nl Nederlands
nl Nederlandsen Englishfr Françaisde Deutschit Italianoes Español

bijbelvers 004 numeri

Download

- Stars (0)

0 Downloads

Owner: admin

Version: 1.0

Last Updated: 02-09-2021 19:19

Share
DescriptionPreviewVersions
3.2.1 geloven christendom - bijbelvers 004 numeri.pdf

Bron: https://rkbijbel.nl/kbs/bijbel/willibrord1975/neovulgaat
https://nl.wikipedia.org/wiki/Numeri

De Willibrordvertaling is dé standaardvertaling van de rooms katholieke geloofsgemeenschap in het Nederlands taalgebied en wordt uitgegeven door de Katholieke Bijbelstichting, in nauwe samenwerking met de Vlaamse Bijbelstichting. De Willibrordvertaling wordt alom gewaardeerd als een vertaling die trouw is aan de grondtekst en die tegelijkertijd een tekst biedt in begrijpelijk hedendaags Nederlands.

Numeri (Latijn: ”getallen”, naar de Griekse benaming in de Septuagint: Ἀριθμοί, arithmoi, ”tellingen”) is het vierde boek van de Hebreeuwse Bijbel. In het Hebreeuws wordt het boek רבדמב, bəmidbar, ”in de wildernis” genoemd, naar het eerste woord van het boek. Het behandelt de gebeurtenissen van de Israëlieten gedurende hun verblijf van 40 jaar in de woestijn, na de uittocht uit Egypte.

Het boek vormt een voortzetting van het boek Exodus, na de onderbreking van de wetgeving in het boek Leviticus. De periode van het boek Numeri beslaat de tijdspanne tussen de eerste dag van de tweede maand van het 2e jaar na de uittocht, tot de 11e maand van het 40e jaar.

1. De telling van het Hebreeuwse volk bij de berg Sinaï en de voorbereidingen voor hun verdere reis. De telling gebeurt per stam (hoofdstuk 1 – 4).

2. Enkele wetten (hoofdstuk 5, 15, 27-30, 33).
3. De wet op het Nazireeërschap en de priesterwijding (hoofdstuk 6).

4. Een beschrijving van de plichten van de Levieten, en hygiënevoorschriften voor het kamp (hoofdstuk 7 – 9, 18-19).

5. Een verslag van de reis van Sinaï naar Moab: Signalen voor het opbreken van het kamp, de reis naar Kadesh Barnea, gemopper op/rebellie tegen Mozes, gebrek aan vlees (kwakkels) (hoofdstuk 10-12).

6. Verkenningstocht van de 12 verkenners, hun verslag, de reactie van het volk (”wij willen er niet heen”), en de straf van God: alle mensen ouder dan 20 jaar zullen er niet komen (hoofdstuk 13-14).

7. Gemopper en rebellie (hoofdstuk 16-17).
8. Ontmoeting met Edom (hoofdstuk 20).
9. Verovering van het land van de Amorieten (hoofdstuk 21).

10. Handelingen in de vlakte van Moab voor zij door de Jordaan trekken (hoofdstuk 21).
11. Confrontatie met Midian, zegening door Bileam (hoofdstuk 22-25, 31).
12. Tweede telling van het volk (hoofdstuk 26).
13. Jozua aangewezen als opvolger van Mozes (hoofdstuk 27).

14. Verdeling van oost-Jordaanoever onder twee en een halve stam: Ruben, Gad, en de halve stam Manasse (hoofdstuk 32).

15. Opdracht om de Kanaänieten te verdrijven. Grenzen van het land. Levitische steden en vrijsteden (hoofdstuk 34-35).

Hoofdstuk 1

Jahwe sprak tot Mozes, in de woestijn van de Sinaï, in de tent van de samenkomst. Het was de eerste dag van de tweede maand in het tweede jaar na hun uittocht uit Egypte. Jahwe zei: 2In heel de gemeenschap van de Israëlieten moet gij, naar geslachten en families, een telling houden van alle mannelijke personen zonder uitzondering, 3van de weerbare mannen in Israël die twintig jaar en ouder zijn. Samen met Aäron moet gij hen inschrijven volgens de afdelingen waartoe zij behoren. 4Een man van iedere stam moet u behulpzaam zijn, iemand die het hoofd van een familie is. 5Dit zijn de namen van de mannen die u ter zijde moeten staan: voor Ruben Elisur, zoon van Sedeur; 6voor Simeon Selumiël, zoon van Surisaddai; 7voor Juda Nachson, zoon van Amminadab; 8voor Issakar Netanel, zoon van Suar; 9voor Zebulon Eliab, zoon van Chelon; 10voor de afstammelingen van Jozef: voor Efraim Elisama, zoon van Ammihud, en voor Manasse Gamliël, zoon van Pedasur; 11voor Benjamin Abidan, zoon van Gidoni; 12voor Dan Achiëzer, zoon van Ammisaddai; 13voor Aser Pagiël, zoon van Okran; (14) 15voor Naftali Achira, zoon van Enan. 16Dat waren degenen die in de gemeenschap werden aangewezen; het waren vooraanstaande mannen in de stammen van hun vaderen, hoofden van geslachten in Israël. 17Mozes en Aäron namen de met name aangewezen mannen als helpers en 18riepen de hele gemeenschap bijeen op de eerste dag van de tweede maand. Alle personen van twintig jaar en ouder werden zonder uitzondering naar geslachten en families ingeschreven. 19Zo schreef Mozes hen in, overeenkomstig het bevel van Jahwe, in de woestijn van de Sinaï. 20De afstammelingen van Ruben, de eerstgeborene van Israël, volgens geslachten en families, alle mannelijke personen zonder uitzondering, alle weerbare mannen van twintig jaar en ouder, 21die ingeschreven werden in de stam Ruben, waren zesenveertigduizendvijfhonderd in getal. 22De afstammelingen van Simeon volgens geslachten en families, alle mannelijke personen zonder uitzondering, alle weerbare mannen van twintig jaar en ouder, 23die ingeschreven werden in de stam Simeon, waren negenenvijftigduizenddriehonderd in getal. 24De afstammelingen van Gad volgens geslachten en families, alle personen van twintig jaar en ouder, alle weerbare mannen 25die ingeschreven werden in de stam Gad, waren vijfenveertigduizendzeshonderdvijftig in getal. 26De afstammelingen van Juda volgens geslachten en families, alle personen van twintig jaar en ouder, alle weerbare mannen 27die ingeschreven werden in de stam Juda, waren vierenzeventigduizendzeshonderd in getal. 28De afstammelingen van Issakar volgens geslachten en families, alle personen van twintig jaar en ouder, alle weerbare mannen 29die ingeschreven werden in de stam Issakar, waren vierenvijftigduizendvierhonderd in getal. 30De afstammelingen van Zebulon, volgens geslachten en families, alle
personen van twintig jaar en ouder, alle weerbare mannen 31die ingeschreven werden in de stam Zebulon waren zevenenvijftigduizendvierhonderd in getal. 32Wat de zonen van Jozef betrof, de afstammelingen van Efraim volgens geslachten en families, alle personen van twintig jaar en ouder, alle weerbare mannen 33die ingeschreven werden in de stam Efraim, waren veertigduizendvijfhonderd in getal; 34de afstammelingen van Manasse volgens geslachten en families, alle personen van twintig jaar en ouder, alle weerbare mannen 35die ingeschreven werden in de stam Manasse, waren tweeëndertigduizendtweehonderd in getal. 36De afstammelingen van Benjamin volgens geslachten en families, alle personen van twintig jaar en ouder, alle weerbare mannen 37die ingeschreven werden in de stam Benjamin, waren vijfendertigduizendvierhonderd in getal. 38De afstammelingen van Dan volgens geslachten en families, alle personen van twintig jaar en ouder, alle weerbare mannen 39die ingeschreven werden in de stam Dan, waren tweeënzestigduizendzevenhonderd in getal. 40De afstammelingen van Aser volgens geslachten en families, alle personen van twintig jaar en ouder, alle weerbare mannen 41die ingeschreven werden in de stam Aser waren eenenveertigduizendvijfhonderd in getal. 42De afstammelingen van Naftali volgens geslachten en families, alle personen van twintig jaar en ouder, alle weerbare mannen 43die ingeschreven werden in de stam Naftali waren drieënvijftigduizendvierhonderd in getal. 44Dat waren degenen die Mozes en Aäron inschreven, bijgestaan door de twaalf vooraanstaande mannen uit Israël, de vertegenwoordigers van hun families. 45Het aantal Israëlieten van twintig jaar en ouder, alle weerbare mannen in Israël die volgens families werden ingeschreven, 46bedroeg in totaal zeshonderddrieduizendvijfhonderdvijftig. 47De levieten echter werden niet met de anderen volgens hun afstamming ingeschreven, 48want Jahwe had tot Mozes gezegd: 49De stam Levi moogt gij niet inschrijven en bij de Israëlieten tellen. 50Gij moet de levieten aanstellen over de woning met de verbondsakte en over heel de inboedel en alle toebehoren. Zij moeten de woning en heel de inboedel vervoeren. Zij zullen er dienst doen en rondom de woning hun kamp opslaan. 51Wanneer de woning optrekt, moeten de levieten ze uit elkaar nemen en wanneer de woning halt houdt, moeten de levieten ze weer opslaan. Een onbevoegde die er te dicht bij komt, moet gedood worden. 52De afdelingen van de Israëlieten moeten zich in hun eigen kamp en bij hun eigen banier legeren, 53maar de levieten moeten zich legeren rondom de woning met de verbondsakte; dan zal geen toorn de gemeenschap van de Israëlieten treffen. Zo moeten de levieten dienst doen bij de woning met de verbondsakte. 54Alles wat Jahwe aan Mozes had bevolen, brachten de Israëlieten stipt ten uitvoer.

Hoofdstuk 2

Jahwe sprak tot Mozes en Aäron: 2De Israëlieten moeten zich legeren bij de tekens van hun families, ieder bij zijn eigen banier. Zij legeren zich
rondom de tent van de samenkomst, maar op enige afstand. 3Aan de
oostkant, daar waar de zon opgaat, legeren zich de groepen die onder de
banier van het kamp Juda behoren. De leider van de Judeeërs was
Nachson, zoon van Amminadab. 4Zijn leger bestond uit
vierenzeventigduizendzeshonderd ingeschrevenen. 5Naast hen moet de
stam Issakar zich legeren. De leider van de Issakarieten was Netanel,
zoon van Suar. 6Zijn leger bestond uit vierenvijftigduizendvierhonderd
ingeschrevenen. 7Dan komt de stam Zebulon. De leider van de
Zebulonieten was Eliab, zoon van Chelon. 8Zijn leger bestond uit
zevenenvijftigduizend ingeschrevenen. 9Het aantal ingeschrevenen van
de groepen in het kamp Juda bedroeg in totaal
honderdzesentachtigduizend. Zij moeten het eerst opbreken. 10Aan de

zuidkant moet de banier staan van het kamp van de Rubenieten, naar hun
groepen geordend. 11De leider van de Rubenieten was Elisur, zoon van
Sedeur. Zijn leger bestond uit zesenveertigduizendvijfhonderd
ingeschrevenen. 12Naast hen moet zich de stam Simeon legeren. De
leider van de Simeonieten was Selumiël, zoon van Surisaddai. 13Zijn
leger bestond uit negenenvijftigduizenddriehonderd ingeschrevenen.
14Dan komt de stam Gad. De leider van de Gadieten was Eljasaf, zoon
van Reuël. 15Zijn leger bestond uit vijfenveertigduizendzeshonderdvijftig
ingeschrevenen. 16Het aantal ingeschrevenen van de groepen in het
kamp van Ruben bedroeg in totaal
honderdeenenvijftigduizendvierhonderdvijftig. Hun onderdeel breekt als
tweede op. 17Dan wordt de tent van de samenkomst opgebroken, het
kamp van de levieten dat in het midden ligt. De volgorde waarin zij
gelegerd zijn, ieder bij zijn banier, moet ook bij het opbreken gehandhaafd
worden. 18Aan de westkant moet de banier staan van het kamp van de
Efraimieten, naar hun groepen geordend. De leider van de Efraimieten
was Elisama, zoon van Ammihud. 19Zijn leger bestond uit
veertigduizendvijfhonderd ingeschrevenen. 20Naast hen moet zich de
stam Manasse legeren. De leider van de Manassieten was Gamliël, zoon
van Pedasur. 21Zijn leger bestond uit tweeëndertigduizendtweehonderd
ingeschrevenen. 22Dan komt de stam Benjamin. De leider van de
Benjaminieten was Abidan, zoon van Gidoni. 23Zijn leger bestond uit
vijfendertigduizendvierhonderd ingeschrevenen. 24Het aantal
ingeschrevenen van de groepen in het kamp van Efraim bedroeg in totaal

honderdachtduizendhonderd. Hun onderdeel breekt als derde op. 25Aan
de noordkant moet de banier staan van het kamp van de Danieten, naar
hun groepen geordend. De leider van de Danieten was Achiëzer, zoon van
Ammisaddai. 26Zijn leger bestond uit tweeënzestigduizendzevenhonderd
ingeschrevenen. 27Naast hen moet zich de stam Aser legeren. De leider
van de Aserieten was Pagiël, zoon van Okran. 28Zijn leger bestond uit
eenenveertigduizendvijfhonderd ingeschrevenen. 29Dan komt de stam
Naftali. De leider van de Naftalieten was Achira, zoon van Enan. 30Zijn
leger bestond uit drieënvijftigduizendvierhonderd ingeschrevenen. 31Het
aantal ingeschrevenen van de groepen in het kamp van Dan bedroeg in
totaal honderdzevenenvijftigduizendzeshonderd. Zij moeten als laatste groep opbreken. Naar de volgorde van de banieren breekt hun onderdeel als laatste op. 32Het aantal van de Israëlieten die, in de kampen naar groepen geordend, volgens hun families werden ingeschreven, bedroeg in totaal zeshonderddrieduizendvijfhonderdvijftig. 33Zoals Jahwe aan Mozes bevolen had, werden de levieten niet bij de Israëlieten ingeschreven. 34De Israëlieten hielden zich aan alles wat Jahwe aan Mozes bevolen had. Verdeeld naar hun banieren sloegen zij hun kamp op en op dezelfde wijze braken zij weer op, ieder bij zijn geslacht en bij zijn familie.

Hoofdstuk 3

Dit waren de afstammelingen van Aäron en Mozes toen Jahwe op de berg Sinaï tot Mozes sprak. 2De namen van de zonen van Aäron zijn Nadab, de eerstgeborene, en Abihu, Eleazar en Itamar. 3Zo heetten de zonen van Aäron, de gezalfde priesters, die aangesteld waren om de priesterlijke bediening te vervullen. 4Nadab en Abihu stierven voor het aanschijn van Jahwe, toen zij in de woestijn van de Sinaï met ongewijd vuur voor Hem verschenen. Zonen hadden zij niet. Zo bleven alleen Eleazar en Itamar het priesterschap uitoefenen, onder toezicht van hun vader Aäron. 5Jahwe sprak tot Mozes: 6Laat de stam Levi naderbij komen en stel hen in dienst van Aäron, de priester. 7Voor hem en de hele gemeenschap moeten zij hun taak vervullen bij de tent van de samenkomst door dienst te doen bij de woning. 8Zij zullen zorg dragen voor heel de inboedel van de tent van de samenkomst en in naam van de Israëlieten een taak vervullen door dienst te doen bij de woning. 9Gij moet de levieten aan Aäron en zijn zonen ter beschikking stellen. Zij moeten hem onvoorwaardelijk, namens de Israëlieten, ten dienste staan. 10Aäron zelf en zijn zonen moet gij opdragen de priesterlijke bediening te vervullen. Zou een onbevoegde dat doen, dan moet hij gedood worden. 11Jahwe sprak tot Mozes: 12Bij dezen zonder Ik uit de Israëlieten de levieten af als plaatsvervangers van alle eerstgeborenen, van allen die bij hen de moederschoot openen. De levieten behoren Mij toe, 13want Mij behoren alle eerstgeborenen; op de dag dat ik in Egypte als eerstgeborenen sloeg, heb Ik alles wat in Israël het eerst geboren wordt, bij mens en dier, voor Mijzelf bestemd. Mij behoren zij toe. Ik ben Jahwe. 14Jahwe sprak tot Mozes in de woestijn van de Sinaï: 15Gij moet alle mannelijke levieten van een maand en ouder inschrijven volgens hun families en geslachten. 16Mozes schreef hen in, zoals Jahwe hem bevolen had. 17Dit zijn de namen van de zonen van Levi: Gerson, Kehat en Merari. 18Dit zijn de namen van de geslachten van de Gersonieten: Libni en Simi; 19de geslachten van de Kehatieten zijn Amram, Jishar, Chebron en Uzziël; 20de geslachten van de Merarieten zijn Machli en Musi. Dat zijn de geslachten van de levieten. 21Tot Gerson behoorden de geslachten van de Libnieten en de Simieten; dat waren de geslachten van de Gersonieten. 22Het aantal mannelijke ingeschrevenen van een maand en ouder bedroeg in totaal zevenduizendvijfhonderd. 23De geslachten van de Gersonieten hadden hun kamp aan de westkant van de woning. 24De leider van de
Gersonieten was Eljasaf, zoon van Laël. 25De Gersonieten moesten bij de tent van de samenkomst, bij de woning zowel als bij de tent, zorgen voor het dekkleed, voor het tapijt aan de ingang van de tent van de samenkomst, 26voor de gordijnen van de voorhof, voor het tapijt aan de ingang van de voorhof die rondom de woning en het altaar lag, en voor de touwen die daarbij nodig waren. Dat was hun werk. 27Tot Kehat behoorden de geslachten van de Amramieten, de Jisharieten, de Chebronieten en de Uzziëlieten; dat waren de geslachten van de Kehatieten. 28Het aantal mannelijke ingeschrevenen van een maand en ouder bedroeg in totaal achtduizendzeshonderd. Zij moesten zorgen voor het heiligdom. 29De geslachten van de Kehatieten hadden hun kamp aan de zuidkant van de woning. 30De leider van de geslachten van de Kehatieten was Elisafan, zoon van Uzziël. 31Zij moesten zorgen voor de ark, de tafel, de luchter, de altaren, de heilige voorwerpen die bij de dienst gebruikt worden, en het voorhangsel. Dat was hun werk. 32De voornaamste leider van de levieten was Eleazar, zoon van de priester Aäron. Hij had het toezicht over hen die met de zorg voor het heiligdom belast waren. 33Tot Merari behoorden de geslachten van de Machlieten en de Musieten; dat waren de geslachten van Merari. 34Het aantal mannelijke ingeschrevenen van een maand en ouder bedroeg in totaal zesduizendtweehonderd. 35De leider van de geslachten van Merari was Suriël, zoon van Abichail. Zij hadden hun kamp aan de noordkant van de woning. 36Aan de zorg van de Merarieten werden toevertrouwd de schotten van de woning, de bindlatten, de palen en de voetstukken en alle verdere benodigdheden. Dat was hun werk. 37Bovendien de palen van de omringende voorhof met voetstukken, pinnen en touwen. 38Aan de oostkant van de woning, voor de tent van de samenkomst, aan de kant waar de zon opgaat, hadden Mozes en Aäron en diens zonen hun kamp. Zij waren belast met de bediening van het heiligdom in naam van de Israëlieten. Zou een onbevoegde dat doen, dan moest hij gedood worden. 39Het aantal mannelijke levieten van een maand en ouder, die Mozes en Aäron op bevel van Jahwe volgens hun geslachten hadden ingeschreven, bedroeg in totaal tweeëntwintigduizend. 40Jahwe zei tot Mozes: Gij moet alle mannelijke eerstgeboren Israëlieten van een maand en ouder inschrijven en hun aantal vaststellen. 41Gij moet voor Mij – Ik ben Jahwe – de levieten afzonderen als plaatsvervangers van alle eerstgeboren Israëlieten en het vee van de levieten in plaats van al het eerstgeborene van het vee van de Israëlieten. 42Mozes schreef alle eerstgeboren Israëlieten in, zoals Jahwe hem bevolen had. 43Het aantal mannelijke eerstgeborenen van een maand en ouder, dat ingeschreven werd, bedroeg in totaal tweeëntwintigduizendtweehonderddrieënzeventig. 44Jahwe sprak tot Mozes: 45Neem de levieten als plaatsvervangers van alle eerstgeboren Israëlieten en het vee van de levieten in plaats van hun vee. De levieten behoren Mij toe. Ik ben Jahwe. 46Voor de tweehonderddrieënzeventig eerstgeboren Israëlieten die er meer zijn dan het aantal levieten, 47moet gij vijf sikkel de man als losprijs innen, in
sikkels van het heiligdom, twintig gera de sikkel. 48Dat geld moet gij aan Aäron en zijn zonen geven als losprijs voor hen die er meer waren dan het aantal dat vrijgekocht is. 49Mozes inde dat losgeld voor hen die het aantal van hen die door de levieten waren vrijgekocht, te boven gingen. 50Hij inde dat geld van de eerstgeboren Israëlieten, duizenddriehonderdvijfenzestig sikkel in sikkels van het heiligdom, 51en gaf het aan Aäron en diens zonen, zoals Jahwe hem bevolen had.

Hoofdstuk 4

Jahwe sprak tot Mozes en Aäron: 2Onder de levieten moet gij een telling houden van de Kehatieten tussen dertig en vijftig jaar volgens hun geslachten en families, 3van allen die in aanmerking komen om dienst te doen bij de tent van de samenkomst. 4De taak van de Kehatieten bij de tent van de samenkomst is de zorg voor het Allerheiligste. 5Wanneer het kamp wordt opgebroken, gaan Aäron en zijn zonen naar binnen, nemen het afsluitend voorhangsel weg en bedekken daarmee de ark met de verbondsakte. 6Zij leggen er een dekkleed van fijn leer over, spreiden daarover een blauwpurperen kleed uit en brengen de draagstokken aan. 7Over de tafel van de toonbroden spreiden zij een blauwpurperen kleed uit en plaatsen daarop de schotels, schalen, kommen en kannen voor het plengoffer; de toonbroden moeten erop liggen. 8Daaroverheen spreiden zij een karmozijnen kleed uit, bedekken dit met een kleed van fijn leer en brengen de draagstokken aan. 9Met een blauwpurperen kleed bedekken zij de luchter, samen met zijn lampen, snuiters, bakjes en alles wat voor het branden van olie nodig is. 10Zij omhullen die luchter met alle toebehoren met een kleed van fijn leer en zetten alles op een draagbaar. 11Over het gouden altaar spreiden zij een blauwpurperen kleed uit, bedekken het met een kleed van fijn leer en brengen de draagstokken aan. 12Alles wat zij bij hun dienst in het heiligdom gebruiken, plaatsen zij op een blauwpurperen kleed, bedekken het met een kleed van fijn leer en zetten het op een draagbaar. 13Het altaar reinigen zij van de vettige as en spreiden er een karmijnrood kleed over uit. 14Alles wat zij bij de dienst van het altaar gebruiken, zetten zij daarop: de vuurpotten, de vorken, de schoppen en de offerschalen, al de benodigdheden voor het altaar. Zij spreiden er een kleed van fijn leer over uit en brengen de draagstokken aan. 15Wanneer het kamp opbreekt, moeten Aäron en zijn zonen klaar zijn met het bedekken van het heilige en van alle heilige voorwerpen; dan pas mogen de Kehatieten binnenkomen om ze te dragen. Zij mogen het heilige niet aanraken: zij zouden sterven. Deze voorwerpen van de tent van de samenkomst moeten de Kehatieten dragen. 16Eleazar, de zoon van de priester Aäron, heeft toezicht op de olie voor de lampen, op het geurige reukwerk, op het dagelijks meeloffer en op de zalfolie, op heel de woning en al wat er in is, het heilige en al wat erbij hoort. 17Jahwe sprak tot Mozes en Aäron: 18Gij moet er voor zorgen, dat de Kehatitische tak van de levieten niet uitsterft. 19Willen zij in leven blijven en niet omkomen, wanneer zij het hoogheilige naderen, dan moet gij het volgende voor hen doen. Aäron en zijn zonen moeten aan ieder van hen zijn taak bij het
dragen aanwijzen. 20Zij mogen er niet binnengaan. Zij zouden sterven, als zij het heilige maar een ogenblik zagen. 21Jahwe sprak tot Mozes: 22Houd een telling van de Gersonieten volgens hun families en geslachten. 23Alle mannen van dertig tot vijftig jaar, die in aanmerking komen om dienst te doen bij de tent van de samenkomst, moet gij inschrijven. 24Het werk van de geslachten van de Gersonieten, hun taak bij het vervoer, bestaat hierin: 25zij moeten de tentkleden van de woning, de tent van de samenkomst, dragen: het dekkleed en het kleed van fijn leer dat daaroverheen ligt, het tapijt aan de ingang van de tent van de samenkomst, 26de gordijnen van de voorhof, het tapijt aan de ingang van de voorhof die om de woning en het altaar ligt, en de touwen die erbij horen. Alles wat voor het werk nodig is, moeten zij verrichten. 27Al het werk van de Gersonieten, al hun werk bij het vervoer moet gebeuren volgens de aanwijzingen van Aäron en zijn zonen. Gij moet alles wat zij te dragen hebben, nauwkeurig aangeven. 28Dat is de taak van de geslachten van de Gersonieten bij de tent van de samenkomst. Bij de uitoefening van hun dienst staan zij onder leiding van Itamar, de zoon van de priester Aäron. 29Ook de Merarieten moet gij volgens hun geslachten en families inschrijven. 30Alle mannen van dertig tot vijftig jaar, die in aanmerking komen om dienst te doen bij de tent van de samenkomst, moet gij inschrijven. 31Hun taak bij het vervoer en hun dienst bij de tent van de samenkomst bestaat hierin: zij moeten zorgen voor de schotten van de woning met de bindlatten, palen en voetstukken, 32voor de palen van de rondom liggende voorhof met de voetstukken, pinnen, touwen en alles wat daarbij hoort. Dat is hun werk. Alle voorwerpen waarvan zij het vervoer te verzorgen hebben, moet gij nauwkeurig aangeven. 33Dat is de taak van de geslachten van de Merarieten, geheel hun werk bij de tent van de samenkomst, onder leiding van Itamar, de zoon van de priester Aäron. 34Mozes en Aäron en de leiders van de gemeenschap schreven de Kehatieten in volgens hun geslachten en families, 35allen van dertig tot vijftig jaar, allen die in aanmerking kwamen om dienst te doen bij de tent van de samenkomst. 36Het aantal van hen die volgens hun geslachten waren ingeschreven, bedroeg tweeduizendzevenhonderdvijftig. 37Dat waren degenen van de geslachten van de Kehatieten die dienst moeten doen bij de tent van de samenkomst en die door Mozes en Aäron volgens het bevel van Jahwe waren ingeschreven. 38Het aantal Gersonieten van dertig tot vijftig jaar die, volgens hun geslachten en families, 39waren ingeschreven, allen die in aanmerking kwamen om dienst te doen bij de tent van de samenkomst 40en die volgens hun geslachten en families waren ingeschreven, bedroeg tweeduizendzeshonderdzestig. 41Dat waren degenen van de geslachten van de Gersonieten die dienst moeten doen bij de tent van de samenkomst en die door Mozes en Aäron volgens het bevel van Jahwe waren ingeschreven. 42Het aantal Merarieten van dertig tot vijftig jaar die, volgens hun geslachten en families, 43waren ingeschreven, het aantal van allen die in aanmerking kwamen om dienst te doen bij de tent van de samenkomst 44en die volgens hun geslachten en
families waren ingeschreven, bedroeg drieduizendtweehonderd. 45Dat waren degenen van de geslachten van de Merarieten, die Mozes en Aäron hadden ingeschreven, volgens het bevel van Jahwe dat door Mozes was overgebracht. 46Het aantal levieten die Mozes en Aäron en de leiders van Israël volgens hun geslachten hadden ingeschreven, 47allen van dertig tot vijftig jaar, het aantal van allen die in aanmerking kwamen om dienst te doen bij de tent van de samenkomst en voor het vervoer, 48bedroeg in totaal achtduizendvijfhonderdtachtig. 49Op bevel van Jahwe werd onder leiding van Mozes aan ieder van hen zijn taak bij het vervoer aangewezen. Zij werden aangesteld zoals Jahwe het aan Mozes bevolen had.

Hoofdstuk 5

Jahwe sprak tot Mozes: 2Geef de Israëlieten het volgend bevel: zij moeten iedere melaatse, ieder die aan druiper lijdt en ieder die onrein is geworden door contact met een lijk, uit het kamp sturen. 3Dat geldt voor mannen en vrouwen. Gij moet hen het kamp uitsturen, want anders verontreinigen zij het kamp, waar Ik in hun midden woon. 4De Israëlieten deden dit en stuurden hen het kamp uit. Wat Jahwe tot Mozes gezegd had, brachten de Israëlieten ten uitvoer. 5Jahwe sprak tot Mozes: 6Zeg aan de Israëlieten: Wanneer een man of vrouw een zonde tegen zijn evenmens bedrijft en daardoor tegen Jahwe misdoet, dan laadt die persoon schuld op zich. 7Dan moeten zij de zonde die zij bedreven hebben, belijden en de hele schuld vermeerderd met een vijfde terugbetalen aan degene die zij benadeeld hebben. 8Heeft de benadeelde geen erfgenaam aan wie het verschuldigde terugbetaald kan worden, dan moet het aan Jahwe betaald worden en de priester ten goede komen, afgezien van de ram waarmee deze voor hem de verzoening voltrekt. 9Van alle heilige gaven waarmee de Israëlieten naar de priester komen, is een deel voor de priester bestemd. 10Verder blijven de heilige gaven eigendom van de persoon die ze aanbiedt, en krijgt de priester nog wat men hem wil geven. 11Jahwe sprak tot Mozes: 12Zeg aan de Israëlieten: Wanneer iemands vrouw zich heeft vergeten en ontrouw is geweest, 13doordat een andere man gemeenschap met haar heeft gehad, en haar eigen man het niet weet, omdat haar misstap verborgen is gebleven en geen getuige haar heeft betrapt en aangeklaagd, 14en wanneer haar man haar in een vlaag van jaloezie gaat verdenken, terwijl ze de misstap inderdaad heeft begaan, of ook wanneer hij haar in een vlaag van jaloezie gaat verdenken, terwijl ze die misstap niet heeft begaan, 15dan moet die man zijn vrouw bij de priester brengen en voor haar een tiende efa gerstemeel als offergave meebrengen. Hij giet er geen olie over uit en voegt er geen wierook aan toe, want het is een offer van jaloezie, dat de zonde in herinnering brengt. 16De priester roept de vrouw naar voren en plaatst haar voor Jahwe. 17Vervolgens neemt hij een aarden kruik met heilig water en voegt wat stof van de vloer van de woning bij het water. 18Wanneer de priester de vrouw dan voor Jahwe heeft geplaatst, maakt hij haar hoofdhaar los en legt in haar handen het herinneringsoffer – het offer van de jaloezie – terwijl hijzelf het bittere, vloekbrengende water in
de hand houdt. 19Dan spreekt de priester over de vrouw een bezwering uit en zegt tot haar: `Indien geen andere man gemeenschap met u heeft gehad en u zich als gehuwde vrouw niet misdragen of verontreinigd hebt, zal dit bittere vloekbrengende water u niet deren. 20Maar indien u zich als gehuwde vrouw wel misdragen of verontreinigd hebt, doordat een andere man gemeenschap met u gehad heeft 21nu bezweert de priester de vrouw met de vloek en zegt tot haar – dan zal Jahwe uw naam bij uw volk tot een vloek en verwensing maken: hij zal uw heupen laten invallen en uw buik laten opzwellen. 22Als dit vloekbrengende water in uw ingewanden komt, zal uw buik opzwellen en zullen uw heupen invallen.’ Daarop moet de vrouw zeggen: `Amen! Amen!’ 23De priester schrijft deze vloek op, wist hem met het bittere water af, 24en geeft de vrouw het bittere vloekbrengende water te drinken, zodat dit water in haar binnenste dringt en daar zijn bitter werk verricht. 25De priester neemt het offer van jaloezie uit de hand van de vrouw, biedt dit Jahwe aan en gaat er mee naar het altaar. 26Dan neemt hij er een handvol af – als teken van het geheel – en laat die op het altaar in rook opgaan; daarna geeft hij de vrouw het water te drinken. 27Heeft zij de misstap begaan en is zij haar man ontrouw geweest, dan zal het vloekbrengend water dat hij haar laat drinken, zijn bitter werk in haar verrichten; de buik van de vrouw zal opzwellen, haar heupen zullen invallen en die vrouw zal bij haar volk een vloek worden. 28Heeft de vrouw de misstap niet begaan en heeft zij zich onberispelijk gedragen, dan gebeurt haar niets en kan zij nog kinderen krijgen. 29Zo moet in een geval van jaloezie gehandeld worden. Indien een gehuwde vrouw zich vergeten heeft en een misstap heeft begaan, 30of indien een man in een vlaag van jaloezie zijn vrouw is gaan verdenken, en hij haar voor Jahwe heeft gebracht en de priester alles met haar gedaan heeft zoals het hier is voorgeschreven, 31dan treft de man geen verwijt; de vrouw moet boeten voor hetgeen zij gedaan heeft.

Hoofdstuk 6

Jahwe sprak tot Mozes: 2Zeg aan de Israëlieten: Wanneer een man of een vrouw iets bijzonders wil verrichten en aan Jahwe de gelofte van nazireaat doet, 3dan heeft hij zich te onthouden van wijn en andere drank. Hij mag geen azijn uit wijn of uit andere drank drinken. Hij mag ook geen sap van druiven drinken en geen verse of gedroogde druiven eten. 4Heel de duur van zijn nazireaat mag hij niets eten van wat van de wijnstok komt, zelfs de pit of het vel niet. 5Zolang zijn gelofte duurt, mag geen scheermes zijn hoofd aanraken. Tot de tijd waarvoor hij zich aan Jahwe gewijd heeft, voorbij is, is hij heilig en moet hij zijn hoofdhaar laten groeien. 6Heel de duur van zijn wijding aan Jahwe mag hij bij geen dode komen. 7Zelfs als zijn vader of moeder, zijn broer of zuster komen te sterven, mag hij zich aan hen niet verontreinigen, want zijn hoofd draagt het teken van zijn toewijding aan God. 8Tot de tijd van zijn nazireaat voorbij is, is hij Jahwe gewijd. 9Wanneer iemand in de nabijheid van de nazireeër plotseling en onvoorzien komt te sterven en zo diens gewijde hoofd verontreinigt, dan moet de nazireeër op de zevende dag, de dag van zijn
reiniging, zijn hoofdhaar scheren, 10en op de achtste moet hij twee tortels of twee duiven naar de priester brengen bij de tent van de samenkomst. 11De priester zal de ene als zondeoffer en de andere als brandoffer opdragen en verzoening voor hem bewerken, vanwege de schuld die hij door de dode heeft opgelopen. Diezelfde dag moet hij zijn hoofd weer heiligen; 12hij moet zich opnieuw aan Jahwe wijden voor de dagen van het nazireaat en hij moet een mannelijk lam van nog geen jaar als schuldoffer aanbieden. De vorige dagen tellen niet meer mee, omdat zijn nazireaat onrein is geworden. 13Voor de nazireeër geldt het volgend voorschrift. Op de dag dat de tijd van zijn nazireaat ten einde is, wordt hij naar de ingang van de tent van de samenkomst geleid. 14Hij biedt aan Jahwe de volgende offergave aan: een gaaf mannelijk lam van nog geen jaar als brandoffer, een gaaf ooilam van nog geen jaar als zondeoffer en een gave ram als slachtoffer: 15vervolgens een korf met ongezuurde broden van meelbloem, koeken met olie aangemaakt en ongezuurde platte broden met olie bestreken en de daarbij behorende meel – en plengoffers. 16De priester brengt de offergave voor Jahwe en hij voltrekt voor de nazireeër het zondeoffer en het brandoffer. 17De ram biedt hij als slachtoffer aan Jahwe aan, tegelijk met de ongezuurde broden in de korf; ook het daarbij behorende meeloffer en plengoffer voltrekt hij voor hem. 18Dan scheert de nazireeër aan de ingang van de tent van de samenkomst zijn gewijde hoofd en werpt de haren in het vuur dat onder het slachtoffer brandt. 19Als hij dat gedaan heeft, neemt de priester het gekookte schouderstuk van de ram, een ongezuurde koek uit de korf en een ongezuurd plat brood en legt die in de handen van de nazireeër. 20Staande voor Jahwe bestemt hij deze tot aandeel van de priesters: het is heilig en komt dus de priester toe, evenals het borststuk dat voor de priester bestemd is en de schenkel die als bijdrage wordt afgestaan. Daarna mag de nazireeër weer wijn drinken. 21Voor de nazireeër die boven zijn nazireaat een gave aan Jahwe beloofd heeft, geldt – afgezien van wat hij verder nog doen wil – het volgende: de inhoud van de afgelegde gelofte bepaalt wat hij meer moet doen dan het voorschrift van het nazireaat gebiedt. 22Jahwe sprak tot Mozes: 23Zeg aan Aäron en zijn zonen: Als gij de Israëlieten zegent, doe het dan met deze woorden: 24`Moge Jahwe u zegenen en u behoeden! 25Moge Jahwe de glans van zijn gelaat over u spreiden en u genadig zijn! 26Moge Jahwe zijn gelaat naar u keren en u vrede schenken!’ 27Als zij zo mijn naam over de Israëlieten uitspreken, zal Ik hen zegenen.

Hoofdstuk 7

Toen Mozes gereed was met het opbouwen van de woning, zalfde hij die met al wat er in stond, en ook het altaar met al zijn toebehoren. Na die zalving en heiliging 2kwamen Israëls leiders, de hoofden van de verschillende families, de leiders van de stammen, degenen die de inschrijving geleid hadden, geschenken aanbieden. 3Zij brachten hun gave voor het aanschijn van Jahwe: zes overdekte wagens en twaalf runderen, van elke twee leiders een wagen en van elke leider een rund.
Die brachten zij voor de woning. 4Jahwe zei tot Mozes: 5`Neem deze geschenken van hen aan; zij kunnen dienen voor de werkzaamheden die de tent van de samenkomst vraagt. Stel ze ter beschikking van de levieten zoals hun werk het vraagt.’ 6Mozes nam dus de wagens en runderen in ontvangst en stelde ze ter beschikking van de levieten. 7Twee wagens en vier runderen stelde hij ter beschikking van de Gersonieten zoals hun werk het vroeg. 8Vier wagens en acht runderen stelde hij ter beschikking van de Merarieten zoals hun werk het vroeg dat zij onder leiding van Itamar, de zoon van de priester Aäron verrichtten. 9Aan de Kehatieten gaf hij niets, omdat zij belast waren met de dienst van het heilige, dat zij op de schouders moeten dragen. 10Toen het altaar gezalfd was, kwamen de leiders inwijdingsgaven aanbieden. Zij brachten hun gaven voor het altaar. 11Jahwe had tot Mozes gezegd: Laat elke dag een leider zijn gave voor de inwijding van het altaar aanbieden. 12Nachson, zoon van Amminadab, van de stam Juda, bood de eerste dag zijn gave aan. 13Zij bestond uit een zilveren schotel die honderddertig sikkel woog, een zilveren schaal van zeventig sikkel, in sikkels van het heiligdom, beide gevuld met bloem, aangemaakt met olie, voor een meeloffer; 14een gouden schaal van tien sikkel gevuld met wierook; 15een jonge stier, een ram, een mannelijk lam van nog geen jaar voor een brandoffer; 16een geitebok voor een zondeoffer, 17en voor een slachtoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf mannelijke lammeren van nog geen jaar. Dat was de gave van Nachson, zoon van Amminadab. 18Op de tweede dag bood Netanel, zoon van Suar, leider in Issakar, zijn gave aan. 19De gave die hij aanbood bestond uit een zilveren schotel die honderddertig sikkel woog, een zilveren schaal van zeventig sikkel, in sikkels van het heiligdom, beide gevuld met bloem, aangemaakt met olie, voor een meeloffer; 20een gouden schaal van tien sikkel gevuld met wierook; 21een jonge stier, een ram, een mannelijk lam van nog geen jaar voor een brandoffer; 22een geitebok voor een zondeoffer, 23en voor een slachtoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf mannelijke lammeren van nog geen jaar. Dat was de gave van Netanel, zoon van Suar. 24Op de derde dag kwam de leider van de Zebulonieten, Eliab, zoon van Chelon. 25Zijn gave bestond uit een zilveren schotel die honderddertig sikkel woog, een zilveren schaal van zeventig sikkel, in sikkels van het heiligdom, beide gevuld met bloem, aangemaakt met olie, voor een meeloffer; 26een gouden schaal van tien sikkel gevuld met wierook; 27een jonge stier, een ram, een mannelijk lam van nog geen jaar voor een brandoffer; 28een geitebok voor een zondeoffer, 29en voor een slachtoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf mannelijke lammeren van nog geen jaar. Dat was de gave van Eliab, zoon van Chelon. 30Op de vierde dag kwam de leider van de Rubenieten, Elisur, zoon van Sedeur. 31Zijn gave bestond uit een zilveren schotel die honderddertig sikkel woog, een zilveren schaal van zeventig sikkel, in sikkels van het heiligdom, beide gevuld met bloem, aangemaakt met olie, voor een meeloffer; 32een gouden schaal van tien sikkel gevuld met wierook; 33een jonge stier, een
ram, een mannelijk lam van nog geen jaar voor een brandoffer; 34een geitebok voor een zondeoffer, 35en voor een slachtoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf mannelijke lammeren van nog geen jaar. Dat was de gave van Elisur, zoon van Sedeur. 36Op de vijf de dag kwam de leider van de Simeonieten, Selumiël, zoon van Surisaddai. 37Zijn gave bestond uit een zilveren schotel die honderddertig sikkel woog, een zilveren schaal van zeventig sikkel, in sikkels van het heiligdom, beide gevuld met bloem, aangemaakt met olie, voor een meeloffer; 38een gouden schaal van tien sikkel gevuld met wierook; 39een jonge stier, een ram, een mannelijk lam van nog geen jaar, voor een brandoffer; 40een geitebok voor een zondeoffer 41en voor een slachtoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf mannelijke lammeren van nog geen jaar. Dat was de gave van Selumiël, zoon van Surisaddai. (42) 43Zijn gave bestond uit een zilveren schotel die honderddertig sikkel woog, een zilveren schaal van zeventig sikkel, in sikkels van het heiligdom, beide gevuld met bloem, aangemaakt met olie, voor een meeloffer; 44een gouden schaal van tien sikkel gevuld met wierook; 45een jonge stier, een ram, een mannelijk lam van nog geen jaar voor een brandoffer; 46een geitebok voor een zondeoffer (47) 48Op de zevende dag kwam de leider van de Efraimieten, Elisama, zoon van Ammihud. 49Zijn gave bestond uit een zilveren schotel die honderddertig sikkel woog, een zilveren schaal van zeventig sikkel, in sikkels van het heiligdom, beide gevuld met bloem, aangemaakt met olie, voor een meeloffer; 50een gouden schaal van tien sikkel gevuld met wierook; 51een jonge stier, een ram, een mannelijk lam van nog geen jaar voor een brandoffer; 52een geitebok voor een zondeoffer en 53voor een slachtoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf mannelijke lammeren van nog geen jaar. Dat was de gave van Elisama, zoon van Ammihud. 54Op de achtste dag kwam de leider van de Manasieten, Gamliël, zoon van Pedasur. 55Zijn gave bestond uit een zilveren schotel die honderddertig sikkel woog, een zilveren schaal van zeventig sikkel, in sikkels van het heiligdom, beide gevuld met bloem, aangemaakt met olie, voor een meeloffer; 56een gouden schaal van tien sikkel gevuld met wierook; 57een jonge stier, een ram en een mannelijk lam van nog geen jaar voor een brandoffer; 58een geitebok voor een zondeoffer 59en voor een slachtoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf mannelijke lammeren van nog geen jaar. Dat was de gave van Gamliël, zoon van Pedasur. 60Op de negende dag kwam de leider van de Benjaminieten, Abidan, zoon van Gidoni. 61Zijn gave bestond uit een zilveren schotel die honderddertig sikkel woog, een zilveren schaal van zeventig sikkel, in sikkels van het heiligdom, beide gevuld met bloem, aangemaakt met olie, voor een meeloffer; 62een gouden schaal van tien sikkel gevuld met wierook; 63een jonge stier, een ram en een mannelijk lam van nog geen jaar voor een brandoffer; 64een geitebok voor een zondeoffer 65en voor een slachtoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf mannelijke lammeren van nog geen jaar. Dat was de gave van Abidan, zoon van Gidoni. 66Op de tiende dag kwam de leider van de
Danieten, Achiëzer, zoon van Ammisaddai. 67Zijn gave bestond uit een zilveren schotel die honderddertig sikkel woog, een zilveren schaal van zeventig sikkel, in sikkels van het heiligdom, beide gevuld met bloem, aangemaakt met olie, voor een meeloffer; 68een gouden schaal van tien sikkel gevuld met wierook; 69een jonge stier, een ram en een mannelijk lam van nog geen jaar voor een brandoffer; 70een geitebok voor een zondeoffer 71en voor een slachtoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf mannelijke lammeren van nog geen jaar. Dat was de gave van Achiëzer, zoon van Ammisaddai. 72Op de elfde dag kwam de leider van de Aserieten, Pagiël, zoon van Okran. 73Zijn gave bestond uit een zilveren schotel die honderddertig sikkel woog, een zilveren schaal van zeventig sikkel, in sikkels van het heiligdom, beide gevuld met bloem, aangemaakt met olie, voor een meeloffer; 74een gouden schaal van tien sikkel gevuld met wierook; 75een jonge stier, een ram en een mannelijk lam van nog geen jaar voor een brandoffer; 76een geitebok voor een zondeoffer 77en voor een slachtoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf mannelijke lammeren van nog geen jaar. Dat was de gave van Pagiël, zoon van Okran. 78Op de twaalfde dag kwam de leider van de Naftalieten, Achira, zoon van Enan. 79Zijn gave bestond uit een zilveren schotel die honderddertig sikkel woog, een zilveren schaal van zeventig sikkel, in sikkels van het heiligdom, beide gevuld met bloem, aangemaakt met olie, voor een meeloffer; 80een gouden schaal van tien sikkel gevuld met wierook; 81een jonge stier, een ram en een mannelijk lam van nog geen jaar voor een brandoffer; 82een geitebok voor een zondeoffer 83en voor een slachtoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf mannelijke lammeren van nog geen jaar. Dat was de gave van Achira, zoon van Enan. 84Dit waren de inwijdingsgaven, die de leiders van Israël bij de zalving van het altaar aanboden: twaalf zilveren schotels en twaalf zilveren schalen en twaalf gouden schalen. 85Iedere zilveren schotel woog honderddertig sikkel en iedere zilveren schaal zeventig; het zilver van die voorwerpen woog in totaal tweeduizendvierhonderd sikkel, gerekend naar de sikkel van het heiligdom. 86Dan waren er de twaalf gouden schalen gevuld met wierook. Elke schaal woog tien sikkel, gerekend naar de sikkel van het heiligdom. Het goud van de schalen woog in totaal honderdtwintig sikkel. 87Dan was er het vee voor de brandoffers: in totaal twaalf jonge stieren, twaalf mannelijke lammeren van nog geen jaar met de daarbij behorende meeloffers, en voor de zondeoffers: twaalf geitebokken. 88Aan vee voor de slachtoffers waren er in totaal vierentwintig jonge stieren, zestig rammen, zestig bokken en zestig mannelijke lammeren van nog geen jaar. Dat waren de inwijdingsgaven bij de zalving van het altaar. 89Telkens als Mozes de tent van de samenkomst binnenging om met Hem te spreken, hoorde hij zijn stem vanaf de dekplaat op de ark met de verbondsakte, tussen de twee kerubs. Zo sprak Hij tot hem.

Hoofdstuk 8
1Jahwe sprak tot Mozes: 2Zeg tot Aäron: `Gij moet de lampen zo opstellen, dat het licht van alle zeven aan de voorkant van de luchter valt.’ 3Aäron deed dat en stelde de lampen zo op, dat hun licht aan de voorkant van de luchter viel, zoals Jahwe aan Mozes had opgedragen. 4De luchter met schacht en bloemwerk was een werkstuk van gedreven goud. Hij was gemaakt naar het model dat Jahwe aan Mozes had laten zien. 5Jahwe sprak tot Mozes: 6Gij moet de levieten afzonderen van de overige Israëlieten en hen reinigen 7door hen te besprenkelen met reinigingswater. Als zij dan heel hun lichaam geschoren en hun kleren gewassen hebben, zijn zij rein. 8Daarna moeten zij een jonge stier nemen met het daarbij behorend meeloffer van bloem met olie aangemaakt, terwijl gijzelf een tweede jonge stier neemt voor een zondeoffer. 9Laat dan de levieten naar de tent van de samenkomst gaan en roep heel de gemeenschap van de Israëlieten in vergadering bijeen. 10Als gij de levieten voor Jahwe hebt laten komen, moeten de Israëlieten hun de handen opleggen. 11Uit naam van de Israëlieten, moet Aäron dan de levieten met een plechtige ceremonie aan Jahwe aanbieden; daarmee zijn zij bestemd voor de dienst van Jahwe. 12Dan leggen de levieten hun handen op de koppen van de beide stieren; de ene stier offert gij als zondeoffer en de andere als brandoffer aan Jahwe op om voor de levieten verzoening te bewerken. 13Laat de levieten voor Aäron en diens zonen gaan staan en bied hen met een plechtige ceremonie aan Jahwe aan. 14Zo zondert gij de levieten van de overige Israëlieten af en behoren ze Mij toe. 15Daarna kunnen de levieten de dienst bij de tent van de samenkomst beginnen. Gij hebt hen immers gereinigd en plechtig aangeboden, 16want zij zijn van de Israëlieten afgezonderd en zonder voorbehoud aan Mij afgestaan. Als plaatsvervangers van alles wat de moederschoot opent, van de eerstgeborenen van alle Israëlieten, heb Ik hen voor Mijzelf bestemd. 17Alle eerstgeborenen bij de Israëlieten, zowel van mensen als van dieren, zijn mijn eigendom. Ik heb hen aan Mij toegewijd, toen Ik alle eerstgeborenen in Egypte sloeg. 18Ik heb de levieten genomen uit de Israëlieten als plaatsvervangers van alle eerstgeborenen 19en hen blijvend gegeven aan Aäron en diens zonen. Zij zullen als vertegenwoordigers van de Israëlieten dienst doen bij de tent van de samenkomst en voor hen verzoening bewerken. En er zal geen ramp meer over de Israëlieten komen, wanneer die het heiligdom naderen. 20Mozes en Aäron en heel de gemeenschap van de Israëlieten voerden alles uit wat Jahwe over de levieten aan Mozes bevolen had. 21De levieten reinigden zich van zonde en wasten hun kleren. Aäron bood hen plechtig aan Jahwe aan en voltrok voor hen de verzoening om hen te reinigen. 22Daarna aanvaardden de levieten hun dienst bij de tent van de samenkomst, onder toezicht van Aäron en zijn zonen. Al wat Jahwe over de levieten aan Mozes bevolen had, hebben zij ook met hen gedaan. 23Jahwe sprak tot Mozes: 24Voor de levieten geldt het volgende: Wie vijfentwintig jaar of ouder is, moet zijn dienst komen doen bij de tent van de samenkomst. 25Wie vijftig jaar is, trekt zich terug. Hij behoeft geen
dienst meer te doen. 26Wel mag hij zijn broeders bij de tent van de samenkomst behulpzaam zijn bij het vervullen van hun taak, maar hij is tot geen dienst meer verplicht. Zo moet gij de bediening van de levieten regelen.

Hoofdstuk 9

In het tweede jaar na de uittocht uit Egypte, in de eerste maand, sprak Jahwe tot Mozes in de woestijn van de Sinaï: 2De Israëlieten moeten op de vastgestelde tijd pasen vieren. 3Gij moet het vieren op de veertiende dag van deze maand, tegen de avond, op de vastgestelde tijd, met inachtneming van al de daarbij geldende voorschriften en wetten. 4Mozes gebood dus de Israëlieten pasen te vieren. 5Op de veertiende dag van de eerste maand, tegen de avond, vierden zij pasen in de woestijn van de Sinaï. De Israëlieten deden alles wat Jahwe aan Mozes had bevolen. 6Nu waren er mannen die door contact met een lijk van een mens onrein waren geworden en daardoor op die dag geen pasen konden vieren. Zij kwamen op die dag naar Mozes en Aäron 7en zeiden: `Wij zijn door contact met een lijk van een mens onrein geworden. Waarom belet men ons nu om samen met de overige Israëlieten op de vastgestelde tijd de offergave aan Jahwe te brengen?’ 8Mozes zei tot hen: `Blijf hier wachten, dan ga ik horen wat Jahwe van u verwacht.’ 9Jahwe sprak tot Mozes: 10Zeg aan de Israëlieten: Wanneer iemand door contact met een lijk onrein is geworden of een verre reis maakt, dan moet hij toch voor Jahwe pasen vieren. Dat geldt voor u en voor uw nageslacht. 11Men moet het vieren op de veertiende dag van de tweede maand, tegen de avond, en daarbij ongezuurde broden en bittere kruiden eten. 12Daarvan mag men niets overlaten tot de volgende morgen en men mag er geen been van breken. De gehele wet op de paasviering moet men in acht nemen. 13Als iemand nalaat pasen te vieren, terwijl hij rein is, dan moet die man uit zijn volk verwijderd worden, omdat hij de offergave voor Jahwe niet op de vastgestelde dag gebracht heeft. Zo iemand heeft de gevolgen van zijn zonde te dragen. 14Vreemdelingen die bij u verblijven en voor Jahwe pasen vieren, moeten de gehele wet op de paasviering in acht nemen. Voor hen en voor de geboren Israëlieten gelden dezelfde bepalingen. 15Zodra de woning was opgebouwd, overdekte de wolk de woning, de tent met de verbondsakte. ’s Avonds leek zij er als vuur boven te hangen, en dat bleef tot de volgende morgen. 16Zo bleef het steeds: overdag overdekte de wolk de woning en ’s nachts vertoonde zij zich als vuur. 17Telkens als de wolk boven de tent omhoogging, braken de Israëlieten op, en waar de wolk dan neerdaalde daar sloegen zij hun kamp op. 18Op aanwijzing van Jahwe zetten de Israëlieten zich in beweging en op het teken van Jahwe sloegen zij hun kamp op. Zolang de wolk boven de woning rustte, bleven zij in hun kamp. 19Bleef de wolk lange tijd boven de woning hangen, dan hielden de Israëlieten zich aan die aanwijzing van Jahwe; zij braken niet op. 20Bleef de wolk maar enkele dagen boven de woning, dan hielden zij zich bij het opslaan of opbreken van hun kamp aan die aanwijzing van Jahwe. 21Bleef de wolk er alleen van de avond tot de
morgen, dan braken zij op, zodra de wolk in de morgen omhoogging. Of het overdag was of ’s nachts, zodra de wolk omhoogging, braken zij op; 22of het twee dagen, een maand of nog langer duurde, zolang de wolk boven de woning bleef hangen, bleven de Israëlieten in hun kamp en braken niet op. Wanneer de wolk omhoogging, braken zij op. 23Op de aanwijzing van Jahwe sloegen zij hun kamp op en op de aanwijzing van Jahwe zetten zij zich in beweging. Zij hielden zich aan de aanwijzingen van Jahwe, die Jahwe hun door Mozes gegeven had.

Hoofdstuk 10

Jahwe sprak tot Mozes: 2Gij moet twee trompetten van gedreven zilver maken. Zij zullen dienen voor het bijeenroepen van de gemeenschap en voor het opbreken van de legerkampen. 3Wordt er op beide trompetten geblazen, dan moet de hele gemeenschap bij u samenkomen aan de ingang van de tent van de samenkomst. 4Wordt er op een trompet geblazen, dan moeten de leiders, de stamhoofden van Israël, bij u samenkomen. 5Bij een langgerekt signaal moeten de legerkampen aan de oostkant opbreken. 6Wordt het voor de tweede maal gegeven, dan moeten de legerkampen aan de zuidkant opbreken. Dit langgerekt signaal moet altijd gegeven worden, als men moet opbreken. 7Voor het bijeenroepen van de gemeenschap wordt wel geblazen, maar geen langgerekt signaal gegeven. 8De priesters, de zonen van Aäron, moeten op de trompetten blazen. Dit is een eeuwige wet voor al uw geslachten. 9Wanneer gij in uw land ten strijde trekt tegen een vijand die u verdrukt, dan moet gij met de trompetten een langgerekt signaal geven. Jahwe, uw God, zal u dan indachtig zijn en u van uw vijanden redden. 10Ook op de dagen van vreugde, op de feesten en bij nieuwe maan moet gij bij uw brandoffers en slachtoffers op de trompetten blazen. Zij zullen de aandacht van God op u vestigen. Ik ben Jahwe, uw God. 11In het tweede jaar, op de twintigste dag van de tweede maand, ging de wolk boven de woning met de verbondsakte omhoog. 12Toen vertrokken de Israëlieten in de voorgeschreven orde uit de woestijn van de Sinaï. In de woestijn Paran bleef de wolk rusten. 13Dit was de eerste keer dat zij vertrokken volgens de aanwijzing die Jahwe door Mozes had gegeven. 14Eerst vertrokken degenen die onder de banier van het kamp van de Judeeërs hoorden, naar groepen geordend. De leiding van het leger van Juda had Nachson, zoon van Amminadab; 15de leiding van het leger van de stam van de Issakarieten had Netanel, zoon van Suar; 16de leiding van het leger van de stam van de Zebulonieten had Eliab, zoon van Chelon. 17Vervolgens werd de woning afgebroken en vertrokken de Gersonieten en Mararieten, die de woning vervoerden. 18Daarna vertrokken degenen die onder de banier van het kamp van Ruben hoorden, naar groepen geordend. De leiding van het leger van Ruben had Elisur, zoon van Sedeur; 19de leiding van het leger van de stam van de Simeonieten had Selumiël, zoon van Surisaddai; (20) 21Nu pas vertrokken de Kehatieten met de heilige voorwerpen, zodat men de woning weer kon opbouwen, voor dat zij aankwamen. 22Daarna vertrokken degenen die onder de banier van het
kamp van de Efraimieten hoorden, naar groepen geordend. De leiding van het leger van Efraim had Elisama, zoon van Ammihud; 23de leiding van het leger van de stam van de Manassieten had Gamliël, zoon van Pedasur; 24de leiding van het leger van de stam van de Benjaminieten had Abidan, zoon van Gidoni. 25Als laatsten van allen vertrokken, naar groepen geordend, degenen die onder de banier van het kamp van de Danieten hoorden. De leiding van het leger van Dan had Achiëzer, zoon van Ammisaddai; 26de leiding van het leger van de stam van de Aserieten had Pagiël, zoon van Okran; 27de leiding van het leger van de stam van de Naftalieten had Achira, zoon van Enan. 28Dat was de volgorde waarin de afdelingen van de Israëlieten vertrokken. 29Mozes zei tot de Midjaniet Chobab, de zoon van Reuël, de schoonvader van Mozes: `Wij vertrekken naar de plaats die Jahwe ons heeft toegezegd. Ga met ons mee. Wij zullen goed voor u zijn, want Jahwe heeft Israël geluk beloofd.’ 30Maar hij zei tot Mozes: `Ik ga niet mee; ik ga weer naar het land waar ik geboren ben.’ 31Mozes zei: `U kunt ons toch niet verlaten! U weet waar wij in de woestijn ons kamp kunnen opslaan en kunt daarom onze gids zijn. 32Als u met ons meegaat, zullen wij u doen delen in het geluk dat Jahwe ons schenkt.’ 33Van de berg van Jahwe trokken zij drie dagen verder, terwijl de ark van het verbond van Jahwe gedurende die drie dagen voor hen uitging om een rustplaats te zoeken. 34Telkens als zij opbraken en verder trokken, hing overdag de wolk van Jahwe boven hen. 35Bij het vertrek van de ark zei Mozes: `Sta op, Jahwe, dat uw vijanden uiteenstuiven en uw tegenstanders voor U vluchten!’ 36En als de ark stilhield, zei hij: `Keer terug, Jahwe, naar de tienduizend maal duizend van Israël!’

Hoofdstuk 11

Eens jammerde het volk tot Jahwe, dat het hun slecht ging. Toen Jahwe dat hoorde, ontstak Hij in toorn. Het vuur van Jahwe laaide bij hen op en verteerde een hoek van het kamp. 2Toen wendde het volk zich tot Mozes. Mozes bad tot Jahwe en het vuur doofde uit. 3Men noemde die plaats Tabera, omdat het vuur van Jahwe bij hen was opgelaaid. 4Het samenraapsel van volk dat met hen meetrok, gaf zich over aan zijn gulzige begeerte en ook de Israëlieten begonnen opnieuw te jammeren. Zij zeiden: `Wie kan ons aan vlees helpen! 5Wij hebben heimwee naar de vis die wij in Egypte voor niets te eten kregen, naar de komkommers en de meloenen, naar de prei, de uien en het knoflook. 6Wij drogen uit! Er is niets! Wij krijgen alleen maar manna te zien.’ 7Het manna geleek op korianderzaad en zag er uit als balsemhars. 8Het volk verspreidde zich om het bijeen te rapen. Dan maalden zij het met een handmolen en stampten het fijn in een vijzel. Ze kookten het in een pot en maakten er koeken van, zodat het smaakte als oliegebak. 9Met de dauw viel ’s nachts ook het manna op het kamp neer. 10Toen Mozes hoorde, hoe het volk, familie voor familie, bij de ingang van de tenten zat te jammeren, en toen Jahwe in hevige toorn ontstak, werd hij ontstemd. 11Hij vroeg Jahwe: `Waarom doet Gij uw dienaar dit verdriet aan? Zijt Gij mij zo weinig genegen, dat Gij mij de last van heel dat volk laat dragen? 12Het lijkt wel
of ik van heel dat volk zwanger ben geweest en het ter wereld heb gebracht, dat Gij mij zegt: Draag het aan uw hart, zoals een voedster een zuigeling draagt, en dat Gij mij beveelt het naar het land te brengen dat Gij zijn vaderen onder ede beloofd hebt. 13Waar haal ik vlees vandaan voor heel dat volk? Het jammert tegen mij: Geef ons toch vlees te eten! 14Ik kan de last van heel dat volk niet alleen dragen. Het is mij te zwaar! 15Indien Gij zo met mij blijft doen, dood mij dan maar, als Gij mij genadig wilt zijn. Dan hoef ik mijn ellende niet langer te zien.’ 16Jahwe zei tot Mozes: `Breng van de oudsten van het volk hier zeventig mannen samen, van wie gij weet dat zij werkelijk oudsten en leiders van het volk zijn. Leid hen naar de tent van de samenkomst en laten zij zich daar bij u opstellen. 17Dan daal ik neer om met u te spreken en leg op hen een deel van de geest die op u rust. Zo zullen zij samen met u de last van het volk dragen en draagt gij die niet langer alleen. 18Aan het volk zult gij zeggen: Zorg dat gij morgen heilig zijt; dan zult gij vlees eten. Gij hebt immers tegen Jahwe gejammerd: Wie kan ons aan vlees helpen! In Egypte hadden wij het goed! Jahwe zal u vlees geven en eten zult gij, 19niet een enkele dag, niet twee dagen, niet vijf dagen, niet tien dagen, niet twintig dagen, 20maar een volle maand, tot het uw neus uitkomt en gij er onpasselijk van wordt. Want ofschoon Jahwe bij u is, hebt gij Hem geminacht door tegen Hem te jammeren: Waarom zijn wij toch uit Egypte weggegaan!’ 21Mozes zei: `Zeshonderdduizend voetgangers telt het volk waaronder ik leef en gij zegt: Ik zal hun vlees geven en zij zullen eten, een volle maand lang. 22Al werden alle schapen en runderen geslacht, dan hadden zij nog niet genoeg. Al werden alle vissen van de zee voor hen gevangen, dan hadden zij nog niet genoeg.’ 23Maar Jahwe zei tot Mozes: `Is Jahwe soms niet machtig genoeg? Gij zult zien of inderdaad gebeurt wat Ik u gezegd heb.’ 24Mozes ging naar buiten en deelde het volk mee wat Jahwe gezegd had. Hij bracht zeventig van de oudsten van het volk bijeen en stelde hen op om de tent. 25Toen daalde Jahwe neer in een wolk, sprak tot hen en legde een deel van de geest die op Mozes rustte, op die zeventig oudsten. En toen de geest op hen rustte, profeteerden zij, maar later hebben zij het niet meer gedaan. 26Nu waren er twee mannen in het kamp gebleven. De een heette Eldad, de ander Medad. Ook op hen rustte de geest – zij stonden op de lijst al waren zij niet naar de tent gegaan – en zij profeteerden in het kamp. 27Een jongen ging het ijlings aan Mozes vertellen en zei: `Eldad en Medad zijn aan het profeteren in het kamp!’ 28Jozua, de zoon van Nun, die reeds als jongeman in Mozes’ dienst gekomen was, zei daarop tot Mozes: `Mijn heer, dat moet u hun verbieden.’ 29Mozes zei hem: `Waarom komt u voor mij op? Ik zou willen, dat heel het volk van Jahwe profeteerde en dat Jahwe zijn geest op hen legde.’ 30Daarna keerde Mozes met de oudsten van Israël in het kamp terug. 31Op bevel van Jahwe stak er een wind op uit de richting van de zee. Die wind voerde kwartels mee en liet ze neervallen over het kamp. Aan alle kanten lagen ze rondom het kamp, een dagreis ver en ongeveer twee el hoog. 32Heel die dag en heel die nacht en ook heel de volgende
dag was het volk op de been om de kwartels te verzamelen. Wie weinig raapte had toch nog tien ezelslasten. Zij spreidden ze uit rondom het kamp. 33Het vlees zat nog tussen hun tanden, niet fijn gekauwd, toen Jahwe reeds in toorn tegen het volk ontstak en een zeer grote slachting onder hen aanrichtte. 34Men noemde die plaats Kibrot-hattaawa, want daar werd het volk begraven, dat zich door gulzige begeerte had laten meeslepen. 35Van Kibrot-hattaawa trok het volk verder naar Chaserot.
Hoofdstuk 12

Tijdens hun verblijf te Chaserot, keerden Mirjam en Aäron zich tegen Mozes, omdat hij een Kusitische vrouw had genomen: hij was inderdaad met een Kusitische gehuwd. 2Zij zeiden: `Heeft Jahwe alleen maar door Mozes gesproken? Heeft hij ook door ons niet gesproken?’ Jahwe hoorde dat 3en omdat Mozes een zeer bescheiden man was, de bescheidenste van alle mensen op aarde, 4zei Jahwe terstond tot Mozes, Aäron en Mirjam: `Ga met u drieën naar de tent van de samenkomst.’ Zij gingen er met hun drieën heen. 5Nu daalde Jahwe in een wolkkolom neer, nam plaats bij de ingang van de tent en riep Aäron en Mirjam, die beiden naar voren traden. 6Hij zei: `Luister naar wat Ik te zeggen heb. Aan uw profeten maak Ik mij in visioenen bekend en Ik spreek tot hen in dromen. 7Met mijn dienaar Mozes doe Ik dat niet. Hij is mijn vertrouweling, in heel mijn huis. 8Met hem spreek Ik van mond tot mond, duidelijk en niet in raadsels. Hij aanschouwt de gestalte van Jahwe. Hoe hebt gij u tegen mijn dienaar Mozes durven keren?’ 9Toornig ging Jahwe van hen heen. 10De wolk was nog niet van de tent van de samenkomst geweken, of Mirjam zat vol uitslag; het leek wel sneeuw. Toen Aäron zich naar Mirjam keerde, stond daar een melaatse. 11Aäron zei tot Mozes: `Ach heer, laat ons toch niet lijden voor de zonde die wij in onze dwaasheid begaan hebben. 12Laat Mirjam toch niet zijn als een doodgeboren kind dat half vergaan uit de moederschoot komt.’ 13Mozes riep tot Jahwe: `O God, maak haar weer gezond!’ 14Jahwe zei tot Mozes: `Als haar vader haar in het gezicht gespuwd had, zou zij dan niet zeven dagen geschandvlekt zijn? Zij moet dus zeven dagen buiten het kamp gesloten worden. Daarna mag zij er weer in.’ 15Mirjam werd zeven dagen buiten het kamp gesloten. Het volk ging niet verder, voordat Mirjam weer was toegelaten. 16Daarna vertrok het volk uit Chaserot en sloeg zijn kamp op in de woestijn Paran.

Hoofdstuk 13

Jahwe sprak tot Mozes: 2`Zend mannen uit om Kanaän te verkennen, het land dat Ik aan de Israëlieten geef; een man uit elke stam; het moeten mannen van aanzien zijn.’ 3Vanuit de woestijn Paran zond Mozes hen op het bevel van Jahwe uit; het waren allen vooraanstaande mannen onder de Israëlieten. 4Dit zijn hun namen: voor de stam Ruben Sammua, zoon van Zakkur; 5voor de stam Simeon Safat, zoon van Chori; 6voor de stam Juda Kaleb, zoon van Jefunne; 7voor de stam Issakar Jigal, zoon van Jozef; 8voor de stam Efraim Hosea, zoon van Nun; 9voor de stam Benjamin Palti, zoon van Rafu; 10voor de stam Zebulon Gaddiël, zoon van Sodi; 11voor de stam Jozef: voor de stam Manasse Gaddi, zoon van
Susi; 12voor de stam Dan Ammiël, zoon van Gemalli; 13voor de stam Aser Setur, zoon van Michaël; 14voor de stam Naftali Nachbi, zoon van Wofsi; 15voor de stam Gad Geuël, zoon van Maki. 16Dat zijn de namen van de mannen die Mozes uitzond om het land te verkennen. Aan Hosea, de zoon van Nun, gaf Mozes de naam Jozua. 17Toen Mozes hen uitzond om Kanaän te verkennen, gaf hij hun deze opdracht: `Trek eerst de Negeb door en ga dan het bergland in. 18Stel vast wat het voor een land is, of het volk er sterk is of zwak, gering in aantal of talrijk; 19of het land waarin het woont, goed is of slecht, en of het volk in open plaatsen of in versterkte steden woont; 20of de grond vruchtbaar is, of schraal, en of er bomen zijn of niet. Gij moet u moedig gedragen en ook wat vruchten van het land meebrengen.’ Het was juist de tijd van de eerste druiven. 21Zij trokken uit en verkenden het land van de woestijn Sin tot aan Rechob, waar de weg naar Hamat begint. 22Zij trokken de Negeb in en drongen door tot Hebron waar de Enakieten Achiman, Sesai en Talmai woonden. – Hebron is zeven jaar eerder gebouwd dan Soan in Egypte. 23Zij drongen door in het dal Eskol en sneden daar een wijnrank af met een druiventros, die zij met twee man aan een stok moesten dragen; bovendien namen zij enige granaatappels en vijgen mee. 24Eskol heeft zijn naam te danken aan de druiventros die de Israëlieten daar hebben afgesneden. 25Na veertig dagen keerden zij van hun verkenningstocht terug. 26Zij begaven zich naar Mozes en Aäron en naar heel de gemeenschap van de Israëlieten in de woestijn Paran te Kades. Zij brachten aan hen en aan heel de gemeenschap verslag uit en lieten hun de vruchten van het land zien. 27Zij vertelden: `Wij zijn in het land geweest waarheen u ons gestuurd hebt en het vloeit werkelijk over van melk en honing. Kijk maar eens naar deze vruchten. 28Maar het volk dat er woont, is buitengewoon sterk en de steden zijn ommuurd en zeer groot. Wij hebben er zelfs Enakieten gezien. 29In de Negeb wonen Amalekieten, in het gebergte Hethieten. Chiwwieten, Jebusieten en Amorieten, en aan de zee en langs de Jordaan wonen Kanaänieten.’ 30Kaleb trachtte het volk tot volgzaamheid tegenover Mozes te bewegen en zei: `Wij kunnen gerust optrekken om het te veroveren, want wij zijn er zeker toe in staat.’ 31Maar de mannen die met hem waren uitgetrokken, zeiden: `Wij kunnen tegen dat volk niet optrekken; het is te sterk voor ons.’ 32Zij verspreidden onder de Israëlieten ook allerlei praatjes over het land dat zij verkend hadden. Zij zeiden: `Het land dat wij op onze verkenningstocht doorkruist hebben, is een land dat zijn bewoners verslindt, en de mensen die wij er gezien hebben waren geweldig groot. 33Wij hebben er de reuzen gezien – de Enakieten behoren tot de reuzen -. Wij voelden ons sprinkhanen en daarvoor moeten zij ons ook hebben aangezien.’

Hoofdstuk 14

Toen begon de hele gemeenschap luid te roepen en bleef heel de nacht jammeren. 2Alle Israëlieten morden tegen Mozes en Aäron en heel de gemeenschap zei tot hen: `Waren wij maar in Egypte gestorven of anders hier in de woestijn! Waren wij maar dood! 3Jahwe voert ons naar dat land
om er door het zwaard te vallen, terwijl onze vrouwen en kleine kinderen buitgemaakt worden. Is het niet beter naar Egypte terug te gaan?’ 4En zij zeiden tot elkaar: `Laten wij een aanvoerder kiezen en naar Egypte teruggaan.’ 5Toen wierpen Mozes en Aäron zich voor heel de verzamelde gemeenschap van de Israëlieten ter aarde. 6Jozua, zoon van Nun, en Kaleb, zoon van Jefunne, die ook het land verkend hadden, scheurden hun kleren 7en zeiden tot heel de gemeenschap van de Israëlieten: `Het land dat wij op onze verkenningstocht doorkruist hebben is een prachtig land. 8Als Jahwe behagen in ons heeft, zal Hij ons dat land binnenvoeren en het ons geven, dat land van melk en honing. 9Maar u moet niet in opstand komen tegen Jahwe en ook niet bang zijn voor de bevolking van dat land, want die krijgen wij als spijs. Van hen is de beschermende schaduw geweken maar bij ons is Jahwe. U hoeft niet bang te zijn voor hen!’ 10Toen de hele gemeenschap hen wilde stenigen verscheen de heerlijkheid van Jahwe voor alle Israëlieten boven de tent van de samenkomst. 11En Jahwe zei tot Mozes: `Dit volk blijft Mij maar versmaden! Zij geloven nog steeds niet in Mij ondanks al de wondertekenen die Ik bij hen verricht heb! 12Ik zal het slaan met de pest en het uitroeien en van u zal Ik een volk maken, groter en machtiger dan dit.’ 13Maar Mozes zei tot Jahwe: `De Egyptenaren weten, dat Gij dit volk door uw kracht uit hun land hebt geleid; 14Bovendien hebben alle bewoners van dit land hier gehoord, dat Gij, Jahwe, bij dit volk woont, dat Gij, Jahwe, aan hen verschijnt, dat uw wolk boven hen staat, dat Gij voor hen uitgaat overdag in een wolkkolom en ’s nachts in een vuurzuil. 15Wanneer Gij nu dit volk als een man doodt, dan zeggen de volken die van uw faam gehoord hebben: 16Jahwe was niet bij machte dit volk in het land te brengen, dat Hij hun onder ede beloofd had. Daarom heeft Hij hen in de woestijn omgebracht. 17Laat nu de grote macht van mijn Heer zich tonen. Gij hebt immers gezegd: 18Jahwe is lankmoedig, rijk aan erbarmen, misdaad en zonde vergeeft Hij; al laat Hij ook niets ongestraft; de misdaad van de vader wreekt Hij op zijn kinderen, tot het derde en vierde geslacht. 19Wil toch in uw grote barmhartigheid de misdaad van dit volk vergeven, zoals Gij het steeds vergiffenis geschonken hebt, van Egypte tot hier.’ 20Toen zei Jahwe: `Ik schenk vergiffenis zoals gij vraagt. 21Maar zowaar Ik leef en heel de aarde vervuld is van de heerlijkheid van Jahwe: 22geen van de mannen die mijn heerlijkheid gezien hebben en de wondertekenen die Ik in Egypte en in de woestijn heb verricht, en die Mij wel tienmaal getart hebben door niet naar Mij te luisteren, 23geen van die mannen zal het land zien dat Ik hun vaderen onder ede beloofd heb. Niemand van die Mij versmaad hebben, zal het zien. 24Maar mijn dienaar Kaleb was van een andere geest bezield en Mij steeds trouw gebleven. Daarom zal Ik heb in het land brengen waarin hij is doorgedrongen, en zijn nakomelingen zullen het bezitten. 25- De Amalekieten en Kanaänieten wonen in de vlakte. Ga daarom morgen opnieuw de woestijn in, naar de Rietzee toe.’ 26Jahwe sprak tot Mozes en Aäron: 27`Mijn geduld met deze verdorven gemeenschap die tegen Mij mort, is uitgeput! Dat
voortdurend gemor van de Israëlieten heb Ik nu genoeg gehoord. 28Zeg hun: Zo waar Ik leef – aldus spreekt Jahwe – wat Ik u heb horen zeggen, dat zal Ik ook met u doen. 29In deze woestijn zullen de lijken liggen van allen die tegen Mij hebben gemord, van al uw ingeschrevenen, van ieder boven twintig jaar. 30Gij zult het land dat Ik u met opgeheven hand als woonplaats heb toegezegd, niet binnengaan, met uitzondering van Kaleb, zoon van Jefunne, en Jozua, zoon van Nun. 31Maar uw kleine kinderen van wie gij gezegd hebt, dat zij buitgemaakt zouden worden, die zal Ik er binnenvoeren en zij zullen het land leren kennen dat gij versmaad hebt. 32Uw lijken zullen in deze woestijn komen te liggen, 33en veertig jaren zullen uw zonen in de woestijn als herders rondzwerven en boeten voor uw ontrouw totdat uw lijken in de woestijn vergaan zijn. 34Voor elke dag van de veertig dat gij het land verkend hebt, zult gij een jaar uw misdaden boeten, veertig jaar in totaal, zodat gij weet wat het betekent u tegen Mij te verzetten. 35Ik Jahwe heb gesproken. Dit zal Ik zeker doen met heel deze verdorven gemeenschap die tegen Mij heeft samengespannen: in deze woestijn zullen zij tot de laatste man sterven.’ 36En de mannen die Mozes had uitgezonden om het land te verkennen en die na hun terugkeer heel de gemeenschap tegen hem aan het morren hadden gebracht door allerlei praatjes over het land te verspreiden, 37die verspreiders van allerlei boze praatjes stierven door Jahwe’s ingrijpen een plotselinge dood. 38Van de mannen die uitgetrokken waren om het land te verkennen, bleven allen Jozua, zoon van Nun, en Kaleb, zoon van Jefunne in leven. 39Mozes bracht de woorden van Jahwe over aan alle Israëlieten en het volk was diep terneergeslagen. 40De volgende morgen wilden zij de berg opgaan. Zij zeiden: `Wij staan klaar om op te trekken naar de plaats van Jahwe’s belofte. Wij hebben gezondigd.’ 41Maar Mozes zei: `Waarom tegen Jahwe’s bevelen ingaan? Dat is tot mislukking gedoemd. 42Trek de bergen niet in: Jahwe is niet bij u; gij wordt door uw vijanden verslagen. 43De Amalekieten en de Kanaänieten zullen zich tegen u keren en ge zult vallen door het zwaard. Gij hebt u nu eenmaal van Jahwe afgekeerd en daarom zal Hij u niet bijstaan.’ 44Eigengereid als zij waren, gingen zij toch de berg op, maar de ark van Jahwe’s verbond en Mozes kwamen het kamp niet uit. 45De Amalekieten en de Kanaänieten die in het gebergte woonden, kwamen naar beneden, brachten hun een verpletterende nederlaag toe en zaten hen na tot Chorma.

Hoofdstuk 15

Jahwe sprak tot Mozes: 2Zeg aan de Israëlieten: Wanneer gij het land, dat Ik u als woonplaats schenk, zijt binnengegaan 3en gij als geurige gave die Jahwe behaagt een offer van uw runderen of kleinvee brengt, een brandoffer of een slachtoffer, voor het vervullen van een gelofte of als vrijwillige gave of bij gelegenheid van uw feesten, 4dan moet degene die Jahwe zijn gave aanbiedt bij brand en slachtoffer een meeloffer van een issaron bloem voegen, aangemaakt met een kwart hin olie, 5en een plengoffer van een kwart hin wijn; dit geldt voor elk lam. 6Bij een ram moet gij een meeloffer van twee issaron bloem voegen, aangemaakt met
een derde hin olie, 7en een plengoffer van een derde hin wijn. Dan is het een geurige gave die Jahwe behaagt. 8Wanneer gij aan Jahwe een rund als brandoffer of als slachtoffer brengt ter vervulling van een gelofte of om een andere reden 9dan moet men bij het rund een meeloffer van drie issaron aanbieden, aangemaakt met een halve hin olie 10en een plengoffer van een halve hin wijn. Dan is het een geurige gave die Jahwe behaagt. 11Zo moet er gedaan worden bij elke stier, bij elke ram, bij elk stuk kleinvee, schaap of geit. 12Bij elk dier moet gij het doen, hoeveel gij er ook aanbiedt. 13Iedere geboren Israëliet moet dit doen, wanneer hij Jahwe een offer wil aanbieden, een geurige gave die Hem behaagt. 14Wanneer een vreemdeling die nu of in de toekomst bij u woont, aan Jahwe een geurige gave wil aanbieden die Hem behaagt, dan moet hij hetzelfde doen als gij. 15In de gemeente geldt voor u en voor de vreemdeling die bij u woont, alle geslachten door hetzelfde voorschrift. Gij en de vreemdeling zijt voor Jahwe gelijk. 16Dezelfde wet en dezelfde regel gelden dus voor u en voor de vreemdeling die bij u woont. 17Jahwe sprak tot Mozes: 18Zeg aan de Israëlieten: Wanneer gij in het land komt waar Ik u heenbreng 19en het brood van dat land eet, dan moet gij daarvan een deel aan Jahwe afstaan. 20Van het eerste deeg dat gij maakt, moet gij een koek afstaan. Het is de bijdrage van de dorsvloer. 21Van het eerste deeg dat gij maakt, moet gij ook in de komende geslachten een deel aan Jahwe afstaan. 22Wanneer gij door onoplettendheid nalaat een van de geboden te volbrengen, die Jahwe aan Mozes gegeven heeft, 23welke van die geboden ook, van het eerste ogenblik dat Jahwe geboden gaf tot in uw verre nageslachten, 24en het is buiten weten van de gemeenschap gebeurd, dan moet de hele gemeenschap Jahwe een jonge stier aanbieden als brandoffer, een geurige gave die hem behaagt, met het daarbij voorgeschreven meel – en plengoffer, alsmede een geitebok als zondeoffer. 25De priester zal voor de hele gemeenschap van de Israëlieten verzoening bewerken en dan zal hun vergiffenis geschonken worden, want het was onoplettendheid en daarvoor hebben zij aan Jahwe een zondeoffer gebracht. 26Het zal vergeven worden aan de hele gemeenschap van de Israëlieten en aan de vreemdelingen die bij u wonen, want het is een onoplettendheid die het hele volk is overkomen. 27Wanneer een enkele persoon door onoplettendheid zondigt, dan moet hij een geitje van nog geen jaar als zondeoffer aanbieden. 28De priester zal voor de persoon die door onoplettendheid gezondigd heeft, voor het aanschijn van Jahwe verzoening bewerken en door deze verzoening wordt hem vergiffenis geschonken. 29Voor de geboren Israëliet en voor de vreemdeling die bij u woont, geldt bij een zonde door onoplettendheid dezelfde wet. 30Maar wanneer een geboren Israëliet of een vreemdeling met opzet een gebod overtreedt, dan hoont hij Jahwe en moet hij uit zijn volk verwijderd worden. 31Hij heeft Jahwe’s woord geminacht en zijn gebod geschonden. Zo iemand moet onherroepelijk verwijderd worden. Hij moet de gevolgen van zijn zonde dragen. 32Tijdens hun verblijf in de woestijn betrapten de
Israëlieten iemand die op sabbat hout sprokkelde. 33Degenen die hem daarop betrapt hadden, brachten hem bij Mozes en Aäron en heel de gemeenschap. 34Hij werd in bewaring gesteld, omdat nog niet bepaald was wat er met hem moest gebeuren. 35Jahwe zei tot Mozes: `Die man moet ter dood gebracht worden. Heel de gemeenschap moet hem buiten het kamp stenigen.’ 36Toen voerde heel de gemeenschap hem buiten het kamp en stenigden hem dood, zoals Jahwe aan Mozes had bevolen. 37Jahwe sprak tot Mozes: 38Zeg aan de Israëlieten, dat zij en hun nageslacht aan de slippen van hun kleed kwasten moeten bevestigen met een blauwpurperen draad erin. 39Die kwasten zullen voor u een teken zijn: bij het zien daarvan zult gij alle geboden van Jahwe gedenken; gij zult die geboden volbrengen en niet meer de begeerten van uw hart en uw ogen volgen, die gij nu trouweloos naloopt. 40Zij zullen u helpen er aan te denken al mijn geboden te volbrengen en uw God toegewijd te blijven. 41Ik ben Jahwe, uw God, die u uit Egypte geleid heb om uw God te zijn. Ik ben Jahwe, uw God.

Hoofdstuk 16

Korach zoon van Jishar, de zoon van Kehat, de zoon van Levi, Datan en Abiram, de zonen van Eliab, en On, zoon van Pelet, de zoon van Ruben, 2kwamen tegen Mozes in opstand, samen met tweehonderdvijftig Israëlieten, leiders van de gemeenschap, leden van de vergadering en mannen van aanzien. 3Zij kwamen met zijn allen op Mozes en Aäron af en zeiden: `U matigt u teveel aan! Alle leden van de gemeenschap zijn heilig en in hun midden is Jahwe. Waarom verheft u zich dan boven de gemeente van Jahwe?’ 4Toen Mozes dit hoorde, wierp hij zich ter aarde. 5Hij sprak tot Korach en heel zijn aanhang: `Morgen zal Jahwe bekend maken wie de man van zijn keuze is; de heilige, degene die Hij uitkiest, zal Hij tot zich laten naderen. 6Korach en aanhangers, hoort wat gij morgen moet doen. Gij moet komen met vuurpannen, 7er vuur in doen en daar wierook op leggen voor Jahwe. Degene die Jahwe dan uitkiest, is heilig. Zonen van Levi, gij matigt u teveel aan.’ 8Mozes zei tot Korach: `Luister, zonen van Levi. 9Is het u niet genoeg, dat de God van Israël u van de gemeenschap heeft afgezonderd en u tot zich heeft laten naderen om dienst te doen in de woning van Jahwe en de gemeenschap ten dienste te staan? 10Hij heeft u met al uw medelevieten tot zich toegelaten en nu eist u ook het priesterschap? 11U spant met uw aanhangers samen tegen Jahwe. Wat betekent Aäron dat u tegen hem zoudt morren?’ 12Mozes liet Datan en Abiram, de zonen van Eliab, roepen. Maar zij antwoordden: `Wij komen niet! 13Het is al erg genoeg dat u ons uit een land van melk en honing hebt gehaald om ons te laten sterven in de woestijn! Wilt u zich nu ook nog als heerser over ons opwerpen! 14U hebt ons werkelijk niet in een land van melk en honing gebracht en hebt ons ook geen akkers en wijngaarden in eigendom gegeven! Denkt u, dat u ons nog iets kunt wijsmaken? Wij komen niet!’ 15Mozes werd daar zeer verontwaardigd om en zei tot Jahwe: `Sla geen acht op hun meeloffer. Ik heb hun geen ezel ontnomen en niemand van hen onrecht gedaan.’ 16Mozes zei tot Korach:
`U moet morgen met heel uw aanhang voor Jahwe verschijnen, samen met Aäron. 17Ieder moet komen met een vuurpan, daar wierook op doen en die voor Jahwe plaatsen, tweehonderdvijftig in totaal. Dat geldt ook voor uzelf en voor Aäron.’ 18Allen brachten een vuurpan mee. Zij deden er vuur in, legden daar wierook op en gingen met Mozes en Aäron bij de ingang van de tent van de samenkomst staan. 19Toen Korach heel de gemeenschap bij de tent van de samenkomst tegen hen bijeengebracht had, verscheen hun de heerlijkheid van Jahwe. 20Jahwe sprak tot Mozes en Aäron: 21`Ga van deze gemeenschap weg, dan zal Ik hen in een oogwenk vernietigen.’ 22Toen wierpen zij zich ter aarde en zeiden: `O God, gij die aan alle mensen het leven schenkt, laat gij, als een man zondigt, uw toorn op heel de gemeenschap neerkomen?’ 23Jahwe sprak tot Mozes: 24`Zeg aan de gemeenschap: Ga weg van de woning van Korach, Datan en Abiram.’ 25Gevolgd door de oudsten van Israël begaf Mozes zich naar Datan en Abiram. 26Hij richtte zich tot de gemeenschap en zei: `Ga toch weg bij de tenten van die goddeloze mannen en raak niets aan wat hun toebehoort; anders worden hun zonden u noodlottig.’ 27Datan en Abiram waren naar buiten gekomen en met hun vrouwen, zonen en kleine kinderen bij de ingang van hun tenten gaan staan. 28Toen zei Mozes: `Nu zult u weten, dat Jahwe mij gezonden heeft om dit alles te doen en dat het niet van mij afkomstig is. 29Wanneer die mannen de dood van alle mensen sterven en hen het lot van alle mensen treft, dan heeft Jahwe mij niet gezonden, 30maar doet Jahwe iets volkomen ongehoords, spert de grond zijn muil open en verslindt hij hen met alles wat hun toebehoort, zodat zij levend in het dodenrijk neerdalen, dan weet u, dat zij Jahwe gehoond hebben.’ 31Nauwelijks was hij uitgesproken of de grond onder hen scheurde vaneen, 32de aarde opende zich en verslond hen en hun gezinnen, alle mensen die bij Korach hoorden en heel hun bezit. 33Zij daalden met al de hunnen levend in het dodenrijk neer. De aarde sloot zich boven hen en zij waren uit de gemeente verdwenen. 34Toen de Israëlieten die eromheen stonden hun kreten hoorden, vluchtten zij allen weg, want zij dachten: `Anders verslindt de aarde ook ons nog!’ 35Toen kwam er van Jahwe een vuur en verteerde de tweehonderdvijftig man die wierook offerden.

Hoofdstuk 17

Jahwe sprak tot Mozes: 2`Zeg aan Eleazar, de zoon van de priester Aäron, dat hij de vuurpannen uit de vlammen haalt en het vuur eruit werpt, want de vuurpannen zijn heilig geworden. 3Maak van de vuurpannen die die zondaars het leven gekost hebben, dunne platen om er het altaar mee te bedekken. Omdat zij voor Jahwe gebracht zijn, zijn ze heilig. Zo zullen zij voor de Israëlieten een teken zijn.’ 4De priester Eleazar nam dus de bronzen vuurpannen, afkomstig van degenen die verbrand waren, maakte er dunne platen van en bekleedde daarmee het altaar. 5Zij brengen de Israëlieten in herinnering dat een onbevoegde, iemand die niet tot het geslacht van Aäron behoort, niet naar voren mag komen om Jahwe een reukoffer te brengen. Het zou hem vergaan als Korach en zijn aanhangers,
zoals Jahwe door Mozes aan Korach had aangekondigd. 6Maar de volgende dag morde heel de gemeenschap tegen Mozes en Aäron en zei: `U hebt het volk van Jahwe gedood!’ 7Terwijl heel de gemeenschap tegen Mozes en Aäron te hoop liep en naar de tent van de samenkomst keek, zagen zij dat de wolk er boven hing en dat de heerlijkheid van Jahwe verscheen. 8Toen begaven Mozes en Aäron zich naar de tent van de samenkomst. 9Jahwe sprak tot Mozes: 10`Ga van deze gemeenschap weg, dan zal Ik hen in een oogwenk vernietigen.’ Maar zij wierpen zich ter aarde. 11Mozes zei tot Aäron: `Neem een vuurpan, doe er vuur van het altaar in, leg daar wierook op, ga onmiddellijk naar de gemeenschap en bewerk verzoening voor hen, want Jahwe laat zijn toorn de vrije loop en de ramp is al begonnen.’ 12Aäron spoedde zich op Mozes’ bevel met de vuurpan naar de gemeenschap, en de ramp was inderdaad al onder het volk begonnen. Hij deed er wierook op en bewerkte voor het volk verzoening. 13Hij ging tussen de doden en de levenden staan en de ramp werd gestuit. 14Tengevolge van die ramp waren er veertienduizendzevenhonderd doden, afgezien van degenen die door de schuld van Korach de dood gevonden hadden. 15Nadat de ramp was gestuit, ging Aäron terug naar Mozes bij de tent van de samenkomst. 16Jahwe sprak tot Mozes: 17`Spreek met de Israëlieten en vraag van de leiders van elke stam een staf, samen twaalf staven. Schrijf ieders naam op zijn staf 18op die van Levi moet gij de naam van Aäron schrijven want voor ieder stamhoofd moet er een eigen staf zijn. 19Gij moet ze voor de verbondsakte neerleggen in de tent van de samenkomst, waar Ik met u samenkom. 20De staf van de man die Ik uitkies, zal dan gaan bloeien. Zo zal Ik het gemor van de Israëlieten tegen u tot zwijgen brengen en het niet meer horen.’ 21Mozes sprak met de Israëlieten, en de leider van elke stam gaf hem een staf, er waren er twaalf, en de staf van Aäron was er ook bij. 22Mozes legde ze voor het aanschijn van Jahwe in de tent met de verbondsakte. 23Toen Mozes de volgende dag in de tent met de verbondsakte kwam, zag hij, dat de staf van Aäron uit de stam Levi was gaan bloeien. Hij had bloemen en blad gekregen en droeg nu amandelen. 24Mozes nam al de staven bij Jahwe weg en bracht ze naar de Israëlieten. Toen zij het gezien hadden, kreeg ieder zijn staf terug. 25Jahwe zei tot Mozes: `Breng de staf van Aäron weer bij de verbondsakte en laat hem daar blijven als waarschuwing voor de weerspannigen; dan zullen zij ophouden met hun gemor tegen Mij, zodat zij niet zullen sterven.’ 26Mozes deed alles wat Jahwe hem had opgedragen. 27De Israëlieten zeiden tot Mozes: `Dat is onze ondergang! Wij zijn verloren, wij zijn allen verloren. 28Wie te dicht bij de woning van Jahwe komt, vindt de dood. Dat is de ondergang van ons allen!’

Hoofdstuk 18

Jahwe zei tot Aäron: Gijzelf, uw zonen en uw familie, draagt de verantwoordelijkheid voor wat in het heiligdom verkeerd wordt gedaan. Gij draagt met uw zonen de verantwoordelijkheid voor de fouten in de priesterlijke bediening. 2Maar laat ook uw broeders, de stam Levi, de
stam van uw vader, naderen tot de tent met de verbondsakte om zich bij u aan te sluiten en u met uw zonen behulpzaam zijn bij de tent met de verbondsakte. 3Zij kunnen u helpen door dienst te doen bij de tent, maar tot de heilige voorwerpen en het altaar mogen zij niet naderen, want dat zal de dood betekenen voor hen en voor u. 4Zij moeten zich bij u aansluiten en een taak volbrengen bij de tent van de samenkomst naar gelang de dienst het vraagt. Een onbevoegde mag u niet komen helpen. 5De taak bij het heiligdom en bij het altaar moet gijzelf blijven vervullen; dan zal geen toorn de Israëlieten treffen. 6Bij dezen zonder Ik uw broeders, de levieten, van de Israëlieten af. Zij zijn aan Jahwe afgestaan om dienst te doen bij de tent van de samenkomst en zij staan tot uw beschikking. 7Maar gij met uw zonen moet alle priesterlijke handelingen aan het altaar en achter voor voorhangsel verrichten. Daar ligt uw werk. Uw priesterlijke taak is een geschenk dat Ik u geef. De onbevoegde die er zich in mengt, moet gedood worden. 8Jahwe zei tot Aäron: De zorg voor mijn aandeel in alle heilige gaven van de Israëlieten vertrouw Ik u bij dezen toe. Ik schenk die aan u en uw zonen als een blijvend recht, op grond van uw zalving. 9Van de hoogheilige gaven, voorzover zij niet verbrand worden, is het volgende voor u: al de meeloffers, de zondeoffers en de schuldoffers die men Mij teruggeeft; als hoogheilig komen zij u en uw zonen toe, 10en als hoogheilig moet gij ze eten. Alle mannelijke personen mogen ervan eten en gij moet ze als heilig behandelen. 11Gij krijgt ook dit nog. Van alle gaven van de Israëlieten die met uitgestrekte handen worden aangeboden geef Ik een vast deel aan u, aan uw zonen en aan uw dochters, als een blijvend recht. Ieder van uw huisgenoten mag daarvan eten, als hij maar rein is. 12Het beste van de olie en het beste van de most en het koren, het puik van alles wat zij aan Jahwe afstaan, Ik geef het allemaal aan u. 13De eerstelingen van al hun veldvruchten zijn voor u. Ieder van uw huisgenoten mag ervan eten, als hij maar rein is. 14Alwat in Israël door de ban gewijd is, is voor u. 15Alle eerstgeborenen van mens of dier die men Jahwe aanbiedt, zijn voor u. Maar de eerstgeborene van de mensen moet gij steeds laten loskopen; ook het eerstgeborene van onreine dieren moet gij laten loskopen. 16Zodra de eerstgeborene een maand oud is, moet gij hem laten loskopen voor een bedrag van vijf sikkel zilver in heilige munt, twintig gera de sikkel. 17Maar het eerstgeborene van een rund, schaap of geit moogt gij niet laten loskopen, want zij zijn heilig. Hun bloed moet gij op het altaar sprenkelen en hun vet in rook doen opgaan als een offer, als een geurige gave die Jahwe behaagt. 18Het vlees van die dieren is voor u, evenals de borst die gij Mij aanbiedt, en de rechterschenkel. 19Van alle heilige gaven geef Ik u, uw zonen en uw dochters een vast deel als een blijvend recht. Het geldt bij Jahwe als een altijddurend verbond met zout bekrachtigd, voor u en evenzo voor uw nageslacht. 20Jahwe zei tot Aäron: Gij zult geen grondbezit hebben en geen deel van het land krijgen zoals zij; Ik ben uw aandeel en uw bezit onder de Israëlieten. 21Aan de levieten ken Ik bij deze alle tienden in Israël als eigendom toe, om het werk te belonen dat zij verrichten bij de
tent van de samenkomst. 22De Israëlieten immers mogen de tent van de samenkomst niet meer naderen, want dan zouden zij schuld op zich laden en sterven. 23Het werk bij de tent van de samenkomst moet door de levieten gedaan worden. Zij dragen daarvoor de verantwoordelijkheid. Dit is een eeuwige wet voor al uw geslachten. Grondbezit onder de Israëlieten zullen de levieten niet krijgen. 24De tiende die de Israëlieten aan Jahwe afdragen, ken Ik hun als eigendom toe. Daarom heb Ik bepaald, dat zij geen eigen stuk grond krijgen, zoals de overige Israëlieten. 25Jahwe sprak tot Mozes: 26Zeg aan de levieten: Wanneer gij van de Israëlieten de tiende ontvangt, die Ik u als eigendom heb toegekend, dan moet gij daarvan een vast deel aan Jahwe afdragen, een tiende van de tiende. 27Het aandeel dat gij afdraagt, zal op een lijn gesteld worden met de tiende van het koren van de dorsvloer en van de inhoud van de perskuip. 28Zo moet ook gij van al de tienden die gij van de Israëlieten ontvangt, uw deel aan Jahwe afdragen. Gij moet dat deel voor Jahwe aan de priester Aäron geven. 29Van de beste stukken die u gegeven worden, moet gij een vast deel als heilige gave aan Jahwe afdragen. 30Zeg hun: wanneer gij, levieten, de beste stukken afdraagt, zullen die op een lijn gesteld worden met het beste van de opbrengst van dorsvloer en perskuip. 31Op alle plaatsen moogt gij met uw gezinnen de tienden eten, want het is uw loon, een vergoeding voor uw werk bij de tent van de samenkomst, 32en wanneer gij dan de beste stukken daarvan afdraagt, treft u in dezen geen schuld. Dan ontwijdt gij de heilige gaven van de Israëlieten niet en zult gij niet sterven.

Hoofdstuk 19

Jahwe sprak tot Mozes en Aäron: 2Jahwe geeft het volgende wettelijke voorschrift: Zeg aan de Israëlieten, dat zij u een gave rode koe brengen, zonder enig gebrek, die nog geen juk heeft gedragen. 3Gij moet ze aan de priester Eleazar geven; ze wordt buiten het kamp gebracht en in zijn tegenwoordigheid geslacht. 4De priester Eleazar doopt dan zijn vinger in het bloed van de koe en sprenkelt zevenmaal in de richting van de voorzijde van de tent van de samenkomst. 5Daarna wordt de koe voor zijn ogen verbrand met huid, vlees, bloed en darmen. 6De priester werpt cederhout, hysop en karmozijn in het vuur waarin de koe verbrand wordt. 7Dan wast de priester zijn kleren, maar tot de avond blijft hij onrein. 8Ook degene die de koe verbrand heeft, moet zijn kleren wassen en een bad nemen, maar hij blijft tot de avond onrein. 9Iemand die rein is, moet de as van de koe verzamelen en op een reine plaats buiten het kamp leggen. Die as moet bewaard blijven om er reinigingswater mee te maken voor de gemeenschap van de Israëlieten. De koe heeft als een zondeoffer gediend. 10Degene die de as van de koe verzameld heeft, moet zijn kleren wassen en blijft tot de avond onrein. Dat is voor de Israëliet en voor de vreemdeling die bij u woont, een blijvende wet. 11Wie het lijk van een mens aanraakt is zeven dagen onrein. 12Op de derde en op de zevende dag moet hij zich met reinigingswater zuiveren; daarna is hij weer rein. Zuivert hij zich niet op de derde en de zevende dag, dan wordt hij niet rein.
13Ieder die een dode, het lijk van een mens, aanraakt en zich niet zuivert, verontreinigt de woning van Jahwe. Die persoon moet uit Israël worden verwijderd. Omdat hij niet met het reinigingswater is besprenkeld, is en blijft hij onrein. 14Aldus luidt de wet: Wanneer iemand in een tent sterft, wordt ieder die de tent binnengaat of zich daarin bevindt, voor zeven dagen onrein. 15Alle open vaten die niet met een deksel zijn afgesloten, worden onrein. 16Ieder die in het open veld iemand aanraakt die vermoord of gestorven is, wie mensenbeenderen of een graf aanraakt, wordt voor zeven dagen onrein. 17Men moet wat stof van de verbrande koe nemen, het in een vat doen en daarop bronwater gieten. 18Een man die rein is, moet een hysoptakje in dat water dopen, daarmee de tent besprenkelen en ook de vaten en de mensen die erin waren. Hetzelfde doet hij met hem die met beenderen, met een vermoorde, met een gestorvene of met een graf in aanraking is geweest. 19De reine moet de onreine op de derde en de zevende dag besprenkelen. Nadat hij hem op de zevende dag gezuiverd heeft, moet hij zijn kleren wassen en een bad nemen. `s Avonds is hij weer rein. 20Iemand die onrein wordt, maar zich niet zuivert, moet uit de gemeenschap verwijderd worden, omdat hij het heiligdom van Jahwe verontreinigt. Omdat hij niet met het reinigingswater is besprenkeld, blijft hij onrein. 21Dit is voor hen een blijvende wet. Wie het reinigingswater sprenkelt, moet zijn kleren reinigen; wie het reinigingswater aanraakt is tot de avond onrein. 22Alles wat de onreine aanraakt, wordt onrein en degene die ermee in aanraking komt, is tot de avond onrein.

Hoofdstuk 20

In de eerste maand kwam heel de gemeenschap van de Israëlieten in de woestijn Sin. Tijdens het verblijf van het volk in Kades overleed Mirjam en werd ter plaatse begraven. 2Eens was er geen water voor de gemeenschap. Het volk liep toen te hoop tegen Mozes en Aäron 3en begon Mozes verwijten te doen. Zij zeiden: `Waren wij maar door ingrijpen van Jahwe gestorven zoals onze broeders! 4Hebt u de gemeente van Jahwe naar deze woestijn geleid om er mens en dier de dood te laten vinden? 5Waarom hebt u ons uit Egypte geleid naar dit ellendig oord waar geen koren is, geen vijg, geen wijnstok, geen granaatappel, en zelfs geen water?’ 6Toen verwijderden Mozes en Aäron zich van de gemeente en gingen naar de ingang van de tent van de samenkomst en wierpen zich ter aarde. De heerlijkheid van Jahwe verscheen hun 7en Jahwe sprak tot Mozes: 8`Neem de staf en roep met uw broer Aäron de gemeenschap bijeen. Gij moet in hun bijzijn de rots gebieden water te geven; dan zult gij uit die rots water doen stromen en de gemeenschap en het vee laten drinken.’ 9Mozes nam de staf uit het heiligdom, zoals Jahwe hem gezegd had. 10Toen riepen Mozes en Aäron de gemeente voor de rots bijeen. Mozes zei tot hen: `Luistert, weerspannigen! Zullen wij voor mensen als jullie water uit deze rots laten stromen?’ 11Mozes hief zijn hand op en sloeg met zijn staf op de rots, tweemaal: toen stroomde er volop water uit zodat de gemeenschap en het vee konden drinken. 12Maar Jahwe zei tot
Mozes en Aäron: `Uw vertrouwen op Mij is niet zo groot geweest, dat gij tegenover de Israëlieten mijn heiligheid hebt hooggehouden. Daarom zult gij deze gemeente niet binnenleiden in het land, dat Ik hun gegeven heb.’ 13Dat water is het water van Meriba, waar de Israëlieten Jahwe verwijten deden en Hij bij hen zijn heiligheid openbaarde. 14Van Kades uit zond Mozes boden naar de koning van Edom met de boodschap: `Zo spreekt uw broeder Israël. U kent alle wederwaardigheden die ons zijn overkomen. 15Onze voorouders zijn naar Egypte getrokken en wij hebben daar lange tijd gewoond. Maar de Egyptenaren hebben ons, evenals onze voorouders, slecht behandeld. 16Toen hebben wij tot Jahwe geroepen en heeft Hij ons verhoord. Hij zond een engel en voerde ons uit Egypte. Nu zijn wij in Kades, een stad aan de grens van uw gebied. 17Sta ons toe door uw land te trekken. Wij zullen niet door uw akkers en wijngaarden trekken en uit uw putten geen water drinken. Wij zullen de koninklijke weg houden, zonder naar rechts of links af te wijken, tot wij door uw gebied heen zijn.’ 18Maar Edom zei hem: `Ik verleen u geen doortocht door mijn gebied. Trekt u er toch door dan kom ik met het zwaard op u af.’ 19De Israëlieten zeiden: `Wij zullen de grote weg houden. Mochten wij of ons vee water nodig hebben, dan zullen wij u daarvoor betalen. Het enige dat wij van u vragen is dat wij te voet door uw land mogen trekken.’ 20Maar Edom antwoordde: `Ik verleen u geen doortocht.’ Hij kwam met een talrijk leger en een sterke macht op Israël af. 21Toen Edom geen doortocht verleende, trok Israël van zijn gebied weg. 22Heel de gemeenschap van de Israëlieten vertrok van Kades en kwam bij de berg Hor. 23Bij de berg Hor, aan de grens van Edom, zei Jahwe tot Mozes en Aäron: 24`Aaron zal met zijn voorvaderen verenigd worden. Hij zal het land dat Ik aan de Israëlieten schenk niet binnengaan, omdat gij u bij het water van Meriba allebei tegen mijn bevel hebt verzet. 25Ga met Aäron en zijn zoon Eleazar de berg Hor op. 26Daar moet gij Aäron zijn gewaden laten afleggen en er zijn zoon Eleazar mee bekleden. Aäron zal daar met zijn voorvaderen verenigd worden en sterven.’ 27Mozes deed wat Jahwe bevolen had. Ten aanschouwen van heel de gemeenschap gingen zij de berg Hor op. 28Mozes liet Aäron zijn gewaden afleggen en bekleedde er diens zoon Eleazar mee. Daar, op de top van de berg, overleed Aäron. Toen Mozes en Eleazar van de berg naar beneden kwamen, 29begreep heel de gemeenschap dat Aäron overleden was. Heel het huis van Israël beweende Aäron dertig dagen.

Hoofdstuk 21

De Kanaänieten in de Negeb, met name de koning van Arad, hoorden dat de Israëlieten langs de weg naar Atarim oprukten. Zij vielen hen aan en namen enigen van hen gevangen. 2Toen deed Israël Jahwe deze belofte: `Als Gij mij dit volk uitlevert, zal ik hun steden met de ban slaan.’ 3Jahwe verhoorde het gebed van Israël en leverde de Kanaänieten aan hen uit. Israël sloeg de ban aan hen en aan hun steden. Men noemde die plaats Chorma. 4Van de berg Hor trokken zij in de richting van de Rietzee, want zij wilden om Edom heentrekken. Maar onderweg werd het volk
ongeduldig. 5Het keerde zich tegen God en tegen Mozes: `Hebt u ons uit Egypte gevoerd om te sterven in de woestijn? Er is geen brood, er is geen water en dat minderwaardige eten staat ons tegen.’ 6Toen zond Jahwe giftige slangen op het volk af. Deze beten de Israëlieten en velen van hen vonden de dood. 7Nu kwam het volk naar Mozes en zei: `Wij hebben gezondigd, want wij hebben ons tegen Jahwe en tegen u gekeerd. Bid Jahwe, dat Hij die slangen van ons wegneemt.’ Toen bad Mozes voor het volk 8en Jahwe zei tot hem: `Maak zo’n giftige slang en zet die op een paal. Iedereen die gebeten is en er naar opziet, zal in leven blijven.’ 9Mozes maakte een bronzen slang en zette die op een paal. Ieder die door een slang was gebeten en zijn ogen op de bronzen slang richtte, bleef in leven. 10De Israëlieten trokken verder en sloegen hun kamp op te Obot. 11Van Obot trokken zij verder en sloegen hun kamp op te Ijje-haabarim, in de woestijn ten oosten van Moab. 12Vandaar trokken zij verder en sloegen hun kamp op in het dal van de Zered. 13Vandaar trokken zij verder en sloegen hun kamp op aan de overkant van de Arnon, die door de woestijn stroomt en uit het gebied van de Amorieten komt; de Arnon is de grens van Moab, tussen Moab en de Amorieten. 14Daarom wordt in het boek van de oorlogen van Jahwe gezegd: Waheb in Sufa, het dal van de Arnon, 15de helling die loopt tot Ar en leunt tegen de grens van Moab. 16Vandaar naar Beer. Dat is de put waarbij Jahwe tot Mozes zei: `Roep het volk bijeen, dan zal Ik hun water geven.’ 17Toen zong Israël dit lied: Geef water, put! Laten wij hem bezingen 18de put, gedolven door vorsten, gegraven door de groten van het volk, met scepter en met staf. Van de woestijn trokken zij naar Mattana, 19van Mattana naar Nachaliël, van Nachaliël naar Bamot, 20van Bamot naar het dal in Moab, bij de top van de Pisga, die de Jordaanvallei beheerst. 21Toen zond Israël boden naar Sichon, de koning van de Amorieten, met het verzoek: 22`Laat mij door uw land trekken. Wij zullen niet van de weg afgaan; wij zullen niet op uw akkers en wijngaarden komen en uit uw putten geen water drinken; wij zullen de koninklijke weg houden tot wij door uw gebied heen zijn.’ 23Maar Sichon verleende Israël geen doortocht door zijn gebied. Hij verzamelde heel zijn leger en trok de woestijn in, Israël tegemoet. Bij Jahas viel hij Israël aan. 24Maar Israël versloeg hem met het zwaard en nam zijn land in bezit van de Arnon tot aan de Jabbok, tot aan de Ammonitische grens, want die was versterkt. 25Israël nam al de steden van de Amorieten in en vestigde zich daar, ook in Chesbon en al haar onderhorige steden. 26Chesbon was de stad van Sichon, de koning van de Amorieten, die oorlog had gevoerd met de vorige koning van Moab en hem al zijn land tot aan de Arnon had ontnomen. 27Daarom zeggen de dichters: Kom naar Chesbon. Laat Sichons stad herbouwd en versterkt worden. 28Want een vuur is uit Chesbon geslagen, een vlam uit de stad van Sichon; de steden van Moab heeft zij verteerd en de heersers van de hoogten de Arnon. 29Wee u, Moab! Verloren zijt gij, volk van Kemos! Vluchten moesten zijn zonen, zijn dochters werden buitgemaakt door Sichon, de koning van de Amorieten. 30Toen wij hen met pijlen
beschoten, ging alles verloren, van Chesbon tot Dibon. Verwoesting richtten wij aan tot Nofach, in heel de streek van Medeba. 31Israël vestigde zich in het land van de Amorieten. 32Mozes liet Jazer verkennen. Zij namen haar onderhorige steden in en verdreven de Amorieten die er woonden. 33Daarna sloegen zij de weg in naar Basan. Maar Og, de koning van Basan, rukte met heel zijn leger tegen hen uit om slag te leveren bij Edrei. 34Jahwe zei tot Mozes: `Vrees hem niet, want Ik lever hem aan u uit met heel zijn leger en zijn land. Gij moet hem op dezelfde wijze behandelen als Sichon, de koning van de Amorieten, die in Chesbon woonde.’ 35Zij versloegen hem met zijn zonen en heel zijn leger tot de laatste man en namen zijn land in bezit.

Hoofdstuk 22

De Israëlieten trokken verder en sloegen hun kamp op in de vlakte van Moab, aan de overkant van de Jordaan bij Jericho. 2Balak, de zoon van Sippor, had alles gezien wat Israël met de Amorieten gedaan had. 3Moab was zeer bevreesd, omdat het volk zo talrijk was. In zijn angst voor de Israëlieten 4zei Moab tegen de oudsten van Midjan: `Nu gaat die mensenmassa onze hele omgeving afgrazen, zoals de runderen het groen van het veld afgrazen.’ Balak, de zoon van Sippor, was koning van Moab in die tijd. 5Hij zond gezanten naar Petor aan de Eufraat in het land van de Amawieten, om Bileam, de zoon van Beor, te ontbieden. Zij moesten zeggen: `Er is uit Egypte een volk gekomen; het hele land ziet er zwart van, en dat volk ligt nu aan mijn grenzen. 6Kom naar mij toe en vervloek dat volk, want het is machtiger dan ik. Misschien kan ik het dan verslaan en uit het land verdrijven. Ik weet immers: wie gij zegent, is gezegend en wie gij vervloekt, is vervloekt.’ 7De oudsten van Moab en de oudsten van Midjan gingen op weg met het loon voor de ziener bij zich. Zij kwamen bij Bileam en brachten hem het verzoek van Balak over. 8Hij zei tot hen: `U moet hier eerst overnachten: daarna zal ik u meedelen wat Jahwe mij zegt.’ De aanzienlijke mannen van Moab overnachtten dus bij Bileam. 9Toen kwam God tot Bileam en zei: `Wie zijn die mannen in uw huis?’ 10Bileam zei tot God: `Balak, de zoon van Sippor, de koning van Moab, heeft mij laten berichten: 11Een volk dat uit Egypte gekomen is, overdekt het hele land. Kom dus en spreek er een vloek over uit. Misschien kan ik het dan bestrijden en verdrijven.’ 12Maar God zei tot Bileam: `Gij moogt niet met hen meegaan. Gij moogt dat volk niet vervloeken, want het is gezegend.’ 13De volgende morgen zei Bileam tot de afgezanten van Balak: `U moet naar uw land terugkeren. Jahwe geeft mij geen toestemming om met u mee te gaan.’ 14De aanzienlijke mannen van Moab gingen dus op weg en toen ze bij Balak kwamen, zeiden ze: `Bileam heeft geweigerd met ons mee te gaan.’ 15Opnieuw zond Balak aanzienlijke mannen, talrijker en voornamer dan de eerste. 16Zij kwamen bij Bileam en zeiden tot hem: `Zo spreekt Balak, de zoon van Sippor: Laat u toch niet weerhouden naar mij toe te komen! 17Ik zal u rijk belonen en alles doen wat u zegt. Kom toch en vervloek voor mij dat volk.’ 18Maar Bileam gaf de dienaren van Balak ten antwoord: `Al gaf Balak mij al het
zilver en goud van zijn huis, het bevel van Jahwe kan ik in geen geval overtreden. 19Maar ook u moet hier blijven overnachten. Dan kan ik vernemen wat Jahwe mij verder te zeggen heeft.’ 20In die nacht kwam God tot Bileam en zei hem: `Nu deze mannen u zijn komen ontbieden, kunt gij met hen meegaan, maar gij moogt alleen doen wat Ik u zeg.’ 21De volgende morgen zadelde Bileam zijn ezelin en ging met de aanzienlijke mannen van Moab mee. 22Toen hij vertrok, ontstak God in toorn. De engel van Jahwe ging op de weg staan om hem tegen te houden. Terwijl hij op zijn ezelin voortreed met zijn twee knechten, 23zag de ezelin de engel van Jahwe, met getrokken zwaard in de hand, op de weg staan. Toen ging zij van de weg af, het veld in. Bileam sloeg de ezelin weer de weg op. 24Nu ging de engel van Jahwe in een holle weg staan, die tussen de wijngaarden lag, met aan weerszijden een muur. 25Toen de ezelin de engel van Jahwe zag, drukte zij zich tegen de muur en daarbij raakte de voet van Bileam bekneld. Hij sloeg haar opnieuw. 26Nogmaals ging de engel van Jahwe een eind verder en hield stil op een plek die zo nauw was, dat men rechts noch links kon. 27Toen de ezelin de engel van Jahwe zag, ging zij met Bileam in het zadel op de grond liggen. Bileam werd woedend en sloeg de ezelin met een stok. 28Nu liet Jahwe de ezelin spreken. Zij zei tot Bileam: `Waaraan heb ik het verdiend, dat je mij nu al driemaal geslagen hebt?’ 29Bileam zei tot de ezelin: `Omdat je mij belachelijk maakt. Het is maar goed dat ik geen zwaard in mijn hand had, want dan had ik je gedood!’ 30Toen zei de ezelin tot Bileam: `Ben ik niet de ezelin op wie je heel je leven tot nu toe gereden hebt? Heb ik jou ooit zo behandeld?’ Hij antwoordde: `Neen.’ 31Toen opende Jahwe de ogen van Bileam en deze zag de engel met het getrokken zwaard in de hand op de weg staan. Toen knielde Bileam neer en wierp zich ter aarde. 32De engel van Jahwe zei hem: `Waarom hebt gij die ezelin van u tot driemaal toe geslagen? Ik ben gekomen om u tegen te houden, want Ik zie dat deze onderneming verkeerd afloopt. 33De ezelin zag Mij en ging Mij driemaal uit de weg. Had zij dat niet gedaan, dan had Ik u gedood en haar in leven gelaten.’ 34Bileam zei tot de engel van Jahwe: `Ik heb verkeerd gedaan. Ik wist immers niet, dat Gij tegenover mij op de weg stond. Als Gij vindt, dat ik verkeerd doe, dan ga ik terug.’ 35Maar de engel van Jahwe zei tot Bileam: `Ga met die mannen mee, maar zeg alleen wat Ik u zeggen zal.’ Zo ging Bileam met de afgezanten van Balak mee. 36Toen Balak hoorde dat Bileam in aantocht was, ging hij hem tegemoet tot de stad in Moab die aan de uiterste rand van het gebied van de Arnon lag. 37Balak zei tot Bileam: `Ik had toch gezanten gezonden om u te ontbieden! Waarom bent u dan niet naar mij toe gekomen? Dacht u soms dat ik u niet kon belonen?’ 38Maar Bileam zei tot Balak: `Ik ben nu wel naar u toe gekomen, maar ik weet niet, of ik iets zal kunnen zeggen. Wat Jahwe mij in de mond legt, dat zal ik zeggen.’ 39Bileam ging met Balak mee en zij kwamen te Kirjat-chusot. 40Balak offerde runderen en schapen en liet er stukken van brengen naar Bileam en de aanzienlijke mannen die bij hem waren. 41De
volgende morgen ging Balak met Bileam de Bamot-baal op, vanwaar hij een deel van het volk kon zien.

Hoofdstuk 23

Toen zei Bileam tot Balak: `Bouw hier voor mij zeven altaren en maak hier zeven stieren en zeven rammen gereed voor een offer.’ 2Balak deed wat Bileam gezegd had en offerde – met Bileam – een stier en een ram op elk altaar. 3Nu zei Bileam tot Balak: `Blijf bij uw brandoffer staan, terwijl ik heenga. Misschien treedt Jahwe mij tegemoet. Wat Hij mij zal laten zien, zal ik u meedelen.’ Bileam ging daarop naar een eenzame plaats. 4Daar openbaarde God zich aan hem. Bileam zei tot Hem: `Zeven altaren heb ik laten oprichten en op elk altaar een stier en een ram laten offeren.’ 5Toen legde Jahwe een woord in de mond van Bileam en zei: `Keer naar Bala terug en breng hem over wat Ik u gezegd heb.’ 6Toen Bileam terugkwam, stond Balak met al de aanzienlijke mannen van Moab nog bij het brandoffer. 7Bileam hief het volgende lied aan en sprak: Uit Aram ben ik door Balak ontboden, van de bergen in het Oosten door de koning van Moab: Kom! Vervloek voor mij Jakob, kom en verwens Israël. 8Hoe kan ik vervloeken, waar God niet vervloekt? Hoe kan ik verwensen, waar God niet verwenst? 9Van de top van de rotsen af zie ik het, van de heuvels af neem ik het waar, een volk dat niet bij de andere volken woont en zich niet beschouwt als een van hen. 10Wie telt die stofwolk, die Jakob is, of wie becijfert maar een kwart van Israël? Ik zou willen sterven als die rechtvaardigen, een einde vinden als zij. 11Toen zei Balak tot Bileam: `Wat hebt u mij nu gedaan! Ik heb u gehaald om mijn vijanden te vervloeken en nu hebt u een loflied over hen gezongen!’ 12Bileam antwoordde: `Moet mijn enige zorg niet zijn te zeggen wat Jahwe mij in de mond legt?’ 13Hierop zei Balak tot hem: `Kom dan met mij mee naar een andere plaats waar u hen kunt zien, wel niet het hele volk maar toch een deel; en van die plaats af moet gij het dan vervloeken.’ 14Hij nam hem mee naar het Spiedersveld op de top van de Pisga, bouwde zeven altaren en offerde op elk altaar een stier en een ram. 15Bileam zei tot Balak: `Blijf hier bij uw brandoffer staan, terwijl ik ginds een nieuwe ontmoeting afwacht.’ 16Jahwe trad Bileam tegemoet, legde hem een woord in de mond en zei: `Keer terug en breng hem over wat Ik u gezegd heb.’ 17Toen Bileam bij Balak kwam, stond deze met de aanzienlijke mannen van Moab nog bij het brandoffer. Balak vroeg hem: `Wat heeft Jahwe gezegd?’ 18Toen hief Bileam het volgende lied aan: Wees aandachtig, Balak, en luister, wend uw oor naar mij, zoon van Sippor, 19God is geen mens, Hij liegt niet, geen mensenkind, Hij krijgt van zijn woord geen spijt. Hij zou zeggen en niet doen? Hij beloven en niet volbrengen? 20Hij heeft mij bevolen te zegenen en geeft Hij zegen, dan keer ik die niet. 21Geen onheil valt te ontwaren bij Jakob, geen ramp is te zien bij Israël. Jahwe, zijn God, is met hem. Hij is de koning die Israël toejuicht. 22Hij is de God, die hen uit Egypte gevoerd heeft, Hij is voor hen als de horens van een buffel. 23Geen bezwering heeft kracht tegen Jakob, geen waarzeggerij tegen Israël. Nu is het de tijd dat Jakob verneemt, dat Israël hoort wat God
met hen voor heeft. 24Hier is een volk dat zich opricht als een leeuw en zich verheft als de koning der dieren. Hij rust niet voor hij zijn buit heeft verslonden en het bloed van zijn prooi heeft gedronken. 25Nu zei Balak tot Bileam: `Als u niet wilt vervloeken, zegen dan tenminste niet!’ 26Maar Bileam antwoordde Balak: `Ik heb u toch gezegd, dat ik alles zou doen wat Jahwe mij opdraagt!’ 27Balak zei tot Bileam: `Kom, ik neem u mee naar een andere plaats. Misschien behaagt het God, dat u vanaf die plaats het volk vervloekt.’ 28Balak nam Bileam mee naar de top van de Peor, die de Jordaanvallei beheerst. 29Bileam zei tot Balak: `Bouw hier zeven altaren en maak hier zeven stieren en zeven rammen gereed.’ 30Balak deed wat Bileam gezegd had en offerde op elk altaar een stier en een ram.
Hoofdstuk 24

Bileam begreep, dat het Jahwe behaagde Israël te zegenen. Daarom ging hij niet zoals de vorige keren op aanwijzingen uit, maar keerde hij zich in de richting van de woestijn. 2Toen hij de ogen opsloeg en Israël stam bij stam gelegerd zag, kwam de geest van God over hem. 3Hij hief het volgende lied aan: Dit is het orakel van Bileam, zoon van Beor, het orakel van de man die geheimen mocht zien, 4de godsspraak van hem die God hoort spreken, die schouwt wat de Almachtige ontsluiert, en in extase openbaringen ontvangt. 5Hoe schoon zijn uw tenten, Jakob, hoe mooi uw woningen, Israël: 6als dalen liggen zij uitgespreid, als tuinen langs een rivier, als aloebomen door Jahwe geplant, als ceders die staan aan het water. 7Zijn emmers stromen over van water; wat hij zaait wordt volop bevloeid. Zijn koning komt hoger dan Agag; zijn koningschap zal zich verheffen. 8De God die hem uit Egypte geleid heeft, is voor hem als een buffel met opgestoken horens. Vijandige volken verslindt hij, verbrijzelt hun beenderen, breekt hun lenden. 9Hij vleit zich neer als een roofdier; hij ligt als de koning der dieren; wie durft hem te wekken? Gezegend die u zegenen, vervloekt die u vervloeken. 10Nu werd Balak woedend op Bileam. Hij sloeg zijn handen tegen elkaar en zei: `Ik heb u gehaald om mijn vijanden te vervloeken en nu hebt u al driemaal zegenwoorden uitgesproken. 11Maak dat u wegkomt, terug naar uw land. Ik had beloofd u rijk te belonen, maar Jahwe is schuld dat de beloning u ontgaat.’ 12Toen zei Bileam tot Balak: `Ik had toch al tegen uw gezanten gezegd: 13`Al gaf Balak mij al het zilver en goud van zijn huis, het bevel van Jahwe kan ik in geen geval overtreden. Ik kan alleen zeggen wat Jahwe zegt. 14Goed, ik ga weer naar mijn land, maar eerst ga ik u meedelen, wat dit volk in de toekomst uw volk zal aandoen.’ 15Toen hief hij het volgende lied aan. Dit is de godsspraak van Bileam, zoon van Beor, de godsspraak van de man die geheimen mocht zien, 16de godsspraak van hem die God hoort spreken, die weet wat de Allerhoogste weet, die schouwt wat de Almachtige ontsluiert en in vervoering openbaringen ontvangt. 17Ik zie hem, maar niet in het heden, ik aanschouw hem, maar niet van nabij; een ster komt op uit Jakob, een scepter rijst op uit Israël. Hij verbrijzelt de slapen van Moab, de schedel van al de zonen van Set. 18Edom zal een wingewest zijn, een wingewest Seir, zijn vijand, maar Israël zal macht
ontplooien, 19Een die uit Jakob komt, zal heersen, hij verdelgt wie ontsnapt was uit Ar. 20Toen hij Amalek zag, hief hij dit lied aan: Amalek staat onder de volken vooraan, toch gaat hij ten slotte te gronde, 21Toen hij de Kenieten zag, hief hij dit lied aan: Uw zetel mag vast zijn en sterk, uw nest gebouwd op een rots, 22toch wordt gij weggevaagd, Kain! Weldra sleept Assur u weg. 23Ook het volgende lied hief hij nog aan: Helaas, wie blijft er in leven, als God zijn plannen volvoert? 24Van de kust van de Kittiers komen de schepen; zij vernederen Assur, vernederen Eber. Ook zij gaan te gronde. 25Toen ging Bileam terug naar zijn woonplaats; ook Balak ging zijns weegs.

Hoofdstuk 25

Toen Israël in Sittim verbleef, begon het volk ontucht te plegen met Moabitische vrouwen, 2die het volk uitnodigden op de offers van hun goden. Het volk nam daaraan deel en boog zich voor haar goden neer. 3Zo gaf Israël zich af met Baäl-peor en ontstak Jahwe in toorn tegen Israël. 4Hij zei tot Mozes: `Grijp alle leiders van het volk en steek ze op klaarlichte dag voor Jahwe aan palen; dan zal de gloed van zijn toorn zich van Israël afwenden.’ 5Mozes zei tot de rechters van Israël: `Ieder moet diegenen van zijn mannen doden die zich met Baäl-peor hebben afgegeven.’ 6Terwijl Mozes en heel de gemeenschap bij de tent van de samenkomst weeklaagden, zagen zij hoe een Israëliet met een Midjanitische vrouw naar hen toekwam. 7Toen Pinechas, zoon van Eleazar, de zoon van de priester Aäron, dit zag, verliet hij de gemeenschap, greep een lans, 8ging de Israëliet tot in het slaapvertrek achterna en stak hem en de vrouw door het onderlijf. Toen week de plaag van de Israëlieten. 9Tengevolge van die plaag waren er vierentwintigduizend doden. 10Jahwe zei tot Mozes: 11`Pinechas, zoon van Eleazar, de zoon van de priester Aäron, heeft mijn toorn van de Israëlieten afgewend door onder hen voor Mij te ijveren, zodat Ik de Israëlieten niet in mijn ijverzucht verdelgd heb. 12Zeg daarom: bij dezen sluit Ik met hem een verbond van vriendschap 13dat hem en zijn nageslacht voor altijd het priesterschap waarborgt. Hij heeft immers voor zijn God geijverd en voor de Israëlieten verzoening bewerkt.’ 14De Israëliet die samen met de Midjanitische vrouw gedood werd, heette Zimri. Hij was een zoon van Sallu, het hoofd van een familie uit Simeon. 15De Midjanitische vrouw die gedood werd, heette Kozbi; zij was een dochter van Sur, een stamhoofd van de Midjanieten. 16Jahwe sprak tot Mozes: 17`Behandel de Midjanieten als vijanden en sla hen neer, 18want zij hebben u als vijanden behandeld door de sluwe plannen die zij tegen u gesmeed hebben. Dat is in Peor gebleken en in het geval van Kozbi, de dochter van een vooraanstaand Midjaniet, hun stamgenote, die bij de plaag te Peor gedood werd.’

Hoofdstuk 26

Toen de plaag voorbij was, sprak Jahwe tot Mozes en Eleazar, de zoon van de priester Aäron: 2`Houd een telling van de hele gemeenschap van de Israëlieten, van alle weerbare mannen van twintig jaar en ouder,
volgens hun families.’ 3In de vlakte van Moab aan de Jordaan bij Jericho hielden Mozes en de priester Eleazar een telling 4van hen die twintig jaar waren of ouder, zoals Jahwe het aan Mozes had bevolen. Dit zijn de Israëlieten die uit Egypte zijn getrokken: 5Ruben, de eerstgeborene van Israël. De zonen van Ruben: van Chanok het geslacht van de Chanokieten; van Pallu het geslacht van de Palluieten; 6van Chesron het geslacht van de Chesronieten; van Karmi het geslacht van de Karmieten. 7Dat zijn de geslachten van de Rubenieten. Zij telden drieënveertigduizendzevenhonderddertig ingeschrevenen. 8De zonen van Pallu: Eliab; 9de zonen van Eliab: Nemuël, Datan en Abiram. Die Datan en Abiram, vooraanstaande mannen in de gemeenschap, hadden zich tegen Mozes en Aäron verzet, toen de bende van Korach in opstand kwam tegen Jahwe. 10De aarde had zich toen geopend en hen verslonden, evenals Korach die met zijn aanhangers de dood had gevonden, toen het vuur tweehonderdvijftig man verteerde. Zo waren zij een waarschuwend teken geworden. 11Maar de zonen van Korach waren niet omgekomen. 12De zonen van Simeon met hun geslachten: van Nemuël het geslacht van de Numuëlieten; van Jamin het geslacht van de Jaminieten; van Jakin het geslacht van de Jakinieten; 13van Zerach het geslacht van de Archieten; van Saul het geslacht van de Saulieten. 14Dat zijn de geslachten van de Simeonieten: zij telden tweeëntwintigduizendtweehonderd man. 15De zonen van Gad met hun geslachten: van Sefon het geslacht van de Sefonieten; van Chaggi het geslacht van de Chaggieten; van Suni het geslacht van de Sunieten; 16van Ozni het geslacht van Oznieten; van Eri het geslacht van de Erieten; 17van Arod het geslacht van de Arodieten; van Areli het geslacht van de Arelieten. 18Dat zijn de geslachten van de Gadieten. Zij telden veertigduizendvijfhonderd ingeschrevenen. 19Er en Onan waren zonen van Juda, maar Er en Onan waren in Kanaän gestorven. 20De zonen van Juda met hun geslachten: van Peres het geslacht van de Parsieten; van Zerach het geslacht van de Zarchieten. 21De zonen van Peres: van Chesron het geslacht van de Chesronieten; van Chamul het geslacht van de Chamulieten. 22Dat zijn de geslachten van Juda: zij telden zesenzeventigduizendvijfhonderd ingeschrevenen. 23De zonen van Issakar met hun geslachten: van Tola het geslacht van de Tolaieten; van Puwwa het geslacht van de Punieten; 24van Jasub het geslacht van Jasubieten; van Simron het geslacht van de Simronieten. 25Dat zijn de geslachten van Issakar: zij telden vierenzestigduizenddriehonderd ingeschrevenen. 26De zonen van Zebulon met hun geslachten: van Sered het geslacht van de Sardieten; van Elon het geslacht van de Elonieten; van Jachleel het geslacht van de Jachleelieten. 27Dat zijn de geslachten van de Zebulonieten: zij telden zestigduizendvijfhonderd ingeschrevenen. 28De zonen van Jozef met hun geslachten: Manasse en Efraim. 29De zonen van Manasse: van Makir het geslacht van de Makirieten. Makir was de vader van Gilead. Van Gilead het geslacht van de Gileadieten. 30Dit zijn de zonen van Gilead: van Iezer het geslacht van de Iezrieten; van
Chelek het geslacht van de Chalkieten; 31van Asriël het geslacht van de Asriëlieten; van Sekem het geslacht van de Sikmieten; 32van Semida het geslacht van de Semidaieten; van Chefer het geslacht van de Cheferieten. 33Selofchad, zoon van Chefer, had geen zonen, alleen dochters. De dochters van Selofchad heetten Machla, Noa, Chogla, Milka en Tirsa. 34Dat zijn de geslachten van Manasse: zij telden tweeënvijftigduizendzevenhonderd ingeschrevenen. 35Dit zijn de zonen van Efraim met hun geslachten: van Sutelach het geslacht van de Sutalchieten; van Beker het geslacht van de Bakrieten; van Tachan het geslacht van de Tachnieten. 36Dit zijn de zonen van Sutelach: van Eran het geslacht van de Eranieten. 37Dat zijn de geslachten van de zonen van Efraim: zij telden tweeëndertigduizendvijfhonderd ingeschrevenen. Dat zijn de zonen van Jozef met hun geslachten. 38De zonen van Benjamin met hun geslachten: van Bela het geslacht van de Balieten; van Asbel het geslacht van de Asbelieten; van Achiram het geslacht van de Achiramieten; 39van Sufam het geslacht van de Sufamieten; van Chufam het geslacht van de Chufamieten. 40De zonen van Bela waren Ard en Naaman: van Ard het geslacht van de Ardieten; van Naaman het geslacht van de Naamieten. 41Dat zijn de zonen van Benjamin met hun geslachten: zij telden vijfenveertigduizendzeshonderd ingeschrevenen. 42Dit zijn de zonen van Dan met hun geslachten: van Suchan het geslacht van de Suchanieten. Dat zijn de geslachten van Dan. 43Alle geslachten van de Suchanieten telden vierenzestigduizendvierhonderd ingeschrevenen. 44Dit zijn de zonen van Aser met hun geslachten: van Jimna het geslacht van de Jimnaieten; van Jiswa het geslacht van de Jiswieten; van Beria het geslacht van de Beriieten. 45Van de zonen van Beria: van Cheber het geslacht van de Chabrieten; van Malkiël het geslacht van de Malkiëlieten. 46De dochter van Aser heette Serach. 47Dat zijn de geslachten van de zonen van Aser: zij telden drieënvijftigduizendvierhonderd ingeschrevenen. 48De zonen van Naftali met hun geslachten: van Jachseel het geslacht van de Jachseelieten; van Guni het geslacht van de Gunieten; 49van Jeser het geslacht van de Jisrieten; van Sillem het geslacht van de Sillemieten. 50Dat zijn de geslachten van Naftali: zij telden vijfenveertigduizendvierhonderd ingeschrevenen. 51De Israëlieten telden zeshonderdeenduizendzevenhonderddertig ingeschrevene. 52Jahwe sprak tot Mozes: 53`Dat zijn degenen aan wie bij de verdeling een stuk grond moet worden toegewezen, naar gelang hun aantal. 54Voor een groter aantal moet bij een groter bezit toewijzen, voor een kleiner aantal een kleiner. Volgens het aantal ingeschrevenen moet aan iedere groep een stuk grond in bezit gegeven worden. 55Het land moet door het lot verdeeld worden, waarbij elke voorvaderlijke stam een stuk grond krijgt toegewezen overeenkomstig het aantal personen. 56Ieder stuk grond zal volgens het lot verdeeld worden, zowel voor de grotere als voor de kleinere groepen.’ 57Dit zijn de ingeschreven levieten volgens hun geslachten: van Gerson het geslacht van de Gersonieten, van Kehat het
geslacht van de Kehatieten; van Merari het geslacht van de Merarieten. 58Dit zijn de geslachten van Levi: het geslacht van de Libnieten, het geslacht van de Chebronieten, het geslacht van de Machlieten, het geslacht van de Musieten, het geslacht van de Korchieten. Kehat verwekte Amram. 59De vrouw van Amram heette Jokebed, een dochter van Levi. Haar moeder had haar in Egypte aan Levi geschonken. De kinderen die Jokebed aan Amram baarde, waren Aäron, Mozes en hun zuster Mirjam. 60De zonen van Aäron waren Nadab, Abihu, Eleazar en Itamar. 61Nadab en Abihu stierven, toen zij ongewijd vuur voor Jahwe brachten. 62Het aantal mannelijke personen van een maand en ouder die bij hen waren ingeschreven, bedroeg drieëntwintigduizend. Zij waren niet met de Israëlieten ingeschreven, omdat aan hen geen stuk grond was toegewezen zoals aan de overige Israëlieten. 63Dat zijn de Israëlieten die in de vlakte van Moab, aan de Jordaan bij Jericho, door Mozes en de priester Eleazar werden ingeschreven. 64Onder hen bevond zich niemand meer van de Israëlieten die in de woestijn van de Sinaï door Mozes en de priester Aäron waren ingeschreven, 65want van hen had Jahwe gezegd: In de woestijn zullen zij sterven! Niemand van hen was nog in leven behalve Kaleb, de zoon van Jefunne, en Jozua, de zoon van Nun.

Hoofdstuk 27

Eens kwamen Machla, Noa, Chogla, Milka en Tirsa, de dochters van Selofchad, zoon van Chefer, de zoon van Gilead, de zoon van Makir, de zoon van Manasse naar voren. Zij behoorden tot een geslacht van Manasse, de zoon van Jozef. 2Zij verschenen voor Mozes, voor de priester Eleazar, voor de leiders en voor de hele gemeenschap bij de ingang van de tent van de samenkomst en zeiden: 3`Onze vader is gestorven in de woestijn. Hij heeft niet tot de aanhangers van Korach behoord die samenspanden tegen Jahwe; maar hij is om zijn eigen zonden gestorven. Hij had geen zonen. 4Moet nu de naam van onze vader uit zijn geslacht verdwijnen, omdat hij geen zoon had? Wij verzoeken u ons toch een stuk grond toe te wijzen evenals aan de broers van onze vader.’ 5Mozes bracht hun zaak voor Jahwe 6en Jahwe sprak tot Mozes: 7`De dochters van Selofchad hebben gelijk. Gij moet haar zonder bedenken een stuk grond in eigendom geven, evenals aan de broers van hun vader en gij moet datgene wat hun vader toekomt, aan haar overdragen. 8Tot de Israëlieten moet ge zeggen: Als iemand geen zoon heeft, moet gij na zijn dood zijn bezit overdragen aan zijn dochter. 9Heeft hij geen dochter, dan moet gij zijn bezit aan zijn broers overdragen. 10Heeft hij geen broers, dan moet gij zijn bezit overdragen aan de broers van zijn vader. 11Heeft zijn vader geen broers, dan moet gij zijn bezit overdragen aan het naaste familielid; die zal het erven.’ Dat is voor de Israëlieten een wettelijke bepaling, door Jahwe aan Mozes gegeven. 12Jahwe zei tot Mozes: `Bestijg het Abarimgebergte dat hier voor u ligt, en aanschouw het land dat Ik aan de Israëlieten geef. 13Wanneer gij het aanschouwd hebt, zult gij met uw voorvaderen verenigd worden, evenals uw broer Aäron. 14Bij de opstand van de gemeenschap in de woestijn Sin, toen het om water ging,
hebt gij u immers tegen mijn bevel verzet en tegenover hen mijn heiligheid niet hoog gehouden.’ Bedoeld is het water van Meribat-kades in de woestijn Sin. 15Mozes sprak tot Jahwe: 16`Laat dan Jahwe, de God die aan alle mensen het leven schenkt, over de gemeenschap iemand aanstellen 17die hen uitleidt en thuisbrengt; anders wordt de gemeenschap van Jahwe een kudde zonder herder.’ 18Toen zei Jahwe tot Mozes: `Leg Jozua, zoon van Nun, een man die van geest vervuld is, de handen op: 19laat hem voor de priester Eleazar en voor de hele gemeenschap van de Israëlieten plaats nemen en draag hem in hun aanwezigheid uw taak over. 20Laat hem delen in uw waardigheid. Dan zal de hele gemeenschap van de Israëlieten naar hem luisteren. 21Hij moet zich echter vervoegen bij de priester Eleazar en deze zal in het heiligdom van Jahwe voor hem een uitspraak van de oerim vragen. Naar Jahwe’s uitspraak zullen hij en de hele gemeenschap van de Israëlieten dan handelen.’ 22Mozes bracht Jahwe’s bevel ten uitvoer. Hij liet Jozua halen, plaatste hem voor de priester Eleazar en voor de hele gemeenschap, 23legde hem de handen op en droeg hem zijn taak over, juist zoals Jahwe door Mozes had gesproken.

Hoofdstuk 28

Jahwe sprak tot Mozes: 2Beveel de Israëlieten. Men moet er op letten dat men mijn offer, mijn spijs, de geurige gave die Mij behaagt, op de vastgestelde tijd aanbiedt. 3Gij moet hun zeggen: Dit is de offergave die gij Jahwe moet aanbieden: elke dag twee gave lammeren van nog geen jaar als dagelijks brandoffer. 4Het ene lam moet gij ’s morgens offeren, het andere tegen de avond. 5Daarbij komt als meeloffer een tiende efa bloem, aangemaakt met een kwart hin gestoten olie. 6Dat is het dagelijks brandoffer, ingesteld op de berg Sinaï, een geurige gave die Jahwe behaagt. 7Bij elk lam hoort een plengoffer van een kwart hin wijn. Dat plengoffer van gegiste drank moet gij in het heiligdom voor Jahwe uitgieten. 8Het tweede lam moet gij tegen de avond offeren met eenzelfde meeloffer als ’s morgens en met het bijbehorend plengoffer, een geurige gave die Jahwe behaagt. 9Op de sabbat moet gij twee gave lammeren van nog geen jaar offeren, met een meeloffer van twee issaron bloem, aangemaakt met olie, en met het bijbehorend plengoffer. 10Dat brandoffer van de sabbat komt elke sabbat bij het dagelijks brandoffer en het bijbehorend plengoffer. 11Op de eerste dag van iedere maand moet gij Jahwe als brandoffer aanbieden: twee stieren, een ram en zeven gave lammeren van nog geen jaar. 12Bij elke stier komt een meeloffer van drie issaron bloem, aangemaakt met olie, bij de ram een meeloffer van twee issaron bloem, aangemaakt met olie 13en bij elk lam een meeloffer van een issaron bloem, aangemaakt met olie. Dat is het brandoffer, een geurige gave die Jahwe behaagt. 14Bij de stier hoort een plengoffer van een halve hin wijn, bij de ram een derde hin en bij het lam een kwart hin. Dat is het maandelijks brandoffer dat iedere maand van het jaar gebracht moet worden. 15Verder moet er een geitebok geofferd worden als zondeoffer voor Jahwe. Dat alles moet geofferd worden naast het dagelijks
brandoffer en het daarbij behorend plengoffer. 16Op de veertiende dag van de eerste maand is het pasen voor Jahwe 17en op de vijftiende van die maand is het feest. Zeven dagen moet er ongezuurd brood gegeten worden. 18De eerste dag is een heilige dag: dan moogt gij niet werken. 19Gij moet dan aan Jahwe een brandoffer aanbieden van twee stieren, een ram en zeven lammeren van nog geen jaar – gave dieren 20en ook de bijbehorende meeloffers van bloem, aangemaakt met olie; bij elke stier een van drie issaron, bij de ram een van twee issaron 21en bij elk van de zeven lammeren een van een issaron; 22verder een bok als zondeoffer om verzoening voor u te bewerken. 23Dat alles moet gij opdragen naast het brandoffer dat iedere dag in de morgen gebracht wordt. 24Dezelfde offers moet gij op ieder van die zeven dagen opdragen. Zij zijn een spijs, een geurige gave die Jahwe behaagt. Gij moet die opdragen naast het dagelijks brandoffer en het daarbij behorend plengoffer. 25De zevende dag moet eer een heilige dag zijn; dan moogt gij niet werken. 26De dag van de eerstelingen, waarop gij Jahwe een meeloffer van de nieuwe oogst aanbiedt, het wekenfeest, moet een heilige dag zijn; dan moogt gij niet werken. 27Dan moet gij als geurige gave die Jahwe behaagt, een brandoffer aanbieden van twee stieren, een ram en zeven lammeren van nog geen jaar 28en ook de bijbehorende meeloffers van bloem, aangemaakt met olie: bij elke stier een van drie issaron, bij de ram een van twee issaron 29en bij elk van de zeven lammeren een van een issaron; 30verder een geitebok als zondeoffer om verzoening voor u te bewerken. 31Dat alles moet gij opdragen naast het dagelijks brand en meeloffer met de daarbij behorende plengoffers. De offerdieren moeten gaaf zijn.

Hoofdstuk 29

De eerste dag van de zevende maand moet een heilige dag zijn; dan moogt gij niet werken. Dat zal een dag zijn die gevierd wordt met trompetgeschal. 2Dan moet gij als geurige gave die Jahwe behaagt, een brandoffer aanbieden van een stier, een ram en zeven lammeren van nog geen jaar 3en ook de bijbehorende meeloffers van bloem, aangemaakt met olie: bij de stier een van drie issaron, bij de ram van een van twee issaron 4en bij elk van de zeven lammeren een van een issaron; 5verder een geitebok als zondeoffer om verzoening voor u te bewerken. 6Dat alles moet gij opdragen naast het maandelijks en dagelijks brandoffer en naast het meeloffer en de plengoffers die daar volgens voorschrift bijbehoren, een geurige gave die Jahwe behaagt. 7De tiende dag van de zevende maand moet een heilige dag zijn. Dan moet gij u kastijden en moogt gij niet werken. 8Als geurige gave die Jahwe behaagt moet gij dan een brandoffer aanbieden van een stier, een ram en zeven lammeren van nog geen jaar – gave dieren 9en ook de bijbehorende meeloffers van bloem, aangemaakt met olie: bij de stier een van drie issaron, bij de ram een van twee issaron 10en bij elk van de zeven lammeren een van een issaron; 11verder een geitebok als zondeoffer. Dat alles moet gij opdragen naast het zondeoffer voor de verzoening en het dagelijks brandoffer met het bijbehorende meeloffer en de bijbehorende plengoffers. 12De vijftiende
van de zevende maand moet een heilige dag zijn; dan moogt gij niet werken. Gij moet dan feest vieren ter ere van Jahwe, zeven dagen lang. 13Als geurige gave die Jahwe behaagt moet bij een brandoffer aanbieden van dertien stieren, twee rammen en veertien lammeren van nog geen jaar

– gave dieren 14en ook de bijbehorende meeloffers, aangemaakt met olie; bij elk van de dertien stieren een van drie issaron, bij elk van de rammen een van twee issaron 15en bij elk van de veertien lammeren een van een issaron; 16verder een geitebok als zondeoffer. Dat alles moet gij opdragen naast het dagelijks brandoffer en het bijbehorend meel en plengoffer. 17Op de tweede dag twaalf stieren, twee rammen en veertien gave lammeren van nog geen jaar 18met het meeloffer en de plengoffers die daar volgens voorschrift bijbehoren, naar het aantal stieren, rammen en lammeren; 19verder een geitebok als zondeoffer. Dat alles moet gij opdragen naast het dagelijks brandoffer en het meeloffer met de daarbij behorende plengoffers. 20Op de derde dag elf stieren, twee rammen en veertien gave lammeren van nog geen jaar 21met het meeloffer en de plengoffers die daar volgens voorschrift bijbehoren, naar het aantal stieren, rammen en lammeren; 22verder een bok als zondeoffer. Dat alles moet gij opdragen naast het dagelijks brandoffer met het daarbij behorende meel – en plengoffer. 23Op de vierde dag tien stieren, twee rammen en veertien gave lammeren van nog geen jaar 24met het meeloffer en de plengoffers die daar volgens voorschrift bijbehoren, naar het aantal stieren, rammen en lammeren; 25verder een geitebok als zondeoffer. Dat alles moet gij opdragen naast het dagelijks brandoffer met het daarbij behorende meel – en plengoffer. 26Op de vijfde dag negen stieren, twee rammen en veertien gave lammeren van nog geen jaar 27met het meeloffer en de plengoffers die daar volgens voorschrift bijbehoren, naar het aantal stieren, rammen en lammeren; 28verder een bok als zondeoffer. Dat alles moet gij opdragen naast het dagelijks brandoffer met het daarbij behorende meel – en plengoffer. 29Op de zesde dag acht stieren, twee rammen en veertien gave lammeren van nog geen jaar 30met het meeloffer en de plengoffers die daar volgens voorschrift bijbehoren, naar het aantal stieren, rammen en lammeren; 31verder een bok als zondeoffer. Dat alles moet gij opdragen naast het dagelijks brandoffer met het daarbij behorende meel – en plengoffer. 32Op de zevende dag zeven stieren, twee rammen en veertien gave lammeren van nog geen jaar, 33met het meeloffer en de plengoffers die daar volgens voorschrift bijbehoren, naar het aantal stieren, rammen en lammeren; 34verder een bok als zondeoffer. Dat alles moet gij opdragen naast het dagelijks brandoffer met het daarbij behorende meel – en plengoffer. 35Op de achtste dag moet gij het slotfeest houden; dan moogt gij niet werken. 36Als geurige gave die Jahwe behaagt moet gij een brandoffer aanbieden van een stier, een ram en zeven gave lammeren van nog geen jaar 37met het meeloffer en de plengoffers die volgens voorschrift horen bij de stier, de ram en de lammeren, naar hun aantal 38verder een bok als zondeoffer. Dat alles moet gij opdragen naast het dagelijks brandoffer met het daarbij behorende meel – en plengoffer.
39Deze offers moet gij op uw feesten aan Jahwe brengen naast de brandoffers, meeloffers, plengoffers en slachtoffers die gij krachtens gelofte of als vrijwillige gaven aanbiedt.

Hoofdstuk 30

Mozes bracht aan de Israëlieten al de bevelen over die Jahwe gegeven had. 2Mozes sprak tot de stamhoofden van de Israëlieten: Dit heeft Jahwe geboden. 3Wanneer iemand aan Jahwe een gelofte doet of door een eed een verplichting op zich neemt, dan mag hij zijn woord niet schenden; hij moet alles volbrengen wat over zijn lippen is gekomen. 4Wanneer een vrouw aan Jahwe een gelofte doet en zich een verplichting oplegt, terwijl zij als jong meisje nog in het huis van haar vader woont 5en haar vader dan van haar gelofte en van de aangegane verplichting hoort en er niets over zegt, dan blijven haar geloften en de aangegane verplichting van kracht. 6Maar wanneer haar vader er van hoort en bezwaar maakt, dan blijft geen enkele van haar geloften of aangegane verplichtingen van kracht. Jahwe scheldt ze haar kwijt, omdat haar vader bezwaar gemaakt heeft. 7Is zij bij de huwelijkssluiting gebonden door geloften of door een verplichting die zij ondoordacht op zich heeft genomen 8en zegt haar man er niets van wanneer hij het hoort, dan blijven de geloften en de aangegane verplichting van kracht. 9Maakt haar man echter bezwaar wanneer hij het hoort, dan ontheft hij haar daardoor van de gelofte en van de verplichting die zij ondoordacht op zich heeft genomen. 10De gelofte van een weduwe of van een verstoten vrouw, iedere verplichting die zij op zich genomen heeft, blijft van kracht. 11Heeft een vrouw in het huis van haar man een gelofte gedaan of zich onder ede tot iets verplicht, 12en zegt haar man er niets van wanneer hij het hoort, en maakt hij geen bezwaar, dan blijven haar gelofte en alle verplichtingen van kracht. 13Verklaart haar man ze echter ongeldig wanneer hij ze hoort, dan blijft niets van kracht van alles wat over haar lippen gekomen is, noch de geloften noch de verplichtingen. Haar man heeft ze ongeldig verklaard en Jahwe scheldt ze haar kwijt. 14Elke gelofte en elke verplichting tot onthouding die zij onder ede op zich neemt, kan door haar man ofwel erkend ofwel ongeldig verklaard worden. 15Wanneer haar man er tot de volgende dag niets van gezegd heeft, dan heeft hij alle geloften en alle verplichtingen die zij zich heeft opgelegd, erkend. Hij heeft ze erkend door er niets van te zeggen toen hij het hoorde. 16Verklaart hij ze later ongeldig, dan draagt hij de verantwoording. 17Dat zijn de voorschriften die Jahwe aan Mozes gegeven heeft met betrekking tot een man en zijn vrouw en tot een vader en zijn dochter die nog als jong meisje in zijn huis woont.

Hoofdstuk 31

Jahwe sprak tot Mozes: 2`Wreek de Israëlieten op de Midjanieten. Daarna zult gij met uw voorvaderen verenigd worden.’ 3Toen sprak Mozes tot het volk: `Laat een deel van uw mannen zich uitrusten voor de strijd tegen Midjan om de wraak van Jahwe aan Midjan te voltrekken. 4Van elke stam van Israël moet gij duizend man in het veld brengen.’ 5Zo werden uit elke stam van Israël duizend man gerecruteerd, twaalfduizend weerbare
mannen. 6Toen liet Mozes hen uitrukken, duizend van elke stam, samen met Pinechas, de zoon van de priester Eleazar, die de heilige voorwerpen en de signaaltrompetten bij zich droeg. 7Zij trokken ten strijde tegen de Midjanieten zoals Jahwe aan Mozes had bevolen, en doodden alle mannen. 8Bij de slachtoffers bevonden zich ook de koningen van Midjan: Ewi, Rekem, Sur, Chur en Reba, vijf koningen van Midjan: ook Bileam, zoon van Beor, doodden zij met het zwaard. 9De vrouwen en kinderen van Midjan namen zij gevangen en zij maakten zich meester van al hun runderen en schapen en heel hun bezit. 10De steden in hun gebied en al hun kampementen staken zij in brand. 11Alle goederen en heel de buit aan mensen en dieren namen zij mee 12en brachten de gevangenen en de buitgemaakte goederen bij Mozes, de priester Eleazar en de gemeenschap van de Israëlieten in het kamp, in de vlakte van Moab aan de Jordaan bij Jericho. 13Mozes, de priester Eleazar en alle leiders van de gemeenschap gingen hun buiten het kamp tegemoet. 14Maar Mozes werd kwaad op de bevelhebbers, de aanvoerders van duizend en honderd, die van de krijgstocht terugkwamen. 15Mozes vroeg hun: `Hebt u de vrouwen in leven gelaten? 16Zij zijn het juist geweest die de Israëlieten te Peor tot ontrouw verleid hebben op raad van Bileam, zodat een plaag de gemeenschap van Jahwe trof. 17Dood daarom alle jongens en ook alle vrouwen die met een man gemeenschap gehad hebben. 18Maar de meisjes die nog geen gemeenschap met een man gehad hebben, kunt u in leven laten. 19Zeven dagen lang moet u buiten het kamp blijven en ieder die iemand gedood heeft of een gesneuvelde aangeraakt, moet zich op de derde en de zevende dag reinigen; dat geldt voor uzelf en voor de krijgsgevangenen. 20Ook alle kleren, alle voorwerpen, alwat uit geitehaar is vervaardigd en alle voorwerpen van hout moet u reinigen.’ 21De priester Eleazar zei tot de mannen die aan de strijd hadden deelgenomen: Dit schrijft de wet voor, die Jahwe aan Mozes heeft gegeven: 22Goud en zilver, brons, ijzer, tin en lood, 23alles wat tegen het vuur bestand is, moet gij door het vuur halen. Dan is het na zuivering met reinigingswater weer rein. Maar alles wat niet tegen het vuur bestand is, moet gij door het water halen. 24Op de zevende dag moet gij uw kleren wassen, dan zijt gij weer rein en moogt gij weer in het kamp komen.’ 25Jahwe sprak tot Mozes: 26`Met de priester Eleazar en de familiehoofden van de gemeenschap moet gij tellen wat er aan mensen en dieren is buitgemaakt 27en daarvan moet gij de ene helft geven aan de mannen die aan de strijd hebben deelgenomen, de andere helft aan de rest van de gemeenschap. 28Leg de mannen die aan de strijd hebben deelgenomen, een schatting voor Jahwe op van een op de vijfhonderd van de mensen, de runderen, de ezels en de schapen. 29Gij moet dat van hun aandeel afhouden en als schatting voor Jahwe aan de priester Eleazar geven. 30Van het aandeel van de overige Israëlieten moet ge zowel van de mensen als van de runderen, de ezels en de schapen, van alle dieren, een op de vijftig afhouden en die aan de levieten geven die dienst doen bij de woning van Jahwe.’ 31Mozes en de priester Eleazar deden wat Jahwe aan Mozes
had bevolen. 32Afgezien van de goederen die het krijgsvolk bemachtigd
had, bedroeg de buit zeshonderdvijfenzeventigduizend schapen,
33tweeënzeventigduizend runderen, 34eenenzestigduizend ezels,
35tweeëndertigduizend mensen, vrouwen die nog geen gemeenschap met
een man gehad hadden. 36De helft, het aandeel van degenen die aan de
strijd hadden deelgenomen bedroeg dus
driehonderdzevenendertigduizendvijfhonderd schapen 37waarvan
zeshonderdvijfenzeventig als schatting voor Jahwe; 38zesendertigduizend
runderen waarvan tweeënzeventig als schatting voor Jahwe;
39dertigduizendvijfhonderd ezels waarvan eenenzestig als schatting voor
Jahwe; 40zestienduizend mensen, waarvan tweeëndertig als schatting
voor Jahwe. 41Mozes gaf deze schatting, het deel van Jahwe, aan de

priester Eleazar, zoals Jahwe aan Mozes bevolen had. 42De andere helft
die Mozes bestemd had voor de Israëlieten die niet ten strijde waren
getrokken 43bedroeg eveneens
driehonderdzevenendertigduizendvijfhonderd schapen,
44zesendertigduizend runderen, 45dertigduizendvijfhonderd ezels 46en
zestienduizend mensen. 47Van de helft voor de Israëlieten hield Mozes
een op de vijftig af, zowel van mensen als van dieren, en gaf die – zoals
Jahwe aan Mozes had bevolen – aan de levieten die dienst doen bij de
woning van Jahwe. 48Toen traden de bevelhebbers, de aanvoerders van
duizend en honderd, op Mozes toe 49en zeiden: `Uw dienaren hebben
een telling gehouden van de mannen die onder ons bevel stonden en niet
een van hen wordt vermist. 50Daarom bieden wij de gouden voorwerpen
die ieder van ons heeft buitgemaakt, armbanden, gespen, vingerringen,
oorringen en halssieraden als gave aan Jahwe aan om bij Jahwe
verzoening voor ons te bewerken.’ 51Mozes en de priester Eleazar
namen de gouden voorwerpen in ontvangst. 52Het goud dat de
aanvoerders van de duizend en honderd als gave aan Jahwe aanboden,
woog in totaal zestienduizendzevenhonderdvijftig sikkel. 53Het krijgsvolk
had ook op eigen gelegenheid geplunderd. 54Mozes en de priester
Eleazar namen van de aanvoerders van duizend en honderd het goud in
ontvangst en brachten het naar de tent van de samenkomst, als een
herinnering aan de Israëlieten bij Jahwe.
Hoofdstuk 32

De Rubenieten en de Gadieten bezaten grote kudden vee. Toen de Gadieten en Rubenieten zagen dat het gebied van Jazer en Gilead een goede streek voor het vee was, 2gingen zij naar Mozes, de priester Eleazar en de leiders van de gemeenschap en zeiden: 3`Atarot, Dibon, Jazer, Nimra, Chesbon, Elale, Sebam, Nebo en Beon, 4het land dat Jahwe voor de ogen van de gemeenschap van Israël heeft veroverd, is een goed land voor het vee en uw dienaren bezitten vee. 5Bewijs ons uw gunst, zeiden zij, en geef uw dienaren dit land in bezit en laat ons niet over de Jordaan trekken.’ 6Maar Mozes zei tot de Gadieten en Rubenieten: `Wat! Uw broeders ten strijde trekken en u hier blijven! 7Wilt u de Israëlieten de moed ontnemen om over te steken naar het land dat Jahwe
hun geschonken heeft? 8Dat hebben ook jullie vaderen gedaan, toen ik hen van Kades-barnea uitzond om het land te verkennen. 9Zij zijn tot het dal Eskol doorgedrongen en hebben het land verkend, maar toen hebben zij de Israëlieten de moed ontnomen om het land binnen te trekken, dat Jahwe hun geschonken had. 10Daarom is Jahwe toen in toorn ontstoken en heeft gezworen: 11Nooit zullen de mannen van twintig jaar en ouder die uit Egypte zijn getrokken, het land zien, dat Ik aan Abraham, aan Isaak en aan Jakob onder ede beloofd heb, omdat zij niet volledig trouw zijn geweest, 12met uitzondering van de Kenizziet Kaleb, de zoon van Jefunne en Jozua, de zoon van Nun, want zij zijn Jahwe volledig trouw geweest. 13Zo ontstak Jahwe in toorn tegen Israël en liet hen veertig jaar lang rondzwerven in de woestijn tot heel het geslacht dat zich tegen Jahwe misdragen had, verdwenen was. 14En nu komt u als een nieuw geslacht van zondaars de plaats van jullie vaders innemen om Jahwe’s heftige toorn tegen Israël nog aan te wakkeren! 15Als u zich van Hem afwendt, zodat Hij dit volk nog langer in de woestijn laat, dan bent u de schuld van zijn ondergang.’ 16Weer kwamen zij naar hem toe en zeiden: `Wij willen hier schaapskooien bouwen voor onze kudden en steden voor onze kinderen, 17maar zelf zullen wij gewapend uittrekken, aan de spits van de Israëlieten, tot wij hen op de plaats van hun bestemming gebracht hebben. Intussen kunnen onze kinderen, veilig voor de bewoners van het land, in die versterkte steden wonen. 18Wij zullen niet naar huis teruggaan, voordat ieder van de Israëlieten zijn deel heeft ontvangen. 19Wij willen helemaal geen bezit hebben bij hen aan de overkant van de Jordaan in het land dat verderop ligt, wanneer wij het krijgen aan deze kant van de Jordaan, de oostkant.’ 20Toen zei Mozes tot hen: `Als u dat doet en voor Jahwe uit gewapend ten strijde trekt 21en voor Jahwe uit gewapend de Jordaan oversteekt en niet terugkeert voordat Jahwe zijn vijanden verdreven heeft 22en het land aan Hem onderworpen is, dan gaat u vrij uit voor Jahwe en voor Israël en dan zal deze streek ten overstaan van Jahwe uw eigendom zijn. 23Doet u dat niet, dan zondigt u tegen Jahwe; en weet, dat de straf van uw zonde u zal vinden. 24Bouw dus steden voor uw kinderen en kooien voor uw schapen, maar volbreng wat u beloofd hebt.’ 25Toen spraken de Gadieten en de Rubenieten tot Mozes: `Uw dienaren zullen alles doen wat mijn heer beveelt. 26Onze kinderen en onze vrouwen, onze kudden en al onze runderen zullen in de steden van Gilead blijven, 27maar uw dienaren zullen allen gewapend voor Jahwe uit oversteken om te vechten, zoals mijn heer beveelt.’ 28Daarop gaf Mozes zijn orders over hen aan de priester Eleazar, aan Jozua, zoon van Nun, en aan de familiehoofden van de stammen van de Israëlieten. 29Hij zei tot hen: `Als alle Gadieten en Rubenieten voor Jahwe uit gewapend met u de Jordaan oversteken, dan moet u wanneer het land aan u onderworpen is, Gilead aan hen in eigendom geven. 30Maar als zij niet gewapend met u oversteken, dan krijgen zij hun eigendom bij u in Kanaän.’ 31De Gadieten en de Rubenieten antwoordden: `Wat Jahwe uw dienaren bevolen heeft, zullen wij doen. 32Wij zullen voor Jahwe uit gewapend naar Kanaän
oversteken, maar dan moeten wij aan deze zijde van de Jordaan grond in bezit krijgen.’ 33Toen gaf Mozes aan de Gadieten, aan de Rubenieten en aan de helft van de stam Manasse, de zoon van Jozef, het rijk van Sichon, de koning van de Amorieten, en het rijk van Og, de koning van Basan, het land met de steden binnen de grenzen en met de steden die er rondom liggen. 34De Gadieten herbouwden de versterkte steden Dibon, Atarot, Aroer, 35Atrot-sofan, Jazer, Jogbeha, 36Bet-nimra, Bet-haran, en zij herstelden de schaapskooien. 37De Rubenieten herbouwden Chesbon, Elale, Kirjataim, 38Nebo, Baäl-maon – met verandering van naam – en Sibma. Aan de steden die zij gebouwd hadden, gaven zij namen. 39De zonen van Makir, de zoon van Manasse, trokken naar Gilead, veroverden het en verdreven de Amorieten die daar woonden. 40Mozes gaf Gilead aan Makir, de zoon van Manasse, die zich daar vestigde. 41Ook Jair, de zoon van Manasse, trok er op uit, veroverde hun dorpen en noemde ze dorpen van Jair. 42Ook Nobach trok er op uit, veroverde Kenat met de onderhorige plaatsen en gaf het zijn eigen naam Nobach.

Hoofdstuk 33

Dit zijn de etappes waarin de Israëlieten die onder leiding van Mozes en Aäron in groepen uit Egypte zijn getrokken. 2Op bevel van Jahwe heeft Mozes de vertrekplaatsen van de etappes opgeschreven. En dit zijn de etappes met de plaatsen van vertrek. 3Zij vertrokken van Raamses op de vijftiende dag van de eerste maand. Daags na pasen trokken de Israëlieten onder Jahwe’s machtige bescherming voor de ogen van de Egyptenaren weg, 4terwijl deze bezig waren de eerstgeborenen die Jahwe bij hen gedood had, te begraven. Ook aan hun goden had Jahwe zijn vonnis voltrokken. 5De Israëlieten vertrokken dus van Raamses en sloegen hun kamp op te Sukkot. 6Van Sukkot vertrokken zij en sloegen hun kamp op te Etam aan de rand van de woestijn. 7Zij vertrokken van Etam in de richting van Pi-hachirot, dat dicht bij Baäl-sefon ligt, en sloegen hun kamp op voor Migdol. 8Zij vertrokken van Pi-hachirot, gingen door de zee heen de woestijn in, trokken drie dagreizen de woestijn van Etam in en sloegen hun kamp op te Mara. 9Zij vertrokken van Mara en kwamen in Elim. In Elim waren twaalf waterbronnen en zeventig palmen. Daar sloegen zij hun kamp op. 10Zij vertrokken van Elim en sloegen hun kamp op aan de Rietzee. 11Zij vertrokken van de Rietzee en sloegen hun kamp op in de woestijn Sin. 12Zij vertrokken van de woestijn Sin en sloegen hun kamp op te Dofka. 13Zij vertrokken van Dofka en sloegen hun kamp op te Alus. 14Zij vertrokken van Alus en sloegen hun kamp op te Refidim. Daar had het volk geen water om te drinken. 15Zij vertrokken van Refidim en sloegen hun kamp op in de woestijn van de Sinaï. 16Zij vertrokken van de woestijn van de Sinaï en sloegen hun kamp op te Kibrot-hattaawa. 17Zij vertrokken van Kibrot-hattaawa en sloegen hun kamp op te Chaserot. 18Zij vertrokken van Chaserot en sloegen hun kamp o te Ritma. 19Zij vertrokken van Ritma en sloegen hun kamp op te Rimmon-peres. 20Zij vertrokken van Rimmon-peres en sloegen hun kamp op te Libna. 21Zij vertrokken van Libna en sloegen hun kamp op te Rissa. 22Zij vertrokken
van Rissa en sloegen hun kamp op te Keheleta. 23Zij vertrokken van Keheleta en sloegen hun kamp op bij de berg Sefer. 24Zij vertrokken van de berg Sefer en sloegen hun kamp op te Charada. 25Zij vertrokken van Charada en sloegen hun kamp op te Makhelot. 26Zij vertrokken van Makhelot en sloegen hun kamp op te Tachat. 27Zij vertrokken van Tachat en sloegen hun kamp op te Terach. 28Zij vertrokken van Terach en sloegen hun kamp op te Mitka. 29Zij vertrokken van Mitka en sloegen hun kamp op te Chasmona. 30Zij vertrokken van Chasmona En zij sloegen hun kamp op te Moserot. 31Zij vertrokken van Moserot en sloegen hun kamp op te Bene-jaakan. 32Zij vertrokken van Bene-jaakan en sloegen hun kamp op te Chor-haggidgad. 33Zij vertrokken van Chor-haggidgad en sloegen hun kamp op te Jotbata. 34Zij vertrokken van Jotbata en sloegen hun kamp op te Abrona. 35Zij vertrokken van Abrona en sloegen hun kamp op te Esjon-geber. 36Zij vertrokken van Esjon-geber. En zij sloegen hun kamp op in de woestijn Sin, in Kades. 37Zij vertrokken van Kades en sloegen hun kamp op bij de berg Hor aan de grens van Edom. 38Op bevel van Jahwe besteeg toen de priester Aäron de berg Hor en stierf daar in het veertigste jaar na de uittocht van de Israëlieten uit Egypte, op de eerste dag van de vijfde maand. 39Aäron was honderddrieëntwintig jaar, toen hij op de berg Hor stierf. 40De Kanaänieten in de Negeb in Kanaän, met name de koning van Arad, hoorden van de komst van de Israëlieten. 41Zij vertrokken van de berg Hor En zij sloegen hun kamp op te Salmona. 42Zij vertrokken van Salmona en sloegen hun kamp op te Punon. 43Zij vertrokken van Punon en sloegen hun kamp op te Obot. 44Zij vertrokken van Obot en sloegen hun kamp op te Ijje-haabarim aan de grens van Moab. 45Zij vertrokken van Ijje-haabarim en sloegen hun kamp o te Dibon – Gad. 46Zij vertrokken van Dibon-gad en sloegen hun kamp op te Almon-diblataim. 47Zij vertrokken van Almon-diblataim en sloegen hun kamp op in het Abarimgebergte vlak bij Nebo. 48Zij vertrokken van het Abarimgebergte en sloegen hun Kamp op in de vlakte van Moab aan de Jordaan bij Jericho. 49Zij sloegen hun kamp op langs de Jordaan van Bet-hajjesimot tot aan Abel – Hassittim in de vlakte van Moab. 50Jahwe sprak tot Mozes in de vlakte van Moab aan de Jordaan bij Jericho. 51Zeg aan de Israëlieten: Wanneer gij de Jordaan oversteekt naar Kanaän, 52moet gij alle bewoners uit het land verdrijven. Al hun stenen beelden, en al hun metalen beelden moet gij vernietigen en al hun offerhoogten verwoesten. 53Dan zult gij het land in bezit nemen om er te wonen, want Ik geef het u in bezit. 54Gij moet het land door loting onder uw geslachten verdelen. Aan een groot geslacht moet gij een groot stuk grond, aan een klein geslacht een klein stuk toewijzen. Volgens de aanwijzing van het lot krijgt ieder zijn deel. De verdeling moet geschieden naar de stammen van uw vaderen. 55Wanneer gij echter de bewoners niet uit het land verdrijft, dan zullen degenen die gij overlaat, dorens in uw ogen en stekels in uw zijden worden. In het land waar gij gaat wonen, zullen zij u onderdrukken. 56Dan zal Ik met u doen, wat Ik hun had toegedacht.

Hoofdstuk 34

Jahwe sprak tot Mozes: 2Geef de Israëlieten deze aanwijzing: Wanneer gij in Kanaän komt, dan zullen de grenzen van dat land de grenzen van uw bezit zijn. 3De zuidgrens loopt van de woestijn Sin langs de grens van Edom. Deze grens begint in het oosten bij de uiterste punt van de Zoutzee, 4gaat in een bocht zuidelijk om de pas van Akrabbim, loopt door naar Sin en komt uit ten zuiden van Kades-barnea; zij gaat dan verder naar Chasar-addar en loopt door tot Asmon. 5Van Asmon buigt de grens om naar de beek van Egypte en loopt uit op de zee. 6De westgrens wordt gevormd door de Grote Zee; dat is dus de westgrens. 7De noordgrens loopt als volgt: vanaf de Grote Zee moet gij een lijn trekken naar de berg Hor 8en van de berg Hor tot de weg naar Hamat. De grens komt uit bij Sedad, 9gaat vandaar naar Zifron en eindigt bij Chasar-enan. Dat is de noordgrens. 10Voor de oostgrens moet gij een lijn trekken van Chasar-enan naar Sefam. 11Van Sefam daalt de grens naar Ribla ten oosten van Ain, loopt vlak langs de bergketen ten oosten van het meer Kinneret 12en daalt dan naar de Jordaan om te eindigen met de Zoutzee. Dat zijn de grenzen van uw land. 13Mozes gaf de Israëlieten de volgende aanwijzing: Dat is het land dat gij door het lot moet verdelen en dat volgens bevel van Jahwe aan de negen en een halve stam moet gegeven worden. 14Want de families van de stam der Rubenieten en van de stam der Gadieten hebben hun deel al ontvangen; ook de helft van de stam Manasse heeft zijn deel al ontvangen. 15Deze hebben samen hun deel gekregen aan de oostkant van de Jordaan bij Jericho, in het oosten waar de zon opgaat. 16Jahwe sprak tot Mozes: 17Dit zijn de namen van degenen die voor u het land moeten verdelen: de priester Eleazar en Jozua, zoon van Nun. 18Bovendien moet gij voor het verdelen van het land in elke stam een leider aanwijzen. 19Hier volgen hun namen: voor de stam Juda Kaleb, zoon van Jefunne; 20voor de stam van de Simeonieten Semuël, zoon van Ammihud; 21voor de stam van de Benjaminieten Elidad, zoon van Kislon; 22als leider van de stam van de Danieten Bukki, zoon van Jogli; 23voor de Jozefieten, als leider van de stam van de Manassieten Channiël, zoon van Efod, 24en als leider van de stam van de Efraimieten Kemuël, zoon van Siftam; 25als leider van de stam van de Zebulonieten Elisafan, zoon van Parnak; 26als leider van de stam van de Issakarieten Paltiël, zoon van Azzan; 27als leider van de stam van de Aserieten Achiud, zoon van Selomi; 28als leider van de stam van de Naftalieten Pedaël, zoon van Ammihud. 29Dat zijn degenen aan wie Jahwe de opdracht gaf Kanaän onder de Israëlieten te verdelen.

Hoofdstuk 35

Jahwe sprak tot Mozes in de vlakte van Moab aan de Jordaan bij Jericho: 2Beveel de Israëlieten van hun eigen bezit steden af te staan aan de levieten, waar zij kunnen wonen, met weidegrond er omheen. 3In de steden kunnen zij wonen; de weidegronden zijn voor de runderen die zij bezitten en voor al hun overige dieren. 4De weidegronden van de steden die gij aan de levieten moet afstaan, moeten zich van de stadsmuur af duizend el in het rond uitstrekken. 5Gij moet van de rand van de stad af
aan de oostkant tweeduizend el afmeten, aan de zuidkant tweeduizend el, aan de westkant tweeduizend el en aan de noordkant tweeduizend el, met de stad in het midden. Dat zullen de weidegronden bij hun steden zijn.

6De steden die gij aan de levieten moet afstaan, zijn de zes vrijsteden die gij als wijkplaats moet aanwijzen voor iemand die doodslag gepleegd heeft, en bovendien nog tweeënveertig andere steden. 7In het geheel moet gij dus achtenveertig steden met de weidegronden aan de levieten afstaan. 8Van de Israëlieten die veel bezitten, moet gij meer steden nemen en van hen die weinig bezitten minder, dus naar de omvang van het bezit dat ieder gekregen heeft. 9Jahwe sprak tot Mozes: 10Zeg aan de Israëlieten: Wanneer gij over de Jordaan naar Kanaän trekt, 11moet gij enkele steden als vrijsteden aanwijzen. Daarheen kan iemand die een ander zonder opzet heeft gedood, de wijk nemen. 12Die steden zullen dienen als wijkplaats tegen de bloedwreker, om te voorkomen dat iemand die doodslag heeft begaan, de dood vindt alvorens hij voor de gemeenschap terecht heeft gestaan. 13Zes steden moet gij als vrijsteden aanwijzen: 14drie aan de overzijde van de Jordaan en drie in Kanaän. Het zullen vrijsteden zijn. 15Zowel voor de Israëlieten als voor de vreemdelingen en buitenlanders bij u zullen die zes steden tot wijkplaats dienen, waarheen ieder de wijk kan nemen, die iemand zonder opzet heeft gedood. 16Heeft iemand een ander met een ijzeren voorwerp geslagen en is deze daaraan gestorven, dan is hij een moordenaar; de moordenaar moet ter dood gebracht worden. 17Heeft hij met een steen in de hand iemand zo geslagen dat deze er aan sterven kon en er inderdaad aan gestorven is, dan is hij een moordenaar en moet hij ter dood gebracht worden. 18Heeft hij met een houten voorwerp in de hand iemand zo geslagen, dat deze er aan sterven kon en er inderdaad aan gestorven is, dan is hij een moordenaar en moet hij ter dood gebracht worden. 19De bloedwreker zelf moet de moordenaar doden. Zodra hij hem aantreft, kan hij hem doden. 20Stoot iemand een ander uit haat of gooit hij naar hem met voorbedachten rade met het gevolg dat de ander sterft, 21of slaat hij hem uit vijandschap zo met de vuist dat de ander sterft, dan moet degene die geslagen heeft, ter dood gebracht worden, want hij is een moordenaar. De bloedwreker kan de moordenaar doden, zodra hij hem aantreft. 22Maar heeft iemand een ander onopzettelijk, zonder dat er van vijandschap sprake kon zijn, neergestoten of zonder voorbedachten rade een of ander voorwerp naar hem gegooid, 23of heeft iemand zonder het te merken een steen die de dood kon veroorzaken op hem laten vallen, terwijl er van vijandschap geen sprake was en hij hem geen kwaad wilde, en sterft de ander daaraan, 24dan moet de gemeenschap uitspraak doen tussen hem die de dood heeft veroorzaakt, en de bloedwreker. Daarbij gelden de volgende regels. 25De gemeenschap moet hem die de dood heeft veroorzaakt, uit de hand van de bloedwreker redden en hem weer naar de vrije stad brengen waarheen hij de wijk had genomen. Hij moet daar blijven tot de dood van de hogepriester die met heilige olie gezalfd is. 26Indien hij die de dood veroorzaakt heeft, het grondgebied van de vrijstad waarheen hij gevlucht is, verlaat 27en de bloedwreker hem vindt buiten het gebied van de vrijstad en hem neerslaat, dan rust er op de bloedwreker geen schuld. 28De ander had tot de dood van de hogepriester in de vrijstad moeten blijven. Maar na de dood van de hogepriester kan hij terugkeren naar de grond die hij bezit. 29Dat zijn de wettelijke voorschriften die gelden voor u en voor alle toekomstige geslachten, waar gij ook woont. 30Heeft iemand een mens doodgeslagen, dan brengt men, op verklaring van getuigen, de moordenaar ter dood; een getuige volstaat echter niet om over iemand het doodvonnis uit te spreken. 31Gij moogt geen losprijs aannemen voor het leven van een moordenaar die de dood verdiend heeft; hij moet ter dood gebracht worden. 32Ook moogt gij geen losprijs aannemen voor iemand die naar een vrijstad moest uitwijken wanneer die voor de dood van de hogepriester weer op zijn grond wil gaan wonen. 33Gij moogt het land waarin gij woont, niet ontwijden. Bloed ontwijdt het land en wanneer er bloed vergoten is wordt voor het land geen verzoening bewerkt, tenzij door het bloed van hem die het vergoten heeft. 34Bezoedel dus het land niet waar gij woont en waar ook Ik verblijf, want Ik, Jahwe, verblijf te midden van de Israëlieten.

Hoofdstuk 36

De familiehoofden van het geslacht van de zonen van Gilead, zoon van Makir, de zoon van Manasse, een van de geslachten van de Jozefieten, kwamen naar Mozes en naar de leiders, de familiehoofden van de Israëlieten. Zij namen het woord 2en zeiden: `Jahwe heeft mijn heer bevolen door loting het land toe te wijzen aan de Israëlieten en aan mijn heer is door Jahwe bevolen het bezit van onze broeder Selofchad aan zijn dochters te geven. 3Indien zij huwen met mannen uit andere Israëlitische stammen, dan wordt dat bezit afgenomen van het bezit van onze vaderen en gevoegd bij het bezit van de stam waartoe zij gaan behoren; het wordt afgenomen van het bezit dat ons door het lot is toegewezen. 4Wanneer de Israëlieten het jobeljaar vieren, zou haar bezit voorgoed gevoegd worden bij het bezit van de stam waartoe zij behoren en zou haar bezit voorgoed worden afgenomen van het bezit van de stam van onze vaderen.’ 5Toen gaf Mozes in opdracht van Jahwe aan de Israëlieten het volgende bevel: `Wat de stam van de Jozefieten zegt, is juist. 6Daarom schrijft Jahwe met betrekking tot de dochters van Selofchad het volgende voor: Zij kunnen huwen met wie zij willen, als het maar met iemand is uit een geslacht van haar eigen stam. 7Het erfbezit mag namelijk niet van de ene stam op de andere overgaan. De Israëlieten moeten het bezit van de stam van hun vaderen behouden. 8Ieder meisje, dat onder de stammen van de Israëlieten bezit verwerft, moet huwen met iemand uit een geslacht van haar eigen stam, zodat alle Israëlieten het bezit van hun vader behouden. 9Het mag niet van de ene stam op de andere overgaan, maar de stammen van de Israëlieten moeten elk hun eigen bezit behouden.’ 10De dochters van Selofchad deden wat Jahwe aan Mozes bevolen had. 11Machla, Tirsa, Chogla, Milka en Noa, de dochters van Selofchad, huwden met de zonen van haar ooms. 12Zij huwden in de geslachten van
de zonen van Manasse, de zoon van Jozef, zodat haar bezit bleef bij de stam waartoe het geslacht van haar vader behoorde. 13Dat zijn de bevelen en voorschriften die Jahwe door Mozes aan de Israëlieten heeft gegeven in de vlakte van Moab, aan de Jordaan bij Jericho.

(En)

Believe Christianity – bible verse 004
numeric

Source:
https://rkbijbel.nl/kbs/bijbel/willibrord1975/neovulgaat
vertaald: https://nl.wikipedia.org/wiki/Numeri

The Willibrord translation is the standard translation of the Roman Catholic faith community in the Dutch language area and is published by the Catholic Bible Foundation, in close collaboration with the Flemish Bible Foundation. The Willibrord Translation is widely appreciated as a translation that is faithful to the original text and at the same time offers a text in understandable contemporary Dutch.

Numbers (Latin: ”numbers”, from the Greek name in the Septuagint: Ἀριθμοί, arithmoi, ”counts”) is the fourth book of the Hebrew Bible. In Hebrew, the book of רבדמב, bəmidbar, is called ”in the wilderness,” after the first word of the book. It deals with the events of the Israelites during their 40-year sojourn in the desert after the Exodus from Egypt.

The book is a continuation of the book of Exodus, after the interruption of the legislation in the book of Leviticus. The period of the Book of Numbers covers the time span from the first day of the second month of the 2nd year after the Exodus, to the 11th month of the 40th year.

1. The census of the Hebrew people at Mount Sinai and the preparations for their onward journey. The count is done per tribe (chapter 1 – 4).

2. Some Laws (chapters 5, 15, 27-30, 33).
3. The Law of Nazariteship and Priestly Ordination (chapter 6).

4. A description of the Levites’ duties, and camp hygiene regulations (chapters 7-9, 18-19).

5. An account of the journey from Sinai to Moab: Signals for the breaking up of camp, the journey to Kadesh Barnea, grumbling/rebellion against Moses, lack of flesh (quails) (chapters 10-12).

6. Exploration of the 12 scouts, their report, the reaction of the people (”we don’t want to go there”), and the punishment of God: all people over 20 years old will not come (chapters 13-14).

7. Grumbling and Rebellion (Chapters 16-17).
8. Meeting with Edom (chapter 20).
9. Conquest of the Land of the Amorites (Chapter 21).

10. Acts in the plain of Moab before they cross the Jordan (chapter 21).
11. Confrontation with Midian, blessing of Balaam (chapters 22-25, 31).
12. Second census of the people (chapter 26).
13. Joshua appointed as successor to Moses (chapter 27).

14. Division of East Jordan into two and a half tribes: Reuben, Gad, and the half tribe of Manasseh (chapter 32).

15. Order to drive out the Canaanites. Borders of the country. Levitical cities and cities of refuge (chapters 34-35).

Chapther 01
1 Yahweh spoke to Moses, in the desert of Sinai, in the Tent of Meeting, on the first day of the second month, in the second year after the exodus from Egypt, and said:

2 ’Take a census of the whole community of Israelites by clans and families, taking a count of the names of all the males, head by head.

3 You and Aaron will register all those in Israel, twenty years of age and over, fit to bear arms, company by company;

4 you will have one man from each tribe, the head of his family, to help you.

5 ’These are the names of those who must help you: For Reuben, Elizur son of Shedeur.

6 For Simeon, Shelumiel son of Zurishaddai.

7 For Judah, Nahshon son of Amminadab.

8 For Issachar, Nethanel son of Zuar.

9 For Zebulun, Eliab son of Helon.

10 Of the sons of Joseph: for Ephraim, Elishama son of Ammihud; for Manasseh, Gamaliel son of Pedahzur.

11 For Benjamin, Abidan son of Gideoni.

12 For Dan, Ahiezer son of Ammishaddai.

13 For Asher, Pagiel son of Ochran.

14 For Gad, Eliasaph son of Reuel.

15 For Naphtali, Ahira son of Enan.’

16 These were men of repute in the community; they were the leaders of their ancestral tribes, the heads of Israel’s thousands.

17 Moses and Aaron took these men who had been named

18 and on the first day of the second month they mustered the whole community. The Israelites established their pedigrees by clans and families, and one by one the names of all men of twenty years and over were recorded.

19 As Yahweh had ordered, Moses registered them in the desert of Sinai.

20 Once the pedigrees of the descendants of Reuben, Israel’s first-born, had been established by clans and families, the names of all the males of twenty years and over, fit to bear arms, were recorded one by one.

21 The total of these for the tribe of Reuben was forty-six thousand five hundred.

22 Once the pedigrees of Simeon’s descendants had been established by clans and families, the names of all the males of twenty years and over, fit to bear arms, were recorded one by one.

23 The total of these for the tribe of Simeon was fifty-nine thousand three hundred.

24 Once the pedigrees of Gad’s descendants had been established by clans and families, the names of all the males of twenty years and over, fit to bear arms, were recorded one by one.

25 The total of these for the tribe of Gad was forty-five thousand six hundred and fifty.

26 Once the pedigrees of Judah’s descendants had been established by clans and families, the names of all the males of twenty years and over, fit to bear arms, were recorded one by one.

27 The total of these for the tribe of Judah was seventy-four thousand six hundred.

28 Once the pedigrees of Issachar’s descendants had been established by clans and families, the names of all the males of twenty years and over, fit to bear arms, were recorded one by one.

29 The total of these for the tribe of Issachar was fifty-four thousand four hundred.

30 Once the pedigrees of Zebulun’s descendants had been established by clans and families, the names of all the males of twenty years and over, fit to bear arms, were recorded one by one.

31 The total of these for the tribe of Zebulun was fifty-seven thousand four hundred.

32 As regards the descendants of Joseph: once the pedigrees of Ephraim’s descendants had been established by clans and families, the names of all the males of twenty years and over, fit to bear arms, were recorded one by one.

33 The total of these for the tribe of Ephraim was forty thousand five hundred.

34 Once the pedigrees of Manasseh’s descendants had been established by clans and families, the names of all the males of twenty years and over, fit to bear arms, were recorded one by one.

35 The total of these for the tribe of Manasseh was thirty-two thousand two hundred.

36 Once the pedigrees of Benjamin’s descendants had been established by clans and families, the names of all the males of twenty years and over, fit to bear arms, were recorded one by one.

37 The total of these for the tribe of Benjamin was thirty-five thousand four hundred.

38 Once the pedigrees of Dan’s descendants had been established by clans and families, the names of all the males of twenty years and over, fit to bear arms, were recorded one by one.

39 The total of these for the tribe of Dan was sixty-two thousand seven hundred.

40 Once the pedigrees of Asher’s descendants had been established by clans and families, the names of all the males of twenty years and over, fit to bear arms, were recorded one by one.

41 The total of these for the tribe of Asher was forty-one thousand five hundred.

42 Once the pedigrees of Naphtali’s descendants had been established by clans and families, the names of all the males of twenty years and over, fit to bear arms, were recorded one by one.

43 The total of these for the tribe of Naphtali was fifty-three thousand four hundred.

44 Such were the men registered by Moses, Aaron and the leaders of Israel, of whom there were twelve, each representing his family.

45 All the Israelites of twenty years and over, fit to bear arms, were counted by families.

46 Altogether, the total came to six hundred and three thousand five hundred and fifty.

47 But the Levites and their tribes were not included in the count.

48 Yahweh spoke to Moses and said:

49 ’Do not, however, take a census of the Levites, or register them with the other Israelites,

50 but enrol the Levites to take charge of the Dwelling where the Testimony is and of all its furnishings and belongings. They must carry the Dwelling and all its furnishings; they must look after the Dwelling and pitch their camp round it.

51 Whenever the Dwelling is moved, the Levites will dismantle it; whenever the Dwelling stops for the night, the Levites will erect it. Any unauthorised person coming near it will be put to death.

52 The Israelites will pitch their tents, each in their own encampment and by their own standard, company by company,

53 but the Levites will pitch their tents round the Dwelling where the Testimony is. In this way Retribution will be kept from falling on the whole community of Israelites, and the Levites will keep charge of the Dwelling of the Testimony.’

54 The Israelites did exactly as Yahweh had ordered Moses. They did as he said.

Chapther 02
1 Yahweh spoke to Moses and to Aaron and said:

2 ’The Israelites must pitch their tents, each man by his own standard, under their family emblems. They must pitch their tents round the Dwelling where the Testimony is, some distance away.

3 ’Encamped on the east side: ’Furthest towards the east, the standard of the camp of Judah, unit by unit. Leader of the Judahites: Nahshon son of Amminadab.

4 His company: seventy-four thousand six hundred men.

5 ’Next to him: ’The tribe of Issachar. Leader of the Issacharites: Nethanel son of Zuar.

6 His company: fifty-four thousand four hundred men.

7 ’The tribe of Zebulun. Leader of the Zebulunites: Eliab son of Helon.

8 His company: fifty-seven thousand four hundred men.

9 ’The tribal forces in the camp of Judah number in all a hundred and eighty-six thousand four hundred. These will be the first to break camp.

10 ’On the south side, the standard of the camp of Reuben, unit by unit. Leader of the Reubenites: Elizur son of Shedeur.

11 His company: forty-six thousand five hundred men.

12 ’Next to him: ’The tribe of Simeon. Leader of the Simeonites: Shelumiel son of Zurishaddai.

13 His company: fifty-nine thousand three hundred men.

14 ’The tribe of Gad. Leader of the Gadites: Eliasaph son of Reuel.

15 His company: forty-five thousand six hundred and fifty men.

16 ’The tribal forces in the camp of Reuben number in all a hundred and fifty-one thousand four hundred and fifty. They will be second to break camp.

17 ’Next, the Tent of Meeting will move, since the camp of the Levites is situated in the middle of the other camps. The order of movement will be the order of encampment, each man under his own standard.

18 ’On the west side, the standard of the camp of Ephraim, unit by unit. Leader of the Ephraimites: Elishama son of Ammihud.

19 His company: forty thousand five hundred men.

20 ’Next to him: ’The tribe of Manasseh. Leader of the Manassehites: Gamaliel son of Pedahzur.

21 His company: thirty-two thousand two hundred men.

22 ’The tribe of Benjamin. Leader of the Benjaminites: Abidan son of Gideoni.

23 His company: thirty-five thousand four hundred men.

24 ’The tribal forces in the camp of Ephraim number in all a hundred and eight thousand one hundred. They will be third to break camp.

25 ’On the north side, the standard of the camp of Dan, unit by unit. Leader of the Danites: Ahiezer son of Ammishaddai.

26 His company: sixty-two thousand seven hundred men.

27 ’Next to him: ’The tribe of Asher. Leader of the Asherites: Pagiel son of Ochran.

28 His company: forty-one thousand five hundred men.

29 ’The tribe of Naphtali. Leader of the Naphtalites: Ahira son of Enan.

30 His company: fifty-three thousand four hundred men.

31 ’The tribal forces in the camp of Dan number in all a hundred and fifty-seven thousand six hundred. They will be the last to break camp. ’All under their appropriate standards.’

32 Such was the tally of the Israelites when the census was taken by families. The full count of the entire camp, unit by unit, came to six hundred and three thousand five hundred and fifty.

33 But, as Yahweh had ordered Moses, the Levites were not included in the census of the Israelites.

34 The Israelites did exactly as Yahweh had ordered Moses. This was how they pitched camp, grouped by standards. This was how they broke camp, each man in his own clan, each man with his own family.

Chapther 03
1 These were the descendants of Aaron and Moses, at the time when Yahweh spoke to Moses on Mount Sinai.

2 These were the names of Aaron’s sons: Nadab the eldest, then Abihu, Eleazar and Ithamar.

3 Such were the names of Aaron’s sons, priests anointed and invested with the powers of the priesthood.

4 Nadab and Abihu died in Yahweh’s presence, in the desert of Sinai, when they offered unauthorised fire before Yahweh. They left no children and so it fell to Eleazar and Ithamar to exercise the priesthood under their father Aaron.

5 Yahweh spoke to Moses and said:

6 ’Muster the tribe of Levi and put it at the disposal of the priest Aaron: they must be at his service.

7 They will undertake the duties incumbent on him and the whole community before the Tent of Meeting, in serving the Dwelling,

8 and they will be in charge of all the furnishings of the Tent of Meeting and undertake the duties incumbent on the Israelites in serving the Dwelling.

9 You will present the Levites to Aaron and his sons as men dedicated; they will be given to him by the Israelites.

10 ’You will register Aaron and his sons, who will carry out their priestly duty. But any unauthorised person who comes near must be put to death.’

11 Yahweh spoke to Moses and said:

12 ’Look, I myself have chosen the Levites from the Israelites instead of all the first-born, those who emerge first from the womb in Israel; the Levites therefore belong to me.

13 For every first-born belongs to me. On the day when I struck down all the first-born in Egypt, I consecrated all the first-born in Israel, human and animal, to be my own. They are mine, Yahweh’s.’

14 Yahweh spoke to Moses in the desert of Sinai and said:

15 ’You must take a census of Levi’s descendants by families and clans; all the males of the age of one month and over will be counted.’

16 At Yahweh’s word Moses took a census of them, as Yahweh had ordered.

17 These were the names of Levi’s sons: Gershon, Kohath and Merari.

18 These were the names of Gershon’s sons by their clans: Libni and Shimei;

19 Kohath’s sons by their clans: Amram, Izhar, Hebron and Uzziel;

20 Merari’s sons by their clans: Mahli and Mushi. These were the clans of Levi, grouped by families.

21 From Gershon were descended the Libnite and Shimeite clans; these were the Gershonite clans.

22 Their full number, counting the males of one month and over, came to seven thousand five hundred.

23 The Gershonite clans pitched their camp behind the Dwelling, on the west side.

24 The leader of the House of Gershon was Eliasaph son of Lael.

25 As regards the Tent of Meeting, the Gershonites had charge of the Dwelling, the Tent and its covering, the screen for the entrance to the Tent of Meeting,

26 the curtaining of the court, the screen for the entrance to the court surrounding the Dwelling and the altar, and the cords required in dealing with all this.

27 From Kohath were descended the Amramite, Izharite, Hebronite and Uzzielite clans; these were the Kohathite clans.

28 Their full number, counting the males of one month and over, came to eight thousand three hundred. They were in charge of the sanctuary.

29 The Kohathite clans pitched their camp on the south side of the Dwelling.

30 The leader of the house of the Kohathite clans was Elizaphan son of Uzziel.

31 They were in charge of the ark, the table, the lamp-stand, the altars, the sacred vessels used in the liturgy, and the curtain with all its fittings.

32 The chief of the Levite leaders was Eleazar, son of Aaron the priest. He supervised the people responsible for the sanctuary.

33 From Merari were descended the Mahlite and Mushite clans; these were the Merarite clans.

34 Their full number, counting the males of one month and over, came to six thousand two hundred.

35 The leader of the House of the Merarite clans was Zuriel, son of Abihail. They pitched their camp on the north side of the Dwelling.

36 The Merarites were in charge of the framework of the Dwelling, with its crossbars, poles, sockets and all its accessories and fittings,

37 and also the poles round the court, with their sockets, pegs and cords.

38 Finally, on the east side, in front of the Dwelling, in front of the Tent of Meeting, towards the east, was the camp of Moses and Aaron and his sons, who had charge of the sanctuary on behalf of the Israelites. Any unauthorised person coming near was to be put to death.

39 The total number of male Levites of the age of one month and over, whom Moses counted by clans as Yahweh had ordered, came to twenty-two thousand.

40 Yahweh said to Moses: ’Take a census of all the first-born of the Israelites, all the males from the age of one month and over; take a census of them by name.

41 You will then present the Levites to me, Yahweh, instead of Israel, and similarly the Levites’ cattle instead of the first-born cattle of the Israelites.’

42 As Yahweh ordered, Moses took a census of all the first-born of the Israelites.

43 The total count, by name, of the first-born from the age of one month and over came to twenty-two thousand two hundred and seventy-three.

44 Yahweh then spoke to Moses and said:

45 ’Take the Levites instead of all the first-born of the Israelites, and the Levites’ cattle instead of their cattle; the Levites will be mine, Yahweh’s.

46 For the ransom of the two hundred and seventy-three first-born of the Israelites in excess of the number of Levites,

47 you will take five shekels for each, by the sanctuary shekel, at twenty gerah to the shekel;

48 you will then give this money to Aaron and his sons as the ransom for the extra number.’

49 Moses took the ransom money for the extra ones unransomed by the Levites;

50 he took the money for the first-born of the Israelites: one thousand three hundred and sixty-five shekels, by the sanctuary shekel;

51 and Moses then handed over their ransom money to Aaron and his sons, at Yahweh’s bidding, as Yahweh had ordered Moses.

Chapther 04
1 Yahweh spoke to Moses and said:

2 ’Take a census by clans and families of the Levites descended from Kohath:

3 all the men between thirty and fifty years of age and eligible for military service, who will have their duties in the Tent of Meeting.

4 ’These are the duties of the Kohathites: looking after those things that are especially holy.

5 ’When camp is broken, Aaron and his sons must come and take down the screening curtain, and cover the ark of the Testimony with it.

6 Over this, they will put a covering of fine leather, over which they will spread a cloth entirely of violet-purple. They will then fix the poles to the ark.

7 ’Over the offertory table they will spread a violet cloth, and on it put the dishes, cups, bowls and libation jars; the bread of permanent offering will also be on it.

8 Over these they will spread a scarlet cloth and cover the whole with a covering of fine leather. They will then fix the poles to the table.

9 ’They will then take a violet cloth and cover the lamp-stand, its lamps, snuffers, trays and all the oil jars used for it,

10 and will lay it and all its accessories in a covering of fine leather and put it on the litter.

11 ’Over the golden altar they will spread a violet cloth, and cover that with a covering of fine leather. They will then fix the poles to it.

12 ’They will then take all the other objects used in the service of the sanctuary, put them in a violet cloth, with a covering of fine leather, and put it all on the litter.

13 ’When they have removed the ashes from the altar, they will spread a scarlet cloth over it,

14 and on this place all the objects used in the liturgy, the fire pans, hooks, scoops, sprinkling basins and all the altar accessories. Over this they will spread a covering of fine leather. They will then fix the poles to it.

15 ’Once Aaron and his sons have finished covering the holy things and all their accessories at the breaking of camp, the Kohathites will come and carry them, but without touching any of the holy things on pain of death. Such is the load for the Kohathites in the Tent of Meeting.

16 But Eleazar, son of Aaron the priest, is responsible for looking after the oil for the light, the fragrant incense, the daily cereal offering and the anointing oil, and for supervising the entire Dwelling and everything in it, the holy things and their accessories.’

17 Yahweh spoke to Moses and said:

18 ’You must not let the group of Kohathite clans be lost to the rest of the Levites.

19 But deal with them in this way, so that they may survive and not incur death by approaching those things that are especially holy. Aaron and his sons will go in and assign to each of them his task and load,

20 in such a way that they have no need to incur the death penalty by going in and setting eyes on the holy things, even for an instant.’

21 Yahweh spoke to Moses and said:

22 ’Take a census of the Gershonites by families and clans, too:

23 all the men between thirty and fifty years of age, eligible for military service, who will have their duties in the Tent of Meeting.

24 ’These are the duties of the Gershonite clans, their functions and their loads.

25 They will carry the curtaining of the Dwelling, the Tent of Meeting with its covering and the covering of fine leather that goes over it, the screen for the entrance to the Tent of Meeting,

26 the curtaining of the court, the screen for the entrance to the court surrounding the Dwelling and the altar, the cords, all the accessories for worship, and all the necessary equipment. ’They will be responsible for these things.

27 All the duties of the Gershonites, their functions and their loads, will be carried out under the direction of Aaron and his sons: you will see that they fulfil their charge.

28 Such are the duties of the Gershonite clans in the Tent of Meeting. Their work will be supervised by Ithamar, son of Aaron the priest.

29 ’You will take a census of the Merarites by clans and families.

30 You will take a census of all the men between thirty and fifty years of age, eligible for military service, who will have their duties in the Tent of Meeting.

31 ’The load they carry and the duties incumbent on them in the Tent of Meeting will be as follows: the framework of the Dwelling, its cross-bars, poles and sockets,

32 the poles round the court with their sockets, pegs, cords and all their tackle. You will draw up a list of their names with the loads for which each is responsible.

33 ’Such are the duties of the Merarite clans. All their duties in the Tent of Meeting will be supervised by Ithamar, son of Aaron the priest.’

34 Moses, Aaron and the leaders of the community took a census of the Kohathites by clans and families:

35 all the men between thirty and fifty years of age, eligible for military service, for duties in the Tent of Meeting.

36 The number of men counted in their clans came to two thousand seven hundred and fifty.

37 Such was the total number of men in the Kohathite clans who were eligible for duties in the Tent of Meeting and whom Moses and Aaron counted at Yahweh’s bidding through Moses.

38 A census was taken of the Gershonites by clans and families:

39 all the men between thirty and fifty years of age, eligible for military service, for duties in the Tent of Meeting.

40 The number of men counted in their clans and families came to two thousand six hundred and thirty.

41 Such was the total number of men in the Gershonite clans who were eligible for duties in the Tent of Meeting, and whom Moses and Aaron counted at Yahweh’s bidding.

42 A census was taken of the Merarite clans by clans and families:

43 all the men between thirty and fifty years of age, eligible for military service, for duties in the Tent of Meeting.

44 The number of men counted in their clans came to three thousand two hundred.

45 Such was the total number of men in the Merarite clans, whom Moses and Aaron counted at Yahweh’s bidding through Moses.

46 The total number of Levites whom Moses, Aaron and the leaders of Israel counted in their clans and families,

47 all the men between thirty and fifty years of age, eligible for religious duties and for those of transporting the Tent of Meeting

48 came to eight thousand five hundred and eighty.

49 At Yahweh’s bidding through Moses, a census was taken of them and each man was assigned his duty and load. And so the census was conducted by Moses as Yahweh had ordered him.

Chapther 05
1 Yahweh spoke to Moses and said:

2 ’Order the Israelites to expel from the camp all those suffering from a contagious skin-disease or from a discharge, or who have become unclean by touching a corpse.

3 Whether man or woman, you will expel them; you will expel them from the camp, so that they do not pollute their encampments, in the heart of which I dwell.’

4 The Israelites did so: they expelled them from the camp. The Israelites did as Yahweh had told Moses.

5 Yahweh spoke to Moses and said,

6 ’Speak to the Israelites: ”If a man or woman commits any of the sins by which people break faith with Yahweh, that person incurs guilt.

7 ”The person must confess the sin committed and restore in full the amount owed, with one-fifth added. Payment is to be made to the person wronged.

8 ”If, however, the latter has no relation to whom restitution can be made, the restitution due to Yahweh reverts to the priest, apart from the ram of expiation with which the priest makes expiation for the guilty party.

9 For of everything the Israelites consecrate and bring to the priest he has a right to the portion set aside.

10 Whatever anyone consecrates is his own; whatever is given to the priest belongs to the priest.” ’

11 Yahweh spoke to Moses and said,

12 ’Speak to the Israelites and say: ”If anyone has a wife who goes astray and is unfaithful to him,

13 if some other man sleeps with the woman without the husband’s knowledge, and she secretly makes herself unclean, without any witness against her, and without anyone catching her in the act;

14 if, then, a spirit of suspicion comes over the husband and makes him suspicious of the wife who has disgraced herself, or again if this spirit of suspicion comes over him and makes him suspicious of his wife even when she is innocent,

15 the man will bring his wife before the priest, and on her behalf make an offering of one-tenth of an ephah of barley meal. He will not pour oil over it or put incense on it, because this is a cereal offering for a case of suspicion, a memorial offering to recall guilt to mind.

16 ”The priest will then bring the woman forward and place her before Yahweh.

17 The priest will then take fresh water in an earthen jar, and on the water throw dust that he has taken from the floor of the Dwelling.

18 After he has placed the woman before Yahweh, he will unbind her hair and put the commemorative cereal offering (that is, the cereal offering for a case of suspicion) into her hands. In his own hands the priest will hold the water of bitterness and cursing.

19 ”The priest will then put the woman on oath. He will say to her: If it is not true that a man has slept with you, that you have gone astray and made yourself unclean while under your husband’s authority, may this water of bitterness and cursing do you no harm.

20 But if it is true that you have gone astray while under your husband’s authority, that you have made yourself unclean and that a man other than your husband has slept with you . . .

21 Here the priest will impose an imprecatory oath on the woman. He will say to her: . . . May Yahweh make you the object of your people’s execration and curses, by making your sexual organs shrivel and your belly swell!

22 May this water of cursing entering your bowels, make your belly swell and your sexual organs shrivel! To which the woman will reply: Amen! Amen!

23 ”Having written these curses on a scroll and washed them off in the water of bitterness,

24 the priest will make the woman drink the water of bitterness and cursing; when the water of cursing enters into her, it will become bitter.

25 ”The priest will then take the cereal offering for a case of suspicion from the woman’s hands, and hold it up before Yahweh with a gesture of offering, and so carry it up to the altar.

26 He will take a handful of it as a memorial and burn it on the altar. ”After this, he will make the woman drink the water.

27 After he has made her drink it, if it is true that she has made herself unclean and been unfaithful to her husband, the water of cursing then entering into her will indeed be bitter: her belly will swell and her sexual organs shrivel, and she will be an object of execration to her people.

28 But if she has not made herself unclean, but is clean, then she will go unscathed and will bear children.

29 ”Such is the ritual in cases of suspicion, when a woman has gone astray and made herself unclean while under her husband’s authority,

30 or when a spirit of suspicion has come over a man and made him suspicious of his wife. When a husband brings such a woman before Yahweh, the priest will apply this ritual to her in full.

31 The husband will be guiltless, but the woman will bear the consequences of her guilt.” ’

Chapther 06
1 Yahweh spoke to Moses and said,

2 ’Speak to the Israelites and say: ”If a man or a woman wishes to make a vow, the nazirite vow, to vow himself to Yahweh,

3 he will abstain from wine and fermented liquor, he will not drink vinegar derived from one or the other, he will not drink grape-juice or eat grapes, be they fresh or dried.

4 For the duration of his vow he will eat nothing that comes from the vine, not even juice of unripe grapes or skins of grapes.

5 As long as he is bound by his vow, no razor will touch his head; until the time for which he has vowed himself to Yahweh is completed, he remains consecrated and will let his hair grow freely.

6 For the entire period of his vow to Yahweh, he will not go near a corpse,

7 he will not make himself unclean for his father or his mother, or his brother or his sister, should they die, since on his head he carries his vow to his God.

8 Throughout the whole of his vow he is a person consecrated to Yahweh.

9 ”If anyone suddenly dies near him, making his vowed hair unclean, he will shave his head on the day he is purified, he will shave his head on the seventh day.

10 On the eighth day, he will bring two turtledoves or two young pigeons to the priest, at the entrance to the Tent of Meeting.

11 The priest will offer one as a sacrifice for sin, and the other as a burnt offering and will then perform for the person the rite of expiation for the pollution which he has contracted from the corpse. He will consecrate his head that same day;

12 he will vow himself to Yahweh for the period of his nazirate, and will bring a male yearling lamb as a sacrifice of reparation. The time already spent will not count, since his hair had become unclean.

13 ”This is the ritual for the nazirite on the day when the period of his vow is completed. He will be led to the entrance of the Tent of Meeting,

14 bringing his offering to Yahweh: an unblemished male yearling lamb as a burnt offering, an unblemished yearling ewe lamb as a sacrifice for sin, an unblemished ram as a peace offering,

15 and a basket of unleavened loaves made of fine flour mixed with oil, and of unleavened wafers spread with oil, with the cereal offerings and libations appropriate to them.

16 The priest, having brought all this before Yahweh, will offer the nazirite’s sin sacrifice and burnt offering.

17 The latter will then offer the ram as a communion sacrifice with the basket of unleavened bread, and the priest will offer the accompanying cereal offering and libation.

18 The nazirite will then shave off his vowed hair at the entrance to the Tent of Meeting and, taking the locks of his vowed head, he will put them in the fire of the communion sacrifice.

19 The priest will take the shoulder of the ram, as soon as it is cooked, with an unleavened cake from the basket, and an unleavened wafer, and put them into the hands of the nazirite once he has shaved off his hair.

20 With these he will make the gesture of offering before Yahweh; as it is a holy thing, it reverts to the priest, in addition to the forequarter that has been presented and the thigh that has been set aside. After this, the nazirite may drink wine.

21 ”Such is the ritual for the nazirite. If, besides his hair, he has also vowed a personal offering to Yahweh, he will (apart from anything else that his means allow) fulfil the vow that he has made, in addition to what the ritual prescribes for his hair.”

22 Yahweh spoke to Moses and said,

23 ’Speak to Aaron and his sons and say: ”This is how you must bless the Israelites. You will say:

24 May Yahweh bless you and keep you.

25 May Yahweh let his face shine on you and be gracious to you.

26 May Yahweh show you his face and bring you peace.”

27 This is how they must call down my name on the Israelites, and then I shall bless them.’

Chapther 07
1 On the day Moses finished erecting the Dwelling, he anointed and consecrated it and all its furniture, as well as the altar and all its equipment. When he had anointed and consecrated it all,

2 the leaders of Israel made an offering; they were the heads of their families, the tribal leaders who had presided over the census.

3 They brought their offering before Yahweh: six covered wagons and twelve oxen, one wagon for every two leaders and one ox each. They brought them in front of the Dwelling.

4 Yahweh spoke to Moses and said,

5 ’Accept these from them, and let them be set apart for the service of the Tent of Meeting. You will give them to the Levites, to each as his duties require.’

6 Moses took the wagons and oxen, and gave them to the Levites.

7 To the Gershonites he gave two wagons and four oxen for the duties they had to perform.

8 To the Merarites he gave four wagons and eight oxen for the duties they had to perform under the direction of Ithamar, son of Aaron the priest.

9 But to the Kohathites he gave none at all, because the sacred charge entrusted to them had to be carried on their shoulders.

10 The leaders then made an offering for the dedication of the altar, on the day it was anointed. They brought their offering before the altar,

11 and Yahweh said to Moses, ’Each day one of the leaders must bring his offering for the dedication of the altar.’

12 On the first day an offering was brought by Nahshon son of Amminadab, of the tribe of Judah.

13 His offering consisted of: one silver bowl weighing a hundred and thirty shekels, one silver sprinkling bowl weighing seventy shekels (sanctuary shekels), both of them full of fine flour mixed with oil as a cereal offering,

14 one golden bowl weighing ten shekels, full of incense,

15 one young bull, one ram and one male yearling lamb as a burnt offering,

16 one he-goat as a sacrifice for sin,

17 and two bulls, five rams, five he-goats and five male yearling lambs as a communion sacrifice. Such was the offering of Nahshon son of Amminadab.

18 On the second day an offering was brought by Nethanel son of Zuar, leader of Issachar.

19 His offering consisted of: one silver bowl weighing a hundred and thirty shekels, one silver sprinkling bowl weighing seventy shekels (sanctuary shekels), both of them full of fine flour mixed with oil as a cereal offering,

20 one golden bowl weighing ten shekels, full of incense,

21 one young bull, one ram and one male yearling lamb as a burnt offering,

22 one he-goat as a sacrifice for sin,

23 and two bulls, five rams, five he-goats and five male yearling lambs as a communion sacrifice. Such was the offering of Nethanel son of Zuar.

24 On the third day an offering was brought by Eliab son of Helon, leader of the Zebulunites.

25 His offering consisted of: one silver bowl weighing a hundred and thirty shekels, one silver sprinkling bowl weighing seventy shekels (sanctuary shekels), both of them full of fine flour mixed with oil as a cereal offering,

26 one golden bowl weighing ten shekels, full of incense,

27 one young bull, one ram and one male yearling lamb as a burnt offering,

28 one he-goat as a sacrifice for sin,

29 and two bulls, five rams, five he-goats and five male yearling lambs as a communion sacrifice. Such was the offering of Eliab son of Helon.

30 On the fourth day an offering was brought by Elizur son of Shedeur, leader of the Reubenites.

31 His offering consisted of: one silver bowl weighing a hundred and thirty shekels, one silver sprinkling bowl weighing seventy shekels (sanctuary shekels), both of them full of fine flour mixed with oil as a cereal offering,

32 one golden bowl weighing ten shekels, full of incense,

33 one young bull, one ram and one male yearling lamb as a burnt offering,

34 one he-goat as a sacrifice for sin,

35 and two bulls, five rams, five he-goats and five male yearling lambs as a communion sacrifice. Such was the offering of Elizur son of Shedeur.

36 On the fifth day an offering was brought by Shelumiel son of Zurishaddai, leader of the Simeonites.

37 His offering consisted of: one silver bowl weighing a hundred and thirty shekels, one silver sprinkling bowl weighing seventy shekels (sanctuary shekels), both of them full of fine flour mixed with oil as a cereal offering,

38 one golden bowl weighing ten shekels, full of incense,

39 one young bull, one ram and one male yearling lamb as a burnt offering,

40 one he-goat as a sacrifice for sin,

41 and two bulls, five rams, five he-goats and five male yearling lambs as a communion sacrifice. Such was the offering of Shelumiel son of Zurishaddai.

42 On the sixth day an offering was brought by Eliasaph son of Reuel, leader of the Gadites.

43 His offering consisted of: one silver bowl weighing a hundred and thirty shekels, one silver sprinkling bowl weighing seventy shekels (sanctuary shekels), both of them full of fine flour mixed with oil as a cereal offering,

44 one golden bowl weighing ten shekels, full of incense,

45 one young bull, one ram and one male yearling lamb as a burnt offering,

46 one he-goat as a sacrifice for sin,

47 and two bulls, five rams, five he-goats and five male yearling lambs as a communion sacrifice. Such was the offering of Eliasaph son of Reuel.

48 On the seventh day an offering was brought by Elishama son of Ammihud, leader of the Ephraimites.

49 His offering consisted of: one silver bowl weighing a hundred and thirty shekels, one silver sprinkling bowl weighing seventy shekels (sanctuary shekels), both of them full of fine flour mixed with oil as a cereal offering,

50 one golden bowl weighing ten shekels, full of incense,

51 one young bull, one ram and one male yearling lamb as a burnt offering,

52 one he-goat as a sacrifice for sin,

53 and two bulls, five rams, five he-goats and five male yearling lambs as a communion sacrifice. Such was the offering of Elishama son of Ammihud.

54 On the eighth day an offering was brought by Gamaliel son of Pedahzur, leader of the Manassehites.

55 His offering consisted of: one silver bowl weighing a hundred and thirty shekels, one silver sprinkling bowl weighing seventy shekels (sanctuary shekels), both of them full of fine flour mixed with oil as a cereal offering,

56 one golden bowl weighing ten shekels, full of incense,

57 one young bull, one ram and one male yearling lamb as a burnt offering,

58 one he-goat as a sacrifice for sin,

59 and two bulls, five rams, five he-goats and five male yearling lambs as a communion sacrifice. Such was the offering of Gamaliel son of Pedahzur.

60 On the ninth day an offering was brought by Abidan son of Gideoni, leader of the Benjaminites.

61 His offering consisted of: one silver bowl weighing a hundred and thirty shekels, one sprinkling bowl weighing seventy shekels (sanctuary shekels), both of them full of fine flour mixed with oil as a cereal offering,

62 one golden bowl weighing ten shekels, full of incense,

63 one young bull, one ram and one male yearling lamb as a burnt offering,

64 one he-goat as a sacrifice for sin,

65 and two bulls, five rams, five he-goats and five male yearling lambs as a communion sacrifice. Such was the offering of Abidan son of Gideoni.

66 On the tenth day an offering was brought by Ahiezer son of Ammishaddai, leader of the Danites.

67 His offering consisted of: one silver bowl weighing a hundred and thirty shekels, one silver sprinkling bowl weighing seventy shekels (sanctuary shekels), both of them full of fine flour mixed with oil as a cereal offering,

68 one golden bowl weighing ten shekels, full of incense,

69 one young bull, one ram and one male yearling lamb as a burnt offering,

70 one he-goat as a sacrifice for sin,

71 and two bulls, five rams, five he-goats and five male yearling lambs as a communion sacrifice. Such was the offering of Ahiezer son of Ammishaddai.

72 On the eleventh day an offering was brought by Pagiel son of Ochran, leader of the Asherites.

73 His offering consisted of: one silver bowl weighing a hundred and thirty shekels, one silver sprinkling bowl weighing seventy shekels (sanctuary shekels), both of them full of fine flour mixed with oil as a cereal offering,

74 one golden bowl weighing ten shekels, full of incense,

75 one young bull, one ram and one male yearling lamb as a burnt offering,

76 one he-goat as a sacrifice for sin,

77 and two bulls, five rams, five he-goats and five male yearling lambs as a communion sacrifice. Such was the offering of Pagiel son of Ochran.

78 On the twelfth day an offering was brought by Ahira son of Enan, leader of the Naphtalites.

79 His offering consisted of: one silver bowl weighing a hundred and thirty shekels, one silver sprinkling bowl weighing seventy shekels (sanctuary shekels), both of them full of fine flour mixed with oil as a cereal offering,

80 one golden bowl weighing ten shekels, full of incense,

81 one young bull, one ram and one male yearling lamb as a burnt offering,

82 one he-goat as a sacrifice for sin,

83 and two bulls, five rams, five he-goats and five male yearling lambs as a communion sacrifice. Such was the offering of Ahira son of Enan.

84 Such were the offerings made by the leaders of Israel for the dedication of the altar on the day it was anointed: twelve silver bowls, twelve silver sprinkling bowls, and twelve golden bowls.

85 Each silver bowl weighed a hundred and thirty shekels, and each sprinkling bowl seventy, the silver of these objects weighing in all two thousand four hundred sanctuary shekels.

86 The twelve golden bowls full of incense each weighed ten shekels (sanctuary shekels), the gold of these bowls weighing in all a hundred and twenty shekels.

87 The sum total of animals for the burnt offering: twelve bulls, twelve rams, twelve male yearling lambs, with their cereal offerings. For the sacrifice for sin, twelve he-goats.

88 The sum total of animals for the communion sacrifice: twenty-four bulls, sixty rams, sixty he-goats and sixty male yearling lambs. Such were the offerings for the dedication of the altar, after it had been anointed.

89 When Moses went into the Tent of Meeting to speak with him, he heard the voice speaking to him from above the mercy-seat on the ark of the Testimony, from between the two great winged creatures. He then spoke to him.

Chapther 08
1 Yahweh spoke to Moses and said:

2 ’Speak to Aaron and say, ”When you set up the lamps, the seven lamps must throw their light towards the front of the lamp-stand.” ’

3 Aaron did this. He set up the lamps to the front of the lamp-stand, as Yahweh had ordered Moses.

4 This lamp-stand was worked in beaten gold, including its stem and its petals, which were also of beaten gold. This lamp-stand had been made according to the pattern Yahweh had shown to Moses.

5 Yahweh spoke to Moses and said,

6 ’Separate the Levites from the Israelites and purify them.

7 This is how you must purify them: you will sprinkle them with purifying water, and they will shave their bodies all over and wash their clothes. They will then be clean.

8 They will then take a young bull, with the accompanying cereal offering of fine flour mixed with oil, and you will take a second young bull for a sacrifice for sin.

9 You will then bring the Levites in front of the Tent of Meeting, and assemble the whole community of Israelites.

10 Once you have brought the Levites before Yahweh, the Israelites will lay their hands on them.

11 Aaron will then offer the Levites, making the gesture of offering before Yahweh on behalf of the Israelites, admitting them to Yahweh’s service.

12 ’The Levites will then lay their hands on the heads of the bulls, one of which you will offer as a sacrifice for sin, and the other as a burnt offering to Yahweh, to perform the rite of expiation for the Levites.

13 Having brought the Levites before Aaron and his sons, you will present them to Yahweh with the gesture of offering.

14 That is how you will set the Levites apart from the Israelites, for them to be mine.

15 The Levites will then begin their ministry in the Tent of Meeting. ’You will purify them and offer them with the gesture of offering

16 because, of the Israelites, they have been dedicated to me in place of all those who first emerge from the womb, instead of the first-born; of all the Israelites, I have taken them for my own.

17 For all the first-born of the Israelites, whether human or animal, do indeed belong to me: the day I struck down all the first-born in Egypt, I consecrated them to myself,

18 and now, in place of all the first-born of the Israelites, I have taken the Levites.

19 Of the Israelites, I give the Levites to Aaron and his sons, as dedicated men, to minister in the Tent of Meeting on behalf of the Israelites and perform the rite of expiation for them, so that no disaster befalls the Israelites when the Israelites come close to the sanctuary.’

20 Moses, Aaron and the whole community of Israelites dealt with the Levites exactly as Yahweh had ordered Moses concerning them; this is what the Israelites did with them.

21 The Levites purified themselves and washed their clothes, and Aaron presented them with the gesture of offering before Yahweh. He then performed the rite of expiation for them to purify them.

22 The Levites were then allowed to perform their ministry in the Tent of Meeting in the presence of Aaron and his sons. As Yahweh had ordered Moses concerning the Levites, so it was done with them.

23 Yahweh spoke to Moses and said:

24 ’This concerns the Levites. From the age of twenty-five onwards, the Levite will exercise his ministry and do duty in the Tent of Meeting.

25 After the age of fifty, he is no longer bound to the ministry; he will have no further duties;

26 but he will still help his brothers to assure the services in the Tent of Meeting, though he himself will no longer have any ministry. That is how you will act as regards the ministry of the Levites.’

Chapther 09
1 Yahweh spoke to Moses, in the desert of Sinai, in the second year after the exodus from Egypt, in the first month, and said:

2 ’The Israelites must keep the Passover at its appointed time.

3 The fourteenth day of this month, at twilight, is the time appointed for you to keep it. You will keep it with all the laws and customs proper to it.’

4 Moses told the Israelites to keep the Passover.

5 They kept it, in the desert of Sinai, in the first month, on the fourteenth day of the month, at twilight. The Israelites did everything as Yahweh had ordered Moses.

6 It happened that some men had become unclean by touching a dead body; they could not keep the Passover that day. They came the same day to Moses and Aaron,

7 and said, ’We have become unclean by touching a dead body. Why should we be excluded from bringing an offering to Yahweh at the proper time with the rest of the Israelites?’

8 Moses replied, ’Wait here until I hear what order Yahweh gives about you.’

9 Yahweh spoke to Moses and said,

10 ’Speak to the Israelites and say: ”Any of you or your descendants who becomes unclean by touching a dead body, or is away on a long journey, can still keep a Passover for Yahweh.

11 Such persons will keep it in the second month, on the fourteenth day, at twilight. They will eat it with unleavened bread and bitter herbs;

12 nothing of it must be left over until morning, nor will they break any of its bones. They will keep it, following the entire Passover ritual.

13 But anyone who is clean, or who is not on a journey, but fails to keep the Passover, such a person will be outlawed from his people. For not having brought the offering to Yahweh at its appointed time, the person will bear the consequences of the sin.

14 ”A resident alien who keeps a Passover for Yahweh, will keep it in accordance with the ritual and customs of the Passover. You will have one law for alien and citizen alike.” ’

15 On the day the Dwelling was erected, the cloud covered the Dwelling, the Tent of the Testimony. From nightfall until morning it remained over the Dwelling looking like fire.

16 So the cloud covered it all the time, and at night it looked like fire.

17 Whenever the cloud rose from the Tent, the Israelites broke camp, and wherever the cloud halted, there the Israelites pitched camp.

18 At Yahweh’s order, the Israelites set out and, at Yahweh’s order, the Israelites pitched camp. They remained in camp for as long as the cloud rested on the Dwelling.

19 If the cloud stayed for many days on the Dwelling, the Israelites performed their duty to Yahweh and did not set out.

20 But if the cloud happened to stay for only a few days on the Dwelling, just as they had pitched camp at Yahweh’s order, at Yahweh’s order they set out.

21 If the cloud happened to remain only from evening to morning, they set out when it lifted the next morning. Or, if it stayed for a whole day and night, they set out only when it lifted.

22 Sometimes it stayed there for two days, a month, or a longer time; however long the cloud rested on the Dwelling, the Israelites remained in camp, and when it lifted they set out.

23 At Yahweh’s order they pitched camp, and at Yahweh’s order they set out. They performed their duty to Yahweh, as Yahweh had ordered through Moses.

Chapther 10
1 Yahweh spoke to Moses and said:

2 ’Make yourself two trumpets; make them of beaten silver, so that you can use them for summoning the community, and for sounding the order to break camp.

3 Whenever they are sounded, the whole community must gather round you, at the entrance to the Tent of Meeting.

4 But if only one trumpet is sounded, then only the leaders, the heads of Israel’s thousands, must gather round you.

5 ’When the trumpet blast is accompanied by a battle cry, the encampments pitched to the east will set out.

6 At the second blast accompanied by a battle cry, the encampments pitched to the south will set out. For breaking camp, the trumpet blast will be accompanied by a battle cry,

7 but for assembling the community the trumpets will be sounded without battle cry.

8 The Aaronite priests will sound the trumpets; this is a perpetual decree for you and your descendants.

9 ’When in your country you go to war against an enemy who is oppressing you, you will sound trumpets with a battle cry, and Yahweh your God will remember you, and you will be delivered from your enemies.

10 At your festivals, solemnities and new-moon feasts, you will sound the trumpets over your burnt offerings and communion sacrifices, so that they recall you to the remembrance of your God. I am Yahweh your God.’

11 In the second year, in the second month, on the twentieth day of the month, the cloud rose from where the Dwelling of the Testimony was,

12 and the Israelites set out, in marching order, from the desert of Sinai. The cloud came to rest in the desert of Paran.

13 These were the men who set out in the vanguard, at Yahweh’s order through Moses:

14 first went the standard of the camp of the Judahites and their units, with Nahshon son of Amminadab commanding that contingent;

15 Nethanel son of Zuar commanding the tribal contingent of the Issacharites;

16 and Eliab son of Helon commanding the tribal contingent of the Zebulunites.

17 The Dwelling was then dismantled and the Gershonites and Merarites set out, carrying the Dwelling.

18 Then came the standard of the camp of the Reubenites and their units, with Elizur son of Shedeur commanding that contingent;

19 Shelumiel son of Zurishaddai commanding the tribal contingent of the Simeonites;

20 and Eliasaph son of Reuel commanding the tribal contingent of the Gadites.

21 Then came the Kohathites carrying the sanctuary (the Dwelling was erected before they arrived).

22 Then came the standard of the camp of the Ephraimites and their units, with Elishama son of Ammihud commanding that contingent;

23 Gamaliel son of Pedahzur commanding the tribal contingent of the Manassehites;

24 and Abidan son of Gideoni commanding the tribal contingent of the Benjaminites.

25 Last of all, the rearguard of all the camps, came the standard of the camp of the Danites and their units, with Ahiezer son of Ammishaddai commanding that contingent;

26 Pagiel son of Ochran commanding the tribal contingent of the Asherites;

27 and Ahira son of Enan commanding the tribal contingent of the Naphtalites.

28 Such was the order of march for the Israelites, unit by unit. So they set out.

29 Moses said to Hobab son of Reuel the Midianite, his father-in-law, ’We are setting out for the country of which Yahweh has said: I shall give it to you. Come with us, and we will treat you well, for Yahweh has promised good things for Israel.’

30 ’I will not come with you,’ he replied, ’but shall go to my own country and kin.’

31 ’Do not leave us,’ Moses said, ’for you know where we can camp in the desert, and so you will be our eyes.

32 If you come with us, we shall share with you whatever blessings Yahweh gives us.’

33 They set out from Yahweh’s mountain and travelled for three days, while the ark of the covenant of Yahweh preceded them on the three-day journey, searching out a place for them to halt.

34 In the daytime, Yahweh’s cloud was over them, once they had broken camp.

35 Whenever the ark set out, Moses would say: Rise, Yahweh, may your enemies be scattered and those who hate you flee at your approach!

36 And when it halted, he would say: Come back, Yahweh, to the countless thousands of Israel!

Chapther 11
1 Now the people began to complain, which was offensive to Yahweh’s ears. When Yahweh heard, his anger was aroused and the fire of Yahweh broke out among them; it devoured one end of the camp.

2 The people appealed to Moses who interceded with Yahweh and the fire died down.

3 So the place was called Taberah, because the fire of Yahweh had broken out among them.

4 The rabble who had joined the people were feeling the pangs of hunger, and the Israelites began to weep again. ’Who will give us meat to eat?’ they said.

5 ’Think of the fish we used to eat free in Egypt, the cucumbers, melons, leeks, onions and garlic!

6 But now we are withering away; there is nothing wherever we look except this manna!’

7 The manna was like coriander seed and had the appearance of bdellium.

8 The people went round gathering it, and ground it in a mill or crushed it with a pestle; it was then cooked in a pot and made into pancakes. It tasted like cake made with oil.

9 When the dew fell on the camp at night-time, the manna fell with it.

10 Moses heard the people weeping, each family at the door of its tent. Yahweh’s anger was greatly aroused; Moses too found it disgraceful,

11 and he said to Yahweh: ’Why do you treat your servant so badly? In what respect have I failed to win your favour, for you to lay the burden of all these people on me?

12 Was it I who conceived all these people, was I their father, for you to say to me, ”Carry them in your arms, like a foster-father carrying an unweaned child, to the country which I swore to give their fathers”?

13 Where am I to find meat to give all these people, pestering me with their tears and saying, ”Give us meat to eat”?

14 I cannot carry all these people on my own; the weight is too much for me.

15 If this is how you mean to treat me, please kill me outright! If only I could win your favour and be spared the sight of my misery!’

16 Yahweh said to Moses, ’Collect me seventy of the elders of Israel, men you know to be the people’s elders and scribes. Bring them to the Tent of Meeting, and let them stand beside you there.

17 I shall come down and talk to you there and shall take some of the spirit which is on you and put it on them. Then they will bear the burden of the people with you, and you will no longer have to bear it on your own.

18 ’And say to the people, ”Purify yourselves for tomorrow and you will have meat to eat, since you have wept in Yahweh’s hearing, saying: Who will give us meat to eat? How happy we were in Egypt! Very well, Yahweh will give you meat to eat.

19 You will eat it not for one day, or two, or five, or ten or twenty,

20 but for a whole month, until it comes out of your nostrils and sickens you, since you have rejected Yahweh who is among you, and have wept before him saying: Why did we ever leave Egypt?” ’

21 Moses said, ’The people round me number six hundred thousand foot soldiers, and you say, ”I shall give them meat to eat for a whole month”!

22 If all the flocks and herds were slaughtered, would that be enough for them? If all the fish in the seas were collected, would that be enough for them?’

23 Yahweh said to Moses, ’Is the arm of Yahweh so short? You shall see whether the promise I have made to you comes true or not.’

24 Moses went out and told the people what Yahweh had said. Then he collected seventy of the people’s elders and stationed them round the Tent.

25 Yahweh descended in the cloud. He spoke to him and took some of the spirit that was on him and put it on the seventy elders. When the spirit came on them they prophesied — but only once.

26 Two men had stayed back in the camp; one was called Eldad and the other Medad. The spirit came down on them; though they had not gone to the Tent, their names were enrolled among the rest. These began to prophesy in the camp.

27 A young man ran to tell Moses this. ’Look,’ he said, ’Eldad and Medad are prophesying in the camp.’

28 Joshua son of Nun, who had served Moses since he was a boy, spoke up and said, ’My lord Moses, stop them!’

29 Moses replied, ’Are you jealous on my account? If only all Yahweh’s people were prophets, and Yahweh had given them his spirit!’

30 Moses then went back to the camp with the elders of Israel.

31 A wind, sent by Yahweh, started blowing from the sea bringing quails which it deposited on the camp. They lay for a distance of a day’s march either side of the camp, two cubits thick on the ground.

32 The people were up all that day and night and all the next day collecting quails: the least gathered by anyone was ten homer; then they spread them out round the camp.

33 The meat was still between their teeth, not even chewed, when Yahweh’s anger was aroused by the people. Yahweh struck them with a very great plague.

34 The name given to this place was Kibroth-ha-Taavah, because it was there that they buried the people who had indulged their greed.

35 From Kibroth-ha-Taavah the people set out for Hazeroth, and at Hazeroth they pitched camp.

Chapther 12
1 Miriam, and Aaron too, criticised Moses over the Cushite woman he had married. He had indeed married a Cushite woman.

2 They said, ’Is Moses the only one through whom Yahweh has spoken? Has he not spoken through us too?’ Yahweh heard this.

3 Now Moses was extremely humble, the humblest man on earth.

4 Suddenly Yahweh said to Moses, Aaron and Miriam, ’Come out, all three of you, to the Tent of Meeting.’ They went, all three of them,

5 and Yahweh descended in a pillar of cloud and stood at the entrance of the Tent. He called Aaron and Miriam and they both came forward.

6 Yahweh said: Listen to my words! if there is a prophet among you, I reveal myself to him in a vision, I speak to him in a dream.

7 Not so with my servant Moses; to him my whole household is entrusted;

8 to him I speak face to face, plainly and not in riddles, and he sees Yahweh’s form. How, then, could you dare to criticise my servant Moses?

9 Yahweh’s anger was aroused by them. He went away,

10 and as soon as the cloud left the Tent, there was Miriam covered with a virulent skin-disease, white as snow! Aaron turned to look at her and saw that she had contracted a virulent skin-disease.

11 Aaron said to Moses: ’Oh, my Lord, please do not punish us for the sin we have been foolish enough to commit.

12 Do not let her be like some monster with its flesh half eaten away when it leaves its mother’s womb!’

13 Moses pleaded with Yahweh. ’O God,’ he said, ’I beg you, please heal her!’

14 Yahweh then said to Moses, ’If her father had done no more than spit in her face, would she not be unclean for seven days? Have her shut out of the camp for seven days, and then have her brought in again.’

15 Miriam was shut out of the camp for seven days. The people did not set out until she returned.

16 Then the people moved on from Hazeroth and pitched camp in the desert of Paran.

Chapther 13
1 Yahweh spoke to Moses and said,

2 ’Send out men, one from each tribe, to reconnoitre the land of Canaan which I am giving the Israelites. Each of them is to be a leading man of the tribe.’

3 At Yahweh’s order, Moses sent them from the desert of Paran. All of them were leading men of Israel.

4 These were their names: For the tribe of Reuben, Shammua son of Zaccur:

5 for the tribe of Simeon, Shaphat son of Hori;

6 for the tribe of Judah, Caleb son of Jephunneh;

7 for the tribe of of Issachar, Igal son of Joseph;

8 for the tribe of Ephraim, Hoshea son of Nun;

9 for the tribe of Benjamin, Palti son of Raphu;

10 for the tribe of Zebulun, Gaddiel son of Sodi;

11 for the tribe of Joseph, for the tribe of Manasseh, Gaddi son of Susi;

12 for the tribe of Dan, Ammiel son of Gemalli;

13 for the tribe of Asher, Sethur son of Michael;

14 for the tribe of Naphtali, Nahbi son of Vophsi;

15 for the tribe of Gad, Geuel son of Machi.

16 Such were the names of the men whom Moses sent to reconnoitre the country. Moses then gave Hoshea son of Nun the name Joshua.

17 Moses sent them to reconnoitre the land of Canaan, ’Go up into the Negeb,’ he said, ’then go up into the highlands.

18 See what sort of country it is, and what sort of people the inhabitants are, whether they are strong or weak, few or many,

19 what sort of land they live on, whether it is good or poor; what sort of towns they live in, whether they are open or fortified;

20 what sort of land it is, fertile or barren, wooded or open. Be bold, and bring back some of the country’s produce.’ It was the season for early grapes.

21 They went up and reconnoitred the country from the desert of Zin to Rehob, the Pass of Hamath.

22 They went up by way of the Negeb as far as Hebron, where Ahiman, Sheshai and Talmai, the Anakim, lived. (Hebron was founded seven years before Tanis in Egypt.)

23 Reaching the Vale of Eshcol, there they lopped off a vine branch with a cluster of grapes, which two of them carried away on a pole, as well as pomegranates and figs.

24 This place was called the Vale of Eshcol after the cluster which the Israelites cut there.

25 After forty days they returned from reconnoitring the country.

26 Making their way to Moses, Aaron and the whole community of Israel, in the desert of Paran, at Kadesh, they made their report to them and the whole community, and displayed the country’s produce.

27 This was the report they gave: ’We made our way into the country where you sent us. It does indeed flow with milk and honey; here is what it produces.

28 At the same time, its inhabitants are a powerful people; the towns are fortified and very big; yes, and we saw the Anakim there.

29 The Amalekites occupy the Negeb area, the Hittites, Jebusites and Amorites the highlands, and the Canaanites the sea coast and the banks of the Jordan.’

30 Caleb called the people round Moses to silence and then said, ’We must march in immediately and take it; we are certainly able to conquer it.’

31 But the men who had been with him said, ’We cannot attack these people; they are stronger than we are.’

32 And they began disparaging to the Israelites the country they had reconnoitred, saying, ’The country we have been to reconnoitre is a country that devours its inhabitants. All the people we saw there were of enormous size.

33 We saw giants there too (the Anakim, descended from the Giants). We felt like grasshoppers, and so we seemed to them.’

Chapther 14
1 The whole community then cried out in dismay, and the people wept all that night.

2 All the Israelites muttered at Moses and Aaron, and the whole community said to them, ’Would to God we had died in Egypt, or even that we had died in this desert!

3 Why has Yahweh brought us to this country, for us to perish by the sword and our wives and children to be seized as booty? Should we not do better to go back to Egypt?’

4 And they said to one another, ’Let us appoint a leader and go back to Egypt.’

5 At this, Moses and Aaron threw themselves on their faces in front of the whole assembled community of Israelites,

6 while Joshua son of Nun and Caleb son of Jephunneh, two of the men who had reconnoitred the country, tore their clothes

7 and addressed the whole community of Israelites as follows, ’The country we went to reconnoitre is a good country, an excellent country.

8 If Yahweh is pleased with us, he will lead us into this country and give it to us. It is a country flowing with milk and honey.

9 But do not rebel against Yahweh or be afraid of the people of the country, for we shall gobble them up. Their protecting shade has deserted them, while we have Yahweh on our side. Do not be afraid of them.’

10 The whole community was talking of stoning them, when the glory of Yahweh appeared to all the Israelites, inside the Tent of Meeting,

11 and Yahweh said to Moses: ’How much longer will these people treat me with contempt? How much longer will they refuse to trust me, in spite of all the signs I have displayed among them?

12 I shall strike them with pestilence and disown them. And of you I shall make a new nation, greater and mightier than they are.’

13 Moses said to Yahweh: ’Suppose the Egyptians hear about this — for by your power you brought these people out of their country-

14 and tell the people living in this country. They have heard that you, Yahweh, are with this people, and that you, Yahweh, show yourself to them face to face; that your cloud stands over them and that you go before them in a pillar of cloud by day and a pillar of fire by night.

15 If you kill this people now as though it were one man, then the nations who have heard about you will say,

16 ”Yahweh was not able to bring this people into the country which he had sworn to give them, and so he has slaughtered them in the desert.”

17 No, my Lord! Now is the time to assert your power as you promised when you said, earlier,

18 ”Yahweh, slow to anger and rich in faithful love, forgiving faults and transgression, and yet letting nothing go unchecked, punishing the parents’ guilt in the children to the third and fourth generation.”

19 In your most faithful love, please forgive this people’s guilt, as you have done from Egypt until now.’

20 Yahweh said, ’I forgive them as you ask.

21 But — as I live, and as the glory of Yahweh fills the whole world-

22 of all these people who have seen my glory and the signs that I worked in Egypt and in the desert, who have put me to the test ten times already and not obeyed my voice,

23 not one shall see the country which I promised to give their ancestors. Not one of those who have treated me contemptuously will see it.

24 However, since my servant Caleb is of another spirit and since he has obeyed me completely, I shall bring him into the country where he has been, and his descendants will own it

25 (the Amalekites and Canaanites occupy the plain). Tomorrow you will turn about and go back into the desert, in the direction of the Sea of Suph.’

26 Yahweh then spoke to Moses and Aaron and said:

27 ’How much longer am I to endure this perverse community muttering against me? I have heard what the Israelites mutter against me.

28 Say to them, ”As I live, Yahweh declares, I shall do to you what I have heard you saying.

29 In this desert your dead bodies will fall, all you who were counted in the census, from the age of twenty years and over who have muttered against me.

30 I swear none of you will enter the country where I swore most solemnly to settle you, except Caleb son of Jephunneh, and Joshua son of Nun.

31 Your children, who you said would be seized as booty, will be the ones whom I shall bring in so that they get to know the country you disdained,

32 but, as for you, your dead bodies will fall in this desert

33 and your children will be nomads in the desert for forty years, bearing the consequences of your faithlessness, until the last one of you lies dead in the desert.

34 For forty days you reconnoitred the country. Each day will count as a year: for forty years you will bear the consequences of your guilt and learn what it means to reject me.”

35 I, Yahweh, have spoken: this is how I swear to treat this entire perverse community united against me. In this desert, to the last man, they shall die.’

36 The men whom Moses had sent to reconnoitre the country and who on their return had incited the whole community of Israel to mutter about him by disparaging it,

37 these men who had disparaged the country were all struck dead before Yahweh.

38 Of the men who had gone to reconnoitre the country, only Joshua son of Nun and Caleb son of Jephunneh were left alive.

39 When Moses told all the Israelites what had been said, the people set up a great outcry.

40 Early next morning they set out for the heights of the hill country saying, ’Look, we will set out for the place about which Yahweh said that we have sinned.’

41 To which, Moses said, ’Why disobey Yahweh’s order? No success will come of doing so.

42 Do not go, for Yahweh is not among you, and you will be defeated by your enemies.

43 For the Amalekites and the Canaanites are ahead of you, and you will be put to the sword, since you have turned away from Yahweh, and Yahweh is not with you.’

44 All the same, they presumptuously set off for the heights of the hill country. Neither the ark of the covenant of Yahweh nor Moses left the camp.

45 The Amalekites and Canaanites living in those highlands then came down, defeated them and harried them all the way to Hormah.

Chapther 15
1 Yahweh spoke to Moses and said,

2 ’Speak to the Israelites and say: ”When you have arrived in the country where you are to live and which I am giving to you,

3 and you burn food as an offering to Yahweh either as a burnt offering or as a sacrifice, whether in payment of a vow, or as a voluntary gift, or on the occasion of one of your solemn feasts, from your herds and flocks as a smell pleasing to Yahweh:

4 the offerer will, as his personal gift to Yahweh, bring a cereal offering of one-tenth of an ephah of fine flour mixed with one-quarter of a hin of oil.

5 You will also make a libation of wine, one-quarter of a hin to each lamb, in addition to the burnt offering or sacrifice.

6 For a ram, you will make a cereal offering of two-tenths of an ephah of fine flour mixed with one-third of a hin of oil,

7 and a libation of one-third of a hin of wine as a smell pleasing to Yahweh.

8 If you offer a bull as a burnt offering or sacrifice, in payment of a vow or as a communion sacrifice for Yahweh,

9 in addition to the animal you will offer a cereal offering of three-tenths of an ephah of fine flour mixed with half a hin of oil,

10 and you will offer a libation of half a hin of wine, as food burnt as a smell pleasing to Yahweh.

11 This will be done for every bull, every ram, every lamb or kid.

12 Whatever the number of victims you intend to offer, you will do the same for each of them, however many there are.

13 ”Every citizen of the country will act in this way whenever he offers food burnt as a smell pleasing to Yahweh;

14 and if an alien residing with you or with your descendants intends to offer food burnt as a smell pleasing to Yahweh, he will do as you do.

15 There will be one law for you, members of the community, and the resident alien alike, a law binding your descendants for ever: before Yahweh you and the resident alien are no different.’

16 One law, one statute, will apply for you and the resident alien.” ’

17 Yahweh spoke to Moses and said,

18 ’Speak to the Israelites and say: ”When you have entered the country to which I am bringing you,

19 you will set a portion aside for Yahweh when you eat that country’s bread.

20 You will set one cake aside as the first-fruits of your dough; you will set this offering aside like the one set aside from your threshing.

21 For all future generations you will set a portion of your dough aside for Yahweh.

22 ”If through inadvertence you fail in any of these orders which Yahweh has given to Moses

23 (whatever orders Yahweh has given you or your descendants through Moses, from the day when Yahweh gave his orders),

24 this is what must be done: ”If it is an inadvertence on the part of the community, the community as a whole will offer a young bull as a burnt offering, as a smell pleasing to Yahweh, with the prescribed accompanying cereal offering and libation, and a he-goat as a sacrifice for sin.

25 The priest will perform the rite of expiation for the entire community of Israelites, and they will be forgiven, since it was an inadvertence. Once they have brought their offering as food burnt for Yahweh, and have presented their sacrifice for sin before Yahweh to make amends for their inadvertence,

26 the whole community of Israelites will be forgiven, as also the alien residing with them, since the entire people acted by inadvertence.

27 ”If it is an individual who has sinned by inadvertence, he will offer a yearling kid as a sacrifice for sin.

28 The priest will perform the rite of expiation before Yahweh for the person who has gone astray owing to this sin of inadvertence and, expiation having been made for him, he will be forgiven;

29 whether he is an Israelite citizen or a resident alien, you will have one law for anyone who sins by inadvertence.

30 ”But the individual who acts deliberately, be he citizen or alien, commits an outrage against Yahweh, and such a man will be outlawed from his people.

31 Since he has treated Yahweh’s word with contempt and has disobeyed his order, such a man will be outlawed absolutely and will bear the consequences of his guilt.” ’

32 While the Israelites were in the desert, a man was caught gathering wood on the Sabbath day.

33 Those who caught him gathering wood brought him before Moses, Aaron and the whole community.

34 He was kept in custody, because the penalty he should undergo had not yet been fixed.

35 Yahweh said to Moses, ’This man must be put to death. The whole community will stone him outside the camp.’

36 The whole community took him outside the camp and stoned him till he was dead, as Yahweh had ordered Moses.

37 Yahweh spoke to Moses and said,

38 ’Speak to the Israelites and tell them, for all generations to come, to put tassels on the hems of their clothes and work a violet thread into the tassel at the hem.

39 You will thus have a tassel, and the sight of it will remind you of all Yahweh’s orders and how you are to put them into practice, and not follow the dictates of your own heart and eyes, which have led you to be unfaithful.

40 ’This will remind you of all my orders; put them into practice, and you will be consecrated to your God.

41 I, Yahweh your God, have brought you out of Egypt, to be your God, I, Yahweh your God.’

Chapther 16
1 Now Korah son of Izhar, son of Kohath the Levite, and the Reubenites Dathan and Abiram sons of Eliab, and On son of Peleth were proud

2 and rebelled against Moses with two hundred and fifty Israelites who were leaders of the community, prominent at the solemn feasts, men of repute.

3 These banded together against Moses and Aaron and said to them, ’You take too much on yourselves! The whole community, all its members, are consecrated, and Yahweh lives among them. Why set yourselves higher than Yahweh’s community?’

4 On hearing this, Moses threw himself on his face.

5 Then he said to Korah and all in his party, ’Tomorrow morning Yahweh will reveal who is his, who the consecrated man whom he will allow to approach him. The one he allows to approach is the one whom he has chosen.

6 This is what you must do: take the censers of Korah and all in his party,

7 put fire in them and put incense in them before Yahweh tomorrow, and the one whom Yahweh chooses will be the consecrated man. Levites, you take too much on yourselves!’

8 Moses then said to Korah, ’Now listen, you Levites!

9 Is it not enough for you that the God of Israel has singled you out of the community of Israel, and called you to be near him, to serve in Yahweh’s Dwelling and to represent the community by officiating on its behalf?

10 He has called you to be near him, you and all your brother Levites with you, and now you want to be priests as well!

11 For which reason, you and all in your party have banded together against Yahweh himself: for what is Aaron, that you should mutter against him?’

12 Moses then summoned Dathan and Abiram sons of Eliab. They replied, ’We will not come.

13 Is it not enough for you to have brought us away from a country flowing with milk and honey to kill us in the desert, without your making yourself our absolute ruler?

14 What is more, you have not brought us to a country flowing with milk and honey and you have not given us fields and vineyards for our heritage. Do you think you can hoodwink these people? We will not come.’

15 Moses flew into a rage and said to Yahweh, ’Disregard their cereal offering! I have not taken so much as a donkey from them, nor have I wronged any of them.’

16 Moses said to Korah, ’You and all your party, come before Yahweh tomorrow, you and they, and Aaron too.

17 Each will take his censer, put incense in it, and bring his censer before Yahweh — two hundred and fifty censers. You and Aaron too will each bring his censer.’

18 Each of them took his censer, put fire in it and placed incense on it, and stood at the entrance to the Tent of Meeting with Moses and Aaron.

19 Then, Korah having assembled the whole community to confront them at the entrance to the Tent of Meeting, the glory of Yahweh appeared to the whole community.

20 Yahweh then spoke to Moses and Aaron. He said,

21 ’Get away from this community. I am going to destroy them here and now.’

22 They threw themselves on their faces and cried out, ’O God, God of the spirits that give life to every living thing, will you be angry with the whole community because one man has sinned?’

23 Yahweh then said to Moses,

24 ’Speak to the community and say, ”Stand well clear of Korah’s tent.” ’

25 Moses stood up and went to Dathan and Abiram; the elders of Israel followed him.

26 He spoke to the community and said, ’Stand away, I tell you, from the tents of these sinners, and touch nothing that belongs to them, for fear that with all their sins you too will be swept away.’

27 So they moved away from Korah’s tent. Dathan and Abiram had come out and were standing at their tent doors, with their wives, their sons and their little ones.

28 Moses said, ’This is how you will know that Yahweh himself has sent me to perform all these tasks and that I am not doing them of my own accord.

29 If these people die a natural death such as people commonly die, then Yahweh has not sent me.

30 But if Yahweh does something utterly new, if the earth should open its mouth and swallow them and all their belongings, so that they go down alive to Sheol, then you will know that they held Yahweh in contempt.’

31 The moment he finished saying all this, the ground split apart under their feet,

32 the earth opened its mouth and swallowed them, their families, all Korah’s people and all their property.

33 They went down alive to Sheol with all their belongings. The earth closed over them and they disappeared in the middle of the community.

34 At their cries, all the Israelites round them took to their heels, saying, ’We do not want the earth to swallow us too!’

35 Fire then shot out from Yahweh and consumed the two hundred and fifty men offering incense.

Chapther 17
1 Yahweh then spoke to Moses and said,

2 ’Tell Eleazar son of Aaron the priest to pick the censers out of the smouldering remains and scatter the fire from them away from here,

3 for these sinful censers have become sanctified at the price of human lives. Since they were brought before Yahweh and thus became consecrated, they must be hammered into sheets to cover the altar. They will be an object-lesson to the Israelites.’

4 The priest Eleazar took the bronze censers which had been carried by the men destroyed by the fire. They were hammered into sheets to cover the altar.

5 They are a reminder to the Israelites that no unauthorised person, no one not of Aaron’s line, may approach and offer incense before Yahweh, on pain of suffering the fate of Korah and his party, as Yahweh had said through Moses.

6 On the following day, the whole community of Israelites were muttering against Moses and Aaron and saying, ’You are responsible for killing Yahweh’s people!’

7 Now, as the community was banding together against Moses and Aaron, they turned towards the Tent of Meeting, and there was the cloud covering it, and the glory of Yahweh appeared.

8 Moses and Aaron then went to the front of the Tent of Meeting.

9 Yahweh spoke to Moses and said,

10 ’Get away from this community. I am going to destroy them here and now.’ They threw themselves on their faces.

11 Moses then said to Aaron, ’Take a censer, put fire in it from the altar, place incense on it and hurry to the community to perform the rite of expiation for them: for retribution has come from Yahweh, plague has broken out.’

12 Aaron took it as Moses said and ran into the middle of the community, but plague had already broken out among the people. He put in the incense and performed the rite of expiation for the people.

13 Then he stood between the living and the dead, and the plague stopped.

14 There were fourteen thousand seven hundred victims of the plague, apart from those who died because of Korah.

15 Aaron then went back to Moses at the entrance to the Tent of Meeting; the plague had been halted.

16 Yahweh spoke to Moses and said,

17 ’Tell the Israelites to give you a branch for each of their families, one for each leader of each family: twelve branches. Write the name of each on his branch;

18 and on the branch of Levi write Aaron’s name, since the head of the Levite families must have a branch too.

19 You will then put them inside the Tent of Meeting in front of the Testimony, where I make myself known to you.

20 The man whose branch sprouts will be the one I have chosen; this is how I shall put an end to the mutterings of the Israelites about you.’

21 Moses spoke to the Israelites, and all their leaders gave him one branch each, twelve branches in all for their families; Aaron’s branch was among them.

22 Moses placed them before Yahweh in the Tent of the Testimony.

23 On the following day Moses went to the Tent of the Testimony and there, already sprouting, was Aaron’s branch, representing the House of Levi; buds had formed, flowers had bloomed and almonds had already ripened.

24 Moses then brought out all the branches from before Yahweh to all the Israelites; they examined them and each one took back his own branch.

25 Yahweh then said to Moses, ’Put Aaron’s branch back in front of the Testimony, where it will have its ritual place as a warning to the rebellious; thus you will rid me of their muttering for good, without their incurring death.’

26 Moses did as Yahweh had ordered. That is what he did.

27 The Israelites then said to Moses, ’We are lost! We are dead men! We are all dead men!

28 Anyone who approaches Yahweh’s Dwelling with an offering will die. Are we to be doomed to the last man?’

Chapther 18
1 Yahweh then said to Aaron: ’You, your sons and your ancestor’s line with you will be answerable for offences against the sanctuary. You and your sons with you will be answerable for the offences of your priesthood.

2 You will admit your brothers of the branch of Levi, your ancestor’s tribe, to join you and serve you, yourself and your sons, before the Tent of the Testimony.

3 They must be at your service and the service of the whole Tent. Provided they do not come near the sacred vessels or the altar, they will be in no more danger of death than you.

4 They must join you, they must take charge of the Tent of Meeting for the entire ministry of the Tent, and no unauthorised person will come near you.

5 You will take charge of the sanctuary and charge of the altar, and retribution will never again befall the Israelites.

6 Of the Israelites, I myself have chosen your brothers the Levites as a gift to you. As men dedicated, they will belong to Yahweh, to serve at the Tent of Meeting.

7 You and your sons will undertake the priestly duties in all that concerns the altar and all that lies behind the curtain. You will perform the liturgy, the duties of which I entrust to your priesthood. But an unauthorised person approaching will incur death,’

8 Yahweh said to Aaron: ’I myself have put you in charge of everything set aside for me. Everything consecrated by the Israelites I give to you and your sons as your portion by perpetual decree.

9 Of the things especially holy, of the food offered, this is what will revert to you: every offering that the Israelites give back to me, whether it be a cereal offering, a sacrifice for sin or a sacrifice of reparation, is a thing especially holy and will revert to you and your sons.

10 You will eat the things especially holy. Every male may eat them. You will regard them as sacred.

11 ’To you will revert also whatever is set aside from the offerings of the Israelites, whatever is held out with the gesture of offering; this I give to you and your sons and daughters, by perpetual decree. All members of your household may eat it unless they are unclean.

12 All the best of the oil, all the best of the new wine and wheat, these first-fruits offered by them to Yahweh I give to you.

13 All the first produce of the country brought by them to Yahweh will revert to you. All members of your household may eat it unless they are unclean.

14 Everything in Israel put under the curse of destruction will revert to you.

15 Every first-born of all creatures brought to Yahweh, human or animal, will revert to you, but you will have to redeem the first-born of man; you will also redeem the first-born of an unclean animal.

16 You will redeem it in the month in which it is born, valuing it at five shekels, at the sanctuary shekel, which is twenty gerah.

17 But you will not redeem the first-born of cow, sheep and goat. They are holy: you will sprinkle their blood on the altar and burn the fat as food burnt to be a smell pleasing to Yahweh;

18 the meat will revert to you, as will the forequarter that has been presented with the gesture of offering, and the right thigh.

19 Everything the Israelites set aside for Yahweh from the holy things, I give to you and your sons and daughters, by perpetual decree. This is a covenant of salt for ever before Yahweh, for you and your descendants too.’

20 Yahweh said to Aaron: ’You will have no heritage in their country, you will not have a portion like them; I shall be your portion and your heritage among the Israelites.

21 ’Look, as heritage I give the Levites all the tithes collected in Israel, in return for their services, for the ministry they render in the Tent of Meeting.

22 The Israelites will no longer approach the Tent of Meeting, on pain of committing a deadly sin.

23 Levi will discharge the duties of the Tent of Meeting, and the Levites will bear the consequences of their own guilt. This is a perpetual decree binding all your descendants: the Levites will have no heritage among the Israelites,

24 for the tithe which the Israelites set aside for Yahweh is the heritage I have given the Levites. This is why I have told them that they will have no heritage among the Israelites.’

25 Yahweh spoke to Moses and said,

26 ’Speak to the Levites and say: ”When from the Israelites you receive the tithe which I have given you from them as your heritage, you will set a portion of this aside for Yahweh: a tithe of the tithe.

27 It will take the place of the portion set aside that is due from you, like the wheat from the threshing-floor and new wine from the press.

28 Thus you too will set a portion aside for Yahweh out of all the tithes you receive from the Israelites. You will give what you have set aside for Yahweh to the priest Aaron.

29 Out of all the gifts you receive, you will set a portion aside for Yahweh. Out of all these things, you will set aside the best, the sacred portion.”

30 ’You will say to them, ”After you have set the best aside, the remainder will take the place, in the Levites’ case, of the produce of the threshing-floor and wine-press.

31 You may consume this anywhere, you and the members of your households; this is your recompense for serving in the Tent of Meeting,

32 and you will not incur sin by doing so, once you have set aside the best; you will not be profaning the things consecrated by the Israelites and will not incur death.” ’

Chapther 19
1 Yahweh spoke to Moses and Aaron and said:

2 ’This is a decree of the Law which Yahweh has prescribed. Tell the Israelites, they are to bring you a red heifer without fault or blemish that has never borne the yoke.

3 You will give it to the priest Eleazar. It will then be taken outside the camp and slaughtered in his presence.

4 The priest Eleazar will then take some of the victim’s blood on his finger, and sprinkle this blood seven times towards the entrance to the Tent of Meeting.

5 The heifer will then be burnt while he looks on; its hide, flesh, blood and offal will be burnt.

6 The priest will then take some cedar wood, hyssop and scarlet material and throw them on the fire where the heifer is burning.

7 He will then wash his clothes and bathe himself; after which he will go back to the camp, though he will remain unclean until evening.

8 The man who has burnt the heifer will wash his clothes and bathe himself and will remain unclean until evening.

9 The man who gathers up the ashes of the heifer must be ritually clean; he will deposit them outside the camp, in a clean place. They will be kept for the ritual use of the Israelite community for making water for purification; it is a sacrifice for sin.

10 The man who has gathered up the ashes of the heifer will wash his clothes and remain unclean until evening. For the Israelites as for the resident alien, this will be a perpetual decree.

11 ’Anyone who touches the corpse of anyone whatever will be unclean for seven days.

12 Such a person must be purified with these waters on the third and seventh day and will then be clean; otherwise he will not be clean.

13 Anyone who touches the corpse of anyone who has died and is not purified, defiles Yahweh’s Dwelling; such a person will be outlawed from Israel, since the water for purification has not been sprinkled over him; he is unclean, and his uncleanness remains in him.

14 ’This is the law when someone dies in a tent. Anyone who goes into the tent, or anyone who is already in it, will be unclean for seven days,

15 and every open vessel with no cover tied over it will also be unclean.

16 ’Anyone in the open country who touches a murder victim, a corpse, human bones or a grave will be unclean for seven days.

17 ’For someone thus unclean, some of the ashes of the victim burnt as a sacrifice for sin will be taken and spring water must be poured over them, in a vessel.

18 Someone who is ritually clean will then take some hyssop and dip it in the water. This person will then sprinkle the tent, all the vessels and people who were there, and similarly anyone who has touched human bones, a murder victim, a corpse or a grave.

19 On the third and the seventh day the clean one will sprinkle the unclean, who on the seventh day will be clean. The latter will then wash his clothes and bathe in water, and in the evening he will be clean.

20 Anyone who fails to be purified in this way will be outlawed from the community, and would defile Yahweh’s sanctuary. Such a person is unclean, not having been sprinkled with the water for purification.

21 ’This will be a perpetual decree for them. The person who sprinkles the water for purification will wash his clothes, and anyone who touches the water for purification will be unclean until evening.

22 Anything that an unclean person touches will be unclean, and anyone who touches it will be unclean until evening.’

Chapther 20
1 The Israelites, the whole community, arrived in the first month at the desert of Zin. The people settled at Kadesh. There Miriam died and was buried.

2 There was no water for the community, so they banded together against Moses and Aaron.

3 The people laid the blame on Moses. ’We would rather have died’, they said, ’as our brothers died before Yahweh!

4 Why have you brought Yahweh’s community into this desert, for us and our livestock to die here?

5 Why did you lead us out of Egypt, only to bring us to this wretched place? It is a place unfit for sowing, it has no figs, no vines, no pomegranates, and there is not even water to drink!’

6 Leaving the assembly, Moses and Aaron went to the entrance of the Tent of Meeting. They threw themselves on their faces, and the glory of Yahweh appeared to them.

7 Yahweh then spoke to Moses and said,

8 ’Take the branch and call the community together, you and your brother Aaron. Then, in full view of them, order this rock to release its water. You will release water from the rock for them and provide drink for the community and their livestock.’

9 Moses took up the branch from before Yahweh, as he had directed him.

10 Moses and Aaron then called the assembly together in front of the rock. He then said to them, ’Listen now, you rebels. Shall we make water gush from this rock for you?’

11 Moses then raised his hand and struck the rock twice with the branch; water gushed out in abundance, and the community and their livestock drank.

12 Yahweh then said to Moses and Aaron, ’Because you did not believe that I could assert my holiness before the Israelites’ eyes, you will not lead this assembly into the country which I am giving them.’

13 These were the Waters of Meribah, where the Israelites laid the blame on Yahweh and where, by their means, he asserted his holiness.

14 Moses sent messengers from Kadesh: ’To the king of Edom. Your brother Israel says this: You are aware of the great hardships we have encountered.

15 Our ancestors went down to Egypt and there we stayed for a long time. But the Egyptians treated us badly, as they had our ancestors.

16 When we appealed to Yahweh, he heard our cry and, sending an angel, brought us out of Egypt, and here we are, now, at Kadesh, a town on the borders of your territory.

17 We ask permission to pass through your country. We shall not go through the fields or vineyards; we shall not drink the water from the wells; we shall keep to the king’s highway without turning to right or left until we have passed through your territory.

18 To which, Edom replied, ’You will not pass through my country; if you do, I shall oppose you by force of arms.’

19 To which the Israelites replied, ’We shall keep to the high road; if I and my flocks drink any of your water, I am willing to pay for it. All I am asking is to pass through on foot.’

20 Edom replied: ’You shall not pass,’ and Edom opposed them in great numbers and great force.

21 At Edom’s refusal to grant Israel passage through his territory, Israel turned away.

22 They set out from Kadesh, and the Israelites, the whole community, came to Mount Hor.

23 Yahweh spoke to Moses and Aaron at Mount Hor, on the frontier of Edom, and said,

24 ’Aaron is to be gathered to his people; he will not enter the country which I have given to the Israelites, since you both disobeyed my order at the Waters of Meribah.

25 Take Aaron and his son Eleazar and bring them up Mount Hor.

26 Then take Aaron’s robes off him and dress his son Eleazar in them. Aaron will then be gathered to his people; that is where he will die.’

27 Moses did as Yahweh ordered. With the whole community watching, they went up Mount Hor.

28 Moses took Aaron’s robes off him and dressed his son Eleazar in them, and there Aaron died, on the mountain-top. Moses and Eleazar then came back down the mountain.

29 The whole community saw that Aaron had died, and for thirty days the whole House of Israel mourned for Aaron.

Chapther 21
1 The king of Arad, the Canaanite living in the Negeb, learned that Israel was coming by way of Atharim. He attacked Israel and took some prisoners.

2 Israel then made this vow to Yahweh, ’If you deliver this people into my power, I shall curse their towns with destruction.’

3 Yahweh heard Israel’s words and delivered the Canaanites into their power, and they destroyed them in accordance with their curse. Hence the place was given the name Hormah.

4 They left Mount Hor by the road to the Sea of Suph, to skirt round Edom. On the way the people lost patience.

5 They spoke against God and against Moses, ’Why did you bring us out of Egypt to die in the desert? For there is neither food nor water here; we are sick of this meagre diet.’

6 At this, God sent fiery serpents among the people; their bite brought death to many in Israel.

7 The people came and said to Moses, ’We have sinned by speaking against Yahweh and against you. Intercede for us with Yahweh to save us from these serpents.’ Moses interceded for the people,

8 and Yahweh replied, ’Make a fiery serpent and raise it as a standard. Anyone who is bitten and looks at it will survive.’

9 Moses then made a serpent out of bronze and raised it as a standard, and anyone who was bitten by a serpent and looked at the bronze serpent survived.

10 The Israelites set out and camped at Oboth.

11 Then they left Oboth and camped at Iye-Abarim, in the desert on the eastern border of Moab.

12 They set out from there and camped in the gorge of the Zered.

13 They set out from there and camped on the other side of the Arnon. This gorge in the desert begins in the territory of the Amorites. For the Arnon is the frontier of Moab, between the Moabites and the Amorites.

14 That is why it says in the Book of the Wars of Yahweh: ’. . .Waheb near Suphah and the gorges of the Arnon

15 and the slope of the ravine running down to the site of Ar and over against the frontier of Moab.’

16 And from there they went to Beer, that being the well in connection with which Yahweh had said to Moses, ’Call the people together and I will give them water.’

17 Then it was that Israel sang this song: Spring up, well! Sing out for the well,

18 sunk by the princes, dug by the people’s leaders with the sceptre, with their staves! -and from the desert to Mattanah,

19 and from Mattanah to Nahaliel, and from Nahaliel to Bamoth,

20 and from Bamoth to the valley that opens into the country of Moab, towards the heights of Pisgah overlooking the desert.

21 Israel sent messengers to say to Sihon king of the Amorites,

22 ’I wish to pass through your country. We shall not stray into the fields or vineyards; we shall not drink the water from the wells; we shall keep to the king’s highway until we have passed through your territory.’

23 But Sihon would not give Israel leave to pass through his country. He assembled all his people, marched into the desert to meet Israel, and reached Jahaz, where he gave battle to Israel.

24 Israel defeated him by force of arms and conquered his country from the Arnon to the Jabbok, as far as the Ammonites, for Jazer marked the Ammonite frontier.

25 Israel took all these towns. Israel occupied all the Amorite towns, Heshbon and all its dependencies,

26 Heshbon being the capital of Sihon king of the Amorites, who had made war on the first king of Moab and captured all his territory as far as the Arnon.

27 Hence the poets say: Come to Heshbon! Let the city of Sihon be rebuilt on firm foundations!

28 For fire has burst from Heshbon, a flame from the city of Sihon, devouring Ar of Moab, engulfing the heights of the Arnon.

29 Oh, unhappy Moab! People of Chemosh, you are lost! He has resigned his sons as fugitives, and his daughters as prisoners to Sihon king of the Amorites.

30 Their posterity has been destroyed from Heshbon all the way to Dibon, and we have lit a fire all the way from Nophah to Medeba.

31 Thus Israel occupied the Amorites’ territory.

32 Moses then sent men to reconnoitre Jazer, and Israel took it and its dependencies, evicting the Amorites who lived there.

33 They then turned and marched on Bashan. Og king of Bashan and all his people marched to meet them and give battle at Edrei.

34 Yahweh said to Moses, ’Do not be afraid of him, for I have put him, all his people and his country at your mercy. Treat him as you treated Sihon king of the Amorites, who lived in Heshbon.’

35 So they pressed their attack against him, his sons and all his people until there was no one left alive. And they took possession of his country.

Chapther 22
1 The Israelites then set out and pitched their camp in the Plains of Moab, beyond the Jordan opposite Jericho.

2 Balak son of Zippor saw all that Israel had done to the Amorites,

3 and Moab was terrified of the people, because there were so many of them. Moab was afraid of the Israelites;

4 he said to the elders of Midian, ’This horde will soon have cropped everything round us as closely as an ox crops grass in the countryside.’ Now Balak son of Zippor was king of Moab at the time.

5 He sent messengers to summon Balaam son of Beor, at Pethor on the River, in the territory of the Amawites, saying, ’Look, a people coming from Egypt has overrun the whole countryside; they have halted at my very door.

6 I beg you come and curse this people for me, for they are stronger than I am. We may then be able to defeat them and drive them out of the country. For this I know: anyone you bless is blessed, anyone you curse is accursed.’

7 The elders of Moab and the elders of Midian set out, taking the fee for the divination with them. They found Balaam and gave him Balak’s message.

8 He said to them, ’Stay the night here, and I will answer as Yahweh directs me.’ So the chiefs of Moab stayed with Balaam.

9 God came to Balaam and said, ’Who are these men staying with you?’

10 Balaam said to God, ’Balak son of Zippor, king of Moab, has sent me this message,

11 ”Look, a people coming from Egypt has overrun the whole countryside. Come now and curse them for me; I may then be able to defeat them and drive them out.” ’

12 God said to Balaam, ’You are not to go with them. You are not to curse the people, for they are blessed.’

13 In the morning Balaam got up and said to the chiefs sent by Balak, ’Go back to your country, for Yahweh will not let me go with you.’

14 So the chiefs of Moab got up, went back to Balak and said, ’Balaam refuses to come with us.’

15 And again Balak sent chiefs, more numerous and more renowned than the first.

16 They came to Balaam and said, ’A message from Balak son of Zippor, ”Now do not refuse to come to me.

17 I will load you with honours and do whatever you say. I beg you come and curse this people for me.” ’

18 In reply, Balaam said to Balak’s envoys, ’Even if Balak gave me his house full of silver and gold, I could not go against the order of Yahweh my God in anything, great or small.

19 Now please stay the night here yourselves, and I will learn what else Yahweh has to tell me.’

20 God came to Balaam during the night and said to him, ’Have not these men come to summon you? Get up, go with them, but do only what I tell you to do.’

21 Balaam got up and saddled his donkey and set out with the chiefs of Moab.

22 His going kindled Yahweh’s anger, and the angel of Yahweh took his stand on the road to bar his way. Balaam was riding his donkey and his two servants were with him.

23 Now the donkey saw the angel of Yahweh standing in the road with a drawn sword in his hand, and she turned off the road into the open country. Balaam then struck the donkey to turn her back onto the road.

24 The angel of Yahweh then went and stood on a narrow path among the vineyards, with a wall to the right and a wall to the left.

25 The donkey saw the angel of Yahweh and scraped against the wall, scraping Balaam’s foot against it, so he struck her again.

26 The angel of Yahweh then moved and stood in a place so narrow that there was no room to pass either to right or left.

27 When the donkey saw the angel of Yahweh, she lay down under Balaam. Balaam flew into a rage and struck the donkey with his stick.

28 Yahweh then gave the donkey the power to talk, and she said to Balaam, ’What harm have I done you, for you to strike me three times like this?’

29 Balaam answered the donkey, ’Because you have been making a fool of me! If I had been carrying a sword, I should have killed you by now.’

30 The donkey said to Balaam, ’Am I not your donkey, and have I not been your mount all your life? Have I ever behaved like this with you before?’ ’No,’ he replied.

31 Yahweh then opened Balaam’s eyes and he saw the angel of Yahweh standing in the road with a drawn sword in his hand; and he bowed his head and threw himself on his face.

32 And the angel of Yahweh said to him, ’Why did you strike your donkey three times like that? I myself had come to bar your way; while I am here your road is blocked.

33 The donkey saw me and turned aside because of me three times. You are lucky she did turn aside, or I should have killed you by now, though I would have spared her.’

34 Balaam said to the angel of Yahweh, ’I have sinned. I did not know you were standing in the road to stop me. But if what I am doing displeases you, I will go home again.’

35 The angel of Yahweh said to Balaam, ’Go with these men, but say only what I tell you to say.’ So Balaam went on with the chiefs sent by Balak.

36 Balak learned that Balaam was coming and went out to meet him, in the direction of Ar in Moab, at the Arnon frontier on the country’s furthest boundary.

37 Balak said to Balaam, ’Did I not send messengers to summon you? Why did you not come to me? Did you think, perhaps, I could confer no honours on you?’

38 Balaam said to Balak, ’I have come to you after all. I suppose you know I cannot say anything on my own? The words God puts into my mouth are what I shall say.’

39 Balaam set out with Balak. They came to Kiriath-Huzoth.

40 Balak sacrificed oxen and sheep, and offered portions to Balaam and the chiefs who were with him.

41 Next morning Balak took Balaam and brought him up to Bamoth-Baal, from where he could see the edge of the camp.

Chapther 23
1 Balaam said to Balak, ’Build me seven altars here and prepare me seven bulls and seven rams.’

2 Balak did as Balaam said and offered a burnt offering of one bull and one ram on each altar.

3 Balaam then said to Balak, ’Stand beside your burnt offerings while I go away. Perhaps Yahweh will come and meet me. If he does, I shall tell you whatever he reveals to me.’ And he withdrew to a bare hill.

4 God came to meet Balaam, who said to him, ’I have prepared the seven altars and offered a burnt offering of one bull and one ram on each altar.’

5 Yahweh then put a prophecy into his mouth and said to him, ’Go back to Balak, and that is what you must say to him.’

6 So Balaam went back to him, and found him still standing beside his burnt offering, with all the chiefs of Moab.

7 He then declaimed his poem as follows: Balak has brought me from Aram, the king of Moab from the hills of Kedem: ’Come and curse Jacob for me, come and denounce Israel!’

8 How shall I curse someone whom God has not cursed, how denounce someone God has not denounced?

9 Yes, from the top of the crags I see him, from the hills I descry him: a people that dwells on its own, not to be reckoned among other nations!

10 Who can count the dust of Jacob? Who can number the cloud of Israel? May I die the death of the just, and may my future be like theirs!

11 Balak said to Balaam, ’What have you done to me? I brought you to curse my enemies, and you have heaped blessings on them!’

12 Balaam replied, ’Am I to depart from what Yahweh puts into my mouth?’

13 Balak then said, ’Please come somewhere else. From here you can see only the fringe of them, you cannot see them all. Curse them for me over there.’

14 He led him to the Lookouts’ Field on the top of Pisgah. There he built seven altars and offered a burnt offering of one bull and one ram on each altar.

15 Balaam said to Balak, ’Stand here beside your burnt offerings while I wait over there.’

16 God came to meet Balaam, he put a prophecy into his mouth and said to him, ’Go back to Balak, and that is what you must say to him.’

17 So Balaam went to him and found him still standing beside his burnt offering and all the chiefs of Moab with him. ’What did Yahweh say?’ Balak said to him.

18 Balaam then declaimed his poem, as follows: Stand up, Balak, and listen, give ear to me, son of Zippor.

19 God is no human being that he should lie, no child of Adam to change his mind. Is it his to say and not to do, is it his to speak and not fulfil?

20 The charge laid on me is to bless, I shall bless, and I cannot reverse it.

21 I have perceived no guilt in Jacob, have seen no perversity in Israel. Yahweh his God is with him, and a royal acclamation to greet him.

22 God has brought him out of Egypt, is like the wild ox’s horns to him.

23 There is no omen whatever against Jacob, no augury at all against Israel. Well may people say of Jacob, of Israel, ’What has God achieved?’

24 for here is a people like a lioness rising, poised like a lion to spring; nor will he lie down till he has devoured his prey and drunk the blood of his slain.

25 Balak said to Balaam, ’Very well! Do not curse them. But at least do not bless them!’

26 Balaam retorted to Balak, ’Did I not tell you? Whatever Yahweh says, I must do.’

27 Balak then said to Balaam, ’Come with me now and I shall take you somewhere else. From there perhaps it will please God to curse them for me.’

28 So Balak led Balaam to the summit of Peor, overlooking the wastelands.

29 Balaam then said to Balak, ’Build me seven altars here and prepare me seven bulls and seven rams.’

30 Balak did as Balaam said and offered a burnt offering of one bull and one ram on each altar.

Chapther 24
1 Balaam then saw that it pleased Yahweh to bless Israel. He did not go as before to seek omens but turned towards the desert.

2 Raising his eyes Balaam saw Israel settled tribe by tribe; the spirit of God came on him

3 and he declaimed his poem, as follows: The prophecy of Balaam son of Beor, the prophecy of the man with far-seeing eyes,

4 the prophecy of one who hears the words of God. He sees what Shaddai makes him see, receives the divine answer, and his eyes are opened.

5 How fair your tents are, Jacob, how fair your dwellings, Israel,

6 like valleys that stretch afar, like gardens by the banks of a river, like aloes planted by Yahweh, like cedars beside the waters!

7 A hero arises from their stock, he reigns over countless peoples. His king is greater than Agag, and his kingship held in honour.

8 God has brought him out of Egypt, is like the wild ox’s horns to him. He devours the corpses of his enemies, breaking their bones, piercing them with his arrows.

9 He has crouched, he has lain down, like a lion, like a lioness; who dare rouse him? Blessed be those who bless you, and accursed be those who curse you!

10 Balak flew into a rage with Balaam. He struck his hands together and said to Balaam, ’I brought you to curse my enemies, and you have insisted on blessing them three times over!

11 So now go home as fast as your legs can carry you. I promised to load you with honours. Yahweh himself has deprived you of them.’

12 Balaam retorted to Balak, ’Did I not tell the messengers you sent me,

13 ”Even if Balak gave me his house full of gold and silver I could not go against Yahweh’s order and do anything of my own accord, whether for good or ill; whatever Yahweh says is what I shall say”?

14 Now that I am going back to my own folk, let me warn you what this people will do to your people, in days to come.’

15 He then declaimed his poem, as follows: The prophecy of Balaam son of Beor, the prophecy of the man with far-seeing eyes,

16 the prophecy of one who hears the words of God, of one who knows the knowledge of the Most High. He sees what Shaddai makes him see, receives the divine answer, and his eyes are opened.

17 I see him — but not in the present. I perceive him — but not close at hand: a star is emerging from Jacob, a sceptre is rising from Israel, to strike the brow of Moab, the skulls of all the children of Seth.

18 Edom too will be a conquered land, Seir too will be a conquered land, when Israel exerts his strength,

19 when Jacob tramples on his enemies and destroys the last survivors of Ar.

20 Balaam then looked at Amalek and declaimed his poem, as follows: Amalek, the earliest of nations! But his posterity will perish forever.

21 He then looked at the Kenites and declaimed his poem, as follows: Your dwelling was firm, Kain, your nest perched high in the rock.

22 But the nest belongs to Beor; how long will you be Asshur’s captive?

23 He then declaimed his poem, as follows: The Sea-people are gathering in the north,

24 the vessels from the coasts of Kittim. They will bear down on Asshur, bear down on Eber; he too will perish forever.

25 Balaam then got up, left and went home, and Balak too went his way.

Chapther 25
1 Israel settled at Shittim. The people gave themselves over to prostitution with Moabite women.

2 These invited them to the sacrifices of their gods, and the people ate and bowed down before their gods.

3 With Israel thus committed to the Baal of Peor, Yahweh’s anger was aroused against them.

4 Yahweh said to Moses, ’Take all the leaders of the people. Impale them facing the sun, for Yahweh, to deflect his burning anger from Israel.’

5 Moses said to the judges of Israel, ’Each of you will put to death those of his people who have committed themselves to the Baal of Peor.’

6 One of the Israelites came along, bringing the Midianite woman into his family, under the very eyes of Moses and the whole community of Israelites as they were weeping at the entrance to the Tent of Meeting.

7 The priest Phinehas son of Eleazar, son of Aaron, on seeing this, stood up, left the assembly, seized a lance,

8 followed the Israelite into the alcove, and there ran them both through, the Israelite and the woman, through the stomach. Thus the plague which had struck the Israelites was arrested.

9 In the plague twenty-four thousand of them had died.

10 Yahweh then spoke and said,

11 ’The priest Phinehas son of Eleazar, son of Aaron has deflected my wrath from the Israelites, he being the only one of them to have the same zeal as I have; for which reason, I did not make an end of the Israelites in my zeal.

12 For this reason I say: To him I grant my covenant of peace.

13 To him and his descendants after him, this covenant will assure the priesthood for ever. In reward for his zeal for his God, he will have the right to perform the ritual of expiation for the Israelites.’

14 The Israelite who had been killed (the one who was killed with the Midianite woman) was called Zimri son of Salu, leader of one of the Simeonite families.

15 The woman, the Midianite who was killed, was called Cozbi, daughter of Zur, chief of a clan, of a family, in Midian.

16 Yahweh then spoke to Moses and said,

17 ’Harass the Midianites, strike them down,

18 for harassing you with their guile in the Peor affair and in the affair of their sister Cozbi, the daughter of a prince of Midian, the woman who was killed the day the plague came on account of the business of Peor.’

Chapther 26
1 After this plague, Yahweh spoke to Moses and to the priest Eleazar son of Aaron and said:

2 ’Take a census of the whole community of Israelites, by families: all those of twenty years and over, fit to bear arms in Israel.’

3 So Moses and the priest Eleazar took a census of them on the Plains of Moab, near the Jordan by Jericho. They counted

4 (as Yahweh had ordered Moses and the Israelites after leaving Egypt) men of twenty years and over:

5 Reuben, the first-born of Israel. The sons of Reuben: for Hanoch, the Hanochite clan; for Pallu, the Palluite clan;

6 for Hezron, the Hezronite clan; for Carmi, the Carmite clan.

7 These were the Reubenite clans. They numbered forty-three thousand seven hundred and thirty men.

8 The sons of Pallu: Eliab.

9 The sons of Eliab: Nemuel, Dathan and Abiram. These two, Dathan and Abiram, men of repute in the community, were the ones who revolted against Moses and Aaron; they belonged to Korah’s group when it revolted against Yahweh.

10 The earth opened its mouth and swallowed them (with Korah when that group perished), when fire consumed the two hundred and fifty men. They were a sign.

11 Korah’s sons, however, did not perish.

12 The sons of Simeon by clans: for Nemuel, the Nemuelite clan; for Jamin, the Jaminite clan; for Jachin, the Jachinite clan;

13 for Zerah, the Zerahite clan; for Shaul, the Shaulite clan.

14 These were the Simeonite clans. They numbered twenty-two thousand two hundred men.

15 The sons of Gad by clans: for Zephon, the Zephonite clan; for Haggi, the Haggite clan; for Shuni, the Shunite clan;

16 for Ozni, the Oznite clan; for Eri, the Erite clan;

17 for Arod, the Arodite clan; for Areli, the Arelite clan.

18 These were the clans of the sons of Gad. They numbered forty thousand five hundred men.

19 The sons of Judah: Er and Onan. Er and Onan died in the land of Canaan.

20 The other sons of Judah became clans: for Shelah, the Shelahite clan; for Perez, the Perezzite clan; for Zerah, the Zerahite clan.

21 The sons of Perez were: for Hezron, the Hezronite clan; for Hamul, the Hamulite clan.

22 These were the clans of Judah. They numbered seventy-six thousand five hundred men.

23 The sons of Issachar by clans: for Tola, the Tolaite clan; for Puvah, the Puvahite clan;

24 for Jashub, the Jashubite clan; for Shimron, the Shimronite clan.

25 These were the clans of Issachar. They numbered sixty-four thousand three hundred men.

26 The sons of Zebulun by clans: for Sered, the Seredite clan; for Elon, the Elonite clan; for Jahleel, the Jahleelite clan.

27 These were the clans of Zebulun. They numbered sixty thousand five hundred men.

28 The sons of Joseph by clans: Manasseh and Ephraim.

29 The sons of Manasseh: for Machir, the Machirite clan; Machir fathered Gilead: for Gilead, the Gileadite clan.

30 These were the sons of Gilead: for Iezer, the Iezerite clan; for Helek, the Helekite clan;

31 Asriel, the Asrielite clan; Shechem, the Shechemite clan;

32 Shemida, the Shemidaite clan; Hepher, the Hepherite clan.

33 Zelophehad son of Hepher had no sons, only daughters; the names of Zelophehad’s daughters were Mahlah, Noah, Hoglah, Milcah and Tirzah.

34 These were the clans of Manasseh. They numbered fifty-two thousand seven hundred men.

35 These were the sons of Ephraim by clans: for Shuthelah, the Shuthelahite clan; for Becher, the Becherite clan; for Tahan, the Tahanite clan.

36 These were the sons of Shuthelah: for Eran, the Eranite clan.

37 These were the clans of Ephraim. They numbered thirty-two thousand five hundred men. These were the sons of Joseph by clans.

38 The sons of Benjamin by clans: for Bela, the Belaite clan; for Ashbel, the Ashbelite clan; for Ahiram, the Ahiramite clan;

39 for Shephupham, the Shephuphamite clan; for Hupham, the Huphamite clan.

40 Bela’s sons were Ard and Naaman; for Ard, the Ardite clan; for Naaman, the Naamanite clan.

41 These were the sons of Benjamin by clans. They numbered forty-five thousand six hundred men.

42 These were the sons of Dan by clans: for Shuham, the Shuhamite clan. These were the sons of Dan by clans.

43 All the Shuhamite clans numbered sixty-four thousand four hundred men.

44 The sons of Asher by clans: for Imnah, the Imnahite clan; for Ishvi, the Ishvihite clan; for Beriah, the Beriahite clan.

45 For the sons of Beriah: for Heber, the Heberite clan; for Malchiel, the Malchielite clan.

46 The daughter of Asher was called Serah.

47 These were the clans of Asher. They numbered fifty-three thousand four hundred men.

48 The sons of Naphtali by clans: for Jahzeel, the Jahzeelite clan; for Guni, the Gunite clan;

49 for Jezer, the Jezerite clan; for Shillem, the Shillemite clan.

50 These were the clans of Naphtali as divided into clans. The sons of Naphtali numbered forty-five thousand four hundred men.

51 Of the Israelites thus numbered, there were six hundred and one thousand seven hundred and thirty men.

52 Yahweh then spoke to Moses and said,

53 ’The country must be shared out among these as a heritage, proportionately to the number of those inscribed.

54 To the large in number you will give a large area of land, to the small in number a small area; to each the heritage will be in proportion to the number registered.

55 The sharing out of the country must, however, be done by lot. Each will receive a heritage proportionate to the number of names in their patriarchal tribes;

56 the heritage of each tribe will be shared out by lot, depending on its larger or smaller numbers.’

57 These, by clans, are the Levites that were registered: for Gershon, the Gershonite clan; for Kohath, the Kohathite clan; for Merari, the Merarite clan.

58 These are the Levite clans: the Libnite clan, the Hebronite clan, the Mahlite clan, the Mushite clan, the Korahite clan. Kohath fathered Amram.

59 Amram’s wife was called Jokebed daughter of Levi, born to him in Egypt. To Amram she bore Aaron, Moses and Miriam their sister.

60 Aaron fathered Nadab and Abihu, Eleazar and Ithamar.

61 Nadab and Abihu died when they brought unauthorised fire before Yahweh.

62 Altogether twenty-three thousand males of one month and over were registered. They were not registered with the Israelites, since they were given no heritage with the Israelites.

63 Such were the men registered by Moses and the priest Eleazar who took a census of the Israelites on the Plains of Moab near the Jordan by Jericho.

64 Not one of them was among those whom Moses and the priest Aaron had registered when they counted the Israelites in the desert of Sinai;

65 for Yahweh had told them that these were to die in the desert and that none of them would be left except Caleb son of Jephunneh and Joshua son of Nun.

Chapther 27
1 There then came forward the daughters of Zelophehad son of Hepher, son of Gilead, son of Machir, son of Manasseh; he belonged to the clans of Manasseh son of Joseph. His daughters’ names were Mahlah, Noah, Hoglah, Milcah and Tirzah.

2 They appeared before Moses, the priest Eleazar, the leaders and the whole community, at the entrance to the Tent of Meeting, and said,

3 ’Our father died in the desert. He was not a member of the party who banded together against Yahweh, Korah’s party; it was for his own sin that he died without sons.

4 Why should our father’s name be lost to his clan? Since he had no son, give us some property like our father’s kinsmen.’

5 Moses took their case before Yahweh,

6 and Yahweh spoke to Moses and said,

7 ’Zelophehad’s daughters are right in what they say. You will indeed give them a property to be their heritage among their father’s kinsmen; see that their father’s heritage is passed on to them.

8 Then speak to the Israelites and say, ”If a man dies without sons, his heritage will pass to his daughter.

9 If he has no daughter, the heritage will go to his brothers.

10 If he has no brothers, his heritage will go to his father’s brothers.

11 If his father has no brothers, his heritage will go to the member of his clan who is most nearly related; it will become his property. This will be a legal rule for the Israelites, as Yahweh has ordered Moses.” ’

12 Yahweh said to Moses, ’Climb this mountain of the Abarim range, and look at the country which I have given to the Israelites.

13 After you have seen it, you will be gathered to your people, as Aaron your brother was.

14 For you both rebelled in the desert of Zin when the community disputed with me and when I ordered you to assert my holiness before their eyes by means of the water.’ (These were the Waters of Meribah of Kadesh, in the desert of Zin.)

15 Moses then said to Yahweh,

16 ’May it please Yahweh, God of the spirits that give life to all living creatures, to appoint a leader for this community,

17 to be at their head in all their undertakings, a man who will lead them out and bring them in, so that Yahweh’s community will not be like sheep without a shepherd.’

18 Yahweh then said to Moses, ’Take Joshua son of Nun, a man in whom the spirit dwells, and lay your hand on him.

19 Bring him before the priest Eleazar and the whole community and give him your orders in their presence,

20 conferring some of your own authority on him, so that the whole community of Israelites will obey him.

21 He will present himself to the priest Eleazar who will consult Yahweh on his behalf by means of the rite of the urim; at his command, they will go out and, at his command, they will come in, he and all the Israelites with him, the whole community.’

22 Moses did as Yahweh had ordered. He took Joshua, brought him before the priest Eleazar and the whole community,

23 laid his hands on him and gave him his orders, as Yahweh had directed through Moses.

Chapther 28
1 Yahweh spoke to Moses and said,

2 ’Give the Israelites this order: ”Take care to bring me my offering, my sustenance in the form of food burnt as a smell pleasing to me, at the proper time.”

3 ’You will then say to them: ”This is the food which you will burn in offering to Yahweh: ”Every day, two unblemished yearling lambs as a perpetual burnt offering.

4 You will offer the first lamb in the morning and the second lamb at twilight,

5 with a cereal offering of one-tenth of an ephah of fine flour mixed with one-quarter of a hin of crushed-olive oil.

6 Such was the perpetual burnt offering made on Mount Sinai as a pleasing smell, as food burnt for Yahweh.

7 The accompanying libation will be of one-quarter of a hin for each lamb; the libation of fermented liquor for Yahweh will be poured inside the sanctuary.

8 The second lamb you will offer at twilight, offering it with the same cereal offering and the same libation as in the morning, as food burnt as a smell pleasing to Yahweh.

9 ”On the Sabbath day, you will offer two unblemished yearling lambs and two-tenths of an ephah of fine flour as a cereal offering, mixed with oil, as well as the accompanying libation.

10 The Sabbath burnt offering will be offered every Sabbath in addition to the perpetual burnt offering, and the accompanying libation similarly.

11 ”At the beginning of each of your months you will offer a burnt offering to Yahweh: two young bulls, one ram and seven yearling lambs, without blemish;

12 for each bull a cereal offering of three-tenths of an ephah of fine flour mixed with oil; for each ram, a cereal offering of two-tenths of fine flour mixed with oil;

13 for each lamb, a cereal offering of one-tenth of fine flour mixed with oil: as a burnt offering, as a pleasing smell, as food burnt for Yahweh.

14 The accompanying libations will be of half a hin of wine for a bull, one-third of a hin for a ram and one-quarter of a hin for a lamb. This will be the monthly burnt offering, month after month, every month of the year.

15 In addition to the perpetual burnt offering, a goat will be offered to Yahweh, as a sacrifice for sin, with its accompanying libation.

16 ”The fourteenth day of the first month is the Passover of Yahweh,

17 and the fifteenth day of this month is a feast day. For seven days unleavened bread will be eaten.

18 On the first day there will be a sacred assembly; you will do no heavy work.

19 As food burnt as a burnt offering you will offer Yahweh two young bulls, a ram and seven yearling lambs, without blemish.

20 The accompanying cereal offering of fine flour mixed with oil will be three-tenths of an ephah for a bull, two-tenths for a ram,

21 and one-tenth for each of the seven lambs.

22 There will also be a goat as a sacrifice for sin, for performing the rite of expiation for you.

23 You will offer these in addition to the morning burnt offering, which is a perpetual burnt offering.

24 You will do this every day for seven days. It is sustenance, food burnt as a smell pleasing to Yahweh, to be offered in addition to the perpetual burnt offering and its accompanying libation.

25 On the seventh day you will hold a sacred assembly; you will do no heavy work.

26 ”On the day of the first-fruits, when you make your offering of new fruits to Yahweh at your feast of Weeks, you will hold a sacred assembly; you will do no heavy work.

27 As a burnt offering as a smell pleasing to Yahweh, you will offer two young bulls, one ram and seven yearling lambs.

28 The accompanying cereal offering of fine flour mixed with oil will be three-tenths of an ephah for each bull, two-tenths for the ram,

29 and one-tenth for each of the seven lambs.

30 There will also be a goat as a sacrifice for sin, for performing the rite of expiation for you.

31 You will offer these in addition to the perpetual burnt offering and its accompanying cereal offering and libations.” ’

Chapther 29
1 ’ ”In the seventh month, on the first day of the month, you will hold a sacred assembly; you will do no heavy work. For you this will be a day of Acclamations.

2 As a burnt offering, as a smell pleasing to Yahweh, you will offer one young bull, one ram and seven yearling lambs, without blemish.

3 The accompanying cereal offering of fine flour mixed with oil will be three-tenths of an ephah for the bull, two-tenths for the ram,

4 and one-tenth for each of the seven lambs.

5 There will also be a goat as a sacrifice for sin, for performing the rite of expiation for you.

6 This is in addition to the monthly burnt offering and its cereal offering, the perpetual burnt offering and its cereal offering, and the accompanying libations enjoined by law, as a pleasing smell, as food burnt for Yahweh.

7 ”On the tenth day of this seventh month, you will hold a sacred assembly; you will fast and do no work.

8 As a burnt offering for Yahweh, as a pleasing smell, you will offer one young bull, one ram and seven yearling lambs, which you will choose as being without blemish.

9 The accompanying cereal offering of fine flour mixed with oil will be three-tenths of an ephah for the bull, two-tenths for the ram,

10 and one-tenth for each of the seven lambs.

11 And a goat will be offered as a sacrifice for sin. This is in addition to the victim for sin at the feast of Expiation, to the perpetual burnt offering and its cereal offering, and their accompanying libations.

12 ”On the fifteenth day of the seventh month you will hold a sacred assembly; you will do no heavy work, and for seven days you will celebrate a feast for Yahweh.

13 As a burnt offering, as food burnt as a smell pleasing to Yahweh, you will offer thirteen young bulls, two rams and fourteen yearling lambs, without blemish.

14 The accompanying cereal offering of fine flour mixed with oil will be three-tenths of an ephah for each of the thirteen bulls, two-tenths for each of the two rams,

15 and one-tenth for each of the fourteen lambs;

16 also one goat as a sacrifice for sin. This is in addition to the perpetual burnt offering and its cereal offering and libation.

17 ”On the second day: twelve young bulls, two rams and fourteen yearling lambs, without blemish;

18 the accompanying cereal offering and libations, as prescribed, in proportion to the number of bulls, rams and lambs;

19 also one goat as a sacrifice for sin. This is in addition to the perpetual burnt offering and its cereal offering and libations.

20 ”On the third day: eleven bulls, two rams and fourteen yearling lambs, without blemish;

21 the accompanying cereal offering and libations, as prescribed, in proportion to the number of bulls, rams and lambs;

22 also one goat as a sacrifice for sin. This is in addition to the perpetual burnt offering and its cereal offering and libations.

23 ”On the fourth day: ten bulls, two rams and fourteen yearling lambs, without blemish;

24 the accompanying cereal offering and libations, as prescribed, in proportion to the number of bulls, rams and lambs;

25 also one goat as a sacrifice for sin. This is in addition to the perpetual burnt offering and its cereal offering and libation.

26 ”On the fifth day: nine bulls, two rams and fourteen yearling lambs, without blemish;

27 the accompanying cereal offering and libations, as prescribed, in proportion to the number of bulls, rams and lambs;

28 also one goat as a sacrifice for sin. This is in addition to the perpetual burnt offering and its cereal offering and libation.

29 ”On the sixth day: eight bulls, two rams and fourteen yearling lambs, without blemish;

30 the accompanying cereal offering and libations, as prescribed, in proportion to the number of bulls, rams and lambs;

31 also one goat as a sacrifice for sin. This is in addition to the perpetual burnt offering and its cereal offering and libations.

32 ”On the seventh day: seven bulls, two rams and fourteen yearling lambs, without blemish;

33 the accompanying cereal offering and libations, as prescribed, in proportion to the number of bulls, rams and lambs;

34 also one goat as a sacrifice for sin. This is in addition to the perpetual burnt offering and its cereal offering and libation.

35 ”On the eighth day you will hold an assembly; you will do no heavy work.

36 As a burnt offering, as food burnt as a smell pleasing to Yahweh, you will offer one bull, one ram and seven yearling lambs, without blemish;

37 the accompanying cereal offering and libations, as prescribed, in proportion to the number of bulls, rams and lambs;

38 also one goat as a sacrifice for sin. This is in addition to the perpetual burnt offering and its cereal offering and libation.

39 ”This is what you are to do for Yahweh at your solemn feasts, over and above your votive offerings and your voluntary offerings, your burnt offerings, cereal offerings and libations, and your peace offerings.” ’

Chapther 30
1 Moses told the Israelites exactly what Yahweh had ordered him.

2 Moses spoke to the tribal leaders of the Israelites and said, ’This is what Yahweh has ordered:

3 ”If a man makes a vow to Yahweh or a formal pledge under oath, he must not break his word: whatever he promises by word of mouth he must do.

4 ”If a woman makes a vow to Yahweh or a formal pledge during her youth, while she is still in her father’s house,

5 and if her father hears about this vow or pledge made by her and says nothing to her, her vow, whatever it may be, will be binding, and the pledge she has taken, whatever it may be, will be binding.

6 But if her father on the day he learns of it expresses his disapproval of it, then none of the vows or pledges she has taken will be binding. Yahweh will not hold her to it, since her father has expressed his disapproval.

7 ”If, being bound by vows or by a pledge voiced without due reflection, she then marries,

8 and if her husband hears of it but says nothing on the day he learns of it, her vows will be binding and the pledges she has taken will be binding.

9 But if on the day he learns of it he expresses his disapproval to her, this will annul the vow that she has made or the pledge that binds her, voiced without due reflection. Yahweh will not hold her to it.

10 ”The vow of a widow or a divorced woman and all pledges taken by her are binding on her.

11 ”If she has made a vow or taken a pledge under oath while in her husband’s house,

12 and if when the husband learns of it he says nothing to her and does not express disapproval to her, then the vow, whatever it is, will be binding, and the pledge, whatever it is, will be binding.

13 But if the husband when he hears of it annuls it on the day he learns of it, no undertaking of hers, be it vow or pledge, will be binding. Since the husband has annulled it, Yahweh will not hold her to it.

14 ”Every vow or oath that is binding on the wife may be endorsed or annulled by the husband.

15 ”If by the following day the husband has said nothing to her, it means that he endorses her vow, whatever it may be, or her pledge, whatever it may be. He endorses them if he says nothing on the day he learns of them.

16 But if, having learnt of them, he annuls them later, he will bear the consequences for his wife’s guilt.” ’

17 Such were the laws which Yahweh prescribed to Moses, concerning the relationship between a man and his wife, and between a father and his daughter while still young and living in her father’s home.

Chapther 31
1 Yahweh spoke to Moses and said,

2 ’Exact the full vengeance for the Israelites on the Midianites. Afterwards you will be gathered to your people.’

3 Moses said to the people, ’Some of you are to take up arms for Yahweh’s campaign against Midian, to carry out the vengeance of Yahweh on Midian.

4 You will put a thousand men in the field from each of the tribes of Israel.’

5 In this way Israel’s thousands provided twelve thousand men equipped for war, one thousand from each tribe:

6 Moses put them in the field, one thousand from each tribe, with Phinehas, son of the priest Eleazar, to go with them carrying the sacred objects and the trumpets for the battle cry.

7 They made war on Midian, as Yahweh had ordered Moses, and put every male to death.

8 What is more, they killed the kings of Midian, Evi, Rekem, Zur, Hur and Reba, the five Midianite kings; they also put Balaam son of Beor to the sword.

9 The Israelites took the Midianite women and their little ones captive and carried off all their cattle, all their flocks and all their goods as booty.

10 They set fire to the towns where they lived and to all their encampments.

11 Then, taking all their booty, everything they had captured, human and animal,

12 they brought the captives, spoil and booty to Moses, the priest Eleazar and the whole community of Israelites at the camp on the Plains of Moab, near the Jordan by Jericho.

13 Moses, the priest Eleazar and all the leaders of the community went out of the camp to meet them.

14 Moses was enraged with the officers of the army, the commanders of the thousands and commanders of the hundreds, who had come back from this military expedition.

15 He said, ’Why have you spared the life of all the women?

16 They were the very ones who, on Balaam’s advice, caused the Israelites to be unfaithful to Yahweh in the affair at Peor: hence the plague which struck Yahweh’s community.

17 So kill all the male children and kill all the women who have ever slept with a man;

18 but spare the lives of the young girls who have never slept with a man, and keep them for yourselves.

19 As for you, bivouac outside the camp for seven days, everyone who has killed anyone or touched a corpse. Purify yourselves and your prisoners on the third and seventh days,

20 and purify all clothing, everything made of skin, everything woven of goat’s hair and everything made of wood.’

21 The priest Eleazar said to the soldiers who had come back from the campaign, ’This is an article of the Law which Yahweh prescribed to Moses:

22 although gold, silver, bronze, iron, tin and lead,

23 everything that can withstand fire can be cleaned by being passed through fire, it must still be purified with water for purification. Whatever cannot resist fire you must pass through water.

24 ’Wash your clothes on the seventh day and you will then be clean. You may then re-enter the camp.’

25 Yahweh spoke to Moses and said:

26 ’With the priest Eleazar and the heads of families in the community, take a count of the spoils and captives, human and animal.

27 You will then share out the spoil, half and half, between those who fought the campaign and the rest of the community.

28 From the share of the combatants who took part in the campaign, you will set aside one out of every five hundred persons, oxen, donkeys and sheep as Yahweh’s portion.

29 You will take this from the half share coming to them and give it to the priest Eleazar as the portion set aside for Yahweh.

30 From the half coming to the Israelites, you will take one out of every fifty persons, oxen, donkeys, sheep, and all other animals, and give them to the Levites who are responsible for Yahweh’s Dwelling.’

31 Moses and the priest Eleazar did as Yahweh had ordered Moses.

32 The spoils, the remainder of the booty captured by the soldiers, came to six hundred and seventy-five thousand sheep and goats,

33 seventy-two thousand head of cattle,

34 sixty-one thousand donkeys,

35 and in persons, women who had never slept with a man, thirty-two thousand in all.

36 Half was assigned to those who had taken part in the war, namely three hundred and thirty-seven thousand five hundred sheep and goats,

37 of which Yahweh’s portion was six hundred and seventy-five,

38 thirty-six thousand head of cattle, of which Yahweh’s portion was seventy-two,

39 thirty thousand five hundred donkeys, of which Yahweh’s portion was sixty-one,

40 and sixteen thousand persons, of which Yahweh’s portion was thirty-two.

41 Moses gave the priest Eleazar the portion set aside for Yahweh, as Yahweh had ordered Moses.

42 As for the half coming to the Israelites which Moses had separated from that of the combatants,

43 this half, the community’s share, came to three hundred and thirty-seven thousand five hundred sheep and goats,

44 thirty-six thousand head of cattle,

45 thirty thousand five hundred donkeys

46 and sixteen thousand persons.

47 From this half, the Israelites’ share, Moses took one out of every fifty, human and animal, and gave them to the Levites who were responsible for Yahweh’s Dwelling, as Yahweh had ordered Moses.

48 The officers of the thousands who had fought the campaign, the commanders of the thousands and commanders of the hundreds, came to Moses

49 and said, ’Your servants have numbered the soldiers under their command: none of our men is missing.

50 So, as an offering for Yahweh, we have brought what each of us has found in the way of gold ornaments, armlets and bracelets, rings, earrings and breastplates, to make expiation for ourselves before Yahweh.’

51 Moses and the priest Eleazar accepted this gold from them, all this jewellery.

52 This portion of gold given to Yahweh by the commanders of the thousands and commanders of the hundreds amounted to sixteen thousand seven hundred and fifty shekels.

53 Each of the soldiers took his own booty.

54 But Moses and the priest Eleazar, having accepted the gold from the commanders of the thousands and commanders of the hundreds, brought it into the Tent of Meeting, to be a reminder of the Israelites before Yahweh.

Chapther 32
1 Now, the Reubenites and Gadites owned very large herds of cattle. Having seen that the territories of Jazer and Gilead formed an ideal region for raising stock,

2 the Gadites and Reubenites went to Moses, the priest Eleazar and the leaders of the community, and said to them,

3 ’The territory of Ataroth, Dibon, Jazer, Nimrah, Heshbon, Elealeh, Sebam, Nebo and Beon,

4 which Yahweh has conquered before the advancing community of Israel, is ideal land for raising stock, and your servants are cattle breeders.

5 So’, they said, ’if you approve, give your servants this land for us to own; do not make us cross the Jordan.’

6 Moses said to the Gadites and Reubenites, ’Do you intend your brothers to go into battle while you stay here?

7 Why are you discouraging the Israelites from crossing to the country which Yahweh has given them?

8 Your fathers behaved in the same way when I sent them from Kadesh-Barnea to see the country,

9 for, having gone as far as the Valley of Eshcol and seen the country, they discouraged the Israelites from entering the country which Yahweh had given them.

10 Hence Yahweh’s anger was aroused that day and he swore this oath,

11 ”No man of twenty years and over, who left Egypt, shall set eyes on the country which I promised on oath to Abraham, Isaac and Jacob . . . , for they have not followed me absolutely,

12 except for Caleb son of Jephunneh the Kenizzite, and Joshua son of Nun: these indeed have followed Yahweh absolutely.”

13 Yahweh’s anger being aroused by Israel, he made them wander in the desert for forty years, until the generation that offended Yahweh had all disappeared.

14 And now you rise up in your father’s place, offshoot of sinful stock, to increase Yahweh’s burning anger with Israel even more!

15 If you turn away from him, he will prolong the time spent in the desert, and you will bring about this entire people’s ruin.’

16 They came to Moses and said, ’We should like to build sheepfolds here for our flocks and towns for our little ones.

17 We ourselves will take up arms and lead the Israelites until we have brought them to the place appointed for them, while our little ones stay in the fortified towns to be safe from the local inhabitants.

18 We will not return to our homes until every one of the Israelites has taken possession of his heritage.

19 For we shall have no heritage with them on the other bank of the Jordan or beyond, since our heritage has fallen to us here, east of the Jordan.’

20 Moses said to them, ’If you do as you have said, if you are prepared to fight before Yahweh,

21 and if all those of you who bear arms cross the Jordan before Yahweh, until he has driven all his enemies out before him,

22 then, once the country has become subject to Yahweh, you may go back, and will have discharged your obligation to Yahweh and Israel, and Yahweh will consider this territory yours.

23 But if you do not, you will sin against Yahweh, and be sure your sin will find you out.

24 Build towns, then, for your little ones and folds for your flocks; but do what you have promised.’

25 The Gadites and Reubenites said to Moses, ’Your servants will do as my lord directs.

26 Our little ones, our wives, our flocks and all our livestock will stay in the towns of Gilead,

27 but your servants, each armed for war, will cross in Yahweh’s name and fight, as my lord says.’

28 So Moses gave orders about them to the priest Eleazar, Joshua son of Nun, and the heads of families in the Israelite tribes.

29 Moses said to them, ’If the Gadites and Reubenites, all those under arms, cross the Jordan with you to fight in Yahweh’s name, then, once the country has become subject to you, you will give them the territory of Gilead as theirs.

30 But if they will not cross with you under arms, they will receive their domains in Canaan with the rest of you.’

31 To this, the Gadites and Reubenites replied, ’What Yahweh has said to your servants, we shall do.

32 Under arms, we shall cross in Yahweh’s name into Canaan, so that ownership of our heritage on this side of the Jordan will be ours.’

33 Moses then gave them — the Gadites, the Reubenites and the half-tribe of Manasseh son of Joseph — the kingdom of Sihon king of the Amorites and the kingdom of Og king of Bashan, the country and the towns within its territory, and the country’s frontier-towns.

34 The Gadites rebuilt Dibon, Ataroth, Aroer,

35 Atroth-Shophan, Jazer, Jogbehah,

36 Beth-Nimrah and Beth-Haran as fortified towns with folds for the flocks.

37 The Reubenites rebuilt Heshbon, Elealeh, Kiriathaim,

38 Nebo and Baal-Meon (the names of which were altered), and Sibmah, giving new names to the towns which they rebuilt.

39 The descendants of Machir son of Manasseh went to Gilead. They conquered it and drove out the Amorites who were there.

40 Moses gave Gilead to Machir son of Manasseh, and he settled there.

41 Jair son of Manasseh went and seized their encampments, renaming them the Encampments of Jair.

42 Nobah went and seized Kenat with its dependent townships, and called it Nobah after himself.

Chapther 33
1 These were the stages of the journey made by the Israelites when they left Egypt in their companies under the leadership of Moses and Aaron.

2 Moses recorded their starting-points in writing whenever they moved on at Yahweh’s order. The stages, from one starting-point to another, were as follows:

3 They left Rameses in the first month. It was the fifteenth day of the first month, the day following the Passover, when the Israelites confidently set out, under the eyes of all Egypt.

4 The Egyptians were burying those of their own people whom Yahweh had struck down, all the first-born; Yahweh had carried out his judgement on their gods.

5 The Israelites left Rameses and camped at Succoth.

6 Then they left Succoth and encamped at Etham which is on the edge of the desert.

7 They left Etham, turned back to Pi-Hahiroth, opposite Baal-Zephon, and encamped before Migdol.

8 They left Pi-Hahiroth, crossed the sea into the desert, and after marching for three days in the desert of Etham they encamped at Marah.

9 They left Marah and reached Elim. At Elim there were twelve springs of water and seventy palm trees; they encamped there.

10 They left Elim and encamped by the Sea of Reeds.

11 They left the Sea of Reeds and encamped in the desert of Sin.

12 They left the desert of Sin and encamped at Dophkah.

13 They left Dophkah and encamped at Alush.

14 They left Alush and encamped at Rephidim; the people found no drinking water there.

15 They left Rephidim and encamped in the desert of Sinai.

16 They left the desert of Sinai and encamped at Kibroth-ha-Taavah.

17 They left Kibroth-ha-Taavah and encamped at Hazeroth.

18 They left Hazeroth and encamped at Rithmah.

19 They left Rithmah and encamped at Rimmon-Perez.

20 They left Rimmon-Perez and encamped at Libnah.

21 They left Libnah and encamped at Rissah.

22 They left Rissah and encamped at Kehelathah.

23 They left Kehelathah and encamped at Mount Shepher.

24 They left Mount Shepher and encamped at Haradah.

25 They left Haradah and encamped at Makheloth.

26 They left Makheloth and encamped at Tahath.

27 They left Tahath and encamped at Terah.

28 They left Terah and encamped at Mithkah.

29 They left Mithkah and encamped at Hashmonah.

30 They left Hashmonah and encamped at Moseroth.

31 They left Moseroth and encamped at Bene-Jaakan.

32 They left Bene-Jaakan and encamped at Hor-Gidgad.

33 They left Hor-Gidgad and encamped at Jotbathah.

34 They left Jotbathah and encamped at Abronah.

35 They left Abronah and encamped at Ezion-Geber.

36 They left Ezion-Geber and encamped in the desert of Zin, that is, at Kadesh.

37 They left Kadesh and encamped at Mount Hor, on the borders of the land of Edom.

38 The priest Aaron went up Mount Hor on Yahweh’s orders and died there in the fortieth year of the exodus of the Israelites from Egypt, in the fifth month, on the first day of the month.

39 Aaron was a hundred and twenty-three years old when he died on Mount Hor.

40 The king of Arad, the Canaanite who lived in the Negeb of Canaan, heard of the Israelites’ arrival.

41 They left Mount Hor and encamped at Zalmonah.

42 They left Zalmonah and encamped at Punon.

43 They left Punon and encamped at Oboth.

44 They left Oboth and encamped in Moabite territory at Iye-Abarim.

45 They left Iyim and encamped at Dibon-Gad.

46 They left Dibon-Gad and encamped at Almon-Diblathaim.

47 They left Almon-Diblathaim and encamped in the Abarim mountains facing Nebo.

48 They left the Abarim mountains and encamped on the Plains of Moab, near the Jordan opposite Jericho.

49 They encamped near the Jordan between Beth-ha-Jeshimoth and Abel-ha-Shittim, on the Plains of Moab.

50 Yahweh spoke to Moses on the Plains of Moab, near the Jordan by Jericho, and said:

51 ’Speak to the Israelites and say: ”When you have crossed the Jordan into Canaan,

52 you will drive out all the local inhabitants before you. You will destroy all their painted images, you will destroy all their metal statues and you will demolish all their high places.

53 You will take possession of the country and settle in it, for I have given you the country as your property.

54 You will share it out by lot among your clans. To a large clan you will give a larger heritage, and to a smaller clan you will give a smaller heritage. Where the lot falls for each, that will be his. Your heritage will depend on the size of your tribe.

55 If, however, you do not drive out the local inhabitants before you, the ones you allow to remain will be thorns in your eyes and thistles in your sides and will harass you in the country where you are living,

56 and I shall treat you as I intended to treat them.” ’

Chapther 34
1 Yahweh spoke to Moses and said,

2 ’Give the Israelites this order. Say: ”When you enter the country (Canaan), this will be the country which forms your heritage. This is Canaan as defined by its boundaries:

3 ”The southern part of your country will start from the desert of Zin, on the borders of Edom. Your southern boundary will start on the east at the end of the Salt Sea.

4 It will then turn south towards the Ascent of the Scorpions and go by Zin to end in the south at Kadesh-Barnea. It will then run towards Hazar-Addar and pass through Azmon.

5 From Azmon the boundary will turn towards the Torrent of Egypt and end at the Sea.

6 ”Your seaboard will be on the Great Sea; this will be your western boundary.

7 ”Your northern boundary will be as follows: you will draw a line from the Great Sea to Mount Hor,

8 then from Mount Hor you will draw a line to the Pass of Hamath, and the boundary will end at Zedad.

9 From there it will run on to Ziphron and end at Hazar-Enan. This will be your northern boundary.

10 ”You will then draw your eastern boundary from Hazar-Enan to Shepham.

11 The boundary will run down from Shepham towards Riblah on the east side of Ain. Further down it will keep to the eastern shore of the Sea of Chinnereth.

12 The frontier will then follow the Jordan and end at the Salt Sea. ”Such will be your country with the boundaries surrounding it.” ’

13 Moses then gave the Israelites this order: ’This is the country, where your heritages will be assigned by lot, and which Yahweh has ordered to be given to the nine tribes and the half-tribe,

14 for the tribe of the Reubenites with their families and the tribe of the Gadites with their families have already received their heritage; the half-tribe of Manasseh has also received its heritage.

15 These two tribes and the half-tribe have received their heritage on the other side of the Jordan by Jericho, to the east, towards the sunrise.’

16 Yahweh spoke to Moses and said:

17 ’Here are the names of the men who will divide the country up for you: the priest Eleazar and Joshua son of Nun,

18 and you will take one leader from each tribe to divide the country up into heritages.

19 Here are the names of these men: ’For the tribe of Judah, Caleb son of Jephunneh;

20 ’for the tribe of the Simeonites, Shemuel son of Ammihud;

21 ’for the tribe of Benjamin, Elidad son of Chislon;

22 ’for the tribe of the Danites, the leader Bukki son of Jogli;

23 ’for the sons of Joseph: for the tribe of Manasseh, the leader Hanniel son of Ephod;

24 ’for the tribe of the Ephraimites, the leader Kemuel son of Shiphtan;

25 ’for the tribe of the Zebulunites, the leader Elizaphan son of Parnach;

26 ’for the tribe of the Issacharites, the leader Paltiel son of Azzan;

27 ’for the tribe of the Asherites, the leader Ahihud son of Shelomi;

28 ’for the tribe of the Naphtalites, the leader Pedahel son of Ammihud.’

29 These were the men whom Yahweh ordered to divide Canaan into heritages for the Israelites.

Chapther 35
1 Yahweh spoke to Moses on the Plains of Moab, near the Jordan by Jericho, and said:

2 ’Order the Israelites, from the heritage they possess, to give the Levites towns in which to live and pasture land round the towns. You will give these to the Levites.

3 The towns must be their homes and the surrounding pasture land must be for their cattle, their possessions and all their animals.

4 The pasture land surrounding the towns which you give to the Levites will extend, from the walls of the towns, for a thousand cubits all round.

5 ’Outside the town, measure two thousand cubits to the east, two thousand cubits to the south, two thousand cubits to the west and two thousand cubits to the north, the town lying in the centre; such will be the pasture lands of these towns.

6 The towns you give to the Levites will be six cities of refuge, ceded by you as sanctuary for those who commit manslaughter; and you will give forty-two towns in addition.

7 Altogether you will give the Levites forty-eight towns, with their pasture lands.

8 Of the towns which you give from the Israelites’ possessions, you will give more from those who have more, and less from those who have less. Each will give some of his towns to the Levites, in proportion to the heritage he himself has received.’

9 Yahweh spoke to Moses and said:

10 ’Speak to the Israelites and say: ”Once you have crossed the Jordan into Canaan,

11 you will find towns, some of which you will make into cities of refuge where those who have accidentally committed manslaughter can take sanctuary.

12 These towns will afford you refuge from the avenger of blood, so that the killer will not be put to death before standing trial before the community.

13 Of the towns you give, six will serve you as cities of refuge:

14 as cities of refuge, you will give three towns on the other side of the Jordan and will give three towns in Canaan.

15 These six towns will serve as refuge for the Israelites, for the foreigner and for the resident alien, where anyone who has accidentally killed someone can take sanctuary.

16 ”But if he has struck the person with an iron object so as to cause death, he is a murderer. The murderer will be put to death.

17 If he has struck him with a stone meant for killing, and has killed him, he is a murderer. The murderer will be put to death.

18 Or if he has struck him with a wooden instrument meant for killing, and has killed him, he is a murderer. The murderer will be put to death.

19 The avenger of blood will put the murderer to death. Whenever he finds him, he will put him to death.

20 ”If the killer has maliciously manhandled his victim, or thrown some lethal missile to strike him down,

21 or out of enmity dealt him the death-blow with his fist, then he who struck the blow will be put to death; he is a murderer; the avenger of blood will put him to death whenever he finds him.

22 If, however, he has manhandled his victim by chance, without malice, or thrown some missile at him not meaning to hit him

23 or, without seeing him, dropped on him a stone meant for killing and so killed him, so long as he bore him no malice and wished him no harm,

24 then the community will decide in accordance with these rules between the one who struck the blow and the avenger of blood,

25 and will save the killer from the clutches of the avenger of blood. They will send him back to the city of refuge where he had taken sanctuary, and there he will stay until the death of the high priest who has been anointed with the holy oil.

26 Should the killer leave the bounds of the city of refuge in which he has taken sanctuary

27 and the avenger of blood encounter him outside the bounds of his city of refuge, the avenger of blood may kill him without fear of reprisal;

28 since the killer should stay in his city of refuge until the death of the high priest; only after the death of the high priest is he free to go back to his own piece of property.

29 Such will be the legal rule for you and your descendants, wherever you may live.

30 ”In any case of homicide, the evidence of witnesses will determine whether the killer must be put to death; but a single witness is not enough to sustain a capital charge.

31 You will not accept a ransom for the life of a murderer condemned to death; he must die.

32 Nor will you accept a ransom for anyone who, having taken sanctuary in his city or refuge, wishes to come back and live at home before the death of the high priest.

33 Do not profane the country you live in. Blood profanes the country and, for the country, the only expiation for the blood shed in it is the blood of the man who shed it.

34 So do not defile the country which you live in and where I live; for I, Yahweh, live among the Israelites.” ’

Chapther 36
1 Then the heads of families of the clan descended from Gilead, son of Machir, son of Manasseh, one of the clans descended from Joseph, came forward and, addressing Moses and the leaders, the Israelite heads of families,

2 they said: ’Yahweh has ordered my lord to apportion the Israelites’ heritages in the country by lot and my lord has been ordered by Yahweh to give the heritage of our brother Zelophehad to his daughters.

3 Now, if they marry someone from another Israelite tribe, their heritage will be alienated from our ancestral heritage. The heritage of the tribe to which they will then belong will be increased, and the heritage allotted to us will be diminished.

4 And when the jubilee for the Israelites comes round, these women’s heritage will become part of the heritage of the tribe to which they then belong, and be alienated from the heritage of our ancestral tribe.’

5 At Yahweh’s bidding, Moses gave the Israelites this order. He said: ’What the Josephite tribe says is true.

6 This is Yahweh’s ruling for Zelophehad’s daughters: ”They may marry whom they please, providing they marry into a clan of their father’s tribe.

7 But the heritages of Israelites are not to be transferred from tribe to tribe; each Israelite will stick to the heritage of his own tribe.

8 Any daughter who owns a heritage in an Israelite tribe will marry into a clan of her own paternal tribe, so that the Israelites may each preserve the heritage of his father.

9 No heritage may be transferred from one tribe to another; each Israelite tribe will stick to its own heritage.” ’

10 Zelophehad’s daughters did as Yahweh had ordered Moses.

11 Mahlah, Tirzah, Hoglah, Milcah and Noah, daughters of Zelophehad, married the sons of their father’s brothers.

12 Since they married into clans descended from Manasseh son of Joseph, their heritage reverted to the tribe of their father’s clan.

13 Such were the commandments and laws that Yahweh prescribed for the Israelites through Moses on the Plains of Moab near the Jordan by Jericho.

(Fr)

Croyez au christianisme – verset biblique 004
Numérique

Source : https://rkbijbel.nl/kbs/bijbel/willibrord1975/neovulgaat
vertaald: https://nl.wikipedia.org/wiki/Numeri

La traduction de Willibrord est la traduction standard de la communauté de foi catholique romaine dans la région de langue néerlandaise et est publiée par la Fondation biblique catholique, en étroite collaboration avec la Fondation biblique flamande. La traduction Willibrord est largement appréciée en tant que traduction fidèle au texte original et offrant en même temps un texte en néerlandais contemporain compréhensible.

Nombres (latin : « nombres », du nom grec dans la Septante : Ἀριθμοί, arithmoi, « compte ») est le quatrième livre de la Bible hébraïque. En Hébreu, le livre de רבדמב, bəmidbar, est appelé « dans le désert », après le premier mot du livre. Il traite des événements des Israélites au cours de leur séjour de 40 ans dans le désert après la sortie d’Egypte.

Le livre est une continuation du livre de l’Exode, après l’interruption de la législation dans le livre du Lévitique. La période du Livre des Nombres couvre la période allant du premier jour du deuxième mois de la 2e année après l’Exode, au 11e mois de la 40e année.

1. Le recensement du peuple hébreu au mont Sinaï et les préparatifs de son voyage. Le décompte se fait par tribu (chapitre 1 – 4).

2. Quelques lois (chapitres 5, 15, 27-30, 33).
3. La loi du nazaréat et de l’ordination sacerdotale (chapitre 6).

4. Une description des devoirs des Lévites et des règles d’hygiène pour le camp (chapitres 7-9, 18-19).

5. Un récit du voyage du Sinaï à Moab : Signaux pour la rupture du camp, le voyage à Kadesh Barnea, grognement/rébellion contre Moïse, manque de chair (cailles) (chapitres 10-12).

6. Exploration des 12 scouts, leur rapport, la réaction des gens (”on ne veut pas y aller”), et la punition de Dieu : toutes les personnes de plus de 20 ans ne viendront pas (chapitres 13-14) .

7. La grogne et la rébellion (chapitres 16-17).
8. Rencontre avec Edom (chapitre 20).
9. Conquête du Pays des Amoréens (Chapitre 21).

10. Agit dans la plaine de Moab avant de traverser le Jourdain (chapitre 21).
11. Confrontation avec Madian, bénédiction de Balaam (chapitres 22-25, 31).
12. Deuxième recensement de la population (chapitre 26).
13. Josué nommé successeur de Moïse (chapitre 27).

14. Division du Jourdain oriental en deux tribus et demie : Ruben, Gad et la demi-tribu de Manassé (chapitre 32).

15. Ordre de chasser les Cananéens. Frontières du pays. Cités lévitiques et cités de refuge (chapitres 34-35).

Chapitres 01

1 Yahweh parla à Moïse au désert de Sinaï, dans la tente de réunion, le premier jour du second mois, la deuxième année après leur sortie d’Égypte, en disant:
2 «Faites le compte de toute l’assemblée des enfants d’Israël, selon leurs familles, selon leurs maisons patriarcales, en comptant par tête le nom de tous les mâles
3 depuis l’âge de vingt ans et au-dessus, tous les hommes aptes à porter les armes en Israël; vous en ferez le dénombrement selon leurs troupes, toi et Aaron.
4 Il y aura avec vous un homme de chaque tribu, chef de sa maison patriarcale.
5 Voici les noms de ceux qui se tiendront avec vous: Pour Ruben: Elisur, fils de Sédéur;
6 pour Siméon, Salamiel, fils de Surisaddaï;
7 pour Juda: Nahasson, fils d’Aminadab;
8 pour Issachar: Nathanaël, fils de Suar;
9 pour Zabulon: Eliab, fils de Hélon;
10 pour les fils de Joseph, pour Ephraïm: Elisama, fils d’Ammiud; pour Manassé: Gamaliel, fils de Phadassur;
11 pour Benjamimn: Abidan, fils de Gédéon;
12 pour Dan: Ahiéser, fils d’Ammisaddaï;
13 pour Aser: Phégiel, fils d’Ochran;
14 pour Gad: Eliasaph, fils de Duel;
15 pour Nephtali: Ahira, fils d’Enan.»
16 Tels sont ceux qui furent appelés de l’assemblée; ils étaient princes des tribus de leur pères, chefs des milliers d’Israël.
17 Moïse et Aaron, ayant pris ces hommes qui avaient été désignés par leurs noms,
18 convoquèrent toute l’assemblée pour le premier jour du deuxième mois. Et ils furent enregistrés selon leurs familles, selon leurs maisons patriarcales, en comptant par tête les noms, depuis l’âge de vingt et au-dessus.
19 Comme Yahweh l’avait ordonné à Moïse, celui-ci en fit le dénombrement dans le désert de Sinaï.
20 Fils de Ruben, premier-né d’Israël, leurs descendants selon leurs familles, selon leurs maisons patriarcales, en comptant les noms par tête, tous les mâles de vingt ans et au-dessus, tous les hommes en état de porter des armes:
21 les recensés de la tribu de Ruben furent quarante-six mille cinq cents.
22 Fils de Siméon, leurs descendants selon leurs familles, selon leurs maisons patriarcales, leurs recensés en comptant les noms par tête, tous les mâles depuis l’âge de vingt et au-dessus, tous les hommes en état de porter les armes;
23 les recensés de la tribu de Siméon furent cinquante-neuf mille trois cents.
24 Fils de Gad, leurs descendants selon leurs familles, selon leurs maisons patriarcales, en comptant les noms depuis l’âge de vingt ans et au-dessus, tous les hommes en état de porter les armes:
25 les recensés de la tribu de Gad furent quarante-cinq mille six cent cinquante.
26 Fils de Juda, leurs descendants selon leurs familles, selon leurs maisons patriarcales, en comptant les noms depuis l’âge de vingt ans et au-dessus, tous les hommes en état de porter les armes:
27 les recensés de la tribu de Juda furent soixante-quatorze mille six cents.
28 Fils d’Issachar, leurs descendants selon leurs familles, selon leurs maisons patriarcales, en comptant les noms depuis l’âge de vingt ans et au-dessus, tous les hommes en état de porter les armes:
29 les recensés de la tribu d’Issachar furent cinquante-quatre mille quatre cents.
30 Fils de Zabulon, leurs descendants selon leurs familles, selon leurs maisons patriarcales, en comptant les noms depuis l’âge de vingt ans et au-dessus, tous les hommes en état de porter les armes:
31 les recensés de la tribu de Zabulon furent cinquante-sept mille quatre cents.
32 Fils de Joseph, – fils d’Ephraïm, leurs descendants selon leurs familles, selon leurs maisons patriarcales, en comptant les noms depuis l’âge de vingt ans et au-dessus, tous les hommes en état de porter les armes:
33 les recensés de la tribu d’Ephraïm furent quarante mille cinq cents.
34 – Fils de Manassé, leurs descendants selon leurs familles, selon leurs maisons patriarcales, en comptant les noms depuis l’âge de vingt ans et au-dessus, tous les hommes en état de porter les armes:
35 les recensés de la tribu de Manassé furent trente-deux mille deux cents.
36 Fils de Benjamin, leurs descendants selon leurs familles, selon leurs maisons patriarcales, en comptant les noms depuis l’âge de vingt ans et au-dessus, tous les hommes en état de porter les armes:
37 les recensés de la tribu de Benjamin furent trente-cinq mille quatre cents.
38 Fils de Dan, leurs descendants selon leurs familles, selon leurs maisons patriarcales, en comptant les noms depuis vingt ans et au-dessus, tous les hommes en état de porter les armes:
39 les recensés de la tribu de Dan furent soixante-deux mille sept cents.
40 Fils d’Aser, leurs descendants selon leurs familles, selon leurs maisons patriarcales, en comptant les noms depuis vingt ans et au-dessus, tous les hommes en état de porter les armes:
41 les recensés de la tribu d’Aser furent quarante et un mille cinq cents.
42 Fils de Nephtali, leurs descendants selon leurs familles, selon leurs maisons patriarcales, en comptant les noms depuis l’âge de vingt ans et au-dessus, tous les hommes en état de porter les armes:
43 les recensés de la tribu de Nephtali furent cinquante-trois mille quatre cents.
44 Tels sont ceux qui furent recensés, que recensèrent Moïse et Aaron, avec les princes d’Israël, au nombre de douze: un homme pour chacune de leurs maisons patriarcales.
45 Tous les enfants d’Israël dont on fit le recensement, selon leurs maisons patriarcales, depuis l’âge de vingt ans et au-dessus, tous les hommes d’Israël en état de porter les armes,
46 tous les recensés furent six cent trois mille cinq cent cinquante.
47 Les Lévites, selon leur tribu patriarcale, ne furent pas recensés avec eux.
48 Yahweh parla à Moïse, en disant:
49 «Tu ne feras pas le recensement de la tribu de Lévi, et tu n’en réuniras pas le compte avec celui des enfants d’Israël.
50 Remets à leur soin la demeure du témoignage, tous ses ustensiles et tout ce qui lui appartient. Ils porteront la Demeure et tous ses ustensiles, ils en feront le service, et ils camperont autour de la Demeure.
51 Quand la Demeure partira, les Lévites la démonteront; quand la Demeure campera, les Lévites la dresseront; et l’étranger qui s’en approchera sera puni de mort.
52 Les enfants d’Israël camperont chacun dans son camp, chacun près de sa bannière, selon leurs troupes.
53 Mais les Lévites camperont autour de la demeure du témoignage, afin que ma colère n’éclate pas sur l’assemblée des enfants d’Israël; et les Lévites auront la garde de la Demeure du témoignage.»
54 Les enfants d’Israël agirent selon tout ce que Yahweh avait ordonné à Moïse; ils firent ainsi.

Chapitres 02

1 Yahweh parla à Moïse, en disant:
2 «Les enfants d’Israël camperont chacun près de sa bannière, sous les enseignes de leurs maisons patriarcales; ils camperont vis-à-vis de la tente de réunion, tout autour.
3 A l’avant, vers l’orient, campera la bannière du camp de Juda, avec ses troupes; le prince des fils de Juda est Nahasson, fils d’Aminadab,
4 et son corps d’armée, d’après les hommes recensés, est de soixante-quatorze mille six cents hommes.
5 A ses côtés campera la tribu d’Issachar; le prince des fils d’Issachar est Nathanaël, fils de Suar,
6 et son corps d’armée, d’après les hommes recensés, est de cinquante-quatre mille quatre cents hommes.
7 Puis la tribu de Zabulon; le prince des fils de Zabulon est Eliab, fils de Hélon,
8 et son corps d’armée, d’après les hommes recensés, est de cinquante-sept mille quatre cents hommes.
9 Total pour le camp de Juda, d’après les hommes recensés: cent quatre-vingt-six mille quatre cents hommes, selon leurs troupes. Ils se mettront en marche les premiers.
10 Au midi, la bannière du camp de Ruben, avec ses troupes; le prince des fils de Ruben est Elisur, fils de Sédéur,
11 et son corps d’armée, d’après les hommes recensés, est de quarante-six mille cinq cents hommes.
12 A ses côtés campera la tribu de Siméon; le prince des fils de Siméon est Salamiel, fils de Surisaddaï,
13 et son corps d’armée, d’après les hommes recensés, est de cinquante-neuf mille trois cents hommes.
14 Puis la tribu de Gad; le chef des fils de Gad est Eliasaph, fils de Duel,
15 et son corps d’armée, d’après les hommes recensés, est de quarante-cinq mille six cent cinquante hommes.
16 Total pour le camp de Ruben, d’après les hommes recensés: cent cinquante et un mille quatre cent cinquante hommes, selon leurs troupes. Ils se mettront en marche les seconds.
17 Ensuite s’avancera la tente de réunion , le camp des Lévites au milieu des autres camps. Ils suivront dans la marche l’ordre de leur campement, chacun à son rang, selon sa bannière.
18 A l’occident, la bannière d’Ephraïm, avec ses troupes; le prince des fils d’Ephraïm est Elisama, fils d’Ammiud,
19 et son corps d’armée, d’après les hommes recensés, est de quarante mille cinq cents hommes.
20 A ses côtés campera la tribu de Manassé; le prince des fils de Manassé est Gamaliel, fils de Phadassur,
21 et son corps d’armée, d’après les hommes recensés, est de trente-deux mille deux cents hommes.
22 Puis la tribu de Benjamin; le prince des fils de Benjamin est Abidan, fils de Gédéon,
23 et son corps d’armée, d’après les hommes recensés, est de trente-cinq mille quatre cents hommes.
24 Total pour le camp d’Ephraïm, d’après les hommes recensés: cent huit mille et cent hommes, selon leurs troupes. Ils se mettront en marche les troisièmes.
25 Au nord, la bannière du camp de Dan, avec ses troupes; le prince des fils de Dan est Ahiéser, fils d’Ammisaddaï,
26 et son corps d’armée, d’après les hommes recensés, est de soixante-deux mille sept cents hommes.
27 A ses côtés campera la tribu d’Aser; le prince des fils d’Aser est Phégiel, fils d’Ochran,
28 et son corps d’armée, d’après les hommes recensés, est de quarante et un mille cinq cents hommes.
29 Puis la tribu de Nephtali; le prince des fils de Nephtali est Ahira, fils d’Enan,
30 et son corps d’armée, d’après les hommes recensés, est de cinquante-trois mille quatre cents hommes.
31 Total pour le camp de Dan, d’après les hommes recensés: cent cinquante-sept mille six cents hommes. Ils se mettront en marche les derniers, selon leurs bannières.»
32 Tels furent les enfants d’Israël inscrits au recensement selon leurs maisons patriarcales. Total pour tous les hommes recensés, répartis en divers camps, selon leurs troupes d’armée: six cent trois mille cinq cent cinquante hommes.
33 Les Lévites ne furent pas compris dans le recensement avec les enfants d’Israël, suivant que Yahweh l’avait ordonné à Moïse.
34 Et les enfants d’Israël agirent selon tout ce que Yahweh avait ordonné à Moïse. C’est ainsi qu’ils campaient, selon leurs bannières, et ainsi qu’ils se mettaient en marche, chacun selon sa famille, selon sa maison patriarcale.

Chapitres 03

1 Voici la postérité d’Aaron et de Moïse, au temps où Yahweh parla à Moïse sur la montagne de Sinaï
2 Voici les noms des fils d’Aaron: Nadab, le premier-né, Abiu, Eléazar et Ithamar.
3 Tels sont les noms des fils d’Aaron, des prêtres ayant reçu l’onction, installés pour exercer le sacerdoce.
4 Nadab et Abiu moururent devant Yahweh, lorsqu’ils apportèrent devant Yahweh du feu étranger, dans le désert de Sinaï; ils n’avaient point de fils. Eleazar et Ithamar exercèrent le sacerdoce en présence d’Aaron, leur père.
5 Yahweh parla à Moïse, en disant:
6 «Fais approcher la tribu de Lévi, et tu la placeras devant Aaron le prêtre, pour qu’elle soit à son service.
7 Ils auront la charge de tout ce qui est commis à sa charge et à la charge de toute l’assemblée, devant la tente de réunion, faisant ainsi le service de la Demeure.
8 Ils seront chargés de tous les ustensiles de la tente de réunion, et de ce qui est commis à la charge des enfants d’Israël: ils feront ainsi le service de la Demeure. Tu donneras les Lévites à Aaron et à ses fils;
9 ils lui seront entièrement donnés, d’entre les enfants d’Israël.
10 Tu établiras Aaron et ses fils pour accomplir les fonctions de leur sacerdoce; l’étranger qui approchera du sanctuaire sera puni de mort.»
11 Yahweh parla à Moïse, en disant:
12 «Voici, j’ai pris les lévites du milieu des enfants d’Israël, à la place de tout premier-né qui ouvre le sein de sa mère parmi les enfants d’Israël, et les Lévites sont à moi.
13 Car tout premier-né est à moi; le jour où j’ai frappé tous les premiers nés dans le pays d’Egypte, je me suis consacré tout premier-né en Israël, tant des hommes que des animaux: ils sont à moi. Je suis Yahweh.»
14 Yahweh parla à Moïse dans le désert de Sinaï, en disant:
15 «Fais le recensement des enfants de Lévi selon leurs maisons patriarcales, selon leurs familles. Tu feras le recensement de tous les mâles, depuis l’âge d’un mois et au-dessus.»
16 Moïse fit leur recensement sur l’ordre de Yahweh, selon qu’il lui avait été commandé.
17 Voici les fils de Lévi, d’après leurs noms: Gerson, Caath et Mérari.
18 Voici les noms des fils de Gerson, selon leurs familles: Lebni et Séméi.
19 Fils de Caath, selon leurs familles: Amram, Jésaar, Hébron et Oziel.
20 Fils de Mérari, selon leurs familles: Moholi et Musi. Ce sont là les familles de Lévi selon leurs maisons patriarcales.
21 De Gerson viennent la famille de Lebni et la famille de Séméi; ce sont les familles de Gersonites.
22 Leurs recensés, en comptant tous les mâles depuis l’âge d’un mois et au-dessus, leurs recensés furent sept mille cinq cents.
23 Les familles des Gersonites campaient derrière la Demeure, à l’occident.
24 Le prince de la maison patriarcale des Gersonites était Eliasaph, fils de Laël.
25 En ce qui concerne la tente de réunion, les fils de Gerson avaient la charge de la Demeure et de la tente, de sa couverture, du rideau qui est à l’entrée de la tente de réunion,
26 des tentures du parvis et du rideau de l’entrée du parvis, tout autour de la Demeure et de l’autel, et de ses cordages pour tout son service.
27 De Caath viennent la famille des Amramites, la famille des Jésaarites, la famille des Hébronites et la famille des Oziélites; ce sont là les familles des Caathites.
28 En comptant tous les mâles depuis l’âge d’un mois et au-dessus, on en trouva huit mille six cents, chargés de la garde du sanctuaire.
29 Les familles des fils de Caath campaient au côté méridional de la Demeure.
30 Le prince de la maison patriarcale des familles des Caathites était Elisaphan, fils d’Oziel.
31 On confia à leur garde l’arche, la table de préposition, le chandelier, les autels, les ustensiles du sanctuaire avec lesquels on fait le service, le voile et tout ce qui se rapporte à son service.
32 Le prince des princes des Lévites était Eléazar, fils du prêtre Aaron; il avait la surveillance de ceux qui étaient chargés de la garde du sanctuaire.
33 De Mérari viennent la famille des Moholites et la famille des Musites: ce sont là les familles des Mérarites.
34 Leurs recensés, en comptant tous les mâles depuis l’âge d’un mois et au-dessus, furent six mille deux cents.
35 Le prince de la maison patriarcale des familles de Mérari était Suriel, fils d’Abihaiel. Ils campaient au côté septentrional de la Demeure.
36 Les fils de Mérari eurent le soin et la garde des ais de la Demeure, de ses traverses, de ses colonnes et de leurs socles, de tous ses ustensiles et de tout son service,
37 des colonnes du parvis tout autour, de leurs socles, de leurs pieux et de leurs cordages.
38 En face de la Demeure, à l’orient, devant la tente de réunion, au levant, campaient Moïse, Aaron et ses fils; ils avaient la garde du sanctuaire, pour ce qui était remis à la garde des enfants d’Israël; l’étranger qui s’en approcherait devait être puni de mort.
39 Total des Lévites recensés dont Moïse fit le recensement sur l’ordre de Yahweh selon leurs familles, de tous les mâles depuis l’âge d’un mois et au-dessus: vingt-deux mille.
40 Yahweh dit à Moïse: «Fais le recensement de tous les premiers-nés mâles parmi les enfants d’Israël, depuis l’âge d’un mois et au-dessus, et fais le compte de leurs noms.
41 Tu prendras les Lévites pour moi, je suis Yahweh, à la place de tous les premiers-nés des enfants d’Israël, et le bétail des Lévites à la place de tous les premiers-nés du bétail des enfants d’Israël.»
42 Moïse fit le recensement de tous les premiers-nés parmi les enfants d’Israël, selon l’ordre que Yahweh lui avait donné.
43 Tous les premiers-nés mâles, comptés par leurs noms, depuis l’âge d’un mois et au-dessus, dont on fit le recensement, furent vingt-deux mille deux cent soixante-treize.
44 Yahweh parla à Moïse, en disant:
45 «Prends les Lévites à la place de tous les premiers-nés des enfants d’Israël, et le bétail des Lévites à la place de leur bétail; et les Lévites seront à moi. Je suis Yahweh.
46 Pour le rachat des deux cent soixante-treize d’entre les premiers-nés des enfants d’Israël qui dépassent le nombre des Lévites,
47 tu prendras cinq sicles par tête; tu les prendras selon le sicle du sanctuaire, qui est de vingt guéras.
48 Tu donneras l’argent à Aaron et à ses fils pour le rachat de ceux qui dépassent le nombre des Lévites.»
49 Moïse prit l’argent pour le rachat de ceux qui dépassaient le nombre des premiers-nés rachetés par les Lévites;
50 il prit l’argent des premiers-nés des enfants d’Israël, mille trois cent soixante-cinq sicles, selon le sicle du sanctuaire.
51 Et Moïse donna l’argent du rachat à Aaron et à ses fils, sur l’ordre de Yahweh, selon que Yahweh l’avait ordonné à Moïse.

Chapitres 04

1 Yahweh parla à Moïse et à Aaron, en disant:
2 «Compte les fils de Caath parmi les enfants de Lévi, selon leurs familles, selon leurs maisons patriarcales,
3 depuis l’âge de trente ans et au-dessus jusqu’à l’âge de cinquante ans, tous ceux qui ont à faire le service, à remplir quelque fonction dans la tente de réunion.
4 Voici quel sera le service des fils de Caath dans la tente de réunion: il portera sur les objets très saints.
5 Quand on lèvera le camp, Aaron et ses fils viendront descendre le voile et ils en couvriront l’arche du témoignage;
6 ils mettront par-dessus une couverture de peau de veau marin, et ils étendront par-dessus un drap tout entier de pourpre violette; puis ils placeront les barres de l’arche.
7 Ils étendront un drap de pourpre violette sur la table des pains de proposition, et ils mettront dessus les plats, les calices, les patères et les coupes pour les libations; le pain perpétuel sera sur elle;
8 ils étendront par-dessus un drap de cramoisi, qu’ils envelopperont d’une couverture de peau de veau de marin, et ils placeront les barres de la table.
9 Ils prendront un drap de pourpre violette et ils en couvriront le chandelier, ainsi que ses lampes, ses mouchettes, ses vases à cendre et tous ses vases à huile, nécessaires pour son service;
10 puis, l’ayant mis, avec tous ses ustensiles, dans une couverture de peau de veau de marin, ils le placeront sur le brancard.
11 Ils étendront un drap de pourpre violette sur l’autel d’or, et, après l’avoir enveloppé d’une couverture de peau de veau de marin, ils y mettront les barres.
12 Ils prendront tous les ustensiles en usage pour le service dans le sanctuaire, et les ayant mis dans un drap de pourpre violette, ils les envelopperont d’une couverture de peau de veau de marin, et les placeront sur le brancard.
13 Ils ôteront les cendres de l’autel et ils étendront par-dessus un drap de pourpre écarlate;
14 ils mettront dessus tous les ustensiles nécessaires à son service, les brasiers, les fourchettes, les pelles, les bassins, tous les ustensiles de l’autel et, ayant étendu sur le tout une couverture de peau de veau de marin, ils y mettront les barres.
15 Quand Aaron et ses fils auront achevé de couvrir le sanc- tuaire et tous les ustensiles du sanctuaire, et qu’on lèvera le camp, les fils de Caath viendront les emporter, mais ils ne toucheront point les choses saintes, de peur qu’ils ne meurent. Voilà ce qu’auront à porter les fils de Caath dans la tente de réunion.
16 Eléazar, fils d’Aaron, le prêtre, aura sous sa surveillance l’huile du chandelier, le parfum odoriférant, l’oblation perpétuelle et l’huile d’onction; il aura la surveillance de toute la Demeure et de tout ce quelle contient, du sanctuaire et de tous ses ustensiles.»
17 Yahweh parla à Moïse et à Aaron, en disant:
18 «Prenez garde de faire retrancher la tribu des familles des Caathites du milieu des Lévites.
19 Agissez ainsi à leur égard, afin qu’ils vivent et ne meurent point, quand ils s’approcheront des objets très saints. Aaron et ses fils viendront, et ils assigneront à chacun d’eux son service et ce qu’il a à porter;
20 et les Lévites n’entreront point pour voir un seul instant les choses saintes, de peur qu’ils ne meurent.»
21 Yahweh parla à Moïse, en disant:
22 «Compte aussi les fils de Gerson selon maisons patriarcales,
23 d’après leurs familles; tu feras leur recensement, depuis l’âge de trente ans et au-dessus jusqu’à l’âge de cinquante ans, de tous ceux qui ont à faire le service, à remplir quelque fonction dans la tente de réunion.
24 Voici le service des familles des Gersonites, ce qu’ils auront à faire et à porter.
25 Ils porteront les tentures de la Demeure et la tente de réunion, sa couverture et la couverture de peau de veau de marin qui se met par-dessus, le rideau qui est à l’entrée de la tente de réunion,
26 les tentures du parvis et le rideau de l’entrée de la porte du parvis, tout autour de la Demeure et de l’autel, leurs cordages et tous les ustensiles à leur usage; et ils feront tout le service qui s’y rapporte.
27 Tout le service des fils des Gersonites sera sous les ordres d’Aaron et de ses fils, pour tout ce qu’ils auront à porter et pour tout ce qu’ils auront à faire; vous remettrez à leur garde toutes les choses qu’ils ont à porter.
28 Tel est le service des familles des fils des Gersonites à l’égard de la tente de réunion; ils exerceront leur charge sous la direction d’Ithamar, fils d’Aaron, le prêtre.
29 Tu feras le recensement des fils de Mérari selon leurs familles, selon leurs maisons patriarcales;
30 tu les recenseras, depuis l’âge de trente ans et au-dessus jusqu’à l’âge de cinquante ans, tous ceux qui ont à faire le service, à remplir quelque fonction dans la tente de réunion;
31 Voici ce qui sera remis à leur charge, ce qu’ils auront à porter selon tout leur service dans la tente de réunion: les ais de la Demeure, ses traverses, ses colonnes, ses socles;
32 les colonnes du parvis qui l’entourent, leurs socles, leurs pieux, leurs cordages, tous leurs ustensiles et tout ce qui se rapporte à leur service. Vous ferez l’inventaire par leurs noms des objets qui leur ont été confiés pour les porter;
33 Tel est le service des familles des fils de Mérari, tout leur service à l’égard de la tente de réunion, sous la direction d’Ithamar, fils d’Aaron, le prêtre».
34 Moïse, Aaron et les princes de l’assemblée firent le recensement des fils des Caathites selon leurs familles et selon leurs maisons patriarcales,
35 depuis l’âge de trente et au-dessus jusqu’à l’âge de cinquante ans, tous ceux qui avaient à faire le service, à remplir quelque fonction dans la tente de réunion.
36 Les recensés, selon leurs familles, furent deux mille sept cent cinquante.
37 Ce furent là les recensés de la famille des Caathites, tous ceux qui remplissaient un service dans la tente de réunion. Moïse et Aaron en firent le recensement selon l’ordre de Yahweh par l’organe de Moïse.
38 Les recensés des fils de Gerson selon leurs familles et selon leurs maisons patriarcales,
39 depuis l’âge de trente ans et au-dessus jusqu’à l’âge de cinquante ans, tous ceux qui avaient à faire le service, à remplir quelque fonction dans la tente de réunion,
40 les recensés selon leurs familles, selon leurs maisons patriarcales, furent deux mille six cent trente.
41 Ce furent là les recensés des familles des fils de Gerson, tous ceux qui remplissaient un service dans la tente de réunion. Moïse et Aaron en firent le recensement selon l’ordre de Yahweh.
42 Les recensés des fils de Mérari selon leurs familles, selon leurs maisons patriarcales,
43 depuis l’âge de trente ans et au-dessus jusqu’à l’âge de cinquante ans, tous ceux qui avaient à faire le service, à remplir quelque fonction dans la tente de réunion,
44 les recensés, selon leurs familles, furent trois mille deux cents.
45 Ce furent là les recensés des familles des fils de Mérari. Moïse et Aaron en firent le recensement sur l’ordre de Yahweh par l’organe de Moïse.
46 Tous les recensés des Lévites, dont Moïse, Aaron et les princes d’Israël firent le recensement, selon leurs familles et selon leurs maisons patriarcales,
47 depuis l’âge de trente ans et au-dessus jusqu’à l’âge de cinquante ans, tous ceux qui avaient à remplir quelque fonction, dans le service et le transport, à l’égard de la tente de réunion,
48 tous les recensés furent huit mille cinq cent quatre-vingts.
49 On en fit le recensement selon l’ordre de Yahweh par l’organe de Moïse, en assignant à chacun le service qu’il devait faire et ce qu’il devait porter; c’est ainsi qu’ils furent recensés, comme Yahweh l’avait ordonné à Moïse.

Chapitres 05

1 Yahweh parla à Moïse, en disant:
2 «Ordonne aux enfants d’Israël de faire sortir du camp quiconque à la lèpre et quiconque a une gonorrhée, et quiconque est souillé par un cadavre.
3 Hommes ou femmes, vous les ferez sortir du camp, afin qu’ils ne souillent pas leur camp, au milieu duquel j’habite.»
4 Les enfants d’Israël firent ainsi, et ils les firent sortir hors du camp; comme Yahweh l’avait ordonné à Moïse, ainsi firent les enfants d’Israël.
5 Yahweh parla à Moïse, en disant:
6 «Dis aux enfants d’Israël: Si quelqu’un, homme ou femme, commet quelqu’un de tous les péchés qui cause un préjudice au prochain, en se rendant infidèle envers Yahweh, et qu’il se soit rendu coupable,
7 il confessera son péché et il restituera en son entier l’objet mal acquis, en y ajoutant un cinquième; il le remettra à celui envers qui il s’est rendu coupable.
8 Si celui-ci n’a pas de représentant à qui puisse être rendu l’objet du délit, cet objet revient à Yahweh, au prêtre, outre le bélier expiatoire avec lequel on fera l’expiation pour le coupable».
9 «Toute offrande prélevée sur les choses saintes que les enfants d’Israël présentent au prêtre, appartiendra à celui-ci;
10 les choses que tout homme aura consacré seront à lui; ce que chacun donne au prêtre lui appartiendra».
11 Yahweh parla à Moïse, en disant:
12 «Parle aux enfants d’Israël, et dis-leur: Si une femme mariée se détourne et devient infidèle à son mari,
13 un autre homme ayant eu commerce avec elle, et que la chose soit cachée aux yeux de son mari, cette femme s’étant souillée en secret, sans qu’il y ait eu de témoin contre elle, et sans qu’elle ait été prise sur le fait:
14 si le mari est saisi d’un esprit de jalousie et qu’il soit jaloux de sa femme qui s’est souillée, ou bien s’il est saisi d’un esprit de jalousie et qu’il soit jaloux de sa femme qui ne s’est pas souillée:
15 cet homme amènera sa femme au prêtre et il apportera une offrande à cause d’elle, un dixième d’épha de farine d’orge; il n’y versera pas d’huile et n’y mettra pas d’encens, car c’est une oblation de jalousie, une oblation de souvenir, qui rappelle une prévarication.
16 Le prêtre la fera approcher de l’autel et se tenir debout devant Yahweh.
17 Le prêtre prendra de l’eau sainte dans un vase de terre et, ayant pris de la poussière sur le sol de la Demeure, il la mettra dans l’eau.
18 Le prêtre fera tenir la femme debout devant Yahweh, il dénouera la chevelure de la tête de la femme et lui posera sur les mains l’oblation de souvenir; c’est une oblation de jalousie. Le prêtre aura dans la main les eaux amères qui apportent la malédiction.
19 Le prêtre adjurera la femme et lui dira: Si aucun homme n’a couché avec toi, et si tu ne t’es pas détournée pour te souiller, étant sous la puissance de ton mari, sois préservée de l’effet de ces eaux amères qui apportent la malédiction.
20 Mais si, étant sous la puissance de ton mari, tu t’es détournée et t’es souillée, et si un autre homme que ton mari a couché avec toi:
21 le prêtre adjurera la femme par les serment d’imprécation, et lui dira: Que Yahweh fasse de toi une malédiction et une exécration au milieu de ton peuple, en faisant maigrir tes flancs et enfler ton ton ventre,
22 et que ces eaux qui apportent la malédiction entrent dans tes entrailles pour te faire enfler le ventre et maigrir les flancs! Et la femme dira: Amen! Amen!
23 Le prêtre écrira ces imprécations sur un rouleau, et il les effacera ensuite dans les eaux amères.
24 Puis il fera boire à la femme les eaux amères qui apportent la malédiction, et les eaux qui apportent la malédiction entreront en elle pour lui être amères.
25 Le prêtre, ayant pris des mains de la femme l’oblation de la jalousie, la balancera devant Yahweh, et l’approchera de l’autel;
26 il prendra une poignée de cette oblation comme mémorial, et il la fera fumer sur l’autel; et après cela, il fera boire les eaux à la femme.
27 Quand il lui fera boire les eaux, il arrivera, si elle s’est souillée et a été infidèle à son mari, que les eaux qui apportent la malédiction entreront en elle pour lui être amères: son ventre s’enflera, ses flancs maigriront, et cette femme sera une malédiction au milieu de son peuple.
28 Mais si la femme ne s’est pas souillée et qu’elle soit pure, elle sera préservée, et elle aura des enfants.
29 Telle est la loi sur la jalousie, quand une femme, étant sous la puissance de son mari, se détourne et se souille,
30 ou quand l’esprit de jalousie s’empare d’un mari et qu’il devient jaloux de sa femme: il fera tenir sa femme debout devant Yahweh, et le prêtre lui appliquera cette loi dans son entier.
31 Le mari sera exempt de faute; mais la femme portera son iniquité».

Chapitres 06

1 Yahweh parla à Moïse, en disant:
2 «Parle aux enfants d’Israël, et dis-leur: Lorsqu’un homme ou une femme se sépare par un voeu, un voeu de nazaréen, pour se séparer en l’honneur de Yahweh,
3 il s’abstiendra de vin et boisson enivrante; il ne boira ni vinaigre fait avec du vin, ni vinaigre fait avec une boisson enivrante; il ne boira d’aucun jus de raisin; il ne mangera ni raisins frais, ni raisins secs.
4 Pendant tout le temps de son nazaréat, il ne mangera d’aucun produit de la vigne, depuis les pépins jusqu’à la peau du raisin.
5 Pendant tout le temps du voeu de son nazaréat, le rasoir ne passera point sur sa tête; jusqu’à l’accomplissement des jours pour la durée desquels il se sépare en l’honneur de Yahweh, il sera saint, laissant croître librement ses cheveux.
6 Tout le temps pendant lequel il se sépare en l’honneur de Yahweh, il ne s’approchera d’aucun corps mort;
7 il ne se souillera ni pour son père, ni pour sa mère, ni pour son frère ou sa soeur, à leur mort, car il porte sur sa tête la consécration à son Dieu.
8 Tout le temps de son nazaréat, il est consacré à Yahweh.
9 Si quelqu’un meurt subitement près de lui, et que sa tête consacrée soit ainsi souillée, il se rasera la tête le jour de sa purification; il la rasera le septième jour.
10 Et le huitième jour, il apportera au prêtre deux tourterelles ou deux jeunes pigeons, à l’entrée de la tente de réunion.
11 Le prêtre offrira l’un en sacrifice pour le péché, et l’autre en holocauste, et il fera pour lui l’expiation pour son péché à l’occasion du mort. Ce jour-là, le nazaréen consacrera sa tête.
12 Il consacrera de nouveau à Yahweh les jours de son nazaréat, et il offrira un agneau d’un an en sacrifice de réparation; les jours précédents sont nuls, parce que son nazaréat a été souillé.
13 Voici la loi du nazaréen. Le jour où il aura accompli le jour de son nazaréat, on le fera venir à l’entrée de la tente de réunion.
14 Il présentera son offrande à Yahweh: un agneau d’un an, sans défaut, pour l’holocauste; une brebis d’un an, sans défaut, pour le péché; un bélier d’un an, sans défaut, pour le sacrifice pacifique;
15 ainsi qu’une corbeille de pains sans levain, de gâteaux de fleur de farine pétris à l’huile, et de galettes sans levain arrosées d’huile, avec l’oblation et les libations ordinaires.
16 Le prêtre les présentera devant Yahweh, et il offrira son sacrifice pour le péché et son holocauste.
17 Puis il offrira le bélier en sacrifice pacifique à Yahweh, avec la corbeille de pains sans levain; le prêtre fera son oblation et sa libation.
18 Le nazaréen rasera, à l’entrée de la tente de réunion, sa tête consacrée; et prenant les cheveux de sa tête consacrée, il les mettra sur le feu qui est sous la victime du sacrifice pacifique.
19 Le prêtre prendra l’épaule du bélier quand elle sera cuite, un gâteau sans levain de la corbeille et une galette sans levain; et, les ayant posés sur les mains du nazaréen, après que celui-ci aura rasé sa tête consacrée,
20 le prêtre les balancera devant Yahweh: c’est une chose sainte qui appartient au prêtre, outre la poitrine balancée et la cuisse prélevée. Après cela le nazaréen pourra boire du vin.
21 Telle est la loi du nazaréen qui a fait un voeu, telle est son offrande à Yahweh pour son nazaréat, outre ce que ses moyens lui permettront de faire. Selon le voeu qu’il aura fait, ainsi il agira d’après la loi de son nazaréat.»
22 Yahweh parla à Moïse, en disant:
23 «Parle à Aaron et à ses fils en disant: Vous bénirez ainsi les enfants d’Israël, vous leur direz:
24 Que Yahweh te bénisse et te garde!
25 Que Yahweh fasse luire sa face sur toi, et qu’il t’accorde sa grâce!
26 Que Yahweh lève sa face vers toi, et qu’il te donne la paix!
27 C’est ainsi qu’ils mettront mon nom sur les enfants d’Israël, et je les bénirai.»

Chapitres 07

1 Le jour où Moïse acheva de dresser la Demeure, de l’oindre et de la sanctifier avec tous ses ustensiles, ainsi que l’autel avec tous ses ustensiles; lorsqu’il les eut oints et sanctifiés,
2 les princes d’Israël, chefs de leurs maisons patriarcales, présentèrent leurs offrandes: c’étaient les princes des tribus, ceux qui avaient présidé au dénombrement.
3 Ils amenèrent leur offrande devant Yahweh: six chars couverts et douze boeufs, soit un char pour deux princes et un boeuf pour chaque prince, et ils les présentèrent devant la Demeure.
4 Yahweh parla à Moïse, en disant:
5 «Reçois d’eux ces choses, et qu’elles soient employées pour les services de la tente de réunion; tu les donneras aux Lévites, à chacun selon les besoins de son service.»
6 Moïse, ayant pris les chars et les boeufs, les remit aux Lévites.
7 Il donna deux chars et quatre boeufs aux fils de Gerson, selon les besoins de leur service;
8 il donna quatre chars et huit boeufs aux fils de Mérari, selon les besoins de leur service, sous la surveillance d’Ithamar, fils d’Aaron, le prêtre.
9 Mais il n’en donna pas aux fils de Caath, parce que, ayant le service des objets sacrés, ils devaient les porter sur leurs épaules.
10 Les princes présentèrent leur offrande pour la dédicace de l’autel, le jour où on l’oignit; les princes présentèrent leur offrande devant l’autel.
11 Et Yahweh dit à Moïse: «Que chaque jour un prince vienne présenter son offrande pour la dédicace de l’autel.»
12 Celui qui présenta son offrande le premier jour fut Nahasson, fils d’Aminadab, de la tribu de Juda.
13 Il offrit: un plat d’argent du poids de cent trente sicles, une coupe d’argent de soixante-dix sicles, selon le sicle du sanctuaire, l’un et l’autre pleins de fleur de farine pétrie à l’huile, pour l’oblation;
14 un godet d’or de dix sicles, plein de parfum;
15 un jeune taureau, un bélier et un agneau d’un an pour l’holocauste;
16 un bouc pour le sacrifice pour le péché,
17 et, pour le sacrifice pacifique, deux boeufs, cinq béliers, cinq boucs et cinq agneaux d’un an. Telle fut l’offrande de Nahasson, fils d’Aminadab.
18 Le second jour, Nathanaël, fils de Suar, prince de la tribu d’Issachar, présenta son offrande.
19 Il offrit: un plat d’argent du poids de cent trente sicles, une coupe d’argent de soixante-dix sicles, selon le sicle du sanctuaire, l’un et l’autre pleins de fleur de farine pétrie à l’huile, pour l’oblation;
20 un godet d’or de dix sicles, plein de parfum;
21 un jeune taureau, un bélier et un agneau d’un an pour l’holocauste;
22 un bouc pour le sacrifice pour le péché,
23 et, pour le sacrifice pacifique, deux boeufs, cinq béliers, cinq boucs et cinq agneaux d’un an. Telle fut l’offrande de Nathanaël, fils de Suar.
24 Le troisième jour vint le prince des fils de Zabulon, Eliab, fils de Hélon;
25 il offrit: un plat d’argent du poids de cent trente sicles, une coupe d’argent de soixante-dix sicles, selon le sicle du sanctuaire, l’un et l’autre pleins de fleur de farine pétrie à l’huile, pour l’oblation;
26 un godet d’or de dix sicles, plein de parfum;
27 un jeune taureau, un bélier et un agneau d’un an pour l’holocauste;
28 un bouc pour le sacrifice pour le péché,
29 et, pour le sacrifice pacifique, deux boeufs, cinq béliers, cinq boucs et cinq agneaux d’un an. Telle fut l’offrande d’Eliab, fils de Hélon.
30 Le quatrième jour vint le prince des fils de Ruben, Elisur, fils de Sédéur;
31 il offrit: un plat d’argent du poids de cent trente sicles, une coupe d’argent de soixante-dix sicles, selon le sicle du sanctuaire, l’un et l’autre pleins de fleur de farine pétrie à l’huile, pour l’oblation;
32 un godet d’or de dix sicles, plein de parfum;
33 un jeune taureau, un bélier et un agneau d’un an pour l’holocauste;
34 un bouc pour le sacrifice pour le péché,
35 et, pour le sacrifice pacifique, deux boeufs, cinq béliers, cinq boucs et cinq agneaux d’un an. Telle fut l’offrande d’Elisur, fils de Sédéur.
36 Le cinquième jour vint le prince des fils de Siméon, Salamiel, fils de Surisaddaï;
37 il offrit: un plat d’argent du poids de cent trente sicles, une coupe d’argent de soixante-dix sicles, selon le sicle du sanctuaire, l’un et l’autre pleins de fleur de farine pétrie à l’huile, pour l’oblation;
38 un godet d’or de dix sicles, plein de parfum;
39 un jeune taureau, un bélier et un agneau d’un an pour l’holocauste;
40 un bouc pour le sacrifice pour le péché,
41 et, pour le sacrifice pacifique, deux boeufs, cinq béliers, cinq boucs et cinq agneaux d’un an. Telle fut l’offrande de Salamiel, fils de Surisaddaï.
42 Le sixième jour vint le prince des fils de Gad, Eliasaph, fils de Duel;
43 il offrit: un plat d’argent du poids de cent trente sicles, une coupe d’argent de soixante-dix sicles, selon le sicle du sanctuaire, l’un et l’autre pleins de fleur de farine pétrie à l’huile, pour l’oblation;
44 un godet d’or de dix sicles, plein de parfum;
45 un jeune taureau, un bélier et un agneau d’un an pour l’holocauste;
46 un bouc pour le sacrifice pour le péché,
47 et, pour le sacrifice pacifique, deux boeufs, cinq béliers, cinq boucs et cinq agneaux d’un an. Telle fut l’offrande d’Eliasaph, fils de Duel.
48 Le septième jour vint le prince des fils d’Ephraïm, Elisama, fils d’Ammiub;
49 il offrit: un plat d’argent du poids de cent trente sicles, une coupe d’argent de soixante-dix sicles, selon le sicle du sanctuaire, l’un et l’autre pleins de fleur de farine pétrie à l’huile, pour l’oblation;
50 un godet d’or de dix sicles, plein de parfum;
51 un jeune taureau, un bélier et un agneau d’un an pour l’holocauste;
52 un bouc pour le sacrifice pour le péché,
53 et, pour le sacrifice pacifique, deux boeufs, cinq béliers, cinq boucs et cinq agneaux d’un an. Telle fut l’offrande d’Elisama, fils d’Ammiub.
54 Le huitième jour vint le prince des fils de Manassé, Gamaliel, fils de Phadassur;
55 il offrit: un plat d’argent du poids de cent trente sicles, une coupe d’argent de soixante-dix sicles, selon le sicle du sanctuaire, l’un et l’autre pleins de fleur de farine pétrie à l’huile, pour l’oblation;
56 un godet d’or de dix sicles, plein de parfum;
57 un jeune taureau, un bélier et un agneau d’un an pour l’holocauste;
58 un bouc pour le sacrifice pour le péché,
59 et, pour le sacrifice pacifique, deux boeufs, cinq béliers, cinq boucs et cinq agneaux d’un an. Telle fut l’offrande de Gamaliel, fils de Phadassur.
60 Le neuvième jour vint le prince des fils de Benjamin, Abidan, fils de Gédéon;
61 il offrit: un plat d’argent du poids de cent trente sicles, une coupe d’argent de soixante-dix sicles, selon le sicle du sanctuaire, l’un et l’autre pleins de fleur de farine pétrie à l’huile, pour l’oblation;
62 un godet d’or de dix sicles, plein de parfum;
63 un jeune taureau, un bélier et un agneau d’un an pour l’holocauste;
64 un bouc pour le sacrifice pour le péché,
65 et, pour le sacrifice pacifique, deux boeufs, cinq béliers, cinq boucs et cinq agneaux d’un an. Telle fut l’offrande d’Abidan, fils de Gédéon.
66 Le dixième jour vint le prince des fils de Dan, Ahiéser, fils d’Ammisaddaï;
67 il offrit: un plat d’argent du poids de cent trente sicles, une coupe d’argent de soixante-dix sicles, selon le sicle du sanctuaire, l’un et l’autre pleins de fleur de farine pétrie à l’huile, pour l’oblation;
68 un godet d’or de dix sicles, plein de parfum;
69 un jeune taureau, un bélier et un agneau d’un an pour l’holocauste;
70 un bouc pour le sacrifice pour le péché,
71 et, pour le sacrifice pacifique, deux boeufs, cinq béliers, cinq boucs et cinq agneaux d’un an. Telle fut l’offrande d’Ahiéser, fils d’Ammisaddaï.
72 Le onzième jour vint le prince des fils d’Aser, Phégiel, fils d’Ochran;
73 il offrit: un plat d’argent du poids de cent trente sicles, une coupe d’argent de soixante-dix sicles, selon le sicle du sanctuaire, l’un et l’autre pleins de fleur de farine pétrie à l’huile, pour l’oblation;
74 un godet d’or de dix sicles, plein de parfum;
75 un jeune taureau, un bélier et un agneau d’un an pour l’holocauste;
76 un bouc pour le sacrifice pour le péché,
77 et, pour le sacrifice pacifique, deux boeufs, cinq béliers, cinq boucs et cinq agneaux d’un an. Telle fut l’offrande de Phégiel, fils d’Ochran.
78 Le douzième jour vint le prince des fils de Nephtali, Ahira, fils d’Enan;
79 il offrit: un plat d’argent du poids de cent trente sicles, une coupe d’argent de soixante-dix sicles, selon le sicle du sanctuaire, l’un et l’autre pleins de fleur de farine pétrie à l’huile, pour l’oblation;
80 un godet d’or de dix sicles, plein de parfum;
81 un jeune taureau, un bélier et un agneau d’un an pour l’holocauste;
82 un bouc pour le sacrifice pour le péché,
83 et, pour le sacrifice pacifique, deux boeufs, cinq béliers, cinq boucs et cinq agneaux d’un an. Telle fut l’offrande d’Ahira, fils d’Enan.
84 Tels furent les dons des princes d’Israël pour la dédicace de l’autel, le jour où on l’oignit: douze plats d’argent, douze coupes d’argents et douze godets d’or;
85 chaque plat d’argent pesait cent trente sicles, et chaque coupe soixante dix; total de l’argent de ces ustensiles: deux mille quatre cent sicles, selon le sicle du sanctuaire;
86 les douze godets d’or pleins de parfum, chacun de dix sicles, selon le sicle du sanctuaire; total de l’or des godets: cent vingt sicles.
87 Total des animaux pour l’holocauste: douze jeunes taureaux, douze béliers et douze agneaux d’un an, avec leurs oblations. Douze boucs pour le sacrifice pour le péché.
88 Total des animaux pour le sacrifice pacifique: vingt-quatre boeufs, soixante béliers, soixante boucs et soixante agneaux d’un an. Tels furent les dons offerts pour la dédicace de l’autel, après qu’on l’eut oint.
89 Lorsque Moïse entrait dans la tente de réunion pour parler avec Yahweh, il entendait la voix qui lui parlait de dessus le propitiatoire placé sur l’arceh du témoignage, entre les edux chérubins. Et il lui parlait.

Chapitres 08

1 Yahweh parla à Moïse, en disant:
2 «Parle à Aaron et tu lui diras: Lorsque tu placeras les lampes sur le chandelier, c’est sur le devant du chandelier que les sept lampes donneront leur lumière.»
3 Aaron fit ainsi; il plaça les lampes sur le devant du chandelier, comme Yahweh l’avait ordonné à Moïse.
4 Le chandelier était fait d’or battu; jusqu’à son pied, jusqu’à ces fleurs, il était d’or battu; Moïse l’avait fait selon le modèle que Yahweh lui avait montré.
5 Yahweh parla à Moïse, en disant:
6 «Prends les Lévites du milieu des enfants d’Israël et purifie-les.
7 Voici comment tu les purifieras: Fais sur eux une aspersion d’eau expiatoire; qu’ils passent le rasoir sur tout leur corps, qu’ils lavent leurs vêtements, et qu’ils se purifient ainsi.
8 Ils prendront ensuite un jeune taureau pour l’holocauste, avec son oblation de fleur de farine pétrie à l’huile; et tu prendras un second jeune taureau pour le sacrifice pour le péché.
9 Tu feras approcher les Lévites devant la tente de réunion, et tu convoqueras toute l’assemblée des enfants d’Israël.
10 Tu feras approcher les Lévites devant Yahweh, et les enfants d’Israël poseront leurs mains sur les Lévites.
11 Aaron offrira les Lévites en offrande balancée devant Yahweh, de la part des enfants d’Israël, afin qu’ils soient pour faire le service de Yahweh.
12 Les Lévites poseront leurs mains sur la tête des taureaux, et tu offriras l’un en sacrifice pour le péché, l’autre en holocauste à Yahweh, afin de faire l’expiation pour les Lévites.
13 Tu feras tenir les Lévites debout devant Aaron et devant ses fils, et tu les offriras en offrande balancée à Yahweh.
14 Tu sépareras les Lévites du milieu des enfants d’Israël, et les Lévites seront à moi;
15 après quoi les Lévites viendront faire le service dans la tente de réunion. C’est ainsi que tu les purifieras et que tu les offriras en offrande balancée.
16 Car ils me sont entièrement donnés du milieu des enfants d’Israël; je les ai pris pour moi à la place de tout premier-né, ouvrant le sein de sa mère, de tout premier-né des enfants d’Israël.
17 Car tout premier-né des enfants d’Israël est à moi, tant des hommes que des animaux, le jour où j’ai frappé tous les premiers-nés dans le pays d’Egypte, je me les suis consacrés.
18 Et j’ai pris les Lévites à la place de tous les premiers-nés des enfants d’Israël;
19 J’ai donné les Lévites entièrement à Aaron et à ses fils, du milieu des enfants d’Israël, pour qu’ils fassent le service des enfants d’Israël dans la tente d’assignation, pour qu’ils fassent l’expiation pour les enfants d’Israël, et pour que les enfants d’Israël ne soient frappés d’aucune plaie, en s’approchant du sanctuaire.
20 Moïse, Aaron et toute l’assemblée des enfants d’Israël, firent à l’égard des Lévites tout ce que Yahweh avait ordonné à Moïse touchant les Lévites; ainsi firent à leur égard les enfants d’Israël.
21 Les Lévites se purifièrent, et lavèrent leurs vêtements; Aaron les fit tourner de côté et d’autre comme une offrande devant Yahweh, et il fit l’expiation pour eux, afin de les purifier.
22 Après cela, les Lévites vinrent faire leur service dans la tente d’assignation, en présence d’Aaron et de ses fils, selon ce que Yahweh avait ordonné à Moïse touchant les Lévites; ainsi fut-il fait à leur égard.
23 Yahweh parla à Moïse, et dit:
24 Voici ce qui concerne les Lévites. Depuis l’âge de vingt-cinq ans et au-dessus, tout Lévite entrera au service de la tente d’assignation pour y exercer une fonction.
25 Depuis l’âge de cinquante ans, il sortira de fonction, et ne servira plus.
26 Il aidera ses frères dans la tente d’assignation, pour garder ce qui est remis à leurs soins; mais il ne fera plus de service. Tu agiras ainsi à l’égard des Lévites pour ce qui concerne leurs fonctions.

Chapitres 09

1 Yahweh parla à Moïse, dans le désert de Sinaï, le premier mois de la seconde année après leur sortie du pays d’Égypte. (
2 Que les enfants d’Israël célèbrent la Pâque au temps fixé.
3 Vous la célébrerez au temps fixé, le quatorzième jour de ce mois, entre les deux soirs; vous la célébrerez selon toutes les lois et toutes les ordonnances qui s’y rapportent.
4 Moïse parla aux enfants d’Israël, afin qu’ils célébrassent la Pâque.
5 Et ils célébrèrent la Pâque le quatorzième jour du premier mois, entre les deux soirs, dans le désert de Sinaï; les enfants d’Israël se conformèrent à tous les ordres que Yahweh avait donnés à Moïse.
6 Il y eut des hommes qui, se trouvant impurs à cause d’un mort, ne pouvaient pas célébrer la Pâque ce jour-là. Ils se présentèrent le même jour devant Moïse et Aaron;
7 et ces hommes dirent à Moïse: Nous sommes impurs à cause d’un mort; pourquoi serions-nous privés de présenter au temps fixé l’offrande de Yahweh au milieu des enfants d’Israël?
8 Moïse leur dit: Attendez que je sache ce que Yahweh vous ordonne.
9 Et Yahweh parla à Moïse, et dit:
10 Parle aux enfants d’Israël, et dis-leur: Si quelqu’un d’entre vous ou de vos descendants est impur à cause d’un mort, ou est en voyage dans le lointain, il célébrera la Pâque en l’honneur de Yahweh.
11 C’est au second mois qu’ils la célébreront, le quatorzième jour, entre les deux soirs; ils la mangeront avec des pains sans levain et des herbes amères.
12 Ils n’en laisseront rien jusqu’au matin, et ils n’en briseront aucun os. Ils la célébreront selon toutes les ordonnances de la Pâque.
13 Si celui qui est pur et qui n’est pas en voyage s’abstient de célébrer la Pâque, celui-là sera retranché de son peuple; parce qu’il n’a pas présenté l’offrande de Yahweh au temps fixé, cet homme-là portera la peine de son péché.
14 Si un étranger en séjour chez vous célèbre la Pâque de Yahweh, il se conformera aux lois et aux ordonnances de la Pâque. Il y aura une même loi parmi vous, pour l’étranger comme pour l’indigène.
15 Le jour où la Demeure fut dressé, la nuée couvrit la Demeure, la tente d’assignation; et, depuis le soir jusqu’au matin, elle eut sur la Demeure l’apparence d’un feu.
16 Il en fut continuellement ainsi: la nuée couvrait la Demeure, et elle avait de nuit l’apparence d’un feu.
17 Quand la nuée s’élevait de dessus la tente, les enfants d’Israël partaient; et les enfants d’Israël campaient dans le lieu où s’arrêtait la nuée.
18 Les enfants d’Israël partaient sur l’ordre de Yahweh, et ils campaient sur l’ordre de Yahweh; ils campaient aussi longtemps que la nuée restait sur la Demeure.
19 Quand la nuée restait longtemps sur la Demeure, les enfants d’Israël obéissaient au commandement de Yahweh, et ne partaient point.
20 Il en était de même quand la nuée ne s’arrêtait que peu de jours sur la Demeure: au commandement de Yahweh ils dressaient le camp, et au commandement de Yahweh ils se levaient.
21 Si la nuée se reposait seulement du soir au matin, et s’élevait le matin, ils levaient le camp; ou, si la nuée s’élevait après un jour et une nuit, ils levaient le camp.
22 Si la nuée s’arrêtait sur la Demeure plusieurs jours, un mois ou une année, les enfants d’Israël restaient campés, et ne levaient point le camp; mais, dès qu’elle s’élevait, ils levaient le camp.
23 Au commandement de Yahweh ils dressaient le camp, et au commandement de Yahweh ils levaient le camp; ils observaient le commandement de Yahweh, conformémént à l’ordre de Yahweh transmis par Moïse.

Chapitres 10

1 Yahweh parla à Moïse, en disant:
2 «Fais-toi deux trompettes d’argent; tu les feras d’argent battu. Elles te serviront pour la convocation de l’assemblée et pour la levée des camps.
3 Quand on en sonnera, toute l’assemblée se réunira auprès de toi, à l’entrée de la tente de réunion.
4 Si l’on ne sonne que d’une trompette, les princes seulement, les chefs des milliers d’Israël, se réuniront auprès de toi.
5 Quand vous sonnerez avec éclat, ceux qui campent à l’orient se mettront en marche; quand vous sonnerez avec éclat pour la seconde fois, ceux qui campent au midi se mettront en marche;
6 on sonnera avec éclat pour leur départ.
7 Vous sonnerez aussi pour convoquer l’assemblée, mais non avec éclat.
8 Les fils d’Aaron, les prêtres, sonneront des trompettes: ce sera une loi perpétuelle pour vous et pour vos descendants.
9 Quand vous irez à la guerre dans votre pays contre l’ennemi qui vous attaquera, vous sonnerez des trompettes avec éclat, et vous serez rappelés au souvenir de Yahweh, votre Dieu, et vous serez délivrés de vos ennemis.
10 Dans vos jours de joie, dans vos fêtes et à vos nouvelles lunes, vous sonnerez des trompettes, en offrant vos holocaustes et vos sacrifices pacifiques, et elles seront pour vous un mémorial devant votre Dieu. Je suis Yahweh, votre Dieu.»
11 La seconde année, au vingtième jour du deuxième mois, la nuée s’éleva de dessus la Demeure du témoignage;
12 et les enfants d’Israël, reprenant leurs marches, partirent du désert de Sinaï, et la nuée s’arrêta dans le désert de Pharan.
13 Ils se mirent en marche pour la première fois, suivant le commandement de Yahweh par l’organe de Moïse.
14 La bannière du camp des fils de Juda partit la première, selon leurs troupes, et la troupe de Juda était commandée par Nahasson, fils d’aminadab;
15 la troupe de la tribu des fils d’Issachar était commandée par Nathanaël, fils de Suar;
16 et la troupe de la tribu des fils de Zabulon était commandée par Eliab, fils de Hélon.
17 La Demeure fut démontée, et les fils de Gerson et les fils de Mérari partirent, portant la Demeure.
18 La bannière du camp de Ruben partit, selon leurs troupes, et la troupe de Ruben était commandée par Elisur, fils de Sédéur;
19 la troupe de la tribu des fils de Siméon était commandée par Salamiel, fils de Surisaddaï;
20 et la troupe de la tribu des fils de Gad était commandée par Eliasaph, fils de Duel.
21 Les Caathites partirent portant les objets sacrés, et les autres dressaient la Demeure, en attendant leur arrivée.
22 La bannière du camp des fils d’Ephraïm partit, selon leurs troupes et la troupe d’Ephraïm était commandée par Elisama,
23 fils d’Ammiud; la troupe de la tribu des fils de Manassé était commandée
24 par Gamaliel, fils de Phadassur, et la troupe de la tribu de Benjamin était commandée par Abidan, fils de Gédéon.
25 La bannière du camp des fils de Dan partit, selon leurs troupes: elle formait l’arrière-garde de tous les camps. La troupe de Dan était commandée par Ahiéser, fils d’Ammisaddaï;
26 la troupe de la tribu des fils d’Aser était commandée par Phégiel, fils d’Ochran,
27 et la troupe des fils de Nephthali était commandée par Ahira, fils d’Enan.
28 Tel était l’ordre de marche des enfants d’Israël selon leurs troupes; et ils partirent.
29 Moïse dit à Hobab, fils de Raguel, le Madianite, beau-père de Moïse: «Nous partons pour le lieu dont Yahweh a dit: Je vous le donnerai. Viens avec nous, et nous te ferons du bien, car Yahweh a promis de faire du bien à Israël.»
30 Hobab lui répondit: «Je n’irai point, mais je m’en irai dans mon pays et ma famille.»
31 Et Moïse dit: «Ne nous quitte pas, je te prie; puisque tu connais les lieux où nous aurons à camper dans le désert, tu nous serviras d’oeil.
32 Si tu viens avec nous, nous te ferons partager le bien que Yahweh nous fera.»
33 Etant partis de la montagne de Yahweh, ils firent trois journées de marche, et pendant ces trois journées de marche, l’arche de l’alliance de Yahweh s’avança devant eux pour leur chercher un lieu de repos.
34 La nuée de Yahweh était au-dessus d’eux pendant le jour, lorsqu’ils partaient du camp.
35 Quand l’arche partait, Moïse disait: «Lève-toi, Yahweh, et que tes ennemis soient dispersés! Que ceux qui te haïssent fuient devant ta face!»
36 Et quand elle s’arrêtait, il disait: «Reviens, Yahweh, vers les myriades des milliers d’Israël!»

Chapitres 11

1 Le peuple se mit à murmurer du mal aux oreilles de Yahweh. Yahweh l’entendit, et sa colère s’enflamma, et le feu de Yahweh s’alluma contre eux et il
2 dévorait à l’extrémité du camp. Le peuple cria vers Moïse, et Moïse pria Yahweh, et le feu s’éteignit.
3 On donna à ce lieu le nom de Thabéera, parce que le feu de Yahweh s’était allumé contre eux.
4 Le ramas de gens qui se trouvaient au milieu d’Israël s’enflamma de convoitise, et même les enfants d’Israël recommencèrent à pleurer et dirent:
5 «Qui nous donnera de la viande à manger? Il nous souvient des poissons que nous mangions pour rien en Egypte, des concombres, des melons, des poireaux, des oignons et de l’ail.
6 Maintenant notre âme est desséchée; plus rien! Nos yeux ne voient que de la manne.»
7 La manne était semblable à la graine de coriandre, et avait l’aspect du bdellium.
8 Le peuple se répandait pour la ramasser; il la broyait avec des meules ou la pilait dans un mortier; il la cuisait au pot, et en faisait des gâteaux. Elle avait
9 le goût d’un gâteau à l’huile. Quand la rosée descendait pendant la nuit sur le camp, la manne y descendait aussi.
10 Moïse entendit le peuple qui pleurait dans chaque famille, chacun à l’entrée de sa tente. La colère de Yahweh s’enflamma grandement.
11 Moïse fut attristé, et il dit à Yahweh: «Pourquoi avez-vous fait ce mal à votre serviteur, et pourquoi n’ai-je pas trouvé grâce à vos yeux, que vous ayez mis sur moi la charge de tout ce peuple?
12 Est-ce moi qui ai conçu tout ce peuple? Est-ce moi qui l’ai enfanté, pour que vous me disiez: Porte-le sur ton sein, comme le nourricier porte un enfant qu’on allaite, jusqu’au pays que vous avez juré à ses pères de lui donner?
13 Où prendrai-je de la viande pour en donner à tout ce peuple? Car ils pleurent autour de moi, en disant: Donne-nous de la viande à manger.
14 Je ne puis pas, à moi seul, porter tout ce peuple; il est trop pesant pour moi.
15 Pour me traiter ainsi, tuez-moi plutôt, je vous prie, si j’ai trouvé grâce à vos yeux, et que je ne voie pas mon malheur!»
16 Yahweh dit à Moïse: «Assemble-moi soixante-dix hommes des anciens d’Israël, que tu connais pour être anciens du peuple et préposés sur lui; amène-les à la tente de réunion et qu’ils se tiennent là avec toi.
17 Je descendrai et je te parlerai là; je prendrai de l’esprit qui est sur toi et je le mettrai sur eux, afin qu’ils portent avec toi la charge du peuple, et tu ne la porteras plus toi seul.
18 Tu diras au peuple: Sanctifiez-vous pour demain, et vous aurez de la viande à manger, puisque vous avez pleuré aux oreilles de Yahweh, en disant: Qui nous fera manger de la viande? Car nous étions bien en Egypte! Et Yahweh vous donnera de la viande, et vous en mangerez;
19 ce n’est pas un jour que vous en mangerez, ni deux jours, ni cinq jours, ni dix jours, ni vingt jours, mais un mois entier,
20 jusqu’à ce qu’elle vous sorte par les narines et qu’elle vous soit en dégoût, parce que vous avez rejeté Yahweh qui est au milieu de vous, et que vous avez pleuré devant lui, en disant: Pourquoi donc sommes-nous sortis d’Egypte?»
21 Moïse dit: «Le peuple au milieu duquel je suis est de six cent mille hommes de pied, et vous dites: Je leur donnerai de la viande, et ils en mangeront un mois entier!
22 Egorger-t-on pour eux les brebis et les boeufs, pour qu’ils en aient assez? Ou leur ramassera-t-on tous les poissons de la mer, pour qu’ils en aient assez?»
23 Yahweh répondit à Moïse: «La main de Yahweh est-elle trop courte? Tu verras maintenant si ce que j’ai dit t’arrivera ou non.»
24 Moïse sortit et rapporta au peuple les paroles de Yahweh, et il assembla soixante-dix hommes des anciens du peuple et les plaça autour de la tente.
25 Yahweh descendit dans la nuée et parla à Moïse; il prit de l’esprit qui était sur lui et le mit sur les soixante-dix anciens; et, dès que l’esprit reposa sur eux, ils prophétisèrent; mais ils ne continuèrent pas.
26 Deux hommes, l’un nommé Eldad, et l’autre Médad, étaient restés dans le camp, et l’esprit reposa aussi sur eux; ils étaient parmi les inscrits, mais ils ne s’étaient pas rendus à la tente; et ils prophétisèrent dans le camp.
27 Un jeune garçon courut l’annoncer à Moïse, en disant «Eldad et Médad prophétisent dans le camp.»
28 Aussitôt Josué, fils de Nun, serviteur de Moïse depuis sa jeunesse, prenant la parole dit: «Moïse, mon seigneur, empêche-les.»
29 Moïse lui répondit: «Es-tu donc jaloux pour moi? Plût à Dieu que tout le peuple de Yahweh fût prophète, et que Yahweh mit son esprit sur eux!»
30 Et Moïse se retira dans le camp, lui et les anciens d’Israël.
31 Un vent souffla de par l’ordre de Yahweh, qui, de la mer, amena des cailles et les abattit sur le camp, sur l’étendue d’environ une journée de chemin d’un côté, d’environ une journée de chemin de l’autre côté, autour du camp; et il y en avait près de deux coudées de haut sur la surface de la terre.
32 Pendant tout ce jour, toute la nuit et toute la journée du lendemain, le peuple se leva et ramassa les cailles; celui qui en avait ramassé le moins en avait dix gomors; et ils les étendirent pour eux, tout autour du camp.
33 Mais la chair était encore entre leurs dents, avant d’être consommée, que la colère de Yahweh s’enflamma contre le peuple, et Yahweh frappa le peuple d’une très grande plaie.
34 On donna à ce lieu le nom de Qibroth-Hattaava, parce qu’on y enterra le peuple qui s’était enflammé de convoitise.
35 De Qibroth-Hattaava le peuple partit pour Haséroth, et il s’arrêta à Haséroth.

Chapitres 12

1 Marie, avec Aaron, parla contre Moïse au sujet de la femme couschite qu’il avait prise; car il avait pris une femme couschite.
2 Ils dirent: «Est-ce seulement par Moïse que Yahweh a parlé? N’a-t-il pas parlé aussi par nous?» Et Yahweh l’entendit.
3 Mais Moïse était un homme fort doux, plus qu’aucun homme qui fût sur la face de la terre.
4 Soudain Yahweh dit à Moïse, à Aaron et à Marie: «Sortez, vous trois, vers la tente de réunion.» Et ils sortirent tous les trois;
5 et Yahweh descendit dans la colonne de nuée et se tint à l’entrée de la tente. Il appela Aaron et Marie, qui s’avancèrent tous deux;
6 et il dit: «Ecoutez bien mes paroles: si vous avez quelque prophète de Yahweh, c’est en vision que je me révèle à lui, c’est en songe que je lui parle.
7 Tel n’est pas mon serviteur Moïse; il est reconnu fidèle dans toute ma maison.
8 Je lui parle bouche à bouche, en me faisant voir, et non par énigmes, et il contemple la figure de Yahweh. Pourquoi donc n’avez-vous pas craint de parler contre mon serviteur, contre Moïse?»
9 Et la colère de Yahweh s’enflamma contre eux; et il s’en alla; la nuée se retira de dessus la tente.
10 Et voici, Marie devint lépreuse, blanche comme la neige. Aaron se tourna vers Marie, et voici, elle était lépreuse.
11 Et Aaron dit à Moïse: «De grâce, mon seigneur, ne mets pas sur nous ce péché que nous avons follement commis, et dont nous sommes coupables.
12 Ah! Qu’elle ne soit pas comme l’enfant mort-né qui, en sortant du sein de sa mère, a la chair à demi-consumée!»
13 Moïse cria à Yahweh, en disant:
14 «O Dieu, je vous prie, guérissez-là!» Yahweh dit à Moïse: «Si son père lui avait craché au visage, ne serai-elle pas pendant sept jours couverte de honte? Qu’elle soit séquestrée sept jours hors du camp; après quoi, elle y sera reçue.»
15 Marie fut donc séquestrée sept jours hors du camp, et le peuple ne partit point, jusqu’à ce que Marie eût été reçue.
16 Après cela, le peuple partit de Haséroth, et ils campèrent dans le désert de Pharan.

Chapitres 13

1 Yahweh parla à Moïse, en disant:
2 «Envoie des hommes pour explorer le pays de Chanaan, que je donne aux enfants d’Israël. Vous enverrez un homme par chacune des tribus patriarcales; que tous soient des princes parmi eux.»
3 Moïse les envoya du désert de Pharan, selon l’ordre de Yahweh; tous ces hommes étaient des chefs des enfants d’Israël.
4 Voici leurs noms: pour la tribu de Ruben, Sammua, fils de Zéchur;
5 pour la tribu de Siméon, Saphat, fils de Huri;
6 pour la tribu de Juda, Caleb, fils de Jéphoné;
7 pour la tribu d’Issachar, Igal, fils de Joseph;
8 pour la tribu d’Ephraïm, Osée, fils de Nun;
9 pour la tribu de Benjamin, Phalti, fils de Raphu;
10 pour la tribu de Zabulon, Geddiel, fils de Sodi;
11 pour la tribu de Joseph, la tribu de Manassé, Gaddi, fils de Susi;
12 pour la tribu de Dan, Ammiel, fils de Gemalli,
13 pour la tribu d’Aser, Sthur, fils de Michaël;
14 pour la tribu de Nephthali, Nahabi, fils de Vaspi;
15 pour la tribu de Gad, Guel, fils de Machi.
16 — Tels sont les noms des hommes que Moïse envoya pour explorer le pays. Moïse donna à Osée, fils de Nun, le nom de Josué.
17 Moïse les envoya pour explorer le pays de Chanaan; il leur dit: «Montez là par le Négeb; et vous monterez sur la montagne.
18 Vous examinerez le pays, ce qu’il est, et le peuple qui l’habite, s’il est fort ou faible, peu nombreux ou considérable;
19 ce qu’est le pays où il habite, s’il est bon ou mauvais; ce que sont les villes où il habite, si elles sont ouvertes ou fortifiées;
20 ce qu’est le sol, s’il est gras ou maigre, s’il y a des arbres ou non. Ayez bon courage, et prenez des fruits du pays.» C’était le temps des premiers raisins.
21 Ils montèrent et explorèrent le pays, depuis le désert de Sin jusqu’à Rohob, sur le chemin d’Emath.
22 Ils montèrent dans le Négeb et allèrent jusqu’à Hébron, où étaient Achiman, Sisaï et Tholmaï, enfants d’Enac. Hébron avait été bâtie sept ans avant Tanis d’Egypte.
23 Arrivés à la vallée d’Escol, ils coupèrent une branche de vigne avec sa grappe de raisin, et ils la portèrent à deux au moyen d’une perche; ils prirent aussi des grenades et des figues.
24 On donna à ce lieu le nom de vallée d’Escol, à cause de la grappe que les enfants d’Israël y coupèrent.
25 Au bout de quarant jours, ils revinrent d’explorer le pays.
26 Ils allèrent et se rendirent auprès de Moïse et d’Aaron, et de toute l’assemblée des enfants d’Israël, à Cadès, dans le désert de Pharan. Ils leur firent un rapport, ainsi qu’à toute l’assemblée, et leur montrèrent les fruits du pays.
27 Voici le récit qu’ils firent à Moïse: «Nous sommes allés dans le pays où tu nous as envoyés. C’est vraiment un pays où coulent le lait et le miel, et en voici les fruits.
28 Mais le peuple qui habite le pays est puissant, et les villes sont fortifiées et très grandes; nous y avons même vu des enfants d’Enac.
29 Amalec habite la contrée du Négeb; le Héthéen, le Jébuséen et l’Amorrhéen habitent dans la montagne, et le Chananéen habite au bord de la mer et le long du Jourdain.»
30 Caleb fit taire le peuple au sujet de Moïse: «Monton, dit-il, emparons-nous du pays, car nous pouvons nous en rendre maîtres.»
31 Mais les hommes qui y étaient montés avec lui, dirent: «Nous ne sommes pas capables de monter contre ce peuple: il est plus fort que nous.»
32 Et ils décrièrent devant les enfants d’Israël le pays qu’ils avaient exploré, en disant: «Le pays que nous avons parcouru pour l’explorer, est un pays qui dévore ses habitants; tout le peuple que nous y avons vu est formé de gens de haute taille;
33 et nous y avons vu les géants, fils d’Enac, de la race des géants: nous étions à nos yeux et aux leurs comme des sauterelles.»

Chapitres 14

1 Toute l’assemblée éleva la voix et poussa des cris, et le peuple pleura pendant cette nuit-là.
2 Tous les enfants d’Israël murmurèrent contre Moïse et Aaron, et toute l’assemblée leur dit: «Que ne sommes-nous morts dans le pays d’Egypte, ou que ne sommes-nous morts dans désert?
3 Pourquoi Yahweh nous fait-il aller dans ce pays, pour que nous tombions par l’épée? Nos femmes et nos enfants deviendront une proie. Ne vaut-il pas mieux pour nous retourner en Egypte?»
4 Et ils se dirent les uns aux autres: «Nommons un chef, et retournons en Egypte.»
5 Moïse et Aaron tombèrent sur leur visage en présence de toute l’assemblée
6 réunie des enfants d’Israël. Josué, fils de Nun, et Caleb, fils de Jéphoné, deux de ceux qui avaient exploré le pays, déchirèrent leurs vêtements et ils parlèrent ainsi à toute l’assemblée des enfants d’Israël:
7 «Le pays que nous avons parcouru pour l’explorer est un excellent pays.
8 Si Yahweh nous est favorable, il nous fera entrer dans ce pays et nous le donnera; c’est un pays où coulent le lait et le miel.
9 Seulement ne vous mettez pas en rebellion contre Yahweh, et ne craignez point les hommes de ce pays, car ils seront pour nous une pâture; leur abri s’est retiré d’eux, et Yahweh est avec nous, ne les craignez point.»
10 Toute l’assemblée parlait de les lapider, lorsque la gloire de Yahweh apparut sur la tente de réunion, devant tous les enfants d’Israël.
11 Et Yahweh dit à Moïse: «Jusques à quand ce peuple me méprisera-t-il? Jusques à quand ne croira-t-il pas en moi, malgré tous les prodiges que j’ai faits au milieu de lui?
12 Je le frapperai par la peste et je le détruirai, et je ferai de toi une nation plus grande et plus puissante que lui.»
13 Moïse dit à Yahweh: «Les Egyptiens ont appris que, par votre puissance, vous avez fait monter ce peuple du milieu d’eux, et ils l’ont dit aux habitants de ce pays.
14 Tous ont appris que vous, Yahweh, vous êtes au milieu de ce peuple; que vous vous montrez face à face, vous, Yahweh; que votre nuée se tient sur eux, et que vous marchez devant eux le jour dans une colonne de nuée, et la nuit dans une colonne de feu.
15 Si vous faites mourir ce peuple comme un seul homme, les nations qui ont entendu parler de vous diront:
16 Yahweh n’avait pas le pouvoir de faire entrer ce peuple dans le pays qu’il avait juré de leur donner; c’est pourquoi il les a fait périr dans le désert.
17 Maintenant que la puissance du Seigneur se montre grande, comme vous l’avez déclaré, en disant:
18 Yahweh est lent à la colère et riche en bonté, il pardonne l’iniquité et le péché; mais il ne tient pas le coupable pour innocent, et il punit l’iniquité des pères sur les enfants, sur ceux de la troisième et de la quatrième génération.
19 Pardonnez l’iniquité de ce peuple selon la grandeur de votre miséricorde, comme vous avez pardonné à ce peuple depuis l’Egypte jusqu’ici.»
20 Et Yahweh dit: «Je pardonne, selon ta demande; mais,
21 — je suis vivant! et la gloire de Yahweh remplira toute la terre!
22 — tous les hommes qui ont vu ma gloire et les prodiges que j’ai faits en Egypte et dans le désert, qui m’ont tenté déjà dix fois et qui n’ont pas écouté ma voix,
23 tous ceux-là ne verront point le pays que j’ai promis avec serment à leurs pères. Aucun de ceux qui m’ont méprisé ne le verra.
24 Mais mon serviteur Caleb, qui a été animé d’un autre esprit et s’est fidèlement attaché à moi, je le ferai entrer dans le pays où il est allé, et ses descendants le posséderont.
25 L’Amalécite et le Chananéen habitent dans la vallée: demain retournez-vous, et partez pour le désert, sur le chemin de la mer Rouge.»
26 Yahweh parlé à Moïse et à Aaron, en disant:
27 «Jusques à quand supporterai-je cette méchante assemblée qui murmure contre moi? J’ai entendu les murmures que les enfants d’Israël profèrent contre moi.
28 Dis-leur: Je suis vivant! dit Yahweh: je vous ferai selon que vous avez parlé à mes oreilles.
29 Vos cadavres tomberont dans ce désert. Vous tous, dont on a fait le recensement, en vous comptant depuis l’âge de vingt ans et au-dessus, et qui avez murmuré contre moi,
30 vous n’entrerez point dans le pays où j’ai juré de vous établir, à l’exception de Caleb, fils de Jéphoné, et de Josué, fils de Nun.
31 Et vos petits enfants, dont vous avez dit: Ils deviendront une proie! Je les y ferai entrer, et ils connaîtront le pays que vous avez dédaigné.
32 Vos cadavres, à vous, tomberont dans le désert;
33 et vos fils mèneront leurs troupeaux dans le désert pendant quarante ans, et ils porteront la peine de vos infidélités, jusqu’à ce que vos cadavres soient consumés dans le désert.
34 Selon les quarante jours que vous avez mis à explorer le pays, — autant de jours, autant d’années – vous porterez vos iniquités quarante années, et vous saurez ce que c’est que mon éloignement.
35 Moi, Yahweh, j’ai parlé! Voilà ce que je ferai à cette méchante assemblée qui s’est ameutée contre moi: ils seront consumés dans ce désert, ils y mourront.»
36 Les hommes que Moïse avait envoyés pour explorer le pays et qui, à leur retour, avaient fait murmurer contre lui toute l’assemblée, en décrivant le pays,
37 ces hommes, qui avaient décrié le pays, moururent frappés d’une plaie devant Yahweh.
38 Josué, fils de Nun, et Caleb, fils de Jéphoné, restèrent seuls vivants parmi ces hommes qui étaient allés explorer le pays.
39 Moïse rapporta ces paroles à tous les enfants d’Israël, et le peuple fut en grande désolation.
40 S’étant levés de bon matin, ils montèrent vers le sommet de la montagne, en disant: «Nous voici! Nous monterons au lieu dont Yahweh a parlé, car nous avons péché.»
41 Moïse dit: «Pourquoi transgressez-vous l’ordre de Yahweh? Cela ne vous réussira point.
42 Ne montez pas, car Yahweh n’est pas au milieu de vous! Ne vous faites pas battre par vos ennemis.
43 Car l’Amalécite et le Chananéen sont là devant vous, et vous tomberiez par l’épée; parce qui vous vous êtes détournés de Yahweh, Yahweh ne sera pas avec vous.»
44 Ils s’obstinèrent à monter vers le sommet de la montagne; mais l’arche d’alliance de Yahweh et Moïse ne bougèrent pas du milieu du camp.
45 Alors l’Amalécite et le Chananéen qui habitaient cette montagne descendirent, les battirent et les taillèrent en pièces jusqu’à Horma.

Chapitres 15

1 Yahweh parla à Moïse, en disant:
2 «Parle aux enfants d’Israël et dis-leur: Quand vous serez entrés dans le pays où vous demeurerez et que je vous donne,
3 et quand vous offrirez à Yahweh un sacrifice fait par le feu, soit un holocauste, soit un sacrifice, pour l’accomplissement d’un voeu ou comme offrande volontaire, ou bien dans vos fêtes, afin de produire avec vos boeufs ou vos brebis une agréable odeur à Yahweh,
4 celui qui fera son offrande à Yahweh offrira en oblation un dixième de fleur de farine pétrie avec un quart de hin d’huile;
5 tu feras une libation d’un quart de hin de vin, avec l’holocauste ou le sacrifice pacifique, pour chaque agneau.
6 Pour un bélier, tu feras une oblation de deux dixièmes de fleur de farine pétrie avec un tiers de hin d’huile,
7 et pour la libation tu offriras un tiers de hin de vin, en offrande d’agréable odeur à Yahweh.
8 Si tu offres un taureau, soit comme holocauste, soit comme sacrifice, pour l’acquittement d’un voeu ou comme sacrifice pacifique à Yahweh,
9 on offrira, avec le taureau, comme oblation, trois dixièmes de fleur de farine pétrie avec un demi-hin d’huile,
10 et tu offriras un demi-hin de vin pour la libation: c’est un sacrifice fait par le feu, d’une agréable odeur à Yahweh.
11 On fera ainsi pour chaque boeuf, pour chaque bélier, pour chaque
12 agneau ou chevreau. Suivant le nombre de victimes que vous offrirez, vous ferez ainsi pour chacune, selon leur nombre.
13 Tout indigène fera ces choses de cette manière, lorsqu’il offrira un sacrifice par le feu, d’une agréable odeur à Yahweh.
14 Si un étranger séjournant chez vous, un homme quelconque vivant parmi vous, de génération en génération, offre un sacrifice par le feu, d’une agréable odeur à Yahweh, il fera comme vous ferez.
15 Il y aura une seule loi pour l’assemblée, pour vous comme pour l’étranger de séjour au milieu de vous; ce sera une loi perpétuelle pour vos descendants: il en sera de l’étranger comme de vous devant Yahweh.
16 Il y aura une seule loi et une seule règle pour vous et pour l’étranger qui séjourne parmi vous.»
17 Yahweh parla à Moïse, en disant:
18 «Parle aux enfants d’Israël et dis-leur:
19 Quand vous serez arrivés dans le pays où je vous fais entrer, et que vous mangerez du pain de ce pays, vous prélèverez une offrande pour Yahweh.
20 Comme prémices de votre pâte, vous prélèverez en offrande un gâteau; vous le prélèverez comme l’offrande qu’on prélève de l’aire.
21 Comme prémices de votre pâte, vous prélèverez une
22 «Si vous péchez par erreur en n’observant pas tous ces commandements que Yahweh a fait connaître à Moïse,
23 tout ce que Yahweh vous a ordonné par Moïse, depuis le jour où Yahweh a donné des commandements, et à la suite pour vos générations,
24 si, dis-je, on a péché par erreur, sans que l’assemblée s’en soit aperçue, — toute l’assemblée offrira un jeune taureau en holocauste d’une agréable odeur à Yahweh, avec son oblation et sa libation, selon le rite prescrit, ainsi qu’un bouc en sacrifice pour le péché.
25 Le prêtre fera l’expiation pour toute l’assemblée des enfants d’Israël, et il leur sera pardonné, car c’est un péché commis par erreur, et ils ont présenté leur offrande, un sacrifice fait par le feu à Yahweh, et leur sacrifice pour le péché devant Yahweh, à cause du péché qu’ils ont commis par erreur.
26 Il sera pardonné à toute l’assemblée des enfants d’Israël et à l’étranger qui séjourne au milieu d’eux, car c’est par erreur que tout le peuple a péché.
27 Si c’est une seule personne qui a péché par erreur, elle offrira une chèvre d’un
28 an en sacrifice pour le péché. Le prêtre fera l’expiation devant Yahweh pour la personne qui a erré en commettant un péché par erreur; l’expiation pour elle étant faite, il lui sera pardonné.
29 Pour l’indigène d’entre les enfants d’Israël et pour l’étranger qui séjourne au milieu d’eux, vous aurez une même loi, si quelq’un agit mal par erreur.
30 Mais si quelqu’un, indigène ou étranger, agit la main levée, il outrage Yahweh; cet homme sera retranché du milieu de son peuple.
31 Car il a méprisé la parole de Yahweh et violé son commandement: cet homme sera retranché, son iniquité sera sur lui.»
32 Pendant que les enfants d’Israël étaient dans le désert, ils trouvèrent un homme qui ramassait du bois le jour du sabbat.
33 Ceux qui l’avaient trouvé ramassant du bois l’amenèrent à Moïse, à Aaron et à
34 toute l’assemblée. On le mit sous garde, car ce qu’on devait lui faire n’avait pas été déterminé.
35 Yahweh dit à Moïse: «cet homme sera mis à mort! Toute l’assemblée le lapidera hors du camp.»
36 Toute l’assemblée l’ayant fait sortir du camp, le lapida et il mourut, comme Yahweh l’avait ordonné à Moïse.
37 ,
38 Yahweh dit à Moïse: «Parle aux enfants d’Israël et dis-leur de se faire, de génération en génération, des glands aux coins de leurs manteaux; et qu’ils mettent au gland de chaque coin un cordon de pourpre violette.
39 Ce sera pour vous un gland et, en le voyant, vous vous souviendrez de tous les commandements de Yahweh pour les mettre en pratique, et vous n’irez pas après les désirs de votre coeur et de vos yeux, qui vous entraînent dans l’infidélité.
40 Vous vous souviendrez ainsi de tous mes commandements et les mettrez en pratique, et vous serez saints à votre Dieu.
41 Je suis Yahweh, votre Dieu, qui vous ai fait sortir du pays d’Egypte, pour être votre Dieu. Je suis Yahweh, votre Dieu.

Chapitres 16

1 Coré, fils d’Isaar, fils de Caath, fils de Lévi, se fit des partisans, avec Dathan et Abiron, fils d’Eliab, et Hon, fils de Phéleth,
2 ceux-ci, fils de Ruben, et ils se soulevèrent en présence de Moïse, ayant avec eux deux cent cinquante hommes des enfants d’Israël, princes de l’assemblée, appelés aux conseils et gens de renom.
3 Ils s’attroupèrent contre Moïse et Aaron, et leur dirent: «C’en est assez! Car toute l’assemblée, tous sont saints, et Yahweh est au milieu d’eux. Pourquoi vous élevez-vous au-dessus de l’assemblée de Yahweh?»
4 Quand Moïse entendit cela, il tomba sur son visage.
5 Il parla à Coré et à toute sa troupe en disant: «Demain, Yahweh fera connaître celui qui est à lui et qui est saint, et il le fera approcher de lui; celui qu’il aura choisi, il le fera approcher de lui.
6 Faites ceci: Prenez des encensoirs, Coré et toute sa troupe.
7 Demain, mettez-y du feu, et jetez dessus du parfum devant Yahweh; celui que Yahweh choisira, c’est lui qui est saint. C’en est assez, enfants de Lévi.»
8 Moïse dit à Coré: «Ecoutez donc, enfants de Lévi.
9 Est-ce trop peu pour vous que le Dieu d’Israël vous ait séparés de l’assemblée d’Israël en vous faisant approcher de lui, pour faire le service de la Demeure de Yahweh, et pour vous tenir devant l’assemblée pour faire son service?
10 Il t’a fait approcher de lui, toi et tous tes frères, les enfants de Lévi, avec toi, et vous ambitionnez encore le sacerdoce!
11 C’est pour cela que toi et toute ta troupe, vous vous assemblez contre Yahweh! Et Aaron, qui est-il, pour que vous murmuriez contre lui?»
12 Moïse fit appeler Dathan et Abiron, fils d’Eliab; et ils dirent: «Nous ne monterons pas.
13 N’est-ce pas assez de nous avoir fait sortir d’un pays où coulent le lait et le miel pour nous faire mourir au désert, que tu t’ériges en maître sur nous?
14 Ah! Ce n’est pas dans un pays où coulent le lait et le miel que tu nous a conduits; ce ne sont pas des champs et des vignes que tu nous a donnés en possession! Penses-tu crever les yeux de ces gens? Nous ne monterons pas!»
15 Moïse, très irrité, dit à Yahweh: «N’ayez point égard à leur oblation. Je ne leur ai pas même pris un âne, et je n’ai fait de mal à aucun d’eux.»
16 Moïse dit à Coré: «Toi et toute ta troupe, trouvez-vous demain devant Yahweh,
17 toi et eux, avec Aaron. Prenez chacun votre encensoir, mettez-y du parfum et présentez chacun votre encensoir devant Yahweh: deux cent cinquante encensoirs; toi aussi et Aaron, vous prendrez chacun votre encensoir.»
18 Ils prirent chacun leur encensoir, y mirent du feu et y jetèrent du parfum, et ils se tinrent à l’entrée de la tente de réunion, avec Moïse et Aaron.
19 Coré avait convoqué toute l’assemblée contre Moïse et Aaron, à l’entrée de la tente de réunion. Alors la gloire de Yahweh apparut à toute l’assemblée.
20 Et Yahweh parla à Moïse et à Aaron, en disant:
21 «Séparez-vous du milieu de cette assemblée, et je les consumerai en un instant.»
22 Et ils tombèrent sur leur visage, et dirent: «O Dieu, Dieu des esprits de toute chair, un seul homme a péché, et tu t’irriterais contre toute l’assemblée!»
23 Yahweh parla à Moïse, en disant:
24 «Parle à l’assemblée et dis: Ecartez-vous tout à l’entour de la demeure de Coré, de Dathan et d’Abiron.»
25 Moïse se leva et alla vers Dathan et Abiron, et des anciens d’Israël allèrent après lui.
26 Il parla à l’assemblée, en disant: «Eloignez-vous des tentes de ces méchants hommes, et ne touchez à rien de ce qui leur appartient, de peur que vous ne périssiez, enveloppés dans tous leurs péchés.»
27 Ils s’écartèrent tout à l’entour de la demeure de Coré, de Dathan et d’Abiron. Alors Dathan et Abiron étant sortis se tinrent à l’entrée de leurs tentes, avec leurs femmes, leurs fils et leurs petits enfants.
28 Moïse dit: «Vous connaîtrez à ceci que Yahweh m’a envoyé pour faire toutes ces oeuvres, et que je n’agis pas de moi- même:
29 Si ces gens meurent comme meurent tous les hommes, et si leur sort est celui de tous les hommes, ce n’est pas Yahweh qui m’a envoyé;
30 mais si Yahweh fait une chose inouïe, si la terre ouvre sa bouche et les engloutit, eux et tout ce qui leur appartient, et qu’ils descendent vivants dans le séjour des morts, vous saurez que ces gens ont méprisé Yahweh.»
31 Comme il achevait de prononcer toutes ces paroles, le sol qui était sous eux se fendit.
32 La terre ouvrit sa bouche et les engloutit, eux et leurs familles, avec tous les gens de Coré et tous leurs biens.
33 Ils descendirent vivants dans le séjour des morts, eux et tout ce qui leur appartenait; et la terre les recouvrit, et ils disparurent du milieu de l’assemblée.
34 Tout Israël, qui était autour d’eux, s’enfuit à leur cri; car ils disaient: «Fuyons, de peur que la terre ne nous engloutisse!»
35 Un feu sortit d’auprès de Yahweh et consuma les deux cent cinquante hommes qui offraient le parfum.

Chapitres 17

1 Yahweh parla à Moïse, en disant:
2 «Dis à Eléazar, fils d’Aaron, le prêtre, de retirer les encensoirs du milieu de l’embrasement et d’en répandre au loin le feu, car ils sont sanctifiés.
3 Des encensoirs de ces gens qui ont péché contre leur propre vie, qu’on fasse des lames étendues, pour en recouvrir l’autel des holocaustes; car on les a présentés devant Yahweh, et ils sont devenus saints; ils serviront de signe aux enfants d’Israël.»
4 Le prêtre Eléazar prit les encensoirs d’airain qu’avaient présentés les hommes consumés par le feu, et il en fit des lames pour couvrir l’autel.
5 C’est un mémorial pour les enfants d’Israël, afin qu’aucun étranger, qui n’est pas de la race d’Aaron, ne s’approche pour offrir du parfum devant Yahweh, et ne soit comme Coré et comme sa troupe, selon ce que Yahweh lui avait déclaré par Moïse.
6 Le lendemain, toute l’assemblée des enfants d’Israël murmura contre Moïse et Aaron, en disant: «Vous avez fait mourir le peuple de Yahweh.»
7 Comme l’assemblée s’attroupait contre Moïse et Aaron, ceux-ci se tournèrent vers la tente de réunion, et voici que la nuée la couvrit, et que la gloire de Yahweh apparut.
8 Moïse et Aaron s’avancèrent devant la tente de réunion,
9 et Yahweh parla à Moïse en disant:
10 «Eloignez-vous du milieu de cette assemblée, et je les consumerai en un instant.» Ils tombèrent sur leur visage, et Moïse dit à Aaron:
11 «Prends l’encensoir, et mets-y du feu de dessus l’autel, jettes-y du parfum, va promptement vers l’assemblée, et fais pour eux l’expiation; car la colère est sortie de devant Yahweh; la plaie commence.»
12 Aaron prit l’encensoir, comme Moïse avait dit, et courut au milieu de l’assemblée; et voici que la plaie commençait parmi le peuple. Ayant mis le parfum, il fit l’expiation pour le peuple.
13 Il se plaça entre les morts et les vivants, et la plaie fut arrêtée.
14 Quatorze mille sept cents personnes moururent par cette plaie, outre ceux qui étaient morts à cause de
15 Coré. Aaron retourna auprès de Moïse, à l’entrée de la tente de réunion, et la plaie était arrêtée.
6 Yahweh parla à Moïse en disant:
17 «Parle aux enfants d’Israël et prends d’eux une verge, une verge par chaque maison patriarcale, soit douze verges de la part de tous leurs princes pour leur douze maisons patriarcales.
18 Tu écriras le nom de chacun sur sa verge; tu écriras le nom d’Aaron sur la verge de Lévi, car il y aura une verge par chef de leurs maisons patriarcales.
19 Tu les déposeras dans la tente de réunion, devant le témoignage, où je me rencontre avec vous.
20 L’homme que je choisirai sera celui dont la verge fleurira, et je ferai cesser de devant moi les murmures que profèrent contre vous les enfants d’Israël.»
21 Moïse parla aux enfants d’Israël, et tous leurs princes lui donnèrent une verge, chaque prince une verge, selon leurs maisons patriarcales, soit douze verges, et la verge d’Aaron était au milieu de leurs verges.
22 Moïse déposa les verges devant Yahweh, dans la tente du témoignage.
23 Le lendemain, Moïse retourna dans la tente du témoignage, et voici que la verge d’Aaron avait fleuri, pour la tribu de Lévi: il y avait poussé des boutons, éclos des fleurs et mûri des amandes.
24 Moïse emporta toutes les verges devant Yahweh,vers tous les enfants d’Israël, et ils les virent, et chacun reprit sa verge.
25 Yahweh dit à Moïse: «Replace la verge d’Aaron devant le témoignage, pour être conservée comme un signe pour les enfants de rébellion, afin que tu fasses cesser de devant moi leurs murmures, et qu’ils ne meurent point.»
26 Moïse fit ainsi; il fit selon l’ordre que Yahweh lui avait donné.
27 les enfants d’Israël dirent à Moïse: «Voici que nous périssons, nous sommes
28 perdus, tous perdus! Quiconque s’approche de la Demeure de Yahweh meurt. Nous faudra-t-il donc tous périr?»

Chapitres 18

1 Yahweh dit à Aaron: «Toi et tes fils, et la maison de ton père avec toi, vous porterez l’iniquité du sanctuaire; toi et tes fils avec toi, vous porterez l’iniquité de votre sacerdoce.
2 Fais aussi approcher avec toi du sanctuaire tes autres frères, la tribu de Lévi, la tribu de ton père, afin qu’ils te soient adjoints et qu’ils se servent, lorsque toi, et tes fils avec toi, vous serez devant la tente du témoignage.
3 Ils rempliront ton service et le service de toute la tente; mais ils ne s’approcheront ni des ustensiles du sanctuaire, ni de l’autel, de peur que vous ne mouriez, eux et vous.
4 Ils te seront adjoints, et ils rempliront le service de la tente de réunion, pour tout le travail de la tente. Aucun étranger n’approchera de vous.
5 Vous remplirez le service du sanctuaire et le service de l’autel, afin qu’il n’y ait plus de colère contre les enfants d’Israël.
6 Voici, j’ai pris vos frères les lévites du milieu des enfants d’Israël; donnés à Yahweh, ils vous sont remis en don pour faire le travail de la tente de réunion.
7 Toi et tes fils avec toi, vous remplirez votre sacerdoce pour tout ce qui concerne l’autel et pour ce qui est en dedans du voile: vous ferez ce travail. Comme une fonction en pur don, je vous confère votre sacerdoce. L’étranger qui approchera sera mis à mort.»
8 Yahweh dit à Aaron: «Voici, je te donne le service de ce qui est prélèvé pour moi, de toutes les choses consacrées des enfants d’Israël; je te les donne, à raison de l’onction que tu as reçue, à toi et à tes fils, par une loi perpétuelle.
9 Voici ce qui te reviendra des choses très saintes, sauf ce que le feu doit consumer: toutes leurs offrandes, savoir toutes leurs oblations, tous leurs sacrifices pour le péché et tous leurs sacrifices de réparation qu’ils me rendront: tout cela, comme choses très saintes, sera pour toi et pour tes fils.
10 Tu les mangeras dans un lieu très saint; tout mâle en mangera; elles seront saintes pour toi.
11 Ceci encore t’appartient: ce qui est prélevé sur leurs dons, sur toute offrande balancée des enfants d’Israël; je te le donne à toi, à tes fils et à tes filles avec toi, par une loi perpétuelle, quiconque est pur dans ta maison en mangera.
12 Tout le meilleur de l’huile, tout le meilleur du vin nouveau et du blé, leurs prémices qu’ils offrent à Yahweh, je te les donne.
13 Les premiers produits de leur terre qu’ils apporteront à Yahweh seront pour toi. Quiconque est pur dans ta maison en mangera.
14 Tout ce qui sera dévoué par anathème en Israël sera pour toi.
15 Tout premier-né de toute chair des hommes comme des animaux, qu’ils offrent à Yahweh, sera pour toi. Seulement tu feras racheter le premier-né de l’homme, et tu feras racheter le premier-né d’un animal impur.
16 Quant à son rachat, tu le feras racheter dès l’âge d’un mois, selon ton estimation, contre cinq sicles d’argent, selon le sicle du sanctuaire, qui est de vingt guéras.
17 Mais tu ne feras point racheter le premier-né du boeuf, ni le premier-né de la brebis, ni le premier-né de la chèvre: ils sont saints. Tu répandras leur sang sur l’autel et tu feras fumer leur graisse: c’est un sacrifice fait par le feu, d’une agréable odeur à Yahweh.
18 Leur chair sera pour toi, comme la poitrine qu’on balance et comme la cuisse droite.
19 Tout ce qui est prélevé sur les choses saintes, ce que les enfants d’Israël prélèvent pour Yahweh, je te le donne à toi, à tes fils et à tes filles avec toi, par une loi perpétuelle; c’est une alliance de sel, perpétuelle, devant Yahweh, pour toi et pour ta postérité avec toi.»
20 Yahweh dit à Aaron: «Tu n’auras pas d’héritage dans leur pays, et il n’y aura point de part pour toi au milieu d’eux; c’est moi qui suis ta part et ton héritage au milieu des enfants d’Israël.
21 Voici que je donne comme héritage aux fils de Lévi toute dîme en Israël, pour le travail qu’ils font, le travail de la tente de réunion.
22 Les enfants d’Israël n’approcheront plus de la tente de réunion, de peur qu’ils ne portent leur péché et qu’ils meurent.
23 Les Lévites feront le travail de la tente de réunion, et ils porteront leur iniquité. En vertu d’une loi perpétuelle parmi vos descendants, ils n’auront point d’héritage au milieu des enfants d’Israël.
24 Car je donne aux Lévites comme héritage les dîmes que les enfants d’Israël prélèveront pour Yahweh; c’est pourquoi je leur dis: Ils n’auront point d’héritage au milieu des enfants d’Israël.»
25 Yahweh parla à Moïse, en disant:
26 «Tu parleras aux Lévites et tu leur diras: «Lorsque vous recevrez des enfants d’Israël la dîme que je vous donne de leurs biens pour votre héritage, vous en prélèverez une offrande pour Yahweh,
27 une dîme de la dîme; et ce prélèvement que vous ferez vous sera compté comme le blé qu’on prélève de l’aire, et comme le vin nouveau qu’on prélève de la cuve.
28 C’est ainsi que vous prélèverez, vous aussi, une offrande pour Yahweh, sur toutes les dîmes que vous recevrez des enfants d’Israël, et cette offrande que vous en aurez prélevée pour Yahweh,
29 vous la donnerez au prêtre Aaron. Sur tous les dons que vous recevrez, vous prélèverez toute l’offrande de Yahweh; sur tout le meilleur, la sainte portion qui en est tirée.
30 Tu leur diras: Quand vous en aurez prélevé le meilleur, la dîme sera comptée aux lévites comme le produit de l’aire et comme le produit du pressoir.
31 Vous la mangerez en tout lieu, vous et votre famille; car c’est votre salaire pour le travail que vous faites dans la tente
32 de réunion. Vous ne porterez pour cela aucun péché, quand vous en aurez prélevé le meilleur, vous ne profanerez point les saintes offrandes des enfants d’Israël, et vous ne mourrez point.»

Chapitres 19
1 Yahweh parla à Moïse et à Aaron, en disant:
2 «Voici l’ordonnance de la loi que Yahweh a prescrite, en disant: Dis aux enfants d’Israël de t’amener une vache rousse, sans tache, sans défaut corporel, et qui n’ait point porté le joug.
3 Vous la remettrez au prêtre Eléazar, qui la fera sortir du camp, et on l’égorgera devant lui.
4 Le prêtre Eléazar prendra du sang de la vache avec le doigt, et il fera sept fois l’aspersion de ce sang du côté de l’entrée de la tente de réunion.
5 On brûlera la vache sous ses yeux; on brûlera sa peau, sa chair et son sang, ainsi que ses excréments.
6 Le prêtre prendra du bois de cèdre, de l’hysope et du cramoisi, et il les jettera au milieu du feu qui consume la vache.
7 Le prêtre lavera ses vêtements et baignera son corps dans l’eau; puis il rentrera dans le camp et sera impur jusqu’au soir.
8 Celui qui aura brûlé la vache lavera ses vêtements dans l’eau, et baignera son corps dans l’eau, et il sera impur jusqu’au soir.
9 Un homme pur recueillera la cendre de la vache et la déposera hors du camp, dans un lieu pur; on la conservera pour l’assemblée des enfants d’Israël, en vue de l’eau qui ôte la souillure: c’est un sacrifice pour le péché.
10 Celui qui aura recuilli la cendre de la vache lavera ses vêtements, et sera impur jusqu’au soir. — Ce sera une loi perpétuelle pour les enfants d’Israël et pour l’étranger qui séjourne au milieu d’eux.
11 Celui qui touchera un mort, un corps humain quelconque, sera impur pendant
12 sept jours. Il se purifiera avec cette eau le troisième jour et le septième jour, et il sera pur; mais s’il ne se purifie pas le troisième jour et le septième jour, il ne
13 sera pas pur. Celui qui touchera un mort, le corps d’un homme qui est mort, et qui ne se purifiera pas, souillera la Demeure de Yahweh; cet homme sera retranché d’Israël. Parce que l’eau qui ôte la souillure n’a pas été répandue sur lui, il est impur, et sa souillure est encore sur lui.
14 Voici la loi. Lorsqu’un homme meurt dans une tente, quiconque entre dans la tente et tout ce qui se trouve dans la tente sera impur pendant sept jours.
15 Tout vase découvert, sur lequel il n’y a point de couvercle attaché, est impur.
16 Quiconque touche dans les champs un homme tué par l’épée, ou un mort, ou des ossements humains, ou un sépulcre, sera impur pendant sept jours.
17 On prendra, pour celui qui est impur, de la cendre de la victime, consumée en sacrifice expiatoire, et l’on mettra dessus de l’eau vive dans un vase.
18 Un homme pur prendra de l’hysope et, l’ayant trempée dans l’eau, il en fera l’aspersion sur la tente, sur tous les ustensiles et sur les personnes qui étaient là, sur celui qui a touché des ossements, ou un homme tué, ou un mort, ou un sépulcre.
19 L’homme pur fera l’aspersion sur celui qui est impur, le troisième jour et le septième jour, et il lui ôtera son péché le septième jour. L’homme impur lavera ses vêtements et se baignera dans l’eau, et le soir il sera pur.
20 L’homme qui sera devenu impur et qui ne se purifiera pas, sera retranché du milieu de l’assemblée, car il souille le sanctuaire de Yahweh; parce que l’eau qui ôte la souillure n’a pas été répandue sur lui, il est impur.
21 Ce sera pour eux une loi perpétuelle. Celui qui aura fait l’aspersion de l’eau qui ôte la souillure lavera ses vêtements, et celui qui touchera l’eau qui ôte la souillure, sera impur jusqu’au soir.
22 Tout ce que touchera celui qui est impur sera souillé, et la personne qui le touchera sera impure jusqu’au soir.»

Chapitres 20

1 Les enfants d’Israël, toute l’assemblée, arrivèrent au désert de Sin, dans le premier mois, et le peuple séjourna à Cadès. C’est là que mourut Marie et qu’elle fut enterrée.
2 Comme il n’y avait pas d’eau pour l’assemblée, ils s’attroupèrent contre Moïse et Aaron.
3 Le peuple disputa avec Moïse, et ils dirent: «Que n’avons-nous péri quand nos frères périrent davant Yahweh?
4 Pourquoi avez-vous fait venir l’assemblée de Yahweh dans ce désert, pour que nous y mourions, nous et notre bétail?
5 Pourquoi nous avez-vous fait monter d’Egypte, pour nous amener dans ce méchant lieu? Ce n’est pas un lieu où l’on puisse semer, et il n’y a ni figuier, ni vigne, ni grenadier, ni même d’eau à boire?»
6 Moïse et Aaron, s’éloignant de l’assemblée, vinrent à l’entrée de la tente de réunion. Ils tombèrent sur leur visage, et la gloire de Yahweh leur apparut.
7 Yahweh parla à Moïse, en disant:
8 «Prends le bâton et convoque l’assemblée, toi et ton frère Aaron; vous parlerez au rocher en leur présence, afin qu’il donne ses eaux; et tu feras sortir pour eux de l’eau du rocher, et tu donneras à boire à l’assemblée et à son bétail.»
9 Moïse prit le bâton qui était devant Yahweh, comme Yahweh le lui avait ordonné.
10 Puis Moïse et Aaron convoquèrent l’assemblée en face du rocher, et Moïse leur dit: «Ecoutez-donc, rebelles! Vous ferons-nous sortir de l’eau de ce rocher?»
11 Moïse leva la main et frappa deux fois le rocher de son bâton; et il sortit de l’eau en abondance. L’assemblée but, ainsi que le bétail.
12 Alors Yahweh dit à Moïse et à Aaron: «Parce que vous n’avez pas cru en moi, pour me sanctifier aux yeux des enfants d’Israël, vous ne ferez point entrer cette assemblée dans le pays que je lui donne.»
13 Ce sont là les eaux de Mériba, où les enfants d’Israël contestèrent avec Yahweh, et il se sanctifia en eux.
14 De Cadès, Moïse envoya des messages au roi d’Edom, pour lui dire: «Ainsi parle ton frère Israël: Tu sais toutes les souffrances que nous avons endurées.
15 Nos pères descendirent en Egypte, et nous y demeurâmes longtemps; mais les Egyptiens nous maltraitèrent, nous et nos pères.
16 Nous avons crié à Yahweh, et il a entendu notre voix; il a envoyé un ange et nous a fait sortir d’Egypte. Et voici que nous sommes à Cadès, ville située à la limite de ton terrictoire.
17 Laisse-nous, de grâce, traverser ton pays; nous ne traverserons ni les champs, ni les vignes, et nous ne boirons pas l’eau des puits; mais nous suivrons la route royale, sans nous détourner à droite ou à gauche, jusqu’à ce que nous ayons traversé ton terrictoire.»
18 Edom lui dit: «Tu ne passeras point chez moi, sinon je sortirai à ta rencontre avec l’épée.»
19 Les enfants d’Israël lui dirent: «Nous monterons par la grande route, et , si nous buvons de ton eau, moi et mes troupeaux, j’en paierai le prix. Ce n’est pas une affaire; je ne ferai que passer avec mes pieds.»
20 Il répondit: «Tu ne passeras pas!» Et Edom sortit à sa rencontre avec un peuple nombreux et à main forte.
21 C’est ainsi qu’Edom refusa de donner passage à Israël sur son terrictoire; et Israël se détourna de lui.
22 Les enfants d’Israël, toute l’assemblée, partirent de Cadès et arrivèrent à
23 la montagne de Hor. Yahweh dit à Moïse et à Aaron, à la montagne de Hor, sur
24 la frontière du pays d’Edom: «Aaron va être recueilli auprès de son peuple; car il n’entrera point dans le pays que je donne aux enfants d’Israël, parce que vous avez été rebelles à mon ordre, aux eaux de Mériba.
25 Prends Aaron et son fils Eléazar, et fais-les monter sur la montagne de Hor.
26 Tu dépouilleras Aaron de ses vêtements et tu en feras revêtir Eléazar, son fils. C’est là qu’Aaron sera recueilli et mourra.»
27 Moïse fit ce qui Yahweh avait ordonné; ils montèrent sur la montagne de Hor, aux yeux de toute l’assemblée;
28 puis Moïse, ayant dépouillé Aaron de ses vêtements, les fit revêtir à Eléazar, son fils; et Aaron mourut là, au sommet de la montagne, et Moïse et Eléazar descendirent de la montagne.
29 Toute l’assemblée vit qu’Aaron avait expiré, et toute la maison d’Israël pleura Aaron pendant trente jours.

Chapitres 21

1 Le Chananéen, roi d’Arad, qui habitait le Négeb, apprit qu’Israël venait par le chemin d’Atharim. Il livra bataille à Israël et lui fit des prisonniers.
2 Alors Israël fit un voeu à Yahweh, en disant: «Si vous livrez ce peuple entre mes mains, je dévouerai ses villes à l’anathème.»
3 Yahweh entendit la voix d’Israël et livra les Chananéens; on les dévoua à l’anathème, eux et leurs villes, et on nomma ce lieu Horma.
4 Ils partirent de la montagne de Hor par le chemin de la mer Rouge, pour tourner le pays d’Edom. Le peuple perdit patience dans ce chemin, et il parla contre Dieu et contre Moïse:
5 «Pourquoi nous avez-vous fait monter d’Egypte, pour que nous mourions dans le désert? Il n’y a point de pain, il n’y a point d’eau, et notre âme a pris en dégoût cette misérable nourriture.»
6 Alors Yahweh envoya contre le peuple les serpents brûlants; ils mordirent le peuple, et il mourrut beaucoup de gens en Israël.
7 Le peuple vint à Moïse et dit: «Nous avons péché, car nous avons parlé contre Yahweh et contre toi. Prie Yahweh, afin qu’il éloigne de nous ces serpents.» Moïse pria pour le peuple.
8 Et Yahweh dit à Moïse: «Fais-toi un serpent brûlant et place-le sur un poteau; quiconque aura été mordu et le regardera, conservera la vie.»
9 Moïse fit un serpent d’airain et le plaça sur un poteau, et, si quelqu’un était mordu par un serpent, il regardait le serpent d’airain, et il vivait.
10 Les enfants d’Israël partirent, et ils campèrent à Oboth.
11 Ils partirent d’Oboth, et ils campèrent à Jeabarim, dans le désert qui est vis-à-vis de Moab, vers le soleil levant.
12 Ils partirent de là, et campèrent dans la vallée de Zared.
13 Ils partirent de là, et campèrent au-delà de l’Arnon, qui coule dans le désert, en sortant du terrictoire des Amorrhéens; car l’arnon est la frontière de Moab, entre Moab et les Amorrhéens.
14 C’est pourquoi il est dit dans le livre des Guerres de Yahweh: «Yahweh a pris Vaheb, dans sa course impétueuse, et les torrents de l’Arnon,
15 et la pente des torrents qui s’étend vers le site d’Ar et s’appuie à la frontière de Moab.»
16 De là ils allèrent à Beer. C’est le puits à propos duquel Yahweh dit à Moïse «Rassemble le peuple, et je leur donnerai de l’eau.»
17 Alors Israël chanta ce cantique: Monte, puits! Acclamez-le!
18 Le puits, que des princes ont creusé, que les grands du peuple ont ouvert, avec le sceptre, avec leurs bâtons!
19 Du désert ils allèrent à Matthana; de Matthana à Nahaliel; de Nahaliel, à
20 Bamoth; de Bamoth, à la vallée qui est dans les champs de Moab, au sommet du Phasga, qui domine le désert. Victoires sur les rois des Amorrhéens et de Basan.
21 Israël envoya des messagers à Séhon, roi des Amorrhéens, pour lui dire:
22 «Laisse-moi passer par ton pays; nous ne nous écarterons ni dans les champs, ni dans les vignes, et nous ne boirons pas l’eau des puits; nous suivrons la route royale, jusqu’à ce que nous ayons franchi ton terrictoire.»
23 Séhon ne permit pas à Israël de passer sur son terrictoire; il rassembla tout son peuple et, étant sorti à la rencontre d’Israël dans le désert, il vint à Jasa et livra bataille à Israël.
24 Israël le frappa du tranchant de l’épée, et se rendit maître de son pays depuis l’Arnon jusqu’à Jaboc, jusqu’aux enfants d’Ammon; car la frontière des enfants d’Ammon était forte.
25 Israël prit toutes ces villes et Israël s’établit dans toutes les villes, des Amorrhéens, à Hésebon et dans toutes les villes de son ressort.
26 Car Hésebon était la ville de Séhon, roi des Amorrhéens, qui avait fait la guerre au précédent roi de Moab et lui avait enlevé
27 tout son pays jusqu’à l’Arnon. C’est pourquoi les poètes disent: Venez à Hésebon! Que la ville de Séhon soit rebâtie et fortifiée!
28 Car il est sorti un feu de Hésebon, une flamme de la ville de Séhon; elle a dévoré Ar-Moab. Les maîtres des hauteurs de l’Arnon.
29 Malheur à toi, Moab! Tu es perdu, peuple de Chamos! Il a livré ses fils fugitifs et ses filles captives à Séhon, roi des Amorrhéens.
30 Et nous avons lancé sur eux nos traits; Hésebon est détruite jusqu’à Dibon; nous avons dévasté jusqu’à Nophé, avec le feu jusqu’à Médaba.
31 Israël s’établit dans le pays des Amorrhéens.
32 Moïse envoya reconnaître Jaser; et ils prirent les villes de son ressort, et expulsèrent les Amorrhéens qui y étaient.
33 Puis, changeant de direction, ils montèrent par le chemin de Basan. Og, roi de Basan, sortit à leur rencontre, avec tout son peuple, pour les combrattre à Edraï.
34 Yahweh dit à Moïse: «Ne le crains point, car je le livre entre tes mains, lui, tout son peuple et son pays; tu le traiteras comme tu as traité Séhon, roi des Amorrhéens, qui habitait à Hésebon.»
35 Et ils le battirent, lui et ses fils,et tout son peuple, jusqu’à ne pas lui laisser de survivant, et ils s’emparèrent de son pays.

Chapitres 22

1 Les enfants d’Israël, étant partis, campèrent dans les plaines de Moab, au-delà du Jourdain, vis-à-vis de Jéricho.
2 Balac, fils de Séphor, vit tout ce qu’Israël avait fait aux Amorrhéens;
3 et Moab fut très effrayé en face du peuple, car celui-ci était nombreux; il fut saisi d’épouvante en face des enfants d’Israël.
4 Moab dit aux anciens de Madian: «Cette multitude va dévorer tout ce qui nous entoure, comme le boeuf dévore la verdure des champs.»
5 –Balac, fils de Séphor était alors roi de Moab. — Il envoya des messagers à Balaam, fils de Béor, à Péthor, qui est sur le Fleuve, dans le pays des fils de son peuple, pour l’appeler et lui dire:
6 «Voici, un peuple est sorti d’Egypte; il couvre la face de la terre, et il habite vis-à-vis de moi. Viens donc, je te prie, maudis-moi ce peuple, car il est plus puissant que moi; peut-être ainsi pourrai-je le battre et le jeter hors du pays; car je sais que celui que tu bénis est béni et que celui que tu maudis est maudit.»
7 Les anciens de Moab et les anciens de Madian se mirent en route, emportant avec eux le salaire du devin. Arrivés auprès de Balaam, ils lui rapportèrent les paroles de Balac.
8 Balaam leur dit: «Passez ici la nuit, et je vous donnerai réponse, selon ce que Yahweh me dira.» Et les princes de Moab restèrent chez Balaam.
9 Dieu vint à Balaam et lui dit: «Qui sont ces hommes que tu as chez toi?»
10 Balaam répondit à Dieu: «Balac, fils de Séphor, roi de Moab, les a envoyés pour me dire:
11 Voici, le peuple qui est sorti d’Egypte couvre la face de la terre; viens donc, maudis-le-moi; peut-être ainsi pourrai-je le combrattre et le chasser.»
12 Dieu dit à Balaam: «Tu n’iras pas avec eux; tu ne maudiras pas ce peuple, car il est béni.»
13 Le matin, Balaam, s’étant levé, dit aux princes de Balac: «Allez dans votre pays, car Yahweh refuse de me laisser aller avec vous.»
14 Alors les princes de Moab se levèrent et retournèrent vers Balac, et ils dirent: «Balaam a refusé de venir avec nous.»
15 Balac envoya de nouveau des princes en plus grand nombre et de plus haut
16 rang que les premiers. Arrivés auprès de Balaam, ils lui dirent: «Ainsi parle Balac, fils de Séphor: «Que rien, je te prie, ne t’empêche de venir vers moi;
17 car je te rendrai les plus grands honneurs, et je ferai tout ce que tu me diras. Mais viens, je te prie; maudis-moi ce peuple.»
18 Balaam répondit et dit aux serviteurs de Balac: «Quand Balac me donnerait plein sa maison d’argent et d’or, je ne pourrai transgresser l’ordre de Yahweh mon Dieu, en faisant une chose, petite ou grande.
19 Maintenant, je vous prie, restez ici, vous aussi, cette nuit, que je sache ce que Yahweh me dira encore.»
20 Dieu vint à Balaam dans la nuit, et lui dit: «Si ces hommes sont venus pour t’appeler, lève-toi et va avec eux; mais tu feras ce que je te dirai.»
21 Balaam se leva le matin et, ayant sellé son ânesse, il partit avec les princes de Moab.
22 La colère de Dieu s’alluma parce qu’il allait, et l’ange de Yahweh se plaça sur le chemin, pour lui faire obstacle. — Balaam était monté sur son ânesse, et il avait avec lui ses deux serviteurs.–
23 L’ânesse vit l’ange de Yahweh qui se tenait sur le chemin, son épée nue à la main; elle se détourna du chemin et alla dans les champs; et Balaam frappa l’ânesse pour la ramener dans le chemin.
24 Alors l’ange de Yahweh se tint dans un chemin creux entre les vignes, où il y
25 avait une clôture de chaque côté. Voyant l’ange de Yahweh, l’ânesse se serra contre le mur, et pressa contre le mur le pied de Balaam, et celui-ci la frappa de nouveau.
26 L’ange de Yahweh passa plus loin et se tint dans un lieu étroit où il n’y avait pas d’espace pour se détourner à droite ou à gauche.
27 L’ânesse, en voyant l’ange de Yahweh, se coucha sous Balaam, et la colère de Balaam s’enflamma, et il frappa l’ânesse de son bâton.
28 Yahweh ouvrit la bouche de l’ânesse, et elle dit à Balaam: «Que t’ai-je fait, que tu m’aies frappée ces trois fois?»
29 Balaam répondit à l’ânesse: «C’est parce que tu t’es jouée de moi; si j’avais une épée dans la main, je te tuerais à l’instant.»
30 L’ânesse dit à Balaam: «Ne suis-je pas ton ânesse, que tu a toujours montée jusqu’à présent? Ai-je l’habitude d’agir ainsi envers toi?» Et il répondit: «NON.»
31 Yahweh ouvrit les yeux de Balaam, et Balaam vit l’ange de Yahweh qui se tenait sur le chemin, son épée nue dans la main; et il s’inclina et se prosterna sur son visage.
32 L’ange de Yahweh lui dit: «Pourquoi as-tu frappé ton ânesse ces trois fois? Voici, je suis sorti pour te faire obstacle, car, à mes yeux, le chemin que tu suis te mène à la ruine.
33 L’ânesse m’a vu; et elle s’est détournée devant moi ces trois fois; si elle ne s’était pas détournée devant moi, je t’aurais tué, toi, et je lui aurais laissé la vie.»
34 Balaam dit à l’ange de Yahweh: «J’ai péché, car je ne savais pas que tu te tenais devant moi sur le chemin; et maintenant, si cela te déplaît, je m’en retournerai.»
35 L’ange de Yahweh dit à Balaam: «Va avec ces hommes; mais tu ne diras pas autre chose que ce que je te dirai.» Et Balaam alla avec les princes de Balac.
36 Balac, ayant appris que Balaam arrivait, sortit à sa rencontre jusqu’à la ville de Moab, qui est sur la frontière de l’Arnon, à l’extrème frontière.
37 Balac dit à Balaam: «N’avais-je pas envoyé déjà vers toi pour t’appeler? Pourquoi n’es-tu pas venu vers moi? Ne puis-je pas en vérité te traiter avec honneur?»
38 Balaam dit à Balac: «Voici, je suis venu vers toi; mais maintenant pourrai-je dire quoi que ce soit? Les paroles que Dieu mettra dans ma bouche, je les dirai.»
39 Balaam se mit en route avec Balac, et ils arrivèrent à Qiriath-Chutsoth.
40 Balac immola en sacrifice des boeufs et des brebis, et il en envoya des portions à Balaam et aux princes qui étaient avec lui.
41 Le matin, Balac prit avec lui Balaam et le fit monter à Bamoth-Baal, d’où Balaam put apercevoir les derniers rangs du peuple.

Chapitres 23

1 Balaam dit à Balac: «Bâtis-moi ici sept autels, et prépare-moi ici sept taureaux et sept béliers.»
2 Balac fit ce que Balaam avait dit, et Balac avec Balaam offrit un taureau et un bélier sur chaque autel.
3 Balaam dit à Balac: «Tiens-toi près de ton holocauste, et je m’éloignerai; peut-être que Yahweh viendra à ma rencontre et quoi qu’il me fasse voir, je te le dirai.» Et il s’en alla sur une hauteur dénudée.
4 Dieu vint à la rencontre de Balaam, qui lui dit: «J’ai dressé sept autels, et j’ai offert sur chaque autel un taureau et un bélier.»
5 Yahweh mit une parole dans la bouche de Balaam et dit: «Retourne auprès de Balac, et parle-lui ainsi.»
6 Il retourna vers lui, et voici, Balac se tenait près de son holocauste, lui et tous
7 les princes de Moab. Et Balaam prononça son discours en disant: D’Aram, Balac m’a fait venir, le roi de Moab m’a fait venir des montagnes de l’Orient: «Viens, maudis-moi Jacob! Viens, courrouce-toi contre Israël!»
8 Comment maudirai-je quand Dieu ne maudit pas? Comment me courroucerai-je, quand Yahweh n’est pas courroucé?
9 Car du sommet des rochers je le vois, du haut des collines je le considère: c’est un peuple qui a sa demeure à part, et qui ne sera pas mis au nombre des nations.
10 Qui peut compter la poussière de Jacob, et dénombrer le quart d’Israël? Que je meure de la mort des justes, et que ma fin soit semblable à la leur!
11 Balac dit à Balaam: «Que m’as-tu fait? Je t’ai pris pour maudire mes ennemis, et voilà, tu ne fais que bénir!»
12 Il répondit et dit: «Ne dois-je pas avoir soin de dire ce que Yahweh met
13 dans ma bouche?» Balac lui dit: «Viens avec moi à une autre place, d’où tu le verras; tu en verras seulement l’extrémité, sans le voir tout entier; et de là, maudis-le-moi.»
14 Il le mena au champ des Sentinelles, sur le sommet de Phasga; et, ayant bâti sept autels, il offrit un taureau et un bélier sur chaque autel.
15 Et Balaam dit à Balac: «Tiens-toi ici près de ton holocauste, et moi j’irai là à la rencontre de Dieu.»
16 Yahweh vint à la rencontre de Balaam, et il mit une parole dans sa bouche et dit: «Retourne vers Balac, et tu parleras ainsi.»
17 Il retourna vers lui, et voici, Balac se tenait près de son holocauste, et les princes de Moab avec lui. Balac lui dit:
18 «Qu’a dit Yahweh?» Et Balaam prononça son discours, en disant: Lève-toi, Balac, et écoute: prête-moi l’oreille, fils de Séphor:
19 Dieu n’est point un homme pour mentir, ni un fils d’homme pour se repentir. Est-ce lui qui dit et ne fais pas, Qui parle et n’exécute pas?
20 Voici, j’ai reçu ordre de bénir; il a béni: je ne révoquerai point.
21 Il n’aperçoit pas d’iniquité en Jacob il ne voit pas d’injustice en Israël. Yahweh son Dieu, est avec lui, chez lui retentit l’acclamation d’un roi.
22 Dieu les fait sortir d’Egypte, sa vigueur est comme celle du buffle.
23 Parce qu’il n’y a pas de magie en Jacob, ni de divination en Israël, en son temps il sera dit à Jacob et à Israël ce que Dieu veut accomplir.
24 Voici un peuple qui se lève comme une lionne, et qui se dresse comme un lion; il ne se couche point qu’il n’ait dévoré sa proie, et qu’il n’ait bu le sang des blessés.
25 Balac dit à Balaam: «Ne le maudis pas et ne le bénis pas.»
26 Balaam répondit et dit à Balac: «Ne t’ai-je pas parlé ainsi: Je ferai tout ce que dira Yahweh?»
27 Balac dit à Balaam: «Viens donc, je te mènerai à une autre place; peut-être plaira-t-il au regard de Dieu que de là tu me le maudisses.»
28 Balac mena Balaam sur le sommet de Phogor, qui domine le désert.
29 Et Balaam dit à Balac: «Bâtis-moi ici sept autels, et prépare-moi ici sept taureaux et sept béliers.»
30 Balac fit ce que Balaam avait dit, et il offrit un taureau et un bélier sur chaque autel.

Chapitres 24
1 Balaam vit que Yahweh avait pour agréable de bénir Israël, et il n’alla pas, comme les autres fois, à la rencontre des signes magiques; mais il tourna son visage du côté du désert.
2 Ayant levé les yeux, il vit Israël campé par tribus; et l’Esprit de Dieu fut sur lui,
3 et il prononça son discours, en disant: Oracle de Balaam fils de Béor, oracle de l’homme dont l’oeil est fermé;
4 oracle de celui qui entend les paroles de Dieu, qui contemple la vision du Tout-Puissant, qui tombe, et dont les yeux s’ouvrent.
5 Qu’elles sont belles tes tentes, ô Jacob, tes demeures, ô Israël!
6 Elles s’étendent comme des vallées, comme des jardins au bord d’un fleuve, comme des aloès que Yahweh a plantés, comme des cèdres sur le bord des eaux.
7 L’eau déborde de ses deux seaux, sa race croît sur des eaux abondantes, son roi s’élève au-dessus d’Agag, et son royaume est exalté!
8 Dieu le fait sortir d’Egypte: il lui donne la vigueur du buffle. Il dévore les nations qui lui font la guerre. Il brise leurs os et les foudroie de ses flèches.
9 Il ploie les genoux, il se couche comme un lion, comme une lionne; qui le fera lever? Béni soit qui te bénira et maudit soit qui te maudira!
10 La colère de Balac s’enflamma contre Balaam, et il frappa des mains; et Balac dit à Balaam: «Je t’ai appelé pour maudire mes ennemis, et voici, tu n’as
11 fait que les bénir ces trois fois! Et maintenant fuis, va-t’en chez toi! J’avais dit que je te comblerais d’honneur; et voici,
12 Yahweh t’écarte de l’honneur.» Balaam répondit à Balac: «N’ai-je pas dit à tes messagers que tu m’as envoyés:
13 Quand Balac me donnerait plein sa maison d’argent et d’or, je ne pourrai transgresser l’ordre de Yahweh, en faisant de moi-même une chose bonne ou mauvaise; mais ce que Yahweh me dira, je le dirai?
14 Et maintenant, voici, je m’en vais vers mon peuple; viens donc, que je t’annonce ce que ce peuple fera à ton peuple dans la suite des jours.»
15 Et Balaam prononça son discours et dit: Oracle de Balaam, fils de Béor, oracle de l’homme dont l’oeil est fermé;
16 oracle de celui qui entend les parols de Dieu, qui connaît la science du Très-Haut, qui contemple la vision du Tout puissant, qui tombe, et dont les yeux s’ouvrent.
17 Je le vois, mais non comme présent; je le contemple, mais non de près. Un astre sort de Jacob, un sceptre s’élève d’Israël. Il brise les deux flancs de Moab, il extermine tous les fils du tumulte.
18 Edom est sa possession; Séïr, son ennemi, est sa possession, et Israël déploie sa vaillance.
19 De Jacob sort un dominateur, il fait périr dans les villes ce qui reste d’Edom.
20 Balaam vit Amalec, et il prononça son discours et dit: Amalec est la première des nations et sa fin sera la ruine.
21 Balaam vit le Cinéen, et il prononça son discours et dit: Ta demeure est solide, et ton nid posé sur le roc.
22 Toutfois le Cinéen ira se consumant; Jusqu’à quand? Assur l’emmènera en captivité.
23 Balaam prononça son discours et dit: Hélas! Qui subsistera quand Dieu fera cela? Des navires viennent de Citthim;
24 ils oppriment Assur, ils oppriment Héber, et lui aussi est voué à la ruine.
25 Balaam s’étant levé, se mit en route et s’en retourna chez lui; Balac s’en alla aussi de son côté.

Chapitres 25

1 Pendant qu’Israël demeurait à Settim, le peuple commença à se livrer à la débauche avec les filles de Moab.
2 Elles invitèrent le peuple au sacrifice de leurs dieux. Et le peuple mangea et se prosterna devant leurs dieux.
3 Israël s’attacha à Béelphégor, et la colère de Yahweh s’enflamma contre Israël.
4 Yahweh dit à Moïse: «Assemble tous les chefs du peuple, et pends les coupables devant Yahweh, à la face du soleil, afin que le feu de la colère de Yahweh se détourne d’Israël.»
5 Et Moïse dit aux juges d’Israël: «Que chacun de vous mette à mort ceux de ses gens qui se sont attachés à Béelphégor.»
6 Et voici qu’un homme des enfants d’Israël vint et amena vers ses frères une Madianite, sous les yeux de Moïse et sous les yeux de toute l’assemblée des enfants d’Israël, qui pleuraient à l’entrée de la tente de réunion.
7 A cette vue, Phinées, fils d’Eléazar, fils d’Aaron, le prêtre, se leva du milieu de l’assemblée;
8 il prit une lance dans sa main, suivit l’homme d’Israël dans l’arrière-tente, et les perça tous deux, l’homme d’Israël et la femme, par le ventre. Alors la plaie s’arrêta parmi les enfants d’Israël.
9 Il y en eut vingt-quatre mille qui moururent de la plaie.
10 Yahweh parla à Moïse, en disant:
11 «Phinées, fils d’Eléazar, fils d’Aaron, le prêtre, a détourné ma fureur de dessus les enfants d’Israël, parce qu’il a été animé de ma jalousie au milieu d’eux; et je n’ai point, dans ma jalousie, consumé les enfants d’Israël.
12 C’est pourquoi dis: Je lui accorde mon alliance de paix:
13 ce sera, pour lui et pour sa postérité après lui, l’alliance d’un sacerdoce perpétuel, parce qu’il a été jaloux pour son Dieu, et qu’il a fait l’expiation pour les enfants d’Israël.»
14 L’homme d’Israël qui fut tué avec la Madianite s’appelait Zamri, fils de Salu; il était prince d’une maison patriarcale des Siméonites.
15 La femme Madianite qui fut tuée s’appelait Cozbi, fille de Sur, chef de tribu, de mainson patriarcale en Madian.
16 Yahweh parla à Moïse, en disant:
17 «Traitez les Madianites en ennemis, et tuez-les;
18 car ils ont agi en ennemis à votre égard, en vous séduisant par leurs ruses, au moyen de Phogor, au moyen de Cozbi, fille d’un chef de Madian, leur soeur, qui fut tuée le jour de la plaie survenue à l’occasion de Phogor.»
19 A la suite de cette plaie, Yahweh;

Chapitres 26

1 parla à Moïse et à Eléazar, fils d’Aaron,
2 le prêtre, en disant: «Faites le compte de toute l’assemblée des enfants d’Israël depuis l’âge de vingt ans et au-dessus, selon leurs maisons patriarcales, de tous les hommes d’Israël et état de porter les armes.»
3 Moïse et le prêtre Eléazar leur parlèrent donc dans les plaines de Moab, près du Jourdain, vis-à-vis de Jéricho, en disant:
4 «Vous ferez le recensement du peuple depuis l’âge de vingt ans et au-dessus, comme Yahweh l’a ordonné à Moïse et aux enfants d’Israël, à leur sortie du pays d’Egypte.»
5 Ruben, premier-né d’Israël. Fils de Ruben: de Hénoch, la famille des Hénochites; de Phallu, la famille des Phalluites;
6 de Hesron, la famille des Hesronites; de Charmi, la famille des Charmites.
7 Telles sont les familles des Rubénites; leurs recensés furent quarante-trois mille sept cent trente.
8 — Fils de Phallu, Eliab.
9 – Fils d’Eliab: Namuel, Dathan et Abiron. C’est ce Dathan et cet Abiron, membres du conseil, qui se soulevèrent contre Moïse et Aaron, dans la troupe de Coré, lorsqu’elle se souleva contre Yahweh.
10 La terre, ouvrant sa bouche, les engloutit avec Coré, quand la troupe périt, et que le feu consuma les deux cent cinquante hommes: ils servirent d’exemple.
11 Mais les fils de Coré ne moururent pas.
12 Fils de Siméon, selon leurs familles: de Namuel, la famille des Namuélites; de Jamin, la famille des Jaminites;
13 de Jachin, la famille des Jachinites; de Zaré la famille des Zaréites; de Saül, la famille des Saülites.
14 Telles sont les familles des Siméonites: vingt-deux mille deux cents.
15 Fils de Gad, selon leurs familles: de Séphon, la famille des Séphonites; d’Aggi, la famille des Aggites; de Sunit, la famille des Sunites;
16 d’Ozni, la famille des Oznites; de Her, la famille des Hérites;
17 d’Arod, la famille des Arodites; d’Ariel, la famille des Ariélites.
18 Telles sont les familles des fils de Gad, selon leurs recensés: quarante mille cinq cents.
19 Fils de Juda: Her et Onan; mais Her et Onan moururent au pays de Chanaan.
20 Voici les fils de Juda selon leurs familles: de Séla, la famille des Sélaïtes; de Pharès, la famille des Pharésites; de Zaré, la famille des Zaréites.
21 — Les fils de Pharès furent: de Herson, la famille des Hesronites; de Hamul, la famille des Hamulites. —
22 Telles sont les familles de Juda, selon leurs recensés: soixante-seize mille cinq cents.
23 Fils d’Issachar selon leurs familles: de Thola, la famille des Tholaïtes;
24 de Phua, la famille des Phulaïtes; de Jasub, la famille des Jasubites; de Semran, la famille des Semranites.
25 Telles sont les familles d’Issachar, selon leurs recensés: soixante-quatre mille trois cents.
26 Fils de Zabulon selon leurs familles: de Sared, la famille des Sarédites; d’Elon, la famille des Elonites; de Jalel, la famille des Jalélites.
27 Telles sont les familles issues de Zabulon, selon leurs recensés: soixante mille cinq cents.
28 Fils de Joseph selon leurs familles: Manassé et Ephraïm.
29 Fils de Manassé: de Machir, la famille des Machirites. — Machir engendra Galaad; de Galaad, la famille des Galaadites. —
30 Voici les fils de Galaad: Jézer, d’où la famille des Jézérites; de Hélec, la famille des Hélicites;
31 Asriel, d’où la famille des Asrielites; Séchem, d’où la famille des Séchémites;
32 Sémida, d’où la famille de Sémidaïtes; Hépher, d’où la famille des Héphrites.
33 Salphaad, fils d’Hépher, n’eut point de fils, mais il eut des filles. Voici les noms des filles de Salphaad: Maala, Noa, Hégla, Melcha et Thersa.
34 — Telles sont les familles de Manassé; leurs recensés furent cinquante-deux mille sept cents.
35 Voici les fils d’Ephraïm selon leurs familles: de Suthala, la famille des Suthalaïtes; de Bécher, la famille des Béchrites; de Théhen, la famille des Théhénites.
36 – Voici les fils de Suthala: d’Héran, la famille des Héranites.–
37 Telles sont les familles des fils d’Ephraïm, selon leurs recensés: trente-deux mille cinq cents. Ce sont là les fils de Joseph, selon leurs familles.
38 Fils de Benjamin, selon leurs familles: de Béla, la famille des Bélaïtes; d’Asbel, la famille des Asbélites; d’Ahiram, la famille des Ahiramites;
39 de Supham, la famille des Suphamites; de Hupham, la famille des Huphamites.
40 — Les fils de Béla furent Héred et Noéman; de Héred, la famille des Hérédites; de Noéman, la famille de Noémanites. —
41 Tels sont les fils de Benjamin, selon leurs familles, et leurs recensés furent quarante-cinq mille six cents.
42 Voici les fils de Dan, selon leurs familles: de Suham descend la famille des Suhamites. Telles sont les familles de Dan, selon leurs familles.
43 Total des familles des Suhamites, selon leurs recensés: soixante-quatre mille quatre cents.
44 Fils d’Aser, selon leurs familles: de Jemna, la famille des Jemnites; de Jessui, la famille des Jessuites; de Brié, la famille des Briéïtes.
45 — Des fils de Brié: de Héber, la famille des Hébrites; de Melchiel, la famille des Melchiélites. —
46 Le nom de la fille d’Aser était Sara. —
47 Telles sont les familles des fils d’Aser, d’après leurs recensés: cinquante-trois mille quatre cents.
48 Fils de Nephthali, selon leurs familles: de Jésiel, la famille des Jésiélites; de Guni, la famille des Gunites;
49 de Jéser, la famille des Jésérites; de Sellem, la famille des Sélémites.
50 Telles sont les familles de Nephthali, selon leurs familles, et leurs recensés furent quarante-cinq mille quatre cents.
51 Tels sont les enfants d’Israël qui furent recensés: six cent un mille sept cent trente.
52 Yahweh parla à Moïse, en disant:
53 «A ceux-ci le pays sera partagé, pour être leur héritage, selon le nombre des noms.
54 Aux plus nombreux tu donneras un héritage plus grand, et aux moins nombreux tu donneras un héritage plus petit; on donnera à chacun son héritage selon ses recensés.
55 Seulement le partage du pays aura lieu par le sort. Ils le recevront en partage selon les noms des tribus patriarcales.
56 C’est par le sort que l’héritage sera réparti aux plus nombreux comme à ceux qui le sont moins.»
57 Voici, selon leurs familles, les Lévites qui furent recensés: de Gerson, la famille des Gersonites; de Caath, la famille des Caathites; de Mérari, la famille des Mérarites.
58 — Voici les familles de Lévi; la famille des Lobnites, la famille des Hébronites, la famille des Moholites, la famille des Musites et la famille des Coréites. —
59 Caath engendra Amram, et le nom de la femme d’Amram était Jochabed, fille de Lévi, que sa mère enfanta à Lévi en Egypte; elle enfanta à Amram Aaron, Moïse et Marie, leur soeur.
60 Il naquit à Aaron: Nadab et Abiu, Eléazar et Ithamar.
61 Nadab et Abiu moururent lorsqu’ils apportèrent du feu étranger devant Yahweh.
62 Leurs recensés, tous les mâles depuis l’âge d’un mois et au-dessus, furent vingt-trois mille. Car ils ne furent pas compris dans le recensement des enfants d’Israël, parce qu’ils ne leur fut point assigné d’héritage au milieu des enfants d’Israël.
63 Tels sont les hommes recensés par Moïse et Eléazar, le prêtre, qui firent le recensement des enfants d’Israël dans les plaines de Moab, près du Jourdain, vis-à-vis de Jéricho.
64 Parmi eux, il n’y avait aucun des enfants d’Israël dont Moïse et Aaron le prêtre avaient fait le recensement dans le désert du Sinaï;
65 car Yahweh avait dit d’eux: «Ils mourront dans le désert»; et il n’en resta pas un, excepté Caleb, fils de Jéphoné, et Josué, fils de Nun.

Chapitres 27

1 Alors s’approchèrent les filles de Salphaad, fils de Hépher, fils de Galaad, fils de Machir, fils de Manassé, des familles de Manassé, le fils de Joseph; leurs noms étaient Maala, Noa, Hégla, Melcha et Thersa.
2 Elles se présentèrent devant Moïse, devant le prêtre Eléazar, et devant les princes de toute l’assemblée, à l’entrée de la tente de réunion, et elles dirent:
3 «Notre père est mort dans le désert; il n’était pas au milieu de la troupe de ceux qui se liguèrent contre Yahweh, de la troupe de Coré, mais il est mort pour son péché, et il n’avait point de fils.
4 Pourquoi le nom de notre père serait-il retranché du milieu de sa famille, parce qu’il n’a pas eu de fils? Donne-nous une propriété parmi les frères de notre père.»
5 Moïse porta leur cause devant Yahweh;
6 ,
7 et Yahweh dit à Moïse: «Les filles de Salphaad ont dit une chose juste. Tu leur donneras en héritage une propriété parmi les frères de leur père, et tu leur feras passer l’héritage de leur père.
8 Tu parleras aux enfants d’Israël, en disant:
9 Si un homme meurt sans avoir de fils, vous ferez passer son héritage à sa fille; et s’il n’a point de fille, vous donnerez son héritage à ses frères.
10 S’il n’a point de frères, vous donnerez son héritage aux frères de son père;
11 et s’il n’y a point de frères de son père, vous donnerez son héritage au parent le plus proche dans famille, et c’est lui qui le possédera. Ce sera pour les enfants d’Israël une règle de droit, comme Yahweh l’a ordonné à Moïse.»
12 Yahweh dit à Moïse: «Monte sur cette montagne d’Abarim, et vois le pays
13 que je donne aux enfants d’Israël. Tu le verras, et toi aussi tu seras recueilli auprès de ton peuple, comme Aaron, ton frère, a été recueilli,
14 parce que dans le désert de Sin, lors de la contestation de l’assemblée, vous avez été tous deux rebelles à l’ordre que j’avais donné de me sanctifier devant eux à l’occasion des eaux. Ce sont les eaux de Mériba, à Cadès, dans le désert de Sin.»
15 Moïse parla à Yahweh, en disant:
16 «Que Yahweh, le Dieu des esprits de toute chair, établisse sur l’assemblée un homme qui sorte devant eux et qui entre devant eux,
17 qui les fasse sortir et qui les fasse entrer, afin que l’assemblée de Yahweh ne soit pas comme des brebis qui n’ont point de berger.»
18 Yahweh dit à Moïse: «Prends Josué, fils de Nun, homme en qui réside l’Esprit, et tu poseras ta main sur lui.
19 Tu le placeras devant Eléazar, le prêtre, et davant toute l’assemblée, et tu l’installeras sous leurs yeux.
20 Tu mettras sur lui une part de ton autorité, afin que toute l’assemblée des enfants d’Israël lui obéisse.
21 Il se présentera devant le prêtre Eléazar, qui consultera pour lui le jugement de l’Urim devant Yahweh; c’est sur son ordre que sortiront, sur son ordre qu’entreront, lui, Josué, tous les enfants d’Israël avec lui et toute l’assemblée.»
22 Moïse fit ce que Yahweh lui avait ordonné. Il prit Josué, et il le plaça devant Eléazar, le prêtre, et devant toute l’assemblée.
23 Et ayant posé ses mains sur lui, il l’installa, comme Yahweh l’avait dit par Moïse.

Chapitres 28

1 Yahweh parla à Moïse, en disant:
2 «Donne cet ordre aux enfants d’Israël et dis-leur: Vous aurez soin de me présenter, au temps fixé, mon offrande, mon aliment pour les sacrifices faits par le feu, qui sont pour moi d’agréable odeur.
3 Tu leur diras: Voici le sacrifice par le feu que vous offrirez à Yahweh: chaque jour, deux agneaux d’un an, sans défaut, comme holocauste perpétuel.
4 Tu offriras l’un des agneaux le matin, et le deuxième agneau entre les deux soirs,
5 et, pour l’oblation, un dixième d’épha de fleur de farine, pétrie avec un quart de hin d’huile d’olives concassées.
6 C’est l’holocauste perpétuel qui a été offert à la montagne de Sinaï, d’agréable odeur, un sacrifice par le feu à Yahweh.
7 Sa libation sera d’un quart de hin pour chaque agneau; c’est dans le lieu saint que tu feras la libation de vin pur à Yahweh.
8 Tu offriras le second agneau entre les deux soirs; tu feras comme pour l’oblation du matin et sa libation: c’est un sacrifice par le feu, d’une agréable odeur à Yahweh.
9 Le jour du sabbat, vous offrirez deux agneaux d’un an, sans défaut, et, comme oblation, deux dixièmes de fleur de farine pétrie à l’huile, et sa libation.
10 C’est l’holocauste du sabbat, pour chaque sabbat, outre l’holocauste perpétuel et sa libation.
11 Au commencement de vos mois, vous offrirez comme holocauste à Yahweh deux jeunes taureaux, un bélier et sept agneaux d’un an sans défaut,
12 et, comme oblation pour chaque taureau, trois dixièmes de fleur de farine pétrie à l’huile; comme oblation pour le bélier, deux dixièmes de fleur de farine pétrie à l’huile;
13 comme oblation pour chaque agneau, un dixième de fleur de farine pétrie à l’huile. C’est un holocauste d’agréable odeur, un
14 sacrifice par le feu de Yahweh. Leurs libations seront d’un demi-hin de vin pour un taureau, d’un tiers de hin pour un bélier et d’un quart de hin pour un agneau. Tel est l’holocauste du commencement du mois, pour chaque mois, pour les mois de l’année.
15 On offrira aussi à Yahweh un bouc en sacrifice pour le péché, outre l’holocauste perpétuel et sa libation.
16 Au premier mois, le quatorzième jour du mois, ce sera la Pâque de Yahweh.
17 Le quinzième jour de ce mois sera jour de fête. On mangera pendant sept jours des pains sans levain.
18 Le premier jour, il y aura une sainte assemblée: vous ne ferez aucune oeuvre servile.
19 Vous offrirez en sacrifice par le feu un holocauste à Yahweh: deux jeunes taureaux, un bélier et sept agneaux d’un an, sans défaut,
20 et, comme leur oblation, de la fleur de farine pétrie à l’huile: trois dixièmes pour un taureau, deux dixièmes pour un bélier,
21 et un dixième pour chacun des sept agneaux.
22 Vous offrirez aussi un bouc en sacrifice pour le péché, pour faire l’expiation pour vous.
23 Vous ferez cela sans préjudice de l’holocauste du matin, qui est l’holocauste perpétuel.
24 Vous ferez cela chaque jour, pendant sept jours; c’est l’aliment d’un sacrifice par le feu, d’agréable odeur à Yahweh; ainsi sera-t-il fait sans préjudice de l’holocauste perpétuel et de sa libation.
25 Le septième jour, vous aurez une sainte assemblée: vous ne ferez aucune oeuvre servile.
26 Au jour des prémices, quand vous présenterez à Yahweh une oblation de la moisson nouvelle, à votre fête des Semaines, vous aurez une sainte assemblée: vous ne ferez aucune oeuvre servile.
27 Vous offrirez comme holocauste d’agréable odeur à Yahweh deux jeunes taureaux, un bélier et sept agneaux d’un an,
28 et, comme leur oblation, de la fleur de farine pétrie à l’huile: trois dixièmes pour chaque taureau, deux dixièmes pour le bélier,
29 et un dixième pour chacun des sept agneaux.
30 Vous offrirez aussi un bouc, pour faire l’expiation pour vous. Vous ferez cela sans préjudice de l’holocauste perpétuel et de son oblation.
31 Vous aurez des victimes sans défaut; et vous y joindrez leurs libations.

Chapitres 29

1 Au septième mois, le premier jour du mois, vous aurez une sainte assemblée: vous ne ferez aucune oeuvre servile. Ce sera pour vous le jour du son éclatant des trompettes.
2 Vous offrirez comme holocauste d’agréable odeur à Yahweh un jeune taureau, un bélier et sept agneaux d’un an, sans défaut,
3 et, comme leur oblation, de la fleur de farine pétrie à l’huile: trois dixièmes pour le taureau,
4 deux dixièmes pour le bélier et un dixième pour chacun des sept agneaux.
5 Vous offrirez aussi un bouc en sacrifice pour le péché, pour faire l’expiation pour vous.
6 Vous ferez cela sans préjudice de l’holocauste du mois et de son oblation, de l’holocauste perpétuel et de son oblation, et de leurs libations d’après les règles prescrites. Ce sont des sacrifices par le feu, d’agréable odeur à Yahweh.
7 Le dixième jour de ce septième mois, vous aurez une sainte assemblée et vous affligerez vos âmes: vous ne ferez aucune oeuvre.
8 Vous offrirez en holocauste d’agréable odeur à Yahweh un jeune taureau, un bélier et sept agneaux d’un an, sans défaut,
9 et, comme leur oblation, de la fleur de farine pétrie à l’huile: trois dixièmes pour le taureau,
10 deux dixièmes pour le bélier et un dixième pour chacun des sept agneaux.
11 Vous offrirez aussi un bouc en sacrifice pour le péché, sans préjudice du sacrifice expiatoire, de l’holocauste perpétuel, de son oblation, et de leurs libations.
12 Le quinzième jour, du septième mois, vous aurez une sainte assemblée: vous ne ferez aucune oeuvre servile. Et vous célébrerez une fête en l’honneur de Yahweh pendant sept jours.
13 Vous offrirez un holocauste, sacrifice par le feu, d’agréable odeur à Yahweh: treize jeunes taureaux, deux béliers et quatorze agneaux d’un an, sans défaut,
14 et, comme leur oblation, de la fleur de farine pétrie à l’huile: trois dixièmes pour chacun des treize taureaux, deux dixièmes pour chacun des deux béliers,
15 et un dixième pour chacun des quatorze agneaux.
16 Vous offrirez aussi un bouc en sacrifice pour le péché, sans préjudice de l’holocauste perpétuel avec son oblation et sa libation.
17 Le second jour, vous offrirez douze jeunes taureaux, deux béliers et quatorze agneaux d’un an, sans défaut,
18 avec leur oblation et leurs libations, pour les taureaux, les béliers et les agneaux, selon leur nombre, d’après la règle.
19 Vous offrirez aussi un bouc en sacrifice pour le péché, sans préjudice de l’holocauste perpétuel, de son oblation et de leurs libations.
20 Le troisième jour, vous offrirez onze taureaux, deux béliers et quatorze agneaux d’un an, sans défaut,
21 avec leur oblation et leurs libations, pour les taureaux, les béliers et les agneaux, selon leur nombre, d’après la règle.
22 Vous offrirez aussi un bouc en sacrifice pour le péché, sans préjudice de l’holocauste perpétuel, de son oblation et de sa libation.
23 Le quatrième jour, vous offrirez dix taureaux, deux béliers et quatorze agneaux d’un an, sans défaut,
24 avec leur oblation et leurs libations, pour les taureaux, les béliers et les agneaux, selon leur nombre d’après la règle.
25 Vous offrirez aussi un bouc en sacrifice pour le péché, sans préjudice de l’holocauste perpétuel, de son oblation et de sa libation.
26 Le cinquième jour, vous offrirez neuf taureaux, deux béliers et quatorze agneaux d’un an, sans défaut,
27 avec leur oblation et leurs libations, pour les taureaux, les béliers et les agneaux, selon leur nombre, d’après la règle.
28 Vous offrirez aussi un bouc en sacrifice pour le péché, sans préjudice de l’holocauste perpétuel, de son oblation et de sa libation.
29 Le sixième jour, vous offrirez huit taureaux, deux béliers et quatorze agneaux d’un an, sans défaut,
30 avec leur oblation et leurs libations, pour les taureaux, les béliers et les agneaux, selon leur nombre, d’après la règle.
31 Vous offrirez aussi un bouc en sacrifice pour le péché, sans préjudice de l’holocauste perpétuel, de son oblation et de sa libation.
32 Le septième jour, vous offrirez sept taureaux, deux béliers et quatorze agneaux d’un an, sans défaut,
33 avec leur oblation et leurs libations, pour les taureaux, les béliers et les agneaux, selon leur nombre, d’après la règle.
34 Vous offrirez aussi un bouc en sacrifice pour le péché, sans préjudice de l’holocauste perpétuel, de son oblation et de sa libation.
35 Le huitième jour, vous aurez une assemblée solennelle: vous ne ferez aucune oeuvre servile.
36 Vous offrirez un holocauste, un sacrifice par le feu d’agréable odeur à Yahweh: un taureau, un bélier et sept agneaux d’un an, sans défaut,
37 avec leur oblation et leur libations, pour le taureau, le bélier et les agneaux, selon leur nombre, d’après la règle.
38 Vous offrirez aussi un bouc en sacrifice pour le péché, sans préjudice de l’holocauste perpétuel, de son oblation et de sa libation.
39 Tels sont les sacrifices que vous offrirez à Yahweh dans vos fêtes, sans préjudice de vos voeux et de vos offrandes volontaires: vos holocaustes, vos oblations, vos libations et vos sacrifices pacifiques.»

Chapitres 30

1 Moïse parla aux enfants d’Israël selon tout ce que Yahweh lui avait ordonné:
2 Moïse parla aux chefs des tribus des enfants d’Israël, en disant: «Voici ce que Yahweh ordonne:
3 Si un homme fait un voeu à Yahweh ou s’il fait un serment pour s’imposer à soi-même un engagement, il ne violera point sa parole; tout ce qui est sorti de sa bouche, il le fera.
4 Si une femme, encore jeune fille dans la maison de son père, fait un voeu à Yahweh et se lie par un engagement,
5 et que son père apprenne son voeu et l’engagement qu’elle s’est imposé à elle-même, et que son père garde le silence envers elle, tous ses voeux qu’elle aura faits et tout engagement qu’elle s’est imposé à elle-même seront valables;
6 mais si, le jour où il en a connaissance, son père la désavoue, tous ses voeux et tous les engagements qu’elle s’est imposé à elle-même seront sans valeur; et Yahweh lui pardonnera, parce que son père l’a désavouée.
7 Si elle se marie, et que pèsent sur elle ses voeux ou une parole imprudemment sortie de ses lèvres par laquelle elle s’est imposé à elle-même un engagement, et si son mari, l’apprenant, garde le silence envers elle le jour où il l’apprendra,
8 ses voeux seront valables, ainsi que ses engagements qu’elle s’est imposé à elle-même;
9 mais si, le jour où il l’apprend, son mari la désavoue, il rend nuls son voeu qui pèse sur elle et la parole imprudemment sortie de ses lèvres par laquelle elle s’est imposé à elle-même un engagement; et Yahweh lui pardonnera.
10 le voeu d’une femme veuve ou répudiée, tout engagement qu’elle s’est imposé à elle-même, seront valables pour elle.
11 Si c’est dans la maison de son mari qu’une femme a fait un voeu ou s’est imposé à elle-même un engagement par un serment,
12 et que son mari, l’apprenant, garde le silence envers elle et ne la désavoue pas, tous ses voeux seront valables, ainsi que tous les engagements qu’elle s’est imposé à elle-même;
13 mais si, le jour où il l’apprend, son mari les annule, tout ce qui est sorti de ses lèvres, voeux ou engagements, sera sans valeur: son mari les a annulés; et Yahweh lui pardonnera.
14 Tout voeu et tout serment par lequel elle s’engage à affliger son âme, son mari peut les ratifier et son mari peut les annuler.
15 Si son mari garde d’un jour à l’autre le silence envers elle, il ratifie ainsi tous ses voeux ou tous ses engagements qui pèsent sur elle; il les ratifie, parce qu’il a gardé le silence envers elle le jour où il l’a appris.
16 S’il les annule après le jour où il l’a appris, il portera l’iniquité de sa femme.»
17 Telles sont les lois que Yahweh prescrivit à Moïse, entre un mari et sa femme, entre un père et sa fille, lorsqu’elle est jeune encore et dans la maison de son père.

Chapitres 31

1 Yahweh parla à Moïse, en disant:
2 «Venge les enfants d’Israël sur les Madianites; tu seras ensuite recueilli auprès de ton peuple.»
3 Moïse parla au peuple, en disant: «Armez pour la guerre des hommes d’entre vous, et qu’ils marchent contre Madian, pour exécuter la vengeance de Yahweh sur Madian.
4 Vous enverrez à la guerre mille hommes par tribu, de toutes les tribus d’Israël.»
5 On leva donc d’entre les milliers d’Israël mille hommes par tribu, soit douze mille hommes armés pour la guerre.
6 Moïse les envoya au combat, mille hommes par tribu, eux et Phinées, le fils d’Eléazar, le prêtre, qui avait avec lui les instruments sacrés et les trompettes retentissantes.
7 Ils s’avancèrent contre Madian, selon l’ordre que Yahweh avait donné à Moïse, et ils tuèrent tous les mâles.
8 Outre ceux qui étaient tombés dans la bataille, ils tuèrent les rois de Madian: Evi, Récem, Sur, Hur et Rebé, cinq rois de Madian; ils tuèrent aussi par l’épée Balaam, fils de Béor.
9 Les enfants d’Israël firent prisonnières les femmes des Madianites avec leurs petis enfants, et ils pillèrent toutes leurs bêtes de somme, tous leurs troupeaux et tous leurs biens.
10 Ils livrèrent aux flammes toutes les villes du pays qu’ils habitaient et tous leurs campements.
11 Ayant pris tout le butin et toutes les dépouilles, gens et bestiaux,
12 ils amenèrent les prisonniers, les dépouilles et le butin à Moïse, à Eléazar, le prêtre, et à l’assemblée des enfants d’Israël, au camp, dans les plaines de Moab, près du Jourdain, vis-à-vis de Jéricho.
13 Moïse, Eléazar, le prêtre, et tous les princes de l’assemblée sortirent au-devant
14 d’eux, hors du camp. Et Moïse s’irrita contre les commandants de l’armée, les chefs de milliers et les chefs de centaines, qui revenaient du combat.
15 Il leur dit: «Avez-vous donc laissé la vie à toutes les femmes?
16 Voici, ce sont elles qui, sur la parole de Balaam, ont entraîné les enfants d’Israël à l’infidélité envers Yahweh, dans l’affaire de Phogor; et alors la plaie fut dans l’assemblée de Yahweh.
17 Maintenant, tuez tout mâle parmi les petits enfants, et tuez toute femme qui a connu la couche d’un homme;
18 mais toutes les filles qui n’ont pas connu la couche d’un homme, laissez-les vivre pour vous.
19 Et vous, campez hors du camp pendant sept jours; quiconque a tué quelqu’un et quiconque a touché un mort se purifiera le troisième jour et le septième jour, lui et vos prisonniers.
20 Vous purfierez aussi tout vêtement, tout objet de peau, tout ouvrage de poil de chèvre et tout ustensile de bois.»
21 Eléazar, le prêtre, dit aux hommes de guerre qui étaient allés au combat: «Voici ce qui est commandé par la loi que Yahweh a prescrite à Moïse:
22 l’or, l’argent, l’airain, le fer, l’étain et le plomb,
23 tout objet qui va au feu, vous le ferez passer par le feu, et il sera pur; toutefois il sera purifié encore par l’eau de purification. Tout ce qui ne va pas au feu, vous le ferez passer par l’eau.
24 Vous laverez vos vêtements, le septième jour, et vous serez purs; vous pourrez ensuite entrer dans le camp.
25 Yahweh parla à Moïse, en disant:
26 «Fais, toi et Eléazar, le prêtre, et les chefs de maisons de l’assemblée, le compte de ce qui a été pris des dépouilles en hommes et en bestiaux,
27 et partage les dépouilles entre les combattants qui sont allés à la guerre et toute l’assemblée.
28 Tu prélèveras sur la part des soldats qui sont allés à la guerre un tribut pour Yahweh, savoir un sur cinq cents, gens, boeufs, ânes et brebis.
29 Vous le prendrez sur leur moitié et tu le donneras à Eléazar, le prêtre, comme prélèvement de Yahweh.
30 Sur la moitié qui revient aux enfants d’Israël, tu mettras à part un sur cinquante, gens, boeufs, ânes, brebis et tout bétail, et tu le donneras aux Lévites, qui ont la garde de la Demeure de Yahweh.»
31 Moïse et Eléazar, le prêtre, firent comme Yahweh l’avait ordonné à Moïse.
32 Les dépouilles, le reste du butin qu’avaient fait les combattants étaient de six cent soixante-quinze mille brebis,
33 soixante-douze mille boeufs, soixante-un mille ânes,
34 ,
35 et trente-deux mille d’entre les femmes qui n’avaient pas connu la couche d’un homme.
36 La moitié, part de ceux qui étaient allés à la guerre, fut de trois cent trente-sept mille cinq cents brebis,
37 six cent soixante-quinze brebis pour le tribut de Yahweh;
38 trente-six mille boeufs, dont soixante-douze pour le tribut de Yahweh;
39 trente mille cinq cents ânes, dont soixante-et-un pour le tribut de Yahweh;
40 et seize mille personnes, trente-deux personnes pour le tribut de Yahweh.
41 Moïse donna à Eléazar, le prêtre, le tribut prélevé pour Yahweh, ainsi que Yahweh l’avait ordonné à Moïse.
42 Quant à la moitié revenant aux enfants d’Israël, que Moïse avait séparée de celle des combattants,
43 cette moitié formant la part de l’assemblée fut de trois cent trente-sept mille cinq cents brebis,
44 trente-six mille boeufs,
45 ,
46 trente mille cinq cents ânes et seize mille personnes.
47 Sur cette moitié qui revenait aux enfants d’Israël, Moïse prit un sur cinquante et le donna aux Lévites, qui ont la garde de la Demeure de Yahweh, ainsi que Yahweh l’avait ordonné à Moïse.
48 Les commandants des milliers de l’armée, les chefs de milliers et les chefs de
49 centaines, s’approchèrent de Moïse et lui dirent: «Tes serviteurs ont compté les combattants qui étaient sous nos ordres, et il ne manque pas un homme d’entre nous.
50 C’est pourquoi nous apportons comme offrande à Yahweh les objets d’or que chacun de nous a trouvés, bracelets, chaînettes, anneaux, pendants d’oreilles et colliers, pour faire l’expiation pour nous devant Yahweh.»
51 Moïse et Eléazar, le prêtre, reçurent d’eux cet or, tous ces objets bien travaillés.
52 tout l’or prélevé qu’ils présentèrent à Yahweh de la part des chefs de milliers et des chefs de centaines, fut de seize mille sept cent cinquante sicles.
53 Les hommes de la troupe eurent chacun leur butin pour eux.
54 Moïse et Eléazar, le prêtre, ayant pris l’or des chefs de milliers et des chefs de centaines, l’apportèrent dans la tente de réunion, comme mémorial pour les enfants d’Israël devant Yahweh.

Chapitres 32
1 Les fils de Ruben et les fils de Gad avaient des troupeaux en nombre considérable. Voyant que le pays de Jazer et le pays de Galaad étaient un lieu propre pour les troupeaux,
2 les fils de Gad et les fils de Ruben vinrent auprès de Moïse, d’Eléazar, le prêtre, et des princes de l’assemblée, et ils leur dirent:
3 «Ataroth, Dibon, Jazer, Nemra, Hésebon,
4 Eléalé, Saban, Nébo et Béon, ce pays que Yahweh a frappé devant l’assemblée d’Israël, est un lieu propre pour les troupeaux, et tes serviteurs ont des troupeaux».
5 Ils ajoutèrent: «Si nous avons trouvé grâce à tes yeux, que ce pays soit donné en possession à tes serviteurs, et ne nous fais point passer le Jourdain.»
6 Moïse répondit aux fils de Gad et aux fils de Ruben: «Vos frères iront-ils à la guerre, et vous, resterez-vous ici?
7 Pourquoi découragez-vous les enfants d’Israël de passer dans le pays que Yahweh leur donne?
8 C’est ainsi qu’ont fait vos pères, quand je les envoyai de Cadès-Barné explorer le pays.
9 Ils montèrent jusqu’à la vallée d’Escol et virent le pays, et ils découragèrent les enfants d’Israël d’entrer dans le pays que Yahweh leur donnait.
10 Et la colère de Yahweh s’enflamma ce jour-là, et il jura en disant:
11 Ces hommes qui sont montés de l’Egypte, depuis l’âge de vingt ans et au-dessus, ne verront point le pays que j’ai promis par serment à Abraham, à Isaac et à Jacob, car ils ne m’ont pas fidèlement suivi,
12 excepté Caleb, fils de Jéphoné, le Cénézéen, et Josué, fils de Nun, qui ont suivi fidèlement Yahweh.
13 Et la colère de Yahweh s’enflamma contre Israël, et il les fit errer dans le désert pendant quarante années, jusqu’à ce que fût anéantie toute la génération qui avait fait le mal aux yeux de Yahweh.
14 Et voici que vous prenez la place de vos pères, comme des rejetons de pécheurs, pour accroître encore l’ardeur de la colère de Yahweh contre Israël.
15 Car si vous refusez de le suivre, il continuera de laisser Israël au désert, et vous causerez la ruine de tout ce peuple.»
16 Ils s’approchèrent de Moïse, et ils dirent: «Nous construirons ici des parcs pour nos troupeaux et des villes pour nos petits enfants;
17 mais nous nous armerons sans tarder pour marcher devant les enfants d’Israël, jusqu’à ce que nous les ayons introduits dans le lieu qu’ils doivent occuper, et nos enfants demeureront dans les villes fortes, à cause des habitants du pays.
18 Nous ne reviendrons point dans nos maisons, avant que les enfants d’Israël aient pris possession chacun de son héritage;
19 car nous ne posséderons rien avec eux de l’autre côté du Jourdain, ni plus loin, puisque notre héritage nous est venu de ce côté du Jourdain, à l’orient.»
20 Moïse leur dit: «Si vous tenez cette conduite, si vous vous armez pour
21 combattre devant Yahweh; si tous les hommes armés d’entre vous passent le Jourdain devant Yahweh, jusqu’à ce qu’il ait chassé ses ennemis de devant sa face,
22 et que vous ne reveniez qu’après que le pays aura été soumis devant Yahweh, vous serez sans reproche devant Yahweh et devant Israël, et cette contrée-ci sera votre propriété devant Yahweh.
23 Mais si vous n’agissez pas ainsi, voici, vous péchez contre Yahweh; et sachez que votre péché vous atteindra.
24 Construisez donc des villes pour vos enfants et des parcs pour vos troupeaux, et exécutez la parole qui est sortie de votre bouche.»
25 Les fils de Gad et les fils de Ruben parlèrent à Moïse en disant: «Tes serviteurs
26 feront ce que mon seigneur ordonne. Nos enfants, nos femmes, nos troupeaux et tout notre bétail resteront ici, dans les villes de Galaad;
27 et tes serviteurs, tout homme armé pour combattre, passeront devant Yahweh pour combattre, comme le dit mon seigneur.»
28 Alors Moïse donna des ordres à leur sujet à Eléazar, le prêtre, à Josué, fils de Nun, et aux chefs de famille des tribus des enfants d’Israël;
29 il leur dit: «Si les fils de Gad et les fils de Ruben passent avec vous le Jourdain, tous les hommes armés pour combattre devant Yahweh, et que le pays sois soumis devant vous, vous leur donnerez en possession la conquête de Galaad.
30 Mais s’ils ne passent point en armes avec vous, ils seront établis au milieu de vous dans le pays de Chanaan.»
31 Les fils de Gad et les fils de Ruben répondirent en disant: «Ce que Yahweh a dit à tes serviteurs, nous le ferons.
32 Nous passerons en armes devant Yahweh au pays de Chanaan, et la possession de notre héritage nous demeurera de ce côté-ci du Jourdain.»
33 Moïse donna aux fils de Gad et aux fils de Ruben, et à la moitié de la tribu de Manassé, fils de Joseph, le royaume de Séhon, roi des Amorrhéens, et le royaume d’Og, roi de Basan, le pays avec ses villes et leurs terrictoires, les villes du pays d’alentour.
34 Les fils de Gad bâtirent Dibon, Ataroth,
35 Aroër, Ataroth-Sophan, Jazer, Jegbaa,
36 Bethnemra et Betharan, villes fortes, et ils firent des parcs pour le troupeau.
37 Les fils de Ruben bâtirent Hésebon,
38 Eléalé, Cariathaïm, Nabo et Baalméon, dont les noms furent changés, et Sabama, et ils donnèrent des noms aux villes qu’ils bâtirent.
39 Les fils de Machir, fils de Manassé, allèrent contre Galaad et, s’en étant emparés, ils chassèrent les Amorrhéens qui y étaient.
40 Moïse donna Galaad à Machir, fils de Manassé, qui s’y établit.
41 Jaïr, fils de Manassé, alla et prit leurs bourgs, et il les appela Bourgs de Jaïr.
42 Nobé alla et s’empara de Chanath et des villes de son ressort; il l’appela Nobé, de son nom.

Chapitres 33

1 Voici les campements des enfants d’Israël, quand ils sortirent du pays d’Egypte, selon leurs troupes, sous la conduite de Moïse et d’Aaron.
2 Moïse mit par écrit les lieux d’où ils partirent, selon leurs campements, d’après l’ordre de Yahweh, et voici leurs campements selon leurs départs:
3 Ils partirent de Ramsès le premier mois, le quinzième jour du premier mois. Le lendemain de la Pâque, les enfants d’Israël sortirent la main levée, à la vue de tous les Egyptiens.
4 Et les Egyptiens enterraient ceux que Yahweh avait frappés parmi eux, tous les premiers-nés; Yahweh exerça aussi des jugements sur leurs dieux.
5 Etant partis de Ramsès, les enfants d’Israël campèrent à Soccoth.
6 Ils partirent de Soccoth et campèrent à Etham, qui est aux confins du désert.
7 Ils partirent d’Etham et, ayant tourné vers Phihahiroth, qui est vis-à-vis de Béel-séphon, ils campèrent devant Magdalum.
8 Ils partirent de devant Phihahiroth et passèrent au milieu de la mer, vers le désert. Après trois journées de marche dans le désert d’Etham, ils campèrent à Mara.
9 Ils partirent de Mara et arrivèrent à Elim, où il y avait douze sources d’eau et soixante-dix palmiers, et ils y campèrent.
10 Ils partirent d’Elim et campèrent près de la mer Rouge.
11 Ils partirent de la mer Rouge et campèrent dans le désert de Sin.
12 Ils partirent du désert de Sin et campèrent à Daphca.
13 Ils partirent de Daphca et campèrent à Alus.
14 Ils partirent d’Alus et campèrent à Raphidim, et il n’y eut pas là d’eau à boire pour le peuple.
15 Ils partirent de Raphidim et campèrent dans le désert de Sinaï.
16 Ils partirent du désert de Sinaï et campèrent à Kibroth-Hattaava.
17 Ils partirent de Kibroth-Hattaava et campèrent à Haséroth.
18 Ils partirent de Haséroth et campèrent à Rethma.
19 Ils partirent de Rethma et campèrent à Remmonpharès.
20 Ils partirent de Remmonpharès et campèrent à Lebna.
21 Ils partirent de Lebna et campèrent à Ressa.
22 Ils partirent de Ressa et campèrent à Céélatha.
23 Ils partirent de Céélatha et campèrent à la montagne de Sépher.
24 Ils partirent de la montagne de Sépher et campèrent à Arada.
25 Ils partirent d’Arada et campèrent à Macéloth.
26 Ils partirent de Macéloth et campèrent à Thahath.
27 Ils partirent de Thahath et campèrent à Tharé.
28 Ils partirent de Tharé et campèrent à Metcha.
29 Ils partirent de Metcha et campèrent à Hesmona.
30 Ils partirent de Hesmona et campèrent à Moséroth.
31 Ils partirent de Moséroth et campèrent à Bené Jaacan.
32 Ils partirent de Bené-Jaacan et campèrent à Hor-Gadgad.
33 Ils partirent de Hor-Gadgad et campèrent à Jétébatha.
34 Ils partirent de Jétébatha et campèrent à Hébrona.
35 Ils partirent de Hébrona et campèrent à Asiongaber.
36 Ils partirent d’Asiongaber et campèrent dans le désert de Sin, c’est-à-dire à Cadès.
37 Ils partirent de Cadès et campèrent à la montagne de Hor, à l’extrémité du pays d’Edom .
38 Aaron, le prêtre, monta sur la montagne de Hor, sur l’ordre de Yahweh, et il y mourut, la quarantième année après la sortie des enfants d’Israël du pays d’Egypte, le cinquième mois, le premier jour du mois.
39 Aaron était âgé de cent vingt-trois ans lorsqu’il mourut sur la montagne de Hor.
40 Ce fut alors que le Chanaanéen, roi d’Arad, qui habitait le Négeb dans le pays de Chanaan, apprit l’arrivée des enfants d’Israël.
41 Ils partirent de la montagne de Hor et campèrent à Salmona.
42 Ils partirent de Salmona et campèrent à Phunon.
43 Ils partirent de Phunon et campèrent à Oboth.
44 Ils partirent d’Oboth et campèrent à Ijé-Abarim, à la frontière de Moab.
45 Ils partirent de Ijé-Abarim et campèrent à Dibon-Gad.
46 Ils partirent de Dibon-Gad et campèrent à Helmon-Deblathaïm.
47 Ils partirent d’Helmon-Deblathaïm et campèrent aux monts Abarim, en face de
48 Nébo. Ils partirent des monts Abarim et campèrent dans les plaines de Moab, près du Jourdain, vis-à-vis de Jéricho.
49 Ils campèrent près du Jourdain, depuis Bethsimoth jusqu’à Abel-Settim, dans les plaines de Moab.
50 Yahweh parla à Moïse dans les plaines de Moab, près du Jourdain, vis-à-vis
51 de Jéricho, en disant: «Parle aux enfants d’Israël: Lorsque vous aurez passé le Jourdain et que vous serez entrés dans le pays de Chanaan,
52 vous expulserez devant vous tous les habitants du pays, vous détruirez toutes leurs pierres sculptées, et vous détruirez toutes leurs images d’airain fondu, et vous dévasterez tous leurs hauts lieux.
53 Vous prendrez possession du pays et vous l’habiterez; car je vous ai donné le pays pour le posséder.
54 Vous partagerez le pays par le sort, selon vos familles; vous donnerez un héritage plus grand à ceux qui sont en plus grand nombre, et tu donneras un héritage plus petit à ceux qui sont en plus petit nombre. Ce que le sort assignera à chacun lui appartiendra; vous le recevrez en propriété, selon vos tribus patriarcales.
55 Mais si vous n’expulsez pas devant vous les habitants du pays, ceux d’entre eux que vous laisserez seront comme des épines dans vos yeux et comme des aiguillons dans vos flancs, et ils vous traiteront en ennemis dans le pays que vous allez habiter.
56 Et je vous traiterai vous-même comme j’avais résolu de les traiter.»

Chapitres 34

1 Yahweh parla à Moïse, en disant: «Commande aux enfants d’Israël et dis-leur:
2 Quand vous serez entrés dans le pays de Chanaan, voici le pays qui vous tombera en partage: le pays de Chanaan, selon ses limites, savoir:
3 Le côté du midi sera pour vous le désert de Sin, jusqu’à Edom, et votre frontière méridionale partira de l’extrémité méridionale de la mer Salée, vers l’orient,
4 et votre frontière inclinera au sud par la montée d’Akrabbim, passera par Sin, et arrivera jusqu’au midi de Cadès-Barné; elle continuera par Hatsar-Adar et passera vers Asemon;
5 et depuis Asemon, la frontière arrivera jusqu’au Torrent d’Egypte, pour arriver à la mer.
6 Quant à la frontière occidentale, vous aurez pour frontière la grande mer: ce sera votre limite à l’occident.
7 Voici quelle sera votre frontière septentrionale: à partir de la grande mer,
8 vous la tracerez pour vous par le mont Hor; depuis le mont Hor, vous la tracerez jusqu’à l’entrée de Hamath, et la frontière arrivera à Sedada;
9 et la frontière continuera par Zéphron, pour arriver à Hatsar-Enan: ce sera votre limite au septentrion.
10 Vous tracerez votre frontière orientale de Hatsar-Enan à Sépham;
11 et la frontière descendra de Sépham vers Rébla, à l’est d’Aïn; et la frontière descendra et s’étendra le long des collines qui flanquent la mer de Cénéreth à l’orient,
12 et la frontière descendra le long du Jourdain, pour arriver à la mer Salée. Tel sera votre pays selon les frontières tout autour.»
13 Moïse donna cet ordre aux enfants d’Israël, en disant: «C’est là le pays que vous partagerez par le sort, et que Yahweh a ordonné de donner aux neuf tribus et à la demi-tribu.
14 Car la tribu des fils de Ruben, selon leurs maisons patriarcales, et la tribu des fils de Gad, selon leurs maisons patriarcales, ont reçu leur héritage; la demi-tribu de Manassé a reçu son héritage.
15 Les deux tribus et la demi-tribu ont pris leur héritage au delà du Jourdain, vis-à-vis de Jéricho, du côté de l’orient, vers le levant.»
16 Yahweh parla à Moïse, en disant:
17 «Voici les noms des hommes qui partageront le pays entre vous: Eléazar, le prêtre, et Josué, fils de Nun.
18 Vous prendrez encore un prince de chaque tribu pour vous partager le pays.
19 Voici les noms de ces hommes: Pour la tribu de Juda, Caleb, fils de Jéphoné;
20 pour la tribu des fils de Siméon, Samuel, fils d’Ammiud;
21 pour la tribu de Benjamin, Elidad, fils de Chaselon;
22 pour la tribu des fils de Dan, le prince Bocci, fils de Jogli;
23 pour les fils de Joseph: pour la tribu des fils de Manassé, le prince Hanniel, fils d’Ephod;
24 et pour la tribu des fils d’Ephraïm, le prince Camuel, fils de Sephtan;
25 pour la tribu des fils de Zabulon, le prince Elisaphan, fils de Pharnach;
26 pour la tribu des fils d’Issachar, le prince Phaltiel, fils d’Ozan;
27 pour la tribu des fils d’Aser, le prince Ahiud, fils de Salomi;
28 pour la tribu des fils de Nephthali, le prince Phedaël, fils d’Ammiud.»
29 – Tels sont ceux à qui Yahweh ordonna de partager le pays de Chanaan entre les enfants d’Israël.

Chapitres 35

1 Yahweh parla à Moïse, dans les plaines de Moab, près du Jourdain, vis-à-vis de Jéricho, en disant:
2 «Ordonne aux enfants d’Israël de céder aux Lévites, sur l’héritage qu’ils posséderont, des villes pour y habiter. Vous donnerez aussi aux Lévites des lieux de pâture autour de ces villes.
3 Ils auront les villes pour y habiter, et leurs lieux de pâture seront pour leur gros bétail, pour leurs autres biens et pour tous leurs animaux.
4 Les lieux de pâture des villes que vous donnerez aux Lévites seront, à partir du mur de la ville, en dehors, de mille coudées tout autour.
5 Vous mesurerez, en dehors de la ville, deux mille coudées pour le côté oriental, deux mille coudées pour le côté méridional, deux mille coudées pour le côté occidental et deux mille coudées pour le côté septentrional; la ville sera au milieu: tels seront les lieux de pâture de leurs villes.
6 Quant aux villes que vous donnerez aux Lévites, ce sont les six villes de refuge, que vous disposerez pour le meurtrier s’y réfugie; et, en plus, vous donnerez quarante-deux autres villes.
7 Ainsi toutes les villes que vous donnerez aux Lévites seront au nombre de quarante-hui villes avec leurs lieux de pâture.
8 Pour les villes que vous donnerez sur les possessions des enfants d’Israël, vous prendrez plus de ceux qui ont plus, et vous prendrez moins de ceux qui ont moins. Chacun cédera de ses villes aux Lévites à proportion de l’héritage qu’il aura reçu.»
9 Yahweh parla à Moïse, en disant: «Parle aux enfants d’Israël, et dis-leur:
10 Lorsque vous aurez passé le Jourdain et que vous serez entrés dans le pays de Chanaan,
11 vous vous choisirez des villes qui soient pour vous des villes de refuge, où pourra se retirer le meurtrier qui aura tué quelqu’un par mégarde.
12 Ces villes vous serviront de refuge contre le vengeur du sang, afin que le meurtrier ne soit pas mis à mort avant d’avoir comparu en jugement devant l’assemblée.
13 Quant aux villes que vous donnerez, vous aurez six villes de refuge.
14 Vous donnerez trois villes au-delà du Jourdain, et vous donnerez trois villes dans le pays de Chanaan;
15 elles seront villes de refuge. Ces six villes serviront de refuge pour les enfants d’Israël, pour l’étranger et pour celui qui demeure au milieu de vous, afin que tout homme qui aura tué quelqu’un par mégarde puisse s’y retirer.
16 S’il l’a frappé avec un instrument de fer, et que la mort s’ensuive, c’est un meurtrier: le meurtrier sera puni de mort.
17 S’il l’a frappé, ayant à la main une pierre qui peut causer la mort, et que la mort s’ensuive, c’est un meurtrier: le meurtrier sera puni de mort.
18 S’il l’a frappé, ayant à la main un instrument de bois qui peut causer la mort, et que la mort s’ensuive, c’est un meurtrier: le meurtrier sera puni de mort.
19 Le vengeur du sang fera lui-même mourir le meurtrier; quand il le rencontrera, il le tuera.
20 S’il a renversé un homme par haine, ou s’il lui a jeté quelque chose en guet-appens, et que la mort s’ensuive,
21 ou s’il l’a frappé de sa main par inimitié, et que la mort s’ensuive, celui qui a frappé sera puni de mort, c’est un meurtrier: le vengeur du sang fera mourir le meurtrier quand il le rencontrera.
22 Mais s’il l’a renversé par hasard, sans inimitié, ou s’il lui a jeté quelque chose sans intention,
23 ou s’il a fait tomber sur lui par mégarde une pierre qui peut causer la mort, et que la mort d’ensuive, sans qu’il soit son ennemi et qu’il lui cherche du mal,
24 l’assemblée jugera entre celui qui a frappé et le vengeur du sang, selon ces lois.
25 Et l’assemblée délivrera le meurtrier du vengeur du sang et le fera retourner dans la ville de refuge où il s’était enfui; et il y demeurera jusqu’à la mort du grand prêtre qui a été oint de l’huile sainte.
26 Si le meurtrier sort avant ce temps du terrictoire de la ville de refuge où il s’est enfui,
27 et si le vengeur du sang le rencontre hors du terrictoire de sa ville de refuge, et si le vengeur du sang tue le meurtrier, il ne sera pas coupable de meurtre;
28 car le meurtrier doit demeurer dans sa ville de refuge jusqu’à la mort du grand prêtre; et, après la mort du grand prêtre, le meurtrier pourra retourner au pays où se trouve sa possession.
29 Ces ordonnances fixeront le droit pour vous et pour vos descendants dans tous les lieux où vous habiterez.
30 Quand un homme en a tué un autre, c’est sur la déposition de témoins qu’on ôtera la vie au meurtrier; mais un seul témoin ne peut déposer pour faire condamner une personne à mort.
31 Vous n’accepterez point de rançon pour la vie d’un meurtrier dont le crime mérite la mort, car il doit être mis à mort.
32 Vous n’accepterez point de rançon qui permette à celui qui s’est enfui dans sa ville de refuge de revenir habiter dans son pays avant la mort du grand prêtre.
33 Vous ne souillerez point le pays où vous serez, car le sang souille le pays, et il n’y a pour le pays d’expiation pour le sang qui y a été répandu, que par le sang de celui qui l’a répandu.
34 Tu ne profaneras point le pays où vous demeurerez, et au milieu duquel j’habite; car je suis Yahweh, qui habite au milieu des enfants d’Israël.»

Chapitres 36

1 Les Chefs des maisons patriarcales de la famille des fils de Galaad, fils de Machir, fils de Manassé, d’entre les familles des fils de Joseph, s’étant approchés, parlèrent devant Moïse et devant les princes, chefs de maisons patriarcales des enfants d’Israël.
2 Ils dirent: «Yahweh a ordonné à mon seigneur de donner par le sort le pays en héritage aux enfants d’Israël; mon seigneur a aussi reçu de Yahweh l’ordre de donner l’héritage de Salphaad, notre frère, à ses filles.
3 Si elles se marient à l’un des fils d’une autre tribu des enfants d’Israël, leur héritage sera retranché de l’héritage de nos pères et il s’ajoutera à celui de la tribu dont elles feront partie, et il sera retranché du lot de notre héritage.
4 Et quand viendra le jubilé pour les enfants d’Israël, leur héritage sera ajouté à celui de la tribu dont elles feront partie, et leur héritage sera retranché de l’héritage de la tribu de nos pères.»
5 Moïse donna ce commandement aux enfants d’Israël, sur l’ordre de Yahweh; il dit: «La tribu des fils de Joseph a bien parlé.
6 Voici ce qu’ordonne Yahweh au sujet des filles de Salphaad: elles se marieront à qui elles voudront, pourvu qu’elles se marient dans une famille de la tribu de leur père;
7 ainsi l’héritage des enfants d’Israël ne passera pas d’une tribu à une autre tribu, et les enfants d’Israël s’attacheront chacun à l’héritage de la tribu de ses pères.
8 Toute fille possédant un héritage dans quelque tribu des enfants d’Israël se mariera avec un homme d’une famille de la tribu de son père, afin que les enfants d’Israël conservent chacun l’héritage de ses pères.
9 Aucun héritage ne passera d’une tribu à une autre tribu, mais les tribus des enfants d’Israël s’attacheront chacune à son héritage.»
10 Comme Yahweh l’avait ordonné à Moïse, ainsi firent les filles de Salphaad.
11 Maala, Thersa, Hégla, Melcha et Noa, filles de Salphaad, se marièrent avec des fils de leurs oncles;
12 elles se marièrent dans les familles des fils de Manassé, fils de Joseph, et ainsi leur héritage resta dans la tribu de la famille de leur père.
13 Telles sont les ordonnances et les lois que Yahweh donna par Moïse aux enfants d’Israël, dans les plaines de Moab, près du Jourdain, vis-à-vis de Jéricho.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.