nl Nederlands
nl Nederlandsen Englishfr Françaisde Deutschit Italianoes Español

bijbelvers 003 leviticus

Download

- Stars (0)

0 Downloads

Owner: admin

Version: 1.0

Last Updated: 02-09-2021 14:48

Share
DescriptionPreviewVersions
3.2.1 geloven christendom - bijbelvers 003 leviticus.pdf

Bron: https://rkbijbel.nl/kbs/bijbel/willibrord1975/neovulgaat
https://en.wikipedia.org/wiki/Book_of_Leviticus

De Willibrordvertaling is dé standaardvertaling van de rooms katholieke geloofsgemeenschap in het Nederlands taalgebied en wordt uitgegeven door de Katholieke Bijbelstichting, in nauwe samenwerking met de Vlaamse Bijbelstichting. De Willibrordvertaling wordt alom gewaardeerd als een vertaling die trouw is aan de grondtekst en die tegelijkertijd een tekst biedt in begrijpelijk hedendaags Nederlands.

Het boek Leviticus (/ lɪˈvɪtɪkəs /) is het derde boek van de Torah en van het Oude Testament; geleerden zijn het er over het algemeen over eens dat het zich gedurende een lange periode heeft ontwikkeld en zijn huidige vorm bereikte tijdens de Perzische periode tussen 538-332 v.Chr.

De meeste van de hoofdstukken (1–7, 11–27) bestaan uit Gods toespraken tot Mozes, die God Mozes opdraagt deze voor de Israëlieten te herhalen. Dit vindt plaats in het verhaal van de uittocht van de Israëlieten nadat ze uit Egypte waren ontsnapt en Mt. Sinai (Exodus 19: 1). Het boek Exodus vertelt hoe Mozes de Israëlieten leidde bij het bouwen van de tabernakel (Exodus 35-40) met Gods instructies (Exodus 25-31). Vervolgens vertelt God in Leviticus de Israëlieten en hun priesters hoe ze offers moeten brengen in de Tabernakel en hoe ze zich moeten gedragen terwijl ze hun kamp ophielden rond het heilige tentheiligdom. Leviticus vindt plaats gedurende de maand of anderhalve maand tussen de voltooiing van de Tabernakel (Exodus 40:17) en het vertrek van de Israëlieten uit de Sinaï (Numeri 1: 1, 10:11).

De instructies van Leviticus leggen meer de nadruk op rituele, wettelijke en morele praktijken dan op overtuigingen. Niettemin weerspiegelen ze het wereldbeeld van het scheppingsverhaal in Genesis 1 dat God met mensen wil leven. Het boek leert dat getrouwe uitvoering van de heiligdomsrituelen dat mogelijk kan maken, zolang de mensen zonde en onreinheid waar mogelijk vermijden. De rituelen, vooral de zonde- en schuldoffers, verschaffen de middelen om vergeving voor zonden te verkrijgen (hoofdstuk 4–5) en zuivering van onzuiverheden (hoofdstuk 11-16), zodat God kan blijven leven in de Tabernakel temidden van de mensen .

De hoofdstukken 1–5 beschrijven de verschillende offers vanuit het standpunt van de offeraars, hoewel de priesters essentieel zijn voor het omgaan met het bloed. De hoofdstukken 6–7 gaan grotendeels over hetzelfde terrein, maar vanuit het standpunt van de priester, die, als degene die het offer daadwerkelijk brengt en de ”porties” verdeelt, moet weten hoe hij dit moet doen. Er zijn offers tussen God, de priester en de offeraars, hoewel in sommige gevallen het hele offer een enkel deel aan God is, dat wil zeggen tot as verbrand.

In de hoofdstukken 8–10 wordt beschreven hoe Mozes Aäron en zijn zonen wijdt als de eerste priesters, de eerste offers en hoe God twee van Aäron’s zonen vernietigt wegens rituele overtredingen. Het doel is om het karakter van het altaarpriesterschap (d.w.z. de priesters met de macht om offers aan God te brengen) als Aäronitisch voorrecht te onderstrepen, en de verantwoordelijkheden en gevaren van hun positie.

Nu de offers en het priesterschap zijn ingesteld, leren de hoofdstukken 11–15 de leken over reinheid (of reinheid). Het eten van bepaalde dieren veroorzaakt onreinheid, net als het baren; bepaalde huidziekten (maar niet alle) zijn onrein, evenals bepaalde aandoeningen aan muren en kleding (schimmel en soortgelijke aandoeningen); en genitale afscheiding, inclusief vrouwelijke menstruatie en mannelijke gonorroe, zijn onrein. De redenering achter de voedselregels is onduidelijk; voor de rest lijkt het leidende principe te zijn dat al deze aandoeningen een verlies van ”levenskracht” met zich meebrengen, meestal maar niet altijd bloed.

Leviticus 16 betreft de Grote Verzoendag. Dit is de enige dag waarop de hogepriester het heiligste deel van het heiligdom, het heilige der heiligen, moet binnengaan. Hij moet een stier offeren voor de zonden van de priesters, en een bok voor de zonden van de leken. De priester moet een tweede geit de woestijn in sturen naar ”Azazel”, die de zonden van het hele volk draagt. Azazel mag dan een woestijndemon zijn, maar zijn identiteit is mysterieus.

De hoofdstukken 17–26 zijn de heiligheidscode. Het begint met een verbod op alle slachtingen van dieren buiten de tempel, zelfs voor voedsel, en verbiedt vervolgens een lange lijst van seksuele contacten en ook het offeren van kinderen. De ”heiligheids” bevelen die de code zijn naam geven, beginnen met de volgende sectie: er zijn straffen voor de aanbidding van Molech, het raadplegen van mediums en tovenaars, het vervloeken van de ouders en het bedrijven van onwettige seks. Priesters krijgen instructies over rouwrituelen en aanvaardbare lichamelijke gebreken. De straf voor godslastering is de dood, en er zijn regels voor het eten van offers; er is een uitleg van de kalender, en er zijn regels voor sabbat- en jubeljaren; er zijn regels voor olielampen en brood in het heiligdom; en er zijn regels voor slavernij. De code eindigt door de Israëlieten te vertellen dat ze moeten kiezen tussen de wet en welvaart aan de ene kant, of, aan de andere kant, vreselijke straffen, waarvan de ergste verdrijving uit het land zal zijn.

Hoofdstuk 27 is een ongelijksoortige en waarschijnlijk late toevoeging die vertelt over personen en dingen die dienen als toewijding aan de Heer en hoe men geloften kan aflossen in plaats van te vervullen.

Hoofdstuk 1

Jahwe riep Mozes en sprak tot hem vanuit de tent van de samenkomst: 2Zeg aan de Israëlieten: Wanneer iemand van u Jahwe een gave wil aanbieden, kan hij daarvoor een rund of een stuk kleinvee kiezen. 3Wil hij een rund als brandoffer aanbieden, dan moet hij een gaaf mannelijk dier
nemen en dat bij de ingang van de tent der samenkomst aanbieden; zo schept Jahwe behagen in hem. 4Hij legt dan zijn hand op de kop van het offerdier; zo wordt het goedgunstig aanvaard en bewerkt verzoening voor hem. 5Hij slacht het rund voor Jahwe; de priesters, de zonen van Aäron, offeren het bloed en sprenkelen het rondom op het altaar bij de ingang van de tent der samenkomst. 6Hij vilt het offerdier en snijdt het in stukken. 7De priesters, de zonen van Aäron, brengen vuur op het altaar en stapelen daar hout op. 8Op dat hout leggen zij de stukken vlees, evenals de kop en het vet. 9Dan wast hij de ingewanden en de poten en de priester doet alles op het altaar in rook opgaan. Zo is het een reukoffer, een geurige gave die Jahwe behaagt. 10Wil iemand een schaap of een geit als brandoffer aanbieden, dan moet hij eveneens een gaaf mannelijk dier aanbieden. 11Hij slacht het aan de noordkant van het altaar voor Jahwe. De priesters, de zonen van Aäron, sprenkelen het bloed rondom op het altaar. 12Hij snijdt het dier in stukken en de priester legt die, evenals de kop en het vet, op het brandende hout, dat op het altaar ligt. 13Dan wast hij de ingewanden en de poten en de priester offert dit alles door het op het altaar in rook te doen opgaan. Zo is het een brandoffer, een geurige gave die Jahwe behaagt. 14Wil iemand vogels als brandoffer aan Jahwe aanbieden, dan kan hij tortels of duiven nemen. 15De priester brengt die naar het altaar, knijpt ze de kop af en doet die op het altaar in rook opgaan; het bloed laat men langs de wand van het altaar uitdruipen. 16Hij verwijdert de krop met wat erin zit en werpt die aan de oostkant van het altaar op de asbelt. 17De priester scheurt het dier in bij de vleugels zonder die eraf te trekken. Dan doet hij het dier op het brandende hout, dat op het altaar ligt, in rook opgaan. Zo is het een brandoffer, een geurige gave, die Jahwe behaagt.

Hoofdstuk 2

Wanneer iemand Jahwe een meeloffer aanbiedt, moet dat offer bestaan uit bloem. Hij giet er olie op, voegt er wierook aan toe 2en brengt het naar de priesters, de zonen van Aäron. Een priester neemt een handvol van de bloem met olie en al de wierook, die erbij hoort, en doet dit als teken van het geheel op het altaar in rook opgaan, een geurige gave die Jahwe behaagt. 3De rest van het meeloffer komt toe aan Aäron en zijn zonen: dit soort offergaven aan Jahwe is hoog heilig. 4Wanneer gij een meeloffer wilt aanbieden, in de oven gebakken, dan moet het uit bloem zijn gemaakt en de vorm hebben van ongezuurde broden, met olie aangemaakt, of van ongezuurde dunne koeken, met olie bestreken. 5Biedt gij een meeloffer aan, op de bakplaat bereid, dan moet het eveneens van bloem zijn, met olie aangemaakt en ongezuurd. 6Snijd het in stukken en giet er olie over. Zo is het een meeloffer. 7Biedt gij een meeloffer aan, in de pan bereid, ook dan moet het bestaan uit bloem en olie. 8Het zo bereide meeloffer brengt gij naar Jahwe. De offeraar overhandigt het aan de priester, die het naar het altaar brengt. 9De priester neemt dan een deel van het meeloffer, als teken van het geheel, en doet dat op het altaar in rook opgaan, een geurige gave die Jahwe behaagt. 10De rest van het
meeloffer komt toe aan Aäron en zijn zonen: dit soort offergaven aan Jahwe is hoog heilig. 11Geen enkel meeloffer dat ge aan Jahwe aanbiedt, mag met zuurdeeg worden klaargemaakt; nooit mogen zuurdeeg of honing deel uitmaken van de offergaven, die ge voor Jahwe in rook doet opgaan. 12Wel moogt ge ze als uitgelezen gaven aan Jahwe aanbieden, maar ze mogen niet van het altaar opstijgen als aangename geur. 13Bij alle meeloffers moet ge zout doen; bij geen ervan mag het zout van uw verbond met God ontbreken. Ge moet dus zout voegen bij alle gaven die gij aanbiedt. 14Biedt ge Jahwe een meeloffer uit de eerste vruchten aan, dan moet dat bestaan uit geroosterde aren of geplet graan van de nieuwe oogst. 15Ge moet er olie en wierook bijdoen. Zo is het een meeloffer. 16De priester doet, als teken van het geheel, een deel van het graan, wat olie en al de wierook in rook opgaan, als offergave voor Jahwe.

Hoofdstuk 3

Wanneer iemand Jahwe een slachtoffer aanbiedt en daarvoor een rund kiest, dan mag het een mannelijk of vrouwelijk dier zijn, als het maar gaaf is. 2Hij legt zijn hand op de kop van het offerdier en slacht het bij de ingang van de tent der samenkomst. De priesters, de zonen van Aäron, sprenkelen het bloed rondom op het altaar. 3Dan biedt hij een deel van het slachtoffer als offergave aan Jahwe aan: het vet aan en om de ingewanden, 4de nieren met het vet eraan, bij de lenden, en de leverkwab, die hij met de nieren verwijdert. 5De zonen van Aäron doen dat op het altaar in rook opgaan, tegelijk met het brandoffer, dat op het brandende hout ligt. Zo is het een geurige gave die Jahwe behaagt. 6Wil hij Jahwe een schaap of een geit als slachtoffer aanbieden, dan mag het een mannelijk of een vrouwelijk dier zijn, als het maar gaaf is. 7Biedt hij een schaap aan, dan brengt hij het dier voor Jahwe, 8legt het de hand op de kop en slacht het bij de tent van de samenkomst. De zonen van Aäron sprenkelen het bloed rondom op het altaar. 9Dan biedt hij Jahwe het vet van het slachtoffer als offergave aan: de hele staart, afgesneden bij het staartbeen, het vet aan en om de ingewanden, 10de nieren met het vet eraan, bij de lenden, en de leverkwab, die hij met de nieren verwijdert. 11Dit alles doet de priester in rook opgaan, als spijs en offer voor Jahwe. 12Biedt hij een geit aan, dan brengt hij het dier voor Jahwe, 13legt het de hand op de kop en slacht het bij de tent van de samenkomst. De zonen van Aäron sprenkelen het bloed rondom op het altaar. 14Een deel van het offerdier biedt hij Jahwe als offergave aan; het vet aan en om de ingewanden, 15de nieren met het vet eraan, bij de lenden, en de leverkwab, die hij met de nieren verwijdert. 16Al het vet doet de priester op het altaar in rook opgaan, als spijs, als geurige gave voor Jahwe. 17Dit is een blijvende bepaling voor al uw geslachten, waar ge ook woont: nuttig nooit vet of bloed.

Hoofdstuk 4

Jahwe sprak tot Mozes: 2Zeg aan de Israëlieten: Wanneer iemand door onoplettendheid zondigt tegen de voorschriften van Jahwe en iets doet dat verboen is 3en het is een gezalfde priester die zondigt, zodat hij schuld
brengt over het volk, dan moet hij voor zijn zonde aan Jahwe een gave stier als zondeoffer aanbieden. 4Hij brengt het dier naar de ingang van de tent der samenkomst, voor Jahwe, legt het de hand op de kop en slacht het voor Jahwe. 5De gezalfde priester gaat met het bloed van de stier naar de tent van de samenkomst, 6doopt er zijn vinger in en besprenkelt daarmee voor Jahwe zevenmaal het voorhangsel van het heiligdom. 7Hij strijkt ook bloed aan de horens van het reukofferaltaar, dat in de tent van de samenkomt voor Jahwe staat. De rest ervan giet hij uit aan de voet van het reukofferaltaar, bij de ingang van de tent. 8Van de stier van het zondeoffer haalt hij al het vet af: het vet aan en om de ingewanden, 9de nieren en het vet eraan, bij de lenden, en de leverkwab, die hij met de nieren verwijdert, 10op dezelfde manier als bij een rund voor het slachtoffer. De priester doet dat op het brandofferaltaar in rook opgaan. 11De huid van de stier, al het vlees met de kop en de poten, de ingewanden en de darmen, 12kortom, het hele dier, brengt hij buiten het kamp, naar een reine plaats, waar de as wordt gestort. Hij verbrandt het in een houtvuur; het moet op de asbelt verbrand worden. 13Is het heel de gemeenschap van Israël die door onoplettendheid zondigt, zonder dat de gemeente weet, dat zij iets doet wat Jahwe heeft verboden en daardoor schuld op zich laadt, 14dan moet heel de gemeente, zodra de zonde aan het licht komt, een stier als zondeoffer aanbieden en die voor de tent van de samenkomst brengen. 15Dan leggen de oudsten van de gemeenschap voor Jahwe hun hand op de kop van het dier en men slacht het voor Jahwe. 16Daarop gaat de gezalfde priester met het bloed van de stier naar de tent van de samenkomst, 17doopt er zijn vinger in en besprenkelt daarmee voor Jahwe zevenmaal het voorhangsel. 18Hij strijkt ook bloed aan de horens van het altaar, dat in de tent van de samenkomst voor Jahwe staat. De rest ervan giet hij uit aan de voet van het brandofferaltaar, bij de ingang van de tent der samenkomst. 19Al het vet haalt hij eraf en doet dat op het altaar in rook opgaan. 20Verder doet hij met deze stier hetzelfde als met de stier van het zondeoffer. Zo voltrekt de priester voor hen de verzoening en wordt hun vergeving geschonken. 21Hij brengt het dier buiten het kamp en verbrandt het op dezelfde wijze als de eerstgenoemde stier. Dit is het zondeoffer voor de gemeente. 22Is het een leider, die door onoplettendheid zondigt, omdat hij iets doet wat Jahwe heeft verboden en daardoor schuld op zich laadt, 23dan moet hij, zodra zijn zonde hem bekend wordt, een bok zonder gebrek aanbieden. 24Hij legt de hand op de kop van het dier en slacht het voor Jahwe, op de plaats waar men ook het brandoffer slacht. Zo is het een zondeoffer. 25De priester strijkt bloed van het zondeoffer aan de horens van het brandofferaltaar; de rest van het bloed giet hij uit aan de voet van het altaar. 26Al het vet doet hij op het altaar in rook opgaan, juist als het vet van een slachtoffer. Zo voltrekt hij voor hem de verzoening voor zijn zonden en wordt hem vergeving geschonken. 27Is het iemand van het volk van het land die door onoplettendheid heeft gezondigd, omdat hij iets heeft gedaan dat Jahwe heeft verboden en daardoor schuld op zich heeft
geladen, 28dan moet hij, zodra zijn zonde hem bekend wordt, een geit zonder gebrek aanbieden voor zijn zonde. 29Hij legt zijn hand op de kop van het offerdier en slacht het op de plaats waar ook het brandoffer geslacht wordt. 30De priester strijkt het bloed aan de horens van het brandofferaltaar; de rest van het bloed giet hij uit aan de voet van het altaar. 31Al het vet haalt hij er uit, zoals bij een slachtoffer. De priester doet het op het altaar in rook opgaan als geurige gave voor Jahwe. Zo voltrekt de priester voor hem de verzoening en wordt hem vergeving geschonken. 32Wil hij als zondeoffer een schaap aanbieden, dan moet het een gaaf vrouwelijk dier zijn. 33Hij legt zijn hand op de kop van het dier en slacht het als zondeoffer, op de plaats waar men het brandoffer slacht. 34De priester strijkt het bloed van het zondeoffer aan de horens van het brandofferaltaar. 35Al het vet haalt hij eruit, zoals bij een schaap van het slachtoffer. De priester doet het met de andere offers voor Jahwe op het altaar in rook opgaan. Zo voltrekt de priester voor hem de verzoening en wordt hem vergeving geschonken.

Hoofdstuk 5

Wanneer iemand een vervloeking hoort en daar getuige van is of wanneer hij iets ziet of weet en dat niet aangeeft, dan zondigt hij en draagt hij de volle verantwoording. 2Iemand raakt bijvoorbeeld zonder erg iets onreins aan, het kreng van een wild, tam of kruipend dier en een ander komt het te weten en wordt daardoor schuldig; 3iemand raakt zonder erg iets onreins van een mens aan, onverschillig wat, en een ander komt het te weten en wordt daardoor schuldig; 4of iemand laat zich een ondoordachte eed ontvallen ten goede of ten kwade of hoe dan ook en een ander komt het te weten en wordt daardoor schuldig: 5in al deze gevallen moet de getuige die aan een van deze dingen schuldig is, belijden op welk punt hij gezondigd heeft. 6Vanwege de zonde die hij heeft bedreven, moet hij dan Jahwe ter genoegdoening uit zijn kudde een vrouwelijk dier, schaap of geit, als zondeoffer aanbieden. De priester voltrekt voor hem de verzoening voor zijn zonden. 7Kan hij een stuk kleinvee niet betalen, dan kan hij Jahwe ter genoegdoening voor zijn zonde twee tortels of duiven brengen, een als zondeoffer en een als brandoffer. 8Hij brengt ze naar de priester, die eerst het dier offert dat voor het zondeoffer bestemd is; hij knijpt het vlak bij de nek af, zonder die er af te trekken, 9en sprenkelt het bloed van het zondeoffer tegen de altaar wand. De rest van het bloed wordt er tegen de voet van het altaar uitgeknepen. Zo is het een zondeoffer. 10De tweede vogel draagt hij, op de voorgeschreven wijze, als brandoffer op. Zo voltrekt de priester voor hem de verzoening voor de zonde, die hij heeft bedreven en wordt hem vergeving geschonken. 11Is hij niet in staat twee tortels of twee duiven te betalen, dan moet hij als gave voor hetgeen hij misdaan heeft een tiende efa bloem als zondeoffer brengen, zonder er olie op te doen of er wierook bij te voegen, omdat het een zondeoffer is. 12Hij brengt dat naar de priester, die er, als teken van het geheel, een handvol uitneemt en met de offergaven van Jahwe op het altaar in rook doet opgaan. Zo is het een zondeoffer. 13De priester voltrekt voor hem de
verzoening voor een van de genoemde zonden die hij heeft bedreven en er wordt hem vergeving geschonken. De rest komt toe aan de priester, zoals bij het meeloffer. 14Jahwe sprak tot Mozes: 15Wanneer iemand een vergrijp begaat en zich door onoplettendheid bezondigt aan iets wat Jahwe is toegewijd, dan moet hij Jahwe ter genoegdoening uit zijn kudde een ram zonder gebrek als schuldoffer brengen, ter waarde van zoveel zilveren sikkels in heilige munt. 16Hij moet het heilige waaraan hij zich bezondigd heeft vergoeden, vermeerderd met een vijfde, en aan de priester geven. De priester voltrekt voor hem de verzoening met de ram van het schuldoffer en er wordt hem vergeving geschonken. 17Wanneer iemand zonder het te weten zondigt tegen een van de voorschriften van Jahwe en iets doet wat verboden is, dan is hij schuldig en moet ervoor boeten. 18Hij moet als schuldoffer uit zijn kudde een ram zonder gebrek, van een bepaalde waarde, naar de priester brengen. Deze voltrekt voor hem de verzoening voor de zonde, die hij door onoplettendheid en zonder het te weten heeft bedreven, en er wordt hem vergeving geschonken. 19Het is een schuldoffer, want hij had zich schuldig gemaakt tegenover Jahwe. 20Jahwe sprak tot Mozes: 21Wanneer iemand zondigt en een vergrijp begaat tegen Jahwe, – door te ontkennen dat een volksgenoot hem iets in bewaring gegeven of ter hand gesteld heeft, 22door met een valse eed te loochenen dat hij een verloren voorwerp gevonden heeft, of door andere soortgelijke vergrijpen, 23dan moet hij, omdat hij gezondigd en schuld op zich geladen heeft, het geroofde, het door uitbuiting verkregene, het in bewaring gegevene of het gevonden voorwerp 24of datgene waarover hij een valse eed heeft afgelegd, geheel vergoeden, vermeerderd met een vijfde van de waarde, en dat op de dag van zijn schuldoffer aan de eigenaar geven. 25Hij moet Jahwe ter genoegdoening uit zijn kudde een ram zonder gebrek, van een bepaalde waarde, als schuldoffer aanbieden. 26Hij brengt het dier naar de priester en voor Jahwe voltrekt deze aan hem de verzoening voor de overtreding, waaraan hij zich schuldig heeft gemaakt.

Hoofdstuk 6

Jahwe sprak tot Mozes: 2Geef Aäron en zijn zonen deze voorschriften: Dit is de wet op het brandoffer: het brandoffer moet de hele nacht tot aan de morgen op het vuur blijven liggen, dat op het altaar brandend wordt gehouden. 3De priester, gekleed in een linnen gewaad en met een lendendoek om het lichaam, verzamelt dan de as van het brandoffer, dat op het altaar verteerd is, en legt die ernaast. 4Dan kleedt hij zich om en brengt de as buiten het kamp op een reine plaats. 5Het vuur op het altaar moet brandend worden gehouden; het mag niet uitgaan. Iedere morgen moet de priester hout op het vuur doen, waarop hij het brandoffer legt en het vet van de slachtoffers in rook doet opgaan. 6Het vuur op het altaar moet zonder onderbreking blijven branden; het mag nooit uitgaan. 7Dit is de wet op het meeloffer. De zonen van Aäron offeren het voor Jahwe bij het altaar. 8Een priester neemt van het meeloffer een handvol bloem en wat olie en doet dat met de bijbehorende wierook, als teken van het
geheel, op het altaar in rook opgaan, als een geur die Jahwe behaagt. 9Het overige mogen Aäron en zijn zonen gebruiken, maar het moet ongezuurd worden gegeten op een heilige plaats, binnen de voorhof van de tent der samenkomst. 10Het mag niet met zuurdeeg worden gebakken. Het is het aandeel dat ik hun van mijn offergaven schenk. Het is even hoog heilig als het zondeoffer en het schuldoffer. 11Alle mannelijke nakomelingen van Aäron mogen ervan eten; dit aandeel in de offergaven van Jahwe is een blijvend recht, al uw geslachten door. Alles wat ermee in aanraking komt is gewijd. 12Jahwe sprak tot Mozes: 13Dit is het offer dat Aäron en zijn zonen moeten brengen op de dag van Aärons zalving: een tiende efa bloem als dagelijks meeloffer, de ene helft ’s morgens, de andere helft ’s avonds. 14Het moet, met olie gekneed, op de bakplaat worden klaargemaakt. Ge moet het in stukken breken en opdragen als meeloffer, waarvan de geur Jahwe behaagt. 15De zoon die hem als gezalfde priester opvolgt, moet hetzelfde doen. Dit is een eeuwige wet. Voor Jahwe moet het geheel en al in rook opgaan: 16Dat geldt voor elk meeloffer van een priester: er mag niet van worden gegeten. 17Jahwe sprak tot Mozes: 18Zeg aan Aäron en zijn zonen: Dit is de wet op het zondeoffer. Het zondeoffer moet worden geslacht voor Jahwe, op dezelfde plaats als het brandoffer: het is hoog heilig. 19De priester die het zondeoffer opdraagt, moet het ook eten, en wel op een heilige plaats, in de voorhof van de tent der samenkomst. 20Ieder die het vlees ervan aanraakt is gewijd. Spat er bloed op iemands kleed, dan moet ge dat uitwassen op een heilige plaats. 21Het aarden vaatwerk, waarin het gekookt is, moet stukgeslagen worden; is het in een bronzen vat gekookt, dan moet dit geschuurd en uitgespoeld worden. 22Alleen mannelijke leden van het priestergeslacht mogen het eten: het is hoog heilig. 23Het zondeoffer echter, waarvan men bloed naar de tent van de samenkomst brengt om er in het heiligdom de verzoening mee te voltrekken, mag niet worden gegeten; het moet verbrand worden.

Hoofdstuk 7

Dit is de wet op het schuldoffer. Het is hoog heilig. 2Het schuldoffer moet men slachten op dezelfde plaats als het brandoffer. Het bloed moet men rondom op het altaar sprenkelen. 3Men offert al het vet: de staart, het vet aan de ingewanden, 4de nieren en het vet eraan, bij de lenden, en de leverkwab die men met de nieren verwijdert. 5De priester doet het op het altaar in rook opgaan als een offergave voor Jahwe. Zo is het een schuldoffer. 6Alleen mannelijke leden van het priestergeslacht mogen ervan eten, en wel op een heilige plaats; want het is hoog heilig. 7Wat voor het zondeoffer geldt, geldt ook voor het schuldoffer: beide komen toe aan de priester, die er de verzoening mee bewerkt. 8Als een priester voor iemand een brandoffer opdraagt, krijgt hij de huid van het offerdier. 9Alle meeloffers, die in de oven zijn gebakken of bereid in een vorm of op een plaat, komen toe aan de priester, die ze opdraagt. 10Maar van de andere meeloffers, met olie aangemaakt of niet, krijgen alle zonen van Aäron evenveel. 11Dit is de wet op het slachtoffer dat iemand Jahwe aanbiedt.
12Biedt hij het als dankoffer aan, dan voegt hij bij het offerdier ongezuurde koeken, aangemaakt met olie, ongezuurde platte koeken, met olie bestreken, en bloem met olie gekneed, in de vorm van koeken. 13Bij dit slachtoffer is naast deze koeken ook ongezuurd brood als gave toegestaan. 14Van alles wat hij aanbiedt, offert hij een deel als bijdrage voor Jahwe. Dit komt toe aan de priester, die het bloed van het slachtoffer heeft gesprenkeld. 15Het vlees van dit offer moet op de dag zelf gegeten worden; men mag er niets van laten liggen tot de volgende ochtend. 16Als het een gelofteoffer of een vrije gave is, wordt het eveneens op de dag zelf gegeten. Maar wat er overblijft, mag ook de volgende dag nog worden gegeten. 17Zou er de derde dag nog iets van het offervlees over zijn, dan moet dat verbrand worden. 18Wordt op de derde dag toch nog van dat vlees gegeten, dan komt dat de offeraar niet ten goede; het baat hem niets, want het is besmet en degene die ervan eet, zal ervoor boeten. 19Vlees dat met iets onreins in aanraking is geweest, mag niet gegeten worden; het moet worden verbrand. Van het overige vlees mag ieder die rein is, eten. 20Maar wie in staat van onreinheid vlees eet van een slachtoffer, dat aan Jahwe is opgedragen, hij wordt uit zijn volk verwijderd. 21Wie iets onreins van een mens, van een onrein dier of een kruipend beest heeft aangeraakt, en toch vlees eet van een slachtoffer, dat aan Jahwe is opgedragen, hij wordt uit zijn volk verwijderd. 22Jahwe sprak tot Mozes: 23Zeg aan de Israëlieten: Gij moogt geen vet van rund, schaap of geit eten. 24Het vet van een gestorven of verscheurd dier mag men overal voor gebruiken, maar gij moogt het niet eten. 25Ieder die vet eet van een dier, dat men Jahwe als offer aanbiedt, wordt uit zijn volk verwijderd.

26Ge moogt ook geen bloed nuttigen, waar ge ook woont, noch van vogels noch van landdieren. 27Iedereen die bloed nuttigt, wordt uit zijn volk verwijderd. 28Jahwe sprak tot Mozes: 29Zeg aan de Israëlieten: Degene die Jahwe een slachtoffer aanbiedt, moet een deel daarvan naar Jahwe brengen; 30eigenhandig moet hij het vet en het borststuk als offergave aan Jahwe aanbieden. Staande voor Jahwe, bestemt hij het borststuk tot aandeel van de priesters. 31Het vet doet de priester op het altaar in rook opgaan; het borststuk komt Aäron en zijn zonen toe. 32De rechterschenkel van uw slachtoffers moet gij als bijdrage afstaan 33aan diegene van de zonen van Aäron, die het bloed en het vet van het slachtoffer opdraagt: die priester heeft recht op de rechterschenkel als zijn deel. 34Want het borststuk, dat als gewijd deel wordt afgezonderd, en de schenkel, die gij als bijdrage afstaat, heb ik van de slachtoffers der Israëlieten afgenomen om ze aan de priester Aäron en zijn zonen te geven. Tegenover de Israëlieten mogen zij altijd dit recht doen gelden. 35Dit is het deel van de offergaven van Jahwe, dat Aäron en zijn zonen toekomt, vanaf de dag dat zij als priesters van Jahwe zijn aangesteld. 36Jahwe heeft aan de Israëlieten bevolen dat deel aan de priesters te geven, vanaf de dag van hun zalving; het is een blijvend recht, alle geslachten door. 37Dit was de wet op de brandoffers, de meeloffers, de
zonde – en de schuldoffers, de wijdingsoffers en slachtoffers. 38Dit alles schreef Jahwe aan Mozes voor op de berg Sina

Hoofdstuk 8

Jahwe sprak tot Mozes: 2`Haal Aäron en zijn zonen, de gewaden en de zalfolie, een stier voor het zondeoffer, twee rammen en een korf met ongezuurd brood. 3Roep dan heel de gemeenschap samen bij de ingang van de tent van de samenkomst.’ 4Mozes gaf gevolg aan Jahwe’s bevel en heel de gemeenschap kwam bijeen, bij de ingang van de tent der samenkomst. 5Daar sprak Mozes tot hen: `Wat wij nu gaan doen, geschiedt op bevel van Jahwe.’ 6Daarop liet hij Aäron en zijn zonen naar voren komen en reinigde hen met water. 7Hij bekleedde Aäron met de tuniek, deed hem de gordel aan en hing hem de mantel om hij legde hem de efod op en bond deze met de sjerp vast; 8hij deed hem de orakeltas voor en legde daarin de oerim en toemmim. 9Hij zette hem de tulband op het hoofd, met de gouden plaat, het teken van zijn wijding, aan de voorkant. Zo had Jahwe het bevolen. 10Daarna nam Mozes de zalfolie, en zalfde de woning met al wat daarin was, om haar te wijden. 11Hij besprenkelde het altaar, en zalfde het altaar met toebehoren en het wasbekken met het onderstel, om ze te wijden. 12Ook op het hoofd van Aäron goot hij een weinig zalfolie uit, en zalfde hem om hem te wijden. 13Toen liet Mozes de zonen van Aäron naderbij komen. Hij bekleedde hen met de tuniek, legde hen de gordel aan en bond hen de hoofddoeken om. Zo had Jahwe het Mozes bevolen. 14Daarop liet hij de stier voor het zondeoffer brengen. Aäron en zijn zonen legden hun handen op de kop van het dier. 15Mozes slachtte het, streek met zijn vinger bloed op de horens van het altaar om het van zondesmet te reinigen. De rest van het bloed goot hij uit aan de voet van het altaar. Zo wijdde hij het door het voltrekken van de verzoening. 16Toen nam Mozes het vet aan de ingewanden, de leverkwab en de nieren met het vet eraan en deed dat op het altaar in rook opgaan. 17De huid van de stier, het vlees en de darmen verbrandde hij buiten het kamp. Zo had Jahwe het Mozes bevolen. 18Toen liet hij een ram voor het brandoffer brengen. Aäron en zijn zonen legden hun handen op de kop van het dier. 19Mozes slachtte het, sprenkelde het bloed rondom op het altaar, 20sneed het in stukken en deed de kop, de stukken vlees en het vet in rook opgaan. 21De ingewanden en de poten waste hij en hij deed heel de ram op het altaar in rook opgaan. Zo was het een brandoffer, een geurige gave die Jahwe behaagt. Zo had Jahwe het Mozes bevolen. 22Tenslotte liet hij de tweede ram brengen voor het wijdingsoffer. Aäron en zijn zonen legden hun handen op de kop van het dier. 23Mozes slachtte het en deed wat bloed op de rechteroorlel van Aäron, op zijn rechterduim en op de grote teen van zijn rechtervoet. 24Toen liet Mozes de zonen van Aäron naar voren komen en deed ook bij hen bloed op de rechteroorlel, de rechterduim en de grote teen van hun rechtervoet. Hij sprenkelde ook bloed rondom op het altaar. 25Daarna nam hij het vet: de staart, het vet aan de ingewanden, de leverkwab, de nieren met het vet eraan en de
rechterschenkel. 26Uit de mand met ongezuurd brood die voor Jahwe stond, nam hij een ongezuurde koek, een oliekoek en een platte koek en legde die bij de stukken vet en de rechterschenkel. 27Dit alles gaf hij Aäron en zijn zonen om het voor Jahwe als hun gewijd aandeel af te zonderen. 28Daarna nam Mozes het weer uit hun handen en deed het met het brandoffer op het altaar in rook opgaan. Zo was het een wijdingsoffer, een geurige gave die Jahwe behaagt. 29Staande voor Jahwe, zonderde Mozes het borststuk als gewijd aandeel voor zichzelf af, want dat was zijn deel van de ram van het wijdingsoffer. Zo had Jahwe het Mozes bevolen. 30Met zalfolie en met bloed van het altaar besprenkelde Mozes de gewaden van Aäron en vervolgens zijn zonen en hun gewaden. Zo wijdde hij Aärons gewaden, zijn zonen en hun gewaden. 31Mozes sprak tot Aäron en zijn zonen: `Kook het vlees bij de ingang van de tent der samenkomst en eet het daar op met het brood voor de wijdingsplechtigheid, dat nog in de mand zit. Aäron en zijn zonen moeten het eten, volgens het mij gegeven bevel. 32Het vlees en het brood dat overblijft moet gij verbranden. 33Gij moogt de tent van de samenkomst niet verlaten tot de zeven dagen van uw wijding voorbij zijn, want zeven dagen duurt uw wijding. 34Zoals men vandaag heeft gedaan, zo moet men, volgens Jahwe’s bevel, ook de andere dagen doen, om de verzoening voor u te voltrekken. 35Daarom moet gij zeven dagen, dag en nacht, bij de ingang van de tent der samenkomst blijven. Dan doet gij wat Jahwe u voorschrijft en zult ge niet sterven. Zo is mij bevolen.’ 36Aäron en zijn zonen deden wat Jahwe door Mozes bevolen had.

Hoofdstuk 9

Op de achtste dag ontbood Mozes Aäron met zijn zonen en de oudsten van Israël. 2Hij zei tot Aäron: `Haal een kalf voor een zondeoffer en een ram voor een brandoffer, beide zonder gebrek, en breng ze voor Jahwe. 3En zeg tot de Israëlieten: Haal een bok voor een zondeoffer en een kalf en een schaap, beide eenjarig en zonder gebrek, voor een brandoffer, 4een rund en een ram voor een slachtoffer, en een meeloffer, met olie aangemaakt. Want vandaag zal Jahwe u verschijnen.’ 5De Israëlieten brachten dat alles bij de tent van de samenkomst, zoals Mozes bevolen had. Heel de gemeenschap kwam bijeen en stelde zich op voor Jahwe. 6Toen zei Mozes: `Nu de heerlijkheid van Jahwe aan u gaat verschijnen, moet gij, naar zijn bevel, het volgende doen.’ 7Tot Aäron zei hij: `Ga naar het altaar, draag uw zondeoffer en uw brandoffer op en voltrek de verzoening voor u en het volk. Draag ook de offergave van het volk op en voltrek de verzoening voor u en het volk. Draag ook de offergave van het volk open voltrek de verzoening voor hen. Zo heeft Jahwe bevolen.’ 8Aäron ging naar het altaar en slachtte het kalf van het zondeoffer voor zichzelf. 9De zonen van Aäron brachten het bloed naar hem toe, hij doopte er zijn vinger in en streek het op de horens van het altaar. De rest van het bloed goot hij uit aan de voet van het altaar. 10Het vet, de nieren en de leverkwab van het offerdier deed hij op het altaar in rook opgaan. Zo had Jahwe het Mozes bevolen. 11Het vlees en de huid verbrandde hij
buiten het kamp. 12Daarop slachtte hij het brandoffer. De zonen van Aäron brachten het bloed naar hem toe en hij sprenkelde het rondom op het altaar. 13Ze reikten hem ook de stukken vlees en de kop van het offerdier en hij deed ze op het altaar in rook opgaan. 14De ingewanden en de poten waste hij en deed ze eveneens op het altaar in rook opgaan. 15Daarop offerde hij de gave van het volk. Hij liet de bok halen voor het zondeoffer van het volk, slachtte die en droeg hem als zondeoffer op, evenals het eerste dier. 16Ook het brandoffer voltrok hij op de voorgeschreven wijze. 17Daarop droeg hij het meeloffer op en deed daarvan een handvol op het altaar in rook opgaan. Dit offer kwam bij het brandoffer, dat in de morgen gebracht wordt. 18Ook slachtte hij de stier en de ram als slachtoffer voor het volk. De zonen van Aäron reikten hem het bloed aan en hij sprenkelde het rondom op het altaar. 19De stukken vet van de stier en de ram: de staart, het netvet, de nieren en de leverkwab 20legde men bij de borststukken en hij deed ze op het altaar in rook opgaan. 21Staande voor Jahwe, zonderde Aäron de borststukken en de rechterschenkel als gewijd aandeel van de priesters af, zoals Mozes bevolen had. 22Na zo de zondeoffers, brandoffers en slachtoffers te hebben opgedragen, hief Aäron zijn handen op naar het volk en zegende het. Dan daalde hij van het altaar af 23en ging met Mozes de tent van de samenkomst binnen. En toen zij weer naar buiten kwamen, zegenden zij het volk. Toen verscheen de heerlijkheid van Jahwe aan heel het volk. 24Van Jahwe ging een vuur uit, dat het brandoffer en de stukken vet op het altaar verteerde. Toen het volk dat zag, begon het te juichen en wierp zich ter aarde.

Hoofdstuk 10

Nadab en Abihu, zonen van Aäron, namen hun vuurpan, deden er vuur in en legden er wierook op. Zij brachten vuur voor Jahwe, dat niet beantwoordde aan zijn voorschriften. 2Toen ging er van Jahwe een vuur uit, dat hen verteerde. Zo vonden zij voor Jahwe de dood. 3En Mozes zei tot Aäron: `Dit bedoelde Jahwe toen Hij zei: Die tot Mij naderen ervaren mijn heiligheid, en van mijn heerlijkheid is heel het volk getuige.’ Aäron werd er stil van. 4Toen riep Mozes Misaël en Elsafan, de zonen van Uzziël, een oom van Aäron, en zei: `Kom hier, draag je broeders het heiligdom uit, buiten het kamp.’ 5Zij kwamen en droegen hen, in hun tunieken gewikkeld, buiten het kamp, zoals Mozes had opgedragen. 6Mozes sprak tot Aäron en zijn zonen Eleazar en Itamar: `Laat je hoofdhaar niet loshangen en scheur je kleren niet. Anders sterven jullie en barst zijn toorn los tegen heel de gemeenschap. Laat jullie broeders, het hele huis van Israël, treuren over de vuurgloed die Jahwe heeft ontstoken. 7Verlaat de ingang van de tent der samenkomst niet; dat zou jullie dood zijn, want op jullie rust nog de zalfolie van Jahwe.’ 8Jahwe sprak tot Aäron: 9`Wanneer gij of uw zonen opgaan naar de tent van de samenkomst, moogt ge geen wijn of sterke drank drinken, anders sterft gij. Dat is een blijvend voorschrift, al uw geslachten door. 10Want het is uw taak te onderscheiden tussen heilig en profaan, tussen onrein en rein,
11en de Israëlieten te onderrichten in alle wetten, die Jahwe hun door Mozes verkondigd heeft.’ 12Mozes zei tot Aäron en tot Eleazar en Itamar, de zonen van Aäron die nog in leven waren: `Wat er na het opdragen van de offergave aan Jahwe van het meeloffer over is, moogt gij, zonder zuurdeeg, bij het altaar opeten: het is hoogheilig. 13Gij moet het op een heilige plaats eten; gij en uw zonen hebben recht op dit deel van de offergave voor Jahwe. Zo is het mij bevolen. 14Maar het borststuk, dat gij als gewijd deel hebt afgezonderd, en de schenkel die is afgestaan, moogt gij, uw zonen zowel als uw dochters, eten op elke reine plaats, want dit deel van de slachtoffers der Israëlieten komt u en uw geslacht rechtens toe. 15De schenkel die wordt afgestaan, en het borststuk dat als gewijd deel wordt afgezonderd, moet men tegelijk met het vet dat geofferd wordt, aanbrengen om ze voor Jahwe als gewijd deel af te zonderen. Dan komen ze krachtens een blijvend recht aan u en uw zonen toe. Zo heeft Jahwe het bevolen.’ 16Toen Mozes naar de bok van het zondeoffer vroeg, ontdekte hij dat die al verbrand was. Woedend vroeg hij aan Eleazar en Itamar, de zonen van Aäron die nog in leven waren: 17`Waarom hebben jullie het zondeoffer niet op een heilige plaats gegeten? Het was toch hoog heilig en Jahwe had het aan jullie gegeven om de schuld van de gemeenschap weg te nemen door, staande voor Jahwe, de verzoening voor haar te voltrekken. 18Nu het bloed van het offerdier niet binnen het heiligdom was gebracht, hadden jullie het daar moeten eten, zoals ik bevolen had.’ 19Aäron zei tegen Mozes: `Mijn zonen hebben vandaag al een zondeoffer en een brandoffer opgedragen en u weet wat mij is overkomen. Zou ik dan vandaag dat zondeoffer hebben moeten eten? Zou Jahwe dat hebben goedgekeurd?’ 20Toen Mozes dat gehoord had, was hij tevreden.

Hoofdstuk 11

Jahwe sprak tot Mozes en Aäron: 2Zeg aan de Israëlieten: Van alle landdieren op aarde moogt gij de volgende eten: 3Alle herkauwende dieren met gespleten hoeven. 4Van de herkauwers en de dieren met gespleten hoeven moogt ge de volgende niet eten: de kameel, want hij herkauwt, maar heeft geen gespleten hoeven, hij geldt voor u als onrein; 5de klipdas, want hij herkauwt, maar geeft geen gespleten hoeven, hij geldt voor u als onrein; 6de haas, want hij herkauwt, maar heeft geen gespleten hoeven, hij geldt voor u als onrein; 7het varken, want het heeft wel gespleten hoeven maar het herkauwt niet, het geldt voor u als onrein. 8Het vlees van deze dieren moogt gij niet eten en hun kadavers niet aanraken; zij gelden voor u als onrein. 9Dit zijn de waterdieren die ge moogt eten: alle waterdieren die vinnen en schubben hebben, moogt ge eten, zowel de zeevissen als de riviervissen. 10Maar van alle zeevissen en riviervissen, die geen vinnen en schubben hebben, de kleine zowel als de grote, behoort ge een afschuw te hebben. 11Verafschuw ze en eet nooit van dergelijke dode vis. 12Alle waterdieren zonder vinnen of schubben moet ge verafschuwen. 13Van de volgende vogels behoort ge een afschuw te hebben; ge moogt ze daarom niet eten: de arend, de
lammergier, de baardgier, 14de wouw en de verschillende soorten valken, 15de verschillende soorten raven, 16de oehoe, de kortooruil, de langooruil en alle soorten sperwers, 17de steenuil, de aalscholver, de ibis, 18de witte uil, de pelikaan, de visarend, 19de ooievaar, de verschillende soorten reigers, de hop en de vleermuis. 20Van alle gevleugelde viervoetige insekten behoort gij een afschuw te hebben, 21behalve van de volgende, die ge moogt eten: de dieren die springpoten hebben; 22ge moogt dus eten: de verschillende soorten sprinkhanen, sabelsprinkhanen, veldsprinkhanen en treksprinkhanen. 23Alle andere gevleugelde viervoetige insekten behoort gij te verafschuwen. 24Aan de volgende dieren verontreinigt gij u; ieder die het kadaver ervan aanraakt, is tot de avond onrein; 25ieder die het vervoert, moet zijn kleren wassen en is tot de avond onrein. 26Alle dieren, die geen gespleten hoeven hebben en niet herkauwen, gelden voor u als onrein; ieder die ze aanraakt, wordt onrein. 27Alle viervoetige dieren, die zoolgangers zijn, gelden voor u als onrein, ieder die een kadaver ervan aanraakt, is tot de avond onrein. 28Wie het vervoert, moet zijn kleren wassen en is tot de avond onrein. Zij gelden voor u als onrein. 29Van de kruipende dieren gelden de volgende voor u als onrein: de mol, de muis, de verschillende soorten padden, 30de egel, de waraan, de hagedis, de slak en het kameleon. 31Al deze kruipende dieren gelden voor u als onrein. Wie zo’n kadaver aanraakt, is tot de avond onrein; 32valt het ergens op, op een houten voorwerp, een kleed, een stuk leer, een zak, of op enig ander gebruiksvoorwerp, dan is dat tot de avond onrein; daarna is het weer rein. 33Valt zo’n dood dier in een aarden kruik, dan is de hele inhoud onrein; de kruik moet ge stukslaan. 34Komt het water uit die kruik in aanraking met voedsel, dan wordt ook dat onrein. 35Alles waarop zo’n dood dier valt, wordt onrein; oven en haard moeten worden stukgeslagen; ze gelden voor u als onrein en ze blijven dat. 36Een bron daarentegen en een put, waarin water verzameld wordt, blijven rein; ligt er een dood dier in en raakt iemand dat aan, dan wordt hij onrein. 37Valt zo’n dood dier op zaaigoed, dan blijft dat rein; 38maar valt het op zaad dat in water staat, dan geldt dat voor u als onrein. 39Wanneer een stuk slachtvee dood is gegaan, is degene die het dier aanraakt tot de avond onrein. 40Wie het vlees daarvan eet, moet zijn kleren wassen en is tot de avond onrein. Wie het kadaver vervoert, moet zijn kleren wassen en is tot de avond onrein. 41Alle kruipende dieren behoort gij te verafschuwen; zij mogen niet worden gegeten, 42of ze nu op de buik kruipen of vier of meer poten hebben. Gij behoort ze te verafschuwen. 43Bezoedel u niet door kruipend gedierte, verontreinig u niet door kruipend gedierte, verontreinig u daar niet mee. 44Ik ben Jahwe uw God; zorg dus dat gij heilig zijt. Wees heilig, omdat Ik heilig ben. Verontreinig u niet door enig kruipend gedierte. 45Ik ben Jahwe, die u uit Egypte geleid heb om uw God te zijn. Wees heilig, omdat Ik heilig ben. 46Dit is de wet op de landdieren, de vogels, de waterdieren en de kruipende dieren, 47zodat men weet, welke dieren onrein en welke rein zijn, welke dieren men mag eten en welke niet.

Hoofdstuk 12

Jahwe sprak tot Mozes: 2Zeg aan de Israëlieten: Wanneer een vrouw een kind krijgt en het is een jongen, dan is zij zeven dagen onrein, zoals tijdens de menstruatie. 3Op de achtste dag moet men de voorhuid van het kind besnijden. 4Drieëndertig dagen duurt het, voor zij rein is van het bloed der geboorte; zij mag niets aanraken wat heilig is en niet opgaan naar het heiligdom, tot de dag van haar reiniging is aangebroken. 5Heeft zij een meisje ter wereld gebracht, dan is zij twee weken onrein, zoals tijdens de menstruatie. Zesenzestig dagen duurt het, voor zij rein is van het bloed der geboorte. 6Wanneer na de geboorte van een zoon of dochter, de dag van haar reiniging is aangebroken, moet zij de priester bij de ingang van de tent der samenkomst een lam van nog geen jaar voor een brandoffer aanbieden, en een duif en een tortel voor een zondeoffer. 7De priester offert het, staande voor Jahwe, en voltrekt voor haar de verzoening. Dan is de bron waaruit haar bloed gevloeid is, weer rein. Dit is de wet op de vrouw, die een kind heeft gekregen, een jongen of een meisje. 8Kan zij geen schaap betalen, dan mag zij ook twee tortels of duiven meebrengen, een voor het brandoffer en een voor het zondeoffer. Daarmee voltrekt de priester voor haar de verzoening, zodat zij weer rein wordt.

Hoofdstuk 13

Jahwe sprak tot Mozes en Aäron: 2Heeft iemand een gezwel, uitslag of een vlek op zijn huid en het gaat lijken op huidziekte, dan moet men hem bij de priester Aäron of bij een priester van diens geslacht brengen. 3De priester onderzoekt de zieke plek op de huid. Is het haar daarop wit geworden en ligt de plek zichtbaar dieper dan de rest van de huid, dan is het een huidziekte. Als de priester dit heeft vastgesteld, moet hij hem onrein verklaren. 4Betreft het enkel een lichte, witte vlek op de huid, die niet zichtbaar dieper ligt dan de rest en zijn de haren niet wit geworden, dan moet de priester de zieke zeven dagen afzonderen. 5Blijkt na zeven dagen bij het onderzoek, dat de zieke plek op de huid niet veranderd is en niet groter is geworden, dan moet de priester hem opnieuw zeven dagen afzonderen. 6Blijkt na deze zeven dagen bij een nieuw onderzoek, dat de plek op de huid dof is geworden en zich niet heeft uitgebreid, dan verklaart de priester hem rein. Hij had gewoon uitslag; na het wassen van zijn kleren is hij rein. 7Neemt de plek op de huid, nadat de zieke zich bij de priester heeft gepresenteerd om gereinigd te worden, toch nog in omvang toe, dan moet hij opnieuw voor de priester verschijnen. 8Als deze de uitbreiding van de uitslag inderdaad vaststelt, moet hij hem onrein verklaren. Dan is het huidziekte. 9Heeft iemand huidziekte, dan moet men hem bij de priester brengen. 10Constateert deze op de huid een wit gezwel met wit haar erop, terwijl er ook nog wild vlees in groeit, 11dan is het huidziekte in een vergevorderd stadium. De priester moet hem onmiddellijk onrein verklaren, hij hoeft hem niet eerst af te zonderen. Hij is onrein. 12Heeft de huidziekte het hele lichaam aangetast, zodat de zieke er van het hoofd tot de voeten mee bedekt is, dan moet de priester een nauwkeurig onderzoek
instellen. 13Blijkt dan dat de ziekte inderdaad het hele lichaam heeft aangetast, dan moet hij de zieke rein verklaren. Omdat hij helemaal wit is geworden, is hij rein. 14Maar zo gauw er wild vlees opkomt, is hij onrein. 15Constateert de priester wild vlees, dan moet hij hem onrein verklaren, want wild vlees is onrein. Het is huidziekte. 16Wordt het wild vlees weer wit, dan moet de zieke naar de priester gaan. 17Stelt deze vast, dat de plek inderdaad wit is geworden, dan verklaart hij de zieke weer rein en is hij rein. 18Heeft iemand een zweer gehad, die genezen is, 19maar op de plaats van de zweer is een wit gezwel of een bleekrode vlek ontstaan, dan moet hij dat laten zien aan de priester. 20Stelt de priester vast, dat de plek zichtbaar dieper ligt dan de huid en dat het haar erop wit is geworden, dan moet hij hem onrein verklaren. Het is huidziekte die op de plek van de zweer is ontstaan. 21Stelt de priester vast dat het haar niet wit is, dat de vlek niet dieper ligt dan de huid en dof begint te worden, dan moet de priester hem zeven dagen afzonderen. 22Breidt de vlek op de huid zich uit, dan moet de priester hem onrein verklaren; het is een zieke plek. 23Is de vlek daarentegen niet veranderd en heeft ze zich niet uitgebreid, dan is het gewoon een litteken van die zweer en moet de priester hem rein verklaren. 24Houdt iemand na genezing van een brandwond een bleekrode of witte vlek op zijn huid 25en stelt de priester vast, dat het haar op de vlek wit is geworden en dat de plek zichtbaar dieper ligt dan de huid, dan is het huidziekte, die op de plek van de brandwond is ontstaan. De priester moet hem onrein verklaren; het is huidziekte. 26Blijkt hem bij het onderzoek, dat het haar op die plek niet wit is en dat deze niet dieper ligt dan de huid en dof begint te worden, dan moet hij hem zeven dagen afzonderen. 27Stelt de priester na zeven dagen vast, dat de plek op de huid inderdaad groter is geworden, dan moet hij hem onrein verklaren; het is huidziekte. 28Is de plek daarentegen niet veranderd, heeft ze zich niet uitgebreid en is ze dof geworden, dan is het gewoon een opzwelling als gevolg van de brandwond. De priester moet hem rein verklaren; het is een litteken van de brandwond. 29Heeft een man of een vrouw een zieke plek op het hoofd of in de baard 30en blijkt de priester bij het onderzoek, dat deze zichtbaar dieper ligt dan de rest van de huid en dat het haar erop dun en geel is, dan moet hij die persoon onrein verklaren; het is schurft, huidziekte van hoofd of baard. 31Wanneer de priester bij het onderzoek van de schurft constateert, dat de zieke plek niet zichtbaar dieper ligt dan de rest van de huid, maar dat het haar erop niet zwart is, dan moet hij de zieke zeven dagen afzonderen. 32Stelt de priester na zeven dagen bij een nieuw onderzoek vast, dat de schurft zich niet heeft uitgebreid, dat de haren niet geel zijn geworden en dat de zieke plek niet zichtbaar dieper ligt dan de rest van de huid, 33dan moet de zieke zich scheren, behalve op de zieke plek. Daarna moet de priester degene die schurft heeft weer zeven dagen afzonderen. 34Blijkt na zeven dagen bij het onderzoek, dat de schurft zich niet heeft uitgebreid en niet zichtbaar dieper ligt dan de rest van de huid, dan moet de priester hem rein verklaren; na zijn kleren te hebben gewassen is hij rein. 35Neemt de schurft, nadat de zieke rein is
verklaard, toch nog in omvang toe 36en stelt de priester dit vast, dan hoeft hij niet eens te letten op geel haar; die persoon is onrein. 37Blijkt hem, dat de plek niet veranderd is en dat er zwart haar op groeit, dan is de kwaal genezen en is die persoon rein. De priester moet hem rein verklaren. 38Heeft een man of een vrouw vlekken op de huid, witte vlekken wel te verstaan, 39dan moet de priester die onderzoeken. Blijken de vlekken op de huid dofwit te zijn dan is het gewoon uitslag, die de huid heeft aangetast; die persoon is rein. 40Als een man zijn hoofdhaar verliest, dan is hij gewoon kaalhoofdig; hij is rein. 41Verliest hij zijn haar voor op het hoofd, dan is hij half kaal; hij is rein. 42Komt er op het kale voor – of achterhoofd van die man een bleekrode vlek, dan heeft hij huidziekte op de kruin of voor op het hoofd. 43Stelt de priester bij het onderzoek vast, dat er voor op het hoofd of op de kruin een bleekrood gezwel is, dat er uitziet als huidziekte, zoals die elders op het lichaam voorkomt, 44dan is hij door huidziekte aangetast; hij is onrein. De priester moet hem onrein verklaren: hij heeft een zieke plek op zijn hoofd. 45Degene die aan huidziekte lijdt, moet in gescheurde kleren lopen en zijn haren los laten hangen; hij moet zijn baard bedekken en roepen: `Onrein, onrein!’ 46Zolang de ziekte duurt is hij onrein; hij moet apart wonen en buiten het kamp blijven. 47Komen er plekken op een kledingstuk van wol of linnen, 48op weef – of vlechtwerk van linnen of wol, op leer of op iets dat van leer gemaakt is 49en zijn die plekken op het kledingstuk, op het leer, op het weef – of vlechtwerk of op een of ander leren voorwerp groen of rood, dan is het uitslag; het moet aan de priester worden getoond. 50Na het onderzoek van de plek moet deze het besmette voorwerp zeven dagen apart houden. 51Blijkt na zeven dagen bij het onderzoek, dat de plek op het kledingstuk, op het weef – of vlechtwerk of op het leren gebruiksvoorwerp groter is geworden, dan is het kwaadaardige uitslag; het voorwerp is onrein. 52Het kledingstuk, het weef – of vlechtwerk van wol of linnen of de leren voorwerpen waarop de vlek zit, moet hij verbranden. Het is kwaadaardige uitslag; het moet worden verbrand. 53Blijkt de priester echter bij het onderzoek, dat de plek op het kledingstuk, op het weef – of vlechtwerk of op de leren voorwerpen niet groter is geworden, 54dan moet hij het besmette voorwerp laten wassen en het opnieuw zeven dagen apart houden. 55Stelt de priester na het wassen vast, dat de plek niet van kleur is veranderd en niet groter is geworden, dan is het voorwerp onrein; het moet worden verbrand. Hier geldt hetzelfde als bij de kale plek op de kruin of voor op het hoofd. 56Stelt de priester echter vast, dat de plek na het wassen dof geworden is, dan moet hij die plek uit het kledingstuk, het leer of het weef – of vlechtwerk verwijderen. 57Komt de plek op het kledingstuk, op het weef – of vlechtwerk of op het leren voorwerp toch weer te voorschijn, dan woekert het voort; het bewuste voorwerp moet worden verbrand. 58Komt na het wassen de plek op het kledingstuk, op het weef – of vlechtwerk of op het leren voorwerp niet meer terug, dan moet men het nog eens wassen; dan is het rein. 59Dit is de wet die bepaalt, hoe men
plekken in wollen of linnen kleren, in weef – of vlechtwerk en in leren voorwerpen rein of onrein moet verklaren.

Hoofdstuk 14

Jahwe sprak tot Mozes: 2Als iemand die huidziekte heeft rein verklaard kan worden, gelden de volgende regels. Men moet hem bij de priester brengen. 3Deze gaat het kamp uit en stelt een onderzoek in. Blijkt dan, dat de lijder van zijn ziekte is genezen, 4dan laat de priester voor degene die gereinigd wil worden, twee levende, reine vogels halen en cederhout, karmozijn en hysop. 5De priester slacht een van de vogels boven een aarden schaal, gevuld met bronwater. 6De nog levende vogel dompelt hij tezamen met het cederhout, de karmozijn en de hysop in het bloed van de vogel, die boven het bronwater geslacht is. 7Daarna besprenkelt hij degene die van zijn ziekte gereinigd wil worden zevenmaal en reinigt hem zo; de nog levende vogel laat hij wegvliegen. 8Degene die gereinigd wil worden moet zijn kleren wassen, zijn haar afscheren en een bad nemen; dan is hij rein. Hij kan terugkomen naar het kamp, maar hij mag de eerste zeven dagen nog niet in zijn tent komen. 9Na die zeven dagen moet hij al zijn haren van hoofd, baard en wenkbrauwen afscheren. Daarna moet hij zijn kleren wassen en een bad nemen; dan is hij weer rein. 10Op de achtste dag moet hij twee schapen zonder gebrek meebrengen, een lam van nog geen jaar en zonder gebrek, drie tiende issaron bloem met olie aangemaakt voor een meeloffer, en een log olie. 11De priester die de reiniging voltrekt, brengt degene die gereinigd wil worden met zijn gaven voor Jahwe, bij de ingang van de tent van de samenkomst. 12Hij offert het ene schaap met de log olie als schuldoffer en staande voor Jahwe zondert hij beide af als gewijd aandeel van de priesters. 13Hij slacht het dier in het heiligdom, op de plek waar men ook het zondeoffer en het brandoffer slacht. Want het schuldoffer komt evenals het zondeoffer aan de priester toe: het is hoogheilig. 14De priester doet dan bij degene die gereinigd wil worden wat bloed van het offerdier op de rechteroorlel, de rechterduim, en de grote teen van zijn rechtervoet. 15Hij giet wat olie in de palm van zijn linkerhand, 16doopt er een vinger van zijn rechterhand in en sprenkelt zevenmaal olie voor Jahwe. 17Van de olie die de priester nog op zijn hand heeft, doet hij bij degene die gereinigd wil worden iets op de rechteroorlel, de rechterduim en de grote teen van zijn rechtervoet, op het bloed van het schuldoffer. 18De olie die de priester dan nog op zijn hand heeft, smeert hij op het hoofd van degene die gereinigd wil worden. Zo voltrekt hij aan hem de verzoening voor Jahwe. 19Daarna draagt de priester het zondeoffer op en voltrekt de verzoening aan degene die van zijn onreinheid gereinigd wil worden. Tenslotte slacht hij het brandoffer 20en draagt dit samen met het meeloffer op het altaar op. Zo voltrekt de priester voor hem de verzoening en wordt hij weer rein. 21Is de man zo arm, dat hij dit alles niet kan betalen, dan kan hij volstaan met een schaap voor een schuldoffer dat als gewijd deel wordt afgezonderd om de verzoening voor hem te voltrekken, een issaron bloem met olie aangemaakt voor een meeloffer, een log olie 22en twee tortels of duiven,
naargelang hij heeft, voor een zondeoffer en een brandoffer. 23Op de achtste dag van de reiniging, brengt hij dit alles naar de priester, bij de ingang van de tent der samenkomst, voor Jahwe. 24Staande voor Jahwe zondert de priester het schaap voor het schuldoffer en de log olie af als gewijd aandeel van de priesters. 25Dan slacht hij het schaap voor het schuldoffer en doet bij degene die gereinigd wil worden wat bloed op de rechteroorlel, de rechterduim en de grote teen van zijn rechtervoet. 26De priester giet wat olie in de palm van zijn linkerhand 27en sprenkelt deze met zijn rechterwijsvinger zevenmaal voor Jahwe. 28Van de olie die hij nog op zijn hand heft, doet hij bij degene die gereinigd wil worden, iets op de rechteroorlel, de rechterduim en de grote teen van zijn rechtervoet, op het bloed van het schuldoffer. 29De olie die de priester dan nog op zijn hand heeft, smeert hij op het hoofd van degene die gereinigd wil worden. Zo voltrekt hij aan hem de verzoening voor Jahwe. 30Dan draagt hij een van de tortels of duiven, naargelang hij heeft, 31als zondeoffer op, de andere als brandoffer tesamen met een meeloffer. Zo voltrekt de priester aan hem die gereinigd wil worden de verzoening voor Jahwe. 32Dit is de wet voor hen die aan huidziekten lijden en de gewone kosten van de reiniging niet kunnen betalen. 33Jahwe sprak tot Mozes en Aäron: 34Wanneer ge in Kana”n gekomen zijt, het land dat Ik u in bezit geef, en Ik veroorzaak daar uitslag aan een huis, 35dan moet de eigenaar het aan de priester melden en zeggen: `Ik heb in mijn huis een zieke plek geconstateerd.’ 36Voordat de priester de plek komt onderzoeken, geeft hij bevel het huis te ontruimen, zodat niets in het huis onrein wordt. Pas dan gaat hij het huis in om het te onderzoeken. 37Blijkt hem bij dat onderzoek dat de muren inderdaad zijn aangetast en dat er groene of rode plekken op zitten, die zichtbaar dieper liggen dan de rest van de muur, 38dan gaat de priester het huis uit en sluit hij de deur voor zeven dagen. 39Na die zeven dagen komt hij terug. Blijkt dan, dat de plekken op de muren van het huis groter zijn geworden, 40dan haalt men er op zijn bevel de aangetaste stenen uit en werpt die buiten de stad op een onreine plaats. 41Hij laat alle binnenmuren van het huis afkrabben en het afgekrabde pleisterwerk buiten de stad storten op een onreine plaats. 42Daarna vervangt men de oude stenen door nieuwe en het huis wordt opnieuw bepleisterd. 43Komen de plekken, nadat de stenen uit het huis zijn verwijderd, de muren zijn afgekrabd en opnieuw bepleisterd, toch weer te voorschijn 44en stelt de priester bij het onderzoek vast, dat deze groter zijn geworden, dan heerst er in het huis kwaadaardige uitslag; het is onrein. 45Het huis moet worden afgebroken; de stenen, het houtwerk en al het puin moeten buiten de stad naar een onreine plaats gebracht worden. 46Ieder die zo’n huis binnengaat, gedurende de tijd dat de priester het gesloten heeft, is tot de avond onrein. 47Wie erin slaapt of eet, moet zijn kleren wassen. 48Stelt de priester bij het onderzoek vast, dat de plekken, nadat het huis opnieuw bepleisterd is, niet groter zijn geworden, dan verklaart hij het huis rein; de zieke plekken zijn genezen. 49Om het huis van zondesmet te reinigen, neemt hij twee vogels, cederhout, karmozijn en
hysop. 50De ene vogel slacht hij boven een aarden schaal met bronwater. 51Dan neemt hij het cederhout, de hysop, de karmozijn en de nog levende vogel, doopt ze in het bloed van de vogel, die boven het bronwater geslacht is en besprenkelt het huis zevenmaal. 52Zo reinigt hij het huis van zondesmet door het bloed van de vogel, het bronwater, de levende vogel, het cederhout, de hysop en de karmozijn. 53De levende vogel laat hij dan buiten de stad wegvliegen. Zo voltrekt hij aan het huis de verzoening; het is weer rein. 54Dit is de wet op alle soorten van huidziekte, op schurft, 55op de zieke plekken aan kleren of huis, 56op gezwellen, uitslag en vlekken. 57Zij geeft aan wanneer iets onrein is of rein. Dit is de wet op de huidziekte.

Hoofdstuk 15

Jahwe sprak tot Mozes en Aäron: 2Zeg aan de Israëlieten: Wanneer een man aan druiper lijdt, is hij door die druiper onrein. 3Deze onreinheid treedt op zowel wanneer zijn druiper vloeit als door druiper wanneer dat onderbroken wordt. 4Het bed, waarop iemand die aan druiper lijdt, gelegen heeft, is onrein; alles waarop hij gezeten heeft, is eveneens onrein. 5Als iemand zijn bed aanraakt, moet hij zijn kleren wassen en een bad nemen; hij is tot de avond onrein. 6Degene die gaat zitten op iets waar deze op gezeten heeft, moet zijn kleren wassen en een bad namen; hij is tot de avond onrein. 7Wie hemzelf aanraakt, moet zijn kleren wassen en een bad nemen; hij is tot de avond onrein. 8Heeft de man gespuwd op iemand die rein was, dan moet deze zijn kleren wassen en een bad nemen; hij is tot de avond onrein. 9Het zadel waar hij op gezeten heeft, is onrein. 10Wie iets aanraakt, waar hij op gezeten heeft, wordt onrein; degene die het optilt, moet zijn kleren wassen en een bad nemen; hij is tot de avond onrein. 11Ieder die door de lijder wordt aangeraakt, zonder dat deze zijn handen had afgespoeld, moet zijn kleren wassen en een bad nemen; hij is tot de avond onrein. 12Het aarden vaatwerk, dat hij heeft aangeraakt, moet men in stukken slaan; houten gereedschap moet met water worden afgespoeld. 13Is de lijder van de druiper genezen en wil hij gereinigd worden, dan moet hij zeven dagen wachten. Hij moet zijn kleren wassen en in stromend water een bad nemen; dan is hij weer rein. 14Op de achtste dag verschijnt hij met twee tortels of duiven voor Jahwe, bij de ingang van de tent der samenkomst, en overhandigt ze aan de priester. 15Deze draagt er een op als zondeoffer en een als brandoffer. Zo voltrekt hij aan hem de verzoening voor Jahwe vanwege zijn druiper. 16Wanneer een man een zaaduitstorting heeft gehad, moet hij zijn hele lichaam wassen; hij is tot de avond onrein. 17De kleren en de leren voorwerpen, die met het zaad in aanraking zijn gekomen, moeten worden gewassen: zij zijn tot de avond onrein. 18De man en de vrouw die gemeenschap hebben gehad, moeten een bad nemen; zij zijn tot de avond onrein. 19Wanneer een vrouw een vloeiing heeft en het is de bloeding van haar menstruatie, dan is zij zeven dagen onrein. Ieder die haar aanraakt, is tot de avond onrein. 20Alles waarop zij tijdens haar onreinheid slaapt, wordt onrein; alles waarop zij zit, eveneens. 21Ieder die haar bed aanraakt,
moet zijn kleren wassen en een bad nemen; hij is tot de avond onrein. 22Ieder die de plaats aanraakt waarop zij gezeten heeft, moet zijn kleren wassen en een bad nemen: hij is tot de avond onrein. 23Ook wanneer iemand datgene aanraakt wat zich op de slaapplaats bevindt, of op de plaats waar zij gezeten heeft, wordt hij onrein tot de avond. 24Heeft iemand gemeenschap met zo’n vrouw, dan komt haar onreinheid ook op hem. Hij is zeven dagen onrein; ook het bed waarop hij ligt, wordt onrein. 25Heeft een vrouw een langdurige bloeding buiten de tijd van de menstruatie of duurt de menstruatie bij haar langer dan normaal, dan is zij heel die tijd onrein, zoals tijdens de menstruatie. 26Tijdens zo’n bloeding geldt voor het bed hetzelfde als tijdens de menstruatie; ook voor alles waar zij op zit, geldt hetzelfde: het is onrein evenals tijdens de menstruatie. 27Ieder die deze dingen aanraakt, wordt onrein: hij moet zijn kleren wassen en een bad nemen; hij is tot de avond onrein. 28Houdt haar bloeding op en wil zij gereinigd worden, dan moet zij zeven dagen wachten. 29Op de achtste dag brengt zij twee tortels of duiven naar de priester, bij de ingang van de tent der samenkomst. 30Deze draagt de ene op als zondeoffer en de andere als brandoffer. Zo voltrekt hij aan haar de verzoening voor Jahwe, vanwege de onreinheid door de bloeding. 31Waarschuw de Israëlieten voor de gevolgen van hun onreinheid. Deze zou hun dood worden, wanneer zij in die toestand mijn woning bij hen betreden. 32Dit is de wet op de man die aan druiper lijdt, de man die door zaaduitstorting onrein is geworden 33en op de vrouw tijdens de menstruatie, op iedereen, man of vrouw, die aan druiper lijdt en op de man die gemeenschap heeft met een vrouw, die onrein is.

Hoofdstuk 16

Na de dood van de twee zonen van Aäron, die gestorven waren, toen zij tot Jahwe naderden, 2sprak Jahwe tot Mozes: Zeg aan uw broer Aäron, dat hij niet op elke willekeurige tijd in het heiligdom mag komen, achter het voorhangsel bij de dekplaat van de ark; dat zou zijn dood betekenen. Want boven de dekplaat van de ark verschijn Ik in een wolk. 3Alleen onder de volgende voorwaarden mag hij het heiligdom binnengaan: Er moet een stier zijn voor een zondeoffer en een ram voor een brandoffer. 4Hij doet een gewijde, linnen tuniek aan, slaat een linnen lendendoek om, doet een linnen gordel om zijn middel en zet een linnen tulband op zijn hoofd; dat zijn de heilige gewaden. Voor hij ze aantrekt neemt hij een bad. 5Van de gemeenschap der Israëlieten neemt hij twee bokken in ontvangst voor een zondeoffer en een ram voor een brandoffer. 6Eerst draagt Aäron voor zichzelf de stier als zondeoffer op om verzoening te bewerken voor zichzelf en zijn geslacht. 7Dan brengt hij de twee bokken bij de ingang van de tent der samenkomst 8en werpt over deze dieren het lot: het ene `voor Jahwe’, het andere `voor Azazel’. 9De bok waarop het lot `voor Jahwe’ valt, draagt Aäron als zondeoffer op. 10De bok waarop het lot `voor Azazel’ valt, wordt levend voor Jahwe geplaatst om er eerst de verzoening aan te voltrekken en hem vervolgens de woestijn in te sturen, naar Azazel. 11Aäron draagt voor zichzelf de stier als zondeoffer op, om
verzoening te bewerken voor zichzelf en zijn geslacht. 12Dan neemt hij van het altaar van Jahwe een vuurpan vol gloeiende kolen en twee handen vol fijne, geurige wierook en brengt dit alles achter het voorhangsel. 13Voor Jahwe doet hij de wierook op het vuur, zodat de wierookwolk de dekplaat boven de verbondsakte omhult; anders zou hij sterven. 14Met zijn vingers sprenkelt hij zevenmaal bloed van de stier op de voorkant van de dekplaat. 15Dan slacht hij voor het volk de bok als zondeoffer, brengt het bloed van het dier achter het voorhangsel en sprenkelt het voor en op de dekplaat, zoals hij met het bloed van de stier heeft gedaan. 16Zo voltrekt hij aan het heiligdom de verzoening voor de onreinheid en de overtredingen der Israëlieten, welke hun zonden ook mogen zijn. Zo zal hij ook doen voor de tent der samenkomst, die bij hen staat, ondanks hun onreinheid. 17Vanaf het ogenblik dat Aäron de tent van de samenkomst binnengaat om in het heiligdom de verzoening te voltrekken, tot hij weer naar buiten komt, mag niemand de tent betreden. Als hij de verzoening voor zichzelf, voor zijn familie en voor de hele gemeenschap van Israël voltrokken heeft, 18komt hij weer naar buiten om de verzoening te voltrekken aan het altaar, dat voor Jahwe staat. Hij strijkt bloed van de stier en de bok op de vier horens van het altaar; 19dan sprenkelt hij er met zijn wijsvinger zevenmaal bloed op. Zo zuivert hij het altaar van de onreinheden van de Israëlieten en heiligt hij het. 20Heeft Aäron de verzoening van het heiligdom, de tent van de samenkomst en het altaar voltooid, dan laat hij de bok die nog leeft bij zich brengen. 21Hij legt zijn hand op de kop van het dier en belijdt over het dier alle misdaden en vergrijpen van de Israëlieten, van welke aard ook, en laadt deze op de kop van de bok. Dan stuurt hij het dier onder de hoede van iemand die daartoe is aangewezen, naar de woestijn. 22Zo draagt de bok al hun misdaden weg naar een woest land. In de woestijn wordt de bok losgelaten. 23Dan gaat Aäron de tent van de samenkomst binnen, ontdoet zich van de linnen gewaden, die hij bij het betreden van het heiligdom had aangetrokken, en legt ze daar neer. 24Daarna neemt hij op een heilige plaats een bad, trekt zijn eigen kleren weer aan en gaat naar buiten om het brandoffer op te dragen voor zichzelf en voor het volk en zo voor zichzelf en het volk de verzoening te voltrekken. 25Het vet van het zondeoffer doet hij op het altaar in rook opgaan. 26De man die de bok `voor Azazel’ heeft weggebracht, moet zijn kleren wassen en een bad nemen; daarna mag hij weer in het kamp komen. 27Als met het bloed van de stier en de bok van het zondeoffer in het heiligdom de verzoening is voltrokken, moeten de dieren buiten het kamp worden gebracht; de huid, het vlees en de darmen moet men verbranden. 28Degene die ze verbrandt, moet zijn kleren wassen en een bad nemen; daarna mag hij weer in het kamp komen. 29Het is een blijvend voorschrift voor u, dat gij u op de tiende dag van de zevende maand moet kastijden en dat gij geen arbeid verricht; dat geldt voor de geboren Israëliet en voor de vreemdeling die bij u woont. 30Want op die dag zal men voor u de verzoening voltrekken om u te reinigen van al uw zonden. Zo zult ge weer rein zijn voor Jahwe. 31Gij moet dus grote
sabbat houden en u zelf kastijden; dat is een blijvend voorschrift. 32De priester die men door zalving gewijd heeft om zijn vader in het ambt op te volgen, voltrekt de verzoening en doet daarvoor de heilige, linnen gewaden aan. 33Hij is het die de verzoening voltrekt aan het heiligste deel van het heiligdom, aan de tent van de samenkomst en het altaar, alsook aan de priesters en heel het samengeroepen volk. 34Het is een blijvend voorschrift voor u om eens in het jaar de verzoening te voltrekken voor al de zonden van de Israëlieten. Men deed zoals Jahwe het aan Mozes bevolen had.

Hoofdstuk 17

Jahwe sprak tot Mozes: 2Zeg aan Aäron en zijn zonen en aan alle Israëlieten: Dit beveelt Jahwe: 3Wanneer een Israëliet in of buiten het kamp een rund, een schaap of een geit slacht 4en het dier niet naar de ingang van de tent der samenkomst brengt om het voor de woning van Jahwe als offergave aan hem aan te bieden, wordt hem dat als bloedschuld aangerekend. Hij heeft bloed vergoten; hij wordt uit zijn volk verwijderd. 5De Israëlieten mogen hun slachtoffers niet opdragen op elke willekeurige plek; zij moeten de offerdieren bij de priester brengen, bij de ingang van de tent der samenkomst, om ze daar als slachtoffers aan Jahwe op te dragen. 6De priester sprenkelt het bloed bij de ingang van de tent der samenkomst op het altaar en doet het in rook opgaan als een geurige gave die Jahwe behaagt. 7Zij mogen niet langer slachtoffers opdragen aan de saters, die zij ontuchtig achterna lopen. Dit is een blijvend voorschrift voor hen, al hun geslachten door. 8Gij moet tot hen zeggen: Wanneer iemand, een Israëliet of een vreemdeling die bij u woont, een brandoffer of een slachtoffer opdraagt, 9maar het niet bij de ingang van de tent der samenkomst brengt om het aan Jahwe aan te bieden, dan wordt hij uit zijn volk verwijderd. 10Als iemand, een Israëliet of een vreemdeling die bij u woont, bloed nuttigt, treed Ik persoonlijk tegen hem op en verwijder hem uit zijn volk. 11Want de levenskracht van mens en dier zit in het bloed. Ik sta u alleen toe het te gebruiken op het altaar om verzoening te bewerken, want door de levenskracht bewerkt het bloed verzoening. 12Daarom heb Ik de Israëlieten gezegd: `Niemand van u mag bloed nuttigen, ook niet de vreemdeling die bij u woont.’ 13Als iemand, een Israëliet of een vreemdeling die bij u woont, op de jacht wild of gevogelte vangt, dat gegeten mag worden, dan moet hij het bloed eruit laten lopen en met zand bedekken. 14Want de levenskracht van mens en dier is zijn bloed; daarom heb Ik de Israëlieten gezegd: `Nuttig nooit bloed van mens of dier. Want de levenskracht van mens en dier is in zijn bloed. Ieder die het nuttigt wordt uit zijn volk verwijderd.’ 15Iedereen, geboren Israëliet of vreemdeling, die eet van een dier dat doodgegaan is of vreemdeling, die eet van een dier dat doodgegaan is of verscheurd, moet zijn kleren wassen en een bad nemen; hij is tot de avond onrein. Dan wordt hij weer rein. 16Wast hij zijn kleren niet en neemt hij geen bad, dan zal hij ervoor boeten.

Hoofdstuk 18
Jahwe sprak tot Mozes: 2Zeg aan de Israëlieten: Ik ben Jahwe uw God. 3Leef niet naar de gebruiken van Egypte waar gij gewoond hebt, noch naar die van Kana”n waar ik u heenbreng. Richt uw leven niet in volgens hun gewoonten, 4maar houdt u aan mijn wetten en richt uw leven naar mijn voorschriften. Ik ben Jahwe uw God. 5Onderhoud mijn voorschriften en wetten: de mens die ze volbrengt, vindt daardoor het leven. Ik ben Jahwe. 6Niemand van u mag tot een bloedverwant naderen om diens schaamte te ontbloten. 7De schaamte van uw vader, dat is de schaamte van uw moeder, moogt ge niet ontbloten: omdat zij uw moeder is, moogt ge haar schaamte niet ontbloten. 8Ook de schaamte van een andere vrouw van uw vader moogt gij niet ontbloten; het is de schaamte van uw vader. 9De schaamte van uw zuster, een dochter van uw vader of van uw moeder, in uw familie of daarbuiten geboren, moogt gij niet ontbloten. 10De schaamte van een dochter van uw zoon of dochter moogt gij niet ontbloten; het is immers uw eigen schaamte. 11De schaamte van de dochter van een andere vrouw van uw vader, door uw vader verwekt, moogt gij niet ontbloten; omdat zij uw zuster is, moogt ge haar schaamte niet ontbloten. 12De schaamte van de zuster van uw vader moogt gij niet ontbloten; zij is de naaste bloedverwant van uw vader. 13De schaamte van een zuster van uw moeder moogt gij niet ontbloten; zij is een bloedverwant van uw moeder. 14De schaamte van een broer van uw vader moogt gij niet ontbloten en tot diens vrouw niet naderen; zij is uw tante. 15De schaamte van uw schoondochter moogt gij niet ontbloten; omdat zij de vrouw van uw zoon is, moogt ge haar schaamte niet ontbloten. 16De schaamte van de vrouw van uw broer moogt gij niet ontbloten; het is de schaamte van uw broer. 17De schaamte van een vrouw en die van haar dochter moogt gij niet beide ontbloten; ook de dochter van een zoon of dochter van die vrouw moogt ge niet huwen. Omdat zij bloedverwanten zijn, moogt ge haar schaamte niet ontbloten; dat is een schande. 18Gij moogt niet trouwen met een zuster van uw vrouw; wanneer ge de schaamte van de een ontbloot, terwijl de ander nog leeft, geeft dat jaloezie. 19Gij moogt niet naderen tot een vrouw die menstruatie heeft en onrein is. 20Gij moogt geen gemeenschap hebben met een vrouw van uw naaste; want dan verontreinigt ge u. 21Gij moogt niet toestaan, dat een van uw nakomelingen geofferd wordt aan de Moloch; ge moogt de naam van uw God niet ontwijden: Ik ben Jahwe. 22Met een man moogt gij geen omgang hebben als met een vrouw; dat is een gruwel. 23Met geen enkel dier moogt ge geslachtsgemeenschap hebben en u zo verontreinigen. Ook een vrouw mag zich niet afgeven met een dier, dat is een schanddaad. 24Verontreinig u dus niet door dergelijke dingen, want de volken die Ik voor u verdrijf, hebben zich daardoor verontreinigd. 25Zo is het land onrein geworden: Ik heb het geteisterd om zijn misdaad, zodat het zijn bewoners uitspuwde. 26Maar gij moet mijn voorschriften en wetten onderhouden en geen van deze gruweldaden bedrijven, noch de geboren Israëliet noch de vreemdeling die bij u woont. 27Want al die gruweldaden hebben de mensen die voor u in dit land woonden bedreven,
zodat het land er onrein van werd. 28Zorg dus dat gij uw land niet opnieuw verontreinigt; anders spuwt het u ook uit, zoals het de volken voor u heeft uitgespuwd. 29Al degenen die dergelijke gruweldaden bedrijven, moeten uit hun volk worden verwijderd. 30Houd u aan wat Ik u voorschrijf en laat u niet in met die afschuwelijke gebruiken, die er voor u in zwang waren. Verontreinig u daardoor niet. Ik ben Jahwe uw God.

Hoofdstuk 19

Jahwe sprak tot Mozes: 2Zeg tot heel de gemeenschap van de Israëlieten: Wees heilig, want Ik, Jahwe uw God, ben heilig. 3Ieder van u moet eerbied hebben voor zijn moeder en vader. De sabbatdagen die Ik heb voorgeschreven moet gij onderhouden. Ik ben Jahwe uw God. 4Laat u niet in met afgoden en maak geen metalen beelden. Ik ben Jahwe uw god. 5Wanneer gij aan Jahwe een slachtoffer opdraagt, doe het dan zo, dat Hij behagen in u vindt. 6Men moet dat offer eten op de dag zelf of op de dag daarna. Wat er op de derde dag nog over is, moet worden verbrand. 7Op de derde dag mag men er niet meer van eten; het is besmet en komt de offeraar niet ten goede. 8Wie er van eet, zal ervoor boeten; wat Jahwe gewijd was, heeft hij ontwijd. Hij wordt uit zijn volk verwijderd. 9Als gij uw oogst van het land haalt, moogt gij uw akker niet tot de rand afmaaien en wat is blijven liggen niet bijeenrapen. 10Gij moogt in uw wijngaard geen nalezing houden en de afgevallen druiven niet bijeenrapen. Dat alles is bestemd voor de arme en de vreemdeling. Ik ben Jahwe uw God. 11Gij moogt elkaar niet bestelen, niet beliegen en niet bedriegen. 12Ge moogt mijn naam niet gebruiken voor meineed, want dan ontwijdt ge de naam van uw God. Ik ben Jahwe. 13Gij moogt uw naaste niet uitbuiten en hem in niets te kort doen. Wat een dagloner verdient moogt ge niet vasthouden tot de volgende morgen. 14Gij moogt een dove niet vervloeken en een blinde niets in de weg leggen, waarover hij struikelen kan. Ge moet ontzag hebben voor uw God. Ik ben Jahwe. 15Wees niet partijdig bij het rechtspreken: begunstig de arme niet en zie de rijke niet naar de ogen. Spreek rechtvaardig recht over uw volksgenoten. 16Strooi geen lasterpraat rond over elkaar en sta uw naaste niet naar het leven. Ik ben Jahwe. 17Wees niet haatdragend tegen uw broeder. Wijs elkaar terecht: dan maakt ge u niet schuldig aan de zonde van een ander. 18Neem geen wraak op een volksgenoot en koester geen wrok tegen hem. Bemin uw naaste als uzelf. Ik ben Jahwe. 19Onderhoud mijn wetten. Gij moogt geen dieren van verschillende soort kruisen; gij moogt op uw akker geen twee gewassen zaaien; gij moogt geen kleren dragen van tweeërlei stof. 20Heeft iemand gemeenschap met een slavin, die voor een andere man is bestemd, maar er is voor haar nog geen losgeld betaald en zij is nog niet vrijgelaten, dan moet er schadevergoeding worden gegeven, maar ze hoeven niet ter dood te worden gebracht; zij was immers nog niet vrijgelaten. 21De man moet als schuldoffer voor Jahwe een ram naar de ingang van de tent der samenkomst brengen. 22Met deze ram moet de priester voor Jahwe aan hem de verzoening voltrekken vanwege de zonde die hij heeft bedreven;
dan wordt deze daad hem vergeven. 23Als gij in het land komt en allerlei vruchtbomen plant, moet ge van de vruchtbomen afblijven; ze mogen niet worden gegeten. 24In het vierde jaar zijn alle vruchten bestemd voor een dankfeest ter ere van Jahwe. 25Pas in het vijfde jaar moogt gij de vruchten eten. Dan zullen de bomen steeds meer vrucht opbrengen. Ik ben Jahwe uw God. 26Iets waar het bloed nog inzit moogt ge niet eten. Gij moogt u niet inlaten met waarzeggerij of dodenbezwering. 27Gij moogt aan uw hoofdhaar geen ronde rand knippen en de rand van uw baard niet wegnemen. 28Ge moogt uw lichaam niet kerven voor een dode en u niet laten tatouëren. Ik ben Jahwe. 29Onteer uw dochter niet door van haar een publieke vrouw te maken; anders wordt het land ontuchtig en wemelt het er van schanddaden. 30Gij moet mijn sabbatdagen onderhouden en eerbied hebben voor mijn heiligdom. Ik ben Jahwe. 31Gij moogt geen contact zoeken met de geesten van gestorvene en geen orakels ondervragen. Daardoor zoudt ge u verontreinigen. Ik ben Jahwe uw God. 32Gij moet opstaan voor een grijsaard en eerbied hebben voor een bejaarde. Gij moet ontzag hebben voor uw God. Ik ben Jahwe. 33Wanneer er vreemdelingen in uw land wonen, moogt ge die niet slecht behandelen. 34Vreemdelingen die bij u wonen hebben dezelfde rechten als een geboren Israëliet. Gij moet hen beminnen als uzelf, want gij zijt zelf vreemdelingen geweest in Egypte. Ik ben Jahwe uw God. 35Wees niet partijdig in de rechtspraak en niet oneerlijk met lengtematen, gewichten of inhoudsmaten. 36Gij moet een zuivere weegschaal gebruiken, juiste gewichten en juiste maten voor koren en olie. Ik ben Jahwe uw God, die u uit Egypte geleid heb. 37Onderhoud en volbreng al mijn wetten en voorschriften. Ik ben Jahwe.

Hoofdstuk 20

Jahwe sprak tot Mozes: 2Zeg aan de Israëlieten: Iedere Israëliet of vreemdeling in Israël, die een van zijn kinderen ter beschikking stelt van de Moloch, moet sterven. Het volk van het land moet hen stenigen. 3Ik treed persoonlijk op tegen zo iemand en verwijder hem uit zijn volk. Door een van zijn kinderen ter beschikking te stellen van de Moloch heeft hij mijn heiligdom verontreinigd en mijn heilige naam ontwijd. 4Mocht het volk van het land zijn ogen sluiten voor het feit dat die man een van zijn kinderen ter beschikking heeft gesteld van de Moloch en mocht het hem niet ter dood brengen, 5dan treed Ik persoonlijk op tegen hem en tegen zijn verwanten. Ik zal hem, en alle anderen die ontuchtig de Moloch nalopen, uit hun volk verwijderen. 6Tegen degene die contact zoekt met geesten en orakels raadpleegt en deze ontuchtig achterna loopt, treed Ik persoonlijk op en verwijder hem uit zijn volk. 7Zorg dat gij heilig zijn; wees heilig, want Ik ben Jahwe uw God. 8Onderhoud mijn wetten. Ik ben Jahwe, degene die u heiligt. 9Ieder die zijn vader en zijn moeder vervloekt, moet ter dood worden gebracht. Hij heeft zijn vader en zijn moeder vervloekt; hij heeft zijn dood aan zichzelf te wijten. 10Hij die overspel pleegt met de vrouw van een ander, de vrouw van zijn naaste, moet ter dood worden gebracht, hijzelf en de vrouw met wie hij overspel heeft gepleegd. 11Als een man

gemeenschap heeft met een vrouw van zijn vader, ontbloot hij de schaamte van zijn vader. Beiden moeten ter dood worden gebracht; zij hebben hun dood aan zichzelf te wijten. 12Als een man gemeenschap heeft met zijn schoondochter, moeten beiden ter dood gebracht worden. Zij hebben een schanddaad begaan; zij hebben hun dood aan zichzelf te wijten. 13Als een man met een andere man omgang heeft als met een vrouw, begaan beiden een afschuwelijke daad. Zij moeten ter dood worden gebracht; zij hebben hun dood aan zichzelf te wijten. 14Als een man met een vrouw trouwt en tegelijk met haar moeder, dan is dat een schande. Zowel de man als de beide vrouwen moeten worden verbrand; zoiets schandaligs mag bij u niet voorkomen. 15Een man die geslachtsgemeenschap heeft met een dier, moet gedood worden; het dier moet ge afmaken. 16Als een vrouw zich afgeeft met een dier, moet ge zowel de vrouw als het dier doden. Zij moeten ter dood worden gebracht; zij hebben hun dood aan zichzelf te wijten. 17Als een man trouwt met zijn zuster, een dochter van zijn vader of zijn moeder, en zij zien elkaars schaamte, dan is dit een schande. Voor de ogen van hun volksgenoten moeten zij verwijderd worden. Hij heeft de schaamte van zijn zuster ontbloot; hij moet voor zijn misdaad boeten. 18Als een man gemeenschap heeft met een vrouw tijdens de menstruatie en haar schaamte, de bron van haar bloeding, ontbloot, en zij stemt daarmee in, dan moeten beiden uit hun volk worden verwijderd. 19De schaamte van een zuster van uw vader of uw moeder moogt gij niet ontbloten. Wie zoiets doet heeft zijn eigen bloedverwant ontbloot; hij moet voor zijn misdaad boeten. 20Een man die gemeenschap heeft met zijn tante, ontbloot de schaamte van zijn oom. Zij moeten voor hun zonde boeten en zullen kinderloos sterven. 21Als een man met de vrouw van zijn broer trouwt, is dat een schande. Hij heeft de schaamte van zijn broer ontbloot; zij zullen kinderloos blijven. 22Onderhoud en volbreng al mijn wetten en voorschriften; dan zal het land waar Ik u heenbreng om er te wonen, u niet uitspuwen. 23Leef niet naar de gebruiken van de volken die Ik voor u verjaag. Omdat zij dergelijke dingen deden, walgde Ik van hen. 24Toen sprak Ik tot u: Gij zult hun land in bezit nemen; Ik zelf geef het u in bezit, een land van melk en honing. Ik ben Jahwe uw God. Ik heb u van de andere volken onderscheiden. 25Maakt gij dan onderscheid tussen reine en onreine landdieren, tussen reine en onreine vogels. Besmet u niet met die landdieren, vogels en kruipende dieren, die Ik onrein heb verklaard en als zodanig heb aangewezen. 26Wees heilig voor Mij, want Ik, Jahwe, ben heilig. Ik heb u van de andere volken onderscheiden om Mij toe te behoren. 27Mannen of vrouwen in wie de geest van een dode is of die aan waarzeggerij doen, moeten ter dood worden gebracht. Zij moeten worden gestenigd; zij hebben hun dood aan zichzelf te wijten.

Hoofdstuk 21

Jahwe sprak tot Mozes: Zeg aan de priesters, de zonen van Aäron: Een priester mag zich niet verontreinigen aan het lijk van een volksgenoot, 2tenzij het gaat om een naaste bloedverwant: zijn vader, zijn moeder, een
zoon, een dochter, een broer. 3Hij mag zich ook verontreinigen voor een ongehuwde zuster, die hem nog na staat, omdat zij niet aan een man heeft behoord. 4Maar zodra zij gehuwd is, mag hij zich voor haar niet verontreinigen en zich niet ontwijden. 5Zij mogen op hun hoofd geen kale plek maken, de rand van hun baard niet afscheren en hun lichaam niet kerven. 6Zij moeten heilig zijn voor hun God en mogen zijn naam niet ontwijden. Zij dragen de offers van Jahwe op, de spijs van hun God; daarom moeten zij heilig zijn. 7Zij mogen niet huwen met een publieke vrouw, met een vrouw die onteerd is, of met een vrouw die door haar man verstoten is. Want de priester is heilig voor zijn God. 8Gij moet hem dan ook als heilig beschouwen, want hij draagt de spijs van uw God op. Hij moet u heilig zijn, want Ik, Jahwe, die u heilig maak, ben heilig. 9De dochter van een priester, die zich door ontucht onteert, onteert haar vader; zij moet worden verbrand. 10De voornaamste onder de priesters, over wiens hoofd de zalvingsolie is uitgegoten en die gewijd is om de gewaden te dragen, mag zijn hoofdhaar niet los laten hangen en zijn kleren niet scheuren. 11Hij mag niet bij een lijk komen en zich daaraan verontreinigen, zelfs niet als het zijn vader of moeder is. 12Hij mag zich niet verwijderen uit het heiligdom van zijn God en het niet ontwijden, want hij is door de zalving met olie aan zijn God gewijd. Ik ben Jahwe. 13De vrouw die hij huwt moet maagd zijn. 14Hij mag geen weduwe huwen, geen verstoten vrouw, geen onteerde vrouw en geen publieke vrouw; hij mag alleen trouwen met een maagd uit zijn familie. 15Dan ontwijdt hij zijn nageslacht niet. Ik ben Jahwe, die hem heilig. 16Jahwe sprak tot Mozes: 17Zeg aan Aäron: Heeft iemand van uw familie een gebrek, dan mag hij niet optreden om de spijs van zijn God op te dragen. Dat geldt al uw geslachten door. 18Iemand met een gebrek mag niet als priester optreden: een blinde niet, een kreupele niet, evenmin iemand met een geschonden of misvormde neus 19of iemand die zijn been of arm heeft gebroken; 20ook iemand met een bochel niet, een dwerg niet, evenmin iemand met een vlek op het oog, met een of andere huidziekte of een ontmande. 21Iemand uit het geslacht van de priester Aäron, die een van die gebreken heeft, mag niet optreden om Jahwe’s offergaven op te dragen. Vanwege zijn gebrek mag hij niet optreden om de spijs van zijn God te offeren. 22Hij mag wel de spijs van zijn God eten, het heilige zowel als het hoogheilige, 23maar vanwege zijn gebrek mag hij niet bij het voorhangsel komen en het altaar niet naderen. Hij mag mijn heiligdom niet ontwijden, want Ik ben Jahwe, die hen heilig. 24Mozes bracht dit over aan Aäron en zijn zonen en aan alle Israëlieten.

Hoofdstuk 22

Jahwe sprak tot Mozes: 2Zeg aan Aäron en zijn zonen: Waar het gaat om de heilige gaven van de Israëlieten, moeten zij de grootste zorgvuldigheid in acht nemen en mogen zij mijn heilige naam niet ontwijden; want aan Mij hebben zij die gaven gewijd. Ik ben Jahwe. 3Zeg hun: Voor al uw geslachten geldt: Als iemand van uw familie onrein is en toch nadert tot de heilige gaven die de Israëlieten aan Jahwe wijden, moet die persoon van
Mij verwijderd worden. Ik ben Jahwe. 4Als iemand van Aärons geslacht een huidziekte heeft of aan druipen lijdt, mag hij niet eten van de heilige gaven, voordat hij weer rein is. Dat geldt ook voor degene die iets aanraakt dat door contact met een lijk onrein is geworden, voor degene die een uitstorting heeft, 5die in aanraking komt met kruipend gedierte, dat onrein maakt, of met een mens, die onrein maakt, of voor degene die op een andere manier onrein is geworden. 6Hij is tot de avond onrein en mag niet van de heilige gaven eten, voor hij een bad heeft genomen. 7Na zonsondergang is hij weer rein. Dan mag hij weer eten van de heilige gaven, want daar moet hij van leven. 8Een dier dat dood is gegaan of verscheurd is, mag hij niet eten; anders wordt hij onrein. Ik ben Jahwe. 9De priesters moeten doen wat Ik hun voorschrijf en zich op dit punt niet bezondigen, want als zij het heilige ontwijden, zou dat hun dood zijn. Ik ben Jahwe, die hen heilig. 10Een onbevoegde mag niet van de gewijde gaven eten; iemand die bij een priester inwoont of werkt, evenmin. 11De slaven, die een priester met zijn eigen geld heeft gekocht of die in zijn huis geboren zijn, mogen ervan eten. 12De dochter van een priester, die met een niet-priester is getrouwd, mag niet eten van de heilige gaven, die afgedragen worden. 13Is zij weduwe geworden of door haar man verstoten, heeft zij geen kinderen en is zij weer terug in het ouderlijk huis, zoals in haar jeugd, dan mag zij eten wat haar vader eet. Een onbevoegde mag dat niet. 14Iemand die door onoplettendheid van de heilige gaven eet, moet deze, vermeerderd met een vijfde, aan de priester vergoeden. 15De priesters mogen de heilige gaven, die de Israëlieten aan Jahwe afdragen, niet laten ontwijden. 16Zij zouden er oorzaak van zijn, dat de Israëlieten, door het eten van de gaven die een priester toekomen, schuld op zich laden en tot boete verplicht zijn. Ik ben Jahwe, die hen heilig. 17Jahwe sprak tot Mozes: 18Zeg aan Aäron en zijn zonen en aan alle Israëlieten: Als een Israëliet een gelofteoffer of een vrije gave als brandoffer aan Jahwe wil aanbieden, 19moet hij daarvoor een mannelijk dier nemen zonder gebrek, een rund, een schaap of een geit. Dan schept Jahwe behagen in hem. 20Dieren met een gebrek moogt gij niet aanbieden; dan schept Jahwe geen behagen in u. 21Ook als iemand ter vervulling van een gelofte of als vrije gave een rund of een stuk kleinvee aan Jahwe opdraagt als slachtoffer, moet het, om aanvaard te worden, een gaaf dier zijn, zonder gebrek. 22Is een dier blind, kreupel of verminkt, heeft het zweren, uitslag of huidziekte, dan moogt ge het Jahwe niet offeren; zulke dieren moogt ge niet op het altaar brengen als offergaven voor Jahwe. 23Een rund of een schaap dat misvormd is, moogt ge wel als vrije gave aanbieden, maar als gelofteoffer wordt het niet aanvaard. 24Een dier, dat door kneuzen, verbrijzelen, afrukken of snijden ontmand is, moogt ge Jahwe niet aanbieden. Een dergelijk dier offert men niet in uw land 25en gij moogt het ook van een vreemdeling niet aannemen om het aan te bieden als spijs voor uw God. Zij zijn geschonden en hebben een gebrek; zij worden niet aanvaard. 26Jahwe sprak tot Mozes: 27Het jong van een rund, een schaap of een geit moet de eerste zeven dagen na de
geboorte bij het moederdier blijven. Pas vanaf de achtste dag wordt het door Jahwe als offergave aanvaard. 28Maar gij moogt een rund of een schaap niet slachten op dezelfde dag als een jong van dat dier. 29Biedt ge Jahwe een slachtoffer aan uit dankbaarheid, dan moet ge dat zo doen, dat het aanvaard wordt: 30het moet op de dag zelf worden gegeten en ge moogt er niets van overlaten tot de volgende dag. Ik ben Jahwe. 31Gij moet mijn geboden stipt onderhouden. Ik ben Jahwe. 32Mijn heilige naam moogt ge niet ontwijden; Ik wil mijn heiligheid door de Israëlieten erkend zien. Ik ben Jahwe die u heilig. 33Ik heb u uit egypte geleid om uw God te zijn. Ik ben Jahwe.

Hoofdstuk 23

Jahwe sprak tot Mozes: 2Zeg aan de Israëlieten: De feesten ter ere van Mij voor Jahwe, die gij tot heilige dagen moet uitroepen, zijn de volgende. 3Zes dagen wordt er gewerkt, maar de zevende dag is een grote sabbat, een heilige dag. Ge moogt dan niet werken; het is een sabbat ter ere van Jahwe, waar ge ook woont. 4Dit zijn de feesten voor Jahwe, de heilige dagen, die gij op de gestelde tijd moet vieren. 5De veertiende dag van de eerste maand, tegen zonsondergang, is het pasen ter ere van Jahwe. 6De vijftiende dag van die maand is het feest van de ongezuurde broden ter ere van Jahwe; dan moet gij zeven dagen ongezuurd brood eten. 7De eerste dag is voor u een heilige dag; ge moogt dan niet werken. 8Zeven dagen achtereen moet gij Jahwe offers aanbieden. De zevende dag is een heilige dag; dan moogt ge niet werken. 9Jahwe sprak tot Mozes: 10Zeg aan de Israëlieten: Wanneer gij in het land komt, dat Ik u schenk, en er de oogst binnenhaalt, moet ge de eerste schoof naar de priester brengen. 11Staande voor Jahwe, zondert hij deze af als aandeel van de priester; dan schept Jahwe behagen in u. Dit moet daags na de sabbat geschieden. 12Op de dag dat de schoof op deze wijze wordt aangeboden, moet ge een gaaf lam van nog geen jaar als brandoffer aan Jahwe opdragen.

13Daarbij hoort een meeloffer van twee issaron bloem, aangemaakt met olie, als geurige gave die Jahwe behaagt, en een plengoffer van een vierde hin wijn. 14Tot de dag dat ge dit offer aan uw God hebt opgedragen, moogt ge geen brood eten, en geen graankorrels, gepoft of niet gepoft. Dat is een blijvende wet, al uw geslachten door, waar ge ook woont. 15Vanaf de dag na de sabbat, waarop ge de schoof hebt gebracht die voor de priester bestemd is, moet ge zeven sabbatten tellen. 16En daags na de zevende sabbat, op de vijftigste dag, moet ge aan Jahwe vers graan offeren. 17Van de plaats waar ge woont, moet gij als bijdrage twee broden meebrengen van twee issaron bloem, met zuurdeeg gebakken, om die als eerstelingen aan Jahwe aan te bieden. 18Bij dit brood moet ge zeven gave lammeren van nog geen jaar, een stier en twee rammen aan Jahwe opdragen met bijbehorende meeloffers en plengoffers, als een geurige gave die Jahwe behaagt. 19Als zondeoffer moet ge een bok en als slachtoffer twee lammeren van nog geen jaar opdragen. 20Met het brood van het nieuwe graan zondert de priester voor Jahwe de beide lammeren af; zij zijn Jahwe gewijd en komen aan de priester toe.
21Diezelfde dag moet gij vieren als een heilige dag; ge moogt dan niet werken. 22Wanneer ge uw oogst van het land haalt, moogt ge uw akker niet tot de rand afmaaien en wat is blijven liggen moogt ge niet bijeenrapen. Dat is bestemd voor de armen en de vreemdelingen. Ik ben Jahwe uw God. 23Jahwe sprak tot Mozes: 24Zeg aan de Israëlieten: Op de eerste dag van de zevende maand is het sabbat, een heilige dag, die gevierd wordt met trompetgeschal. 25Ge moogt dan niet werken en ge moet een offer opdragen aan Jahwe. 26Jahwe sprak tot Mozes: 27De tiende dag van verzoening; het is een heilige dag voor u. Gij moet dan uzelf kastijden en een offer opdragen aan Jahwe. 28Ge moogt op die dag niet werken; het is de dag van verzoening, waarop verzoening voor u wordt bewerkt bij Jahwe uw God. 29Wie zich niet kastijdt, wordt uit zijn volk verwijderd. 30En wie op die dag werkt, neem Ik weg uit zijn volk en verdelg hem. 31Gij moogt niet werken. Dat is een blijvende wet, al uw geslachten door, waar ge ook woont. 32Het is grote sabbat voor u en ge moet uzelf kastijden; van de avond van de negende dag van die maand tot de volgende avond moet gij sabbat houden. 33Jahwe sprak tot Mozes: 34Zeg aan de Israëlieten: Op de vijftiende dag van de zevende maand begint het loofhuttenfeest ter ere van Jahwe, dat zeven dagen duurt. 35De eerste dag is een heilige dag; ge moogt dan niet werken. 36Zeven dagen achtereen moet ge offers opdragen aan Jahwe. De achtste dag is voor u een heilige dag; ook dan moet ge offers opdragen aan Jahwe. Dat is het slotfeest; ge moogt dan niet werken. 37Dat zijn de feesten ter ere van Jahwe, die ge als heilige dagen moet vieren en waarop gij hem offers moet brengen: brandoffers, meeloffers, slachtoffers en plengoffers, al naar gelang de verschillende dagen. 38Daarbij zijn de sabbatdagen ter ere van Jahwe en de gaven die gij hem als gelofteoffers of als vrije gaven aanbiedt, niet meegerekend. 39Op de vijftiende dag van de zevende maand, als de oogst van het land is gehaald, moet bij zeven dagen het feest van Jahwe vieren. 40Haal op de eerste dag citrusvruchten, palmblaren, twijgen van loofbomen en wilgetakken bijeen en wees vol vreugde voor Jahwe uw God, zeven dagen lang. 41Ieder jaar moet gij zeven dagen feest vieren voor Jahwe; dat is een blijvende wet, al uw geslachten door. In de zevende maand moet gij dat feest vieren. 42Zeven dagen achtereen moet ge in loofhutten wonen; iedere geboren Israëliet moet in een loofhut wonen. 43Dan zullen de komende geslachten blijven beseffen, dat Ik de Israëlieten in loofhutten heb doen wonen, toen Ik hen uit Egypte leidde. Ik ben Jahwe uw God. 44Zo maakte Mozes de feestdagen van Jahwe aan de Israëlieten bekend.

Hoofdstuk 24

Jahwe sprak tot Mozes: 2Geef de Israëlieten opdracht zuivere gestoten olijfolie te brengen voor de verlichting, om de luchter altijd brandend te houden. 3Aäron moet deze in de tent van de samenkomst, voor het voorhangsel waarachter de verbondsakte ligt, van de avond tot de morgen altijd brandend houden voor Jahwe. Dat is een blijvende wet, al uw geslachten door. 4Hij moet de lampen plaatsen op de luchter van zuiver
goud, om ononderbroken voor Jahwe te branden. 5Van bloem moet gij twaalf broden bakken, elk van twee issaron. 6Die moet gij in twee rijen van zes voor Jahwe op de tafel van zuiver goud leggen. 7Bij elke rij moet gij zuivere wierook doen. Zo wordt het brood een heilig teken, een offergave voor Jahwe. 8Elke sabbat moet men verse broden voor Jahwe neerleggen uit naam van de Israëlieten; dat is een blijvende verplichting. 9De broden komen toe aan Aäron en zijn zonen; zij moeten ze eten op een heilige plaats, want ze zijn hoogheilig. Dat is hun blijvend deel van de offergaven voor Jahwe. 10Een zeker iemand, de zoon van een Israëlitische moeder en een Egyptische vader, mengde zich eens onder de Israëlieten. In het kamp raakte hij slaags met een Israëliet. 11Toen de zoon van de Israëlitische vrouw begon te vloeken en de naam verwenste, bracht men hem bij Mozes. Zijn moeder heette Selomit; zij was een dochter van Dibri, uit de stam Dan. 12Hij werd gevangen gezet, in afwachting van de beslissing van Jahwe. 13En Jahwe sprak tot Mozes: 14Breng de man, die mij verwenst heeft, buiten het kamp. Allen die het gehoord hebben, moeten hun hand op zijn hoofd leggen; daarna moet heel de gemeenschap hem stenigen. 15En tot de Israëlieten moet gij zeggen: Ieder die zijn God verwenst, zal daarvoor boeten. 16Wie de naam van Jahwe vervloekt, moet ter dood gebracht worden: heel de gemeenschap moet hem stenigen. Zowel de geboren Israëliet als de vreemdeling die de naam heeft vervloekt, moet ter dood gebracht worden. 17Ieder die een mens doodslaat, moet ter dood gebracht worden, en wie een dier doodslaat, moet het vergoeden: 18een leven voor een leven. 19Wie een volksgenoot letsel toebrengt, moet zelf ondergaan wat hij de ander aandeed: 20een wond voor een wond, een oog voor een oog, een tand voor een tand; het letsel dat hij de ander toebracht, moet hijzelf ondergaan. 21Wie een dier doodslaat, moet het vergoeden, maar wie een mens doodslaat, moet ter dood gebracht worden. 22Hetzelfde recht geldt voor de vreemdeling en voor de geboren Israëliet. Ik ben Jahwe uw God. 23Nadat Mozes dit had meegedeeld, brachten de Israëlieten de man, die Jahwe verwenst had, buiten het kamp en stenigden hem. De Israëlieten deden wat Jahwe aan Mozes had geboden.

Hoofdstuk 25

Jahwe sprak tot Mozes op de Sina 2Zeg aan de Israëlieten: Wanneer gij in het land komt dat Ik u schenk, moet het land sabbat houden ter ere van Jahwe. 3Zes jaar kunt ge uw akkers inzaaien, zes jaar kunt ge uw wijngaarden snoeien en de oogst binnenhalen, 4maar in het zevende jaar zal het grote sabbat zijn voor het land. Dan moogt gij uw akker niet inzaaien, uw wijngaard niet snoeien, 5de nagroei van het vorige gewas niet oogsten en de druiven van uw ongesnoeide wijngaard niet plukken. Het land zal een heel jaar sabbat houden. 6Wat het land tijdens de sabbat uit zichzelf voortbrengt, zal voldoende zijn om uw slaaf en slavin, de dagloners en de buitenlanders, die bij u wonen, te voeden. 7Ook uw vee en de andere dieren in uw land zullen daarvan kunnen eten. 8Na verloop van zeven sabbatjaren, zevenmaal zeven jaar, tezamen negenenveertig
jaar, 9moet gij op de dag van verzoening, de tiende dag van de zevende maand, luid de bazuin laten klinken. In heel uw land moet gij de bazuin laten schallen. 10Dat vijftigste jaar moet een heilig jaar voor u zijn; dan moet ge in het land afkondigen dat alle bewoners hun slaven vrijlaten. Het moet een jobeljaar voor u zijn; iedereen wordt hersteld in zijn vroeger bezit en keert terug naar zijn familie. 11Het vijftigste jaar is een jobeljaar voor u; ge moogt dan niet zaaien, de nagroei niet oogsten en de druiven van uw ongesnoeide wijngaard niet plukken, 12want het is het jobeljaar; dat moet heilig voor u zijn. Alleen wat het land uit zichzelf voortbrengt, moogt ge eten. 13In het jobeljaar zal iedereen in zijn vroeger bezit worden hersteld. 14Wanneer gij een stuk grond verkoopt aan een volksgenoot of grond van hem koopt, moogt ge elkaar niet benadelen. 15Koopt gij grond van een volksgenoot, dan moet ge bij het vaststellen van de prijs rekening houden met het aantal jaren sinds het laatste jobeljaar. En hij moet de verkoopprijs berekenen naar het aantal jaren, dat het nog oogst opbrengt. 16De prijs zal hoger zijn, als er nog veel jaren komen, en lager, als er weinig jaren moeten verstrijken, want hij verkoopt u een aantal oogstjaren. 17Benadeel uw volksgenoot niet; heb eerbied voor uw God. Ik ben Jahwe uw God. 18Volbreng mijn geboden en onderhoud mijn wetten. Dan zult gij ongestoord wonen in het land. 19Het land zal rijke vrucht opbrengen, zodat gij volop te eten hebt; ongestoord zult gij er wonen. 20En denkt ge soms: `Wat moeten wij in het zevende jaar eten, als we niet zaaien en geen oogst binnenhalen?’, 21wees er dan van verzekerd, dat Ik u in het zesde jaar zo zal zegenen, dat de oogst voor drie jaar genoeg zal zijn. 22Als ge het achtste jaar zaait, zult ge nog steeds eten van de oude oogst. En ge zult daar nog van eten, als ge de oogst van het negende jaar binnenhaalt. 23Verkoop van land mag terugkoop niet uitsluiten, want het land behoort aan Mij; gij zijt er vreemdelingen en gasten. 24Op alle land dat gij bezit, moet ge een recht van terugkoop toestaan. 25Raakt uw broeder in moeilijkheden, zodat hij een deel van zijn grond moet verkopen, dan moet zijn naaste verwant de grond die zijn broeder verkocht heeft, terugkopen. 26Heeft hij niemand die het voor hem terugkoopt, maar gaat het hem zo goed, dat hij zelf weer in staat is de grond terug te kopen, 27dan moet hij het aantal jaren sinds de verkoop in mindering brengen op de verkoopprijs en het verschil terugbetalen aan de man, aan wie hij de grond had verkocht: dan krijgt hij zijn grond weer terug. 28Is hij niet in staat om terug te kopen, dan blijft het verkochte tot het jobeljaar in het bezit van de koper. Maar in het jobeljaar komt het vrij; dan wordt hij in zijn bezit hersteld. 29Verkoopt iemand een woonhuis in een ommuurde stad, dan kan hij het alleen gedurende het eerste jaar na de verkoop terugkopen; alleen die tijd heeft hij recht van terugkoop. 30Is het huis in de ommuurde stad na verloop van een jaar niet teruggekocht, dan blijft het voor altijd eigendom van de koper. Het recht van terugkoop is vervallen; ook in het jobeljaar komt het niet vrij. 31Huizen in niet ommuurde dorpen horen bij de landerijen; het recht van terugkoop blijft en in het jobeljaar komen zij vrij. 32De levieten behouden altijd het recht om de huizen, die
zij in de levietensteden bezitten, terug te kopen. 33Heeft een leviet in een stad, waar hij bezitsrechten heeft, een huis verkocht en is hij niet in staat het terug te kopen, dan komt dat huis in het jobeljaar vrij; want in de levietensteden van Israël behoren de huizen aan de levieten. 34Ook de weidegrond rond die steden mag niet worden verkocht; het is hun bezit voor altijd. 35Vervalt uw broeder tot armoede en kan hij zich niet handhaven, dan moet gij hem hulp bieden, zodat hij bij u kan leven, op dezelfde wijze als een vreemdeling of een buitenlander. 36Uit eerbied voor uw God moogt gij van uw broeder geen rente of toeslag vragen, zodat hij bij u kan blijven leven. 37Leen hem geld zonder rente en geef hem te eten zonder toeslag. 38Ik ben Jahwe uw God; Ik heb u uit Egypte geleid om u Kana”n te geven en uw God te zijn. 39Vervalt uw broeder tot zo grote armoede dat hij zich aan u moet verkopen, behandel hem dan niet als een slaaf; 40beschouw hem als een dagloner of een buitenlander. Hij moet tot het jobeljaar in dienst blijven; 41dan kan hij met zijn kinderen van u heengaan: hij kan terugkeren naar zijn familie en wordt in zijn bezit hersteld. 42Want zij zijn dienaren van Mij: Ik heb hen uit egypte geleid. Zij kunnen niet als slaaf worden verkocht. 43Uit eerbied voor uw God moogt gij hem niet tiranniseren. 44Hebt gij slaven of slavinnen nodig, koop ze dan in het buitenland 45of koop buitenlanders, die bij u wonen, of kinderen die zij bij u in het land hebben gekregen. Die kunt gij als slaven bezitten 46en aan uw kinderen als erfgoed nalaten; die kunt ge voor altijd als slaven in dienst houden. Maar niemand van u mag een broeder, een Israëliet tiranniseren. 47Als een buitenlander die bij u woont rijk wordt en uw broeder vervalt tot zo grote armoede dat hij zich aan hem of aan iemand van diens familie verkoopt, 48dan heeft hij daarna recht van vrijkoop. Een van zijn verwanten moet hem vrijkopen; 49zijn oom, diens zoon of iemand anders van zijn naaste familie. Is hij zelf weer bemiddeld geworden, dan kan hij zichzelf vrij kopen. 50Hij moet met de koper de tijd tussen het jaar van de verkoop en het jobeljaar berekenen en in overeenstemming daarmee de prijs van de verkoop bepalen. Voor de jaren dat hij bij hem gewerkt heeft, geldt het tarief van een dagloner. 51Resten er nog veel jaren tot aan het jobeljaar, dan moet hij een evenredig deel van de koopsom als losprijs betalen. 52Resten er nog weinig jaren, ook dan moet de losprijs in overeenstemming daarmee worden berekend. 53De tijd dat hij bij hem is, moet hij behandeld worden als een dagloner; hij mag onder uw ogen niet worden getiranniseerd. 54Wordt hij op geen van deze manieren losgekocht, dan komt hij met zijn kinderen vrij in het jobeljaar. 55Want de Israëlieten zijn dienaren van Mij; Ik heb hen uit Egypte geleid. Ik ben Jahwe uw God.

Hoofdstuk 26

Gij moogt in uw land geen afgodsbeelden maken, geen gebouwen godenbeelden of wijstenen oprichten en geen stenen met beeldwerk plaatsen om u daarvoor neer te buigen. Ik ben Jahwe uw God. 2Onderhoud mijn sabbatten en heb eerbied voor mijn heiligdom. Ik ben Jahwe. 3Als ge uw leven richt naar mijn wetten en mijn geboden
nauwgezet volbrengt, 4dan zal Ik u regen geven op de juiste tijd, zodat uw land rijke oogst oplevert en uw boomgaarden overvloedig vrucht dragen. 5Dan duurt het dorsen tot aan het plukken der druiven, en het druiven plukken tot de zaaitijd. Dan zult ge volop te eten hebben en ongestoord wonen in uw land. 6Dan breng Ik vrede over het land en kunt gij slapen zonder dat iemand u opschrikt. Wilde dieren houd Ik weg uit uw land en het zwaard dringt er niet door. 7Uw vijanden jaagt gij op de vlucht; zij vallen door uw zwaard. 8Vijf van u achtervolgen er honderd, honderd achtervolgen er tienduizend; de vijanden vallen door uw zwaard. 9Ik blijf u mijn gunsten schenken; Ik maak u vruchtbaar en talrijk. Mijn verbond met u blijf Ik trouw. 10Terwijl gij nog eet van de vorige oogst, zult gij uw voorraden al weg moeten doen voor de nieuwe oogst. 11Midden onder u plaats Ik mijn woning; Ik keer mij nooit van u af. 12Overal ga Ik met u mee: Ik zal uw God zijn en gij mijn volk. 13Ik ben Jahwe uw God, die u uit Egypte heb geleid, zodat gij geen slaven meer hoeft te zijn. Ik heb de stangen van uw juk gebroken en u rechtop doen gaan. 14Maar als gij Mij niet gehoorzaamt en deze geboden niet onderhoudt, 15u van mijn wetten niets aantrekt en mijn beslissingen afwijst, als ge mijn geboden niet onderhoudt en ontrouw wordt aan mijn verbond, 16weet dan wat Ik met u ga doen. Ellende breng Ik over u. Tering en brandende koorts ontnemen uw ogen het licht en tasten uw levenskracht aan. Zaait gij, dan is het voor niets; uw vijanden eten het op. 17Ikzelf treed tegen u op, zodat gij valt onder de slagen van uw vijand. Die u haten, heersen over u. Gij slaat op de vlucht, ook als niemand u achtervolgt. 18En als gij Mij ondanks dat alles nog niet gehoorzaamt, zal Ik u zevenvoudig tuchtigen om uw zonden. 19Uw trotse kracht zal Ik breken. De hemel boven u maak Ik als ijzer, de aarde beneden u als koper. 20Vergeefs put gij uw krachten uit; uw land brengt niets op, uw boomgaard evenmin. 21En blijft gij u dan nog tegen Mij verzetten en weigeren Mij te gehoorzamen, dan zal Ik u opnieuw zevenvoudig slaan om uw zonden. 22Wilde dieren stuur Ik op u af, die u van uw kinderen beroven en uw vee verscheuren. Zij dunnen uw rijen zo uit, dat uw wegen verlaten zijn. 23En als ge dan door dit alles nog niet wijzer zijt geworden en u tegen Mij blijft verzetten, 24dan zal ook Ik hard tegen u zijn. Ik zal u zevenvoudig slaan om uw zonden. 25Het zwaard roep Ik tegen u op om de schending van het verbond te wreken. Kruipt gij bijeen in uw steden, dan laat Ik de pest op u los, zodat gij in de macht van uw vijanden valt. 26En als Ik voor u geen brood op de plank heb, zullen tien vrouwen in een oven bakken en het brood in porties verdelen. Gij zult wel eten, maar niet genoeg krijgen. 27Gehoorzaam gij ondanks dat alles nog niet en blijft gij u tegen Mij verzetten, 28dan blijf Ik in mijn toorn ook hard tegen u. Zevenvoudig tuchtig Ik u om uw zonden. 29Gij zult het vlees eten van uw zonen en dochters. 30Uw offerhoogten verwoest Ik, uw wierookaltaren haal Ik omver, uw gedenktekens smijt Ik op een hoop met die van uw afgoden, want Ik walg van u. 31Van uw steden maak Ik een woestijn, van uw heiligdommen een puinhoop. De geur van uw gaven kan Ik niet meer uitstaan. 32Als Ik eenmaal het land ga verwoesten, staan
zelfs de vijanden die er wonen verbijsterd. 33Ik verstrooi u onder de volken en kom met getrokken zwaard achter u aan. Uw land wordt een woestenij, uw steden een puinhoop. 34Zolang het land verwoest ligt en gij bij uw vijanden woont, haalt het land zijn sabbatjaren in; het komt tot rust en haalt zijn sabbatjaren in. 35Al de tijd dat het in puin ligt, haalt het de rust in voor de sabbatjaren die het gemist heeft, toen ge er nog woonde. 36Die het overleven, sla Ik in het land van hun vijanden met schrik en beven. Als ze een opwaaiend blad horen ritselen, slaan zij al op de vlucht als voor het zwaard. Zij vallen neer, ofschoon niemand hen achtervolgd. 37Zij struikelen over elkaar als gingen zij op de vlucht voor het zwaard, al zit er niemand achter hen aan. Gij kunt tegen uw vijanden geen stand houden. 38Gij sterft uit onder de volken; het land van uw vijanden verslindt u. 39En die dat nog overleven, kwijnen in het land van hun vijanden weg om hun schuld en om die van hun voorvaderen. 40Dan zullen zij hun schuld en die van hun voorouders bekennen, hoe zij Mij ontrouw zijn geweest en tegen Mij in zijn gegaan, 41zodat ook Ik tegen hen ben ingegaan en hen in het land van hun vijanden gebracht heb. En als hun onbesneden hart zich zo vernedert en zij voor hun schuld boeten, 42dan zal Ik weer denken aan mijn verbond met Jakob, denken aan mijn verbond met Isaak en Abraham, en aan het land. 43Het land zal verlaten zijn en, zolang het door hun afwezigheid braak ligt, de sabbatjaren inhalen. Zij boeten ondertussen voor hun schuld, omdat zij mijn uitspraken hebben veracht en mijn wetten hebben verworpen. 44Maar zelfs als zij in het land van hun vijanden zijn, zal Ik in mijn verachting en afschuw tegenover hen niet zo ver gaan, dat Ik een eind aan hen maak; dan zou Ik ontrouw zijn aan mijn verbond met hen. Ik ben Jahwe uw God. 45Ik zal weer denken aan het verbond met hun voorvaderen, die Ik onder de ogen van de volken uit Egypte heb geleid, en Ik zal hun God zijn. Ik, Jahwe. 46Dat zijn de geboden, wetten en onderrichtingen, waardoor Jahwe door bemiddeling van Mozes de verhouding tussen Hem en de Israëlieten omschreef.

Hoofdstuk 27

Jahwe sprak tot Mozes: 2Zeg aan de Israëlieten: Als iemand een mensenleven belooft, omgerekend in geldswaarde, 3dan geldt bij de omrekening het volgende tarief: voor een mannelijk persoon tussen twintig en zestig jaar vijftig sikkel zilver, in heilige munt, 4voor een vrouwelijk persoon dertig sikkel, 5voor een mannelijk persoon van vijf tot twintig jaar twintig sikkel, voor een vrouwelijk persoon van dezelfde leeftijd tien sikkel, 6voor een mannelijk persoon tussen een maand en vijf jaar vijf sikkel zilver, voor een vrouwelijk persoon drie sikkel zilver, 7voor een mannelijk persoon boven de zestig jaar vijftien sikkel en voor een vrouwelijk persoon tien sikkel. 8Is iemand niet in staat het vastgestelde bedrag te betalen, dan moet men hem bij de priester brengen. Deze stelt een bedrag vast, dat degene die de gelofte heeft afgelegd, wel betalen kan. 9Betreft de gelofte een stuk vee, dat Jahwe als gave kan worden aangeboden, dan worden de dieren, die men Hem belooft, heilig. 10Men mag een goed dier niet vervangen door een slecht dier en een slecht dier niet omruilen voor
een goed. Vervangt men een dier door een ander, dan zijn beiden heilig. 11Heeft hij een stuk vee beloofd, dat onrein is en Jahwe niet als gave kan worden aangeboden, dan moet hij het bij de priester brengen. 12Deze stelt vast, hoeveel het dier waard is, veel of weinig; het bedrag dat hij vaststelt is bindend. 13Wil men het dier loskopen, dan moet men het vastgestelde bedrag betalen, vermeerderd met een vijfde. 14Als iemand zijn huis aan Jahwe toeheiligt, dan stelt de priester vast, hoeveel het waard is, veel of weinig; het bedrag dat hij vaststelt is bindend. 15Wil degene die zijn huis aan Jahwe toeheiligde, het weer terugkopen, dan moet hij het vastgestelde bedrag betalen, vermeerderd met een vijfde, dan is het weer van hem. 16Wil iemand een stuk land aan Jahwe wijden, dan moet de waarde ervan worden afgemeten naar het benodigde zaaigoed: per ezelslast zaaigerst vijftig sikkel zilver. 17Wijdt hij zijn land in het jobeljaar aan Jahwe, dan geldt hetzelfde bedrag. 18Doet hij dat buiten het jobeljaar, dan moet de priester het aantal jaren tot het volgend jobeljaar in mindering brengen op het vastgestelde bedrag. 19Wil iemand het stuk land dat hij aan Jahwe gewijd heeft, terugkopen, dan moet hij het vastgestelde bedrag betalen, vermeerderd met een vijfde; dan is het land weer van hem. 20Koopt hij het stuk land niet terug en wordt het aan iemand anders verkocht, dan vervalt het recht van terugkoop. 21Als het stuk land in het jobeljaar vrijkomt, wordt het heilige grond, zoals een stuk land dat door ban-gelofte aan Jahwe gewijd is: het wordt eigendom van de priester. 22Wijdt iemand aan Jahwe een stuk land, dat hij gekocht heeft en dat dus geen familiebezit was, 23dan moet de priester bij het vaststellen van het bedrag rekening houden met het aantal jaren tot het volgende jobeljaar. Dezelfde dag nog moet het vastgestelde bedrag betaald worden. Het is heilig en behoort aan Jahwe. 24In het jobeljaar wordt het land weer eigendom van de verkoper, tot wiens familiebezit het behoord heeft. 25Alle bedragen moeten worden vastgesteld volgens de sikkel van het heiligdom, twintig gera de sikkel. 26De eerstgeborenen van het vee, van runderen of schapen, behoren aan Jahwe; men kan ze dus niet aan Hem wijden. Dat rund of dat schaap behoort reeds aan Hem.

27Is het dier een onrein dier, dan kan men het loskopen voor het vastgestelde bedrag, vermeerderd met een vijfde. Wordt het niet losgekocht, dan moet het voor het vastgestelde bedrag verkocht worden. 28Wijdt iemand iets van zijn bezit door de ban aan Jahwe, mensen, vee of land, dan mag dat niet worden verkocht of teruggekocht. Alles wat door de ban is gewijd, is hoogheilig en behoort aan Jahwe. 29Een mens, die onder de ban ligt, kan niet worden vrijgekocht; hij moet ter dood worden gebracht. 30De tienden van wat het land aan koren of boomvruchten opbrengt, behoren aan Jahwe; ze zijn Hem gewijd. 31Wil iemand iets van zijn tienden terugkopen, dan wordt de prijs met een vijfde verhoogd. 32Elk tiende dier van runderen of kleinvee, dat onder de herdersstaf doorgaat, is aan Jahwe gewijd. 33Daarbij wordt niet gelet op betere of mindere kwaliteit; ook mag men de dieren niet omwisselen. Doet men dat toch, dan
zijn beide dieren gewijd; ze kunnen niet worden teruggekocht. 34Dit zijn de geboden, die Jahwe op de Sina

(En)

Believe Christianity – bible verse 003
Leviticus

Source:
https://rkbijbel.nl/kbs/bijbel/willibrord1975/neovulgaat
https://en.wikipedia.org/wiki/Book_of_Levi critic

The Willibrord translation is the standard translation of the Roman Catholic faith community in the Dutch language area and is published by the Catholic Bible Foundation, in close collaboration with the Flemish Bible Foundation. The Willibrord translation is widely appreciated as a translation that is faithful to the original text and at the same time offers a text in understandable contemporary Dutch.

The book of Leviticus (/lɪˈvɪtɪkəs/) is the third book of the Torah and of the Old Testament; ge leather den there are generally agreed that it is over a long per developed iod and reached its present form during the Persian per iod between 538-332 BC.

Most of the chapters (from 1 – 7, 11 – 27) consist of speeches of God to Moses, God tells Moses that the Israelites repeat. This takes place in the story of the exodus of the Israelites after they escaped from Egypt and Mt. Sinai (Exodus 19:1). The book of Exodus tells of how Moses led the Israelites in building the tabernacle (Exodus 35-40) with God’s instructions (Exodus 2 5-31). Then, in Leviticus, God tells the Israelites and their priests how to offer sacrifices in the Tabernacle and how to conduct themselves while encamping around the holy tent sanctuary. Leviticus takes place during the month or month and a half between the completion of the Tabernacle (Exodus 40:17) and the departure of the Israelites from Sinai (Numbers 1:1, 10:11).

Leviticus’ instructions emphasize ritual, legal, and moral practices rather than beliefs . Nevertheless, they reflect the world view of the Genesis 1 creation story that God wants to live with humans. The book teaches that faithful performance of the sanctuary rituals can make that possible, as long as people avoid sin and impurity where possible . The rituals, especially the sin and guilt offerings provide mi ddelen to obtain forgiveness of sins (Chapter 4 – 5), and purification from impurities (Chapter 11-16), so that God can live in the Tabernacle in the midst of the people .

Chapters 1 – 5 describe the different offerings from the users point of unt of the offerers, although priests are essential for dealing with blood. Chapters 6 – 7 goes on largely the same grounds, but from the standpoint of the priest, who, as the person who actually takes the sacrifice and the ”postal divide es”, must know how to do this. There are sacrifices between God, the priest and the offerers, although in some cases the whole sacrifice is a single part to God, that is , burned to ashes.

Chapters 8 – October wor dt describes how Moses, Aaron and his sons dedicated as the first priests d e first offerings and how God two of Aaron’s sons aside for ritual violation. Its purpose is to underline the character of the altar priesthood (ie the priests with the power to offer sacrifices to God) as an Aaronic privilege, and the responsibilities and dangers of their position.

Now the sacrifices and the priesthood have been set, learn Chapters 11 – 15, the laity cleanliness (or purity). Eating certain animals causes uncleanness, just like giving birth; certain skin diseases (but not all) are unclean, as are certain diseases of walls and clothing (mold and similar diseases); and genital discharge, including female menstruation and male gonorrhea, are unclean. The reasoning behind the dietary rules is unclear; otherwise the guiding principle seems to be that all these conditions involve a loss of ”life force”, usually but not always blood .

Leviticus 16 concerns the Day of Atonement. This is the only day when the high priest must enter the holiest part of the sanctuary, the most holy place. He is to sacrifice a bull for the sins of the priests, and a goat for the sins of the laity. The priest has to send a second goat into the desert to ”Az azel”, who bears the sins of all the people. Azazel may be a desert demon, but his identity is mysterious.

Chapters 17 – 26 are the holiness code. It starts with a ban on all slaughter of animals outside the temple, even for food, and then bans a long list of sexual contacts and also the sacrifice of children. The ”holiness” injunctions that give the code its name begin with the following section: There are penalties for worshiping Molech, consulting mediums and sorcerers, cursing parents, and engaging in illegal sex. Priests are instructed on mourning rituals and acceptable physical infirmities. The penalty for blasphemy is death, and there are rules for eating sacrifices; there is an explanation of the calendar, and there are rules for sabbath and jubilee years; there are rules for oil lamps and bread in the sanctuary; and there are rules for slavery. The code ends by telling the Israelites to choose between the law and prosperity on the one hand, or, on the other, terrible punishments, the worst of which will be expulsion from the land.

Chapter 27 is a disparate and probably late addition that tells of persons and things that serve as devotion to the Lord and how to take vows instead of fulfilling them.

Chapther 01
1 Yahweh summoned Moses and, speaking to him from the Tent of Meeting, said,

2 ’Speak to the Israelites; say to them, ”When any of you brings an offering to Yahweh, he can offer an animal either from the herd or from the flock.

3 ”If his offering is to be a burnt offering from the herd, he must offer an unblemished male; he will offer it at the entrance to the Tent of Meeting, to make it acceptable to Yahweh.

4 He must lay his hand on the victim’s head, and it will be accepted as effectual for his expiation.

5 He will then slaughter the bull before Yahweh, and the priests descended from Aaron will offer the blood. They will pour it all around the altar which stands at the entrance to the Tent of Meeting.

6 He will then skin the victim and quarter it.

7 The priests descended from Aaron will put a fire on the altar and arrange wood on the fire.

8 The priests descended from Aaron will then arrange the quarters, the head and the fat on the wood on the fire on the altar.

9 He will wash the entrails and shins in water, and the priest will burn it all on the altar as a burnt offering, food burnt as a smell pleasing to Yahweh.

10 ”If his offering is to be of an animal from the flock, of a lamb or a goat to be offered as a burnt offering, he must offer an unblemished male.

11 He will slaughter it on the north side of the altar, before Yahweh, and the priests descended from Aaron will pour the blood all around the altar.

12 He will then quarter it, and the priest will arrange the quarters, the head and the fat on the wood on the fire on the altar.

13 He will wash the entrails and shins in water, and the priest will burn it all on the altar as a burnt offering, food burnt as a smell pleasing to Yahweh.

14 ”If his offering to Yahweh is to be a burnt offering of a bird, he must offer a turtledove or a young pigeon.

15 The priest will offer it at the altar and wring off its head, which he will burn on the altar; its blood must then be squeezed out on the side of the altar.

16 He will then remove the crop and the feathers and throw them on the eastern side of the altar, where the fatty ashes are put.

17 He will then split it in half with a wing on each side, but without separating the two parts. The priest will then burn it on the altar, on the wood which is on the fire, as a burnt offering, food burnt as a smell pleasing to Yahweh.” ’

Chapther 02
1 ’ ”If anyone offers Yahweh a cereal offering, his offering must consist of wheaten flour on which he must pour wine and put incense.

2 He will bring it to the priests descended from Aaron; he will take a handful of the wheaten flour, some of the oil and all the incense, and this the priest will burn on the altar as a memorial, as food burnt as a smell pleasing to Yahweh.

3 The remainder of the cereal offering will revert to Aaron and his sons, an especially holy portion of the food burnt for Yahweh.

4 ”When you offer a cereal offering of dough baked in the oven, the wheaten flour must be prepared either in the form of unleavened cakes mixed with oil, or in the form of unleavened wafers spread with oil.

5 ”If your offering is a cereal offering cooked on the griddle, the wheaten flour mixed with oil must contain no leaven.

6 You will break it in pieces and pour oil over it. It is a cereal offering.

7 ”If your offering is a cereal offering cooked in the pan, the wheaten flour must be prepared with oil.

8 ”You will bring Yahweh the cereal offering thus prepared and present it to the priest; he will take it to the altar.

9 And from the cereal offering the priest will take the memorial and burn it on the altar, food burnt as a smell pleasing to Yahweh.

10 The remainder of the cereal offering will revert to Aaron and his descendants: it is especially holy since it is taken from the food burnt for Yahweh.

11 ”None of the cereal offerings which you offer to Yahweh must be prepared with leaven, for you must never include leaven or honey in food burnt for Yahweh.

12 You may offer them to Yahweh as an offering of first-fruits, but they will not make a pleasing smell if they are burnt on the altar.

13 You will put salt in every cereal offering that you offer, and you will not fail to put the salt of the covenant of your God on your cereal offering; to every offering you will add an offering of salt to your God.

14 If you offer Yahweh a cereal offering of first-fruits, you will offer it in the form of roasted ears of wheat or of bread made from ground wheat.

15 You will add oil to it and put incense on it; it is a cereal offering;

16 and from it the priest will burn the memorial with some bread and oil (and all the incense) as food burnt for Yahweh.” ’

Chapther 03
1 ’ ”If his sacrifice is a communion sacrifice, and if he offers an animal from the herd, be it male or female, whatever he offers before Yahweh must be unblemished.

2 He will lay his hand on the victim’s head and slaughter it at the entrance to the Tent of Meeting. The priests descended from Aaron will then pour the blood all around the altar.

3 He will offer part of the communion sacrifice as food burnt for Yahweh: the fat covering the entrails, all the fat on the entrails,

4 both kidneys, the fat on them and on the loins, the mass of fat which he will remove from the liver and kidneys.

5 The priests descended from Aaron will then burn this on the altar, in addition to the burnt offering, on the wood of the fire, food burnt as a smell pleasing to Yahweh.

6 ”If it is an animal from the flock which he offers as a communion sacrifice to Yahweh, be the animal that he offers male or female, it must be unblemished.

7 ”If he offers a sheep, he will offer it before Yahweh,

8 he will lay his hand on the victim’s head and slaughter it in front of the Tent of Meeting; the priests descended from Aaron will then pour its blood all around the altar.

9 Of the communion sacrifice he will offer the following as food burnt for Yahweh: the fat, all the tail taken off near the base of the spine, the fat covering the entrails, all the fat on the entrails,

10 both kidneys, the fat on them and on the loins, the mass of fat which he will remove from the liver and kidneys.

11 The priest will then burn this on the altar as food, as food burnt for Yahweh.

12 ”If his offering is a goat, he will offer it before Yahweh,

13 he will lay his hand on the victim’s head and slaughter it in front of the Tent of Meeting, and the descendants of Aaron will then pour its blood all around the altar.

14 This is what he will then offer of it as food burnt for Yahweh: the fat covering the entrails, all the fat on the entrails,

15 both kidneys, the fat on them and on the loins, the mass of fat which he will remove from the liver and kidneys.

16 The priest will then burn these pieces on the altar as food burnt as a smell pleasing to Yahweh. ”All the fat belongs to Yahweh.

17 This is a perpetual law for all your descendants, wherever you may live: that you will not eat either fat or blood.” ’

Chapther 04
1 Yahweh spoke to Moses and said:

2 ’Speak to the Israelites and say: ”If anyone sins inadvertently against any of Yahweh’s commandments and does anything prohibited by them,

3 if the one who sins is the anointed priest, thus making the people guilty, then for the sin which he has committed he must offer Yahweh a young bull, an unblemished animal from the herd, as a sacrifice for sin.

4 He will bring the bull before Yahweh at the entrance to the Tent of Meeting, will lay his hand on its head and slaughter it before Yahweh.

5 The anointed priest will then take some of the bull’s blood and carry it into the Tent of Meeting.

6 He will then dip his finger in the blood and sprinkle it seven times in front of the sanctuary curtain, before Yahweh.

7 The priest will then put some of the blood on the horns of the altar of incense smoking before Yahweh in the Tent of Meeting, and will pour all the rest of the bull’s blood at the foot of the altar of burnt offerings at the entrance to the Tent of Meeting.

8 ”Of the bull offered as a sacrifice for sin, he will set aside all the fat: the fat covering the entrails, all the fat on the entrails,

9 both kidneys, the fat on them and on the loins, the mass of fat which he will remove from the liver and kidneys-

10 exactly as was done with the portion set aside in the communion sacrifice — and the priest will burn these pieces on the altar of burnt offerings.

11 ”The bull’s skin and all its meat, its head, its shins, its entrails and its offal,

12 the whole bull he will then have carried out of the camp to a clean place, the place where the fatty ashes are thrown, and will burn it on a wood fire; it must be burnt where the ashes are thrown.

13 ”If the whole community of Israel has sinned inadvertently and, without being aware of it has incurred guilt by doing something forbidden by Yahweh’s commandments,

14 once the sin of which it is guilty has been discovered, the community must offer a young bull, an unblemished animal from the herd, as a sacrifice for sin, and bring it in front of the Tent of Meeting.

15 The elders of the community will then lay their hands on the bull’s head before Yahweh, and the bull will be slaughtered before Yahweh.

16 ”The anointed priest will then take some of the bull’s blood into the Tent of Meeting.

17 He will then dip his finger in the blood and sprinkle it seven times in front of the curtain, before Yahweh.

18 He will then put some of the blood on the horns of the altar standing before Yahweh inside the Tent of Meeting, and then pour all the rest of the blood at the foot of the altar of burnt offerings at the entrance to the Tent of Meeting.

19 ”He will then set aside all the fat from the animal and burn it on the altar.

20 He will then deal with the bull as he did with the bull in the sacrifice for sin. It will be dealt with in the same way; and once the priest has performed the rite of expiation for the people, they will be forgiven.

21 ”He will then have the bull carried out of the camp and will burn it as he burned the first one. This is the sacrifice for the sin of the community.

22 ”When a leader has sinned and inadvertently incurred guilt by doing something forbidden by the commandments of Yahweh his God

23 (or if the sin which he has committed is drawn to his attention), he must bring a he-goat as his offering, an unblemished male.

24 He will then lay his hand on the goat’s head and slaughter it on the spot where the burnt offerings are slaughtered before Yahweh. This is a sacrifice for sin;

25 the priest will take some of the victim’s blood on his finger and put it on the horns of the altar of burnt offerings. He will then pour the rest of its blood at the foot of the altar of burnt offerings

26 and burn all the fat on the altar, as with the fat in the communion sacrifice. This is how the priest must perform the rite of expiation for him to free him from his sin, and he will be forgiven.

27 ”If one of the country people sins inadvertently and incurs guilt by doing something forbidden by Yahweh’s commandments

28 (or if the sin which he has committed is drawn to his attention), he must bring a she-goat as his offering for the sin which he has committed, an unblemished female.

29 He will then lay his hand on the victim’s head and slaughter it on the spot where the burnt offerings are slaughtered.

30 The priest will take some of its blood on his finger and put it on the horns of the altar of burnt offerings. He will then pour all the rest of the blood at the foot of the altar.

31 He will then remove all the fat, as the fat was removed for the communion sacrifice, and the priest will burn it on the altar as a smell pleasing to Yahweh. This is how the priest must perform the rite of expiation for him, and he will be forgiven.

32 ”If he wishes to bring a lamb as an offering for this kind of sacrifice, he must bring an unblemished female.

33 He will then lay his hand on the victim’s head and slaughter it as a sacrifice for sin on the spot where the burnt offerings are slaughtered.

34 The priest will take some of the victim’s blood on his finger and put it on the horns of the altar of burnt offerings. He will then pour all the rest of the blood at the foot of the altar.

35 He will then remove all the fat, as was done for the sheep in the communion sacrifice, and the priest will burn it as food burnt for Yahweh. This is how the priest must perform for him the rite of expiation for the sin which he has committed, and he will will be forgiven.”

Chapther 05
1 ’ ”If someone sins in any of these following cases: ”He should have come forward to give evidence when he heard the formal adjuration, having seen the incident or known the facts; but he has not spoken out, and so bears the consequences of his guilt;

2 ”or someone touches something unclean, whatever it may be — the dead body of an unclean animal, wild or tame, or of one of the unclean reptiles — and without realising it becomes unclean, he becomes answerable for it;

3 ”or he touches some human uncleanness, whatever it may be, contact with which makes him unclean; he does not notice it, then, realising it later, he becomes answerable for it;

4 ”or someone lets slip an oath to do something either evil or good, in any of those matters on which someone may let slip an oath; he does not notice it, then, realising it later, he becomes answerable for it;

5 ”if he is answerable in any of those cases, he will have to confess the sin committed.

6 As a sacrifice of reparation for the sin committed, he will bring Yahweh a female from the flock (sheep or goat) as a sacrifice for sin; and the priest will perform the rite of expiation for him to free him from his sin.

7 ”If he cannot afford an animal from the flock as a sacrifice of reparation for the sin he has committed, he will bring Yahweh two turtledoves or two young pigeons — one as a sacrifice for sin and the other as a burnt offering.

8 He will bring them to the priest who will first offer the one intended for the sacrifice for sin. The priest will wring its neck but not remove the head.

9 He will sprinkle the side of the altar with the victim’s blood, and then squeeze out the rest of the blood at the foot of the altar. This is a sacrifice for sin.

10 He will then offer the other bird as a burnt offering according to the ritual. This is how the priest must perform the rite of expiation for the person for the sin he has committed, and he will be forgiven.

11 ”If he cannot afford two turtledoves or two young pigeons, he will bring a tenth of an ephah of wheaten flour as an offering for the sin committed; he must not mix oil with it or put incense on it, since this is a sacrifice for sin.

12 He will bring it to the priest, who will take a handful of it as a memorial, and burn this on the altar in addition to the offerings of food burnt for Yahweh. This is a sacrifice for sin.

13 This is how the priest must perform the rite of expiation for the person for the sin he has committed in any of those cases, and he will be forgiven. In this case, the priest has the same rights as in the case of a cereal offering.” ’

14 Yahweh spoke to Moses and said:

15 ’If someone is unfaithful and sins inadvertently by infringing Yahweh’s sacred rights, as a sacrifice of reparation he must bring Yahweh an unblemished ram from his flock, the value of which will be decided by you in silver shekels according to the rate of the sanctuary-shekel.

16 He will make amends for what his sin subtracted from the sacred rights, adding one-fifth to the value, and give it to the priest. The priest will then perform the rite of expiation for him with the ram for the sacrifice of reparation and he will be forgiven.

17 ’If someone sins and without realising it does one of the things forbidden by Yahweh’s commandments, he will answer for it and bear the consequences of his guilt.

18 As a sacrifice of reparation he must bring the priest an unblemished ram from his flock to the value which you decide, and the priest will perform the rite of expiation for him for the oversight unwittingly committed, and he will be forgiven.

19 This is a sacrifice of reparation; the man was certainly answerable to Yahweh.’

20 Yahweh spoke to Moses and said:

21 ’If someone sins and is unfaithful against Yahweh by deceiving his fellow-countryman over a deposit or a security, or by withholding something due to him or by exploiting him;

22 ’or if he finds lost property and denies it; ’or if he perjures himself about anything that a human being may do criminally in such matters;

23 ’if he sins and so becomes answerable, he must restore what he has taken or demanded in excess: the deposit confided to him, the lost property that he has found,

24 or any object about which he has perjured himself. He will add one-fifth to the principal and pay the whole to the person who held the property rights on the day when he incurred the guilt.

25 He will then bring Yahweh an unblemished ram from his flock to the value which you decide, to the priest as a sacrifice of reparation,

26 and the priest will perform the rite of expiation for him before Yahweh and he will be forgiven, whatever the act by which he incurred guilt.’

Chapther 06
1 Yahweh spoke to Moses and said:

2 ’Give these orders to Aaron and his sons: ”This is the ritual for the burnt offering (that is, the burnt offering that stays on the altar brazier all night until morning and is consumed by the altar fire).

3 ”The priest will put on his linen tunic and put his linen drawers on to cover himself. He will then remove the fatty ashes of the burnt offering consumed by the altar fire and put them at the side of the altar.

4 He will then take off his clothes, put on others and carry the ashes to a clean place outside the camp.

5 ”The fire on the altar that consumes the burnt offering must not be allowed to go out. Every morning the priest will make it up with wood, arranging the burnt offering on it and burning the fat from the communion sacrifices.

6 The fire must always be burning on the altar; it must never go out.

7 ’This is the ritual for the cereal offering: ”One of the descendants of Aaron will bring it into Yahweh’s presence in front of the altar,

8 will take a handful of the wheaten flour (with the oil and all the incense which have been added to it) and burn the memorial on the altar as a smell pleasing to Yahweh;

9 and Aaron and his sons will eat the remainder in the form of unleavened loaves. They will eat it inside the holy place, in the court of the Tent of Meeting.

10 The portion I give them of the food burnt for me must not be baked with leaven; it is especially holy, like the sacrifice for sin and the sacrifice of reparation.

11 All male descendants of Aaron are entitled to eat this portion of the food burnt for Yahweh (this is a perpetual law for all your descendants) and anyone who touches it will become holy.” ’

12 Yahweh spoke to Moses and said:

13 ’This is the offering that Aaron and his sons must make to Yahweh on the day they are anointed: one-tenth of an ephah of wheaten flour as a perpetual cereal offering, half in the morning and half in the evening.

14 It will be prepared on the griddle and mixed with oil; you will bring the paste as a cereal offering in several pieces, offering them as a smell pleasing to Yahweh.

15 When one of his sons is anointed priest to succeed him, he will do the same. This is a perpetual law. ’The entire cereal offering will be burnt for Yahweh.

16 Every cereal offering made by a priest will be a total sacrifice; none of it will be eaten.’

17 Yahweh spoke to Moses and said,

18 ’Speak to Aaron and his sons and say: ”This is the ritual for the sacrifice for sin: ”The victim must be slaughtered before Yahweh on the spot where the burnt offerings are slaughtered. It is especially holy.

19 The priest who offers this sacrifice will eat it. It will be eaten inside the holy place, in the court of the Tent of Meeting.

20 Everything touching the victim’s meat will become holy, and if any of the blood splashes on clothing, the stain will be washed off inside the holy place.

21 The earthenware vessel in which the meat is cooked must be broken; if a bronze vessel has been used for the cooking, it must be scrubbed and thoroughly rinsed with water.

22 Any male who is a priest may eat the sacrifice. It is especially holy.

23 But no one may eat any of the victims offered for sin, the blood of which has been taken into the Tent of Meeting to make expiation inside the sanctuary. These must be burnt.” ’

Chapther 07
1 ’ ”This is the ritual for the sacrifice of reparation: ”It is especially holy.

2 The victim must be slaughtered where the burnt offerings are slaughtered, and the priest will pour the blood all around the altar.

3 He will then offer all the fat: the tail, the fat covering the entrails,

4 both kidneys, the fat on them and on the loins, the mass of fat which he will remove from the liver and kidneys.

5 The priest will burn these pieces on the altar as food burnt for Yahweh. This is a sacrifice of reparation.

6 Every male who is a priest may eat it. It will be eaten inside the holy place; it is especially holy.

7 ”As with the sacrifice for sin, so with the sacrifice of reparation — the ritual is the same for both. The offering with which the priest performs the rite of expiation will revert to the priest.

8 The hide of the victim presented by someone to the priest to be offered as a burnt offering will revert to the priest.

9 Every cereal offering baked in the oven, every cereal offering cooked in the pan or on the griddle will revert to the priest who offers it.

10 Every cereal offering, mixed with oil or dry, will revert to all the descendants of Aaron without distinction.

11 ”This is the ritual for the communion sacrifice to be offered to Yahweh:

12 ”If this is offered as a sacrifice with praise, to the latter must be added an offering of unleavened cakes mixed with oil, unleavened wafers spread with oil, and wheaten flour in the form of cakes mixed with oil.

13 This offering, then, must be added to the cakes of leavened bread and to the communion sacrifice with praise.

14 One of the cakes of this offering must be presented as an offering to Yahweh; it will revert to the priest who pours out the blood of the communion sacrifice.

15 The meat of the victim will be eaten on the day the offering is made; nothing may be left until next morning.

16 ”If the victim is offered as a votive or a voluntary sacrifice, it must be eaten on the day it is offered, and the remainder may be eaten on the following day;

17 but on the third day whatever is left of the meat of the victim must be burnt.

18 ”If any of the meat of a victim offered as a communion sacrifice is eaten on the third day, the person who has offered it will not be acceptable and will receive no credit for it. It will count as rotten meat, and the person who eats it will bear the consequences of the guilt.

19 ”Meat that has touched anything unclean cannot be eaten; it must be burnt. ”Anyone clean may eat the meat,

20 but anyone unclean who eats the meat of a communion sacrifice offered to Yahweh will be outlawed from his people.

21 Furthermore, if anyone touches anything unclean, human or animal, or any foul thing, and then eats the meat of a communion sacrifice offered to Yahweh, that individual will be outlawed from his people.” ’

22 Yahweh spoke to Moses and said,

23 ’Speak to the Israelites and say: ”You may not eat the fat of ox, sheep or goat.

24 The fat of an animal that has died a natural death or been savaged by beasts may be used for any other purpose, but you are not to eat it.

25 Anyone who eats the fat of an animal offered as food burnt for Yahweh will be outlawed from his people.

26 ”Wherever you live, you will never eat blood, whether it be of bird or of beast.

27 Anyone who eats any blood will be outlawed from his people.” ’

28 Yahweh spoke to Moses and said,

29 ’Speak to the Israelites and say: ”Anyone who offers Yahweh a communion sacrifice must bring him part of his sacrifice as an offering.

30 He must bring the food to be burnt for Yahweh, that is to say, the fat adhering to the forequarters, with his own hands. He will bring it, and also the forequarters, with which he will make the gesture of offering before Yahweh.

31 The priest will then burn the fat on the altar, and the forequarters will revert to Aaron and his descendants.

32 You will set aside the right thigh from your communion sacrifice and give it to the priest.

33 The right thigh will be the portion of the descendant of Aaron who offers the blood and fat of the communion sacrifice.

34 For I have deprived the Israelites of the forequarter offered and the thigh presented in their communion sacrifices, and given them to the priest Aaron and his descendants; this is a perpetual law for the Israelites.” ’

35 Such was the portion of Aaron and his descendants in the food burnt for Yahweh, the day he presented them to Yahweh for them to become his priests.

36 This was what Yahweh ordered the Israelites to give them on the day they were anointed: a perpetual law for all their descendants.

37 Such was the ritual for burnt offering, cereal offering, sacrifice for sin, sacrifice of reparation, investiture sacrifice and communion sacrifice,

38 which Yahweh laid down for Moses on Mount Sinai, the day he ordered the Israelites to make their offerings to Yahweh in the desert of Sinai.

Chapther 08
1 Yahweh spoke to Moses and said:

2 ’Take Aaron and with him his sons, the vestments, the anointing oil, the bull for the sacrifice for sin, the two rams and the basket of unleavened bread.

3 Then call the whole community together at the entrance to the Tent of Meeting.’

4 Moses did as Yahweh ordered; the community gathered at the entrance to the Tent of Meeting,

5 and Moses said to them, ’This is what Yahweh has ordered to be done.’

6 He made Aaron and his sons come forward and washed them with water.

7 He then dressed him in the tunic, passed the waistband round his waist, vested him in the robe and put the ephod on him. He then put the waistband of the ephod round his waist, fastening it to him.

8 He put the breastplate on him, and placed the urim and thummim in it.

9 He put the turban on his head, and on the front of the turban, the golden flower; this was the symbol of holy consecration, which Yahweh had prescribed to Moses.

10 Moses then took the anointing oil and anointed the Dwelling and everything inside it, to consecrate them.

11 He sprinkled the altar seven times and anointed the altar and its accessories, the basin and its stand, to consecrate them.

12 He then poured some of the anointing oil on Aaron’s head and anointed him to consecrate him.

13 Moses then made Aaron’s sons come forward; he dressed them in tunics, passed the waistbands round their waists and put on their head-dresses, as Yahweh had ordered him.

14 He then had the bull for the sacrifice for sin brought forward. Aaron and his sons laid their hands on the victim’s head

15 and Moses slaughtered it. He then took the blood and with his finger put some of it on the horns on the corners of the altar to purify the altar. He then poured the rest of the blood at the foot of the altar, which he consecrated by performing the rite of expiation over it.

16 He then took all the fat covering the entrails, the mass of fat over the liver, both kidneys and their fat; and he burnt this on the altar,

17 but the bull’s skin, its meat and its offal he burnt outside the camp, as Yahweh had ordered Moses.

18 He then had the ram for the burnt offering brought forward. Aaron and his sons laid their hands on the ram’s head

19 and Moses slaughtered it. He poured its blood all around the altar.

20 He then quartered the ram and burned the head, the quarters and the fat.

21 He then washed the entrails and shins, and burnt the whole ram on the altar, as a burnt offering, offered to be a pleasing smell, as food burnt for Yahweh, as Yahweh had ordered Moses.

22 He then had the other ram brought forward, the ram for the investiture sacrifice. Aaron and his sons laid their hands on its head

23 and Moses slaughtered it. He took some of its blood and put it on the lobe of Aaron’s right ear, on the thumb of his right hand, and on the big toe of his right foot.

24 He then made Aaron’s sons come forward and he put some of the blood on the lobes of their right ears, on the thumbs of their right hands and on the big toes of their right feet. Next, Moses poured the rest of the blood all around the altar.

25 He then took the fat: the tail, all the fat covering the entrails, the mass of fat over the liver, both kidneys and their fat, and the right thigh.

26 From the basket of unleavened bread placed before Yahweh, he took an unleavened cake, a cake of bread made with oil, and a wafer; he placed these on the fat and the right thigh,

27 and put it all into Aaron’s hands and those of his sons, and made the gesture of offering before Yahweh.

28 Moses then took them away from them and burned them on the altar, with the burnt offering. This was the investiture sacrifice, offered to be a pleasing smell, as food burnt for Yahweh.

29 Moses then took the forequarter and made the gesture of offering before Yahweh. This was the portion of the ram of investiture that reverted to Moses, as Yahweh had ordered Moses.

30 Moses then took some of the anointing oil and some of the blood that was on the altar and sprinkled Aaron and his vestments, and his sons and their vestments, with it. In this way he consecrated Aaron and his vestments and his sons and their vestments.

31 Moses then said to Aaron and his sons, ’Cook the meat at the entrance to the Tent of Meeting, and eat it there, as also the bread of the investiture sacrifice still in the basket of the investiture offerings, as I ordered, when I said, ”Aaron and his sons must eat it.”

32 What remains of the meat and bread you will burn.

33 For seven days you will not leave the entrance to the Tent of Meeting, until the time of your investiture is complete; for your investiture will require seven days.

34 Yahweh has ordered us to do as we have done today to perform the rite of expiation for you;

35 hence, for seven days, day and night, you will remain at the entrance to the Tent of Meeting observing Yahweh’s ritual; do this, and you will not incur death. For this was the order I received.’

36 So Aaron and his sons did everything that Yahweh had ordered through Moses.

Chapther 09
1 On the eighth day Moses summoned Aaron and his sons and the elders of Israel;

2 he said to Aaron, ’Take a calf to offer a sacrifice for sin, and a ram for a burnt offering, both without blemish, and bring them before Yahweh.

3 Then say to the Israelites, ”Take a goat to be offered as a sacrifice for sin, a calf and a lamb one year old (both without blemish) for a burnt offering,

4 a bull and a ram for communion sacrifices to be slaughtered before Yahweh, and a cereal offering mixed with oil. For Yahweh will appear to you today.” ’

5 They brought what Moses had ordered in front of the Tent of Meeting; then the whole community approached and stood before Yahweh.

6 Moses then said, ’This is what Yahweh has ordered you to do, so that his glory may be visible to you.’

7 Moses then addressed Aaron, ’Go to the altar and offer your sacrifice for sin and your burnt offering, and so perform the rite of expiation for yourself and your family. Then present the people’s offering and perform the rite of expiation for them, as Yahweh has ordered.’

8 Aaron went to the altar and slaughtered the calf as a sacrifice for his own sin.

9 Aaron’s sons then presented the blood to him; he dipped his finger in it and put some on the horns of the altar, and then poured the rest of the blood at the foot of the altar.

10 The fat of the sacrifice for sin and the kidneys and the mass of fat over the liver he burned on the altar, as Yahweh had ordered Moses,

11 and the meat and the skin he burned outside the camp.

12 He then slaughtered the burnt offering; Aaron’s sons then handed him the blood, which he poured all around the altar.

13 They then handed him the quartered victim and the head, and he burned these on the altar.

14 He then washed the entrails and shins and burned them with the burnt offering on the altar.

15 He then presented the people’s offering. He took the goat for the people’s sacrifice for sin, slaughtered it, and made a sacrifice for sin with it in the same way as with the first.

16 He then had the burnt offering brought forward and proceeded according to the ritual.

17 He then had the cereal offering brought forward, took a handful of it and burned it on the altar in addition to the morning burnt offering.

18 Then he slaughtered the bull and the ram as a communion sacrifice for the people. Aaron’s sons handed him the blood and he poured it all around the altar.

19 The fat of the bull and the ram, the tail, the covering fat, the kidneys, the mass of fat over the liver,

20 he placed on the ribs and then burned on the altar.

21 With the ribs and the right thigh Aaron made the gesture of offering as Yahweh had ordered Moses.

22 Aaron then raised his hands towards the people and blessed them. Having thus performed the sacrifice for sin, the burnt offering and the communion sacrifice, he came down

23 and entered the Tent of Meeting with Moses. Then they came out together to bless the people and the glory of Yahweh appeared to the entire people:

24 a flame leapt out from Yahweh’s presence and consumed the burnt offering and fat on the altar. At this sight the entire people shouted for joy and fell on their faces.

Chapther 10
1 Aaron’s sons Nadab and Abihu each took his censer, put fire in it and incense on the fire, and presented unauthorised fire before Yahweh, which was not in accordance with his orders.

2 At this a flame leapt out from Yahweh’s presence and swallowed them up, and they perished before Yahweh.

3 Moses then said to Aaron, ’That is what Yahweh meant when he said: In those who are close to me I show my holiness, and before all the people I show my glory.’ Aaron remained silent.

4 Moses summoned Mishael and Elzaphan, sons of Aaron’s uncle Uzziel, and said to them, ’Come here and take your brothers away from the sanctuary, out of the camp.’

5 They came and carried them away, still in their tunics, out of the camp, as Moses had said.

6 Moses said to Aaron and his sons Eleazar and Ithamar, ’Do not disorder your hair or tear your clothes; or you may incur death and his retribution may overtake the whole community. No, it is for the entire House of Israel to lament your brothers who have been the victims of Yahweh’s fire.

7 To avoid incurring death, do not leave the entrance to the Tent of Meeting, for Yahweh’s anointing oil is on you.’ And they did as Moses said.

8 Yahweh spoke to Aaron and said:

9 ’When you come to the Tent of Meeting, you and your sons with you, to avoid incurring death you may not drink wine or any other fermented liquor. This is a perpetual law for all your descendants.

10 And so shall it be also when you separate the sacred from the profane, the unclean from the clean,

11 and when you teach the Israelites any of the decrees that Yahweh has pronounced for them through Moses.’

12 Moses said to Aaron and his surviving sons, Eleazar and Ithamar, ’Take the cereal offering left over from the food burnt for Yahweh. Eat the unleavened part of it beside the altar, since it is especially holy.

13 Eat it in the holy place, since it is the portion of the food burnt for Yahweh that is prescribed for you and your sons; this is the order I have received.

14 ’You, your sons and daughters with you, will eat in a clean place the forequarter offered and the thigh presented, for these have been given to you and your children as your due from the Israelites’ communion sacrifices.

15 The thigh presented and the forequarter offered, once the fat has been burnt, revert to you and your sons with you, after they have been presented before Yahweh with the gesture of offering, in virtue of a perpetual law as Yahweh has ordered.’

16 Moses then enquired carefully about the goat offered as a sacrifice for sin, and found that they had burnt it. He was angry with Eleazar and Ithamar, Aaron’s surviving sons, and said,

17 ’Why did you not eat this victim for sin in the holy place, since it is especially holy and was given to you to take away the community’s guilt, by performing the rite of expiation for them before Yahweh?

18 Since its blood was not taken inside the sanctuary, you should have eaten its meat there, as I ordered you.’

19 Aaron said to Moses, ’Look, today they offered their sacrifice for sin and their burnt offering before Yahweh, and these disasters have befallen me. If I had eaten the sin offering today, would this have met with Yahweh’s approval?’

20 And when Moses heard this, he was satisfied.

Chapther 11
1 Yahweh spoke to Moses and Aaron and said to them,

2 ’Speak to the Israelites and say: ”Of all animals living on land these are the creatures you may eat:

3 ”You may eat any animal that has a cloven hoof, divided into two parts, and that is a ruminant.

4 The following, which either chew the cud or have a cloven hoof, are the ones that you may not eat: you will regard the camel as unclean, because though it is ruminant, it does not have a cloven hoof;

5 you will regard the coney as unclean, because though it is ruminant, it does not have a cloven hoof;

6 you will regard the hare as unclean, because though it is ruminant, it does not have a cloven hoof;

7 you will regard the pig as unclean, because though it has a cloven hoof, divided into two parts, it is not a ruminant.

8 You will not eat the meat of these or touch their dead bodies; you will regard them as unclean.

9 ”Of all that lives in water, these you may eat: ”Anything that has fins and scales, and lives in the water, whether in sea or river, you may eat.

10 But anything in sea or river that does not have fins and scales, of all the small water-creatures and all the living things found there, you will regard as detestable.

11 You will regard them as detestable; you must not eat their meat and you will regard their carcases as detestable.

12 Anything that lives in water, but not having fins and scales, you will regard as detestable.

13 ”Of the birds these are the ones that you will regard as detestable; they may not be eaten, they are detestable for eating: ”The tawny vulture, the griffon, the osprey,

14 the kite, the various kinds of buzzard,

15 all kinds of raven,

16 the ostrich, the screech owl, the seagull, the various kinds of hawk,

17 horned owl, night owl, cormorant, barn owl,

18 ibis, pelican, white vulture,

19 stork, the various kinds of heron, the hoopoe and the bat.

20 ”All winged insects moving on four feet you will regard as detestable for eating.

21 Of all these winged insects you may eat only the following: those with the sort of legs above their feet which enable them to leap over the ground.

22 These are the ones you may eat: the various kinds of migratory locust, the various kinds of solham locust, hargol locust and hagab locust.

23 But all other winged insects on four feet you will regard as detestable for eating.

24 ”By the following you will be made unclean. Anyone who touches the carcase of one will be unclean until evening.

25 Anyone who picks up their carcases must wash his clothing and will be unclean until evening.

26 Animals that have hoofs, but not cloven, and that are not ruminant, you will regard as unclean; anyone who touches them will be unclean.

27 Those four-footed animals which walk on the flat of their paws you will regard as unclean; anyone who touches their carcases will be unclean until evening,

28 and anyone who picks up their carcases must wash his clothing and will be unclean until evening. You will regard them as unclean.

29 ”Of the small creatures which crawl along the ground, these are the ones which you will regard as unclean: the mole, the rat, the various kinds of lizard:

30 gecko, koah, letaah, chameleon and tinshamet.

31 ”Of all the small creatures, these are the animals which you must regard as disgusting. Anyone who touches them when they are dead will be unclean until evening.

32 ”Any object on which one of these creatures falls when it is dead becomes unclean: wooden utensil, clothing, skin, sacking, any utensil whatever. It must be immersed in water and will remain unclean until evening: then it will be clean.

33 If the creature falls into an earthenware vessel, the vessel must be broken; whatever the vessel contains is unclean.

34 Any edible food will be unclean if the water touches it; any drinkable liquid will be unclean, no matter what its container.

35 Anything on which the carcase of such a creature may fall will be unclean: be it oven or stove, it must be destroyed; for they are unclean and you will regard them as unclean

36 (although springs, wells and stretches of water will remain clean); anyone who touches one of their carcases will be unclean.

37 If one of their carcases falls on any kind of seed, the seed will remain clean;

38 but if the seed has been moistened and one of their carcases falls on it, you will regard it as unclean.

39 ”If one of the animals that you use as food dies, anyone who touches the carcase will be unclean until evening;

40 anyone who eats any of the carcase must wash his clothing and will remain unclean until evening; anyone who picks up the carcase must wash his clothing and will remain unclean until evening.

41 ”Any creature that swarms on the ground is detestable for eating; it must not be eaten.

42 Anything that moves on its belly, anything that moves on four legs or more — in short all the creatures that swarm on the ground — you will not eat, since they are detestable.

43 Do not make yourselves detestable with all these swarming creatures; do not defile yourselves with them, do not be defiled by them.

44 For it is I, Yahweh, who am your God. You have been sanctified and have become holy because I am holy: do not defile yourselves with all these creatures that swarm on the ground.

45 Yes, it is I, Yahweh, who brought you out of Egypt to be your God: you must therefore be holy because I am holy.” ’

46 Such is the law concerning animals, birds, all living creatures that move in water and all creatures that swarm on the ground.

47 Its purpose is to distinguish the clean from the unclean, the creatures that may be eaten from those that may not be eaten.

Chapther 12
1 Yahweh spoke to Moses and said,

2 ’Speak to the Israelites and say: ”If a woman becomes pregnant and gives birth to a boy, she will be unclean for seven days as when in a state of pollution due to menstruation.

3 On the eighth day the child’s foreskin must be circumcised,

4 and she will wait another thirty-three days for her blood to be purified. She will not touch anything consecrated nor go to the sanctuary until the time of her purification is over.

5 ”If she gives birth to a girl, she will be unclean for two weeks, as during her monthly periods; and will wait another sixty-six days for her blood to be purified.

6 ”When the period of her purification is over, for either boy or girl, she will bring the priest at the entrance to the Tent of Meeting a lamb one year old for a burnt offering, and a young pigeon or turtledove as a sacrifice for sin.

7 The priest must offer this before Yahweh, perform the rite of expiation for her, and she will be purified from her discharge of blood. ”Such is the law concerning a woman who gives birth to either a boy or a girl.

8 If she cannot afford a lamb, she must take two turtledoves or two young pigeons, one for the burnt offering and the other for the sacrifice for sin. The priest will perform the rite of expiation for her and she will be purified.” ’

Chapther 13
1 Yahweh said to Moses and Aaron,

2 ’If a swelling or scab or spot appears on someone’s skin, which could develop into a contagious skin-disease, that person must then be taken to the priest, either Aaron or one of his sons.

3 The priest will examine the disease on the skin. If the hair on the diseased part has turned white, or if the disease bites into the skin, the skin-disease is contagious, and after examination the priest will declare the person unclean.

4 But if there is a white spot on the skin without any visible depression of the skin or whitening of the hair, the priest will isolate the sick person for seven days.

5 On the seventh day he will examine the person, and if he observes that the disease persists though without spreading over the skin, he will isolate the person for a further seven days

6 and examine him again on the seventh. If he finds that the disease has faded and has not spread over the skin, the priest will declare the person clean. This was merely a scab. Once he has washed his clothing he will be clean.

7 ’But if the scab spreads over the skin after the sick person has been examined by the priest and declared clean, then he will let himself be examined again by the priest.

8 After examining him and certifying the spread of the scab over the skin, the priest will declare him unclean: it is a contagious skin-disease.

9 ’Someone who has a contagious skin-disease must be taken to the priest.

10 The priest will examine the sick person, and if he finds a whitish swelling with whitening of the hair and an ulcer forming on the skin,

11 this is a dormant skin-disease, and the priest will declare the person unclean. He will not isolate him; he is obviously unclean.

12 ’But if the disease spreads all through the skin, if it covers the person entirely from head to foot so far as the priest can see,

13 the priest will then examine the sick person and, if he finds that the skin-disease covers his whole body, declare the sick person clean. Since it has all become white, he is clean.

14 But as soon as an ulcer appears on him, he will be unclean.

15 After examining the ulcer, the priest will declare him unclean: the ulcer is unclean, it is contagious.

16 But if the ulcer becomes white again, the sick person will go to the priest;

17 the priest will examine him and if he finds that the disease has turned white, he will declare the sick person clean: he is clean.

18 ’When an ulcer appears on someone’s skin, and then gets better,

19 and if then a white swelling or a reddish-white spot forms on the same place, the sick person will show himself to the priest.

20 The priest will examine him, and if he finds a visible depression in the skin and a whitening of the hair, he will declare the person unclean: this is a case of contagious skin-disease breaking out in an ulcer.

21 But if on examination the priest finds neither white hair nor depression of the skin, but a fading of the affected part, he will isolate the sick person for seven days.

22 If the disease has then spread over the skin, he will declare the person unclean: this is a case of contagious skin-disease.

23 But if the spot has stayed where it was and has not spread, it is the scar of the ulcer and the priest will declare the person clean.

24 ’If someone has a burn on the skin and an abscess, a reddish-white or white spot, forms on the burn,

25 the priest will then examine it. If he finds a whitening of the hair or a visible depression of the mark on the skin, a contagious disease has broken out in the burn. The priest will declare the sick person unclean: this is a contagious skin-disease.

26 If on the other hand the priest on examination does not find white hair on the mark or depression of the skin, but a fading of the mark, the priest will isolate the person for seven days.

27 He will examine the person on the seventh day and, if the disease has spread over the skin, he will declare the sick person unclean: this is a case of contagious skin-disease.

28 If the mark has stayed where it was and has not spread over the skin, but has faded instead, it was only a swelling due to the burn. The priest will declare the person clean: it is merely a burn scar.

29 ’If a man or a woman has a sore on the head or chin,

30 the priest will examine the sore; and if he finds a depression visible in the skin, with the hair on it yellow and thin, he will declare the sick person unclean: this is tinea, that is to say, a contagious skin-disease of the head or chin.

31 If on examining this case of tinea the priest finds no visible depression in the skin and no yellow hair, he will isolate the person so affected for seven days.

32 He will examine the infected part on the seventh day, and if he finds that the tinea has not spread, that the hair on it is not yellow, and that there is no visible depression in the skin,

33 the sick person will shave his hair off, all except the part affected with tinea, and the priest will again isolate him for seven days.

34 He will examine the infected part on the seventh day, and if he finds that it has not spread over the skin, and that there is no visible depression of the skin, the priest will declare the sick person clean. After washing his clothes the person will be clean.

35 But if after this purification the tinea does spread over the skin,

36 the priest will examine the person; if he finds that the tinea has indeed spread over the skin, the sick person is unclean, and there is no need to verify whether the hair is yellow.

37 Whereas if, so far as he can see, the tinea is arrested and dark hair is beginning to grow on it, the sick person is cured. He is clean, and the priest will declare him clean.

38 ’If spots break out on the skin of a man or woman, and if these spots are white,

39 the priest will examine them. If he finds that the spots are of a dull white, this is a rash that has broken out on the skin: the sick person is clean.

40 ’If someone loses the hair of the scalp, this is baldness of the scalp but the person is clean.

41 If he loses hair off the front of the head, this is baldness of the forehead but the person is clean.

42 If, however, a reddish-white sore appears on scalp or forehead, a contagious skin-disease has broken out on the scalp or forehead.

43 The priest will examine it, and if he finds a reddish-white swelling on scalp or forehead, looking like a contagious skin-disease,

44 the person has such a disease: he is unclean. The priest will declare him unclean; he has a contagious skin-disease of the head.

45 ’Anyone with a contagious skin-disease will wear torn clothing and disordered hair; and will cover the upper lip and shout, ”Unclean, unclean.”

46 As long as the disease lasts, such a person will be unclean and, being unclean, will live alone and live outside the camp.

47 ’When a piece of clothing is infected with mould, be it woollen or linen clothing,

48 linen or woollen fabric or covering, or leather or anything made of leather,

49 if the spot on the clothing, leather, fabric, covering or object made of leather is a greenish or reddish colour, it is a disease to be shown to the priest.

50 The priest will examine the infection and isolate the object for seven days.

51 If on the seventh day he observes that the infection has spread on the clothing, fabric, covering, leather or object made of leather, whatever it may be, this is a contagious disease and the object is unclean.

52 He will burn this clothing, fabric, linen or woollen covering or leather object whatever it may be, on which the infection has appeared; for this is a contagious disease which must be destroyed by fire.

53 ’But if on examination the priest finds that the infection has not spread on the clothing, fabric, covering, or leather object whatever it may be,

54 he will order the infected object to be washed and will isolate it again for a period of seven days.

55 After the washing, he will examine the infection and if he finds that there is no change in its appearance, even though it has not spread, the article is unclean. You will burn it; it is infected through and through.

56 ’But if on examination the priest finds that the infection has diminished after washing, he will tear it out of the clothing, leather, fabric or covering.

57 But if the infection reappears on the same clothing, fabric, covering or leather object whatever it may be, this means that the infection is active; you will burn whatever is infected.

58 The clothing, fabric, covering or leather object whatever it may be, from which the infection disappears after being washed, will be clean after it has been washed a second time.

59 ’Such is the law governing disease in a linen or woollen garment, a fabric or covering or leather object whatever it may be, when it is a question of declaring them clean or unclean.’

Chapther 14
1 Yahweh spoke to Moses and said:

2 ’This is the law to be applied on the day of the purification of someone who has suffered from a contagious skin-disease. Such a person will be taken to the priest,

3 and the priest will go outside the camp. If he finds on examination that the person has recovered from the disease,

4 he will order the following to be brought for his purification: two live birds that are clean, some cedar wood, scarlet material and hyssop.

5 He will then order one of the birds to be slaughtered in an earthenware pot over running water.

6 He will then take the live bird, the cedar wood, the scarlet material and the hyssop and dip all this (including the live bird) into the blood of the bird slaughtered over running water.

7 He will then sprinkle the person to be purified of the skin-disease seven times, and having declared the person clean, will set the live bird free to fly off into the countryside.

8 The person who is being purified will then wash all clothing, shave off all hair, and wash, and will then be clean. After this he will return to the camp, although he will remain outside his tent for seven days.

9 On the seventh day he will shave off all his hair-head, beard and eyebrows; he will shave off all his hair. After washing his clothing and his body he will be clean.

10 ’On the eighth day he will take two unblemished lambs, an unblemished ewe one year old, three-tenths of wheaten flour mixed with oil for the cereal offering, and one log of oil.

11 The priest who is performing the purification will place the person who is being purified, with all his offerings, at the entrance to the Tent of Meeting, before Yahweh.

12 He will then take one of the lambs and offer it as a sacrifice of reparation, as also the log of oil. With these he will make the gesture of offering before Yahweh.

13 He will then slaughter the lamb on that spot inside the holy place where the victims for the sacrifice for sin and for the burnt offering are slaughtered. This reparatory offering, like the sacrifice for sin, will revert to the priest: it is especially holy.

14 The priest will then take some blood of this sacrifice and put it on the lobe of the right ear, the thumb of the right hand, and the big toe of the right foot of the person who is being purified.

15 He will then take the log of oil and pour a little into the hollow of his left hand.

16 He will dip a finger of his right hand into the oil in the hollow of his left hand, and sprinkle the oil with his finger seven times before Yahweh.

17 He will then take some of the oil left in the hollow of his hand and put it on the lobe of the right ear, the thumb of the right hand, and the big toe of the right foot of the person being purified, in addition to the blood of the sacrifice of reparation.

18 The rest of the oil in the hollow of his hand he will put on the head of the person who is being purified. This is how the priest will perform the rite of expiation for such a person before Yahweh.

19 ’The priest will then offer the sacrifice for sin, and perform the rite of expiation for uncleanness for the person who is being purified. After this, he will slaughter the burnt offering

20 and offer this and the cereal offering on the altar. So, when the priest has performed the rite of expiation for him the person will be clean.

21 ’If he is poor and cannot afford all this, he need take only one lamb, the one for the sacrifice of reparation, and this will be presented with the gesture of offering to perform the rite of expiation for him. And for the cereal offering he will only take one-tenth of wheaten flour mixed with oil, and the log of oil,

22 and two turtledoves or two young pigeons, whichever he can afford, one for a sacrifice for sin and the other for the burnt offering.

23 He will bring these on the eighth day to the priest at the entrance to the Tent of Meeting before Yahweh, for his purification.

24 The priest will take the lamb for the sacrifice of reparation and the log of oil, and present them before Yahweh with the gesture of offering.

25 He will then slaughter the lamb for the sacrifice of reparation, take some of its blood and put it on the lobe of the right ear, the thumb of the right hand and the big toe of the right foot of the person who is being purified.

26 He will pour the oil into the hollow of his left hand,

27 and with his finger sprinkle the oil in the hollow of his left hand seven times before Yahweh.

28 He will then put some of the oil on the lobe of the right ear, the thumb of the right hand and the big toe of the right foot of the person who is being purified, as he did with the blood of the sacrifice of reparation.

29 The remainder of the oil in the hollow of his hand he will put on the head of the person who is being purified, thus performing the rite of expiation for him before Yahweh.

30 Of the two turtledoves or two young pigeons — whatever he has been able to afford — he will offer

31 a sacrifice for sin with one, and with the other a burnt offering with a cereal offering — whatever he has been able to afford. This is how the priest will perform before Yahweh the rite of expiation for the person who is being purified.

32 ’Such is the law concerning someone with a contagious skin-disease who cannot afford the means of purification.’

33 Yahweh spoke to Moses and Aaron and said:

34 ’When you reach Canaan, which I am giving you as your possession, if I infect a house with a disease in the country which you are to possess,

35 the owner will come and inform the priest and say, ”I have seen something like a skin-disease in the house.”

36 The priest will order the house to be emptied before he goes to examine the infection, or everything in the house will become unclean; after which, the priest will go inside and examine the house;

37 and if on examination he finds the walls of the house pitted with reddish or greenish depressions which appear to be eating away the wall,

38 the priest will then go out of the house, to the door, and shut it up for seven days.

39 On the seventh day, the priest will come back and if on examination he finds that the infection has spread over the walls of the house,

40 he will order the infected stones to be removed and thrown into some unclean place outside the town.

41 He will then have all the inside of the house scraped, and the plaster that comes off will be emptied in an unclean place outside the town.

42 The stones will then be replaced with new ones and the house given a new coat of plaster.

43 ’If the infection spreads again after the stones have been removed and the house scraped and replastered,

44 the priest will come and examine it. If he finds that the infection has spread, this means that there is a contagious disease in the house: it is unclean.

45 It must be pulled down and the stones, woodwork and all the plaster be taken to an unclean place outside the town.

46 ’Anyone who enters the house while it is closed will be unclean until evening.

47 Anyone who sleeps there will wash his clothes. Anyone who eats there will wash his clothes.

48 But if the priest finds, when he comes to examine the infection, that it has not spread in the house since it was plastered, he will declare the house clean, for the infection is cured.

49 ’As a sacrifice for the defilement of the house, he will take two birds, some cedar wood, scarlet material and hyssop.

50 He will slaughter one of the birds in an earthenware pot over running water.

51 He will then take the cedar wood, the hyssop, the scarlet material and the live bird, dip them into the blood of the slaughtered bird and into the running water and sprinkle the house seven times;

52 and after offering the sacrifice for the defilement of the house with the blood of the bird, the running water, the live bird, the cedar wood, the hyssop and the scarlet material,

53 he will set the live bird free to fly out of the town into the countryside. Once the rite of expiation has been performed for the house in this way it will be clean.

54 ’Such is the law governing all kinds of skin-disease and tinea,

55 diseases of clothing and houses,

56 swellings, scabs and spots. It defines the occasions when things are unclean and when clean.

57 Such is the law on skin-diseases.’

Chapther 15
1 Yahweh spoke to Moses and Aaron and said:

2 ’Speak to the Israelites and say to them: ”When a man has a discharge from his body, that discharge is unclean.

3 While the discharge continues, the nature of his uncleanness is as follows: ”Whether his body allows the discharge to flow or whether it retains it, he is unclean.

4 ”Any bed the man lies on and anything he sits on will be unclean.

5 ”Anyone who touches his bed must wash clothing and body and will be unclean until evening.

6 ”Anyone who sits where the man has sat must wash clothing and body and will be unclean until evening.

7 ”Anyone who touches the body of the man with the discharge must wash clothing and body and will be unclean until evening.

8 ”If the man with the discharge spits on someone who is clean, that person must wash clothing and body and will be unclean until evening.

9 ”Any saddle the man has ridden on will be unclean.

10 ”All those who touch any object that has been under him will be unclean until evening. ”Anyone who picks up such an object must wash clothing and body and will be unclean until evening.

11 ”All those whom the man with the discharge touches without having washed his hands must wash clothing and body and will be unclean until evening.

12 ”The earthenware vessel he touches must be broken and any wooden utensil must be rinsed.

13 ”Once the man with the discharge is cured, he will allow seven days for his purification. He will wash his clothes and wash his body in running water and he will be clean.

14 On the eighth day he will take two turtledoves or two young pigeons and come before Yahweh at the entrance to the Tent of Meeting and give them to the priest.

15 The priest will offer one of them as a sacrifice for sin and the other as a burnt offering. And in this way the priest will perform the rite of expiation for him before Yahweh for his discharge.

16 ”When a man has a seminal discharge, he must wash his whole body with water and will be unclean until evening.

17 Any clothing or leather touched by the seminal discharge must be washed and will be unclean until evening.

18 When a woman has had intercourse with a man, both of them must wash and will be unclean until evening.

19 ”Whenever a woman has a discharge and the discharge from her body is of blood, she will remain in a state of menstrual pollution for seven days. ”Anyone who touches her will be unclean until evening.

20 ”Anything she lies on in this polluted state will be unclean; anything she sits on will be unclean.

21 ”Anyone who touches her bed must wash clothing and body and will be unclean until evening.

22 ”Anyone who touches anything she has sat on must wash clothing and body and will be unclean until evening.

23 If there is anything on the bed or where she is sitting, anyone who touches it will be unclean until evening.

24 ”If a man goes so far as to sleep with her, he will contract her menstrual pollution and will be unclean for seven days. Any bed he lies on will be unclean.

25 ”If a woman has a prolonged discharge of blood outside the period, or if the period is prolonged, during the time this discharge lasts she will be in the same state of uncleanness as during her monthly periods.

26 Any bed she lies on during the time this discharge lasts will be polluted in the same way as the bed she lies on during her monthly periods. Anything she sits on will be unclean as during her monthly periods.

27 Anyone who touches it will be unclean and must wash clothing and body and will be unclean until evening.

28 ”Once she is cured of her discharge, she will allow seven days to go by; after that she will be clean.

29 On the eighth day she will take two turtledoves or two young pigeons and bring them to the priest at the entrance to the Tent of Meeting.

30 The priest will offer one of them as a sacrifice for sin and the other as a burnt offering. And in this way the priest will perform the rite of expiation for her before Yahweh for the discharge which made her unclean.

31 ”Hence you will warn the Israelites against contracting a state of uncleanness, rather than incurring death by defiling my Dwelling which is among them.

32 ”Such is the law governing a man with a discharge or who is made unclean by a seminal discharge,

33 a woman in a state of pollution due to menstruation, a man or a woman with a discharge, or a man who sleeps with a woman when she is unclean.” ’

Chapther 16
1 Yahweh spoke to Moses after the death of the two sons of Aaron who died when offering unauthorised fire.

2 Yahweh spoke to Moses and said: ’Tell Aaron your brother that he may not enter the sanctuary inside the curtain in front of the mercy-seat on the ark whenever he chooses, in case he incurs death, for I appear in a cloud on the mercy-seat.

3 ’This is how he must enter the sanctuary: with a young bull for a sacrifice for sin and a ram for a burnt offering.

4 He will put on a tunic of consecrated linen, wear linen drawers on his body, a linen waistband round his waist, and a linen turban on his head. These are the sacred vestments he will put on after washing himself.

5 ’From the community of Israelites he will receive two he-goats for a sacrifice for sin and a ram for a burnt offering.

6 After offering the bull as a sacrifice for his own sin and performing the rite of expiation for himself and his family,

7 he will take the two he-goats and place them before Yahweh at the entrance to the Tent of Meeting.

8 Aaron will then draw lots over the two goats, one lot to be for Yahweh and the other lot for Azazel.

9 Aaron will then take the goat on which the lot ”For Yahweh” has fallen, and offer it as a sacrifice for sin.

10 But the goat on which the lot ”For Azazel” has fallen, will be placed alive before Yahweh, for the rite of expiation to be performed with it, and for it then to be sent to Azazel in the desert.

11 ’Having offered the bull as a sacrifice for his own sin and performed the rite of expiation for himself and for his family, and slaughtered the bull as a sacrifice for sin,

12 Aaron will then fill a censer with live coals from the altar before Yahweh, take two handfuls of finely ground aromatic incense and bring this inside the curtain.

13 He will then put the incense on the fire before Yahweh, so that the cloud of incense hides the mercy-seat which is on the Testimony and he does not incur death.

14 He will then take some of the bull’s blood and sprinkle it with his finger on the eastern side of the mercy-seat. He will sprinkle some of the blood seven times with his finger in front of the mercy-seat.

15 ’He will then slaughter the goat for the sacrifice for the sin of the people, and take its blood inside the curtain, and with this blood do as he did with the blood of the bull, sprinkling it on the mercy-seat and in front of it.

16 This is how he must perform the rite of expiation for the sanctuary for the uncleanness of the Israelites, for their acts of rebellion and all their sins. ’And this is what he must do for the Tent of Meeting which remains with them, surrounded by their uncleanness.

17 No one must be inside the Tent of Meeting, from the moment he enters to make expiation in the sanctuary until the time he comes out. ’When he has made expiation for himself, for his family, and for the whole community of Israel,

18 he must come outside, go to the altar before Yahweh and perform the rite of expiation for it. He will take some of the bull’s blood and some of the goat’s blood and put it on the horns at the corners of the altar all around it,

19 and sprinkle some of the blood on it seven times with his finger, thus purifying it and setting it apart from the uncleanness of the Israelites.

20 ’Once expiation for the sanctuary, the Tent of Meeting and the altar is complete, he will bring the goat which is still alive.

21 Aaron will then lay both his hands on its head and over it confess all the guilt of the Israelites, all their acts of rebellion and all their sins. Having thus laid them on the goat’s head, he will send it out into the desert under the charge of a man waiting ready,

22 and the goat will bear all their guilt away into some desolate place. ’When he has sent the goat into the desert,

23 Aaron will go back into the Tent of Meeting and take off the linen vestments which he wore to enter the sanctuary and leave them there.

24 He will then wash his body inside the holy place, put on his vestments and come outside to offer his own and the people’s burnt offering. He will perform the rite of expiation for himself and for the people,

25 and burn the fat of the sacrifice for sin on the altar.

26 ’The man who led the goat away to Azazel will wash his clothes and body before entering the camp.

27 The bull and the goat offered as a sacrifice for sin, the blood of which was taken into the sanctuary for the rite of expiation, must be taken outside the camp, where their skin, meat and offal are to be burnt.

28 The man who burns them will wash his clothes and body before entering the camp.

29 ’This will be a perpetual law for you. ’On the tenth day of the seventh month you will fast and refrain from work, both citizen and resident alien;

30 for this is the day on which the rite of expiation will be performed for you to purify you, to purify you before Yahweh from all your sins.

31 It will be a sabbatical rest for you and you will fast. This is a perpetual law.

32 ’The rite of expiation will be performed by the priest who has been anointed and installed to officiate in succession to his father. He will put on the linen vestments, the sacred vestments,

33 and perform the rite of expiation for the holy sanctuary, the Tent of Meeting and the altar, and will then perform the rite of expiation for the priests and all the people of the community.

34 This will be a perpetual law for you; once a year the rite of expiation will be made for the Israelites for all their sins.’ And as Yahweh ordered Moses, so it was done.

Chapther 17
1 Yahweh spoke to Moses and said:

2 ’Speak to Aaron and his sons and all the Israelites and say: ”This is the order that Yahweh has given:

3 ”Any man of the House of Israel who slaughters a bull, lamb or goat, whether inside the camp or outside it,

4 without bringing it to the entrance to the Tent of Meeting to make an offering of it to Yahweh in front of his Dwelling, that man will be answerable for bloodshed; he has shed blood, and that man will be outlawed from his people.

5 The purpose of this is that the Israelites should instead bring their sacrifices, which they would otherwise offer in the countryside, to Yahweh at the entrance to the Tent of Meeting, to the priest, and offer them as communion sacrifices to Yahweh;

6 and the priest will sprinkle the blood on Yahweh’s altar at the entrance to the Tent of Meeting and will burn the fat as a smell pleasing to Yahweh.

7 No longer may they offer their sacrifices to the satyrs in whose service they used to prostitute themselves. This is a perpetual law for them and for their descendants.”

8 ’You will also say to them, ”Any member of the House of Israel or any resident alien who offers a burnt offering or sacrifice

9 without bringing it to the entrance to the Tent of Meeting to offer it to Yahweh, will be outlawed from his people.

10 ”If any member of the House of Israel or any resident alien consumes blood of any kind, I shall set my face against that individual who consumes blood and shall outlaw him from his people.

11 For the life of the creature is in the blood, and I have given it to you for performing the rite of expiation on the altar for your lives, for blood is what expiates for a life.

12 That is why I told the Israelites: None of you will consume blood, nor will any resident alien consume blood.

13 ”Anyone, whether Israelite or resident alien, who hunts and catches game, whether animal or bird, which it is lawful to eat, must pour out its blood and cover it with earth.

14 For the life of every creature is its blood, and I have told the Israelites: You will not consume the blood of any creature, for the life of every creature is its blood, and anyone who consumes it will be outlawed.

15 ”Anyone, citizen or alien, who eats an animal that has died a natural death or been savaged, must wash clothing and body, and will be unclean until evening, but will then be clean.

16 But anyone who does not wash clothing and body will bear the consequences of his guilt.” ’

Chapther 18
1 Yahweh spoke to Moses and said:

2 ’Speak to the Israelites and say: ”I am Yahweh your God:

3 You must not behave as they do in Egypt where you used to live; you must not behave as they do in Canaan where I am taking you, nor must you follow their laws.

4 You must observe my customs and keep my laws, following them. ”I, Yahweh, am your God:

5 hence you will keep my laws and my customs. Whoever complies with them will find life in them. ”I am Yahweh.

6 ”None of you will approach a woman who is closely related to him, to have intercourse with her. I am Yahweh.

7 ”You will not have intercourse with your father or your mother. She is your mother — you will not have intercourse with her.

8 ”You will not have intercourse with your father’s wife; it is your father’s sexual prerogative.

9 ”You will not have intercourse with your sister, whether she is your father’s or your mother’s daughter. Whether she was born in the same house or elsewhere, you will not have intercourse with her.

10 ”You will not have intercourse with your son’s or your daughter’s daughter; for their sexual privacy is your own.

11 ”You will not have intercourse with the daughter of your father’s wife, born to your father. She is your sister; you will not have intercourse with her.

12 ”You will not have intercourse with your father’s sister; for she is your father’s own flesh and blood.

13 ”You will not have intercourse with your mother’s sister; for she is your mother’s own flesh and blood.

14 ”You will not have intercourse with your father’s brother; you will not approach his wife. She is your aunt.

15 ”You will not have intercourse with your daughter-in-law. She is your son’s wife; you will not have intercourse with her.

16 ”You will not have intercourse with your brother’s wife; it is your brother’s sexual prerogative.

17 ”You will not have intercourse with a woman and her daughter; nor will you take her son’s or her daughter’s daughter, to have intercourse with them. They are your own flesh and blood; it would be incest.

18 ”You will not take a woman and her sister into your harem at the same time, to have intercourse with the latter while the former is still alive.

19 ”You will not approach and have intercourse with a woman who is in a state of menstrual pollution.

20 ”Furthermore, you will not have intercourse with your fellow-citizen’s wife; you would become unclean by doing so.

21 ”You will not allow any of your children to be sacrificed to Molech, thus profaning the name of your God. I am Yahweh.

22 ”You will not have intercourse with a man as you would with a woman. This is a hateful thing.

23 ”You will not have intercourse with any kind of animal; you would become unclean by doing so. Nor will a woman offer herself to an animal, to have intercourse with it. This would be a violation of nature.

24 ”Do not make yourselves unclean by any of these practices, for it was by such things that the nations that I am driving out before you made themselves unclean.

25 The country has become unclean; hence I am about to punish it for its guilt, and the country itself will vomit out its inhabitants.

26 ”You, however, must keep my laws and customs and not do any of these hateful things: none of your citizens, none of your resident aliens.

27 For all these hateful things were done by the people who lived in the country before you, and the country became unclean.

28 If you make it unclean, will it not vomit you out as it vomited out the nations there before you?

29 Yes, anyone who does any of these hateful things, whatever it may be, any person doing so, will be outlawed from his people;

30 so keep my rules and do not observe any of the hateful laws which were in force before you came; then you will not be made unclean by them. I am Yahweh your God.” ’

Chapther 19
1 Yahweh spoke to Moses and said:

2 ’Speak to the whole community of Israelites and say: ”Be holy, for I, Yahweh your God, am holy.

3 ”Each of you will respect father and mother. ”And you will keep my Sabbaths; I am Yahweh your God.

4 ”Do not turn to idols and do not cast metal gods for yourselves. I am Yahweh your God.

5 ”If you offer a communion sacrifice to Yahweh, make it in such a way as to be acceptable.

6 It must be eaten the same day or the day after; whatever is left on the third day must be burnt.

7 If eaten on the third day it would be rotten food and not be acceptable.

8 Anyone who eats it must bear the consequences of this guilt, having profaned Yahweh’s holiness; that person will be outlawed from his people.

9 ”When you reap the harvest of your land, you will not reap to the very edges of the field, nor will you gather the gleanings of the harvest;

10 nor will you strip your vineyard bare, nor pick up the fallen grapes. You will leave them for the poor and the stranger. I am Yahweh your God.

11 ”You will not steal, nor deal deceitfully or fraudulently with your fellow-citizen.

12 You will not swear by my name with intent to deceive and thus profane the name of your God. I am Yahweh.

13 You will not exploit or rob your fellow. You will not keep back the labourer’s wage until next morning.

14 You will not curse the dumb or put an obstacle in the way of the blind, but will fear your God. I am Yahweh.

15 ”You will not be unjust in administering justice. You will neither be partial to the poor nor overawed by the great, but will administer justice to your fellow-citizen justly.

16 You will not go about slandering your own family, nor will you put your neighbour’s life in jeopardy. I am Yahweh.

17 You will not harbour hatred for your brother. You will reprove your fellow-countryman firmly and thus avoid burdening yourself with a sin.

18 You will not exact vengeance on, or bear any sort of grudge against, the members of your race, but will love your neighbour as yourself. I am Yahweh.

19 ”You will keep my laws. ”You will not mate your cattle with those of another kind; you will not sow two kinds of grain in your field; you will not wear a garment made from two kinds of fabric.

20 ”If someone has intercourse with a woman who is the concubine slave of a man from whom she has not been redeemed and she has not been given her freedom, he will be liable for a fine, but they will not incur death, since she was not a free woman.

21 He will bring a sacrifice of reparation for Yahweh to the entrance of the Tent of Meeting. This will be a ram of reparation,

22 and with the ram of reparation the priest will perform the rite of expiation for him before Yahweh for the sin committed; and the sin he has committed will be forgiven.

23 ”Once you have entered the country and planted any kind of fruit tree, you will regard its fruit as uncircumcised. For three years you will count it as uncircumcised and it will not be eaten;

24 in the fourth year, all its fruit will be consecrated to Yahweh in a feast of praise;

25 and in the fifth year you may eat its fruit, so that it may yield you even more. I am Yahweh your God.

26 ”You will eat nothing with blood in it. You will not practise divination or magic.

27 ”You will not round off your hair at the edges or trim the edges of your beard.

28 You will not gash your bodies when someone dies, and you will not tattoo yourselves. I am Yahweh.

29 ”Do not profane your daughter by making her a prostitute, or the country itself will become prostituted and filled with incest.

30 ”You will keep my Sabbaths and revere my sanctuary. I am Yahweh.

31 ”Do not have recourse to the spirits of the dead or to magicians; they will defile you. I, Yahweh, am your God.

32 ”You will stand up in the presence of grey hair, you will honour the person of the aged and fear your God. I am Yahweh.

33 ”If you have resident aliens in your country, you will not molest them.

34 You will treat resident aliens as though they were native-born and love them as yourself — for you yourselves were once aliens in Egypt. I am Yahweh your God.

35 ”You will not be unjust in administering justice as regards measures of length, weight or capacity.

36 You will have just scales, just weights, a just ephah and a just hin. I am Yahweh your God who brought you out of Egypt;

37 hence you are to keep all my laws and all my customs and put them into practice. I am Yahweh.” ’

Chapther 20
1 Yahweh spoke to Moses and said:

2 ’Say to the Israelites: ”Anyone, be he Israelite or alien resident in Israel, who gives any of his children to Molech, will be put to death. The people of the country must stone him,

3 and I shall set my face against that man and outlaw him from his people; for by giving a child of his to Molech he has defiled my sanctuary and profaned my holy name.

4 If the people of the country choose to close their eyes to the man’s action when he gives a child of his to Molech, and do not put him to death,

5 I myself shall turn my face against that man and his clan. I shall outlaw them from their people, both him and all those after him who prostitute themselves by following Molech.

6 ”If anyone has recourse to the spirits of the dead or to magicians, to prostitute himself by following them, I shall set my face against him and outlaw him from his people.

7 ”Sanctify yourselves and be holy, for I am Yahweh your God.

8 ”You will keep my laws and put them into practice, for it is I, Yahweh, who make you holy.

9 Hence: ”Anyone who curses father or mother will be put to death. Having cursed father or mother, the blood will be on that person’s own head.

10 ”The man who commits adultery with his neighbour’s wife will be put to death, he and the woman.

11 ”The man who has intercourse with his father’s wife has infringed his father’s sexual prerogative. Both of them will be put to death; their blood will be on their own heads.

12 ”The man who has intercourse with his daughter-in-law: both of them will be put to death; they have violated nature, their blood will be on their own heads.

13 ”The man who has intercourse with a man in the same way as with a woman: they have done a hateful thing together; they will be put to death; their blood will be on their own heads.

14 ”The man who marries a woman and her mother: this is incest. They will be burnt alive, he and they; you will not tolerate incest.

15 ”The man who has intercourse with an animal will be put to death; you will kill the animal too.

16 ”The woman who approaches any animal to have intercourse with it: you will kill the woman and the animal. They will be put to death; their blood will be on their own heads.

17 ”The man who marries his father’s or his mother’s daughter: if they have intercourse together, this is an outrage. They will be executed in public, for the man has had intercourse with his sister; he will bear the consequences of his guilt.

18 ”The man who has intercourse with a woman during her monthly periods and exposes her nakedness: he has laid bare the source of her blood, and she has exposed the source of her blood, and both of them will be outlawed from their people.

19 ”You will not have intercourse with your mother’s sister or your father’s sister. Whoever does so, has had intercourse with a close relation; they will bear the consequences of their guilt.

20 ”The man who has intercourse with the wife of his paternal uncle has infringed his uncle’s sexual prerogative; they will bear the consequences of their guilt and die childless.

21 ”The man who marries his brother’s wife: this is pollution; he has infringed his brother’s sexual prerogative; they will die childless.

22 ”You will keep all my laws, all my decisions, and put them into practice, so that the country where I am taking you to live will not vomit you out.

23 You will not follow the laws of the nations whom I am driving out before you; they practised all these things, which is why I detested them.

24 As I have already told you, you will take possession of their soil, I myself shall give you possession of it, a country flowing with milk and honey. ”Since I, Yahweh your God, have set you apart from these peoples,

25 you for your part will make a distinction between clean animals and unclean ones and between unclean birds and clean ones, and will not make yourselves detestable with any animal or bird or reptile, which I have set apart from you as unclean.

26 ”Be consecrated to me, for I, Yahweh, am holy, and I shall set you apart from all these peoples, for you to be mine.

27 ”Any man or woman of yours who is a necromancer or magician will be put to death; they will be stoned to death; their blood will be on their own heads.” ’

Chapther 21
1 Yahweh said to Moses: ’Speak to the priests descended from Aaron and say: ”None of them must make himself unclean by touching the corpse of one of his people,

2 unless it be of one of his closest relations-father, mother, son, daughter, brother,

3 or virgin sister, since she being unmarried is still his close relation: he can make himself unclean for her;

4 but for a close female relation who is married he will not make himself unclean; he would profane himself.

5 ”They will not make tonsures on their heads, shave the edges of their beards, or gash their bodies.

6 They will be consecrated to their God and will not profane the name of their God. For their function is to offer the food burnt for Yahweh, the food of their God, and so they must be holy.

7 ”They will not marry a woman profaned by prostitution, or one divorced by her husband, for the priest is consecrated to his God.

8 ”You will treat him as holy, for he offers the food of your God. For you, he will be a holy person, for I, Yahweh, who sanctify you, am holy.

9 ”If a priest’s daughter profanes herself by prostitution, she profanes her father and will be burnt alive.

10 ”The priest who is pre-eminent over his brothers, on whose head the anointing oil has been poured, and who, robed in the sacred vestments, has received investiture, will not disorder his hair or tear his clothes;

11 he will not go near any corpse or make himself unclean even for his father or mother.

12 He will not leave the holy place in such a way as to profane the sanctuary of his God; for he bears the consecration of the anointing oil of his God. I am Yahweh.

13 ”He will marry a woman who is still a virgin.

14 He will not marry a woman who has been widowed or divorced or profaned by prostitution, but will marry a virgin from his own people:

15 he must not make his own children profane, for I, Yahweh, have sanctified him.” ’

16 Yahweh spoke to Moses and said:

17 ’Speak to Aaron and say: ”None of your descendants, for all time, may come forward to offer the food of his God if he has any infirmity,

18 for none may come forward if he has an infirmity, be he blind or lame, disfigured or deformed,

19 or with an injured foot or arm,

20 a hunchback, someone with rickets or ophthalmia or the scab or running sores, or a eunuch.

21 No descendant of the priest Aaron may come forward to offer the food burnt for Yahweh if he has any infirmity; if he has an infirmity, he will not come forward to offer the food of his God.

22 ”He may eat the food of his God, things especially holy and things holy,

23 but he will not go near the curtain or approach the altar, since he has an infirmity and must not profane my holy things; for I, Yahweh, have sanctified them.” ’

24 And Moses promulgated this to Aaron, to his sons, and to all the Israelites.

Chapther 22
1 Yahweh spoke to Moses and said:

2 ’Speak to Aaron and his sons. They must be consecrated by the holy offerings of the Israelites and must not profane my holy name; for my sake they must sanctify it; I am Yahweh.

3 Say to them: ”Any one of your descendants, for all time, who in a state of uncleanness approaches the holy offerings consecrated to Yahweh by the Israelites, will be outlawed from my presence. I am Yahweh.

4 ”Anyone of Aaron’s line who is afflicted with a contagious skin-disease or a discharge will not eat holy things until he is clean. Anyone who touches anything made unclean by a dead body, or who has a seminal discharge,

5 or who is made unclean by touching any kind of reptile or any one who has contaminated him with his own uncleanness, be it what it may,

6 in short, anyone who has had any such contact will be unclean until evening, and must not eat holy things until he has washed his body.

7 At sunset he will be clean and may then eat holy things, for these are his food.

8 ”He must not eat an animal that has died a natural death or been savaged; he would contract uncleanness from it. I am Yahweh.

9 ”They must keep my rules and not burden themselves with sin. If they profane them, they will incur death; I, Yahweh, have sanctified them.

10 ”No lay person may eat anything holy; no guest or employee of a priest may eat anything holy.

11 But if the priest has acquired a slave by purchase, the slave may eat it like anyone born in his household; they will share his food.

12 ”If a priest’s daughter marries a layman, she will have no share in the holy things set aside,

13 but if she is widowed or divorced and, being childless, has had to return to her father’s house as when she was young, she may share her father’s food. No lay person may share it;

14 anyone who does eat a holy thing by inadvertence, will restore it to the priest with one-fifth added.

15 ”They may not profane the holy offerings which the Israelites have set aside for Yahweh.

16 By eating these, they would burden them with guilt requiring a sacrifice of reparation; for I, Yahweh, have sanctified these offerings.” ’

17 Yahweh spoke to Moses and said:

18 ’Speak to Aaron, to his sons, and to all the Israelites and say: ”Any member of the House of Israel or any alien resident in Israel who brings an offering either in payment of a vow or as a voluntary gift, and offers it as a burnt offering to Yahweh,

19 must, if he is to be acceptable, offer an unblemished male, be it bull or sheep or goat.

20 You will not offer anything with a blemish, for it would not make you acceptable.

21 ”If anyone offers Yahweh a communion sacrifice, either to fulfil a vow or as a voluntary offering, the animal, be it from the herd or flock, must be perfect, if he is to be acceptable; it must be unblemished.

22 You will not offer Yahweh any animal which is blind, lame, mutilated, ulcerous, scabby or covered in sores. No part of such an animal will be offered on the altar as food burnt for Yahweh.

23 As a voluntary offering, you may offer a bull or a lamb that is underdeveloped or deformed; but such will not be acceptable in payment of a vow.

24 You will not offer Yahweh an animal if its testicles have been bruised, crushed, torn or cut off. You may not do that in your country,

25 and you may not accept any such from the hands of a stranger, to be offered as food for your God. Their deformity is a blemish, and they would not make you acceptable.” ’

26 Yahweh spoke to Moses and said:

27 ’A calf, lamb, or kid will stay with its dam for seven days after being born. From the eighth day onwards, it will be acceptable as food burnt for Yahweh.

28 But no animal, whether cow or ewe, will be slaughtered on the same day as its young.

29 ’If you offer Yahweh a sacrifice with praise, do it in the acceptable manner;

30 it must be eaten the same day; you will leave nothing over till next morning. I am Yahweh.

31 ’You will keep my commands and put them into practice. I am Yahweh.

32 You will not profane my holy name — so that I may be honoured as holy among the Israelites, I, Yahweh, who make you holy,

33 I who brought you out of Egypt, to be your God, I, Yahweh.’

Chapther 23
1 Yahweh spoke to Moses and said:

2 ’Speak to the Israelites and say: (The solemn festivals of Yahweh to which you will summon them are my sacred assemblies.) ”These are my solemn festivals:

3 ”You will work for six days, but the seventh will be a day of complete rest, a day for the sacred assembly on which you do no work at all. Wherever you live, this is a Sabbath for Yahweh.

4 ”These are Yahweh’s solemn festivals, the sacred assemblies to which you will summon the Israelites on the appointed day:

5 ”The fourteenth day of the first month, at twilight, is the Passover of Yahweh;

6 and the fifteenth day of the same month is the feast of Unleavened Bread for Yahweh. For seven days you will eat unleavened bread.

7 On the first day you will hold a sacred assembly; you will do no heavy work.

8 For seven days you will offer food burnt for Yahweh. On the seventh day there will be a sacred assembly; you will do no heavy work.” ’

9 Yahweh spoke to Moses and said:

10 ’Speak to the Israelites and say: ”When you enter the country which I am giving you and reap the harvest there, you will bring the priest the first sheaf of your harvest,

11 and he will present it to Yahweh with the gesture of offering, for you to be acceptable. The priest will make this offering on the day after the Sabbath,

12 and on the same day as you make this offering, you will offer Yahweh an unblemished lamb one year old as a burnt offering.

13 The cereal offering for that day will be two-tenths of wheaten flour mixed with oil, as food burnt as a smell pleasing to Yahweh. The libation will be a quarter of a hin of wine.

14 You will eat no bread, roasted ears of wheat or fresh produce before this day, before making the offering to your God. This is a perpetual law for all your descendants, wherever you live.

15 ”From the day after the Sabbath, the day on which you bring the sheaf of offering, you will count seven full weeks.

16 You will count fifty days, to the day after the seventh Sabbath, and then you will offer Yahweh a new cereal offering.

17 You will bring bread from your homes to present with the gesture of offering — two loaves, made of two-tenths of wheaten flour baked with leaven; these are first-fruits for Yahweh.

18 In addition to the bread, you will offer seven unblemished lambs a year old, a young bull and two rams, as a burnt offering to Yahweh with a cereal offering and a libation, as food burnt as a smell pleasing to Yahweh.

19 You will also offer a goat as a sacrifice for sin, and two lambs a year old as communion sacrifice.

20 The priest will present them before Yahweh with the gesture of offering, in addition to the bread of the first-fruits. These, and the two lambs, are holy things for Yahweh, and will revert to the priest.

21 ”On the same day, you will hold an assembly; for you this will be a sacred assembly; you will do no heavy work. This is a perpetual law for your descendants, wherever you live.

22 ”When you reap the harvest in your country, you will not reap to the very edges of your field, nor will you gather the gleanings of the harvest. You will leave them for the poor and the stranger. I am Yahweh your God.” ’

23 Yahweh spoke to Moses and said:

24 ’Speak to the Israelites and say: ”The first day of the seventh month will be a day of rest for you, of remembrance and acclamation, a sacred assembly.

25 You will do no heavy work and you will offer food burnt for Yahweh.” ’

26 Yahweh spoke to Moses and said:

27 ’But the tenth day of this seventh month will be the Day of Expiation. You will hold a sacred assembly. You will fast and offer food burnt for Yahweh.

28 You will do no work that day, for it is the Day of Expiation, on which the rite of expiation will be performed for you before Yahweh your God.

29 Anyone who fails to fast that day will be outlawed from his people;

30 anyone who works that day I shall eliminate from his people.

31 No work will be done — this is a perpetual law for your descendants wherever you live.

32 It must be a day of complete rest for you. You will fast; on the evening of the ninth day of the month, from this evening till the following evening, you will rest completely.’

33 Yahweh spoke to Moses and said:

34 ’Speak to the Israelites and say: ”On the fifteenth day of this seventh month there will be the feast of Shelters for Yahweh, lasting for seven days.

35 The first day will be a day of sacred assembly; you will do no heavy work.

36 For seven days you will offer food burnt for Yahweh. On the eighth day you will hold a sacred assembly and you will offer food burnt for Yahweh. It is a day of solemn meeting; you will do no heavy work.

37 ”These are Yahweh’s solemn festivals to which you will summon the Israelites, the sacred assemblies for the purpose of offering food burnt for Yahweh, consisting of burnt offerings, cereal offerings, sacrifices and libations, each on its appropriate day,

38 besides Yahweh’s Sabbaths, and your presents and all your votive and voluntary gifts that you make to Yahweh.

39 ”But on the fifteenth day of the seventh month, when you have gathered in the produce of the land, you will celebrate the feast of Yahweh for seven days. The first and eighth days will be days of rest.

40 On the first day you will take choice fruit, palm branches, boughs of leafy trees and flowering shrubs from the river bank, and for seven days enjoy yourselves before Yahweh your God.

41 You will celebrate a feast for Yahweh in this way for seven days every year. This is a perpetual law for your descendants. ”You will keep this feast in the seventh month.

42 For seven days you will live in shelters: all the citizens of Israel will live in shelters,

43 so that your descendants may know that I made the Israelites live in shelters when I brought them out of Egypt, I, Yahweh your God.” ’

44 Moses then promulgated Yahweh’s solemn festivals to the Israelites.

Chapther 24
1 Yahweh spoke to Moses and said:

2 ’Order the Israelites to bring you crushed-olive oil for the lamp-stand, and keep a flame burning there continually.

3 Aaron will keep it permanently in trim from evening to morning, outside the curtain of the Testimony in the Tent of Meeting, before Yahweh. This is a perpetual decree for your descendants:

4 Aaron will keep the lamps permanently trimmed on the pure lamp-stand before Yahweh.

5 ’You will take wheaten flour and with it bake twelve loaves, each of two-tenths of an ephah.

6 You will then place them in two rows of six on the pure table before Yahweh

7 and put pure incense on each row, to make it food offered as a memorial, food burnt for Yahweh.

8 Every Sabbath they will be arranged before Yahweh. The Israelites will provide them as a permanent covenant.

9 They will belong to Aaron and his sons, who will eat them inside the holy place since, for him, they are an especially holy part of the food burnt for Yahweh. This is a permanent law.’

10 There was a man whose mother was an Israelite woman and whose father was an Egyptian. He came out of his house and, in the camp, surrounded by the Israelites, he began to quarrel with a man who was an Israelite.

11 Now the son of the Israelite woman blasphemed the Name and cursed it. He was then taken to Moses (his mother’s name was Shelomith daughter of Dibri, of the tribe of Dan).

12 He was then put under guard until Yahweh’s will should be made clear to them.

13 Yahweh spoke to Moses and said:

14 ’Take the man who pronounced the curse outside the camp. All those who heard him must then lay their hands on his head, and the whole community must then stone him.

15 Then say to the Israelites: ”Anyone who curses his God will bear the consequences of his sin,

16 and anyone who blasphemes the name of Yahweh will be put to death; the whole community will stone him; be he alien or native-born, if he blasphemes the Name, he will be put to death.

17 ”Anyone who strikes down any other human being will be put to death.

18 ”Anyone who strikes down an animal will make restitution for it: a life for a life.

19 ”Anyone who injures a neighbour shall receive the same in return,

20 broken limb for broken limb, eye for eye, tooth for tooth. As the injury inflicted, so will be the injury suffered.

21 Whoever strikes down an animal will make restitution for it, and whoever strikes down a human being will be put to death.

22 The sentence you pass will be the same, whether on native-born or on alien; for I am Yahweh your God.” ’

23 Moses having told the Israelites this, they took the man who had pronounced the curse out of the camp and stoned him. And so the Israelites carried out Yahweh’s order to Moses.

Chapther 25
1 Yahweh spoke to Moses on Mount Sinai and said:

2 ’Speak to the Israelites and say to them: ”When you enter the country which I am giving you, the land must keep a Sabbath’s rest for Yahweh.

3 For six years you will sow your field, for six years you will prune your vineyard and gather its produce.

4 But in the seventh year the land will have a sabbatical rest, a Sabbath for Yahweh. You will neither sow your field, nor prune your vineyard,

5 nor reap any grain which has grown of its own accord, nor gather the grapes from your untrimmed vine. It will be a year of rest for the land.

6 But what the land produces in its Sabbath will serve to feed you, your slave, male or female, your employee and your guest residing with you;

7 for your cattle too, and the wild animals of your country, whatever it produces will serve as food.

8 ”You will count seven weeks of years — seven times seven years, that is to say a period of seven weeks of years, forty-nine years.

9 And on the tenth day of the seventh month you will sound the trumpet; on the Day of Expiation you will sound the trumpet throughout the land.

10 You will declare this fiftieth year to be sacred and proclaim the liberation of all the country’s inhabitants. You will keep this as a jubilee: each of you will return to his ancestral property, each to his own clan.

11 This fiftieth year will be a jubilee year for you; in it you will not sow, you will not harvest the grain that has come up on its own or in it gather grapes from your untrimmed vine.

12 The jubilee will be a holy thing for you; during it you will eat whatever the fields produce.

13 ”In this year of jubilee, each of you will return to his ancestral property.

14 If you buy land from, or sell land to, your fellow-countryman, neither of you may exploit the other.

15 In buying from your fellow-countryman, you will take account of the number of years since the jubilee; the sale-price he fixes for you will depend on the number of productive years still to run.

16 The greater the number of years, the higher the price you will ask for it; the fewer the number of years, the greater the reduction; for what he is selling you is a certain number of harvests.

17 So you will not exploit one another, but fear your God, for I am Yahweh your God.

18 ”Hence, you will put my laws and customs into practice; you will keep them and put them into practice, and you will live securely in the country.

19 The land will give its fruit, and you will eat your fill and live in security.

20 ”In case you should ask: What shall we eat in this seventh year if we do not sow or harvest our produce?

21 I shall order my blessing to be on you in the sixth year, which will yield you enough produce for three years.

22 You will have the old produce to eat while you are sowing in the eighth year, and even in the ninth year, you will be eating the old produce, while waiting for the harvest of that year.

23 ”Land will not be sold absolutely, for the land belongs to me, and you are only strangers and guests of mine.

24 You will allow a right of redemption over any ancestral property.

25 If your brother becomes impoverished and sells off part of his ancestral property, his nearest male relative will come and exercise his family rights over what his brother has sold.

26 The man who has no one to exercise this right may, once he has found the means to effect the redemption,

27 calculate the number of years that the alienation would have lasted, repay to the purchaser the sum due for the time still to run, and so recover his ancestral property.

28 If he cannot find the sum in compensation, the property sold will remain in the possession of the purchaser until the jubilee year. In the jubilee year, the latter will vacate it and return to his own ancestral property.

29 ”If anyone sells a dwelling house inside a walled town, he will have the right of redemption until the expiry of the year following the sale. His right of redemption is limited to the year;

30 and if the redemption has not been effected by the end of the year, the house in the walled town will become the property of the purchaser and his descendants in perpetuity; he need not vacate it at the jubilee.

31 But houses in villages not enclosed by walls will be considered as situated in the open country; they carry the right of redemption, and the purchaser will vacate them at the jubilee.

32 ”As regards the towns of the Levites, town houses forming part of their ancestral property will carry a perpetual right of redemption in their favour.

33 If a Levite is the one to be affected by the right of redemption, at the jubilee he will vacate the purchased property and return to his own home, to the town in which he has a title to property. The houses in the Levites’ towns represent their ancestral property in Israel,

34 and the arable land depending on these towns cannot be sold, being their ancestral property for ever.

35 ”If your brother becomes impoverished and cannot support himself in the community, you will assist him as you would a stranger or guest, so that he can go on living with you.

36 Do not charge him interest on a loan, but fear your God, and let your brother live with you.

37 You will not lend him money on interest or give him food to make a profit out of it.

38 I am Yahweh your God who brought you out of Egypt to give you the land of Canaan and be your God.

39 ”If your brother becomes impoverished while with you and sells himself to you, you will not make him do the work of a slave;

40 you will treat him like an employee or guest, and he will work for you until the jubilee year.

41 He will then leave you, both he and his children, and return to his clan and regain possession of his ancestral property.

42 For they are my servants whom I have brought out of Egypt, and they may not be bought and sold as slaves.

43 You will not oppress your brother-Israelites harshly but will fear your God.

44 ”The male and female slaves you have will come from the nations round you; from these you may purchase male and female slaves.

45 As slaves, you may also purchase the children of aliens resident among you, and also members of their families living with you who have been born on your soil; and they will become your property,

46 and you may leave them as a legacy to your sons after you as their perpetual possession. These you may have for slaves; but you will not oppress your brother-Israelites.

47 ”If a stranger or guest living with you gets rich and your brother, in the course of dealings with him, becomes impoverished and sells himself to this stranger or guest, or to the descendant of a stranger’s family,

48 he will enjoy the right of redemption after being sold, and one of his brothers may redeem him.

49 His paternal uncle, his uncle’s son, or a member of his own family may redeem him; if he has the means, he may redeem himself.

50 By agreement with his purchaser, he will count the number of years between the year of sale and the jubilee year; his sale-price will be proportionate to the number of years, his time being valued as that of an employee.

51 If there are still many years to run, in proportion to their number he will refund part of his sale-price as payment for his redemption.

52 And if there are only a few years still to run before the jubilee year, he will calculate with him what should be refunded for his redemption, in proportion to their number,

53 as though he were hired by the year. You will see to it that he is not harshly oppressed.

54 ”If he has not been redeemed in any of these ways, he will go free in the jubilee year, both he and his children;

55 for the Israelites are my servants; they are my servants whom I brought out of Egypt. I am Yahweh your God.” ’

Chapther 26
1 ’ ”You will not make idols for yourselves; you will not erect statues or cultic stones, or erect carved stones in your country, for you to worship: for I, Yahweh, am your God.

2 You will keep my Sabbaths and revere my sanctuary. I am Yahweh.

3 ”If you live according to my laws, if you keep my commandments and put them into practice,

4 I shall give you the rain you need at the right time; the soil will yield its produce and the trees of the countryside their fruit;

5 you will thresh until vintage time and gather grapes until sowing time. You will eat your fill of bread and live secure in your land.

6 ”I shall give peace in the land, and you will go to sleep with no one to frighten you. I shall rid the land of beasts of prey. The sword will not pass through your land.

7 You will pursue your enemies and they will fall before your sword;

8 five of you pursuing a hundred of them, one hundred pursuing ten thousand; and your enemies will fall before your sword.

9 ”I shall turn towards you, I shall make you fertile and make your numbers grow, and I shall uphold my covenant with you.

10 ”Having eaten all you need of last year’s harvest, you will throw out the old to make room for the new.

11 ”I shall fix my home among you and never reject you.

12 I shall live among you; I shall be your God and you will be my people,

13 I, Yahweh your God, who brought you out of Egypt so that you should be their slaves no longer, and who broke the bonds of your yoke and made you walk with head held high.

14 ”But if you will not listen to me and do not put all these commandments into practice,

15 if you reject my laws and detest my customs, and you break my covenant by not putting all my commandments into practice,

16 this is how I shall treat you: ”I shall subject you to terror, consumption and fever, making you dim of sight and short of breath. You will sow your seed in vain, for your enemies will eat it.

17 I shall turn against you and you will be defeated by your enemies. Your foes will have the mastery over you, and you will flee when no one is pursuing you.

18 ”And if, in spite of this, you will not listen to me, I shall punish you seven times over for your sins.

19 I shall break your proud strength. I shall make the sky like iron for you, and your soil like bronze.

20 You will wear out your strength in vain, your land will not yield its produce, nor the trees of the country their fruit.

21 ”And if you go against me and will not listen to me, I shall heap seven times more plagues on you for your sins.

22 I shall send wild animals to attack you and rob you of your children, destroy your cattle and reduce your numbers until your roads are deserted.

23 ”And if that does not reform you, and you still go against me,

24 then I shall go against you and punish you another seven times over for your sins.

25 I shall bring the sword on you, which will avenge the covenant, and when you huddle inside your towns, I shall send pestilence among you, and you will fall into the enemy’s clutches.

26 When I take away the bread which supports you, ten women will be able to bake your bread in one oven and will then dole your bread out by weight; you will eat but not be satisfied.

27 ”And if, in spite of this, you will not listen to me but go against me,

28 I shall go against you in fury and punish you seven times over for your sins.

29 You will eat the flesh of your own sons, you will eat the flesh of your own daughters.

30 I shall destroy your high places and smash your incense-altars; I shall pile your corpses on the corpses of your foul idols and shall reject you.

31 I shall reduce your cities to ruins; I shall lay waste your sanctuary and refuse to inhale from you smells intended to please.

32 I shall make such a desolation of the country that your enemies who come to live there will be appalled by it.

33 And I shall scatter you among the nations. I shall unsheathe the sword against you, reducing your country to desert and your towns to ruins.

34 Then the country will indeed observe its Sabbaths, all the while it lies deserted, while you are in the country of your enemies. Then indeed the country will rest and observe its Sabbaths.

35 And as it lies deserted it will rest, as it never did on your Sabbaths when you were living there.

36 I shall strike such fear into the hearts of those of you who survive in the countries of their enemies that the sound of a falling leaf will set them fleeing; they will flee as though fleeing from the sword, and fall when no one is pursuing.

37 They will stumble over one another as though fleeing before the sword, when no one is pursuing. You will be powerless to stand up to your enemies;

38 you will perish among the nations, and the land of your enemies will swallow you up.

39 Those of you who survive will pine away in their guilt in the countries of their enemies and, bearing the guilt of their ancestors too, will pine away like them.

40 ”Then they shall admit their guilt and that of their ancestors and their infidelities against me, and further, their setting themselves against me.

41 ”I in my turn will go against them and bring them into the land of their enemies. Then their uncircumcised hearts will grow humble and then they will accept the punishment for their guilt.

42 I shall remember my covenant with Jacob, I shall remember my covenant with Isaac and my covenant with Abraham; and I shall remember the country too.

43 ”Abandoned, the country will keep its Sabbaths, as it lies deserted in their absence, and they will have to accept the punishment for their guilt, since they detested my customs and rejected my laws.

44 ”Yet, in spite of all this, when they are in the land of their enemies, I shall not so utterly reject or detest them as to destroy them completely and break my covenant with them; for I am Yahweh their God.

45 For their sake I shall remember the covenant I made with those first generations that I brought out of Egypt while other nations watched, so that I should be their God, I, Yahweh.” ’

46 Such were the decrees, customs and laws which Yahweh established between himself and the Israelites on Mount Sinai through Moses.

Chapther 27

1 Yahweh spoke to Moses and said:

2 ’Speak to the Israelites and say: ”If anyone vows the value of a person to Yahweh and wishes to discharge the vow:

3 ”a man between twenty and sixty years of age will be valued at fifty silver shekels — the sanctuary shekel;

4 a woman will be valued at thirty shekels;

5 ”between five and twenty years, a boy will be valued at twenty shekels, a girl at ten shekels;

6 ”between one month and five years, a boy will be valued at five silver shekels, a girl at three silver shekels;

7 ”at sixty years and over, a man will be valued at fifteen shekels and a woman at ten shekels.

8 ”If the person who made the vow cannot meet this valuation, he will present the person concerned to the priest, and the priest will set a value proportionate to the resources of the person who made the vow.

9 ”In the case of an animal suitable for offering to Yahweh, any such animal given to Yahweh will be holy.

10 It cannot be exchanged or replaced, a good one instead of a bad one, or a bad one instead of a good one. If one animal is substituted for another, both of them will become holy.

11 In the case of an unclean animal unsuitable for offering to Yahweh, whatever it may be, it will be presented to the priest

12 and he will set a value on it, in relation to its worth. His valuation will be decisive;

13 but if the person wishes to redeem it, he will add one-fifth to the valuation.

14 ”If a man consecrates his house to Yahweh, the priest will set a value on it, in relation to its worth. His valuation will be decisive.

15 If the man who has vowed his house wishes to redeem it, he will add one-fifth to the valuation, and it will revert to him.

16 ”If a man consecrates one of the fields of his ancestral property to Yahweh, its value will be calculated in terms of its yield, at the rate of fifty silver shekels to one homer of barley.

17 ”If he consecrates the field during the jubilee year, he will abide by this valuation.

18 But if he consecrates it after the jubilee, the priest will calculate the price in terms of the number of years still to run until the next jubilee and the valuation will be reduced accordingly.

19 ”If he wishes to redeem the field, he will add one-fifth to the valuation, and the field will revert to him.

20 If he does not redeem it but sells it to someone else, the right of redemption ceases;

21 when the purchaser has to vacate it at the jubilee year, it becomes consecrated to Yahweh, like a field vowed unconditionally; ownership of it passes to the priest.

22 ”If he consecrates to Yahweh a field which he has bought, but which is not part of his ancestral property,

23 the priest will calculate the valuation in terms of the number of years still to run before the jubilee year; and the man will pay this sum the same day since it is consecrated to Yahweh.

24 In the jubilee year the field will revert to the vendor, the man to whose ancestral property the land belongs.

25 All your valuations will be made in sanctuary shekels, at the rate of twenty gerah to the shekel.

26 ”The first-born of livestock is born to Yahweh; no one may consecrate it, whether it be cattle or sheep, for it belongs to Yahweh anyway.

27 But if it is an unclean animal, it may be redeemed at the valuation price with one-fifth added; if the animal is not redeemed, it will be sold at the valuation price.

28 ”Nothing, however, that someone vows unconditionally to Yahweh may be redeemed, nothing he possesses, be it a human being or animal or field of his ancestral property. What is vowed unconditionally is especially holy and belongs to Yahweh.

29 A human being vowed unconditionally cannot be redeemed but will be put to death.

30 ”All tithes on land, levied on the produce of the soil or on the fruit of trees, belong to Yahweh; they are consecrated to Yahweh.

31 If anyone wishes to redeem part of his tithe, he will add one-fifth to its value.

32 ”In all tithes on herds or flocks, the tenth animal of all that pass under the herdsman’s staff will be consecrated to Yahweh;

33 there will be no examining whether it is good or bad, and no substitution. If substitution takes place, the animal and its substitute will both become holy without possibility of redemption.” ’

34 Such were the orders which Yahweh gave Moses on Mount Sinai for the Israelites.

(Fr)

Croire au christianisme – verset de la Bible 00 3
Lévitique

Source:
https://rkbijbel.nl/kbs/bijbel/willibrord1975/neovulgaat
https://en.wikipedia.org/wiki/Book_of_Levi critique

La traduction de Willibrord est la traduction standard de la communauté de foi catholique romaine dans la région de langue néerlandaise et est publiée par la Fondation biblique catholique, en étroite collaboration avec la Fondation biblique flamande. La traduction Willibrord est largement appréciée en tant que traduction fidèle au texte original et offrant en même temps un texte en néerlandais contemporain compréhensible.

Le livre du Lévitique (/lɪˈvɪtɪkəs/) est le troisième livre de la Torah et de l’Ancien Testament ; ge tanière de cuir il est généralement admis qu’il est sur une longue période de développement et a atteint sa forme actuelle au cours de la période perse entre 538-332 avant JC.

La plupart des chapitres (de 1 – 7, 11 – 27) se composent de discours de Dieu à Moïse, Dieu dit à Moïse que la répétition d’ Israël. Cela se passe dans l’histoire de l’exode des Israélites après qu’ils se soient échappés d’Égypte et du mont. Sinaï (Exode 19:1). Le livre de l’Exode raconte comment Moïse a conduit les Israélites dans la construction du tabernacle (Exode 35-40) avec les instructions de Dieu (Exode 2 5-31). Puis, dans Lévitique, Dieu dit aux Israélites et à leurs prêtres comment offrir des sacrifices dans le Tabernacle et comment se conduire lorsqu’ils campent autour de la tente sainte du sanctuaire. Lévitique a lieu pendant le mois ou le mois et demi entre l’achèvement du Tabernacle (Exode 40:17) et le départ des Israélites du Sinaï (Nombres 1:1, 10:11).

Les instructions de Lévitique mettent l’accent sur les pratiques rituelles, juridiques et morales plutôt que sur les croyances . Néanmoins, ils reflètent la vision du monde de l’histoire de la création de Genèse 1 que Dieu veut vivre avec les humains. Le livre enseigne que l’exécution fidèle des rituels du sanctuaire peut rendre cela possible, tant que les gens évitent le péché et l’impureté dans la mesure du possible . Les rituels, en particulier les offrandes pour le péché et la culpabilité, permettent d’obtenir le pardon des péchés (chapitres 4 – 5) et la purification des impuretés (chapitres 11-16), afin que Dieu puisse vivre dans le Tabernacle au milieu du peuple .

Les chapitres 1 – 5 décrivent les différentes offres des utilisateurs point de unt des soumissionnaires, bien que les prêtres sont essentiels pour le traitement du sang. Chapitres 6 – 7 va en grande partie les mêmes motifs, mais du point de vue du prêtre, qui, comme la personne qui prend en fait le sacrifice et les « postes divisent es », doit savoir comment faire cela. Il y a des sacrifices entre Dieu, le prêtre et les offrandes, bien que dans certains cas, tout le sacrifice soit une seule partie à Dieu, c’est-à- dire réduit en cendres.

Chapitres 8 – Le mot d’octobre décrit comment Moïse, Aaron et ses fils se sont consacrés en tant que premiers prêtres des premières offrandes et comment Dieu a mis de côté deux des fils d’Aaron pour violation rituelle. Son but est de souligner le caractère du sacerdoce d’autel (c’est-à-dire les prêtres ayant le pouvoir d’offrir des sacrifices à Dieu) en tant que privilège d’Aaron, ainsi que les responsabilités et les dangers de leur position.

Maintenant que les sacrifices et le sacerdoce ont été fixés, apprenez les chapitres 11 – 15, la propreté (ou pureté) des laïcs. Manger certains animaux cause de l’impureté, tout comme donner naissance; certaines maladies de la peau (mais pas toutes) sont impures, de même que certaines maladies des murs et des vêtements (moisissure et maladies similaires) ; et les sécrétions génitales, y compris les menstruations féminines et la gonorrhée masculine, sont impures. Le raisonnement derrière les règles diététiques n’est pas clair ; sinon, le principe directeur semble être que toutes ces conditions impliquent une perte de ”force vitale”, généralement mais pas toujours de sang .

Lévitique 16 concerne le Jour des Expiations. C’est le seul jour où le souverain sacrificateur doit entrer dans la partie la plus sainte du sanctuaire, le lieu très saint. Il sacrifiera un taureau pour les péchés des prêtres et un bouc pour les péchés des laïcs. Le prêtre doit envoyer un deuxième bouc dans le désert à ”Az azel”, qui porte les péchés de tout le peuple. Azazel est peut-être un démon du désert, mais son identité est mystérieuse.

Chapitres 17 – 26 sont le code de sainteté. Cela commence par l’interdiction de tout abattage d’animaux en dehors du temple, même pour se nourrir, puis interdit une longue liste de contacts sexuels et aussi le sacrifice d’enfants. Les injonctions de « sainteté » qui donnent son nom au code commencent par la section suivante : Il y a des sanctions pour adorer Molech, consulter des médiums et des sorciers, maudire des parents et avoir des relations sexuelles illégales. Les prêtres sont instruits sur les rituels de deuil et les infirmités physiques acceptables. La peine du blasphème est la mort, et il y a des règles pour manger des sacrifices ; il y a une explication du calendrier, et il y a des règles pour les années de sabbat et de jubilé ; il y a des règles pour les lampes à huile et le pain dans le sanctuaire ; et il y a des règles pour l’esclavage. Le code finit par dire aux Israélites de choisir entre la loi et la prospérité d’une part, ou, d’autre part, des châtiments terribles, dont le pire sera l’expulsion du pays.

Le chapitre 27 est un ajout disparate et probablement tardif qui parle de personnes et de choses qui servent de dévotion au Seigneur et comment faire des vœux au lieu de les accomplir.

Chapitres 01

1 YAHWEH appela Moïse, et lui parla de la tente de réunion, en disant:
2 ” Parle aux enfants d’Israël et dis-leur: Lorsque quelqu’un d’entre vous fera à Yahweh une offrande, ce sera du bétail que vous offrirez, du gros ou du menu bétail.
3 Si son offrande est un holocauste de gros bétail, il offrira un mâle sans défaut; il l’offrira à l’entrée de la tente de réunion, pour être agréé devant Yahweh.
4 Il posera sa main sur la tête de l’holocauste, et il sera accepté en sa faveur pour faire expiation pour lui.
5 Il égorgera le jeune taureau devant Yahweh, et les prêtres, fils d’Aaron, offriront le sang et le répandront tout autour sur l’autel qui est à l’entrée de la tente dé réunion.
6 On dépouillera l’holocauste et on le décou pera en ses morceaux.
7 Les fils du prêtre Aaron mettront du feu sur l’autel et disposeront du bois sur le feu;
8 puis les prêtres, fils d’Aaron, arrangeront les morceaux, avec la tête et la fressure, sur le bois placé sur le feu de l’autel.
9 On lavera avec de l’eau les entrailles et les jambes, et le prêtre fera fumer le tout sur l’autel. C’est un holocauste, un sacrifice par le feu, d’une agréable odeur à Yahweh.
10 Si son offrande est de menu bétail, un holocauste d’agneaux ou de chèvres, Il offrira un mâle sans défaut.
11 Il l’égorgera au côté septentrional de l’autel, devant Yahweh; et les prêtres, fils d’Aaron, en répandront le sang tout autour sur l’autel.
12 On le découpera en ses morceaux, avec sa tête et sa fressure; puis le prêtre les arrangera sur le bois placé sur le feu de l’autel.
13 Il lavera dans l’eau les entrailles et les jambes, et le prêtre offrira le tout et le fera fumer sur l’autel. C’est un holocauste, un sacrifice par le feu, d’une agréable odeur à Yahweh.
14 Si son offrande à Yahweh est un holocauste d’oiseaux, il offrira des tourterelles ou de jeunes pigeons.
15 Le prêtre apportera l’oiseau à l’autel; il lui brisera la tête avec l’ongle et la fera fumer sur l’autel, et son sang sera exprimé contre la paroi de l’autel.
16 Il ôtera le jabot avec ses impuretés et le jettera près de l’autel, vers l’Orient, au lieu où l’on met les cendres.
17 Puis il fendra l’oiseau aux ailes, sans les séparer, et le prêtre le fera fumer sur l’autel, sur le bois placé sur le feu. C’est un holocauste, un sacrifice par le feu, d’une agréable odeur à Yahweh.

Chapitres 02

1 Lorsque quelqu’un présentera comme offrande à Yahweh une oblation, son offrande sera de fleur de farine; il versera de l’huile dessus et y ajoutera de l’encens.
2 Il l’apportera aux prêtres, fils d’Aaron; et le prêtre prendra une poignée de la fleur de farine arrosée d’huile, avec tout l’encens, et il fera fumer cela sur l’autel en souvenir. C’est un sacrifice fait par le feu, d’une agréable odeur à Yahweh.
3 Ce qui restera de l’oblation sera pour Aaron et ses fils; c’est une chose très sainte entre les sacrifices faits par le feu à Yahweh.
4 Quand tu offriras une oblation de ce qui est cuit au four, ce sera des gâteaux de fleur de farine, sans levain, pétris à l’huile, et des galettes sans levain arrosées d’huile.
5 Si tu offres en oblation un gâteau cuit à la poêle, il sera de fleur de farine pétrie à l’huile, sans levain.
6 Tu le rompras en morceaux et tu verseras de l’huile dessus c’est une oblation.
7 Si tu offres en oblation un gâteau cuit dans la casserole, il sera fait de fleur de farine avec de l’huile.
8 Tu apporteras à Yahweh l’oblation ainsi préparée, et elle sera présentée au prêtre, qui l’apportera à l’autel.
9 Le prêtre en prélèvera ce qui doit être offert en souvenir, et le fera fumer sur l’autel: c’est un sacrifice fait par le feu, d’une agréable odeur à Yahweh.
10 Ce qui restera de l’oblation sera pour Aaron et pour ses fils; c’est une chose très sainte entre les sacrifices faits par le feu à Yahweh.
11 Toute oblation que vous présenterez à Yahweh doit être préparée sans levain, car vous ne ferez fumer rien qui contienne du levain ou du miel en sacrifice fait par le feu à Yahweh.
12 Vous pourrez les présenter à Yahweh en offrandes de prémices; mais il n’en sera pas placé sur l’autel comme offrandes d’agréable odeur.
13 Tout ce que tu présenteras en oblation sera salé; tu ne laisseras point le sel de l’alliance de ton Dieu manquer à ton oblation; sur toutes tes offrandes tu offriras du sel.
14 Si tu fais à Yahweh une oblation de prémices, tu présenteras des épis rôtis au feu, du grain nouveau broyé, comme oblation de tes prémices.
15 Tu verseras de l’huile dessus, et tu y ajouteras de l’encens; c’est une oblation.
16 Le prêtre fera fumer en souvenir une partie du grain broyé et de l’huile, avec tout l’encens. C’est un sacrifice fait par le feu à Yahweh.

Chapitres 03

1 Lorsqu’un homme offrira un sacrifice pacifique, s’il offre du gros bétail, mâle ou femelle, il l’offrira sans défaut devant Yahweh.
2 Il posera sa main sur la tête de la victime et il l’égorgera à l’entrée de la tente de réunion, et les prêtres, fils d’Aaron, répandront le sang sur les parois de l’autel tout autour.
3 De ce sacrifice pacifique, il offrira en sacrifice par le feu à Yahweh: la graisse qui enveloppe les entrailles et toute la graisse qui est attachée aux entrailles;
4 les deux rognons avec la graisse qui les recouvre et qui tient à la région lombaire; la taie du foie qu’il détachera prés des rognons.
5 Les fils d’Aaron feront fumer cela sur l’autel, par-dessus l’holocauste placé sur le bois qui est sur le feu. C’est un sacrifice fait par le feu, d’une agréable odeur à Yahweh.
6 S’il offre du menu bétail, mâle ou femelle, en sacrifice pacifique à Yahweh, il l’offrira sans défaut.
7 S’il offre en sacrifice un agneau, il le présentera devant Yahweh.
8 II posera sa main sur la tête de la victime et il l’égorgera devant la tente de réunion, et les fils d’Aaron en répandront le sang sur les parois de l’autel tout autour.
9 De ce sacrifice pacifique, il offrira en sacrifice par le feu à Yahweh: sa graisse, la queue entière, coupée près de l’échine; la graisse qui enveloppe les entrailles et toute la graisse qui est attachée aux entrailles;
10 les deux rognons, avec la graisse qui les recouvre et qui tient à la région lombaire; la taie du foie qu’il détachera près des rognons.
11 Le prêtre fera fumer cela sur l’autel: c’est l’aliment d’un sacrifice fait par le feu à Yahweh.
12 Si son offrande est une chèvre, il la présentera devant Yahweh.
13 Il posera sa main sur la tête de la victime, et il l’égorgera devant la tente de réunion, et les fils d’Aaron en répandront le sang sur les parois de l’autel tout autour.
14 De la victime, il offrira en sacrifice par le feu à Yahweh: la graisse qui enveloppe les entrailles et toute la graisse qui est attachée aux entrailles;
15 les deux rognons, avec la graisse qui les recouvre et qui tient à la région lombaire; la taie du foie qu’il détachera près des rognons.
16 Le prêtre fera fumer cela sur l’autel: c’est l’aliment d’un sacrifice fait par le feu d’une agréable odeur.
17 Toute graisse appartient à Yahweh. C’est ici une loi perpétuelle pour vos descendants, en quelque lieu que vous habitiez: vous ne mangerez ni graisse, ni sang.

Chapitres 04

1 Yahweh parla à Moise, en disant:
2 ” Parle aux enfants d’Israël et dis-leur Lorsqu’un homme aura péché par erreur contre l’un des commandements de Yahweh relatifs aux choses qui ne doivent point se faire, et qu’il aura fait l’une de ces choses;
3 Si c’est le prêtre ayant reçu l’onction qui a péché, rendant par là le peuple coupable, il offrira à Yahweh pour le péché qu’il a commis un jeune taureau sans défaut, en sacrifice d’expiation.
4 Il amènera le taureau à l’entrée de la tente de réunion, devant Yahweh, et il posera sa main sur la tête du taureau, et il l’égorgera devant Yahweh.
5 Le prêtre ayant reçu l’onction prendra du sang du taureau et l’apportera dans la tente de réunion;
6 il trempera son doigt dans le sang, il en fera sept fois l’aspersion devant Yahweh, en face du voile du sanctuaire.
7 Le prêtre mettra du sang sur les cornes de l’autel des parfums odoriférants, qui est devant Yahweh dans la tente de réunion, et il répandra tout le reste du sang du taureau au pied de l’autel des holocaustes, qui est à l’entrée de la tente de réunion.
8 Il enlèvera ensuite toute la graisse du taureau immolé pour le péché, la graisse qui enveloppe les entrailles et toute la graisse qui est attachée aux entrailles;
9 les deux rognons, avec la graisse qui les recouvre et qui tient à la région lombaire; la taie du foie qu’il détachera prés des rognons.
10 Il enlèvera ces parties comme on les enlève du taureau dans le sacrifice pacifique, et il les fera fumer sur l’autel des holocaustes.
11 Mais la peau du taureau, toute sa chair, avec sa tête, ses jambes, ses entrailles et ses excréments, le taureau entier,
12 il l’emportera hors du camp, dans un lieu pur, où l’on jette les cendres, et il le brûlera au feu sur du bois; c’est sur le tas de cendres qu’il sera brûlé.
13 Si toute l’assemblée d’Israël a péché par erreur, sans que la chose ait apparu à ses yeux, et qu’ils aient fait quelqu’une de toutes les choses que Yahweh a défendu de faire, se rendant ainsi coupables, quand le péché commis par eux sera reconnu,
14 l’assemblée offrira un jeune taureau en sacrifice d’expiation, et on l’amènera devant la tente de réunion.
15 Les anciens de l’assemblée d’Israël poseront leurs mains sur la tête du taureau devant Yahweh, et on égorgera le taureau devant Yahweh.
16 Le prêtre ayant reçu l’onction apportera du sang du taureau dans latente de réunion;
17 il trempera son doigt dans le sang, il en fera sept fois l’aspersion devant Yahweh, en face du voile.
18 Il mettra du sang sur les cornes de l’autel qui:est devant Yahweh dans la tente de réunion, et il répandra tout le reste du sang au pied de l’autel des holocaustes, qui est à l’entrée de la tente de réunion.
19 Il enlèvera ensuite toute la graisse du taureau, et il la fera fumer sur l’autel.
20 Il fera de ce taureau comme du taureau immolé pour le péché du prêtre ayant reçu l’onction; il fera de même. C’est ainsi que le prêtre fera pour eux l’expiation, et il leur sera pardonné.
21 Il emportera le taureau hors du camp et le brûlera comme le premier taureau. Tel est le sacrifice pour le péché de l’assemblée d’Israël.
22 Si c’est un chef qui a péché, en faisant par erreur une de toutes les choses que Yahweh, son Dieu, a défendu de faire, se rendant ainsi coupable,
23 quand le péché commis par lui sera venu à sa connaissance, il amènera pour son offrande un bouc mâle sans défaut.
24 Il posera sa main sur la tête du bouc, et il l’égorgera dans le lieu où l’on égorge les holocaustes devant Yahweh; c’est un sacrifice pour le péché.
25 Le prêtre prendra avec son doigt du sang de la victime pour le péché, il en mettra sur les cornes de l’autel des holocaustes, et il répandra le reste du sang au pied de cet autel.
26 Puis il en brûlera toute la graisse sur l’autel, comme on brûle la graisse des sacrifices pacifiques. C’est ainsi que le prêtre fera pour lui l’expiation de son péché, et il lui sera pardonné.
27 Si quelqu’un du peuple du pays a péché par erreur, en faisant une des choses que Yahweh a défendu de faire,
28 se rendant ainsi coupable, quand le péché commis par lui sera venu à sa connaissance, il amènera pour son offrande une chèvre velue, une femelle sans défaut, pour le péché qu’il a commis.
29 Il posera sa main sur la tête de la victime pour le péché et Il l’égorgera dans le lieu où l’on offre les holocaustes.
30 Le prêtre prendra avec son doigt du sang de la victime, il en mettra sur les cornes de l’autel des holocaustes, et il répandra tout le reste du sang au pied de l’autel.
31 Il enlèvera toute la graisse, comme on enlève la graisse de dessus le sacrifice pacifique, et le prêtre la fera fumer sur l’autel en agréable odeur à Yahweh. C’est ainsi que le prêtre fera l’expiation pour cet homme, et il lui sera pardonné.
32 Si c’est un agneau qu’il amène en sacrifice pour le péché, il amènera une femelle sans défaut.
33 Il posera sa main sur la tête de la victime pour le péché et l’égorgera en sacrifice d’expiation dans le lieu où l’on immole l’holocauste.
34 Le prêtre prendra avec son doigt du sang de la victime, il en mettra sur les cornes de l’autel des holocaustes,
35 et il répandra tout le reste du sang au pied de l’autel. Il enlèvera toute la graisse, comme on enlève la graisse de l’agneau dans le sacrifice pacifique, et le prêtre la fera fumer sur l’autel, sur les sacrifices faits par le feu à Yahweh. C’est ainsi que le prêtre fera l’expiation pour cet homme, pour le péché qu’il a commis, et il lui sera pardonné.

Chapitres 05

1 Si quelqu’un pèche en ce que, après avoir entendu l’adjuration du juge, en sa qualité de témoin, il ne déclare pas ce qu’il a ’vu, ou ce qu’il sait, il portera son iniquité.
2 Si quelqu’un, sans s’en apercevoir, touche une chose impure, soit le cadavre d’une bête sauvage impure, soit le cadavre d’un animal domestique impur, soit le cadavre d’un reptile impur, et qu’il se trouve ainsi luimême impur, il aura contracté une faute;
3 de même si, sans y prendre garde, il touche une impureté humaine quelconque par laquelle on puisse être souillé, et qu’il s’en aperçoive plus tard, il aura contracté une faute.
4 Si quelqu’un, parlant à la légère, jure de faire du mal ou du bien, quoi que ce soit qu’il affirme ainsi par un serment inconsidéré, et que, ne l’ayant pas remarqué d’abord, il s’en aperçoive plus tard, il aura en l’une de ces choses contracté une faute.
5 Celui donc qui se sera rendu coupable dans l’une de ces trois choses, confessera ce en quoi il a péché.
6 Il amènera à Yahweh, comme expiation, pour le péché qu’il a commis, une femelle de menu bétail, brebis ou chèvre, en sacrifice pour le péché, et le prêtre fera pour lui l’expiation de son péché.
7 S’il n’a pas le moyen de se procurer une brebis ou une chèvre, il offrira à Yahweh, comme expiation pour son péché; deux tourterelles ou deux jeunes pigeons, l’un comme sacrifice pour le péché, l’autre comme holocauste.
8 Il les apportera au prêtre, qui sacrifiera en premier lieu la victime pour le péché. Le prêtre lui brisera la tête près de la nuque, sans la détacher;
9 il fera l’aspersion du sang de la victime pour le péché contre la paroi de l’autel et le reste du sang sera exprimé au pied de l’autel; c’est un sacrifice pour le péché.
10 Il fera de l’autre oiseau un holocauste, d’après les rites de ce sacrifice. C’est ainsi que le prêtre fera pour cet homme l’expiation du péché qu’il a commis, et il lui sera pardonné.
11 S’il n’a pas de quoi se procurer deux tourterelles ou deux jeunes pigeons, il apportera en offrande pour son péché un dixième d’épha de fleur de farine comme sacrifice pour le péché; il ne mettra point d’huile dessus, et il n’y ajoutera point d’encens, car c’est un sacrifice pour le péché.
12 Il l’apportera au prêtre, et le prêtre en prendra une poignée en souvenir et la fera fumer sur l’autel, sur les sacrifices faits par le feu à Yahweh; c’est un sacrifice pour le péché.
13 C’est ainsi que le prêtre fera l’expiation pour cet homme, pour le péché qu’il a commis à l’égard de l’une de ces trois choses, et il lui sera pardonné. Ce qui restera appartiendra au prêtre, comme dans l’oblation. ”
14 Yahweh parla à Moise, en disant: ” Si quelqu’un commet une infidélité et pèche par erreur en retenant quelque chose des saintes offrandes de Yahweh
15 il amènera à Yahweh en sacrifice de réparation, un bélier sans défaut, pris du troupeau, estimé par toi en sicles d’argent, selon le sicle du sanctuaire; ce sera un sacrifice de réparation.
16 Et ce dont il a fait tort au sanctuaire, il le restituera, avec un cinquième en plus, et il le donnera au prêtre. Et le prêtre fera pour lui l’expiation avec le bélier offert en sacrifice de réparation, et il lui sera pardonné.
17 Si quelqu’un pèche en faisant sans le savoir une de toutes les choses que Yahweh a défendu de faire, il sera coupable et portera son iniquité.
18 Il amènera au prêtre, en sacrifice de réparation, un bélier sans défaut, pris du troupeau d’après ton estimation. Et le prêtre fera pour lui l’expiation pour le péché qu’il a commis par erreur, et qu’il n’a pas connu, et il lui sera pardonné.
19 C’est un sacrifice de réparation; cet homme était certainement coupable devant Yahweh. ”
20 Yahweh parla à Moise, en disant:
21 ”Si quelqu’un pèche et commet une infidélité envers Yahweh, en mentant à son prochain au sujet d’un dépôt, d’un gage mis entre ses mains, d’une chose volée, ou en faisant violence à son prochain;
22 en mentant à propos d’un objet perdu qu’il a trouvé, en faisant un faux serment au sujet de l’une des choses dans lesquelles l’homme peut pécher:
23 quand il aura péché ainsi et se sera rendu coupable, il restituera la chose volée ou ravie par violence, le dépôt qui lui avait été confié, l’objet perdu qu’il a trouvé, ou tout objet au sujet duquel il a fait un faux serment.
24 Il le restituera en son entier, avec un cinquième de la valeur en sus, et le remettra à son propriétaire, le jour même où il offrira son sacrifice de réparation.
25 Il amènera au prêtre pour être offert à Yahweh en sacrifice de réparation un bélier sans défaut, pris du troupeau d’après ton estimation,
26 Et le prêtre fera pour lui l’expiation devant Yahweh, et il lui sera pardonné, de quelque faute qu’il se soit rendu coupable. ”

Chapitres 06

1 Yahweh parla à Moise, en disant: ” Donne cet ordre à Aaron et à ses fils, et dis-leur:
2 Voici la loi de l’holocauste. L’holocauste brûlera sur le foyer de l’autel toute la nuit jusqu’au matin, et le feu de l’autel y sera tenu allumé.
3 Chaque matin, le prêtre, ayant revêtu sa tunique de lin et mis des caleçons de lin sur sa chair, enlèvera la cendre laissée par le feu qui aura consumé l’holocauste sur l’autel, et la déposera à côté de l’autel;
4 puis il quittera ses vêtements et en mettra d’autres pour porter la cendre hors du camp, en un lieu pur.
5 Le feu sur l’autel y sera entretenu sans qu’il s’éteigne; le prêtre y allumera du bois chaque matin, arrangera dessus l’holocauste, et y fera fumer la graisse des sacrifices pacifiques.
6 Un feu perpétuel doit brûler sur l’autel sans s’éteindre.
7 Voici la loi de l’oblation: les fils d’Aaron la présenteront devant Yahweh, devant l’autel.
8 Le prêtre en prélèvera une poignée de fleur de farine avec son huile, et tout l’encens qui est sur l’oblation, et il fera fumer cela sur l’autel, en agréable odeur, comme souvenir à Yahweh.
9 Ce qui restera de l’oblation, Aaron et ses fils le mangeront; ils le mangeront sans levain, en lieu saint, dans le parvis de la tente de réunion.
10 On ne le cuira pas avec du levain. C’est la part que je leur ai assignée de mes offrandes consumées par le feu. C’est une chose très sainte, comme le sacrifice pour le péché et comme le sacrifice de réparation.
11 Tout mâle des enfants d’Aaron en mangera. C’est une loi perpétuelle pour vos descendants sur les offrandes faites par le feu à Yahweh. Quiconque y touchera sera saint.”
12 Yahweh parla à Moise, en disant:
13 ” Voici l’offrande qu’Aaron et ses fils feront à Yahweh le jour où il recevra l’onction: un dixième d’épha de fleur de farine, comme oblation perpétuelle, moitié le matin et moitié le soir.
14 Elle sera préparée dans la poêle avec de l’huile; tu l’apporteras quand elle sera frite, et tu l’offriras en morceaux, comme offrande divisée, d’agréable odeur à Yahweh.
15 Le prêtre ayant reçu l’onction, qui lui succédera d’entre ses fils, fera aussi cette oblation: c’est une loi perpétuelle devant Yahweh; elle montera tout entière en fumée.
16 Toute offrande de prêtre sera consumée tout entière; on ne la mangera pas.
17 Yahweh parla à Moise, en disant:
18 ” Parle à Aaron et à ses fils, et dis-leur: Voici la loi du sacrifice pour le péché c’est dans le lieu où l’on égorge l’holocauste que sera égorgée la victime pour le péché devant Yahweh: c’est une chose très sainte.
19 Le prêtre qui offrira la victime pour le péché la mangera; elle sera mangée en lieu saint, dans le parvis de la tente de réunion.
20 Quiconque en touchera la chair sera saint. S’il en rejaillit du sang sur un vêtement, la place où le sang aura rejailli, tu la laveras en lieu saint.
21 Le vase de terre dans lequel elle aura cuit sera brisé; si elle a cuit dans un vase d’airain, il sera nettoyé et rincé dans l’eau.
22 Tout mâle parmi les prêtres en mangera: c’est une chose très sainte.
23 Mais on ne mangera aucune victime pour le péché dont on doit porter le sang dans la tente de réunion pour faire l’expiation dans le sanctuaire: elle sera brùlée au feu.

Chapitres 07

1 Voici la loi du sacrifice de réparation;
2 c’est une chose très sainte. C’est dans le lieu où l’on égorge l’holocauste que sera égorgée la victime de réparation. On en répandra le sang sur l’autel tout autour.
3 On en offrira toute la graisse, la queue, la graisse qui enveloppe les entrailles,
4 les deux rognons avec la graisse qui les recouvre et qui tient à la région lombaire, et la taie du foie, qu’on détachera près des rognons.
5 Le prêtre les fera fumer sur l’autel en sacrifice par le feu à Yahweh. C’est un sacrifice de réparation.
6 Tout mâle parmi les prêtres en mangera la chair; il la mangera en lieu saint: c’est une chose très sainte.
7 Il en est du sacrifice de réparation comme du sacrifice pour le péché; la loi est la même pour les deux: la victime appartiendra au prêtre qui fera l’expiation.
8 Le prêtre qui offrira l’holocauste de quelqu’un aura pour lui ta peau de l’holocauste qu’il a offert.
9 Toute oblation cuite au four, et celle qui est préparée dans la casserole ou à la poêle appartiendra au prêtre qui l’aura offerte.
10 Toute oblation pétrie à l’huile ou sèche sera pour tous les fils d’Aaron, qui en auront une part égale.
11 Voici la loi du sacrifice pacifique qu’on offrira à Yahweh.
12 Si on l’offre par reconnaissance, on offrira, avec la victime de reconnaissance, des gâteaux sans levain pétris à l’huile, des galettes sans levain arrosées d’huile, de la farine frite en gâteaux pétris à l’huile.
13 On ajoutera des gâteaux levés à l’offrande qu’on présentera avec la victime de reconnaissance de son sacrifice pacifique.
14 On présentera une pièce de chacune de ces offrandes prélevées pour Yahweh; elle sera pour le prêtre qui aura fait l’aspersion du sang de la victime pacifique.
15 La chair de la victime de reconnaissance du sacrifice pacifique sera mangée le jour où on l’aura offerte; on n’en laissera rien jusqu’au matin.
16 Si la victime est offerte par suite d’un voeu ou comme offrande volontaire, la victime sera mangée le jour où on l’aura offerte, et ce qui en restera sera mangé le lendemain.
17 Ce qui resterait encore de la chair de la victime le troisième jour sera consumé par le feu.
18 Si un homme mange de la chair de son sacrifice pacifique le troisième jour, ce sacrifice ne sera point agréé; il n’en sera pas tenu compte à celui qui l’a offert; ce sera une abomination, et quiconque en aura mangé portera son iniquité.
19 La chair qui a touché quelque chose d’impur ne se mangera pas; elle sera consumée par le feu. Quant à la chair du sacrifice pacifique, tout homme pur pourra en manger.
20 Mais celui qui, se trouvant en état d’impureté, aura mangé de la chair de la victime pacifique appartenant à Yahweh, celui-là sera retranché de son peuple.
21 Et celui qui touchera quelque chose d’impur, souillure d’homme ou animal impur, ou toute autre abomination impure, et qui mangera de la chair de la victime pacifique appartenant à Yahweh, celuilà sera retranché de son peuple. ”
22 Yahweh parla à Moise, en disant: ” Parle aux enfants d’Israël et dis-leur:
23 Vous ne mangerez point de graisse de boeuf, de brebis, ni de chèvre.
24 La graisse d’un animal mort ou déchiré par une bête féroce pourra servir à un usage quelconque, mais vous n’en mangerez en aucune manière.
25 Car quiconque mangera de la graisse des animaux que l’on offre à Yahweh en sacrifices faits parle feu, sera retranché de son peuple.
26 Vous ne mangerez point de sang ni d’oiseau, ni de quadrupède, dans tous les lieux que vous habiterez.
27 Celui qui mangera d’un sang quelconque, celui-là sera retranché de son peuple. ”
28 Yahweh parla à Moise, en disant: ” Parle aux enfants d’Israël et dis-leur:
29 Celui qui offrira à Yahweh sa victime pacifique apportera à Yahweh son offrande prélevée sur son sacrifice pacifique.
30 Il apportera dans ses mains ce qui doit être offert par le feu à Yahweh: il apportera la graisse avec la poitrine, la poitrine pour la balancer devant Yahweh.
31 Le prêtre fera fumer la graisse sur l’autel, et la poitrine sera pour Aaron et pour ses fils.
32 Vous donnerez aussi au prêtre la cuisse droite comme offrande prélevée de vos victimes pacifiques.
33 Celui des fils d’Aaron qui offrira le sang et la graisse des victimes pacifiques aura la cuisse droite pour sa part.
34 Car j’ai pris sur les sacrifices pacifiques des enfants d’Israël la poitrine à balancer et l’épaule prélevée, et je les donne au prêtre Aaron et à ses fils comme une redevance perpétuelle imposée aux enfants d’Israël.
35 C’est là le droit de l’onction d’Aaron et le droit de l’onction de ses fils sur les sacrifices faits par le feu à Yahweh, à partir du jour où on les présentera pour être prétres au service de Yahweh.
36 C’est ce que Yahweh a ordonné aux enfants d’Israël de leur donner depuis le jour de leur onction; ce sera une redevance perpétuelle parmi leurs descendants. ”
37 Telle est la loi de l’holocauste, de l’oblation, du sacrifice pour le péché, du sacrifice de réparation, de l’installation et du sacrifice pacifique.
38 Yahweh la prescrivit à Moïse sur la montagne de Sinaï, le jour où il ordonna aux enfants d’Israël de présenter leurs offrandes à Yahweh dans le désert de Sinaï.

Chapitres 08

1 Yahweh parla à Moïse, en disant:
2 ” Prends Aaron et ses fils avec lui, les vêtements, l’huile d’onction, le taureau pour le sacrifice pour le péché, les deux béliers et la corbeille de pains sans levain,
3 et convoque toute l’assemblée à l’entrée de la tente de réunion. ”
4 Moïse fit ce que Yahweh lui avait ordonné; et l’assemblée s’étant réunie à l’entrée de la tente de réunion,
5 Moïse dit à l’assemblée: ” Voici ce que Yahweh a ordonné de faire. ”
6 Moïse fit approcher Aaron et ses fils, et il les lava avec de l’eau.
7 Il mit à Aaron la tunique, le ceignit de la ceinture, le revêtit de la robe,
8 et il plaça sur lui l’éphod, qu’il serra avec la ceinture de l’éphod et il le lui attacha. Il lui mit le pectoral et il joignit au pectoral l’Urim et le Thummim;
9 et, ayant posé la tiare sur sa tête, il plaça sur le devant de la tiare la lame d’or, diadème sacré, comme Yahweh l’avait ordonné à Moïse.
10 Et Moïse prit l’huile d’onction, il oignit la Demeure et toutes les choses qui étaient dedans, et il les consacra.
11 Il en aspergea sept fois l’autel, et il oignit l’autel avec tous ses ustensiles, ainsi que le bassin avec sa base, pour les consacrer.
12 Il versa de l’huile d’onction sur la tête d’Aaron, et l’oignit pour le consacrer. Moïse fit aussi approcher les fils d’Aaron;
13 il les revêtit de tuniques, les ceignit de ceintures et leur attacha des mitres, comme Yahweh l’avait ordonné à Moïse.
14 II fit approcher le taureau du sacrifice pour le péché, et Aaron et ses fils posérent leurs mains sur la tête du taureau du sacrifice pour le péché.
15 Moïse l’égorgea, prit du sang, en mit avec son doigt sur les cornes de l’autel tout autour, et purifia l’autel; il répandit le reste du sang au pied de l’autel, et le consacra en faisant sur lui l’expiation.
16 Il prit ensuite toute la graisse qui enveloppe les entrailles, la taie du foie et les deux rognons avec leur graisse, et il les fit fumer sur l’autel.
17 Mais le taureau, sa peau, sa chair et ses excréments, il les brûla hors du camp, comme Yahweh l’avait ordonné à Moïse.
18 Il fit approcher le bélier de l’holocauste, et Aaron et ses fils posèrent leurs mains sur la tête du bélier.
19 On l’égorgea et Moïse répandit le sang sur l’autel tout autour.
20 Puis on coupa le bélier en morceaux, et Moïse fit fumer la tête, les morceaux et la graisse.
21 On lava dans l’eau les entrailles et les jambes, et Moïse fit fumer tout le bélier sur l’autel: c’était un holocauste d’agréable odeur, un sacrifice fait par le feu à Yahweh, comme Yahweh l’avait ordonné à Moïse.
22 Il fit approcher l’autre bélier, le bélier d’installation. Aaron et ses fils ayant posé leurs mains sur la tâte du bélier,
23 Moïse égorgea le bélier, prit de son sang, et en mit sur le lobe de l’oreille droite d’Aaron, sur le pouce de sa main droite et sur le gros orteil de son pied droit.
24 Il fit approcher les fils d’Aaron, mit du sang sur le lobe de leur oreille droite, sur le pouce de leur main droite et sur le gros orteil de leur pied droit;
25 puis il répandit le reste du sang sur l’autel tout autour. Il prit ensuite la graisse, la queue, toute la graisse qui couvre les entrailles, la taie du foie, les deux rognons avec leur graisse, et la cuisse droite;
26 il prit aussi, de la corbeille de pains sans levain placée devant Yahweh, un gâteau sans levain, un gâteau de pain pétri à l’huile et une galette, et il les posa sur les graisses et sur la cuisse droite;
27 et ayant mis toutes ces choses sur les mains d’Aaron et sur les mains de ses fils, il les balança en offrande devant Yahweh.
28 Puis Moïse les ôta de dessus leurs mains, et les fit fumer sur l’autel, par-dessus l’holocauste; car c’était un sacrifice d’installation, d’agréable odeur, sacrifice fait par le feu à Yahweh.
29 Moïse prit la poitrine du bélier d’installation et la balança en offrande devant Yahweh: ce fut la portion de Moïse, comme Yahweh l’avait ordonné à Moïse.
30 Moïse prit de l’huile d’onction et du sang qui était sur l’autel; il en fit l’aspersion sur Aaron et sur ses vêtements, sur les fils d’Aaron et sur leurs vêtements, et il consacra ainsi Aaron et ses vêtements, ses fils et leurs vêtements avec lui.
31 Moïse dit à Aaron et à ses fils: ” Faites cuire la chair à l’entrée de la tente de réunion; c’est là que vous la mangerez, avec le pain qui est dans la corbeille d’installation, comme je l’ai ordonné en disant: Aaron et ses fils la mangeront.
32 Et ce qui restera de la chair et du pain, vous le brûlerez dans le feu.
33 Pendant sept jours vous ne sortirez point de l’entrée de la tente de réunion, jusqu’à ce que soient accomplis les jours de votre installation; car votre installation durera sept jours.
34 Ce qui s’est fait aujourd’hui, Yahweh a ordonné de le faire durant sept jours afin de faire l’expiation pour vous.
35 Vous resterez sept jours, jour et nuit, à l’entrée de la tente de réunion, et vous observerez les ordres de Yahweh, afin que vous ne mouriez pas; car c’est là ce qui m’a été ordonné. ”
36 Aaron et ses fils firent toutes les choses que Yahweh avait commandées par Moïse.

Chapitres 09

1 Le huitième jour, Moïse appela Aaron et ses fils, et les anciens d’Israël.
2 Il dit à Aaron: ” Prends un jeune veau pour le sacrifice pour le péché et un bélier pour l’holocauste, tous deux sans défaut, et offre-les devant Yahweh.
3 Tu parleras aux enfants d’Israël, en disant: Prenez un bouc pour le sacrifice pour le péché; un veau et un agneau âgés d’un an et sans défaut pour l’holocauste;
4 un boeuf et un bélier pour le sacrifice pacifique, afin de les immoler devant Yahweh; et une oblation pétrie à l’huile. Car aujourd’hui Yahweh vous apparaîtra. ”
5 Ils amenèrent devant la tente de réunion ce que Moïse avait commandé, et toute l’assemblée s’approcha et se tint devant Yahweh.
6 Alors Moïse dit: ” Faites ce que Yahweh vous ordonne, et la gloire de Yahweh vous apparaîtra. ”
7 Moïse dit à Aaron: ” Approche-toi de l’autel; offre ton sacrifice pour le péché et ton holocauste, et fais l’expiation pour toi et pour le peuple; présente aussi l’offrande du peuple et fais l’expiation pour lui, comme Yahweh l’a ordonné. ”
8 Aaron s’approcha de l’autel et égorgea le veau du sacrifice pour le péché offert pour lui.
9 Les fils d’Aaron lui ayant présenté le sang, il y trempa son doigt, en mit sur les cornes de l’autel et répandit le sang au pied de l’autel.
10 Il fit fumer sur l’autel la graisse, les rognons et la taie du foie de la victime pour le péché, comme Yahweh l’avait ordonné à Moïse;
11 mais la chair et la peau, il les brûla par le feu hors du camp.
12 Il égorgea l’holocauste, et les fils d’Aaron lui ayant présenté le sang, il le répandit sur l’autel, tout autour.
13 Ils lui présentèrent l’holocauste coupé en morceaux, avec la tête, et il les fit fumer sur l’autel.
14 Il lava les entrailles et les jambes, et les fit fumer sur l’autel par-dessus l’holocauste.
15 Il présenta ensuite l’offrande du peuple. Il prit le bouc du sacrifice pour le péché offert pour le peuple et l’ayant égorgé, il l’offrit en expiation, comme il avait fait pour la première victime.
16 il offrit de même l’holocauste et le sacrifia suivant le rite.
17 Il présenta l’oblation, en prit une poignée et la consuma sur l’autel, en sus de l’holocauste du matin.
18 Enfin il égorgea le taureau et le bélier en sacrifice pacifique pour le peuple. Les fils d’Aaron lui présentèrent le sang, qu’il répandit sur l’autel tout autour;
19 ainsi que les parties grasses du taureau et du bélier, la queue, la graisse qui enveloppe les entrailles, les rognons et la taie du foie;
20 et ils placèrent les graisses sur les poitrines, et il fit fumer les graisses sur l’autel.
21 Puis Aaron balança devant Yahweh les poitrines et la cuisse droite en offrande balancée, comme Moïse l’avait ordonné.
22 Alors Aaron, élevant ses mains vers le peuple, le bénit; et il descendit, après avoir offert le sacrifice pour le péché, l’holocauste et le sacrifice pacifique.
23 Moïse et Aaron entrèrent dans la tente de réunion; lorsqu’ils en sortirent, ils bénirent le peuple.
24 Et la gloire de Yahweh apparut à tout le peuple, et le feu, sortant de devant Yahweh, dévora sur l’autel l’holocauste et les graisses. Et tout le peuple le vit; et ils poussèrent des cris de joie, et ils tombèrent sur leur face.

Chapitres 10
1 Les fils d’Aaron, Nadab et Abiu, prirent chacun leur encensoir, y mirent du feu et, ayant posé du parfum dessus, ils apportèrent devant Yahweh un feu étranger, ce qu’il ne leur avait point commandé.
2 Alors un feu sortit de devant Yahweh et les dévora: ils moururent devant Yahweh.
3 Et Moïse dit à Aaron: ” C’est ce que Yahweh a déclaré, lorsqu’il a dit: Je serai sanctifié en ceux qui m’approchent, et je serai glorifié en présence de tout le peuple. ”
4 Aaron se tut. Et Moïse appela Misaël et Elisaphon, fils d’Oziel, oncle d’Aaron, et il leur dit:
5 ” Approchez-vous, emportez vos frères loin du sanctuaire, hors du camp. ” ils s’approchèrent et les emportèrent revêtus de leurs tuniques hors du camp, comme Moïse l’avait ordonné.
6 Moïse dit à Aaron, à Eléazar et à Ithamar: ” Vous ne laisserez point flotter eu désordre les cheveux de votre tête et vous ne déchirerez point vos vêtements, de peur que vous ne mouriez, et que Yahweh ne s’irrite contre toute l’assemblée. Que vos frères, toute la maison d’Israël, pleurent sur l’embrasement que Yahweh a allumé.
7 Pour vous, vous ne sortirez point de l’entrée de la tente de réunion, de peur que vous ne mouriez; car l’huile de l’onction de Yahweh est sur vous. ” Ils firent ce que Moïse avait dit.
8 Yahweh parla à Aaron, en disant: ” Tu ne boiras ni vin, ni boisson enivrante, toi et tes fils avec toi,
9 lorsque vous entrerez dans la tente de réunion, afin que vous ne mouriez pas: c’est une loi perpétuelle parmi vos descendants,
10 et afin que vous sachiez discerner ce qui est saint de ce qui est profane, ce qui est pur de ce qui est impur,
11 et afin que vous puissiez enseigner aux enfants d’Israël toutes les lois que Yahweh leur a données par Moïse.
12 Moïse dit à Aaron, à Eléazar et à Ithamar, les deux fils qui restaient à Aaron ” Prenez l’oblation qui reste des sacrifices faits par le feu à Yahweh, et mangez-la sans levain près de l’autel, car c’est une chose très sainte.
13 Vous la mangerez dans un lieu saint: c’est ton droit et le droit de tes fils sur les offrandes faites par le feu à Yahweh; c’est là ce qui m’a été ordonné.
14 Vous mangerez aussi en lieu pur, toi, tes fils et tes filles avec toi, la poitrine qui aura été balancée et la cuisse qui aura été prélevée; car ces morceaux vous sont donnés comme ton droit et le droit de tes fils sur les sacrifices pacifiques des enfants d’Israël.
15 Ils apporteront, outre les graisses destinées à être consumées par le feu, la cuisse que l’on prélève et la poitrine que l’on balance, pour qu’elles soient balancées devant Yahweh; elles seront pour toi et pour tes fils avec toi par une loi perpétuelle, comme Yahweh l’a ordonné. ”
16 Moïse s’enquit du bouc immolé pour le péché, et voici, il avait été brûlé. Alors, il s’irrita contre Eléazar et Ithamar, les fils qui restaient à Aaron, et il leur dit:
17 ” Pourquoi n’avez-vous pas mangé la victime pour le péché dans le lieu saint? Car c’est une chose très sainte, et Yahweh vous l’a donnée, afin que vous portiez l’iniquité de l’assemblée, afin que vous fassiez pour elle l’expiation devant Yahweh.
18 Voici, le sang de la victime n’a pas été porté dans l’intérieur du sanctuaire; vous deviez la manger dans un lieu saint, comme je l’ai commandé. ” Aaron dit à Moïse:
19 ” Voici, ils ont offert aujourd’hui leur sacrifice pour le péché et leur holocauste devant Yahweh; mais, après ce qui m’est arrivé, si j’avais mangé aujourd’hui la victime pour le péché, cela eût-il été agréable aux yeux de Yahweh? ”
20 Moïse, ayant entendu ces paroles, il les eut pour agréables.

Chapitres 11

1 Yahweh parla à Moïse et à Aaron, en leur disant:
2 ” Parlez aux enfants d’Israël, et dites: Voici les animaux que vous mangerez parmi toutes les bêtes qui sont sur la terre:
3 Tout animal qui a la corne divisée et le pied fourchu, et qui rumine, vous le mangerez.
4 Mais vous ne mangerez pas de ceux qui ruminent seulement, ou qui ont seulement la corne divisée. Tel est le chameau, qui rumine, mais dont la corne n’est pas divisée: il sera impur pour vous.
5 Telle la gerboise, qui rumine, mais qui n’a pas la corné divisée: elle sera impure pour vous.
6 Tel le lièvre, qui rumine, mais qui n’a pas la corne divisée: il sera impur pour vous.
7 Tel le porc, qui a la corne divisée et le pied fourchu, mais qui ne rumine pas: il sera impur pour vous.
8 Vous ne mangerez pas de leur chair, et vous ne toucherez pas à leurs corps morts: ils seront impurs pour vous.
9 Voici les animaux que vous mangerez parmi tous ceux qui sont dans les eaux: Tout ce qui a nageoires et écailles, dans les eaux, soit dans la mer, soit dans les rivières, vous le mangerez.
10 Mais vous aurez en abomination tout ce qui n’a pas nageoires et écailles, dans les mers et dans les rivières, parmi tous les animaux qui se meuvent dans les eaux et parmi tous les êtres vivants qui s’y trouvent. Ils seront pour vous une abomination;
11 vous ne mangerez pas de leur chair, et vous tiendrez pour abominables leurs cadavres.
12 Tout ce qui, dans les eaux, n’a pas de nageoires et d’écailles, vous l’aurez en abomination.
13 Voici, parmi les oiseaux, ceux que vous aurez en abomination; on ne les mangera pas, c’est chose abominable l’aigle, l’orfraie et le vautour:
14 le milan et toute espèce de faucons;
15 toute espèce de corbeaux; l’autruche, le chat-huant,
16 la mouette et toute espèce d’éperviers;
17 le hibou, le cormoran et la chouette; le cygne,
18 le pélican et le gypaëte; la cigogne,
19 toute espèce de hérons; la huppe et la chauve-souris.
20 Tout insecte ailé qui marche sur quatre pattes, vous l’aurez en abomination.
21 Mais, parmi tous les insectes ailés qui marchent sur quatre pattes, vous mangerez ceux qui ont des jambes au-dessus de leurs pattes, pour sauter sur la terre.
22 Voici ceux d’entre eux que vous mangerez: toute espèce de sauterelles, toute espèce de solam, toute espèce de hargol, toute espèce de hagab.
23 Toute autre bête ailée ayant quatre pattes, vous l’aurez en abomination.
24 Ceux-ci aussi vous rendront impurs quiconque touchera leur corps mort sera impur jusqu’au soir,
25 et quiconque emportera quelque partie de leur corps mort lavera ses vêtements et sera impur jusqu’au soir.
26 Tout animal qui a la corne divisée, mais qui n’a pas le pied fourchu et qui ne rumine pas, sera impur pour vous; quiconque le touchera se rendra impur.
27 Et parmi les animaux à quatre pieds, tout ce qui marche sur la plante des pieds vous sera impur: quiconque touchera leur corps mort sera impur jusqu’au soir;
28 et quiconque portera leur corps mort lavera ses vêtements et sera impur jusqu’au soir. Ces animaux seront impurs pour vous.
29 Voici, parmi les petites bêtes qui rampent sur la terre, celles qui seront impures pour vous:
30 la belette, la souris et toute espèce de lézards; la musaraigne, le caméléon, la salamandre, le lézard vert et la taupe.
31 Tels sont ceux qui seront impurs pour vous parmi les reptiles: quiconque les touchera morts sera impur jusqu’au soir.
32 Tout objet sur lequel il en tombera de morts sera souillé ustensile de bois, vêtement, peau, sac, tout objet dont on fait usage; on le mettra dans l’eau, et il restera souillé jusqu’au soir;
33 après quoi, il sera pur. S’il en tombe quelque chose dans le milieu de tout vase de terre, tout ce qui sera dans le milieu du vase sera souillé, et vous briserez le vase.
34 Tout aliment servant à la nourriture et préparé avec de l’eau, sera souillé; toute boisson dont on fait usage, quel que soit le vase qui la contienne, sera souillée.
35 Tout objet sur lequel tombera quelque chose de leur corps mort sera souillé; le four et le vase avec son couvercle seront détruits; ils seront souillés et vous les tiendrez pour souillés.
36 Mais les sources et les citernes, où se forment les amas d’eau, resteront pures; toutefois celui qui touchera le corps mort sera impur.
37 S’il tombe quelque chose de leur corps mort sur une semence qui doit être semée, la semence restera pure;
38 mais si l’on a mis de l’eau sur la semence, et qu’il y tombe quelque chose de leur corps mort, vous la tiendrez pour souillée.
39 S’il meurt un des animaux qui vous servent de nourriture, celui qui touchera son cadavre sera impur jusqu’au soir.
40 Celui qui mangera de son corps mort lavera ses vêtements et sera impur jusqu’au soir; celui qui portera son corps mort, lavera ses vêtements et sera impur jusqu’au soir.
41 Vous aurez en abomination tout reptile qui rampe sur la terre: on n’en mangera point.
42 Vous ne mangerez d’aucun animal qui rampe sur la terre, soit de ceux qui se traînent sur le ventre, soit de ceux qui marchent sur quatre pieds ou sur un grand nombre de pieds; car vous les aurez en abomination.
43 Ne vous rendez point abominables par tous ces reptiles qui rampent; ne vous rendez point impurs par eux; vous seriez souillés par eux.
44 Car je suis Yahweh, votre Dieu; vous vous sanctifierez et vous serez saints, car je suis saint; et vous ne vous souillerez point par tous ces reptiles, qui rampent sur la terre.
45 Car je suis Yahweh, qui vous ai fait monter du pays d’Egypte, pour être votre Dieu. Vous serez saints, car je suis saint.
46 Telle est la loi touchant les quadrupèdes, les oiseaux, tous les êtres vivants qui se meuvent dans les eaux, et tous les êtres qui rampent sur la terre,
47 afin que vous distinguiez entre ce qui est impur et ce qui est pur, entre l’animal qui se mange et celui qui ne se mange pas.

Chapitres 12

1 Yahweh parla à Moïse, en disant: ” Parle aux enfants d’Israël, et dis-leur:
2 Quand une femme enfantera et mettra au monde un garçon, elle sera impure pendant sept jours; elle sera impure comme aux jours de son indisposition menstruelle.
3 Le huitième jour, l’enfant sera circoncis; mais elle restera encore trente-trois jours dans le sang de sa purification;
4 elle ne touchera aucune chose sainte et elle n’ira point au sanctuaire, jusqu’à ce que les jours de sa purification soient accomplis.
5 Si elle met au monde une fille, elle sera. impure pendant deux semaines, comme à son indisposition menstruelle, et elle restera soixante-six jours dans le sang de sa purification.
6 Lorsque les jours de sa purification seront accomplis, pour un fils ou une fille, elle présentera au prêtre, à l’entrée de la tente de réunion, un agneau d’un an en holocauste, et un jeune pigeon ou une tourterelle en sacrifice pour le péché.
7 Le prêtre les offrira devant Yahweh, et fera pour elle l’expiation, et elle sera pure du flux de son sang. Telle est la loi pour la femme qui met au monde soit un fils soit une fille.
8 Si elle n’a pas de quoi se procurer un agneau, qu’elle prenne deux tourterelles ou deux jeunes pigeons, l’un pour l’holocauste, l’autre pour le sacrifice pour le péché; et le prêtre fera pour elle l’expiation, et elle sera pure. ”

Chapitres 13

1 Yahweh parla à Moïse et à Aaron en disant:
2 ” Quand un homme aura sur la peau de sa chair une tumeur, une dartre ou une tache blanche, et qu’il viendra ainsi sur la peau de sa chair une plaie de lèpre, on l’amènera à Aaron, le prêtre, ou à l’un de ses fils qui sont prêtres.
3 Le prêtre examinera la plaie qui est sur la peau de la chair: si le poil de la plaie est devenu blanc et que la plaie paraisse plus profonde que la peau de la chair, c’est une plaie de lèpre: le prêtre, ayant examiné cet homme, le déclarera impur.
4 S’il y a sur la peau de sa chair une tache blanche qui ne paraisse pas plus profonde que la peau, et que le poil ne soit pas devenu blanc, le prêtre séquestrera pendant sept jours celui qui a la plaie.
5 Le septième jour le prêtre l’examinera: si la plaie lui parait n’avoir pas fait de progrès, ne s’étant pas étendue sur la peau, le prêtre le séquestrera une seconde fois pendant sept jours.
6 Le prêtre l’examinera une seconde fois le septième jour: si la plaie est devenue terne et ne s’est pas étendue sur la peau, le prêtre déclarera cet homme pur: c’est une dartre; il lavera ses vêtements, et il sera pur.
7 Mais si la dartre s’est étendue sur la peau, après qu’il s’est montré au prêtre pour être déclaré pur, il se montrera une seconde fois au prêtre.
8 Le prêtre l’examinera et, si la dartre s’est étendue sur la peau, le prêtre le déclarera impur c’est la lèpre.
9 Lorsqu’il y aura sur un homme une plaie de lèpre, on l’amènera au prêtre. Le prêtre l’examinera.
10 Et voici, il y a sur la peau une tumeur blanche, et cette tumeur a fait blanchir le poil, et il y a trace de chair vive dans la tumeur;
11 c’est une lèpre invétérée dans la peau de sa chair: le prêtre le déclarera impur; il ne l’enfermera pas, car cet homme est impur.
12 Mais si la lèpre s’est épanouie sur la peau et couvre toute la peau de celui qui a la plaie, depuis la tête jusqu’aux pieds, selon tout ce que voient les yeux du prêtre, le prêtre l’examinera,
13 et si la lèpre couvre tout le corps, il déclarera pur celui quia la plaie: il est devenu tout entier blanc; il est pur.
14 Mais le jour où l’on apercevra en lui de la chair vive, il sera impur;
15 quand le prêtre aura vu la chair vive, il le déclarera impur; la chair vive est impure, c’est la lèpre.
16 Si la chair vive change et devient blanche, il ira vers le prêtre. Le prêtre l’examinera,
17 et si la plaie est devenue blanche, le prêtre déclarera pur celui qui a la plaie: il est pur.
18 Lorsqu’un homme aura eu sur son corps, sur sa peau, un ulcère, et que, cet ulcère étant guéri,
19 il y aura, à la place de l’ulcère, une tumeur blanche ou une tache d’un blanc rougeâtre, cet homme se montrera au prêtre. Le prêtre l’examinera.
20 Si la tache paraît plus enfoncée que la peau, et que le poil y soit devenu blanc, le prêtre le déclarera impur: c’est une plaie de lèpre qui a fait éruption dans l’ulcère.
21 Mais si le prêtre voit qu’il n’y a pas de poil blanc dans la tache, que celle-ci n’est pas plus enfoncée que la peau et qu’elle est devenue pâle, il séquestrera cet homme pendant sept jours.
22 Si, durant ce temps, la tache s’est étendue sur la peau, le prêtre le déclarera impur c’est une plaie de lèpre.
23 Si au contraire la tache est restée à sa place, sans s’étendre, c’est la cicatrice de l’ulcère le prêtre le déclarera pur.
24 Lorsqu’un homme aura eu sur le corps, sur la peau, une brûlure faite par le feu, s’il se forme sur la trace de la brûlure une tache blanche ou d’un blanc rougeâtre, le prêtre l’examinera.
25 Si le poil est devenu blanc dans la tache et qu’elle paraisse plus profonde que la peau, c’est la lèpre, elle a fait éruption dans la brûlure; le prêtre déclarera cet homme impur; c’est une plaie de lèpre.
26 Mais si le prêtre voit qu’il n’y a pas de poil blanc dans la tache, qu’elle n’est pas plus enfoncée que la peau et qu’elle est devenue pâle, il séquestrera cet homme pendant sept jours.
27 Le prêtre l’examinera le septième jour. Si la tache s’est étendue sur la peau, le prêtre le déclarera impur. c’est une plaie de lèpre.
28 Mais si la tache est restée à la même place, sans s’étendre sur la peau, et qu’elle soit devenue pâle, c’est la tumeur de la brûlure; le prêtre le déclarera pur, car c’est la cicatrice de la brûlure.
29 Lorsqu’un homme ou une femme aura une plaie à la tête ou au menton, le prêtre examinera la plaie.
30 Si elle parait plus profonde que la peau, et qu’il y ait du poil jaunâtre et grêle, le prêtre déclarera cet homme impur: c’est le nétheq, c’est la lèpre de la tête ou du menton.
31 Si le prêtre voit que la plaie du nétheq ne parait pas plus profonde que la peau, sans pourtant qu’il y ait poil noir, le prêtre séquestrera pendant sept jours celui qui a la plaie du nétheq.
32 Le septième jour, le prêtre examinera la plaie. Si le nétheq ne s’est pas étendu, qu’il ne s’y trouve aucun poil jaunâtre et que le nétheq ne paraisse pas plus profond que la peau,
33 celui qui a le nétheq se rasera, mais il ne rasera pas l’endroit de la plaie, et le prêtre le séquestrera une deuxième fois pendant sept jours.
34 Le septième jour, le prêtre examinera le nétheq: si le nétheq ne s’est pas étendu sur la peau et qu’il ne paraisse pas plus profond que la peau, le prêtre déclarera cet homme pur:
35 il lavera ses vêtements, et il sera pur.
36 Si, cependant, après qu’il a été déclaré pur, le nétheq s’étend sur la peau, le prêtre l’examinera; et si le nétheq s’est étendu sur la peau, le prêtre n’aura pas à rechercher s’il y a du poil jaunâtre: l’homme est impur.
37 Mais si le nétheq lui paraît n’avoir pas fait de progrès, et qu’il y ait poussé des poils noirs, le nétheq est guéri l’homme est pur, et le prêtre le déclarera pur.
38 Lorsqu’un homme ou une femme aura sur la peau de sa chair des taches blanches, le prêtre l’examinera. S’il y a sur la peau de sa chair des taches d’un blanc pâle, c’est un exanthème qui a poussé sur la peau: il est pur.
40 Lorsqu’un homme a perdu ses cheveux sur la tête, il est chauve, mais il est pur.
41 Si ses cheveux sont tombés du côté de la face, il a le front chauve, mais il est pur.
42 Mais si, dans la partie chauve de devant ou de derrière, il se trouve une plaie d’un blanc rougeâtre, c’est la lèpre qui a fait éruption dans la partie chauve de derrière ou de devant.
43 Le prêtre l’examinera. Si la plaie est une tumeur d’un blanc rougeâtre dans la partie chauve de derrière ou de devant, ayant l’aspect d’une lèpre de la peau de la chair, c’est un homme lépreux, il est impur:
44 le prêtre le déclarera impur c’est à la tête qu’est sa plaie de lèpre.
45 Le lépreux, atteint de la plaie, portera ses vêtements déchirés et laissera flotter ses cheveux, il se couvrira la barbe et criera: Impur! impur!
46 Aussi longtemps que durera sa plaie, il sera impur. Il est impur; il habitera seul; sa demeure sera hors du camp.
47 Lorsque, sur un vêtement, il y aura une plaie de lèpre, sur un vêtement de lin ou sur un vêtement de laine,
48 au fil de lin ou de laine destiné à la chaîne ou à la trame, à une peau ou à quelque ouvrage fait de peau,
49 si la plaie est verdâtre ou rougeâtre sur le vêtement, sur la peau, sur le fil destiné à la chaîne ou à la trame, sur tout objet fait de peau, c’est une plaie de lèpre; on la montrera au prêtre.
50 Le prêtre, après avoir considéré la plaie, enfermera pendant sept jours l’objet qui a la plaie.
51 Le septième jour, il examinera la plaie: si la plaie s’est étendue sur le vêtement, sur le fil destiné à la chaîne ou à la trame, sur la peau ou sur un ouvrage quelconque qui est fait de peau, c’est une plaie de lèpre maligne; l’objet est impur.
52 Il brûlera le vêtement, le fil de lin ou de laine destiné à la chaîne ou à la trame, l’objet quelconque de peau sur lequel se trouve la plaie, car c’est une lèpre maligne l’objet sera brûlé au feu.
53 Mais si le prêtre voit que la plaie ne s’est pas étendue sur le vêtement. sur le fil destiné à la chaîne ou à la trame, sur tout objet fait de peau,
54 il fera laver l’objet qui a la plaie, et il l’enfermera une seconde fois pendant sept jours.
55 Le prêtre examinera la plaie, sept jours après qu’elleaura été lavée. Si elle n’a pas changéd’aspect et nes’est pas étendue, l’objet est impur: tu le consumeras par le feu; la lèpre en a rongé l’endroit ou l’envers.
56 Mais si le prêtre voit que la plaie, sept jours après avoir été lavée, est devenue pâle, il l’arrachera du vêtement, de la peau, ou du fil destiné à la chaîne ou à la trame.
57 Si elle reparaît ensuite sur le vêtement, sur le fil destiné à la chaîne ou à la trame, ou sur tout objet fait de peau, c’est une éruption de lèpre; tu consumeras par le feu l’objet atteint par la plaie.
58 Mais le vêtement, le fil pour la chaîne ou la trame, tout objet fait de peau que tu auras lavé et d’où la plaie aura disparu, sera lavé une seconde fois et il sera pur.
59 Telle est la loi sur la plaie de la lèpre qui attaque les vêtements de laine ou de lin, le fil pour la chaîne ou pour la trame, tout objet fait de peau, pour déclarer ces choses pures ou impures. ”

Chapitres 14

1 Yahweh parla à Moïse, en disant
2 ” Voici quelle sera la loi concernant le lépreux, pour le jour de sa purification.
3 On l’amènera au prêtre, et le prêtre, étant sorti du camp, l’examinera.
4 Si le lépreux est guéri de la plaie de lèpre, le prêtre ordonnera que l’on prenne pour celui qui doit être purifié deux oiseaux vivants et purs, du bois de cèdre, du cramoisi et de l’hysope.
5 Le prêtre fera égorger l’un des oiseaux au-dessus d’un vase de terre, sur de l’eau vive.
6 Puis, ayant pris l’oiseau vivant, le bois de cèdre, le cramoisi et l’hysope, il les trempera, ainsi que l’oiseau vivant, dans le sang de l’oiseau égorgé sur l’eau vive.
7 Il en aspergera sept fois celui qui doit être purifié de la lèpre, il le déclarera pur et lâchera dans les champs l’oiseau vivant.
8 Celui qui se purifie lavera ses vètements, rasera tout son poil et se baignera dans l’eau; et il sera pur. Ensuite il pourra entrer dans le camp, mais il restera sept jours hors de sa tente.
9 Le septième jour, il rasera tout son poil, ses cheveux, sa barbe, ses sourcils, il rasera tout son poil; il lavera ses vêtements et baignera son corps dans l’eau, et il sera pur.
10 Le huitième jour, il prendra deux agneaux sans défaut et une brebis d’un an sans défaut, trois dixièmes d’épha de fleur de farine pétrie à l’huile, en oblation, et un log d’huile.
11 Le prêtre qui fait la purification présentera l’homme qui se purifie et toutes ces choses devant Yahweh, à l’entrée de la tente de réunion.
12 Le prêtre prendra l’un des agneaux, et l’offrira en sacrifice de réparation, ainsi que le log d’huile; il les balancera en offrande balancée devant Yahweh.
13 Il immolera l’agneau dans le lieu où l’on immole les victimes pour le péché et l’holocauste, savoir, dans le lieu saint; car dans le sacrifice de réparation, comme dans le sacrifice pour le péché, la victime appartient au prêtre: c’est une chose très sainte.
14 Le prêtre, ayant pris du sang du sacrifice de réparation, en mettra sur le lobe de l’oreille droite de celui qui se purifie, sur le pouce de sa main droite et sur le gros orteil de son pied droit.
15 Le prêtre prendra le log d’huile, et il en versera dans le creux de sa main gauche.
16 Le prêtre trempera le doigt de sa main droite dans l’huile qui est dans le creux de sa main gauche, et fera avec le doigt sept fois l’aspersion de l’huile devant Yahweh.
17 Puis, de l’huile qui lui reste dans la main, le prêtre en mettra sur le lobe de l’oreille droite de celui qui se purifie, sur le pouce de sa main droite et sur le gros orteil de son pied droit, par-dessus le sang de la victime de réparation.
18 Ce qui lui reste d’huile dans la main, le piètre le mettra sur la tête de celui qui se purifie; et le prêtre fera pour lui l’expiation devant Yahweh.
19 Ensuite le prêtre offrira le sacrifice pour le péché, et il fera l’expiation pour celui qui se purifie de sa souillure.
20 Enfin, ayant égorgé l’holocauste, le prêtre offrira sur l’autel l’holocauste avec l’oblation; et il fera l’expiation pour cet homme, et il sera pur.
21 S’il est pauvre et que ses moyens soient limités, il prendra un seul agneau qui sera offert en sacrifice de réparation, en offrande balancée, pour faire l’expiation pour lui. Il prendra un seul dixième d’épha de fleur de farine pétrie à l’huile pour l’oblation, et un log d’huile;
22 ainsi que deux tourterelles ou deux jeunes pigeons, selon ses moyens, l’un pour le sacrifice pour le péché, l’autre pour l’holocauste.
23 Le huitième jour, il les apportera au prêtre pour sa purification, à l’entrée de la tente de réunion, devant Yahweh.
24 Le prêtre prendra l’agneau pour le sacrifice de réparation, et le log d’huile, et les balancera devant Yahweh.
25 Et, après avoir immolé l’agneau du sacrifice de réparation, le prêtre prendra du sang du sacrifice de réparation et en mettra sur le lobe de l’oreille droite de celui qui se purifie, sur le pouce de sa main droite et sur le gros orteil de son pied droit.
26 Le prêtre versera ensuite de l’huile dans le creux de sa main gauche.
27 Le prêtre fera avec le doigt de sa main droite l’aspersion de l’huile qui est dans sa main gauche, sept fois devant Yahweh.
28 Le prêtre mettra de l’huile qui est dans sa main sur le lobe de l’oreille droite de celui qui se purifie, sur le pouce de sa main droite et sur le gros orteil de son pied droit, à la place où il a mis du sang de la victime de réparation.
29 Ce qui lui restera d’huile dans la main, le prêtre le mettra sur la tête de celui qui se purifie, afin de faire pour lui l’expiation devant Yahweh.
30 Puis il offrira l’une des tourterelles ou l’un des jeunes pigeons qu’il aura pu se procurer, l’un en sacrifice pour le péché, l’autre en holocauste, avec oblation;
31 le prêtre fera ainsi, pour celui qui se purifie, l’expiation devant Yahweh.
32 Telle est la loi pour la purification de celui qui a une plaie de lèpre et dont les moyens sont limités. ”
33 Yahweh parla à Moïse et à Aaron, en disant:
34 ” Lorsque vous serez entrés dans le pays de Chanaan, dont je vous donne la possession, si je mets la plaie de lèpre sur une maison du pays que vous posséerez, le propriétaire de la maison ira le déclarer au prêtre, et dira:
35 J’aperçois comme une plaie de lèpre à ma maison.
36 Le prêtre, avant d’y entrer pour examiner la plaie, fera vider la maison, afin que tout ce qui s’y trouve ne devienne pas impur; après quoi, le prêtre entrera pour examiner la maison.
37 Le prêtre examinera la plaie. Si la plaie qui est aux murs de la maison présente des cavités verdâtres ou rougeâtres, paraissant enfoncées dans le mur,
38 le prêtre sortira de la maison jusqu’à la porte de la maison, et il fera fermer la maison pour sept jours.
39 Le prêtre y retournera le septième jour. S’il voit que la plaie s’est étendue sur les murs de la maison,
40 il ordonnera qu’on enlève les pierres atteintes de la plaie, et qu’on les jette hors de la ville, dans un lieu impur.
41 Il fera racler toute la maison à l’intérieur, et l’on versera hors de la ville, dans un lieu impur, la poussière qu’on aura raclée.
42 On prendra d’autres pierres que l’on mettra à la place des premières, et on prendra d’autre mortier pour recrépir la maison.
43 Si la plaie fait de nouveau éruption dans la maison, après qu’on aura enlevé les pierres, raclé et recrépi la maison, le prêtre y retournera et l’examinera.
44 Si la plaie s’est étendue dans la maison, c’est une lèpre maligne dans la maison elle est impure.
45 On démolira la maison, les pierres, le bois et tout le mortier de la maison, et l’on transportera ces choses hors de la ville, dans un lieu impur.
46 Celui qui sera entré dans la maison pendant tout le temps qu’elle a été déclarée close, sera impur jusqu’au soir.
47 Celui qui aura couché dans la maison lavera ses vêtements. Celui qui aura mangé dans la maison lavera aussi ses vêtements.
48 Mais si le prêtre, étant retourné dans la maison, voit que la plaie ne s’est pas étendue après que la maison a été recrépie, il déclarera la maison pure, car la plaie est guérie.
49 Il prendra, pour purifier la maison, deux oiseaux, du bois de cèdre, du cramoisi et de l’hysope;
50 puis il immolera l’un des oiseaux sur un vase de terre, sur de l’eau vive.
51 Et ayant pris le bois de cèdre, l’hysope, le cramoisi et l’oiseau vivant, il les trempera dans le sang de l’oiseau immolé et dans l’eau vive, et il en aspergera sept fois la maison.
52 Il purifiera la maison avec le sang de l’oiseau, avec l’eau vive, avec l’oiseau vivant, avec le bois de cèdre, l’hysope et le cramoisi.
53 Et il lâchera l’oiseau vivant hors de la ville, dans les champs. C’est ainsi qu’il fera l’expiation pour la maison, et elle sera pure.
54 Telle est la loi pour toute plaie de lèpre et pour le nétheq,
55 pour la lèpre des vêtements et des maisons,
56 pour les tumeurs, les dartres et les taches;
57 elle fait connaître quand une chose est impure et quand une chose est pure. Telle est la loi concernant la lèpre. ”

Chapitres 15

1 Yahweh parla à Moise et à Aaron, en disant:
2 ” Parlez aux enfants d’Israël, et dites-leur ” Tout homme qui a une gonorrhée est impur par là.
3 Et telle est la souillure provenant de son flux: soit que sa chair laisse couler son flux ou que sa chair retienne son flux, il y a souillure.
4 Tout lit sur lequel couchera celui qui a un flux sera impur; tout objet sur lequel il s’assiéra, sera impur.
5 Celui qui touchera son lit lavera ses vêtements, se baignera dans l’eau et sera impur jusqu’au soir.
6 Celui qui s’assiéra sur l’objet où se sera assis l’homme qui a un flux, lavera ses vêtements, se baignera dans l’eau et sera impur jusqu’au soir.
7 Celui qui touchera la chair de celui qui a un flux lavera ses vêtements, se baignera dans l’eau et sera impur jusqu’au soir.
8 Si celui qui a un flux crache sur un homme pur, cet homme lavera ses vêtements, se baignera dans l’eau et sera impur jusqu’au soir.
9 Toute selle sur laquelle sera monté celui qui a un flux sera impure.
10 Celui qui touchera une chose qui a été sous lui sera impur jusqu’au soir, et celui qui la portera lavera ses vêtements, se baignera dans l’eau et sera impur jusqu’au soir.
11 Celui qu’aura touché celui qui a un flux et qui n’aura pas lavé ses mains dans l’eau, lavera ses vêtements, se baignera dans l’eau et sera impur jusqu’au soir.
12 Tout vase de terre qu’aura touché celui qui a un flux sera brisé, et tout vase de bois sera lavé dans l’eau.
13 Lorsque celui qui a un flux sera purifié de son flux, il comptera sept jours pour sa purification; il lavera alors ses vêtements, baignera son corps dans de l’eau vive, et il sera pur.
14 Le huitième jour, ayant pris deux tourterelles ou deux jeunes pigeons, il viendra devant Yahweh, à l’entrée de la tente de réunion, et il les donnera au prêtre.
15 Le prêtre les offrira, l’un en sacrifice pour le péché, l’autre en holocauste, et le prêtre fera pour lui l’expiation devant Yahweh, à cause de son flux.
16 L’homme qui aura un épanchement séminal baignera tout son corps dans l’eau, et sera impur jusqu’au soir.
17 Tout vêtement et toute peau qui seront atteints par l’épanchement séminal seront lavés dans l’eau et seront impurs jusqu’au soir.
18 Si une femme a couché avec un homme et a eu commerce avec lui, elle se baignera dans l’eau ainsi que lui, et ils seront impurs jusqu’au soir.
19 Quand une femme aura un flux, un flux de sang dans sa chair, elle sera sept jours dans son impureté. Quiconque la touchera sera impur jusqu’au soir.
20 Tout meuble sur lequel elle se couchera pendant son impureté sera impur, et tout objet sur lequel elle s’assiéra sera impur.
21 Quiconque touchera son lit lavera ses vêtements, se baignera dans l’eau et sera impur jusqu’au soir.
22 Quiconque touchera un objet sur lequel elle se sera assise, lavera ses vêtements, se baignera dans l’eau et sera impur jusqu’au soir.
23 S’il y a une chose sur le lit ou sur le siège sur lequel elle s’est assise, celui qui la touchera sera impur jusqu’au soir.
24 Si un homme couche avec elle et que l’impureté de cette femme vienne sur lui, il sera impur pendant sept jours, et tout lit sur lequel il couchera sera impur.
25 Quand une femme aura un flux de sang pendant plusieurs jours en dehors du temps accoutumé, ou si son flux se prolonge au delà du temps de son impureté, elle sera impure tout le temps de ce flux, comme au temps de son impureté menstruelle.
26 Tout lit sur lequel elle couchera tout le temps de ce flux, sera pour elle comme le lit de son impureté menstruelle, et tout objet sur lequel elle s’assiéra, sera impur comme au temps de son impureté menstruelle.
27 Quiconque les touchera sera impur; il lavera ses vêtements, se baignera dans l’eau et sera impur jusqu’au soir.
28 Lorsqu’elle sera purifiée de son flux, elle comptera sept jours, après lesquels elle sera pure.
29 Le huitième jour, elle prendra deux tourterelles ou deux jeunes pigeons, et les apportera au prêtre, à l’entrée de la tente de réunion.
30 Le prêtre les offrira, l’un en sacrifice pour le péché, l’autre en holocauste, et le prêtre fera pour elle l’expiation devant Yahweh, à cause du flux qui la rendait impure.
31 Vous apprendrez aux enfants d’Israël à se purifier de leurs impuretés, de peur qu’ils ne meurent à cause de leur impureté, en souillant ma Demeure qui est au milieu d’eux.
32 Telle est la loi concernant l’homme qui a une gonorrhée ou qui est souillé par un épanchement séminal,
33 et concernant la femme qui a son flux menstruel, et toute personne ayant un flux, soit homme, soit femme, et pour l’homme qui couche avec une femme impure. ” Chapitre
1 Yahweh parla à Moïse, après la mort des deux fils d’Aaron, qui furent frappés lorsqu’ils s’approchèrent de la face de Yahweh.
2 Yahweh dit à Moïse: Parle à ton frère Aaron, afin qu’il n’entre pas en tout temps dans le sanctuaire, au-dedans du voile, devant le propitiatoire qui est sur l’arche, de peur qu’il ne meure; car j’apparais dans la nuée sur le propitiatoire.
3 Voici le rite suivant lequel Aaron entrera dans le sanctuaire. Il prendra un jeune taureau pour le sacrifice pour le péché et un bélier pour l’holocauste.
4 Il se revêtira de la sainte tunique de lin et mettra sur sa chair des caleçons de lin; il se ceindra d’une ceinture de lin et se couvrira la tête d’une tiare de lin: ce sont les vêtements sacrés qu’il revêtira, après avoir baigné son corps dans l’eau.
5 Il recevra de l’assemblée des enfants d’Israël deux boucs pour le sacrifice pour le péché, et un bélier pour l’holocauste.
6 Aaron offrira son taureau pour le péché, et il fera l’expiation pour lui et pour sa maison.
7 Puis il prendra les deux boucs et, les placera devant Yahweh, à l’entrée de la tente de réunion.
8 Aaron jettera le sort sur les deux boucs, un sort pour Yahweh et un sort pour Azazel.
9 Aaron fera approcher le bouc sur lequel sera tombé le sort pour Yahweh et l’offrira en sacrifice pour le péché.
10 Et le bouc sur lequel sera tombé le sort pour Azazel, il le placera vivant devant Yahweh, afin de faire l’expiation sur lui et de le lâcher dans le désert pour Azazel.
11 Aaron offrira donc le taureau du sacrifice pour le péché qui est pour lui, et il fera l’expiation pour lui et pour sa maison.
12 Après avoir égorgé son taureau pour le péché, il prendra un encensoir plein de charbons ardents de dessus l’autel, de devant Yahweh, et deux poignées de parfum odoriférant en poudre;
13 et ayant porté ces choses au delà du voile, il mettra le parfum sur le feu devant Yahweh, afin que la nuée du parfum couvre le propitiatoire qui est sur le témoignage, et qu’il ne meure pas.
14 Il prendra du sang du taureau, et en fera aspersion avec son doigt sur la face orientale du propitiatoire, et il fera avec son doigt sept fois aspersion du sang devant lé propitiatoire.
15 Il égorgera le bouc du sacrifice pour le péché qui est pour le peuple, et il en portera le sang au delà du voile et, faisant de ce sang comme il a fait du sang du taureau, il en fera l’aspersion une fois sur le propitiatoire et sept fois devant le propitiatoire.
16 C’est ainsi qu’il fera l’expiation pour le sanctuaire à cause des souillures des enfants d’Israël et de toutes leurs transgressions, selon qu’ils ont péché. Il fera de même pour la tente de réunion, qui demeure avec eux au milieu de leurs souillures.
17 Qu’il n’y ait personne dans la tente de réunion lorsqu’il entrera pour faire l’expiation dans le sanctuaire, jusqu’à ce qu’il en sorte. Il fera l’expiation pour lui, pour sa maison et pour toute l’assemblée d’Israël.
18 Il ira en sortant vers l’autel qui est devant Yahweh, et fera l’expiation pour l’autel: ayant pris du sang du taureau et du sang du bouc, il en mettra sur tes cornes de l’autel tout autour.
19 Il fera sur l’autel, avec son doigt, sept fois aspersion du sang; il le purifiera et le sanctifiera des souillures des enfants d’Israël.
20 Lorsqu’il aura achevé de faire l’expiation pour le sanctuaire, pour la tente de réunion et pour l’autel, Il présentera le bouc vivant.
21 Ayant posé ses deux mains sur la tête du bouc vivant, Aaron confessera sur lui toutes les iniquités des enfants d’Israël et toutes leurs transgressions, selon qu’ils ont péché; Il les mettra sur la tête du bouc et il l’enverra ensuite au désert par un homme tout prêt.
22 Le bouc emportera sur lui toutes leurs iniquités dans une terre inhabitée, et l’homme lâchera le bouc dans le désert.
23 Alors Aaron entrera dans la tente de réunion; il quittera les vêtements de lin qu’il avait revêtus pour entrer dans le sanctuaire
24 et, les ayant déposés là, il baignera son corps dans l’eau en un lieu saint et reprendra ses vêtements.
25 Il sortira ensuite, offrira son holocauste et celui du peuple, fera l’expiation pour lui et pour le peuple, et fera fumer sur l’autel la graisse du sacrifice pour le péché.
26 Celui qui aura lâché le bouc pour Azazel lavera ses vêtements et baignera son corps dans l’eau; après quoi, il rentrera dans le camp.
27 On emportera hors du camp lé taureau pour le péché et le bouc pour le péché, dont le sang aura été porté dans le sanctuaire pour faire l’expiation, et l’on consumera par le feu leur peau, leur chair et leurs excréments.
28 Celui qui les aura brûlés lavera ses vêtements et baignera son corps dans l’eau; après quoi, il rentrera dans le camp.
29 Ceci sera pour vous une loi perpétuelle: au septième mois, le dixième jour du mois, vous affligerez vos âmes et ne ferez aucun ouvrage, ni l’indigène, ni l’étranger qui séjourne au milieu de vous.
30 Car en ce jour on fera l’expiation pour vous, afin de vous purifier; vous serez purs de tous vos péchés devant Yahweh.
31 Ce sera pour vous un sabbat, un jour de repos, et vous affligerez vos àmes. C’est une loi perpétuelle.
32 L’expiation sera faite, dans l’avenir, par le grand prêtre qui aura reçu l’onction et qui aura été installé pour remplir les fonctions sacerdotales à la place de son père. Il revêtira des vêtements de lin, des vêtements sacrés.
33 Il fera l’expiation pour le sanctuaire de sainteté, il fera l’expiation pour la tente de réunion et pour l’autel des holocaustes; il fera l’expiation pour les prêtres et pour tout le peuple de l’assemblée.
34 Ce sera pour vous une loi perpétuelle: l’expiation se fera une fois chaque année pour les enfants d’Israël, à cause de leurs péchés. ” On fit ce que Yahweh avait ordonné à Moise.

Chapitres 16
1 L’Éternel parla à Moïse, après la mort des deux fils d’Aaron, qui moururent en se présentant devant l’Éternel.

2 L’Éternel dit à Moïse: Parle à ton frère Aaron, afin qu’il n’entre pas en tout temps dans le sanctuaire, au dedans du voile, devant le propitiatoire qui est sur l’arche, de peur qu’il ne meure; car j’apparaîtrai dans la nuée sur le propitiatoire.

3 Voici de quelle manière Aaron entrera dans le sanctuaire. Il prendra un jeune taureau pour le sacrifice d’expiation et un bélier pour l’holocauste.

4 Il se revêtira de la tunique sacrée de lin, et portera sur son corps des caleçons de lin; il se ceindra d’une ceinture de lin, et il se couvrira la tête d’une tiare de lin: ce sont les vêtements sacrés, dont il se revêtira après avoir lavé son corps dans l’eau.

5 Il recevra de l’assemblée des enfants d’Israël deux boucs pour le sacrifice d’expiation et un bélier pour l’holocauste.

6 Aaron offrira son taureau expiatoire, et il fera l’expiation pour lui et pour sa maison.

7 Il prendra les deux boucs, et il les placera devant l’Éternel, à l’entrée de la tente d’assignation.

8 Aaron jettera le sort sur les deux boucs, un sort pour l’Éternel et un sort pour Azazel.

9 Aaron fera approcher le bouc sur lequel est tombé le sort pour l’Éternel, et il l’offrira en sacrifice d’expiation.

10 Et le bouc sur lequel est tombé le sort pour Azazel sera placé vivant devant l’Éternel, afin qu’il serve à faire l’expiation et qu’il soit lâché dans le désert pour Azazel.

11 Aaron offrira son taureau expiatoire, et il fera l’expiation pour lui et pour sa maison. Il égorgera son taureau expiatoire.

12 Il prendra un brasier plein de charbons ardents ôtés de dessus l’autel devant l’Éternel, et de deux poignées de parfum odoriférants en poudre; il portera ces choses au delà du voile;

13 il mettra le parfum sur le feu devant l’Éternel, afin que la nuée du parfum couvre le propitiatoire qui est sur le témoignage, et il ne mourra point.

14 Il prendra du sang du taureau, et il fera l’aspersion avec son doigt sur le devant du propitiatoire vers l’orient; il fera avec son doigt sept fois l’aspersion du sang devant le propitiatoire.

15 Il égorgera le bouc expiatoire pour le peuple, et il en portera le sang au delà du voile. Il fera avec ce sang comme il a fait avec le sang du taureau, il en fera l’aspersion sur le propitiatoire et devant le propitiatoire.

16 C’est ainsi qu’il fera l’expiation pour le sanctuaire à cause des impuretés des enfants d’Israël et de toutes les transgressions par lesquelles ils ont péché. Il fera de même pour la tente d’assignation, qui est avec eux au milieu de leurs impuretés.

17 Il n’y aura personne dans la tente d’assignation lorsqu’il entrera pour faire l’expiation dans le sanctuaire, jusqu’à ce qu’il en sorte. Il fera l’expiation pour lui et pour sa maison, et pour toute l’assemblée d’Israël.

18 En sortant, il ira vers l’autel qui est devant l’Éternel, et il fera l’expiation pour l’autel; il prendra du sang du taureau et du bouc, et il en mettra sur les cornes de l’autel tout autour.

19 Il fera avec son doigt sept fois l’aspersion du sang sur l’autel; il le purifiera et le sanctifiera, à cause des impuretés des enfants d’Israël.

20 Lorsqu’il aura achevé de faire l’expiation pour le sanctuaire, pour la tente d’assignation et pour l’autel, il fera approcher le bouc vivant.

21 Aaron posera ses deux mains sur la tête du bouc vivant, et il confessera sur lui toutes les iniquités des enfants d’Israël et toutes les transgressions par lesquelles ils ont péché; il les mettra sur la tête du bouc, puis il le chassera dans le désert, à l’aide d’un homme qui aura cette charge.

22 Le bouc emportera sur lui toutes leurs iniquités dans une terre désolée; il sera chassé dans le désert.

23 Aaron entrera dans la tente d’assignation; il quittera les vêtements de lin qu’il avait mis en entrant dans le sanctuaire, et il les déposera là.

24 Il lavera son corps avec de l’eau dans un lieu saint, et reprendra ses vêtements. Puis il sortira, offrira son holocauste et l’holocauste du peuple, et fera l’expiation pour lui et pour le peuple.

25 Il brûlera sur l’autel la graisse de la victime expiatoire.

26 Celui qui aura chassé le bouc pour Azazel lavera ses vêtements, et lavera son corps dans l’eau; après cela, il rentrera dans le camp.

27 On emportera hors du camp le taureau expiatoire et le bouc expiatoire dont on a porté le sang dans le sanctuaire pour faire l’expiation, et l’on brûlera au feu leurs peaux, leur chair et leurs excréments.

28 Celui qui les brûlera lavera ses vêtements, et lavera son corps dans l’eau; après cela, il rentrera dans le camp.

29 C’est ici pour vous une loi perpétuelle: au septième mois, le dixième jour du mois, vous humilierez vos âmes, vous ne ferez aucun ouvrage, ni l’indigène, ni l’étranger qui séjourne au milieu de vous.

30 Car en ce jour on fera l’expiation pour vous, afin de vous purifier: vous serez purifiés de tous vos péchés devant l’Éternel.

31 Ce sera pour vous un sabbat, un jour de repos, et vous humilierez vos âmes. C’est une loi perpétuelle.

32 L’expiation sera faite par le sacrificateur qui a reçu l’onction et qui a été consacré pour succéder à son père dans le sacerdoce; il se revêtira des vêtements de lin, des vêtements sacrés.

33 Il fera l’expiation pour le sanctuaire de sainteté, il fera l’expiation pour la tente d’assignation et pour l’autel, et il fera l’expiation pour les sacrificateurs et pour tout le peuple de l’assemblée.

34 Ce sera pour vous une loi perpétuelle: il se fera une fois chaque année l’expiation pour les enfants d’Israël, à cause de leurs péchés. On fit ce que l’Éternel avait ordonné à Moïse.

Chapitres 17

1 Yahweh parla à Moise, en disant:
2 ” Parle à Aaron et à ses fils, et à tout les enfants d’Israël, et tu leur diras: Voici ce que Yahweh a ordonné.
3 Tout homme de la maison d’Israël qui, dans le camp ou hors du camp, égorge un boeuf, une brebis ou une chèvre,
4 sans l’amener à l’entrée de la tente de réunion pour te présenter en offrande à Yahweh devant la Demeure de Yahweh, le sang sera imputé à cet homme; il a répandu le sang, cet homme sera retranché du milieu de son peuple.
5 C’est afin que les enfants d’Israël, au lieu d’immoler leurs victimes dans la campagne, les amènent au prêtre devant Yahweh, à l’entrée de la tente de réunion, et qu’ils les offrent à Yahweh en sacrifice pacifique.
6 Le prêtre répandra le sang sur l’autel de Yahweh, à l’entrée de la tente de réunion, et il fera fumer la graisse en odeur agréable à Yahweh.
7 Ils n’offriront plus leurs sacrifices aux satyres, avec lesquels ils se prostituent. Ce sera pour eux une loi perpétuelle de génération en génération.
8 Tu leur diras encore: Tout homme de la maison d’Israël ou d’entre les étrangers séjournant au milieu d’eux qui offrira un holocauste ou un autre sacrifice,
9 et n’amènera pas la victime à l’entrée de la tente de réunion pour l’offrir en sacrifice à Yahweh, cet homme sera retranché du milieu de son peuple.
10 Tout homme de ta maison d’Israël ou d’entre les étrangers séjournant au milieu d’eux qui mangera te sang d’un animal quelconque, je tournerai ma face contre celui qui mange le sang, et je le retrancherai du milieu de son peuple;
11 car l’âme de la chair est dans le sang, et je vous l’ai conclu en vue de l’autel pour qu’il servit d’expiation pour vos âmes; car c’est par l’unie que te sang fait expiation.
12 C’est pourquoi j’ai dit aux enfants d’Israël: Personne d’entre vous ne mangera du sana, et l’étranger qui séjourne au milieu de vous ne mangera pas du sang.
13 Tout homme d’entre tes enfants d’Israël, d’entre tes étrangers séjournant au milieu d’eux qui prend à ta chasse un animal ou un oiseau qui se mange, il en versera te sang et le couvrira de terre;
14 car l’âme de toute chair, c’est son sang il en est son âme C’est pourquoi j’ai dit aux enfants d’Israël: Vous ne mangerez te sang d’au cune chair; car l’âme de toute chair, c’est son sang: quiconque en mangera sera retranché.
15 Toute personne, née dans le pays ou étrangère, qui mangera d’une bête morte ou déchirée, lavera ses vétements, se baignera dans l’eau, et sera impure jusqu’au soir; puis elle sera pure.
16 Si elle ne lave pas ses vêtements et son corps, elle portera s’en iniquité.

Chapitres 18
1 Yahweh parla à Moïse, en disant:
2 ” Parle aux enfants d’Israël, et dis leur: je suis Yahweh, votre Dieu.
3 Vous ne ferez point ce qui se fait dans le pays d’Egypte où vous avez habité, et vous ne ferez point ce qui se fait dans le pays de Channan où je vous conduis: vous ne suivrez pas leurs lois.
4 Vous pratiquerez mes ordonnances et vous observerez mes lois: vous les suivrez. Je suis Yahweh votre Dieu.
5 Vous observerez mes Lois et mes ordonnances; l’homme qui les mettra en pratique vivra par elles. Je suis Yahweh.
6 Aucun de vous ne s’approchera d’une femme qui est sa proche parente, pour découvrir sa nudité. Je suis Yahweh.
7 Tu ne découvriras pas la nudité de ton père et la nudité de ta mère. C’est ta mère, tu ne découvriras pas sa nudité.
8 Tu ne découvriras pas la nudité de la femme de ton père: c’est la nudité de ton père.
9 Tu ne découvriras pas la nudité de ta soeur, fille de ton père ou fille de ta mère, née dans la maison ou née hors de ta maison; tu ne découvriras pas leur nudité.
10 Tu ne découvriras pas la nudité de la fille de ton fils ou de la fille de ta fille: car c’est ta nudité.
11 Tu ne découvriras pas la nudité de la fille de la femme de ton père, née de ton père c’est ta soeur.
12 Tu ne découvriras pas la nudité de la soeur de ton père: c’est ta chair de ton père.
13 Tu ne découvriras pas la nudité de la soeur de ta mère c’est la chair de ta mère.
14 Tu ne découvriras pas la nudité du frère de ton père, en t’approchant de sa femme: c’est ta tante.
15 Tu ne découvriras pas la nudité de ta belle-fille: c’est la femme de ton fils, tu ne découvriras pas sa nudité.
16 Tu ne découvriras pas la nudité de la femme de ton frère: c’est ta nudité de ton frère.
17 Tu ne découvriras pas la nudité d’une femme et de sa fille: tu ne prendras pas la fille de son fils ni la fille de sa fille, pour découvrir leur nudité elles sont proches parentes, c’est un crime.
18 Tu ne prendras pas la soeur de ta femme, pour en faire une rivale, en découvrant sa nudité avec cette de ta femme, de son vivant.
19 Tu ne t’approcheras pas d’une femme pendant son impureté menstruelle, pour découvrir sa nudité.
20 Tu n’auras pas commerce avec la femme de ton prochain, pour te souiller avec elle.
21 Tu ne donneras aucun de tes enfants pour le faire passer par le feu en l’honneur de Moloch, et tu ne profaneras pas le nom de ton Dieu. Je suis Yahweh.
22 Tu ne coucheras pas avec un homme comme on fait avec une femme: c’est une abomination.
23 Tu ne coucheras pas avec une bête, pour te souiller avec elle. La femme ne se tiendra pas devant une bête pour se prostituer à elle: c’est une honte.
24 Ne vous souillez par aucune de ces choses, car c’est par elles que ce sont souillées les nations que je vais chasser devant vous.
25 Le pays a été souillé; je punirai ses iniquités, et le pays vomira ses habitants.
26 Mais vous, vous observerez mes lois et mes ordonnances, et vous ne commettrez aucune de ces abominations, ni l’indigène, ni l’étranger qui séjourne au milieu de vous.
27 Car toutes ces abominations, les hommes du pays, qui y ont été avant vous, les ont commises, et le pays en a été souillé.
28 Et le pays ne vous vomira pas pour l’avoir souillé, comme il a vomi les nations qui y étaient avant vous.
29 Car tous ceux qui commettront quelqu’une de ces abominations seront retranchés du milieu de leur peuple.
30 Vous observerez mes commandements, afin de ne pratiquer aucun des usages abominables qui se pratiquaient avant vous, et vous ne vous souillerez point par eux. Je suis Yahweh, votre Dieu. ”

Chapitres 19

1 Yahweh parla à Moïse, en disant:
2 ” Parle à toute l’assemblée d’Israël, et dis-leur: Soyez saints, car je suis saint, moi Yahweh, votre Dieu.
3 Que chacun de vous craigne sa mère et son père, et observe mes sabbats. Je suis Yahweh, votre Dieu.
4 Ne vous tournez point vers les idoles, et ne vous faites point de dieux de fonte. Je suis Yahweh, votre Dieu.
5 Quand vous offrirez à Yahweh un sacrifice pacifique, vous l’offrirez de manière à vous concilier sa faveur.
6 La victime sera mangée le jour où vous l’immolerez, ou le lendemain; ce qui restera jusqu’au troisième jour sera consumé par le feu.
7 Si quelqu’un en mange le troisième jour, c’est une abomination: le sacrifice ne sera point agréé.
8 Celui qui en mangera portera son iniquité, car il profane ce qui est consacré à Yahweh cet homme sera retranché de son peuple.
9 Quand vous ferez la moisson de votre pays, tu ne moissonneras pas jusqu’à la limite extrême de ton champ, et tu ne ramasseras pas ce qu’il y a à glaner de ta moisson.
10 Tu ne cueilleras pas non plus les grappes restées dans ta vigne, et tu ne ramasseras pas les fruits tombés dans ton verger; tu laisseras cela au pauvre et à l’étranger. Je suis Yahweh, votre Dieu.
11 Vous ne déroberez point, et vous n’userez ni de tromperie ni de mensonge les uns envers les autres.
12 Vous ne jurerez point par mon nom, en mentant, car tu profanerais le nom de ton Dieu. Je suis Yahweh.
13 Tu n’opprimeras point ton prochain, et tu ne le dépouilleras pas. Le salaire du mercenaire ne restera pas chez toi jusqu’au lendemain.
14 Tu ne proféreras point de malédiction contre un sourd, et tu ne mettras pas devant un aveugle quelque chose qui puisse le faire tomber; car tu auras la crainte de ton Dieu. Je suis Yahweh.
15 Vous ne commettrez pas d’injustice dans le jugement: tu n’auras pas de faveur pour le pauvre, et tu n’auras pas de complaisance pour le puissant; mais tu jugeras ton prochain selon la justice.
16 Tu n’iras pas semant la diffamation parmi ton peuple. Tu ne te tiendras pas comme témoin contre le sang de ton prochain. Je suis Yahweh.
17 Tu ne haïras point ton frère dans ton coeur, mais tu reprendras ton prochain, afin de ne pas te charger d’un péché à cause de lui.
18 Tu ne te vengeras point, et tu ne garderas point de rancune contre les enfants de ton peuple. Tu aimeras ton prochain comme toi-même. Je suis Yahweh. i Vous observerez mes lois.
19 Tu n’accoupleras point des bestiaux de deux espèces différentes; tu n’ensemenceras pas ton champ de deux espèces de semences; et tu ne porteras point un vêtement tissu de deux espèces de fils.
20 Si un homme couche et a commerce avec une femme qui soit une esclave fiancée à un autre homme et qui n’a pas été rachetée ou affranchie, ils seront châtiés tous deux, mais non punis de mort, parce que l’esclave n’était pas affranchie.
21 Pour sa faute, l’homme amènera à Yahweh, à l’entrée de la tente de réunion, un bélier en sacrifice de réparation.
22 Le prêtre fera pour lui l’expiation devant Yahweh avec le bélier du sacrifice de réparation, pour le péché qu’il a commis, et le péché qu’il a commis lui sera pardonné.
23 Quand vous serez entrés dans le pays et que vous aurez planté toutes sortes d’arbres fruitiers, vous en regarderez les fruits comme incirconcis: pendant trois ans, ils seront incirconcis pour vous on n’en mangera point.
24 La quatrième année, tous leurs fruits seront consacrés en louange à Yahweh.
25 La cinquième année, vous en mangerez les fruits, et ainsi l’arbre vous continuera son rapport. Je suis Yahweh, votre Dieu.
26 Vous ne mangerez rien avec du sang. Vous ne pratiquerez ni la divination ni la magie.
27 Vous ne tondrez point en rond les coins de votre chevelure, et tu ne raseras point les coins de ta barbe.
28 Vous ne ferez point d’incisions dans votre chair pour un mort, et vous n’imprimerez point de figures sur vous. Je suis Yahweh.
29 Ne profane pas ta fille en la prostituant, de peur que le pays ne se livre à la prostitution et ne se remplisse de crimes.
30 Vous observerez mes sabbats et vous révérerez mon sanctuaire. je suis Yahweh.
31 Ne vous adressez point à ceux qui évoquent les esprits, ni aux devins; ne les consultez point, pour ne pas être souillés par eux. je suis Yahweh, votre Dieu.
32 Tu te lèveras devant une tête blanchie, et tu honoreras la personne du vieillard. Tu craindras ton Dieu. Je suis Yahweh.
33 Si un étranger vient séjourner avec vous dans votre pays, vous ne l’opprimerez point.
34 Vous traiterez l’étranger en séjour parmi vous comme un indigène du milieu de vous; tu l’aimeras comme toi même, car vous avez été étrangers dans le pays d’Egypte. Je suis Yahweh, votre Dieu.
35 Vous ne commettrez point d’injustice, soit dans les jugements, soit dans les mesures de longueur, soit dans les poids, soit dans les mesures de capacité.
36 Vous aurez des balances justes, des poids justes, un épha juste et un hin juste. Je suis Yahweh, votre Dieu, qui vous ai fait sortir du pays d’Egypte.
37 Vous observerez toutes mes lois et toutes mes ordonnances, et vous les mettrez en pratique. Je suis Yahweh. ”

Chapitres 20

1 Yahweh parla à Moïse, en disant: ” Tu diras aux enfants d’Israël:
2 Quiconque d’entre les enfants d’Israël ou d’entre les étrangers qui séjournent en Israël donne à Moloch l’un de ses enfants, sera puni de mort: le peuple du pays le lapidera.
3 Et moi, je tournerai ma face contre cet homme, et je le retrancherai du milieu de son peuple, parce qu’il aura livré un de ses enfants à Moloch, pour souiller mon sanctuaire et profaner mon saint nom.
4 Si le peuple du pays ferme les yeux sur cet homme quand il donnera de ses enfants à Moloch, et ne le fait pas mourir,
5 moi, je tournerai ma face contre cet homme et contre sa famille, et je le retrancherai du milieu de son peuple, avec tous ceux qui se prostituent comme lui en se prostituant à Moloch.
6 Si quelqu’un s’adresse à ceux qui évoquent les esprits et aux devins, pour se prostituer après eux, je tournerai ma face contre cet homme et je le retrancherai du milieu de son peuple.
7 Vous vous sanctifierez et vous serez saints, car je suis Yahweh, votre Dieu.
8 Vous observerez mes lois et vous les mettrez en pratique. je suis Yahweh, qui vous sanctifie.
9 Quiconque maudit son père ou sa mère sera puni de mort; il a maudit son père ou sa mère: son sang est sur lui.
10 Si un homme commet adultère avec une femme mariée, et s’il commet adultère avec la femme de son prochain, ils seront tous deux punis de mort, l’homme et la femme adultères.
11 Si un homme couche avec la femme de son père, et découvre ainsi la nudité de son père, ils seront tous deux punis de mort: leur sang est sur eux.
12 Si un homme couche avec sa belle-fille, ils seront tous deux punis de mort; ils ont fait une chose honteuse: leur sang est sur eux.
13 Si un homme couche avec un homme comme on fait avec une femme, ils ont fait tous deux une chose abominable, ils seront punis de mort: leur sang est sur eux.
14 Si un homme prend pour femmes la fille et la mère, s’est un crime; on les livrera au feu, lui et elles, afin que ce crime n’existe pas parmi vous.
15 L’homme qui aura commerce avec une bête sera puni de mort, et vous tuerez la bête.
16 Si une femme s’approche d’une bête pour se prostituer à elle, tu tueras la femme et la bête; elles seront mises à mort: leur sang est sur elles.
17 Si un homme prend sa soeur, fille de son père ou fille de sa mère, s’il voit sa nudité et qu’elle voie la sienne, c’est une infamie; ils seront retranchés sous les yeux des enfants de leur peuple . Il a découvert la nudité de sa soeur, il portera son iniquité.
18 Si un homme couche avec une femme qui a son indisposition menstruelle, et découvre sa nudité, il a découvert son flux, et elle a découvert le flux de son sang; ils seront retranchés tous deux du milieu de leur peuple.
19 Tu ne découvriras point la nudité de la soeur de ta mère, ni de la soeur de ton père, car c’est découvrir sa propre chair: ils porteront leur iniquité.
20 Si un homme couche avec sa tante, il découvre la nudité de son oncle; ils porteront leur péché: ils mourront sans enfants.
21 Si un homme prend la femme de son frère, c’est une impureté; il a découvert la nudité de son frère: ils seront sans enfants.
22 Vous observerez toutes mes lois et toutes mes ordonnances et vous les mettrez en pratique, afin que le pays où je vous mène pour y habiter ne vous vomisse pas.
23 Vous ne suivrez pas les usages des nations que je vais chasser de devant vous; car elles ont fait toutes ces choses,. et je les ai en dégoût.
24 Je vous ai dit: C’est vous qui posséderez leur terre; je vous la donnerai pour la posséder; c’est un pays où coulent le lait et le miel. Je suis Yahweh, votre Dieu, qui vous ai séparés des autres peuples.
25 Vous distinguerez entre les animaux purs et impurs, entre les oiseaux purs et impurs, et vous ne vous rendrez pas abominables par des animaux, par des oiseaux et par tout ce qui se meut sur la terre, que je vous ai appris à distinguer comme
26 impurs.
26 Vous serez saints pour moi, car je suis saint, moi Yahweh, et je vous ai séparés des autres peuples, afin que vous soyez à moi.
27 Tout homme ou femme qui évoque les esprits ou s’adonne à la divination sera mis à mort; on les lapidera: leur sang est sur eux. ”

Chapitres 21

1 Yahweh dit à Moïse: Parle aux prêtres, fils d’Aaron, et dis-leur:
2 Nul ne se rendra impur au milieu de son peuple pour un mort, excepté pour son parent du même rang, pour sa mère, pour son père, pour son fils, pour sa fille; pour son frère,
3 et pour sa soeur vierge, qui vit auprès de lui, n’étant pas encore mariée; pour elle il se rendra impur.
4 Chef de maison parmi son peuple, il ne se souillera pas et ne profanera pas sa dignité.
5 Les prêtres ne se raseront pas la tête, ils n’enlèveront pas les côtés de leur barbe, et ils ne feront pas d’incisions dans leur chair.
6 Ils seront saints pour leur Dieu, et ils ne profaneront pas le nom de leur Dieu, car ils offrent à Yahweh des sacrifices consumés par le feu, le pain de leur Dieu: ils seront saints.
7 Ils ne prendront point une femme prostituée ou déshonorée; ils ne prendront point une femme répudiée par son mari, car le prêtre est saint pour son Dieu.
8 Tu le tiendras pour saint, car il offre le pain de ton Dieu; il sera saint pour toi, car je suis saint, moi Yahweh, qui vous sanctifie.
9 Si la fille d’un prêtre se déshonore en se prostituant, elle déshonore son père elle sera brûlée au feu.
10 Le grand prêtre qui est au-dessus de ses frères, sur la tête duquel a été répandue l’huile d’onction, et qui a été installé pour revêtir les vêtements sacrés, ne découvrira pas sa tête et ne déchirera pas ses vêtements.
11 Il n’approchera d’aucun mort; il ne se rendra impur ni pour son père, ni pour sa mère.
12 Il ne sortira pas du sanctuaire, et ne profanera pas le sanctuaire de son Dieu, car l’huile d’onction de son Dieu est un diadème sur lui. Je suis Yahweh:
13 Il prendra pour femme une vierge.
14 Il ne prendra ni une veuve, ni une femme répudiée, ni une femme déshonorée ou prostituée;
15 mais il prendra pour femme une vierge du milieu de son peuple. Il ne déshonorera pas sa postérité au milieu de son peuplé; car je suis Yahweh, qui le sanctifie.
16 Yahweh parla à Moïse, en disant: ” Parle à Aaron, et dis-lui:
17 Nul homme de ta race, dans toutes les générations, qui aura une difformité corporelle, n’approchera pour offrir le pain de ton Dieu.
18 Car nul homme qui a une difformité corporelle n’approchera: un homme aveugle ou boiteux,
19 ou qui aura une mutilation ou une excroissance; ou un homme qui aura une fracture au pied ou à la main;
20 qui sera bossu ou nain, ou qui aura une tache à l’oeil, la gale, une dartre ou les testitules écrasés.
21 Nul homme de la race du prêtre Aaron qui aura une difformité corporelle, ne s’approchera pour offrir à Yahweh les sacrifices faits par le feu:, il a une difformité corporelle qu’il ne s’approche point pour offrir le pain de son Dieu.
22 Il pourra manger le pain de son Dieu, des choses très saintes et des choses saintes.
23 Mais il n’ira point vers le voile et ne s’approchera point de l’autel, car il a une difformité corporelle; il ne profanera point mes sanctuaires, car je suis Yahweh; qui tes sanctifie. ”
24 Ainsi parla Moïse à Aaron et à ses fils, et à tous les enfants d’Israël.

Chapitres 22

1 Yahweh parla à Moïse, en disant:
2 ”Parle à Aaron et à ses fils, afin qu’ils s’abstiennent des choses saintes que me consacrent les enfants d’Israël, et qu’ils ne profanent pas mon saint nom. Je suis Yahweh.
3 Dis-leur: Tout homme de votre race qui, dans toutes vos générations; ayant sur lui quelque impureté, s’approchera des choses saintes que les enfants d’Israël cousacrent à Yahweh, sera retranché de devant moi. Je suis Yahweh.
4 Tout homme de la race d’Aaron qui aura la lèpre ou une gonorrhée, ne mangera pas des choses saintes, jusqu’à ce qu’il soit pur. Il en sera de même de celui qui aura touché une personne souillée par le coutact d’un cadavre, de celui qui aura eu un épanchement séminal,
5 de celui qui aura touché soit un animal rampant qui l’ait rendu impur, soit un homme impur qui lui ait communiqué sa souillure quelle qu’elle soit.
6 Celui qui touchera ces choses sera impur jusqu’au soir et il ne mangera pas des choses saintes; mais il baignera son corps dans l’eau
7 et, après le coucher du soleil, il sera pur; il pourra manger alors des choses saintes, car c’est sa nourriture:
8 Il ne mangera pas d’une bête morte ou déchirée; de manière à être souillé par elle; je suis Yahweh:
9 Ils observeront mes commandements, de peur qu’ils ne se chargent d’un péché à ce sujet, et qu’ils ne meurent pour avoir profané les choses saintes. Je suis Yahweh, qui les sanctifie.
10 Aucun étranger ne mangera des choses saintes; celui qui demeure chez un prêtre et le mercenaire ne mangeront point des choses saintes.
11 Mais un esclave acquis par le prêtre à prix d’argent pourra en manger; il en est de même de celui qui est né dans sa maison: ils mangeront de sa nourriture.
12 La fille d’un prêtre, mariée à un étranger, ne mangera pas de ce qui a été prélevé sur les choses saintes.
13 Mais si la fille d’un prêtre, devenue veuve ou répudiée, sans avoir d’enfants, retourne dans la: maison de son père, comme elle y était ans sa jeunesse, elle pourra manger de la nourriture de son père; mais aucun étranger n’en mangera.
14 Si un homme mange par erreur d’une chose sainte, il restituera au prêtre la valeur de la chose sainte, en y ajoutant un cinquième.
15 Les prêtres ne profaneront point les choses saintes des enfants d’Israël, ce qu’ils ont prélevé pour Yahweh,
16 et ne leur feront pas porter le poids de la faute qu’ils commettraient en mangeant leurs choses saintes; car je suis Yahweh, qui les sanctifie.
17 Yahweh parla à Moise, en disant: Parle à Aaron et à ses fils, ainsi qu’à tous les enfants d’Israël; et dis-leur:
18 Qui que ce soit de la maison d’Israël ou des étrangers en Israël qui présente son offrande, soit pour l’accomplissement d’un voeu, soit comme don volontaire,
19 s’il l’offre à Yahweh en holocauste, pour que vous soyez agréés, que la victime soit un mâle sans défaut, d’entre les boeufs, les brebis ou les chèvres.
20 Vous n’en offrirez aucune qui ait un défaut, car elle ne serait pas agréée.
21 Quand un homme offre à Yahweh du gros ou du menu bétail en sacrifice pacifique, soit pour s’acquitter d’un voeu, soit comme offrande volontaire, la victime, pour être agréée, devra être parfaite; il n’y aura en elle aucun défaut.
22 Un animal aveugle, estropié ou mutilé, ayant un ulcère, la gale ou une dartre, vous ne l’offrirez pas à Yahweh; vous n’en ferez point sur l’autel un sacrifice par le feu à Yahweh.
23 Tu pourras immoler comme offrande volontaire un boeuf ou une brebis ayant un membre trop long ou trop court; mais, pour l’accomplissement d’un voeu, cette victime ne serait pas agréée.
24 Vous n’offrirez point à Yahweh un animal qui ait les testicules froissés, écrasés, arrachés ou coupés; vous ne ferez pas cela dans votre pays.
25 Même de la main d’un étranger, vous n’accepterez aucune de ces victimes pour l’offrir comme aliment de votre Dieu; car elles sont corrompues, il y a en elles un défaut: elles ne seraient pas agréées pour vous. ”
26 Yahweh dit à Moise: ” Un boeuf, un agneau ou une chèvre, quand il naîtra, restera sept jours sous sa mère;
27 à partir du huitième jour et les jours suivants, il sera agréé pour être offert en sacrifice fait par le feu à Yahweh.
28 Boeuf ou agneau, vous n’immolerez pas l’animal et son petit le même jour.
29 Quand vous offrirez à Yahweh un sacrifice d’actions de grâces, vous l’offrirez de manière qu’il suit agréé;
30 pour cela, la victime sera mangée le même jour; vous n’en laisserez rien jusqu’au matin. Je suis Yahweh.
31 Vous observerez mes commandements et les mettrez en pratique: je suis Yahweh.
32 Vous ne profanerez pas mon saint nom, et je serai sanctifié au milieu des enfants d’Israël.
33 Je suis Yahweh, qui vous sanctifie, celui qui vous a fait sortir du pays d’Egypte, pour être votre Dieu. Je suis Yahweh. ” Chapitre

Chapitres 23

1 Yahweh parla à Moise, en disant ” Parle aux enfants d’Israël, et dis-leur:
2 Voici les solennités de Yahweh que vous publierez pour être de saintes assemblées; ce sont mes solennités.
3 On travaillera durant six jours; mais le septième jour est un sabbat, un repos complet: il y aura une sainte assemblée. Vous ne ferez aucun ouvrage. C’est un repos consacré à Yahweh, dans tous les lieux que vous habiterez.
4 Voici les fêtes de Yahweh, les saintes assemblées que vous publierez en leur temps.
5 Au premier mois, le quatorzième jour du mois, entre les deux soirs, c’est la Pâque de Yahweh.
6 Et le quinzième jour de ce mois, c’est la fête des pains sans levain en l’honneur de Yahweh pendant sept jours, vous mangerez des pains sans levain.
7 Le premier jour vous aurez une sainte assemblée: vous ne ferez aucune oeuvre servile.
8 Vous offrirez à Yahweh, pendant sept jours, des sacrifices faits par le feu. Le septième jour, il y aura une sainte assemblée vous ne ferez aucune oeuvre servile. ”
9 Yahweh parla à Moise, en disant: ” Parle aux enfants d’Israël, et dis-leur:
10 Quand vous serez entrés dans le pays que je vous donne, et que vous y ferez la moisson, vous apporterez au prêtre une gerbe, prémices de votre moisson.
11 Il balancera cette gerbe devant Yahweh, pour qu’il vous soit favorable; le prêtre la balancera le lendemain du sabbat.
12 Le jour où vous balancerez la gerbe, vous sacrifierez en holocauste à Yahweh un agneau d’un an, sans défaut;
13 l’oblation qui l’accompagnera sera de deux dixièmes de fleur de farine pétrie e àl’huile, comme offrande faite par le feu, d’une agréable odeur à Yahweh; la libation sera de vin, le quart d’un hin.
14 Vous ne mangerez ni pain, ni épis grillés, ni épis frais, jusqu’à ce jour même jusqu’à ce que vous apportiez l’offrande de votre Dieu. C’est une loi perpétuelle pour vos descendants, dans tous les lieux que vous habiterez.
15 A partir du lendemain du sabbat, du jour où vous aurez apporté la gerbe pour être balancée, vous compterez sept semaines entières.
16 Vous compterez cinquante jours jusqu’au lendemain du septième sabbat, et vous offrirez à Yahweh une oblation nouvelle.
17 Vous apporterez de vos demeures deux pains pour offrande balancée; ils seront faits avec deux dixièmes d’épha de fleur de farine, et cuits avec du levain: ce sont les prémices de Yahweh.
18 Avec ces pains, vous offrirez en holocauste à Yahweh sept agneaux d’un an, sans défaut, un jeune taureau et deux béliers, en y joignant l’oblation et la libation ordinaires: ce sera un sacrifice fait par le feu, d’une agréable odeur à Yahweh.
19 Vous immolerez aussi un bouc en sacrifice pour le péché, et deux agneaux d’un an en sacrifice pacifique.
20 Le prêtre balancera les victimes avec les pains des prémices en offrande balancée devant Yahweh, avec les deux agneaux; ils seront consacrés à Yahweh et appartiendront au prêtre.
21 Ce jour-là même, vous publierez la fête, et vous aurez une sainte assemblée: vous ne ferez aucune oeuvre servile. C’est une loi perpétuelle pour vos descendants, dans tous les lieux où vous habiterez.
22 Quand vous ferez la moisson dans votre pays, tu ne moissonneras pas jusqu’à la limite extrême de ton champ, et tu ne ramasseras pas de ta moisson ce qui reste à glaner; tu laisseras cela pour le pauvre et pour l’étranger. Je suis Yahweh, votre Dleu. ”
23 Yahweh parla à Moise, en disant: ” Parle aux enfants d’Israël et dis-leur:
24 Au septième mois, le premier jour du mois, vous aurez un repos solennel, un rappel à son de cor, une sainte assemblée.
25 Vous ne ferez aucune oeuvre servile, et vous offrirez à Yahweh des sacrifices faits par le feu. ”
26 Yahweh parla à Moise, en disant:
27 ” Le dixième jour de ce septième mois est le jour des Expiations: vous aurez une sainte assemblée, vous affligerez vos âmes, et vous offrirez à Yahweh des sacrifices faits par le feu.
28 Vous ne ferez ce jour-là aucun travail, car c’est un jour d’expiation, où doit être faite l’expiation pour vous devant Yahweh, votre Dieu.
29 Toute personne qui ne s’affligera pas ce jour-là sera retranchée de son peuple;
30 et toute personne qui fera ce jour-là un ouvrage quelconque, je la ferai périr du milieu de son peuple.
31 Vous ne ferez aucun travail. C’est une loi perpétuelle pour vos descendants, dans tous les lieux où vous demeurerez.
32 Ce sera pour vous un sabbat, un repos absolu, et vous affligerez vos âmes; le neuvième jour du mois, au soir, du soir jusqu’au soir suivant, vous observerez votre sabbat. ”
33 Yahweh parla à Moïse, en disant: ” Parle aux enfants d’Israël, et dis-leur:
34 Au quinzième jour de ce septième mots, c’est ta fête des Tabernacles, pendant sept jours, en l’honneur de Yahweh.
35 Le premier jour, il y aura une sainte assemblée; vous ne ferez aucune oeuvre servile.
36 Pendant sept jours, vous offrirez à Yahweh des sacrifices faits par le feu. Le huitième jour, vous aurez une sainte assemblée, et vous offrirez à Yahweh des sacrifices faits par le feu; c’est une fête de clôture: vous ne ferez aucune oeuvre servile.
37 Telles sont les fêtes de Yahweh que vous publierez pour y tenir de saintes assemblées, pour offrir à Yahweh des sacrifices faits par le feu, des holocaustes, des oblations, des victimes et des libations,
38 chacun d’eux à son jour: indépendamment des sabbats de Yahweh, indépendamment de vos dons, indépendamment de tous vos voeux et indépendamment de toutes vos offrandes volontaires que vous présenterez à Yahweh.
39 Le quinzième jour du septième mois, quand vous aurez récolté les produits du pays, vous célébrerez la fête de Yahweh pendant sept jours; le premier jour sera un repos solennel, et le huitième jour un repos solennel.
40 Vous prendrez, le premier jour, du fruit de beaux arbres, des branches de palmiers, des rameaux d’arbres touffus et des saules de rivière; et vous vous réjouirez devant Yahweh, votre Dieu, pendant sept jours.
41 Vous célébrerez cette fête en l’honneur de Yahweh sept jours chaque année. C’est une loi perpétuelle pour vos descendants; vous la célébrerez le septième mois.
42 Vous demeurerez pendant sept jours sous des huttes de feuillage: tous les indigènes en Israël demeureront dans des huttes;
43 afin que vos descendants sachent que j’ai fait habiter sous des huttes les enfants d’Israël, lorsque je les ai fait sortir du pays d’Egypte. Je suis Yahweh, votre Dieu. ”
44 Moise fit ainsi connaitre aux enfants d’Israël les fêtes de Yahweh. ”

Chapitres 24

1 Yahweh parla â Moïse, en disant:
2 ”Ordonne aux enfants d’Israël de t’apporter pour le chandelier de l’huile pure d’olives concassées, pour entretenir les lampes continuellement.
3 En dehors du voile qui est devant le témoignage, dans la tente de réunion, Aaron la préparera pour brûler continuellement du soir au matin en présence de Yahweh.
4 C’est une loi perpétuelle pour vos descendants. Il arrangera les lampes sur le chandelier d’or pur, pour qu’elles brûlent constamment devant Yahweh.
5 ”Tu prendras de la fleur de farine, et tu en cuiras douze gâteaux; chaque gâteau sera de deux dixièmes d’éphac.
6 Tu les placeras en deux piles, six par pile, sur la table d’or pur devant Yahweh.
7 Tu mettras de l’encens pur sur chaque pile, et il servira, pour le pain, de mémorial offert par le feu à Yahweh.
8 Chaque jour de sabbat, on disposera ces pains devant Yahweh constamment, de la part des enfants d’Israël: c’est une alliance perpétuelle.
9 Ils appartiendront à Aaron et à ses fils, qui les mangeront en lieu saint; car c’est pour eux une chose très sainte parmi les offrandes faites par le feu à Yahweh. C’est une loi perpétuelle. ”
10 Le fils d’une femme israélite, mais qui était fils d’un Egyptien, vint au milieu des enfants d’Israël, et il y eut une querelle dans le camp entre le fils de la femme israélite et un homme d’Israël.
11 Le fils de la fortune israélite blasphéma le Nom sacré et le maudit, et sa mère s’appelait Salumith, fille de Dabri, de la tribu de pont.
12 On le mit sous garde, pour que Moise leur déclarat de la part de Yahweh, ce qu’il y avait à faire.
13 Yahweh parla à Moise, en disant:
14 Fais sortir du camp le blasphémateur; que tous ceux qui l’ont entendu posent leurs mains sur sa tête, et que toute l’assemblée le lapide.
15 Tu parleras aux enfants d’Israël, en disant: Tout homme qui maudit son Dieu portera son péché;
16 et celui qui blasphémera le nom de Yahweh sera puni de mort: toute l’assemblée le lapidera. Etranger on indigène, s’il blasphème le Nom sacré, il mourra.
17 Celui qui frappe un homme mortellement sera mis à mort.
18 Celui qui frappe mortellement une tête de bétail en donnera une autre: vie pour vie.
19 Si quelqu’un fait une blessure à son prochain, on lui fera comme il a fait:
20 fracture pour fracture, oeil pour oeil, dent pour dent; on lui fera la même blessure qu’il a faite à son prochain.
21 Celui qui aura tué une pièce de bétail en rendra une autre; maais celui qui aura tué un homme sera mis à mort.
22 La méme loi régnera parmi vous, pour l’étranger comme pour l’indigène; car je suis Yahweh, votre Dieu. ”
23 Moise ayant ainsi parlé aux enfants d’Israël, ils firent sortir du camp le blasphémateur, et le lapidèrent.
24 Les enfants d’Israël firent selon que Yahweh avait ordonné à Moïse.

Chapitres 25

1 Yahweh parla à Moïse sur la montagne de Sinaï, en disant:
2 ” Parle aux enfants d’Israël, et dis-leur: Quand vous serez entrés dans le pays que je vous donne, la terre se reposera ce sera un sabbat en l’honneur de Yahweh.
3 Pendant six ans tu ensemenceras ton champ, pendant six ans tu tailleras ta vigne, et tu en recueilleras le produit.
4 Mais la septième année sera un sabbat, un solennel repos pour la terre, un sabbat en l’honneur de Yahweh: tu n’ensemenceras point ton champ et tu ne tailleras point ta vigne.
5 Tu ne moissonneras pas ce qui poussera de soi-même, des grains tombés de ta dernière moisson, et tu ne recueilleras point les raisins de ta vigne non taillée: ce sera une année de repos pour la terre.
6 Ce que produira la terre pendant son sabbat vous servira de nourriture, à toi, à ton serviteur et à ta servante, à ton mercenaire et à l’étranger qui demeurent avec toi;
7 à ton bétail aussi et aux animaux qui sont dans tan pays, tout son produit servira de nourriture.
8 Tu compteras sept sabbats d’années, sept fois sept ans; la durée de ces sept sabbats d’années te fera une période de quarante-neuf ans.
9 Le dixième jour du septième mais, tu feras retentir le son éclatant de la trompette; le jour des Expiations, vous ferez passer la trompette dans tout votre pays.
10 Et vous sanctifierez la cinquantième année, et vous publierez la liberté dans le pays pour tous ses habitants. Ce sera pour vous un jubilé, et chacun de vous retournera dans sa propriété et chacun de vous retournera dans sa famille.
11 La cinquantième année sera pour vous un jubilé; vous ne sèmerez point, vous ne moissonnerez point ce que la terre produira d’elle-même, et vous ne vendangerez point la vigne non taillée.
12 Car c’est un jubilé; il sera sacré pour vous. Vous mangerez le produit tiré de vos champs.
13 Dans cette année de jubilé, chacun de vous retournera dans sa propriété.
14 Si vous faites une vente à votre prochain, ou si vous achetez de votre prochain, qu’aucun de vous ne porte préjudice à son frère.
15 Tu achèteras à ton prochain d’après le nombre des années écoulées depuis le dernier jubilé, et il te vendra d’après le nombre des années de récolte.
16 Plus il restera d’années, plus tu élèveras le prix, et moins il y aura d’années, plus tu abaisseras leprix; car c’est le nombre des récoltes qu’il te vend.
17 Qu’aucun de vous ne porte préjudice à son frère; crains ton Dieu, car jesuis Yahweh, votre Dieu.
18 Vous mettrez mes lois en pratique, vous observerez mes ordonnances et les mettrez en pratique, et vous habiterez en sécurité dans le pays.
19 La terre donnera ses fruits, vous ntangerez à satiété et vous y habiterez en sécurité.
20 Si vous dites: Que mangerons-nous la septième année, puisque nous ne sèmerons point et ne recueillerons point nos produits?
21 Je vous enverrai ma bénédiction la sixième année, et elle produira des fruits pour trois ans.
22 Vous sèmerez la huitième année, et vous mangerez de l’ancienne récolte; jusqu’à la neuvième année, jusqu’à ce que vienne sa récolte, vous mangerez l’ancienne.
23 Les terres ne se vendront point à perpétuité, car le pays est à moi, et vous êtes chez moi comme des étrangers et des gens en séjour.
24 Dans tout le pays que vous posséderez, vous accorderez un droit de rachat pour les terres.
25 Si ton frère est devenu pauvre et vend une portion de sa propriété, son représentant, son parent le plus proche viendra et rachètera ce qu’a vendu son frère.
26 Si un homme n’a personne qui le représente, et que lui même se procure de quoi faire le rachat,
27 il comptera les années écoulées depuis la vente, rendra le surplus à l’acquéreur, et retournera dans sa propriété.
28 S’il ne trouve pas de quoi lui faire cette restitution, le bien vendu restera entre les mains de l’acquéreur jusqu’à l’an née du jubilé; au jubilé, il sera libéré, et le vendeur rentrera dans sa propriété.
29 Si un homme vend une maison d’habitation dans rue ville entourée de tours, il aura le droit de rachat jusqu’au terme de l’année de la vente; son droit de rachat durera une année pleine.
30 Que si la maison qui est située dans une ville murée n’est pas rachetée avant l’expiration d’une année complète, elle appartiendra à perpétuité à l’acquéreur et à ses descendants; elle ne sortira pas de leur possession au jubilé.
31 Mais les maisons des villages non entourés de murs seront considérées comme allant avec le fonds de terre; on pourra les racheter, et elles seront libérées au jubilé.
32 Quant aux villes des Léviteses aux maisons des villes qu’ils posséderont, les Lévites auront un droit perpétuel de rachat.
33 Si quelqu’un achète des Lévites une maison, la maison vendue dans la ville qui leur a été donnée sera libérée au jubilé, car les maisons des villes des Lévites sont leur propriété au milieu des enfants d’Israël.
34 Les champs de la banlieue des villes des Lévites ne seront point vendus, car c’est leur possession à perpétuité.
35 Si ton frère devient pauvre et que sa main s’affaiblisse près de toi, tu le soutiendras, fut-il étranger ou hôte, afin qu’il vive auprès de toi.
36 Ne tire de lui ni intérêt ni profit, mais crains ton Dieu et que ton frère vive avec toi.
37 Tu ne lui prêteras point ton argent à intérêt, et tu ne lui donneras point de tes vivres pour en tirer profit.
38 Je suis Yahweh, ton Dieu, qui vous ai fait sortir du pays d’Egypte, pour vous donner le pays de Chanaan, pour être votre Dieu.
39 Si ton frère devient pauvre près de toi et qu’il se vende à toi, tu n’exigeras pas de lui le travail d’un esclave.
40 Il sera chez toi comme un mercenaire, comme tin hôte; il te servira jusqu’à l’année du jubilé.
41 Il sortira alors de chez toi, lui et ses enfants avec lui, et il retournera dans sa famille, et rentrera dans la propriété de ses pères.
42 Car ils sont mes serviteurs, que j’ai fait sortir du pays d’Egypte:
42 ils ne seront point vendus comme on vend des esclaves.
43 Tu ne domineras point sur lui avec dureté, mais tu craindras ton Dieu.
44 Tes esclaves et tes servantes qui t’appartiendront, tu les prendras des nations qui t’entourent; c’est d’elles que vous achèterez serviteurs et servantes.
45 Vous pourrez aussi en acheter parmi les enfants des étrangers qui séjournent chez vous, et parmi leurs familles qui vivent avec vous, qu’ils auront engendrés dans votre pays; et ils seront votre propriété.
46 Vous les laisserez en héritage à vos enfants après vous, pour les posséder comme une propriété; ils seront perpétuellement vos esclaves. Mais à l’égard de vos frères, les enfants d’Israël, nul d’entre vous ne dominera sur son frère avec dureté.
47 Si un étranger ou un hôte s’est enrichi près de toi, et que ton frère, devenu pauvre prés de lui, se soit vendu à l’étranger, à l’hôte qui est près de toi ou au rejeton d’une famille étrangère,
48 il y aura pour lui, après qu’il se sera vendu, le droit de rachat; un de ses frères pourra le racheter;
49 ou son oncle, ou le fils de son oncle pourra le racheter; ou l’un de ses proches parents pourra le racheter; ou bien, s’il acquiert des richesses, il se rachètera lui-même.
50 Il comptera, avec celui qui l’a acheté, depuis l’année où il s’est vendu à lui jusqu’à l’année du jubilé, et le prix de vente se comptera d’après le nombre des années, en évaluant les journées de son travail comme celles d’un mercenaire.
51 S’il y a encore beaucoup d’années, il paiera son rachat à raison du nombre de ces années, en tenant compte du prix auquel il avait été acheté;
52 s’il reste peu d’années jusqu’à celle du jubilé, il en fera le compte, et il paiera son rachat à raison de ces années.
53 Il sera chez lui comme un mercenaire de l’année, et son maître ne le traitera point avec dureté sous tes yeux.
54 S’il n’est racheté d’aucune de ces manières, il sortira libre l’année du jubilé, lui et ses enfants avec lui.
55 Car c’est de moi que les enfants d’Israël sont serviteurs; ils sont mes serviteurs, que j’ai fait sortir du pays d’Egypte. Je suis Yahweh, votre Dieu. ”

Chapitres 26

1 ”Vous ne ferez point d’idoles, vous ne vous dresserez ni image taillée ni stèle sacrée, et vous ne placerez dans votre, pays aucune pierre ornée de figures, pour vous prosterner près d’elle; car je suis Yahweli, votre Dieu.
2 Vous observerez mes sabbats, et vous révérerez mon sanctuaire. Je suis Yahweh.”
3 ”Si vous suivez mes lois, si vous gardez nies commandements et les mettez en pratique, j’enverrai vos pluies en leur saison;
4 la terre donnera ses produits, et les arbres des champs donneront leurs fruits.
5 Le battage du blé se prolongera chez vous jusqu’à la vendange, et la vendange atteindra les semailles; vous mangerez votre pain à satiété, et vous habiterez en sécurité dans votre pays.
6 Je mettrai la paix dans le pays; vous dormirez sans que personne vous effraie. Je ferai disparaître du pays les bêtes féroces, et l’épée ne passera point à travers votre pays.
7 Vous poursuivrez vos ennemis, et ils tomberont devant vous par l’épée.
8 Cinq d’entre vous en poursuivront cent, et cent d’entre vous en poursuivront dix mille, et vos ennemis tomberont devant vous par l’épée.
9 Je me tournerai vers vous, je vous rendrai féconds et je vous multiplierai, et j’établirai mon alliance avec vous.
10 Vous mangerez des récoltes anciennes, très anciennes, et vous rejetterez l’ancienne pour faire place à la nouvelle.
11 J’établirai ma demeure au milieu de vous, et mon âme ne vous prendra point en dégoût.
12 Je marcherai au milieu de vous, je serai votre Dieu, et vous serez mon peuple.
13 Je suis Yahweh, votre Dieu, qui vous ai fait sortir du pays d’Égypte, pour que vous n’y fussiez plus esclaves; j’ai brisé les barres de votre joug et je vous ai fait marcher tête levée.
14 Mais si vous ne n’écoutez pas et ne mettez pas en pratique tous ces commandements, si vous méprisez mes lois,
15 et si votre âme a en dégoût mes ordonnances, pour ne pas pratiquer tous mes commandements et pour violer mon alliance, voici à mon tour ce que je vous ferai:
16 J’enverrai sur vous la terreur, la consomption et la fièvre, qui font languir les yeux et défaillir l’âme. Vous sèmerez en vain votre semence; vos ennemis la mangeront.
17 Je tournerai ma face contre vous, et vous serez battus par vos ennemis; ceux qui vous haïssent domineront sur vous, et vous fuirez sans que personne vous poursuive.
18 Si, après cela, vous ne m’écoutez pas, je vous châtierai sept fois plus pour vos péchés. Je briserai l’orgueil de votre force;
19 je rendrai votre ciel comme de fer, et votre terre comme d’airain.
20 Votre force se dépensera inutilement: votre terre ne donnera pas ses produits, et les arbres de la terre ne donneront pas leurs fruits.
21 Si vous marchez encore contre moi et ne voulez pas m’écouter, je vous frapperai sept fois plus selon vos péchés.
22 Je lâcherai contre vous les animaux sauvages, qui vous raviront vos enfants, déchireront votre bétail et vous réduiront à un petit nombre; et vos chemins deviendront déserts.
23 Si avec ces châtiments vous ne vous laissez pas corriger par moi et si vous marchez toujours contre moi,
24 à mon tour je marcherai contre vous, et je vous frapperai, moi aussi, sept fois plus pour vos péchés.
25 Je ferai venir contre vous l’épée vengeresse de mon alliance; vous vous rassemblerez dans vos villes, et j’enverrai la peste au milieu de vous, et vous serez livrés aux mains de l’ennemi,
26 lorsque je vous retirerai le pain, votre soutien, que dix femmes cuiront votre pain dans un seul four et vendront votre pain au poids, et que vous mangerez sans être rassasiés.
27 Si, après cela, vous ne m’écoutez pas et marchez encore contre moi,
28 je marcherai contre vous avec fureur et je vous châtierai, moi aussi, sept fois plus pour vos péchés.
29 Vous mangerez la chair de vos fils, et vous mangerez la chair de vos filles.
30 Je détruirai vos hauts lieux, j’abattrai vos stèles consacrées au soleil, je placerai vos cadavres sur les cadavres de vos infâmes idoles,
31 et mon âme vous rejettera avec horreur. Je réduirai vos villes en déserts, je ravagerai vos sanctuaires, et je ne respirerai plus l’odeur agréable de vos parfums.
32 Je dévasterai le pays, et vos ennemis qui l’habiteront en seront stupéfaits.
33 Et vous, je vous disperserai parmi les nations et je tirerai l’épée derrière vous; votre pays sera dévasté, et vos villes seront désertes.
34 Alors la terre jouira de ses sabbats, tout le temps que durera sa solitude et que vous serez dans le pays de vos ennemis. Alors la terre se reposera et jouira de ses sabbats.
35 Tout le temps qu’elle sera dévastée, elle aura le repos qu’elle n’avait pas eu dans vos sabbats, lorsque vous l’habitiez.
36 Ceux d’entre vous qui survivront, je leur mettrai au coeur l’épouvante, dans les pays de leurs ennemis:le bruit d’une feuille agitée les mettra en fuite; ils fuiront comme on fait devant l’épée, et ils tomberont sans qu’on les poursuive.
37 Ils trébucheront les uns contre les autres comme devant l’épée, sans qu’on les poursuive; vous ne tiendrez point en présence de vos ennemis.
38 Vous périrez parmi les nations, et le pays de vos ennemis vous dévorera.
39 Ceux d’entre vous qui survivront, se consumeront à cause de leurs iniquités, dans le pays de leurs ennemis; ils seront aussi consumés à cause des iniquités de leurs pères, lesquelles sont encore avec eux.
40 Ils confesseront leur iniquité et l’iniquité de leurs pères, dans les transgressions qu’ils ont commises contre moi, reconnaissant que c’est parce qu’ils ont marché contre moi que moi aussi j’ai marché contre eux et les ai fait venir dans le pays de leurs ennemis.
41 Si alors leur coeur incirconcis s’humilie, et qu’ils acceptent le châtiment de leurs fautes, je me souviendrai de mon alliance avec Jacob,
42 je me souviendrai aussi de mon alliance avec Isaac et aussi de mon alliance avec Abraham, et je me souviendrai du pays.
43 Et le pays sera abandonné par eux et il jouira de ses sabbats, pendant qu’il sera dévasté loin d’eux, et ils accepteront le châtiment de leurs fautes, parce qu’ils ont méprisé mes ordonnances et que leur âme a eu mes lois en dégoût.
44 Mais même ainsi, ,lorsqu’ils seront dans le pays de leurs ennemis, je ne les rejetterai pas et je ne les aurai point en dégoût jusqu’à les exterminer et à rompre mon alliance avec eux; car je suis Yahweh, leur Dieu
45 Je me souviendrai en leur faveur de l’alliance conclue avec leurs ancêtres, que j’ai fait sortir du pays d’Egypte, aux yeux des nations, pour être leur Dieu. Je suis Yahweh. ”
46 Tels sont les statuts, les ordonnances et les lois que Yahweh établit entre lui et les enfants d’ Israël, sur la montagne de Sinaï, par le ministère de Moïse.

Chapitres 27
1 Yahweh parla à Moïse , en disant:
2 ” Parle aux enfants d’ Israël, et dis-leur: Si quelqu’un fait un voeu, les personnes seront à Yahweh selon ton estimation.
3 Si l’objet de ton estimation est un homme de vingt à soixante ans, ton estimation sera da cinquante sicles d’argent, selon le sicle du sanctuaire;
4 si c’est une femme, ton estimation sera de trente sicles.
5 De cinq ans à vingt ans, ton estimation sera de vingt sicles pour un garçon, et de dix sicles pour une fille.
6 D’un mois à cinq ans, ton estimation sera de cinq sicles d’argent peur un garcon, et pour une fille ton estimation sera de trois sicles d’argent.
7 De soixante ans et au-dessus, ton estimation aura de quinze sicles pour un homme, et de dix sicles pour une femme.
8 Si celui qui a fait un voeu est trop pauvre pour payer la valeur de ton estimation, on le présentera au prêtre, qui fera son estimation; le prêtre fera l’estimation d’après les cessources de celui qui a fait le voeu.
9 Si l’on voue un des animaux dont on fait offrande à Yahweh, tout ce qu’on en donne ainsi à Yahweh sera chose sainte.
10 On ne le changera point, on ne mettra pas un mauvais à la place d’un bon, ni un bon à la place d’un mauvais; si l’on remplace un animal par un autre, ils seront l’un et l’autre chose sainte.
11 Si c’est quelque animal impur dont on ne peut faire offrande à Yaliweli, on présentera l’animal au prêtre,
12 et le prêtre en fera l’estimation selon qu’il sera bon ou mouvais, et l’on s’en rapportera à l’estimation de prêtre.
13 Si on veut le racheter, on ajoutera un cinquième à ton estimation.
14 Si quelqu’un sanctifie sa maison en la consacrant à Yahweh, le prêtre en fera l’estimation selon quelle est bonne ou mauvaise, et l’on s’en tiendra à l’estimation du prêtre.
15 Si celui qui a sanctifié sa maison veut la racheter, il ajoutera un cinquième au prix de ton estimation, et elle sera a lui.
16 Si quelqu’un consacre à Yahweh une partie du champ qui est sa propriété, ton estimation se fera d’après la quantité de grain nécessaire pour l’ensemencer, à raison de cinquante sicles d’argent pour un chomer de semence d’orge.
17 Si c’est dès l’année du jubilé qu’il consacre son champ, on s’en tiendra à ton estimation;
18 mais si c’est après le jubilé qu’il consacre son champ, le prêtre en évaluera le prix à raison du nombre d’années qui restent jusqu’au jubilé, et il sera fait une réduction sur ton estimation.
19 Si celui qui a consacré son champ veut le racheter, il ajoutera un cinquième au prix de ton estimation, et le champ lui restera.
20 S’il ne rachète pas le champ, ou qu’il le vende à un autre homme, ce champ ne pourra plus être racheté;
21 et quand il sera libéré au jubilé, le champ sera consacré à Yahweh, comme un champ qui a été voué: il deviendra la propriété du prêtre.
22 Si quelqu’un consacre à Yahweh un champ acheté par lui et ne faisant pas partie de son patrimoine,
23 le prêtre en évaluera le prix d’après ton estimation jusqu’à l’année du jubilé, et cet homme paiera le jour même le prix fixé, comme chose consacrée à Yahweh.
24 L’année du jubilé, le champ retournera à celui de qui on l’avait acheté et du patrimoine duquel il faisait partie.
25 Toutes tes estimations seront faites au sicle du sanctuaire: le sicle est de vingt guéras.
26 Nul, toutefois, ne pourra consacrer le premier-né de son bétail, lequel, comme premier-né, appartient déjà à Yahweh boeuf ou brebis, il appartient à Yahweh.
27 S’il s’agit d’ un animal impur, on le rachètera au prix de ton estimation, en y ajoutant un cinquième; sil n’est pas racheté, il sera vendu d’après ton estimation.
28 Rien de ce qu’un homme aura voué par anathème à Yahweh, dans tout ce qui lui appartient, que ce soit un homme, un animal ou un champ de son patrimoine, ne pourra ni se vendre, ni se racheter; tout ce qui est voué par anathème est chose très sainte, appartenant à Yahweh.
29 Aucune personne vouée par anathème ne pourra être rachetée: elle sera mise à mort.
30 Toute dime de la terre, prélevée soit sur les semences de la terre, soit sur les fruits des arbres, appartient à Yahweh c’est une chose consacrée à Yahweh.
31 Si quelqu’un veut racheter quelque chose de sa dîme, il y ajoutera un cinquième.
32 Quant aux dîmes de gros et de menu bétail, de tout ce qui passe sous la houlette, le dixième animal sera consacré à Yahweh.
33 On ne fera pas un choix entre ce qui est bon ou mauvais, et l’on ne fera pas d’échange; et si l’on fait un échange, l’animal remplacé et celui qui le remplace seront tous deux chose sainte et ne pourront être rachetés. ”
34 Tels sont les commandements que Yahweh donna à Moise pour les enfants d’Israël, sur la montagne de Sinaï.

38

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.