartient chez ton frère, ta main fera rémission,
4 afin qu’il n’y ait pas de pauvre chez toi. Car Yahweh te bénira certainement dans le pays que Yahweh, ton Dieu, t’a donné en héritage pour le posséder,
5 pourvu seulement que tu obéisses à la voix de Yahweh, ton Dieu, en mettant soigneusement en pratique tous ses commandements que je te prescris aujourd’hui.
6 Car Yahweh, ton Dieu, te bénira, comme il te l’a dit; tu feras des prêts à beaucoup de nations, et toi tu n’emprunteras pas; tu domineras sur beaucoup de nations, et elles ne domineront pas sur toi.
7 S’il y a chez toi un pauvre d’entre tes frères, dans l’une de tes portes, au pays que Yahweh, ton Dieu, te donne, tu n’endurciras pas ton coeur et ne fermeras pas ta main à ton frère pauvre;
8 mais tu lui ouvriras ta main, et tu lui prêteras de quoi pourvoir à ses besoins selon ce qui lui manque.
9 Prends garde qu’il ne s’élève dans ton coeur cette pensée basse: «La septième année, l’année de rémission, approche!» et que ton oeil ne soit mauvais envers ton frère pauvre, de peur que tu ne lui donnes rien, et qu’il ne crie à Yahweh contre toi, et que tu ne sois chargé d’un péché.
10 Tu dois lui donner, et, en lui donnant, que ton coeur n’ait pas de regret; car, à cause de cela, Yahweh, ton Dieu, te bénira dans tous tes travaux et dans toutes tes entreprises.
11 Il ne manquera jamais de pauvre au milieu du pays; c’est pourquoi je te donne ce commandement: Tu ouvriras ta main à ton frère, à l’indigent et au pauvre dans ton pays.
12 Si l’un de tes frères hébreux, homme ou femme, se vend à toi, il te servira six ans et, la septième année, tu le renverras libre de chez toi.
13 Et quand tu le renverras libre de chez toi, tu ne le renverras pas à vide;
14 mais tu ne manqueras pas de lui donner des présents de ton menu bétail, de ton aire et de ton pressoir; tu lui donneras une part des biens dont Yahweh, ton Dieu, t’aura béni.
15 Tu te souviendras que tu as été esclave au pays d’Egypte, et que Yahweh, ton Dieu, t’a racheté; c’est pourquoi je te donne aujourd’hui ce commandement.
16 Mais si ton esclave te dit: «Je ne veux pas sortir de chez toi,» parce qu’il t’aime, toi et ta maison, et qu’il se trouve bien chez toi,
17 alors prenant un poinçon, tu lui perceras l’oreille contre la porte de ta maison, et il sera pour toujours ton serviteur; tu feras de même pour ta servante.
18 Tu ne trouveras point pénible de le renvoyer libre de chez toi, car, en te servant six ans, il t’a valu le double du salaire d’un mercenaire, et Yahweh, ton Dieu, te bénira dans tout ce que tu feras
19 Tu consacreras à Yahweh, ton Dieu, tout premier-né mâle qui naîtra dans ton bétail gros et menu; tu ne travailleras pas avec le premier-né de ton boeuf, et tu ne tondras pas le premier-né de tes brebis,
20 mais tu le mangeras chaque année, toi et ta famille, devant Yahweh, ton Dieu, dans le lieu qu’il aura choisi.
21 Mais s’il a une difformité, s’il est boiteux ou aveugle, ou s’il a toute autre difformité mauvaise, tu ne l’offriras pas en sacrifice à Yahweh, ton Dieu.
22 Tu le mangeras dans tes portes; l’homme impur et l’homme pur en mangeront l’un et l’autre, comme on mange de la gazelle ou du cerf.
23 Seulement tu n’en mangeras pas le sang: tu le répandras sur la terre comme de l’eau.

Chapitres 16
1 Observe le mois d’Abib et célèbre la Pâque en l’honneur de Yahweh, ton Dieu; car c’est au mois d’Abib que Yahweh, ton Dieu, t’a fait sortir d’Egypte, pendant la nuit.
2 Tu immoleras la Pâque à Yahweh, ton Dieu, les brebis et les boeufs, au lieu que Yahweh, ton Dieu, aura choisi pour y faire habiter son nom.
3 Avec ces victimes, tu ne mangeras pas du pain levé, mais pendant sept jours tu mangeras des pains sans levain, du pain d’affliction, — car c’est en hâte que tu es sorti du pays d’Egypte, — afin que tu te souviennes toute ta vie du jour où tu es sorti d’Egypte.
4 On ne verra pas chez toi de levain, dans toute l’étendue de ton territoire, pendant sept jours, et aucune partie des victimes que tu auras immolées le soir du premier jour ne restera pendant la nuit jusqu’au matin.
5 Tu ne pourras pas sacrifier la Pâque dans chacune de tes villes que te donnera Yahweh, ton Dieu;
6 mais c’est au lieu que Yahweh, ton Dieu, aura choisi pour y faire habiter son nom, que tu sacrifieras la Pâque, le soir, au coucher du soleil, au temps de ta sortie d’Egypte.
7 Tu feras cuire la victime et tu la mangeras au lieu qu’aura choisi Yahweh, ton Dieu; et tu t’en retourneras le matin pour aller dans tes tentes.
8 Pendant six jours, tu mangeras des pains sans levain, et le septième jour sera l’assemblée solennelle en l’honneur de Yahweh, ton Dieu: tu ne feras aucun ouvrage.
9 Tu compteras sept semaines; dès que la faucille sera mise au blé, tu commenceras à compter sept semaines;
10 et tu célébreras la fête des Semaines en l’honneur de Yahweh, ton Dieu, avec les offrandes volontaires de tes mains, que tu feras selon que Yahweh, ton Dieu, t’auras béni.
11 Tu te réjouiras en présence de Yahweh, ton Dieu, dans le lieu que Yahweh ton Dieu, aura choisi pour y faire habiter son nom, toi, ton fils et ta fille, ton serviteur et ta servante, le Lévite qui sera dans tes portes, ainsi que l’étranger, l’orphelin et la veuve qui seront au milieu de toi.
12 Tu te souviendras que tu as été esclave en Egypte, et tu auras soin de mettre ces lois en pratique.
13 Tu célébreras la fête des Tabernacles pendant sept jours, lorsque tu auras recueilli le produit de ton aire et de ton pressoir;
14 tu te réjouiras à cette fête, toi, ton fils et ta fille, ton serviteur et ta servante, ainsi que le Lévite, l’étranger, l’orphelin et la veuve qui seront dans tes portes.
15 Tu célébreras la fête pendant sept jours en l’honneur de Yahweh, ton Dieu, dans le lieu que Yahweh aura choisi; car Yahweh, ton Dieu, te bénira dans toutes tes récoltes et dans tout le travail de tes mains, et tu seras tout entier à la joie.
16 Trois fois par année, tout mâle d’entre vous se présentera devant Yahweh, votre Dieu, dans le lieu qu’il aura choisi: à la fête des Azymes, à la fête des Semaines et à la fête des Tabernacles; il ne paraîtra pas devant Yahweh les mains vides.
17 Chacun fera ses offrandes, selon ce qu’il peut donner, selon les bénédictions que Yahweh, ton Dieu, lui aura accordées.
18 Tu établiras des juges et des magistrats dans toutes les villes que Yahweh, ton Dieu, te donnera, selon tes tribus, et ils jugeront le peuple avec justice.
19 Tu ne feras point fléchir le droit, tu n’auras point égard aux personnes et tu ne recevras point de présents, car les présents aveuglent les yeux des sages et corrompent les paroles des justes.
20 Tu suivras strictement la justice, afin que tu vives et que tu possèdes le pays que te donne Yahweh, ton Dieu.
21 Tu ne planteras pas d’aschéra, aucun bois, à côté de l’autel que tu élèveras à Yahweh, ton Dieu.
22 Tu ne dresseras point de ces stèles, qui sont en aversion à Yahweh, ton Dieu.

Chapitres 17

1 Tu ne sacrifieras à Yahweh, ton Dieu, ni boeuf ni agneau, qui ait quelque défaut ou difformité; car c’est une abomination à Yahweh, ton Dieu.
2 S’il se trouve au milieu de toi, dans l’une de tes villes que Yahweh, ton Dieu, te donne, un homme ou une femme qui fasse ce qui est mal aux yeux de Yahweh, ton Dieu, en transgressant son alliance,
3 qui aille à d’autres dieux pour les servir et se prosterner devant eux, devant le soleil, ou la lune, ou toute l’armée du ciel, ce que je n’ai pas commandé,
4 quand la chose t’aura été rapportée, quand tu l’auras appris, tu feras d’exactes recherches. Si le bruit est vrai et le fait bien établi, si cette abomination a été commise en Israël,
5 alors tu feras conduire aux portes de ta ville l’homme ou la femme coupables de cette mauvaise action, l’homme ou la femme, tu les lapideras jusqu’à ce qu’ils meurent.
6 Sur la parole de deux témoins ou de trois témoins on mettra à mort celui qui doit mourir; il ne sera pas mis à mort sur la parole d’un seul témoin.
7 La main des témoins se lèvera la première sur lui pour le faire mourir, et ensuite la main de tout le peuple. Tu ôteras ainsi le mal du milieu de toi.
8 Si une affaire relative à un meurtre, à une contestation, à une blessure, –objets de litiges dans tes portes, — te paraît trop difficile, tu te lèveras et tu monteras au lieu que Yahweh, ton Dieu, aura choisi.
9 Tu iras trouver les prêtres lévitiques; et le juge en fonction à ce moment; tu les consulteras, et ils te feront connaître ce qui est conforme au droit.
10 Tu agiras d’après la sentence qu’ils t’auront fait connaître dans le lieu que Yahweh aura choisi, et tu auras soin d’agir selon tout ce qu’ils enseigneront.
11 Tu agiras selon la loi qu’ils enseigneront, et selon la sentence qu’ils auront prononcée, sans te détourner ni à droite ni à gauche de ce qu’ils t’auront fait connaître.
12 Celui qui, se laissant aller à l’orgueil, agira sans écouter le prêtre qui se tient là pour servir Yahweh, ton Dieu, ou sans écouter le juge, sera puni de mort.
13 Ainsi tu ôteras le mal du milieu d’Israël; et tout le peuple en l’apprenant, craindra et ne se laissera plus aller à l’orgueil.
14 Lorsque tu seras entré dans le pays que Yahweh, ton Dieu, te donne, que tu en auras pris possession, et que tu y auras établi ta demeure, si tu dis: «Je veux mettre un roi sur moi, comme toutes les nations qui m’entourent»,
15 tu mettras sur toi un roi que Yahweh, ton Dieu, aura choisi; c’est du milieu de tes frères que tu prendras un roi, pour l’établir sur toi; tu ne pourras pas te donner pour roi un étranger qui ne serait pas ton frère.
16 Mais qu’il n’ait pas un grand nombre de chevaux, et qu’il ne ramène pas le peuple en Egypte pour avoir beaucoup de chevaux; car Yahweh vous a dit: «Vous ne retournerez plus désormais par ce chemin-là.»
17 Qu’il n’ait pas un grand nombre de femmes, de peur que son coeur ne se détourne; qu’il ne fasse pas de grands amas d’argent et d’or.
18 Dès qu’il sera assis sur le trône de sa royauté, il écrira pour lui sur un livre une copie de cette loi, d’après l’exemplaire qui est chez les prêtres lévitiques.
19 Il l’aura avec lui et il y lira tous les jours de sa vie, afin qu’il apprenne à craindre Yahweh, son Dieu, à observer toutes les paroles de cette loi et toutes ces ordonnances en les mettant en pratique;
20 pour que son coeur ne s’élève pas au-dessus de ses frères, et qu’il ne se détourne des commandements ni à droite ni à gauche, afin qu’il prolonge ses jours dans son royaume, lui et ses fils, au milieu d’Israël.

Chapitres 18

1 Les prêtres lévitiques, la tribu entière de Lévi, n’auront ni part ni héritage avec Israël; ils se nourriront des sacrifices de Yahweh faits par le feu et de son héritage.
2 Ils n’auront point d’héritage au milieu de leurs frères; Yahweh est leur héritage, comme il leur a dit.
3 Voici quel sera le droit des prêtres sur le peuple, sur ceux qui sacrifieront un boeuf ou une brebis: on donnera au prêtre l’épaule, les mâchoires et l’estomac.
4 Tu lui donneras les prémices de ton blé, de ton vin nouveau et de ton huile, et les prémices de la toison de tes brebis;
5 car c’est lui que Yahweh, ton Dieu, a choisi d’entre toutes les tribus pour se tenir devant Yahweh et faire le service au nom de Yahweh, lui et ses fils, à toujours.
6 Si un lévite quitte l’une de tes villes, le lieu quelconque du territoire d’Israël où il demeure, pour venir, selon tout le désir de son âme, au lieu qu’aura choisi Yahweh,
7 et qu’il fasse le service au nom de Yahweh, son Dieu, comme tous ses frères les lévites qui se tiennent là devant Yahweh,
8 il aura pour sa nourriture une portion égale à la leur, indépendamment des produits de la vente de son patrimoine.
9 Quand tu seras entré dans le pays que te donne Yahweh, ton Dieu, tu n’apprendras pas à imiter les abominations de ces nations-là.
10 Qu’on ne trouve chez toi personne qui fasse passer par le feu son fils ou sa fille, qui s’adonne à la divination, au augures, aux superstitions et aux enchantements,
11 qui ait recours aux charmes, qui consulte les évocateurs et les sorciers, et qui interroge les morts.
12 Car tout homme qui fait ces choses est en abomination à Yahweh, et c’est à cause de ces abominations que Yahweh, ton Dieu, va chasser ces nations devant toi.
13 Tu seras intègre avec Yahweh, ton
14 Dieu. Car ces nations que tu vas chasser écoutent les augures et les devins; mais à toi, Yahweh, ton Dieu, ne le permet pas.
15 Yahweh, ton Dieu, te suscitera du milieu de toi, d’entre tes frères, un prophète tel que moi: vous l’écouterez.
16 C’est ce que tu as demandé à Yahweh, ton Dieu, en Horeb, le jour de l’assemblée, en disant: «Que je n’entende plus la voix de Yahweh, mon Dieu, et que je ne voie plus ce grand feu, de peur de mourir.»
17 Yahweh me dit: «Ce qu’ils ont dit est bien.
18 Je leur susciterai du milieu de leurs frères un prophète tel que toi; je mettrai mes paroles dans sa bouche, et il leur dira tout ce que je lui commanderai.
19 Et si quelqu’un n’écoute pas mes paroles qu’il dira en mon nom, c’est moi qui lui en demanderai compte.
20 Mais le prophète qui s’enorgueillira jusqu’à dire en mon nom une parole que je ne lui aurai pas commandé de dire, ou qui parlera au nom d’autres dieux, ce prophète-là mourra.»
21 Que si tu dis dans ton coeur: «Comment reconnaîtrons-nous la parole que Yahweh n’aura pas dite?»…,
22 quand le prophète aura parlé au nom de Yahweh, si ce qu’il a dit n’arrive pas et ne se réalise pas, c’est là la parole que Yahweh n’a pas dite; c’est par l’orgueil que le prophète l’a dite: tu n’auras pas peur de lui.

Chapitres 19

1 Lorsque Yahweh, ton Dieu, aura exterminé les nations dont Yahweh, ton Dieu , te donne le pays; lorsque tu les auras chassées et que tu habiteras dans leurs villes et dans leurs maisons,
2 tu sépareras trois villes au milieu du pays que Yahweh, ton Dieu, te donne pour le posséder.
3 Tu tiendras en état les routes qui y conduisent, et tu diviseras en trois parties le terrictoire du pays que Yahweh, ton Dieu, va te donner en héritage, afin que tout meurtrier puisse s’enfuir dans ces villes.
4 Voici dans quel cas le meurtrier qui s’y réfugiera aura la vie sauve: s’il a tué son prochain par mégarde, sans avoir été auparavant son ennemi.
5 Ainsi un homme va couper du bois dans la forêt avec un autre homme; sa main brandit la hache pour abattre un arbre; le fer d’échappe du manche, atteint son compagnon et le tue: cet homme s’enfuira dans l’une de ces villes et il aura la vie sauve.
6 Autrement le vengeur du sang, poursuivant le meurtrier dans l’ardeur de sa colère, l’atteindrait, si le chemin était trop long, et lui porterait un coup mortel; et pourtant cet homme n’aurait pas mérité la mort, puisqu’il n’avait pas auparavant de haine contre la victime.
7 C’est pourquoi je te donne cet ordre:
8 Mets à part trois villes. Et si Yahweh, ton Dieu, élargit tes frontières, comme il l’a juré à tes pères, et qu’il te donne tout le pays qu’il a promis à tes pères de te donner,
9 — pourvu que tu observes et mettes en pratique tous ces commandements que je te prescris aujourd’hui, aimant Yahweh, ton Dieu, et marchant toujours dans ses voies, — tu ajouteras encore trois villes à ces trois-là,
10 afin que le sang innocent ne soit pas versé au milieu du pays que Yahweh, ton Dieu, te donne pour héritage, et qu’il n’y ait pas de sang sur toi.
11 Mais si un homme ayant de la haine contre son prochain, lui dresse des embûches, se jette sur lui et lui porte un coup mortel, et qu’ensuite il s’enfuie dans l’une de ces villes,
12 les anciens de sa ville l’enverront saisir et le livreront entre les mains du vengeur du sang, afin qu’il meure.
13 Ton oeil n’aura pas de pitié pour lui, et tu ôteras d’Israël le sang innocent, et tu prospéreras.
14 Tu ne déplaceras pas la borne de ton prochain, posée par les ancêtres, dans l’héritage que tu auras au pays que Yahweh, ton Dieu, te donne pour le posséder.
15 Un seul témoin ne sera pas admis contre un homme pour constater un crime ou un péché, quel que soit le péché commis. C’est sur la parole de deux témoins ou sur la parole de trois témoins que la chose sera établie.
16 Lorsqu’un témoin à charge s’élèvera contre un homme pour l’accuser d’un crime,
17 les deux hommes en contestation se présenteront devant Yahweh, devant les prêtres et les juges alors en fonction;
18 les juges feront avec soin une enquête et, si le témoin se trouve être un faux témoin, s’il a fait contre son frère une fausse déposition,
19 vous lui ferez subir ce qu’il avait dessein de faire subir à son frère. Tu ôteras ainsi le mal du milieu de toi.
20 Les autres, en l’apprenant craindront, et l’on ne commettra plus un acte aussi mauvais au milieu de toi.
21 Ton oeil sera sans pitié: vie pour vie, oeil pour oeil, dent pour dent, main pour main, pied pour pied.

Chapitres 20

1 Lorsque tu sortiras pour combattre contre tes ennemis, et que tu verras des chevaux et des chars, un peuple plus nombreux que toi, tu ne les craindras point, car Yahweh, ton Dieu, qui t’a fait monter du pays d’Egypte, est avec toi.
2 Quand vous vous disposerez au combat, le prêtre s’avancera et parlera au peuple.
3 Il leur dira: «Ecoute Israël! Vous vous disposez aujourd’hui au combat contre vos ennemis; que votre coeur ne faiblisse point, soyez sans crainte, ne vous effrayez point et ne soyez point terrifiés devant eux;
4 car Yahweh, votre Dieu, marche avec vous, pour combattre pour vous contre vos ennemis et vous sauver.»
5 Les officiers parleront ensuite au peuple, en disant: «Qui est-ce qui a bâti une maison neuve, et ne l’a pas encore dédiée? Qu’il s’en aille et retourne chez lui, de peur qu’il ne meure dans la bataille et qu’un autre ne la dédie.
6 Qui est-ce qui a planté une vigne, et n’a pas encore joui de ses fruits? Qu’il s’en aille et retourne chez lui, de peur qu’il ne meure dans la bataille et qu’un autre n’en jouisse.
7 Qui est-ce qui s’est fiancé à une femme, et ne l’a pas encore épousée? Qu’il s’en aille et retourne chez lui, de peur qu’il ne meure dans la bataille et qu’un autre ne l’épouse.»
8 Les officiers parleront encore au peuple et diront: «Qui est-ce qui a peur et qui sent son coeur faiblir? Qu’il s’en aille et retourne chez lui, afin que le coeur de ses frères ne défaille pas comme le sien.»
9 Quand les officiers auront achevé de parler au peuple, on placera les chefs des troupes à la tête du peuple.
10 Lorsque tu t’approcheras d’une ville pour l’attaquer, tu lui offriras la paix.
11 Si elle te fait une réponse de paix et t’ouvre ses portes, tout le peuple qui s’y trouvera te sera tributaire et te servira.
12 Si elle ne fait pas la paix avec toi, et qu’elle veuille te faire la guerre, tu l’assiégeras et,
13 quand Yahweh, ton Dieu, l’aura livrée entre tes mains, tu feras passer tous les mâles au fil de l’épée.
14 Mais les femmes, les enfants, le bétail, et tout ce qui sera dans la ville, tout son butin, tu le prendras pour toi, et tu pourras manger le butin de tes ennemis que Yahweh, ton Dieu, t’aura donné.
15 C’est ainsi que tu agiras à l’égard de toutes les villes qui sont très loin de toi, et qui ne sont pas du nombre des villes de ces nations-ci.
16 Mais quant aux villes de ces peuples que Yahweh, ton Dieu, te donne pour héritage, tu n’y laisseras la vie à rien de ce qui respire.
17 Car tu dévoueras ces peuples par anathème: les Héthéens, les Amorrhéens, les Chananéens, les Phérézéens, les Hévéens et les Jébuséens, comme Yahweh, ton Dieu, te l’a ordonné,
18 afin qu’ils ne vous apprennent pas à imiter toutes les abominations qu’ils font envers leurs dieux, et que vous ne péchiez point contre Yahweh, votre Dieu.
19 Si tu assièges une ville pendant de longs jours, combattant contre elle pour t’en emparer, tu ne détruiras pas les arbres en y portant la hache; car tu en mangeras le fruit, et tu ne les abattras pas: l’arbre des champs est-il un homme pour que tu l’assièges?
20 Mais les arbres que tu sais n’être pas des arbres servant à la nourriture, tu pourras les détruire et les abattre, et en construire des machines contre la ville qui est en guerre avec toi, jusqu’à ce qu’elle succombe.

Chapitres 21

1 Si, sur le sol que Yahweh, ton Dieu, te donne pour le posséder, on trouve un homme tué, gisant dans les champs, sans que l’on sache qui l’a frappé,
2 tes anciens et tes juges iront mesurer les distances jusqu’aux villes des environs de l’endroit où est l’homme tué.
3 Et, quant à la ville la plus proche de l’homme tué, les anciens de cette ville prendront une génisse qui n’aura pas encore été employée au travail et qui n’aura pas tiré au joug.
4 Les anciens de cette ville feront descendre la génisse vers un ruisseau permanent, dans un lieu qui n’a reçu ni culture ni semence, et là ils briseront la nuque de la génisse dans le ruisseau.
5 Les prêtres, fils de Lévi, s’approcheront; car ce sont eux que Yahweh, ton Dieu, a choisis pour le servir et pour bénir au nom de Yahweh, et c’est sur leur parole que se juge toute contestation et toute blessure.
6 Tous les anciens de cette ville, comme étant les plus voisins de l’homme tué, laveront leurs mains sur la génisse à laquelle on a brisé la nuque dans le ruisseau.
7 Puis ils prendront la parole en disant: «Nos mains n’ont pas répandu ce sang, et nos yeux ne l’ont pas vu répandre.
8 Pardonnez à votre peuple d’Israël que vous avez racheté, ô Yahweh, et ne laissez pas le sang innocent au milieu de votre peuple d’Israël!» Et ce sang sera expié pour eux
9 c’est ainsi que tu ôteras du milieu de toi le sang innocent, en faisant ce qui est droit aux yeux de Yahweh.
10 Quand tu sortiras pour combattre contre tes ennemis, et que Yahweh, ton Dieu, les aura livrés entre tes mains et que tu leur feras des prisonniers,
11 si tu vois parmi les captifs une femme de belle figure, et que, épris d’amour pour elle, tu veuilles l’épouser,
12 tu l’amèneras dans l’intérieur de ta maison. Alors elle se rasera la tête et se coupera les ongles;
13 elle se dépouillera des vêtements de sa captivité, elle demeurera dans ta maison et pleurera pendant un mois son père et sa mère; après quoi, tu iras vers elle,tu seras son mari et elle sera ta femme.
14 Si elle cesse de te plaire, tu la laisseras aller où elle voudra, et tu ne pourras pas la vendre pour de l’argent; tu ne la traiteras pas comme une esclave, car tu l’as eue pour femme.
15 Si un homme a deux femmes, l’une aimée et l’autre haïe, et qu’elles lui aient enfanté des fils, aussi bien celle qui est aimée que celle qui est haïe, si le fils premier-né est le fils de celle qui est haïe,
16 il ne pourra pas, le jour où il mettra ses fils en possession de ses biens, faire premier-né le fils de celle qu’il aime, de préférence au fils de celle qu’il hait, celui-ci étant le premier-né.
17 Mais il reconnaîtra comme premier-né le pays de celle qui est haïe, et lui donnera sur tous ses biens une portion double; car ce fils est les prémices de sa vigueur; c’est à lui qu’appartient le droit d’aînesse.
18 Si un homme a un fils indocile et rebelle, n’écoutant ni la voix de son père, ni la voix de sa mère et , lors même qu’ils le châtient, ne les écoutant pas,
19 son père et sa mère le saisiront et l’amèneront aux anciens de la ville et à la porte du lieu qu’il habite.
20 Ils diront aux anciens de la ville: «Notre fils que voici est indocile et rebelle, il n’écoute pas notre voix, il se livre à la débauche et à l’ivrognerie.»
21 Et tous les hommes de sa ville le lapideront, et il mourra. Tu ôteras ainsi le mal du milieu de toi, et tout Israël, en l’apprenant, craindra.
22 Quand un homme, ayant commis un crime capital, aura été mis à mort, et que tu l’auras pendu à un bois,
23 son cadavre ne passera pas la nuit sur le bois; mais tu ne manqueras pas de l’enterrer le jour même, car un pendu est l’objet de la malédiction de Dieu, et tu ne souilleras pas ton pays, que Yahweh, ton Dieu, te donne pour héritage.

Chapitres 22

1 Si tu vois le boeuf ou la brebis de ton frère égarés dans les champs, tu ne t’en détourneras point, mais tu les ramèneras à ton frère.
2 Si ton frère n’habite pas près de toi et que tu ne le connaisses pas, tu recueilleras l’animal dans ta maison, et il restera chez toi jusqu’à ce que ton frère le recherche, et alors tu le lui rendras.
3 Tu feras de même pour son âne, et tu feras de même pour son manteau, et tu feras de même pour tout objet perdu, que ton frère aurait perdu et que tu trouverais; tu ne dois pas t’en détourner.
4 Si tu vois l’âne de ton frère ou son boeuf s’abattre dans le chemin, tu ne t’en détourneras point; tu ne manqueras pas de l’aider à les relever.
5 Une femme ne portera pas un habit d’homme, et un homme ne mettra point un vêtement de femme; car quiconque fait ces choses est en abomination à Yahweh, ton Dieu.
6 Si tu rencontres dans ton chemin un nid d’oiseau, sur un arbre ou sur la terre, avec des petits ou des oeufs, et la mère couchée sur les petits ou sur les oeufs, tu ne prendras pas la mère avec les petits;
7 tu ne prendras pour toi que les petits, afin que tu sois heureux et que tu prolonges tes jours.
8 Quand tu bâtiras une maison neuve, tu feras une balustrade autour de ton toit, afin de ne pas mettre du sang sur ta maison, dans le cas où quelqu’un viendrait à tomber de là.
9 Tu n’ensemenceras pas ta vigne de deux sortes de semences; de peur que le tout ne soit déclaré chose sainte, et la graine que tu as semée, et le produit de la vigne.
10 Tu ne laboureras pas avec un boeuf et un âne attelés ensemble.
11 Tu ne porteras pas un vêtement d’un tissu mélangé de laine et de lin réunis ensemble.
12 Tu feras des glands aux quatre coins du vêtement dont tu te couvriras.
13 Si un homme, après avoir pris une femme et être allé vers elle, vient à éprouver pour elle de l’aversion,
14 et lui impute des choses déshonorantes et porte atteinte à sa réputation, en disant: «J’ai pris cette femme et, quand je suis venu vers elle, je ne l’ai pas trouvée vierge»,
15 le père et la mère de la jeune femme prendront les signes de sa virginité, et les produiront devant les anciens de la ville, à la porte.
16 Le père de la jeune fille dira aux anciens: «J’ai donné ma fille pour femme à cet homme et, l’ayant prise en aversion,
17 il lui impute des choses déshonorantes en disant: Je n’ai pas trouvé ta fille vierge. Or voici les signes de virginité de ma fille.» Et ils déploieront son vêtement devant les anciens de la ville.
18 Alors les anciens de la ville saisiront cet homme et le châtieront;
19 en outre, ils lui imposeront une amende de cent sicles d’argent, qu’ils donneront au père de la jeune femme, pour avoir porté atteinte à la réputation d’une vierge d’Israël. Elle restera sa femme, et il ne pourra pas la renvoyer, tant qu’il vivra.
20 Mais si ce fait est vrai et que la jeune femme ne soit pas trouvée vierge,
21 on fera sortir la jeune femme à l’entrée de la maison de son père, et elle sera lapidée par les gens de sa ville, jusqu’à ce qu’elle meure, parce qu’elle a commis une infamie en Israël, en se prostituant dans la maison de son père. Tu ôteras ainsi le mal du milieu de toi.
22 Si l’on trouve un homme couché avec une femme mariée, ils mourront tous deux, l’homme qui a couché avec la femme, et la femme aussi. Tu ôteras ainsi le mal du milieu d’Israël.
23 Si une jeune fille vierge est fiancée à quelqu’un, et qu’un homme la rencontre dans la ville et couche avec elle,
24 vous les amènerez tous deux à la porte de la ville, et vous les lapiderez, jusqu’à ce qu’ils meurent: la jeune fille pour n’avoir pas crié dans la ville, et l’homme pour avoir déshonoré la femme de son prochain. Tu ôteras ainsi le mal du milieu de toi.
25 Mais si c’est dans les champs que cet homme rencontre la jeune fille fiancée, et qu’il lui fasse violence et couche avec elle, l’homme qui aura couché avec elle mourra seul.
26 Tu ne feras rien à la jeune fille; il n’y a pas en elle de crime digne de mort, car c’est comme lorsqu’un homme se jette sur son prochain et le tue;
27 le cas est le même. L’homme l’a rencontrée dans les champs, la jeune fille fiancée a crié, mais il n’y avait personne pour la secourir.
28 Si un homme rencontre une jeune fille vierge non fiancée, la saisit et couche avec elle, et qu’ils soient surpris,
29 l’homme qui a couché avec elle donnera au père de la jeune fille cinquante sicles d’argent, et elle sera sa femme, parce qu’il l’a déshonorée, il ne pourra pas la renvoyer, tant qu’il vivra.
30 Nul ne prendra la femme de son père et ne soulèvera la couverture du lit de son père.

Chapitres 23
1 Celui dont les testicules ont été écrasés ou dont l’urètre a été coupé n’entrera pas dans l’assemblée de Yahweh.
2 Le fruit d’une union illicite n’entrera pas dans l’assemblée de Yahweh; même sa dixième génération n’entrera pas dans l’assemblée de Yahweh.
3 L’Ammonite et le Moabite n’entreront pas dans l’assemblée de Yahweh; même la dixième génération n’entrera pas dans l’assemblée de Yahweh,
4 ils n’y entreront jamais, parce qu’ils ne sont pas venu au-devant de vous avec du pain et de l’eau, sur le chemin, lorsque vous sortiez d’Egypte, et parce que le roi de Moab a fait venir contre toi à prix d’argent Balaam, fils de Béor, de Péthor en Mésopotamie, pour te maudire.
5 Mais Yahweh, ton Dieu, n’a pas voulu écouter Balaam, et Yahweh, ton Dieu,a changé pour toi la malédiction en bénédiction, car Yahweh, ton Dieu, t’aime.
6 Tu n’auras souci ni de leur prospérité ni de leur bien-être, tant que tu vivras, à perpétuité.
7 Tu n’auras point en abomination l’Edomite, car il est ton frère; tu n’auras point en abomination l’Egyptien, car tu as été étranger dans son pays:
8 les fils qui leur naîtront pourront, à la troisième génération, entrer dans l’assemblée de Yahweh.
9 Quand tu marcheras en campements contre tes ennemis, garde-toi de toute chose mauvaise.
10 S’il y a chez toi un homme qui ne soit pas pur, par suite d’un accident nocturne, il sortira du camp, et ne rentrera pas au milieu du camp;
11 sur le soir, il se baignera dans l’eau et, après le coucher du soleil, il pourra rentrer au milieu du camp.
12 Tu auras un lieu hors du camp, et c’est là dehors que tu iras.
13 Tu auras dans ton bagage une pelle avec laquelle tu feras un creux, quand tu iras t’assoir à l’écart, et, en partant, tu recouvriras tes excréments.
14 Car Yahweh, ton Dieu, marche au milieu de ton camp, pour te protéger et pour livrer tes ennemis devant toi; ton camp doit donc être saint, afin que Yahweh ne voie chez toi rien de malséant et qu’il ne se détourne pas de toi
15 Tu ne livreras pas à son maître un esclave qui se sera enfui d’avec son maître et réfugié auprès de toi.
16 Il demeurera avec toi, au milieu de ton pays, dans le lieu qu’il choisira, dans l’une de tes villes, où il se trouvera bien: tu ne l’opprimeras point.
17 Il n’y aura point de prostituée parmi les filles d’Israël, et il n’y aura point de prostitué parmi les fils d’Israël.
18 Tu n’apporteras pas dans la maison de Yahweh, ton Dieu, le salaire d’une prostituée ni le salaire d’un chien, pour l’accomplissement d’un voeu quelconque; car l’un et l’autre sont en abomination à Yahweh, ton Dieu.
19 Tu n’exigeras de ton frère aucun intérêt ni pour argent, ni pour vivres, ni pour aucune chose qui se prête à intérêt.
20 Tu peux exiger un intérêt de l’étranger, mais tu n’en tireras point de ton frère,afin que Yahweh, ton Dieu, te bénisse dans tout ce que tu entreprendras, dans le pays où tu vas entrer pour le posséder.
21 Quand tu auras fait un voeu à Yahweh ton Dieu, tu ne tarderas point à l’accomplir; sinon, Yahweh, ton Dieu, t’en demanderait certainement compte, et tu serais chargé d’un péché.
22 Si tu t’abstiens de faire des voeux, il n’y aura pas en toi de péché.
23 Mais la parole sortie de tes lèvres, tu la garderas et l’accompliras, selon le voeu que tu auras fait librement à Yahweh, ton Dieu, et que tu auras prononcé de ta bouche.
24 Quand tu entreras dans la vigne de ton prochain, tu pourras manger des raisins selon ton désir et t’en rassasier, mais tu n’en mettras pas dans ton panier.
25 Si tu entres dans les blés de ton prochain, tu pourras cueillir des épis avec la main, mais tu ne mettras pas la faucille dans les blés de ton prochain.

Chapitres 24

1 Lorsqu’un homme aura pris une femme et l’aura épousée, si elle vient à ne pas à trouver grâce à ses yeux, parce qu’il a découvert en elle quelque chose de repoussant, il écrira pour elle une lettre de divorce et, après la lui avoir remise en main, il la renverra de sa maison.
2 Une fois sortie de chez lui, elle s’en ira et pourra devenir la femme d’un autre homme.
3 Mais si ce dernier mari la prend en aversion, écrit pour elle une lettre de divorce, et que, la lui ayant remise en main, il la renvoie de sa maison; ou bien si ce dernier mari qui l’a prise pour femme vient à mourir,
4 alors le premier mari, qui l’a renvoyée, ne pourra pas la reprendre pour femme, après qu’elle a été souillée, car c’est une abomination devant Yahweh, et tu n’engageras pas dans le péché le pays que Yahweh, ton Dieu, te donne pour héritage.
5 Lorsqu’un homme sera nouvellement marié, il n’ira point à l’armée, et on ne lui imposera aucune charge publique; il sera libre pour sa maison pendant un an, et il réjouira la femme qu’il a prise.
6 On ne prendra pas en gage les deux meules, ni la meule de dessus: ce serait prendre en gage la vie même.
7 Si l’on trouve un homme qui ait enlevé l’un de ses frères, d’entre les enfants d’Israël, et en ait fait son esclave, ou l’ait vendu, ce ravisseur sera puni de mort. Tu ôteras ainsi le mal du milieu de toi.
8 Prends garde à la plaie de la lèpre, observant avec soin et mettant en pratique tout ce que vous enseigneront les prêtres lévitiques; tout ce que je leur ai prescrit, vous le mettrez soigneusement en pratique.
9 Souviens-toi de ce que Yahweh, ton Dieu, a fait à Marie pendant le voyage, lors de votre sortie d’Egypte.
10 Si tu prêtes à ton prochain un objet quelconque, tu n’entreras pas dans sa maison pour prendre son gage;
11 tu attendras dehors, et celui à qui tu fais le prêt t’apportera le gage dehors.
12 Si cet homme est pauvre, tu ne te coucheras point avec son gage;
13 tu ne manqueras pas de lui rendre le gage au coucher du soleil, afin qu’il couche dans son vêtement et qu’il te bénisse, et ce sera là une justice pour toi devant Yahweh, ton Dieu.
14 Tu n’opprimeras point le mercenaire pauvre et indigent, soit l’un de tes frères, soit l’un des étrangers demeurant dans ton pays, dans tes portes.
15 Chaque jour tu lui donneras son salaire, sans que le soleil se couche sur cette dette; car il est pauvre, et son âme l’attend. Autrement il crierait à Yahweh contre toi, et tu serais chargé d’un péché.
16 Les pères ne seront pas mis à mort pour les enfants, et les enfants ne seront pas mis à mort pour les pères; chacun sera mis à mort pour son péché.
17 Tu ne violeras pas le droit de l’étranger ni de l’orphelin, et tu ne prendras point en gage le vêtement de la veuve.
18 Tu te souviendras que tu as été esclave en Egypte, et que Yahweh, ton Dieu, t’a délivré: c’est pourquoi je te commande d’agir en cette manière.
19 Quand tu feras ta moisson dans ton champ, si tu as oublié une gerbe dans le champ, tu ne retourneras pas la prendre: elle sera pour l’étranger, pour l’orphelin et pour la veuve, afin que Yahweh, ton Dieu, te bénisse dans tout le travail de tes mains.
20 Quand tu secoueras tes oliviers, tu ne fouilleras pas après coup les branches: le reste sera pour l’étranger, pour l’orphelin et pour la veuve.
21 Quand tu vendangeras ta vigne, tu ne cueilleras pas après coup les grappes qui seront restées: elles seront pour l’étranger, pour l’orphelin et pour la veuve.
22 Tu te souviendras que tu as été esclave dans le pays d’Egypte: c’est pourquoi je te commande d’agir en cette manière.

Chapitres 25

1 Quand il s’élèvera une contestation entre des hommes, et qu’ils se seront présentés au jugement, qu’on les aura jugés, qu’on aura absous l’innocent et condamné le coupable,
2 si le coupable a mérité d’être battu, le juge le fera étendre par terre et battre en sa présence d’un nombre de coups proportionné à sa faute.
3 Il ne lui fera pas donner plus de quarante coups, de peur que, si on continuait à le frapper de beaucoup de coups en plus de ceux-là, ton frère ne fût avili à tes yeux.
4 Tu ne muselleras pas le boeuf, quand il foulera le grain.
5 Lorsque des frères demeurent ensemble, et que l’un d’eux meurt sans laisser de fils, la femme du défunt ne se mariera pas au dehors, à un étranger; mais son beau-frère ira vers elle, la prendra pour femme, et remplira envers elle le devoir de beau-frère.
6 Le premier-né qu’elle mettra au monde succédera au frère défunt et prendra son nom, afin que ce nom ne soit pas effacé d’Israël.
7 S’il ne plaît pas à cet homme de prendre sa belle-soeur, sa belle-soeur montera à la porte, vers les anciens, et dira: «Mon beau-frère refuse de faire revivre le nom de son frère en Israël; il ne veut pas remplir, en m’épousant, son devoir de beau-frère.»
8 Alors les anciens de la ville l’appelleront et lui parleront.
9 S’il persiste et dit: «Il ne me plaît pas de la prendre,» sa belle-soeur s’approchera de lui en présence des anciens, lui ôteras son soulier du pied et lui crachera au visage, en disant: «Ainsi sera fait à l’homme qui ne relève pas la maison de son frère.»
10 Et sa maison sera appelée en Israël la maison du déchaussé.
11 Lorsque des hommes se battront ensemble, un homme et son frère, si la femme de l’un s’approche pour délivrer son mari de la main de celui qui le frappe, et que, avançant la main, elle saisisse ce dernier par les parties honteuses,
12 tu lui couperas la main; ton oeil sera sans pitié.
13 Tu n’auras pas dans ton sac deux sortes de poids, un gros et un petit.
14 Tu n’auras pas dans ta maison deux sortes d’épha, un grand et un petit.
15 Tu auras un poids exact et juste, tu auras un épha exact et juste, afin que tes jours se prolongent dans la terre que te donne Yahweh, ton Dieu.
16 Car il est en abomination à Yahweh, ton Dieu, celui qui fait ces choses, qui commet une iniquité.
17 Souviens-toi de ce que te fit Amalec pendant le voyage, lorsque tu sortis de l’Egypte,
18 comment il te rencontra en route, et tomba sur toi par derrière, sur tous ceux qui étaient épuisés derrière toi, et toi tu étais fatigué et sans force, et il n’eut aucune crainte de Dieu.
19 Quand Yahweh, ton Dieu, t’aura donné du repos, t’ayant délivré de tous tes ennemis d’alentour, dans le pays que Yahweh, ton Dieu, te donne en héritage pour le posséder, tu effaceras la mémoire d’Amalec de dessous le ciel: ne l’oublie point.

Chapitres 26

1 Lorsque tu seras entré dans le pays que Yahweh, ton Dieu, te donne pour héritage, que tu en auras pris possession et y seras établi,
2 tu prendras une part des prémices de tous les produits du sol que tu auras retirés de ton pays, que te donne Yahweh, ton Dieu, et, l’ayant mise dans une corbeille, tu iras au lieu que Yahweh, ton Dieu, aura choisi pour y faire habiter son nom.
3 Tu te présenteras au prêtre alors en fonction, et tu lui diras: «Je déclare aujourd’hui à Yahweh, ton Dieu, que je suis entré dans le pays que Yahweh a juré à nos pères de nous donner.»
4 Le prêtre recevra la corbeille de ta main et la déposera devant l’autel de Yahweh, ton Dieu.
5 Et prenant de nouveau la parole, tu diras devant Yahweh, ton Dieu: «Mon père était un Araméen prêt à périr; il descendit en Egypte avec peu de gens et y vécut en étranger; là il devint une nation grande, puissante et nombreuse.
6 Les Egyptiens nous maltraitèrent, nous opprimèrent et nous imposèrent un dur servage.
7 Alors nous criâmes à Yahweh, le Dieu de nos pères, et Yahweh entendit notre voix et vit nos souffrances, notre misère et notre oppression.
8 Et Yahweh nous fit sortir d’Egypte, avec une main forte et le bras étendu, par une grande terreur, avec des signes et des prodiges.
9 Il nous a conduits dans ce lieu et il nous a donné ce pays, un pays où coulent le lait et le miel.
10 Et maintenant voici que j’apporte les prémices des produits du sol que vous m’avez donné, ô Yahweh.» Tu les déposeras devant Yahweh, ton dieu, et tu te prosterneras devant Yahweh, ton Dieu.
11 Puis tu te réjouiras, avec le Lévite et avec l’étranger qui sera au milieu de toi de tous les biens que Yahweh, ton Dieu, t’a donnés, à toi et à ta maison.
12 Lorsque tu auras achevé de lever toute la dîme de tes produits, la troisième année, l’année de la dîme, et que tu la donneras au lévite, à l’étranger, à l’orphelin et à la veuve, pour qu’ils la mangent dans tes portes et qu’ils se rassasient, tu diras devant Yahweh, ton Dieu:
13 «J’ai ôté de ma maison ce qui est consacré, et je l’ai donné au Lévite, à l’étranger, à l’orphelin et à la veuve, selon tous vos préceptes que vous m’avez donnés; je n’ai transgressé ni oublié aucun de vos préceptes.
14 Je n’ai pas mangé de ces choses pendant mon deuil, je n’en ai rien transporté hors de ma maison dans l’état d’impureté, et je n’en ai rien donné à l’occasion d’un mort; j’ai obéi à la voix de Yahweh, mon Dieu, j’ai agi selon tout ce vous m’avez prescrit.
15 Regardez de votre demeure sainte, du ciel, et bénissez votre peuple d’Israël et le sol que vous nous avez donné, comme vous l’avez juré à nos pères, ce pays où coulent le lait et le miel.»
16 Aujourd’hui Yahweh, ton Dieu, te commande de mettre en pratique ces lois et ces ordonnances; tu les observeras et les mettras en pratique de tout ton coeur et de toute ton âme.
17 Tu as fait déclarer aujourd’hui à Yahweh qu’il sera ton Dieu, toi t’engageant de ton côté à marcher dans ses voies, à observer ses lois, ses commandements et ses ordonnances, et à obéir à sa voix.
18 Et Yahweh t’a fait déclarer aujourd’hui que tu lui serais un peuple particulier, comme il te l’a dit, observant tous ses commandements,
19 lui s’engageant de son côté à te donner la supériorité sur toutes les nations qu’il a faites, en gloire, en renom et en splendeur, en sorte que tu sois un peuple saint à Yahweh, ton Dieu, comme il l’a dit.»

Chapitres 27

1 Moïse, avec les anciens d’Israël, donna cet ordre au peuple: «Observez tout le commandement que je vous prescris aujourd’hui.
2 Lorsque vous aurez passé le Jourdain pour entrer dans le pays que te donne Yahweh, ton Dieu,
3 tu dresseras de grandes pierres et tu les enduiras de chaux, et tu écriras dessus toutes les paroles de cette loi, après ton passage, afin que tu entres dans le pays que Yahweh, ton Dieu, te donne, pays où coulent le lait et le miel, comme te l’a dit Yahweh, le Dieu de tes pères.
4 Lors donc que vous aurez passé le Jourdain, vous dresserez sur le mont Hébal ces pierres que je vous prescris aujourd’hui, et tu les enduiras de chaux.
5 Et tu bâtiras là un autel à Yahweh, un autel de pierres sur lesquelles tu ne porteras pas le fer.
6 Tu bâtiras en pierres brutes l’autel de Yahweh, ton Dieu. Et tu offriras dessus des holocaustes à Yahweh, ton Dieu;
7 tu offriras des sacrifices pacifiques, et tu mangeras là et tu te réjouiras devant Yahweh, ton Dieu.
8 Tu écriras sur ces pierres toutes les paroles de cette loi en caractères bien nets.»
9 Moïse et les prêtres lévitiques parlèrent à tout Israël, en disant: «Garde le silence et écoute, ô Israël! Aujourd’hui tu es devenu le peuple de Yahweh, ton Dieu.
10 Tu obéiras donc à la voix de Yahweh, ton Dieu, et tu mettras en pratique ses commandements et ses lois, que je te prescris aujourd’hui.»
11 Le même jour, Moïse donna cet ordre au peuple:
12 «Lorsque vous aurez passé le Jourdain, ceux-ci se tiendront sur le mont Garizim, pour bénir le peuple: Siméon, Lévi, Juda, Issachar, Joseph et Benjamin.
13 Et ceux-là se tiendront sur le mont Hébal pour la malédiction: Ruben, Gad, Aser, Zabulon, Dan et Nephthali.
14 Et les Lévites prendront la parole et diront d’une voix haute à tous les hommes d’Israël:
15 Maudit soit l’homme qui fait une image taillée ou une image de fonte, abomination de Yahweh, oeuvre des mains d’un artisan, et qui la place dans un lieu secret! — Et tout le peuple répondra et dira: Amen!
16 Maudit soit celui qui méprise son père et sa mère! — Et tout le peuple dira: Amen!
17 Maudit soit celui qui déplace la borne de son prochain! — Et tout le peuple dira: Amen!
18 Maudit soit celui qui fait égarer un aveugle dans le chemin! — Et tout le peuple dira: Amen!
19 Maudit soit celui qui viole le droit de l’étranger, de l’orphelin et de la veuve! — Et tout le peuple dira: Amen!
20 Maudit soit celui qui couche avec la femme de son père, car il soulève la couverture de son père! — Et tout le peuple dira: Amen!
21 Maudit soit celui qui couche avec une bête quelconque! — Et tout le peuple dira: Amen!
22 Maudit soit celui qui couche avec sa soeur, fille de son père ou fille de sa mère! — Et tout le peuple dira: Amen!
23 Maudit soit celui qui couche avec sa belle-mère! — Et tout le peuple dira: Amen!
24 Maudit soit celui qui frappe en secret son prochain! — Et tout le peuple dira: Amen!
25 Maudit soit celui qui reçoit un présent pour frapper une vie, répandre le sang innocent! — Et tout le peuple dira: Amen!
26 Maudit soit celui qui ne maintient pas les paroles de cette loi, en les mettant en pratique! — Et tout le peuple dira: Amen!

Chapitres 28

1 Si tu obéis exactement à la voix de Yahweh, ton Dieu, en observant et en mettant en pratique tous ses commandements que je te prescris aujourd’hui, Yahweh, ton Dieu, te donnera la supériorité sur toutes les nations de la terre.
2 Voici toutes les bénédictions qui viendront sur toi et t’atteindront, si tu obéis à la voix de Yahweh, ton Dieu:
3 Tu seras béni dans la ville et tu seras béni dans les champs.
4 Béni sera le fruit de tes entrailles, le fruit de ton sol, le fruit de tes troupeaux, les portées de ton gros et de ton menu bétail.
5 Bénies seront ta corbeille et ta huche.
6 Tu seras béni à ton entrée, et tu seras béni à ta sortie.
7 Yahweh fera que les ennemis qui s’élèveront contre toi soient mis en déroute devant toi; venus contre toi par un seul chemin, ils s’enfuiront devant toi par sept chemins.
8 Yahweh commandera à la bénédiction d’être avec toi dans tes greniers et dans tout travail de tes mains! Il te bénira dans le pays que te donne Yahweh, ton Dieu.
9 Yahweh te fera subsister pour lui comme un peuple saint, ainsi qu’il te l’a juré, si tu observes les commandements de Yahweh, ton Dieu, et si tu marches dans ses voies:
10 et tous les peuples verront que le nom de Yahweh est nommé sur toi, et ils te craindront.
11 Yahweh te comblera de biens, en multipliant le fruit de tes entrailles, le fruit de tes troupeaux et le fruit de ton sol, dans le pays que Yahweh a juré à tes pères de te donner.
12 Yahweh t’ouvrira son bon trésor, le ciel, pour envoyer à ton pays la pluie en son temps, et pour bénir tout le travail de tes mains. Tu prêteras à beaucoup de nations, et tu n’emprunteras point.
13 Yahweh te mettra à la tête, et non à la queue; tu seras toujours en haut, et tu ne seras jamais en bas, si tu obéis aux commandements de Yahweh, ton Dieu, que je te prescris aujourd’hui, si tu observes et les mets en pratique,
14 et si tu ne t’écartes, ni à droite ni à gauche, de tous les commandements que je vous prescris aujourd’hui, pour aller après d’autres dieux et les servir.
15 Mais si tu n’obéis pas à la voix de Yahweh, ton Dieu, pour observer et mettre en pratique tous ses commandements et toutes ses lois que je te prescris aujourd’hui, voici toutes les malédictions qui viendront sur toi et t’atteindront:
16 Tu seras maudit dans la ville et tu seras maudit dans les champs.
17 Seront maudites ta corbeille et ta huche.
18 Seront maudits le fruit de tes entrailles, le fruit de ton sol, les portées de ton gros et de ton menu bétail.
19 Tu seras maudit à ton entrée, et tu seras maudit à ta sortie.
20 Yahweh enverra contre toi la malédiction, le trouble et la menace, dans tout ce que tu entreprendras de faire, jusqu’à ce que tu sois détruit et jusqu’à ce que tu périsses bientôt, à cause de la perversité de tes actions, par lesquelles tu m’auras abandonné.
21 Yahweh attachera à toi la peste, jusqu’à ce qu’elle t’ait consumé de dessus la terre où tu vas entrer pour la posséder.
22 Yahweh te frappera de langueur, de fièvre, d’inflammation, de chaleur brûlante, de sécheresse, de charbon et de nielle, fléaux qui te poursuivront jusqu’à ce que tu périsses.
23 Ton ciel sur ta tête sera d’airain, et la terre sous tes pieds sera de fer.
24 Yahweh enverra pour pluie à ton pays de la poussière et du sable qui descendront du ciel sur toi jusqu’à ce qui tu sois détruit.
25 Yahweh fera que tu sois battu devant tes ennemis; tu sortiras contre eux par un seul chemin, et par sept chemins tu fuiras devant eux, et tu seras un objet de terreur parmi tous les royaumes de la terre.
26 Ton cadavre servira de pâture à tous les oiseaux du ciel et aux bêtes de la terre, et il n’y aura personne pour les effrayer.
27 Yahweh te frappera de l’ulcère d’Egypte, d’hémorrhoïdes, de dartres et de gale, dont tu ne pourras guérir.
28 Yahweh te frappera de délire, d’aveuglement et d’égarement d’esprit;
29 tu tâtonneras en plein midi, comme l’aveugle dans l’obscurité; tu ne réussiras pas dans tes voies; tu seras tous les jours opprimé et dépouillé, sans personne qui vienne à ton secours.
30 Tu te financeras à une femme, et un autre la possédera; tu bâtiras une maison, et tu ne l’habiteras pas; tu planteras une vigne, et tu n’en jouiras pas.
31 Ton boeuf sera égorgé sous tes yeux, et tu n’en mangeras pas; ton âne sera enlevé de devant toi, et on ne te le rendra pas; tes brebis seront livrées à tes ennemis, et personne ne viendra à ton secours.
32 Tes fils et tes filles seront livrés à un autre peuple; tes yeux le verront et languiront tout le jour après eux, et ta main sera impuissante.
33 Le fruit de ton sol et tout le produit de ton travail, un peuple que tu n’as pas connu le mangera, et tu seras opprimé et écrasé tous les jours.
34 Tu deviendras fou à la vue des choses que tu verras de tes yeux.
35 Yahweh te frappera aux genoux et aux cuisses d’un ulcère malin, dont tu ne pourra guérir; il te couvrira depuis la plante du pied jusqu’au sommet de la tête.
36 Yahweh te fera marcher, toi et ton roi que tu auras mis à ta tête, vers une nation que tu n’auras pas connue, ni toi, ni tes pères, et là tu serviras d’autres dieux, du bois et de la pierre,
37 et tu deviendras un sujet d’étonnement, de fable et de raillerie, parmi tous les peuples chez lesquels Yahweh te mènera.
38 Tu porteras sur ton champ beaucoup de semence, et tu recueilleras peu, car les sauterelles la dévoreront.
39 Tu planteras des vignes et tu les cultiveras, et tu ne boiras pas de vin et tu ne récolteras rien, car les vers les mangeront.
40 Tu auras des oliviers sur tout ton territoire, et tu ne t’oindras pas d’huile, car tes olives tomberont.
41 Tu engendreras des fils et des filles, et ils ne seront pas à toi, car ils iront en captivité.
42 Les insectes s’empareront de tous tes arbres et des fruits de ton sol.
43 L’étranger qui vit au milieu de toi s’élèvera de plus en plus au-dessus de toi, tandis que toi, tu descendras toujours plus bas;
44 il te prêtera, et tu ne lui prêteras pas: il sera en tête, et tu seras à la queue.
45 Toutes ces malédictions viendront sur toi, elles te poursuivront et t’atteindront, jusqu’à ce que tu sois détruit, parce que tu n’auras pas obéi à la voix de Yahweh, ton Dieu, pour observer ses lois et ses commandements qu’il t’a prescrits.
46 Elle seront pour toi un signe et un prodige, et pour ta postérité à jamais.
47 Parce que tu n’auras pas servi Yahweh, ton Dieu, avec joie et de bon coeur, en retour de l’abondance de toutes choses,
48 tu serviras, dans la faim, dans la soif, dans la nudité, dans la disette de toutes choses, tes ennemis que Yahweh enverra contre toi; il mettra un joug de fer sur ton cou, jusqu’à ce qu’il t’ait détruit.
49 Yahweh fera partir contre toi de loin, des extrémités de la terre, une nation à la marche rapide comme le vol de l’aigle, nation dont tu n’entendras pas le langage,
50 nation à l’aspect farouche, qui n’aura ni égards pour le vieillard, ni pitié pour l’enfant.
51 Elle dévorera le fruit de tes troupeaux et le fruit de ton sol, jusqu’à ce que tu sois détruit; elle ne te laissera ni blé, ni vin nouveau, ni huile, ni les portées de ton gros et de ton menu bétail, jusqu’à ce qu’elle t’ait fait périr.
52 Elle t’assiégera dans toutes tes portes, jusqu’à ce que tombent dans tout ton pays tes murailles, hautes et fortes, dans lesquelles tu auras mis ta confiance; elle t’assiégera dans toutes tes portes, dans tous le pays que Yahweh, ton Dieu, t’aura donné.
53 Tu mangeras le fruit de tes entrailles, la chair de tes fils et de tes filles que Yahweh, ton Dieu, t’aura donnés, tant sera grande l’angoisse et la détresse où te réduira ton ennemi.
54 L’homme d’entre vous le plus délicat et le plus habitué au luxe regardera d’un oeil jaloux son frère, la femme qui repose sur son sein et le reste de ses enfants qu’il aura épargnés;
55 il ne donnera à aucun d’eux de la chair de ses enfants dont il se nourrira, parce qu’il ne lui restera plus rien, tant seront grandes l’angoisse et la détresse où te réduira ton ennemi dans toutes tes portes.
56 La femme d’entre vous la plus délicate et la plus habituée au luxe, trop tendre et trop délicate pour essayer de poser à terre la plante de son pied, regardera d’un oeil jaloux le mari qui reposait sur son sein, ainsi que son fils et sa fille,
57 à cause de l’arrière-faix sorti d’entre ses pieds et de ses enfants qu’elle aura mis au monde; car, manquant de tout, elle s’en nourrira en secret, tant sera grande l’angoisse et la détresse où te réduira ton ennemi dans tes portes.
58 Si tu n’as pas soin de mettre en pratique toutes les paroles de cette loi, écrites dans ce livre, craignant ce nom glorieux et redoutable:
59 Yahweh, ton Dieu, — Yahweh rendra extraordinaires tes plaies et les plaies de ta postérité, plaies grandes et continues, maladies graves et opiniâtres.
60 Il fera revenir sur toi toutes les maladies d’Egypte, devant lesquelles tu tremblais, et elles s’attacheront à toi.
61 De plus, Yahweh fera venir sur toi toutes sortes de maladies et de plaies, qui ne sont pas écrites dans le livre de cette loi, jusqu’à ce que tu sois détruit.
62 Vous ne resterez plus qu’un petit nombre, après avoir été nombreux comme les étoiles du ciel, parce que tu n’auras pas obéi à la voix de Yahweh, ton Dieu.
63 De même que Yahweh prenait plaisir à vous faire du bien et à vous multiplier, ainsi Yahweh prendra plaisir à vous faire périr et à vous détruire: et vous serez arrachés de la terre où tu vas entrer pour la posséder.
64 Yahweh te dispersera parmi tous les peuples, d’une extrémité de la terre à l’autre, et là, tu serviras d’autres dieux que n’ont connus ni toi ni tes pères, du bois et de la pierre.
65 Parmi ces nations mêmes, tu ne seras pas tranquille, et il n’y aura pas un lieu de repos pour la plante de tes pieds; là Yahweh te donnera un coeur tremblant, des yeux éteints, et une âme languissante.
66 Ta vie sera comme en suspens devant toi, tu trembleras la nuit et le jour, et tu ne croiras pas à ta vie.
67 Le matin tu diras: «Que ne suis-je au soir?» et le soir tu diras: «Que ne suis-je au matin?» — à cause de la crainte qui agitera ton coeur et des choses que tes yeux verront.
68 Et Yahweh te fera retourner sur des navires en Egypte, par le chemin dont je t’avais dit: «Tu ne le verras plus.» Et là vous vous offrirez en vente à vos ennemis, comme esclaves et comme servantes, et il n’y aura personne qui vous achète.»

Chapitres 29

1 Voici les paroles de l’alliance que Yahweh ordonna à Moïse de conclure avec les enfants d’Israël au pays de Moab, outre l’alliance qu’il avait conclue avec eux en Horeb.
2 Moïse convoqua tout Israël et leur dit «Vous avez vu tout ce que Yahweh a fait sous vos yeux, dans le pays d’Egypte, à Pharaon, à tous ses serviteurs et à tout son pays,
3 les grandes épreuves que tes yeux ont vues, ces signes et ces grands prodiges.
4 Mais Yahweh ne vous a pas donné, jusqu’à ce jour, un coeur qui comprenne, des yeux qui voient, des oreilles qui entendent.
5 Je vous ai conduits pendant quarante ans dans le désert; vos vêtements ne sont pas usés sur vous, et ta chaussure ne s’est pas usée à ton pied;
6 vous n’avez pas mangé de pain, et vous n’avez bu ni vin ni cervoise, afin que vous puissiez connaître que je suis Yahweh, votre Dieu.
7 Vous êtes ainsi arrivés dans ce lieu. Séhon, roi de Hésebon, et Og, roi de Basan, sont sortis à notre rencontre, pour nous combattre, et nous les avons battus.
8 Nous avons pris leur pays, et nous l’avons donné en propriété aux Rubénites, aux Gadites et à la moitié de la tribu des Manassites.
9 Observez donc les paroles de cette alliance et mettez-les en pratique, afin de réussir dans tout ce que vous ferez.
10 Vous vous présentez tous aujourd’hui devant Yahweh, votre Dieu,vos chefs, vos tribus, vos anciens, vos officiers, tous les hommes d’Israël,
11 vos enfants, vos femmes et l’étranger qui est au milieu de ton camp, depuis celui qui coupe ton bois jusqu’à celui qui puise ton eau:
12 tu te présentes pour entrer dans l’alliance de Yahweh, ton Dieu, et dans son serment, alliance que Yahweh, ton Dieu, conclut en ce jour avec toi,
13 pour t’établir aujourd’hui comme son peuple et être lui-même ton Dieu, comme il te l’a dit et comme il l’a juré à tes pères, Abraham, Isaac et Jacob.
14 Ce n’est point avec vous seuls que je conclus cette alliance, et que je fais ce serment;
15 mais c’est avec quiconque se tient ici aujourd’hui avec nous devant Yahweh, notre Dieu, et avec quiconque n’est pas ici avec nous en ce jour.
16 Vous savez, en effet, comment nous avons habité dans le pays d’Egypte, et comment nous avons passé au milieu des nations parmi lesquelles vous avez passé:
17 vous avez vu leurs abominations et leur idoles, bois et pierre, argent et or, qui sont chez elles.
18 Qu’il n’y ait donc parmi vous ni homme, ni femme, ni famille, ni tribu, dont le coeur se détourne aujourd’hui de Yahweh, notre Dieu, pour aller servir les dieux de ces nations; qu’il n’y ait point parmi vous de racine produisant du poison et de l’absinthe.
19 Que personne, en entendant les paroles de ce serment, ne se flatte dans son coeur, en disant: «J’aurai la paix, alors même que je marcherai dans l’endurcissement de mon coeur,» de sorte que celui qui est assouvi entraîne celui qui a soif.
20 Yahweh ne consentira pas à pardonner à cet homme; mais alors la colère et la jalousie de Yahweh s’enflammeront contre cet homme, toutes les malédictions écrites dans ce livre reposeront sur lui, et Yahweh effacera son nom de dessous les cieux.
21 Yahweh le séparera, pour le livrer au malheur, de toutes les tribus d’Israël, selon toutes les malédictions de l’alliance écrite dans ce livre de la loi.
22 La génération à venir, vos enfants qui naîtront après vous, et l’étranger qui viendra d’une terre lointaine, — à la vue des plaies de ce pays et de ses maladies, dont Yahweh l’aura frappé,
23 du soufre et du sel, de l’embrasement de toute cette terre, qui ne sera pas ensemencée, ne produira pas de fruits, sur laquelle ne croîtra aucune herbe, comme il arriva au bouleversement de Sodome, de Gomorrhe, d’Adama et de Seboïm, que Yahweh bouleversa dans sa colère et dans sa fureur,
24 — toutes ces nations diront: «Pourquoi Yahweh a-t-il ainsi traité ce pays? D’où vient l’ardeur de cette grande colère?»
25 Et l’on dira: «C’est parce qu’ils ont abandonné l’alliance de Yahweh, le Dieu de leurs pères, qu’il avait conclue avec eux, lorsqu’il les fit sortir du pays d’Egypte;
26 ils sont allés servir d’autres dieux et se prosterner devant eux, des dieux qu’ils ne connaissent pas et que Yahweh ne leur avait pas donnés en partage.
27 La colère de Yahweh s’est enflammée contre ce pays, et il a fait venir sur lui toutes les malédictions écrites dans ce livre.
28 Yahweh les a arrachés de leur sol avec colère, avec fureur et avec une grande indignation, et il les a jetés sur une autre terre, comme on le voit aujourd’hui.»
29 Les choses cachées sont à Yahweh, notre Dieu; les choses révélées sont pour nous et pour nos enfants, à jamais, afin que nous mettions en pratique toutes les paroles de cette loi.

Chapitres 30
1 Lorsque toutes ces choses seront venues sur toi, la bénédiction et la malédiction que j’ai mises devant toi, et que tu les auras de nouveau prises à coeur, au milieu de toutes les nations parmi lesquelles t’aura chassé Yahweh, ton Dieu,
2 si tu reviens à Yahweh, ton Dieu, et que tu obéisses à sa voix, toi et tes enfants, de tout ton coeur et de toute ton âme, selon tout ce que je te prescris aujourd’hui,
3 alors Yahweh, ton Dieu, ramènera tes captifs et aura compassion de toi; il te rassemblera de nouveau du milieu de tous les peuples chez lesquels Yahweh, ton Dieu, t’aura dispersé.
4 Quand tes exilés seraient à l’extrémité du ciel, Yahweh, ton Dieu, te rassemblera de là, il ira jusque-là te prendre.
5 Yahweh, ton Dieu, te ramènera dans le pays qu’auront possédé tes pères, et tu le posséderas; il te fera du bien et te rendra plus nombreux que tes pères.
6 Yahweh, ton Dieu, circoncira ton coeur et le coeur de ta postérité, pour que tu aimes Yahweh, ton Dieu, de tout ton coeur et de toute ton âme, afin que tu vives.
7 Yahweh, ton Dieu, fera tomber toutes ces malédictions sur tes ennemis, sur ceux qui t’auront haï et persécuté.
8 Et toi, de nouveau, tu écouteras la voix de Yahweh, et tu mettras en pratique tous ces commandements que je te prescris aujourd’hui;
9 et Yahweh, ton Dieu, te comblera de biens dans tout le travail de tes mains, dans le fruit de tes entrailles, dans le fruit de tes troupeaux et dans le fruit de ton sol; car Yahweh se réjouira de nouveau à ton sujet en te faisant du bien, comme il s’est réjoui au sujet de tes pères,
10 si tu obéis à la voix de Yahweh, ton Dieu, en observant ses commandements et ses préceptes écrits dans ce livre de la loi, si tu reviens à Yahweh, ton Dieu, de tout ton coeur et de toute ton âme.
11 Ce commandement que je te prescris aujourd’hui n’est pas au-dessus de toi ni hors de ta portée.
12 Il n’est pas dans le ciel, pour que tu dises: «Qui montera pour nous au ciel et nous l’ira chercher, et nous le fera entendre, afin que nous l’accomplissions?»
13 Il n’est pas au-delà de la mer, pour que tu dises: «Qui passera pour nous au delà de la mer et nous l’ira chercher, et nous le fera entendre, afin que nous l’accomplissions?»
14 Mais la parole est tout près de toi, dans ta bouche et dans ton coeur, afin que tu l’accomplisses.
15 Vois, j’ai mis aujourd’hui devant toi la vie et le bien, la mort et le mal,
16 en te prescrivant aujourd’hui d’aimer Yahweh, ton Dieu, de marcher dans ses voies et d’observer ses commandements, ses lois et ses ordonnances, afin que tu vives et que tu multiplies, et que Yahweh, ton Dieu, te bénisse dans le pays où tu vas entrer pour le posséder.
17 Mais si ton coeur se détourne, que tu n’écoutes point et que tu te laisses entraîner à te prosterner devant d’autres dieux et à les servir,
18 je vous déclare en ce jour que vous périrez certainement; vous ne prolongerez pas vos jours sur la terre où après avoir passé le Jourdain, tu vas entrer pour la posséder.
19 J’en prends aujourd’hui à témoin contre vous le ciel et la terre: j’ai mis devant toi la vie et la mort, la bénédiction et la malédiction. Choisis donc la vie, afin que tu vives, toi et ta postérité,
20 en aimant Yahweh, ton Dieu, en écoutant sa voix et en t’attachant à lui; car cela, c’est ta vie et de longs jours à demeurer dans la terre que Yahweh a juré de donner à tes pères, Abraham, Isaac et Jacob.»

Chapitres 31

1 Moïse adressa encore ces paroles à tout Israël.
2 Il leur dit: «Aujourd’hui, je suis âgé de cent vingt ans, je ne puis plus sortir et entrer, et Yahweh m’a dit: Tu ne passeras pas ce Jourdain.
3 C’est Yahweh, ton Dieu, qui passera devant toi; c’est lui qui détruira de devant toi ces nations, et tu les posséderas. Josué sera celui qui passera devant toi, comme Yahweh l’a dit.
4 Yahweh les traitera comme il a traité Séhon et Og, roi des Amorrhéens, qu’il a détruits ainsi que leur pays.
5 Yahweh vous les livrera, et vous les traiterez selon tous les ordres que je vous ai donnés.
6 Soyez forts et remplis de courage; n’ayez ni crainte ni frayeur devant eux, car c’est Yahweh, ton Dieu, qui marche avec toi; il ne te délaissera point et ne t’abandonnera point.»
7 Moïse appela Josué et lui dit en présence de tout Israël: «Sois fort et rempli de courage, car c’est toi qui entreras avec ce peuple dans le pays que Yahweh a juré à leurs pères de leur donner, et c’est toi qui le leur feras posséder.
8 Car c’est Yahweh qui marchera devant toi, lui qui sera avec toi; il ne te délaissera point et ne t’abandonnera point; sois sans crainte et sans peur.»
9 Moïse écrivit cette loi, et la donna aux prêtres, fils de Lévi, qui portaient l’arche de l’alliance de Yahweh, et à tous les anciens d’Israël.
10 Et il leur fit ce commandement: «Après chaque septième année, à l’époque de l’année de rémission, à la fête des tabernacles,
11 quand tout Israël viendra se présenter devant Yahweh, ton Dieu, dans le lieu qu’il aura choisi, tu liras cette loi devant tout Israël, de sorte qu’ils l’entendent.
12 Assemble le peuple, les hommes, les femmes, les enfants, et l’étranger qui sera dans tes portes, afin qu’ils entendent, et afin qu’ils apprennent à craindre Yahweh, votre Dieu, et qu’ils aient soin de mettre en pratique toutes les paroles de cette loi.
13 Et leurs enfants, qui ne la connaîtront pas, l’entendront et apprendront à craindre Yahweh, votre Dieu, tout le temps que vous vivrez sur la terre vers laquelle vous irez pour la posséder, après avoir passé le Jourdain.»
14 Et Yahweh dit à Moïse: «Voici que le moment est proche où tu vas mourir. Appelle Josué, et présentez-vous dans la tente de réunion, pour que je lui donne mes ordres.» Moïse est Josué allèrent se présenter dans la tente de réunion.
15 Et Yahweh apparut, dans la tente, dans une colonne de nuée, et la colonne de nuée se tint à l’entrée de la tente.
16 Et Yahweh dit à Moïse: «Voici, tu vas être couché avec tes pères; et ce peuple se lèvera et se prostituera à des dieux étrangers du pays au milieu duquel il va entrer. Il m’abandonnera et il rompra mon alliance que j’ai conclue avec lui.
17 Et ma colère s’enflammera contre lui en ce jour-là; je les abandonnerai et je leur cacherai ma face: on le dévorera; une multitude de maux et d’afflictions fondront sur lui, et il dira en ce jour-là: N’est-ce pas parce que mon Dieu n’est pas au milieu de moi que ces maux ont fondu sur moi?
18 Et moi je cacherai ma face en ce jour-là, à cause de tout le mal qu’il aura fait, en se tournant vers d’autres dieux.
19 Ecrivez donc ce cantique. Enseigne-le aux enfants d’Israël, mets-le dans leur bouche, afin que ce cantique me serve de témoin contre les enfants d’Israël.
20 Car, quand j’aurai fait entrer ce peuple dans la terre que j’ai promise par serment à ses pères, terre où coulent le lait et le miel; qu’il aura mangé et se sera rassasié et engraissé: alors il se tournera vers d’autres dieux, et ils les serviront, ils me mépriseront et il rompra mon alliance.
21 Et quand une multitude de maux et d’afflictions auront fondu sur lui, ce cantique déposera comme témoin contre lui; car il ne sera pas oublié et ne sortira pas de la bouche de ses descendants. Car je connais les dispositions qui l’animent dès aujourd’hui, avant même que je l’aie fait entrer dans le pays que je lui ai promis par serment.»
22 En ce jour-là, Moïse écrivit ce cantique, et il l’enseigna aux enfants d’Israël.
23 Yahweh donna ses ordres à Josué, fils de Nun, et lui dit: «Sois fort et rempli de courage; car c’est toi qui feras entrer les enfants d’Israël dans le pays que je leur ai promis par serment, et je serai avec toi.»
24 Lorsque Moïse eut complètement achevé d’écrire dans un livre les paroles de cette loi,
25 il ordonna cet ordre aux Lévites qui portaient l’arche de l’alliance de Yahweh:
26 «Prenez ce livre de la loi et mettez-le à côté de l’arche de l’alliance de Yahweh, votre Dieu, et il sera là comme un témoin contre toi.
27 Car je connais ton esprit rebelle et la raideur de ton cou. Aujourd’hui que je suis encore vivant au milieu de vous, vous avez été rebelles contre Yahweh; combien plus le serez-vous après ma mort?
28 Assemblez auprès de moi tous les anciens de vos tribus et vos magistrats; je prononcerai ces paroles à leurs oreilles, et je prendrai à témoin contre eux le ciel et la terre.
29 Car je sais qu’après ma mort vous vous corromprez certainement, que vous vous détournerez de la voie que je vous ai prescrite, et que le malheur vous atteindra dans la suite des temps, pour avoir fait ce qui est mal aux yeux de Yahweh, en l’irritant par l’oeuvre de vos mains.»
30 Moïse prononça aux oreilles de toute l’assemblée d’Israël les paroles de ce cantique jusqu’au bout:

Chapitres 32

1 Cieux, prêtez l’oreille, et je parlerai; et que la terre écoute les paroles de ma bouche!
2 Que mon enseignement se répande comme la pluie, Que ma parole tombe comme la rosée, comme des ondées sur la verdure, comme des gouttes d’eau sur le gazon!
3 Car je veux proclamer le nom de Yahweh: Rendez gloire à notre Dieu!
4 Le Rocher, son oeuvre est parfaite, car toutes ses voies sont justes; c’est un Dieu fidèle et sans iniquité; il est juste et droit.
5 Ils ont péché contre lui, non ses enfants, mais leur souillure, une race fausse et perverse.
6 Est-ce là ce que vous rendez à Yahweh, peuple insensé et dépourvu de sagesse? N’est-il pas ton père, ton créateur, celui qui t’a fait et qui t’a établi?
7 Souviens-toi des anciens jours, considérez les années des générations passées! Interroge ton père, et il te l’apprendra, tes vieillards, et ils te le diront.
8 Quand le Très-Haut assigna un héritage aux nations quand il sépara les enfants des hommes, il fixa les limites des peuples, d’après le nombre des enfants d’Israël.
9 Car la portion de Yahweh, c’est son peuple, Jacob est le lot de son héritage.
10 Il l’a trouvé dans une terre déserte, dans une solitude, aux hurlements sauvages; il l’a entouré, il a pris soin de lui, il l’a gardé comme la prunelle de son oeil.
11 Pareil à l’aigle qui excite sa couvée, et voltige au-dessus de ses petits, Yahweh a déployé ses ailes, il a pris Israël, il l’a porté sur ses plumes;
12 Yahweh seul l’a conduit, nul dieu étranger n’était avec lui.
13 Il l’a fait monter sur les hauteurs du pays, et Israël a mangé les produits des champs; il lui a fait sucer le miel du rocher, l’huile qui sort de la roche la plus dure,
14 la crème de la vache et le lait des brebis, avec la graisse des agneaux, des béliers nés en Basan et des boucs, avec la fleur du froment; et tu as bu le sang de la grappe, le vin écumant.
15 Mais Jésurun est devenu gras, et il a regimbé; — tu es devenu gras, épais, replet! — et il a abandonné le Dieu qui l’avait formé, et méprisé le Rocher de son salut.
16 Ils ont excité sa jalousie par des dieux étrangers, ils l’ont irrité par des abomination;
17 ils ont sacrifié à des démons qui ne sont pas Dieu, à des dieux qu’ils ne connaissaient pas, dieux nouveaux, venus récemment, devant lesquels vos pères n’avaient pas tremblé.
18 Tu as abandonné le Rocher qui t’avait engendré, et oublié le Dieu qui t’avait mis au monde.
19 Yahweh l’a vu, et il en a été indigné, provoqué par ses fils et ses filles.
20 Il a dit: «Je leur cacherai ma face, je verrai quelle sera leur fin; car c’est une race perverse, des fils en qui il n’y a pas de bonne foi.
21 Ils ont excité ma jalousie par ce qui n’est pas Dieu, ils m’ont irrité par leurs vaines idoles; et moi, j’exciterai leur jalousie par ce qui n’est pas un peuple, je les irriterai par une nation insensée.
22 Car le feu de ma colère s’est allumé, il brûle jusqu’au fond du séjour des morts; il dévore la terre et ses produits, il embrase les fondements des montagnes.
23 J’accumulerai sur eux les maux, sur eux j’épuiserai mes flèches.
24 Ils seront exténués par la faim, consumés par la fièvre et par la peste meurtrière; et j’enverrai encore contre eux la dent des bêtes, avec le venin des reptiles qui rampent dans la poussière.
25 Au dehors l’épée ravira les enfants, — et au dedans ce sera l’effroi: le jeune homme contre la jeune fille, l’enfant à la mamelle comme le vieillard.
26 Je dirai: «Je les emporterai d’un souffle, je ferai disparaître leur souvenir du milieu des hommes,»
27 si je ne craignais l’arrogance de l’ennemi, que leurs adversaires ne se méprennent et qu’ils ne disent: «Notre main a été puissante, et ce n’est pas Yahweh qui a fait toutes ces choses.»
28 Car c’est une nation dénuée de sens, et il n’y a point d’intelligence en eux.
29 S’ils étaient sages, ils le comprendraient, ils considéreraient la fin qui les attend.
30 Comment un homme en poursuivrait-il mille, comment deux en feraient-ils fuir dix mille, si leur Rocher ne les avait vendus, si Yahweh ne les avait livrés?
31 Car leur rocher n’est pas comme notre Rocher, nos ennemis en sont juges.
32 Mais leur vigne est du plant de Sodome, et des champs de Gomorrhe; leurs raisins sont des raisins vénéneux, et leurs grappes sont amères;
33 leur vin, c’est le venin des dragons, c’est le poison mortel des aspics.
34 Cela n’est-il pas caché près de moi, scellé dans mes trésors?
35 A moi la vengeance et la rétribution, pour le temps où leur pied trébuchera! Car le jour de leur malheur est proche, et leur destin se précipite.
36 Car Yahweh fera droit à son peuple, et il se repentira en faveur de ses serviteurs, quand il verra que leur force est épuisée, et qu’il ne reste plus ni esclave, ni libre.
37 Il dira: «Où sont leurs dieux, le rocher près duquel ils se réfugiaient,
38 ces dieux qui mangeaient la graisse de leurs victimes, qui buvaient le vin de leurs libations? Qu’ils se lèvent, qu’ils vous secourent qu’ils vous couvrent de leur protection!…
39 Voyez maintenant que c’est moi, moi qui suis Dieu, et qu’il n’y a point de Dieu à côté de moi. C’est moi qui fais mourir et qui fais vivre; j’ai blessé, et c’est moi qui guérirai, et il n’y a personne qui délivre de ma main.
40 Oui, je lève ma main vers le ciel, et je dis: Je vis éternellement!
41 Quand j’aiguiserai l’éclair de mon glaive, et que ma main saisira le jugement, je tirerai vengeance de mes ennemis, et je rendrai à ceux qui me haïssent.
42 J’enivrerai mes flèches de sang, et mon épée se repaîtra de chair: du sang des tués et des captifs, de la tête chevelue de l’ennemi.»
43 Nations, poussez des cris de joie en l’honneur de son peuple! Car Yahweh venge le sang de ses serviteurs, il tire vengeance de ses adversaires, et il fait l’expiation pour sa terre, pour son peuple.
44 Moïse vint et prononça toutes les paroles de ce cantique aux oreilles du peuple; avec lui était Josué, fils de Nun.
45 Lorsqu’il eut achevé d’adresser toutes ces paroles à tout Israël,
46 il leur dit: «Prenez à coeur toutes les paroles que je proclame aujourd’hui devant vous, que vous devez prescrire à vos enfants, pour qu’ils mettent soigneusement en pratique toutes les paroles de cette loi.
47 Car ce n’est pas une chose indifférente pour vous; c’est votre vie, et, par l’accomplissement de cette parole, vous prolongerez vos jours sur la terre dont vous allez prendre possession en passant le Jourdain.»
48 Ce même jour, Yahweh parla à Moïse, en disant:
49 «Monte sur cette montagne d’Abarim, sur le mont Nébo, au pays de Moab, vis-à-vis de Jéricho, et regarde le pays de Chanaan, que je donne aux enfants d’Israël pour être leur propriété.
50 Tu mourras sur la montagne où tu vas monter, et tu seras réuni à ton peuple, de même qu’Aaron, ton frère, est mort sur la montagne de Hor et a été réuni à son peuple,
51 parce que vous avez péché contre moi au milieu des enfants d’Israël, aux eaux de Mériba de Cadès, dans le désert de Sin, et que vous ne m’avez pas sanctifié au milieu des enfants d’Israël.
52 Tu verras le pays en face de toi, mais tu n’y entreras point, dans ce pays, que je donne aux enfants d’Israël.»

Chapitres 33

1 Voici la bénédiction dont Moïse, homme de Dieu, bénit les enfants d’Israël, avant de mourir.
2 Il dit: Yahweh est venu de Sinaï, il s’est levé pour eux de Séïr, il a resplendi de la montagne de Pharan, il est sorti du milieu des saintes myriades; de sa droite jaillissaient pour eux des jets de lumière,
3 Il aime aussi les peuples; tous ses saints sont dans ta main, eux sont assis à tes pieds, et chacun recueille ta parole.
4 Moïse nous a prescrit une loi, héritage de l’assemblée de Jacob.
5 Il devint roi en Jésurun, lorsque s’assemblèrent les chefs su peuple, avec les tribus d’Israël.
6 Que Ruben vive et qu’il ne meure point, et que ses hommes ne soient pas réduits à un petit nombre!
7 Ceci est pour Juda; il dit: Ecoute,ô Yahweh, la voix de Juda, et ramène-le vers son peuple. De son bras il combattra pour Israël, et tu lui viendras en aide contre ses ennemis.
8 Il dit pour Lévi: Ton Urim et ton Thummim sont confiés à ton homme saint, que tu as éprouvé à Massa, avec qui tu as contesté aux eaux de Mériba,
9 qui a dit de son père et de sa mère: «Je ne les ai pas vus,» qui n’a pas reconnu ses frères, et ne sait rien de ses enfants. Car ils ont observé ta parole, et ils ont gardé ton alliance;
10 ils enseignent tes ordonnances à Jacob, et ta loi à Israël; ils présentent l’encens à tes narines, et l’holocauste sur ton autel.
11 Bénis sa force, ô Yahweh; agrée l’oeuvre de ses mains; brise les reins de ses adversaires, et de ceux qui le haïssent; qu’ils ne se relèvent plus!
12 Il dit pour Benjamin: Bien-aimé de Yahweh, il habitera en sécurité auprès de lui. Yahweh le protège continuellement, entre ses épaules il repose.
13 Il dit pour Joseph: Béni de Yahweh est son pays; à lui le précieux don du ciel, la rosée, les eaux de l’abîme étendu en bas,
14 les produits excellents que fait mûrir le soleil, les fruits excellents des mois,
15 les meilleurs produits des montagnes antiques, les dons excellents des collines éternelles,
16 les dons excellents de la terre et de son abondance. Que la faveur de celui qui habita dans le buisson vienne sur la tête de Joseph, sur le haut de la tête du prince de ses frères!
17 A son taureau premier-né, à lui est la gloire; ses cornes sont les cornes du buffle; il en frappera tous les peuples ensemble, jusqu’aux extrémités de la terre. Telles sont les myriades d’Ephraïm, tels sont les milliers de Manassé.
18 Il dit pour Zabulon: Réjouis-toi, Zabulon, dans tes courses, et toi, Issachar, dans tes tentes!
19 Ils appellent les peuples à venir sur la montagne; là, ils offriront des sacrifices de justice, car ils suceront l’abondance de la mer, et les richesses cachées dans le sable.
20 Il dit pour Gad: Béni soit celui qui met Gad au large! Il est couché comme une lionne; il déchire le bras, même la tête.
21 Il s’est choisi les prémices du pays: car là était cachée une part de chef, et il a marché en tête du peuple, il a accompli la justice de Yahweh, et ses jugements avec Israël.
22 Il dit pour Dan: Dan est un jeune lion, qui s’élance de Basan.
23 Il dit pour Nephthali: Nephthali, rassasié de faveurs, et comblé des bénédictions de Yahweh, prend possession de la mer et du midi.
24 Il dit pour Aser: Béni soit Aser entre les fils de Jacob! Qu’il soit le favori de ses frères, et qu’il trempe son pied dans l’huile!
25 Que tes verrous soient de fer et d’airain, et que ton repos dure autant que tes jours!
26 Nul, ô Jésurun, n’est semblable à Dieu, qui marche sur les cieux pour venir à ton secours, et,dans sa majesté, sur les nues.
27 C’est un refuge que le Dieu des temps antiques, il te soutient de ses bras éternels; il chasse devant toi l’ennemi, et il dit «Détruis!»
28 Israël habite en sécurité; la source de Jacob coule à part, dans un pays de blé et de vin, et son ciel distille la rosée.
29 Heureux es-tu, Israël! Qui est, comme toi, un peuple sauvé par Yahweh, le bouclier de ton secours, et l’épée de ta gloire? Tes ennemis feindront devant toi, et toi, tu marcheras sur leurs hauteurs.

Chapitres 34
1 Moïse monta, des plaines de Moab, sur le mont Nébo, au sommet du Phasga, en face de Jéricho. Et Yahweh lui montra tout le pays: Galaad jusqu’à Dan,
2 tout Nephthali et le pays d’Ephraïm et de Manassé, tout le pays de Juda jusqu’à la mer occidentale,
3 le Négeb, le disctrict du Jourdain, la vallée de Jéricho qui est la ville des palmiers, jusqu’à Ségor.
4 Et Yahweh lui dit: «C’est là le pays au sujet duquel j’ai fait serment à Abraham, à Isaac et à Jacob, en disant: Je le donnerai à ta postérité. Je te l’ai fait voir de tes yeux; mais tu n’y entreras point.»
5 Moïse, le serviteur de Yahweh, mourut là, dans le pays de Moab,selon l’ordre de Yahweh.
6 Et il l’enterrera dans la vallée, au pays de Moab, vis-à-vis de Beth-Phogor. Aucun homme n’a connu son sépulcre jusqu’à ce jour.
7 Moïse était âgé de cent vingt ans, lorsqu’il mourut; sa vue n’était point affaiblie, et sa vigueur n’était point passée.
8 Les enfants d’Israël pleurèrent Moïse, dans les plaines de Moab, pendant trente jours, et les jours des pleurs pour le deuil de Moïse furent accomplis.
9 Josué, fils de Nun, était rempli de l’esprit de sagesse, car Moïse avait posé ses mains sur lui. Les enfants d’Israël lui obéirent et firent selon que Yahweh l’avait ordonné à Moïse.
10 Il ne s’est plus levé en Israël de prophète semblable à Moïse, que Yahweh connaissait face à face,
11 ni quant à tous les signes et miracles que Dieu l’envoya faire, dans le pays d’Egypte, sur Pharaon, sur tous ses serviteurs et sur tout son pays,
12 ni quant à toute sa main puissante et à toutes les choses terribles que Moïse accomplit sous les yeux de tout Israël.

46

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.