nl Nederlands
nl Nederlandsen Englishfr Françaisde Deutschit Italianoes Español

bijbelvers 002 exodus

Download

- Stars (0)

0 Downloads

Owner: admin

Version: 1.0

Last Updated: 01-09-2021 20:14

Share
DescriptionPreviewVersions
3.2.1 geloven christendom - bijbelvers 002 exodus.pdf

Bron: https://rkbijbel.nl/kbs/bijbel/willibrord1975/neovulgaat
https://nl.wikipedia.org/wiki/Exodus_(boek)

De Willibrordvertaling is dé standaardvertaling van de rooms katholieke geloofsgemeenschap in het Nederlands taalgebied en wordt uitgegeven door de Katholieke Bijbelstichting, in nauwe samenwerking met de Vlaamse Bijbelstichting. De Willibrordvertaling wordt alom gewaardeerd als een vertaling die trouw is aan de grondtekst en die tegelijkertijd een tekst biedt in begrijpelijk hedendaags Nederlands.

Exodus (Grieks: ἔξοδος, exodos, ”uittocht”; Hebreeuws: תומש, sjemot, ”namen”, naar het eerste woord van de Hebreeuwse tekst) is het tweede boek van de Hebreeuwse Bijbel. In het Nederlands begint het boek met de zin: ”Dit zijn de namen [sjemot] van de zonen van Israël …”.

Exodus vertelt het verhaal van het vertrek van het Israëlitische volk uit Egypte naar het Beloofde Land Kanaän. Hun leider Mozes ontving daarbij van God de Thora oftewel de wet.

Moderne onderzoekers zijn het over eens dat Exodus geen betrouwbare historische bron is voor de oorsprong van het Israëlitische volk. Dit volk ontstond in het late tweede millennium v.Chr. als confederatie van stammen in de centrale hooglanden van Kanaän. De cultuur van de Israëlieten is gebaseerd op de inheemse Kanaänitische cultuur en er zijn geen aanwijzingen dat zij als volk lange tijd uit Palestina weg zijn geweest.

De roeping van Mozes (hoofdstuk 1-7)

In de tijd van Jozef als onderkoning van Egypte zijn Jakob en zijn zonen in Gosen, een Egyptische provincie, gaan wonen. Daar hebben zij een groot nageslacht gekregen. Een farao (die Jozef niet gekend heeft) ziet de Hebreeën als een bedreiging en laat hen slavenarbeid verrichten. Ook geeft hij de opdracht dat alle Joodse baby’s van het mannelijk geslacht moeten worden gedood. De vroedvrouwen Sifra en Pua weigeren dit.

De joodse vrouw Jochebed krijgt een kind, maar uit vrees voor de farao, maakt zij een rieten mandje, stopt de baby daarin en brengt het naar de rivier. Daar wordt het mandje en de baby gevonden door de dochter van de farao. Zij noemt het kind Mozes. Mirjam, de zus van Mozes, weet de dochter van de Farao over te halen dat hij de eerste jaren mag worden opgevoed door Jochebed.

Als Mozes volwassen is ziet hij dat een Hebreeuwse slaaf wordt mishandeld door een Egyptenaar. Hij slaat de Egyptenaar dood en vlucht naar Midjan. Daar ontmoet hij Jetro en Mozes trouwt met zijn dochter Sippora. Mozes wordt schaapsherder.

Een aantal jaren verstrijken en de farao van Egypte sterft. Op een dag ziet Mozes een brandende braamstruik en door de struik spreekt God tot hem dat hij zijn volk zal bevrijden uit de slavernij. Mozes is bang dat de Israëlieten hem niet zullen geloven. Ook

is hij bang om te spreken. Daarom stuurt God Aäron, de broer van Mozes, hem tegemoet. Deze zal het woord voeren. Mozes en Aäron verschijnen voor de farao, maar in plaats van het volk te laten gaan, legt de farao een nog grotere last op hen. God stuurt de broers echter weer opnieuw naar de farao.

Uittocht uit Egypte (hoofdstuk 8-14)
1rightarrow blue.svg zie: Uittocht uit Egypte

Mozes en Aäron bezoeken de farao weer en laten het water van de Nijl in bloed veranderen. De farao geeft in eerste instantie toe en laat de Israëlieten gaan, maar komt op zijn beslissing terug. Zo gaat het verschillende keren, terwijl God steeds meer plagen op de farao en Egypte afstuurt. Kikkers, muggen, steekvliegen, etterende puisten bij mens en dier, veepest, zware hagel, sprinkhanen en duisternis. Bij de laatste plaag sterven alle eerstgeborenen.

De Israëlieten ontkomen daaraan door een lam te slachten en zijn bloed op de deurposten te smeren. Pas na de dood van alle eerstgeborenen laat de farao het volk gaan. Zij trekken richting de Schelfzee. God gaat hen voor in een wolk. De farao krijgt echter weer spijt van zijn beslissing en achtervolgt het volk met zijn leger. Maar de wolk daalt neer tussen het volk en het leger van de farao en voorkomt dat zij het Israëlitische volk kan aanvallen. De dag daarna strekt Mozes zijn staf uit en de Schelfzee splitst in tweeën. Het volk trekt naar de overkant. Op het moment dat het leger van de farao de achtervolging inzet stroomt het water weer terug en komt een groot deel van het leger om. De Israëlieten zijn ontsnapt.

Ontvangen Tien geboden bij berg Sinaï (hoofdstuk. 15-20)

Vanaf de Schelfzee trekt het Joodse volk de woestijn in. Zij beginnen te klagen vanwege het gebrek aan water en voedsel. Mozes gooit een stuk hout in een zoute poel met wat water. Het water wordt daardoor zoet. Ook stuurt God kwartels en manna.

Bij Refidim wordt het volk aangevallen door de Amalekieten. Mozes bekijkt het gevecht vanaf een berg. Steeds als hij zijn armen omhoog houdt wint het leger dat onder leiding van Jozua staat. Als hij zijn armen laat zakken verliest het leger. Hij wordt daarom ondersteund door Aäron en Chur. De Amalekieten worden daardoor verslagen.

Ook krijgt Mozes bezoek van zijn schoonvader Jetro. Deze ziet dat Mozes (te) veel tijd steekt in het leidinggeven van het volk door recht te spreken. Jetro adviseert om meer leiders aan te stellen en alleen de grootste en belangrijkste zaken door Mozes te laten behandelen.

Het volk komt aan bij de berg Sinaï. Daar toont God zich aan het volk. Zij zijn echter bang en vragen Mozes de leiding te nemen. Mozes trekt de berg op en ontvangt daar de Tien geboden.

Verdere regels en inrichting tabernakel (hoofdstuk. 21-31)

Op de berg Sinaï ontvangt Mozes ook een groot aantal leefregels. Deze gaan onder andere over hoe om te gaan met dieren, slaven en ouders. Ook worden er offerregels gegeven. Daarnaast belooft God dat hij de inwoners van het land Kanaän zal uitroeien.

Mozes trekt de berg op samen met Aäron, Nadab, Abihu en zeventig oudsten van het volk. God wil een verbond met het volk sluiten. Allen zien God. Daarna trekt Mozes verder de berg op. God grift ditmaal de Tien geboden in stenen tafelen. Ook ontvangt Mozes de opdracht om een heiligdom, de tabernakel, te bouwen. Hij ontvangt aanwijzingen voor de inrichting van deze tabernakel. Zo moet hij onder andere een gouden ark en een brandofferaltaar maken. Bezaleël moet de leiding krijgen over de bouw van de tabernakel. Aäron en zijn zonen worden aangesteld als priester. Zij moeten zich op een bepaalde manier kleden.

Gouden kalf en opnieuw ontvangen Tien geboden (hoofdstuk. 32-35)

Mozes trekt alleen verder de berg op. Hij blijft een lange tijd weg. Het volk denkt daarom dat hij gestorven is en vraagt aan Aäron of hij van hun sieraden een gouden stierkalf kan maken. Dan hebben ze een nieuwe God om te aanbidden. Aäron geeft toe aan de druk en doet dit. Net op het moment dat er een feest gaande is voor het gouden stierkalf keert Mozes terug met de stenen tafelen. Hij gooit de stenen tafelen kapot en vernietigt ook het beeld.

Daarna keert Mozes terug de berg op. Hij vraagt aan God of hij hem mag zien. God geeft hier gehoor aan, maar laat alleen zijn achterkant zien. Als Mozes God van aangezicht tot aangezicht zou zien zou hij sterven. Ook maakt God nieuwe stenen tafelen voor hem met de tien geboden erop.

Uitleg regels aan het volk en bouw tabernakel (hoofdstuk. 36-40)

Als Mozes terugkeert roept hij het volk bijeen en legt hij hun de regels uit die hij van God ontvangen heeft. Deze gaan onder andere over de sabbatsrust. Ook bevatten deze hoofdstukken een uitleg van de bouw en inkleding van de tabernakel en de manier waarop de priesters zich moesten kleden. Toen de tabernakel af was werd deze gevuld door de majesteit van God. Dit was zichtbaar door een wolk. Als de wolk stilstond, dan sloegen de Israëlieten daar hun kamp op. Als de wolk verder trok, dan ging het volk daar achteraan.

Hoofdstuk 1

Dit zijn de namen van de zonen van Israël die naar Egypte getrokken waren, – zij waren allen, met hun familie, meegekomen met Jakob -: 2Ruben, Simeon, Levi, Juda, 3Issakar, Zebulon, Benjamin, 4Dan, Naftali, Gad en Aser. 5Het aantal afstammelingen van Jakob bedroeg in totaal zeventig. Jozef was reeds tevoren in Egypte gekomen. 6Jozef en al zijn broeders en alle mensen van dat geslacht stierven. 7Maar de Israëlieten waren vruchtbaar en breidden zich uit, zij werden uitermate talrijk en sterk zodat het land vol van hen raakte. 8Toen kwam er in Egypte een nieuwe

koning aan het bewind, die van Jozef niet meer afwist. 9Hij sprak tot zijn volk: ’Luister eens, die Israëlieten worden ons te talrijk en te sterk. 10Wij dienen dus verstandige maatregelen tegen hen te nemen om te voorkomen dat zij nog talrijker worden. Als wij in oorlog raken sluiten zij zich bij onze tegenstanders aan, voeren strijd tegen ons en trekken uit het land weg.’ 11Toen stelden ze werkbazen over het volk aan om hen door dwangarbeid te onderdrukken. De Israëlieten moesten voor Farao de proviandsteden Pitom en Ramses bouwen. 12Maar hoe men hen ook onderdrukte, ze bleven groeien in aantal en zich steeds meer vermenigvuldigen, zodat de Egyptenaren er bang van werden, 13en de Israëlieten dwongen om zware arbeid te verrichten. 14Ze maakten hun leven zuur door hen hard te laten werken in steenbakkerijen en op het land. Dat was het zware werk waar zij hen toe dwongen. 15Ook richtte de koning van Egypte zich tot de Hebreeuwse vroedvrouwen, – de een heette Sifra, de andere Pua -, 16en sprak: `Wanneer jullie de Hebreeuwse vrouwen helpen bij de bevalling, let dan goed op het geslacht van het kind; is het een jongen dan moet je hem doden, is het een meisje dan moet je het laten leven.’ 17Maar de vroedvrouwen vreesden God en gaven geen gehoor aan het bevel van de koning; ze lieten de jongens in leven. 18Toen liet de koning van Egypte de vroedvrouwen bij zich komen en ondervroeg hen: `Wat moet dat, waarom laten jullie die jongens in leven?’ 19De vroedvrouwen gaven Farao ten antwoord: `De Hebreeuwse vrouwen zijn nu eenmaal niet zoals de Egyptische: ze baren zo vlug dat ze hun kind ter wereld brengen nog voordat de vroedvrouw er bij is.’ 20God zegende de vroedvrouwen; en het volk bleef zich maar uitbreiden en werd zeer talrijk. 21Omdat de vroedvrouwen God vreesden, schonk Hij hun een nageslacht. 22Toen gelastte Farao aan al zijn onderdanen: `Iedere jongen die geboren wordt moet ge in de Nijl gooien; de meisjes kunt ge in leven laten.’

Hoofdstuk 2

Een man uit de stam Levi nam een meisje uit die stam tot vrouw. 2De vrouw werd zwanger en bracht een zoon ter wereld. Toen zij zag hoe mooi het kind was, hield zij het drie maanden lang verborgen. 3Maar toen zij geen kans meer zag hem nog langer verborgen te houden, nam zij een mandje van riet, streek het dicht met asfalt en pek en legde het kind erin. Toen zette zij het tussen het riet aan de oever van de Nijl. 4Op enige afstand stelde de zuster van het kind zich verdekt op, om te zien wat er zou gebeuren. 5Nu begaf de dochter van Farao zich naar de Nijl om te baden, terwijl haar dienaressen op en neer bleven lopen langs de oever van de rivier. Ineens zag zij het mandje tussen het riet en stuurde haar slavin om het te halen. 6Zij maakte het open, keek en daar lag een schreiend jongetje. Vol medelijden riep zij: `Natuurlijk een Hebreeuws kind!’ 7Toen kwam de zuster van het kind aan de dochter van Farao vragen: `Zal ik bij de Hebreeuwse vrouwen een voedster gaan zoeken, om het kind voor u te voeden?’ 8De dochter van Farao antwoordde: `Ja, doe dat.’ Het meisje snelde weg en haalde de moeder van het kind. 9De

dochter van Farao beval haar: `Neem dit kind mee en voed het voor mij; ik zal u er persoonlijk voor belonen.’ Toen nam de vrouw het kind mee en voedde het. 10En toen het kind opgegroeid was, bracht zij het terug naar de dochter van Farao. Deze nam hem als haar eigen zoon aan. Zij noemde hem Mozes, want zo zei ze, `ik heb hem uit het water getrokken.’ 11Toen Mozes opgegroeid was ging hij eens naar zijn broeders en was getuige van hun dwangarbeid. Hij zag hoe een Egyptenaar een Hebreeër neersloeg, een van zijn broeders. 12Hij keek naar alle kanten en toen hij zag dat er niemand in de buurt was sloeg hij de Egyptenaar neer en verborg hem onder het zand. 13De dag daarop ging hij weer uit en zag twee Hebreeuwse mannen met elkaar vechten. Hij vroeg aan degene die ongelijk had: `Waarom sla jij je kameraad?’ 14De man antwoordde: `Wie heeft jou als heer en rechter over ons aangesteld? Ben je soms van plan mij ook te doden, net als die Egyptenaar?’ Toen werd Mozes bang en dacht: `Het is dus toch bekend geworden.’ 15Ook Farao hoorde van het gebeurde en was er sindsdien op uit, Mozes te doden. Maar Mozes wist aan Farao te ontkomen en week uit naar Midjan. Eens zat hij bij de put. 16Nu had de priester van Midjan zeven dochters. Deze kwamen water putten en de drinkbakken vullen om de kudde van hun vader te drinken te geven. 17Maar er kwamen herders die de meisjes weg wilden dringen. Toen sprong Mozes op, kwam de meisjes te hulp en gaf de dieren te drinken. 18Toen zij thuiskwamen vroeg hun vader Reuël: `Wat zijn jullie vroeg terug vandaag?’ 19Zij antwoordden: `Een Egyptenaar heeft ons in bescherming genomen tegen de herders; ook heeft hij water voor ons geput en het vee te drinken gegeven.’ 20Hij vroeg zijn dochters toen: `Waar is die man? Waarom hebben jullie hem daar laten staan? Ga hem uitnodigen om te komen eten.’ 21Toen Mozes besloten had bij die man te blijven, gaf deze hem zijn dochter Sippora tot vrouw. 22Zij baarde een zoon die hij de naam Gersom gaf, want, zo zei hij, `ik ben gast in een vreemd land.’ 23In de loop van deze vele jaren was de koning van Egypte gestorven. Maar de Israëlieten zuchtten nog steeds onder hun dwangarbeid en zij klaagden luid. Vanuit hun slavenbestaan drong hun gejammer door tot God, 24en God luisterde naar hun klagen; Hij was zijn verbond met Abraham, Isaak en Jakob indachtig. 25God zag goedgunstig neer op de Israëlieten en Hij was met hen begaan.

Hoofdstuk 3

Mozes hoedde de kudde van zijn schoonvader Jetro, de priester van Midjan. Eens dreef hij de kudde tot ver in de woestijn en kwam hij bij de berg van God, de Horeb. 2Toen verscheen hem de engel van Jahwe, in een vuur dat opvlamde uit een doornstruik. Mozes keek toe en zag dat de doornstruik in lichter laaie stond en toch niet verbrandde. 3Hij dacht: `Ik ga er op af om dat vreemde verschijnsel te onderzoeken. Hoe komt het dat die doornstruik niet verbrandt?’ 4Jahwe zag hem naderbij komen om te kijken. En vanuit de doornstruik riep God hem toe: `Mozes, Mozes.’ `Hier ben ik,’ antwoordde hij. 5Toen sprak Jahwe: `Kom niet dichterbij en doe uw sandalen uit, want de plaats waar gij staat is heilige grond.’ 6En Hij

vervolgde: `Ik ben de God van uw vader, de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob.’ Toen bedekte Mozes zijn gezicht want hij durfde niet naar God op te zien. 7Jahwe sprak: `Ik heb de ellende van mijn volk in Egypte gezien, de jammerklachten om zijn onderdrukkers gehoord; ja, Ik ken zijn lijden. 8Ik daal af om mijn volk te bevrijden uit de macht van Egypte, om het weg te leiden uit dit land naar een land dat goed en ruim is, een land van melk en honing, het gebied van de Kanaänieten, Hethieten, Amorieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten. 9Het geweeklaag van de Israëlieten is nu tot Mij doorgedrongen en Ik heb ook gezien hoezeer de Egyptenaren hen onderdrukken. 10Ga er dus heen, Ik zend u naar Farao. Gij moet mijn volk, de Israëlieten, uit Egypte leiden.’ 11Maar Mozes sprak tot God: `Wie ben ik dat ik naar Farao zou gaan en dat ik de Israëlieten uit Egypte zou leiden?’ 12God antwoordde hem: `Ik zal u bijstaan, en dit is het teken dat Ik het ben die u zendt: als gij het volk uit Egypte hebt geleid, zult ge mij vereren op deze berg.’ 13Maar Mozes sprak opnieuw tot God: `Als ik nu bij de Israëlieten kom en hun zeg: De God van uw vaderen zendt mij tot u, en zij vragen: Hoe is zijn naam? wat moet ik dan antwoorden?’ 14Toen sprak God tot Mozes: `Ik ben die is.’ En ook: `Dit moet gij de Israëlieten zeggen: Hij-is zendt mij tot u.’ 15Bovendien zei God tot Mozes: `Dit moet ge de Israëlieten zeggen: Jahwe, de God van uw vaderen, de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob, zendt mij tot u. Dit is mijn naam voor altijd. Zo moet men Mij aanspreken, alle geslachten door. 16Ga nu op weg, roep de oudsten van Israël bijeen en zeg hun: Jahwe, de God van uw vaderen, is mij verschenen, de God van Abraham, Isaak en Jakob, met deze boodschap: Ik draag zorg voor u, want Ik zie wat men u in Egypte aandoet. 17Daarom heb Ik besloten: Ik zal u uit de ellende van Egypte wegvoeren naar het land van de Kanaänieten, Hethieten, Amorieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten, een land van melk en honing. 18Zij zullen luisteren naar wat gij zegt. Dan moet ge met de oudsten van Israël naar de koning van Egypte gaan en hem zeggen: Jahwe, de God van de Hebreeën, is tot ons gekomen. Laat ons daarom drie dagreizen ver de woestijn ingaan om offers op te dragen aan Jahwe onze God. 19Ik weet dat de koning van Egypte u niet zal laten vertrekken, als geen sterke hand hem dwingt. 20Daarom zal Ik mijn hand opheffen en Egypte treffen met allerlei wondertekenen die Ik er zal verrichten. Dan zal hij u wel laten gaan. 21En Ik zal de Egyptenaren gunstig stemmen tegenover dit volk; als ge dan wegtrekt gaat ge niet met lege handen. 22Laten alle vrouwen hun buren en huisgenoten vragen om gouden en zilveren sieraden en om kleding. Die moet ge uw zonen en dochters aandoen en er Egypte van beroven.’

Hoofdstuk 4

Mozes gaf hierop ten antwoord: `Maar ze geloven me niet, ze zullen aan mijn woorden geen gehoor schenken; ze zullen zeggen dat Jahwe mij niet is verschenen.’ 2Toen vroeg Jahwe hem: `Wat hebt ge daar in uw hand?’ Een staf,’ antwoordde hij. 3Toen beval Jahwe: `Laat hem op de grond

vallen.’ Mozes liet hem op de grond vallen en de staf werd een slang. Mozes sprong achteruit. 4Toen sprak Jahwe tot Mozes: `Strek uw hand uit en grijp ze bij de staart.’ Hij strekte zijn hand uit, pakte de slang vast en in zijn greep werd het weer een staf. 5`Zo zullen ze geloven dat Jahwe u inderdaad verschenen is, de God van hun vaderen, de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob.’ 6Ook beval Jahwe hem nog: `Steek uw hand tussen uw kleed.’ Hij stak zijn hand tussen zijn kleed. En toen hij ze er uittrok zat ze ineens vol witte uitslag, het leek wel sneeuw. 7Jahwe sprak opnieuw: `Steek uw hand tussen uw kleed.’ En toen hij ze er uittrok was ze weer als de rest van zijn huid. 8`Als ze u niet vertrouwen en aan het eerste teken geen geloof hechten, dan zal het tweede hen overtuigen. 9Laten zij zich door deze beide tekenen niet overtuigen en luisteren ze niet naar u, neem dan water uit de Nijl en giet dat uit op het land. Het water dat ge uit de Nijl genomen hebt, zal op het land bloed worden.’ 10Maar Mozes sprak tot Jahwe: `Neem mij niet kwalijk, Heer, maar ik ben geen redenaar. Ik ben dat nooit geweest, en ik ben het ook nu niet, al hebt Gij dan ook tot uw dienaar gesproken. Ik spreek moeilijk en traag.’ 11Jahwe gaf hem ten antwoord: `Wie geeft de mens een mond? Wie maakt stom of doof, ziende of blind? Doe Ik, Jahwe, dat niet? 12Ga nu maar, Ik zal u bijstaan als ge spreekt en u ingeven wat ge moet zeggen.’ 13Maar Mozes bracht hier tegen in: `Neem mij niet kwalijk, Heer, zend liever iemand anders.’ 14Toen ontbrandde Jahwe’s toorn tegen Mozes en Hij sprak: `Uw broer Aäron de leviet is er toch ook nog? Ik weet dat hij een goed spreker is! Hij gaat juist naar u op weg en zal blij zijn als hij u ziet. 15Spreek met hem, leg hem uw woorden in de mond. Ik zal u beiden bijstaan als ge moet spreken en u ingeven wat ge moet doen. 16Laat hem in uw plaats spreken tot het volk; hij zal uw mond zijn, gij zijn god. 17Neem deze staf mee, daar moet ge de tekenen mee verrichten.’ 18Nu ging Mozes terug naar Jeter, zijn schoonvader, en zei hem: `Ik zou willen terugkeren naar mijn broeders in Egypte om te zien hoe zij het maken.’ Jetro antwoordde hem: `Ga in vrede.’ 19Want Jahwe had in Midjan tot Mozes gezegd: `Ga terug naar Egypte, want allen die u naar het leven stonden zijn gestorven.’ 20Mozes liet zijn vrouw en zijn zoon plaatsnemen op de ezel en begaf zich op weg naar Egypte, met de staf van God in zijn hand. 21Jahwe sprak tot Mozes: `Nu gij teruggaat naar Egypte, moet ge zorgen dat ge voor Farao al de wonderen verricht waartoe Ik u de macht gegeven heb. Ik zal hem dan halsstarrig maken, zodat hij het volk niet laat gaan. 22En dan moet gij tot Farao zeggen: Zo spreekt Jahwe: Israël is mijn eerstgeboren zoon. 23Ik had u bevolen mijn zoon vrij te laten vertrekken om Mij te vereren, maar gij hebt dat geweigerd. Daarom zal ik uw eerstgeborene doden.’ 24Toen Mozes onderweg ergens de nacht doorbracht kwam Jahwe op hem af en wilde hem doden. 25Maar Sippora nam een scherpe steen, sneed de voorhuid van haar zoon af en raakte daarmee zijn benen aan. Zij sprak: `Jij bent mijn bloedige bruidegom.’ 26Toen liet Jahwe hem met rust. Zij had gezegd: `Mijn bloedige bruidegom,’ in verband met de besnijdenis. 27En

Jahwe sprak tot Aäron: `Ga Mozes in de woestijn tegemoet.’ Hij ging op weg en trof hem bij de berg van God, en hij omhelsde hem. 28Mozes bracht Aäron op de hoogte van al de woorden die Jahwe tot hem gesproken had en van al de tekenen die Hij hem had opgedragen. 29Toen ging Mozes met Aäron mee en zij riepen al de oudsten van Israël bijeen. 30Aäron bracht verslag uit van al de woorden die Jahwe tot Mozes gesproken had en voor de ogen van het volk verrichtte hij de tekenen. 31En het volk geloofde. Toen zij vernamen dat Jahwe zich het lot van de Israëlieten had aangetrokken en hun ellende gezien had, knielden zij neer en bogen zij zich ter aarde.

Hoofdstuk 5
Daarna gingen Mozes en Aäron naar Farao en zeiden: `Zo spreekt Jahwe,

de God van Israël: Laat mijn volk vertrekken om ter ere van Mij een pelgrimsfeest te vieren in de woestijn.’ 2Maar Farao antwoordde: `Wie is Jahwe dat ik naar Hem zou luisteren en Israël zou laten gaan? Ik ken geen Jahwe en ik laat Israël niet gaan.’ 3Toen zeiden zij: `De God van de Hebreeën is tot ons gekomen. Laat ons drie dagreizen ver de woestijn ingaan om offers op te dragen aan Jahwe, onze God. Anders slaat Hij ons met de pest of het zwaard.’ 4Maar de koning van Egypte voer tegen hen uit: `Waarom, Mozes en Aäron, waarom houden jullie de mensen van het werk? Vooruit, aan het werk!’ 5Farao voegde er aan toe: `Ze zijn nu al talrijker dan de bevolking van het land, en dan zouden jullie nog willen dat ze het werk neerleggen?’ 6Diezelfde dag nog gaf Farao aan de opzichters en beambten het volgende bevel: 7`Voortaan moet u het volk geen stro meer geven voor de stenen, zoals tot nu toe; laat ze zelf maar op stro uitgaan. 8Maar u moet wel dezelfde hoeveelheid stenen blijven eisen die zij tot nu toe maakten. Doe er niets af, want ze zijn lui en daarom schreeuwen ze: Laat ons gaan om offers op te dragen aan onze God. 9Deze lieden moeten harder werken, dan hebben ze hun handen vol en luisteren niet naar leugenpraat.’ 10De opzichters en beambten gingen weg en maakten aan het volk bekend: `Zo spreekt Farao: Ik geef jullie geen stro meer, 11jullie gaan het zelf maar zoeken. Maar je moet wel evenveel blijven afleveren.’ 12Toen liep het volk heel Egypte af om stoppels te verzamelen. 13De opzichters joegen hen op met de eis: `Jullie moeten elke dag hetzelfde werk leveren als toen er nog stro werd gebracht.’ 14De Israëlitische voormannen, die de opzichters van Farao over hen hadden aangesteld, werden mishandeld. Men verweet hun: `Waarom hebben jullie vandaag en gisteren niet dezelfde hoeveelheid stenen afgeleverd als tevoren?’ 15Toen gingen de Israëlitische voormannen zich beklagen bij Farao en zeiden: `Waarom treedt u zo op tegen uw dienaren? 16Uw dienaren krijgen geen stro meer, maar men blijft eisen: Levert stenen! Uw dienaren worden zelfs mishandeld. Zo misdoet u tegen het volk.’ 17Hij voer uit: `Luiaards zijn jullie, luiaards. Daarom zeggen jullie: Laat ons gaan om offers te brengen aan Jahwe. 18En nu vooruit, aan het werk! Er wordt geen stro gebracht, maar het vastgestelde aantal stenen moeten jullie leveren.’ 19De Israëlitische

voormannen begrepen dat ze er slecht aan toe waren, nu hij bevolen had: `Jullie moeten iedere dag evenveel stenen blijven afleveren.’ 20Toen de voormannen van Farao terugkwamen troffen ze Mozes en Aäron die hen stonden op te wachten. 21Ze zeiden tot hen: `Moge Jahwe verschijnen om u te vonnissen, want u hebt het voor ons bedorven bij Farao en zijn hovelingen. U hebt hem het zwaard in de hand gegeven om ons te doden.’ 22Nu wendde Mozes zich weer tot Jahwe en sprak: `Mijn Heer, waarom behandelt Gij dit volk zo slecht? Waarom hebt Ge mij dan gezonden? 23Sinds ik naar Farao gegaan ben om in uw naam tot hem te spreken behandelt hij dit volk nog slechter; en Gij doet maar niets om uw volk te redden.’

Hoofdstuk 6

Maar Jahwe sprak tot Mozes: `Nu zult ge zien wat ik met Farao ga doen: door overmacht gedwongen zal hij het volk wegsturen, ja door overmacht gedwongen zal hij hen uit zijn land verjagen.’ 2Wederom richtte God het woord tot Mozes en sprak tot hem: `Ik ben Jahwe. 3Aan Abraham, aan Isaak en aan Jakob ben Ik verschenen als God Almachtig; mijn naam Jahwe heb Ik hun niet geopenbaard. 4Met hen heb Ik mijn verbond gesloten: dat Ik hun Kanaän zou geven, het land waar zij als vreemdeling woonden. 5Nu heb Ik het weeklagen gehoord van de Israëlieten die door de Egyptenaren tot slaven gemaakt zijn, en ben Ik mijn verbond indachtig. 6Zeg daarom tot de Israëlieten: Ik ben Jahwe; Ik zal u wegvoeren uit de dwangarbeid van Egypte; Ik zal u bevrijden van hun overheersing; met uitgestrekte arm en onder toediening van zware straffen zal Ik u verlossen. 7Ik zal u aannemen als mijn volk en Ik zal uw God zijn. Dan zult gij beseffen dat Ik het ben, Jahwe uw God, die u bevrijdt van de dwangarbeid van Egypte. 8Ik zal u brengen naar het land dat Ik met opgestoken hand beloofd heb aan Abraham, Isaak en Jakob. Ik zal het u in bezit geven, Ik, Jahwe.’ 9Mozes bracht deze woorden aan de Israëlieten over. Maar zij luisterden niet naar hem omdat zij door de harde slavendienst de moed verloren hadden. 10En Jahwe sprak tot Mozes: 11`Ga aan Farao, de koning van Egypte, zeggen dat hij de Israëlieten uit zijn land moet laten vertrekken.’ 12Maar Mozes gaf Jahwe ten antwoord: `De Israëlieten luisteren nog niet eens naar mij. Zou Farao dan wel naar mij luisteren, onbesneden van lippen als ik ben?’ 13Jahwe sprak tot Mozes en Aäron en zond hen naar de Israëlieten en naar Farao, de koning van Egypte, met de eis dat hij de Israëlieten uit Egypte zou laten vertrekken. 14Hier volgen de hoofden van de verschillende families. Zonen van Ruben, Israëls eerstgeborene: Chanok en Pallu, Chesron en Karmi. Dit zijn de geslachten van Ruben. 15Zonen van Simeon: Jemuël, Jamin, Ohad, Sochar en Saul, de zoon van een Kanaänitische vrouw. Dit zijn de geslachten van Simeon. 16De namen van de zonen van Levi, met hun afstammelingen: Gerson, Kehat en Merari. Levi werd honderdzevenendertig jaar oud. 17Zonen van Gerson: Libni en Simi en hun families. 18Zonen van Kehat: Amram, Jishar, Chebron en Uzziël. Kehat werd honderddrieëndertig jaar oud. 19Zonen van Merari: Machli en Musi. Dit zijn dus de geslachten van Levi

en hun afstammelingen. 20Amram huwde met Jokebed, zijn tante, en zij baarde hem Mozes en Aäron. Amram werd honderdzevenendertig jaar oud. 21Zonen van Jishar: Korach, Nefeg en Zikri. 22Zonen van Uzziël: Misaël, Elsafan en Sitri. 23Aäron huwde met Eliseba, dochter van Amminadab en zuster van Nachson; zij baarde hem Nadab, Abihu, Eleazar en Itamar. 24Zonen van Korach: Assir, Elkana en Abiasaf. Dit zijn de geslachten van de Korachieten. 25Eleazar, zoon van Aäron, huwde met een dochter van Putiël en zij baarde hem Pinechas. Dit zijn de familiehoofden van de stam Levi, met hun geslachten. 26Aan deze Mozes en Aäron had Jahwe de opdracht gegeven: `Leid de Israëlieten, in legers geordend, uit Egypte.’ 27Zij waren het ook die het woord voerden bij Farao, de koning van Egypte, en van hem eisten dat hij de Israëlieten zou laten wegtrekken uit Egypte, zij, Mozes en Aäron. 28Toen Jahwe in Egypte het woord richtte tot Mozes, 29sprak Hij: `Ik ben Jahwe. Deel Farao, de koning van Egypte, alles mee wat Ik tot u gesproken heb.’ 30Maar Mozes zei tot Jahwe: `Ik, onbesneden van lippen als ik ben? Farao luistert immers toch niet naar mij!’

Hoofdstuk 7

Maar Jahwe sprak tot Mozes: `U breng Ik voor Farao als de god, en uw broer Aäron zal uw profeet zijn. 2Hem moet ge alles zeggen wat Ik u opdraag; dan zal uw broer Aäron het woord voeren bij Farao om van hem gedaan te krijgen dat hij de Israëlieten uit zijn land laat wegtrekken. 3Dan zal Ik Farao’s gemoed verharden en in Egypte talrijke tekenen en wonderen doen. 4Farao zal niet naar u luisteren, maar dan zal Ik Egypte mijn kracht laten voelen, en mijn legers, het volk van de Israëlieten, wegleiden uit Egypte, dat Ik zwaar zal straffen. 5De Egyptenaren zullen weten dat Ik Jahwe ben; zij zullen het beseffen als Ik mijn hand tegen hen uitstrek en de Israëlieten uit hun midden wegleid.’ 6Mozes en Aäron deden wat Jahwe hun bevolen had. 7Ten tijde van de onderhandelingen met Farao was Mozes tachtig en Aäron drieëntachtig jaar oud. 8Jahwe richtte het woord tot Mozes en Aäron en sprak: 9`Als Farao u uitdaagt: Laat eerst maar eens een wonder zien, dan moet ge tot Aäron zeggen: Neem uw staf en laat hem voor Farao op de grond vallen. Het zal een slang worden!’ 10Mozes en Aäron gingen naar Farao en deden wat Jahwe hun had opgedragen. Aäron liet voor de ogen van Farao en van al zijn hovelingen zijn staf vallen en het werd een slang. 11Maar Farao riep op zijn beurt de wijzen en tovenaars erbij, en ook zij, de magiërs van Egypte, deden met hun toverkunsten hetzelfde. 12Zij lieten allen hun staf vallen en het werden slangen. Maar de staf van Aäron verslond die van hen. 13Toch bleef Farao halsstarrig en hij luisterde niet naar hen zoals Jahwe tevoren had gezegd. 14Jahwe sprak tot Mozes; `Het hart van Farao is niet te vermurwen, hij laat het volk niet gaan. 15Morgenvroeg moet ge naar hem toegaan, tegen de tijd dat hij zich naar de rivier begeeft. Treed hem dan tegemoet aan de oever van de Nijl, met de staf die in een slang verandert bij u. 16Zeg hem dan het volgende: Jahwe, de God van de Hebreeërs, had mij tot u gezonden met het bevel: Laat mijn volk gaan

om Mij in de woestijn te vereren. Tot nu toe hebt u daar geen gehoor aan gegeven. 17Zo spreekt Jahwe: Hieraan zult gij weten, dat ik Jahwe ben: Met deze staf hier zal ik op het water van de Nijl slaan en het water zal bloed worden. 18De vissen in de Nijl zullen sterven; de Nijl zal gaan stinken en de Egyptenaren zullen geen water uit de Nijl meer kunnen drinken.’ 19Vervolgens sprak Jahwe tot Mozes: `Zeg aan Aäron: Neem uw staf en strek uw hand uit over de wateren van Egypte: over zijn rivieren en stromen, over zijn moerassen en alle waterplassen; alles zal bloed worden. Bloed zal er zijn in heel Egypte, tot in de bomen en de bronnen toe.’ 20Mozes en Aäron deden wat Jahwe hun bevolen had. Voor de ogen van Farao en al zijn hovelingen hief hij zijn staf op, sloeg op het water van de Nijl en al het water van de Nijl werd als bloed. 21De vissen in de Nijl stierven, de Nijl begon te stinken en de Egyptenaren konden het water uit de Nijl niet meer drinken. Bloed was er, overal in Egypte. 22Maar omdat de Egyptische magiërs door hun toverkunsten hetzelfde deden, bleef Farao halsstarrig; hij luisterde niet naar hen zoals Jahwe tevoren had gezegd. 23Farao keerde hun de rug toe en ging naar zijn paleis; hij was ook deze keer niet gezwicht. 24Alle Egyptenaren gingen nu overal in de buurt van de Nijl naar drinkwater graven, want het water uit de Nijl was niet meer te drinken. 25Zeven dagen verliepen nadat Jahwe de Nijl geslagen had. 26Toen sprak Jahwe tot Mozes: `Ga naar Farao en zeg hem: Zo spreekt Jahwe: Laat mijn volk gaan om Mij te vereren. 27Als ge weigert hen te laten gaan zal Ik heel uw grondgebied teisteren door kikkers te sturen. 28De Nijl zal wemelen van kikkers; ze zullen er uit komen en binnendringen in uw paleis, in uw slaapvertrek en in uw bed; in de huizen van uw hovelingen en uw onderdanen, in de ovens en de bakkerstroggen. 29Ook zullen de kikkers opspringen tegen u, tegen uw onderdanen en uw hovelingen.’

Hoofdstuk 8

Toen sprak Jahwe tot Mozes: `Zeg aan Aäron: Strek uw staf uit over de rivieren, stromen en moerassen en laat de kikkers over Egypte komen.’ 2Aäron stak zijn hand uit over de wateren van Egypte, en er kwamen kikkers uit, die heel Egypte overstroomden. 3Maar door hun toverkunsten deden de magiërs hetzelfde en ook zij lieten kikkers komen over Egypte. 4Toen ontbood Farao Mozes en Aäron en sprak: `Smeek Jahwe toch dat Hij de kikkers wegneemt van mij en van mijn onderdanen; dan zal ik het volk laten gaan om offers op te dragen aan Jahwe.’ 5Mozes antwoordde Farao: `Zegt u het maar; ik ga bidden voor u, uw hovelingen en uw onderdanen: Wanneer moeten de kikkers uit uw omgeving en uit uw huizen verdwijnen zodat er alleen in de Nijl nog overblijven?’ 6`Morgen’, antwoordde Farao. En Mozes verzekerde hem: `Het zal gebeuren zoals u zegt. Dat zal u doen beseffen dat Jahwe onze God zijn gelijke niet heeft. 7De kikkers zullen verdwijnen uit uw omgeving en uit uw huizen, uit die van uw hovelingen en uw onderdanen zodat er alleen in de Nijl nog overblijven.’ 8Mozes en Aäron gingen bij Farao weg en Mozes bad luid tot Jahwe en vroeg hem de kikkers weg te nemen, waarmee hij Farao

getroffen had. 9En Jahwe verhoorde Mozes’ gebed. De kikkers stierven, in de huizen, op de binnenplaatsen, buiten op het land. 10Men veegde ze bijeen, de ene hoop na de andere, zodat het land er van stonk. 11Maar toen Farao zag dat er uitkomst gekomen was, werd hij weer onwillig. Hij luisterde niet naar hen, zoals Jahwe tevoren gezegd had. 12Toen sprak Jahwe tot Mozes: `Zeg aan Aäron: Neem uw staf in de hand en sla in het stof op de grond: het zal in heel Egypte in muggen veranderen.’ 13Dat deden zij; Aäron nam zijn staf in de hand en sloeg in het stof op de grond. Meteen kwamen mensen en dieren onder de muggen te zitten: al het stof van de grond in heel Egypte was in muggen veranderd. 14Met hun toverkunsten probeerden ook de magiërs muggen te voorschijn te brengen, maar zij slaagden daar niet in. Mensen en dieren zaten onder de muggen. 15Toen zeiden de magiërs tot Farao: `Dit is de vinger van God!’ Maar Farao bleef halsstarrig, hij luisterde niet naar hen, zoals Jahwe tevoren gezegd had. 16Toen sprak Jahwe tot Mozes: `Begeef u morgenvroeg naar Farao, als hij naar de rivier gaat, en zeg hem: Zo spreekt Jahwe: Laat mijn volk gaan om Mij te vereren. 17Want als gij mijn volk niet laat gaan, laat Ik steekvliegen komen over u, over uw hovelingen en uw onderdanen. Uw huizen, de huizen van alle Egyptenaren en de grond onder hun voeten zullen van de vliegen vergeven zijn. 18Maar voor het land van Gosen, waar mijn volk woont, zal Ik op die dag een uitzondering maken; daar zullen geen vliegen zijn. Zo zult gij weten dat Ik, Jahwe, in uw land aanwezig ben, 19want Ik zal onderscheid maken tussen mijn volk en uw volk. Morgen zal dit teken zich voltrekken.’ 20Zo deed Jahwe ook. Zwermen steekvliegen drongen het paleis van Farao binnen, de huizen van zijn hovelingen en heel Egypte. Het land was van de vliegen vergeven. 21Toen ontbood Farao Mozes en Aäron en sprak: `Ga dan maar offers opdragen aan uw God; maar doe het hier in het land.’ 22Maar Mozes antwoordde: `Dat zou onmogelijk zijn. De offers die wij aan Jahwe onze God opdragen zijn voor de Egyptenaren een gruwel. Als wij onder de ogen van de Egyptenaren offers brengen die voor hen een gruwel zijn, zullen zij ons zeker stenigen. 23Dan kunnen wij toch beter drie dagreizen de woestijn in gaan en daar aan Jahwe onze God de offers brengen die Hij van ons vraagt!’ 24Toen sprak Farao: `Dan laat ik u gaan om in de woestijn offers op te dragen aan Jahwe uw God; als u maar niet te ver wegtrekt. En u moet wel voor mij bidden.’ 25Mozes antwoordde: `Zodra ik van u weggegaan ben zal ik voor u bidden tot Jahwe. Morgen zullen de steekvliegen wijken van Farao, van zijn hovelingen en van zijn volk. Maar dan moet Farao geen bedrog meer plegen door het volk toch weer niet te laten gaan om offers te brengen aan Jahwe.’ 26Mozes ging van Farao heen en bad voor hem tot Jahwe. 27En Jahwe deed wat Mozes vroeg: de steekvliegen weken van Farao, van zijn hovelingen en van zijn volk. Niet een bleef er over. 28Maar ook deze keer werd Farao weer onwillig. Hij liet het volk niet gaan.

Hoofdstuk 9

Toen sprak Jahwe tot Mozes: `Ga naar Farao en zeg hem: Zo spreekt Jahwe, de God der Hebreeën: Laat mijn volk gaan om Mij te vereren. 2Want als ge weigert hen te laten gaan en hen nog langer tegenhoudt, 3dan slaat de hand van Jahwe uw vee dat buiten graast met een verschrikkelijke pest, de paarden en de ezels, de kamelen en de runderen, de schapen en de geiten. 4Daarbij zal Jahwe onderscheid maken tussen het vee van Israël en het vee van Egypte. Van de kudden der Israëlieten zal geen dier verloren gaan. 5Jahwe heeft ook het tijdstip vastgesteld: morgen zal Jahwe dit alles aan het land voltrekken.’ 6De volgende dag deed Jahwe zijn woord gestand: al het vee van de Egyptenaren kwam om, maar bij de Israëlieten stierf geen enkel dier. 7Farao liet navraag doen, en inderdaad was er bij de Israëlieten geen enkel dier gestorven. Toch bleef Farao onwillig en hij liet het volk niet vertrekken. 8Toen sprak Jahwe tot Mozes en Aäron: `Neem een handvol roet uit een smeltoven. Mozes moet dat voor de ogen van Farao in de lucht werpen. 9Het zal over heel Egypte stuiven en overal bij mens en dier builen veroorzaken die openbarsten en gaan etteren.’ 10Zij namen dus roet uit een smeltoven en verschenen daarmee voor Farao. Mozes wierp het roet in de lucht, en mensen en dieren kregen builen die openbarstten en gingen etteren. 11Door de builen konden zelfs de magiërs het niet meer bij Mozes uithouden; want ook zij zaten vol builen net als de andere Egyptenaren. 12Maar Jahwe maakte Farao halsstarrig; hij luisterde niet naar hen, zoals Jahwe tevoren aan Mozes gezegd had. 13Toen sprak Jahwe tot Mozes: `Ga morgenvroeg naar Farao en zeg hem: Zo spreekt Jahwe, de God der Hebreeën: Laat mijn volk vertrekken om Mij te vereren. 14Want deze keer zal Ik mijn zwaarste plaag loslaten op u zelf, op uw hovelingen en uw onderdanen. Dan zult gij weten dat er op de hele wereld niemand aan Mij gelijk is. 15Ik had al eerder mijn hand kunnen uitsteken en uw onderdanen kunnen slaan met de pest; dan zoudt ge van de aarde verdwenen zijn. 16Maar Ik heb u in leven gelaten om u mijn kracht te laten zien en om mijn naam bekend te laten worden over heel de aarde. 17Nog altijd vernedert gij mijn volk en laat het niet gaan. 18Morgen om deze tijd zal Ik een zware hagelbui doen vallen, zo zwaar als er in Egypte nog nooit is geweest vanaf zijn ontstaan tot heden toe. 19Haal uw kudden en alles wat gij buiten hebt binnen. Op alle mensen en dieren die buiten zijn en niet onderdak zijn gebracht, zal de hagel neerslaan en zij zullen omkomen.’ 20De hovelingen van Farao die Jahwe’s woord vreesden brachten hun knechten en hun vee onderdak, 21maar degenen die Jahwe’s woord niet ter harte namen lieten hun knechten en hun vee buiten. 22En Jahwe sprak tot Mozes: `Hef uw hand naar de hemel, en de hagel zal neerkomen over heel Egypte op mensen en dieren, op het veldgewas in heel Egypte.’ 23Mozes hief zijn hand naar de hemel en Jahwe liet het donderen en hagelen, bliksemstralen schoten naar de aarde. Jahwe liet de hagel neerkletteren op de Egyptische bodem. 24Het hagelde, en bliksemstralen schoten tussen de hagel door. Zo’n zware hagelbui was er in heel Egypte nog nooit geweest, zolang het volk bestond. 25Overal in Egypte sloeg de hagel neer

op alles wat zich buiten bevond, op mensen en dieren. De hagel sloeg alle veldgewassen stuk en vernielde alle bomen van het land. 26Maar er viel geen hagel in het land Gosen, waar de Israëlieten woonden. 27Toen ontbood Farao Mozes en Aäron en sprak tot hen: `Deze keer beken ik mijn schuld. Jahwe staat in zijn recht, en ik en mijn volk zijn schuldig. 28Bid voor mij tot Jahwe. Deze verschrikkelijke donder en hagel zijn al te erg. Ik laat u gaan, u hoeft niet langer te blijven. 29En Mozes gaf hem ten antwoord: `Zodra ik buiten de stad ben hef ik mijn handen op naar Jahwe; dan zal de donder zwijgen en de hagel ophouden; dan weet u dat heel de aarde Jahwe toebehoort. 30En toch ben ik er van overtuigd dat u en uw hovelingen Jahwe God nog niet vreest.’ 31Het vlas en de gerst waren verhageld, want de gerst stond al in de aar en het vlas bloeide. 32De tarwe en de spelt waren niet verhageld, want die zijn later in het seizoen. 33Mozes ging van Farao weg en begaf zich buiten de stad. Hij hief zijn handen op naar Jahwe, en de donder en de hagel hielden op, er stortte geen regen meer op de aarde. 34Toen Farao bemerkte dat regen, hagel en donder opgehouden waren, herviel hij in zijn zonde; hij werd zeer onwillig, hij en zijn hovelingen. 35Farao werd weer halsstarrig en liet de Israëlieten niet vertrekken, zoals Jahwe tevoren door Mozes gezegd had.

Hoofdstuk 10

Toen sprak Jahwe tot Mozes: `Ga naar Farao, want hem en zijn hovelingen maak Ik onwillig om mijn tekenen voor hen te kunnen verrichten. 2Dan kunt gij later aan uw kinderen en kleinkinderen verhalen hoe Ik tegen de Egyptenaren ben opgetreden en welke tekenen Ik daar verricht heb. Zo zult gij weten dat Ik Jahwe ben.’ 3Mozes en Aäron begaven zich naar Farao en zeiden tot hem: ’Zo spreekt Jahwe, de God der Hebreeën: Hoe lang nog blijft gij weigeren u voor Mij te buigen? Laat mijn volk gaan om Mij te vereren. 4Als ge weigert mijn volk te laten gaan, zal Ik morgen over uw grondgebied sprinkhanen laten komen. 5Ze zullen de oppervlakte van het land zo dicht bedekken dat er geen land meer te zien is. Wat de hagel u heeft overgelaten, zullen zij verslinden; alle bomen buiten op het land zullen ze kaalvreten. 6Uw huizen, de huizen van al uw hovelingen en de huizen van heel Egypte zullen er vol van zijn. Uw vaders en uw verre voorvaderen hebben, zolang zij in het land wonen, nog nooit zo iets gezien, tot op heden toe.’ Mozes keerde zich om en ging van Farao weg. 7Nu zeiden de hovelingen van Farao tot hem: `Hoe lang moet die man nu nog een struikelblok voor ons zijn? Laat die mensen toch gaan om Jahwe hun God te vereren. Of wilt u Egypte helemaal ten onder zien gaan?’ 8Hierop werden Mozes en Aäron opnieuw bij Farao ontboden en deze sprak tot hen: `U kunt vertrekken en Jahwe uw God gaan vereren. Maar wie gaan er mee?’ 9Mozes antwoordde: `Wij gaan met onze kinderen en grijsaards, met onze zonen en dochters, met ons kleinvee en onze runderen. Want wij vieren een pelgrimsfeest ter ere van Jahwe.’ 10Maar Farao antwoordde: `Moge Jahwe dan evenzeer met u zijn als ik bereid ben u met uw kinderen te laten vertrekken! Wees gewaarschuwd, u gaat uw ondergang tegemoet. 11Er komt niets van in! Alleen de mannen

mogen Jahwe gaan vereren. Daar is het u toch om begonnen.’ Daarop werden ze uit Farao’s tegenwoordigheid verwijderd. 12En Jahwe sprak tot Mozes: `Strek uw hand uit over Egypte, dan zullen de sprinkhanen er op neerstrijken. Alle veldgewassen, alles wat de hagel heeft overgelaten, zullen zij verslinden.’ 13Mozes strekte zijn staf uit over Egypte en Jahwe liet een oostenwind over het land waaien, heel die dag en heel die nacht. Toen de morgen aanbrak had de oostenwind sprinkhanen aangevoerd. 14Overal in Egypte streken zij neer. Zoveel sprinkhanen waren er nooit geweest en zullen er nooit meer komen. 15Ze bedekten heel de oppervlakte, zodat het land er zwart van zag. Ze vraten alle veldgewassen op en alle boomvruchten die de hagel had overgelaten. Aan bomen of veldgewas bleef in heel Egypte geen groen meer over. 16Haastig liet Farao Mozes en Aäron ontbieden en sprak: `Ik heb gezondigd tegen Jahwe uw God en tegen u. 17Ik smeek u, vergeef mij ook deze keer mijn zonde; bid voor mij tot Jahwe uw God, dat Hij deze vreselijke plaag van mij wegneemt.’ 18Mozes ging van Farao weg en bad smekend tot Jahwe. 19Toen liet Jahwe een krachtige zeewind waaien; deze voerde de sprinkhanen mee en dreef ze de Rietzee in. In heel het grondgebied van Egypte bleef niet een sprinkhaan over. 20Maar Jahwe maakte Farao halsstarrig: Hij liet de Israëlieten niet gaan. 21Toen sprak Jahwe tot Mozes: `Hef uw hand naar de hemel, dan zal over heel Egypte duisternis komen, zo dicht dat men ze kan tasten.’ 22Mozes hief zijn hand naar de hemel en een zware duisternis viel over Egypte, drie dagen lang. 23De mensen konden elkaar niet zien en drie dagen lang kon niemand een voet verzetten. Maar waar de Israëlieten woonden bleef het licht. 24Farao ontbood Mozes en Aäron en sprak: `Trek weg om Jahwe te gaan vereren. Alleen uw kleinvee en uw runderen moet u hier laten; de kinderen moogt ge meenemen.’ 25Maar toen zei Mozes: `Wilt u ons dan zelf brand- en slachtoffers ter beschikking stellen die wij aan Jahwe, onze God, kunnen opdragen? 26Ook ons vee moet mee: geen hoef mag hier blijven. Wat wij Jahwe, onze God gaan aanbieden, moet uit ons eigen bezit komen. En voor wij ter plaatse zijn weten wij nog niet wat wij Jahwe moeten aanbieden.’ 27Maar Jahwe maakte Farao halsstarrig: hij wilde hen niet laten gaan. 28En Farao zei tegen Mozes: `Verdwijn, en zorg dat u nooit meer onder mijn ogen komt. Als u nog een keer onder mijn ogen komt, betekent dat uw dood.’ 29Mozes antwoordde: `Met eigen mond hebt u het gezegd! Ik zal nooit meer onder uw ogen komen.’

Hoofdstuk 11

Toen sprak Jahwe tot Mozes: `Nog een plaag zal Ik over Farao en Egypte laten komen. Daarna zal hij u laten vertrekken. Als hij u tenslotte laat gaan zal hij u zelfs met geweld van hier wegjagen. 2Dring er bij het volk op aan dat iedere man van zijn buurman en iedere vrouw van haar buurvrouw gouden en zilveren sieraden vraagt.’ 3Want Jahwe had de Egyptenaren gunstig gestemd tegenover het volk. Ook Mozes zelf stond in Egypte hoog in aanzien bij de hovelingen van Farao en bij zijn onderdanen. 4En Mozes zei: `Zo spreekt Jahwe: Tegen middernacht zal Ik rondgaan door Egypte.

5Iedere eerstgeborene in Egypte zal sterven, van de eerstgeborene van Farao, die hem op de troon zal opvolgen, tot de eerstgeborene van de slavin die de handmolen draait; ook al de eerstgeborenen van het vee. 6Dan zal er in heel Egypte luid gejammer opgaan, zo luid als er nog nooit is geweest en nooit meer zal zijn. 7Maar bij de Israëlieten zal zelfs geen hond zijn tong durven roeren tegen mens of dier. Zo zult gij weten dat Jahwe onderscheid maakt tussen Egypte en Israël. 8Dan zullen al uw hovelingen naar mij toekomen, zich voor mij neerbuigen en vragen: Vertrek toch, u en het volk dat u achterna loopt. En nu ga ik!’ Ziedend van woede ging hij bij Farao weg. 9Maar Jahwe sprak tot Mozes: `Farao zal niet naar u luisteren. Zo zullen mijn wonderen in Egypte nog talrijker worden.’ 10Mozes en Aäron verrichten al deze wonderen voor Farao, maar Jahwe maakte Farao halsstarrig; Hij liet de Israëlieten niet uit zijn land vertrekken.

Hoofdstuk 12

Jahwe richtte het woord tot Mozes en Aäron in Egypte, en sprak: 2`Deze maand moet gij beschouwen als de beginmaand, als de eerste maand van het jaar. 3Maak aan heel de gemeenschap van Israël het volgende bekend. Op de tiende van deze maand moet ieder gezin een lam uitkiezen, ieder huis een lam. 4Als een gezin te klein is voor een lam, dan moeten ze, rekening houdend met het aantal personen, samen doen met hun naaste buurman. Bij het verdelen van het lam moet er rekening gehouden worden met ieders eetlust. 5Het lam moet gaaf zijn, van het mannelijk geslacht en eenjarig. Ge kunt er een schaap of een geit voor nemen. 6Ge moet de dieren vasthouden tot aan de veertiende van de maand. Dan moet heel de verzamelde gemeenschap van Israël ze slachten in de avondschemering. 7Vervolgens moet gij wat bloed nemen en dat uitstrijken over de beide deurposten en over de bovenbalk van de deur van alle huizen waar het lam gegeten wordt. 8In dezelfde nacht moet het vlees gegeten worden, op het vuur gebraden. Het moet gegeten worden met ongezuurd brood en bittere kruiden. 9Ge moogt het niet rauw eten of gekookt in water, maar alleen gebraden op het vuur, met kop, poten en ingewanden. 10Zorg dat er niets van over is, als de zon opgaat. Wat bij zonsopgang nog over zou zijn moet ge verbranden. 11En dit is de wijze waarop gij het lam moet eten: uw lendenen omgord, uw voeten geschoeid, en uw stok in de hand. Haastig moet ge het eten, want het is pasen voor Jahwe. 12Deze nacht zal Ik door Egypte gaan en alle eerstgeborenen van Egypte, zowel mensen als dieren, zal Ik slaan. Aan alle goden van Egypte zal Ik het vonnis voltrekken. 13Maar het bloed aan de huizen zal een teken zijn dat gij daar woont. Als Ik het bloed aan uw huizen zie, zal Ik u voorbijgaan. Geen vernietigende plaag zal u treffen als Ik Egypte sla. 14Deze dag moet gij tot een gedenkdag maken, ge moet hem vieren als een feest ter ere van Jahwe. Van geslacht tot geslacht moet ge hem als een eeuwige instelling vieren. 15Gedurende zeven dagen moet ge ongezuurd brood eten. Op de eerste dag moet ge het zuurdeeg uit uw huizen verwijderen, want als iemand een van die zeven

dagen iets eet dat gezuurd is, dan zal die mens van Israël worden afgesneden. 16De eerste en de zevende dag moet ge tot een heilige dag uitroepen. Op deze dagen moogt ge niet werken, behalve dan dat ieder de spijzen die hij nodig heeft mag toebereiden. 17Houd het feest der ongezuurde broden in ere, want dit is de dag waarop Ik uw legerscharen heb weggevoerd uit Egypte. Als een eeuwige instelling moet ge deze dag van geslacht tot geslacht in ere houden. 18In de eerste maand moet gij, vanaf de avond van de veertiende dag van de maand tot de avond van de eenentwintigste dag, ongezuurd brood eten. 19Gedurende zeven dagen mag in uw huizen geen zuurdeeg gevonden worden, want als iemand gezuurd brood eet zal hij van de gemeenschap van Israël worden afgesneden, of hij nu een vreemdeling of een ingezetene is. 20Niets wat gezuurd is moogt ge eten; waar ge ook verblijft, gij moet ongezuurd brood eten. 21Toen riep Mozes al de oudsten van Israël bijeen en sprak tot hen: `Ga voor uw families de dieren halen en slacht het paaslam. 22U moet ook een bundel hysop nemen en deze dopen in het bloed dat ge in een schaal hebt opgevangen. Dan moet u het bloed uit de schaal uitstrijken over de beide deurposten en over de bovenbalk van de deur. Tot aan de morgen mag niemand buiten de deur van zijn huis komen, 23want als Jahwe rondgaat om Egypte te slaan en het bloed ziet aan de beide posten van de deur, dan zal Jahwe uw deur voorbijgaan en Hij zal de verderver niet toestaan naderbij te komen om uw huis te slaan. 24U moet dit voorschrift blijven onderhouden als een eeuwige wet voor uzelf en voor uw kinderen. 25Ook als u aangekomen is in het land dat Jahwe u, naar zijn woord, gaat schenken, moet u deze plechtigheid blijven vieren. 26En als uw kinderen u de vraag stellen: Wat betekent deze plechtigheid? 27dan moet u hun antwoorden: Dit is een paasoffer voor Jahwe, omdat Hij in Egypte de huizen van de Israëlieten voorbij is gegaan; terwijl Hij de Egyptenaren sloeg, heeft Hij onze huizen gespaard.’ Toen knielde het volk neer en boog zich ter aarde. 28De Israëlieten gingen uiteen en deden alles wat Jahwe aan Mozes en Aäron had voorgeschreven. 29En het was midden in de nacht toen Jahwe al de eerstgeborenen van Egypte sloeg, vanaf de eerstgeborene van Farao die hem op de troon zou opvolgen, tot aan de eerstgeborene in de gevangenis; en ook al de eerstgeborenen van het vee. 30Die nacht kwamen Farao en al zijn hovelingen en alle Egyptenaren overeind, en een luid geschreeuw klonk over Egypte, want er was geen huis zonder dode. 31Die nacht nog liet hij Mozes en Aäron ontbieden en sprak: `Maak dat u bij mijn volk wegkomt, u en de Israëlieten. Ga Jahwe vereren zoals u gevraagd hebt. 32Neem ook al uw kleinvee en runderen mee, zoals u gevraagd hebt. Ga weg en smeek ook voor mij zijn zegen af.’ 33De Egyptenaren drongen er bij het volk op aan zo spoedig mogelijk te vertrekken. `Anders sterven we allemaal,’ zeiden ze. 34Het volk nam het deeg mee nog voor het gezuurd was; ze wikkelden de troggen in hun mantels en namen ze op hun schouders. 35De Israëlieten deden wat Mozes hun gezegd had en vroegen van de Egyptenaren gouden en zilveren sieraden en kleding. 36Jahwe stemde de Egyptenaren

gunstig ten opzichte van het volk zodat zij deze dingen afstonden. Zo beroofden de Israëlieten Egypte. 37De Israëlieten vertrokken vanuit Ramses in de richting Sukkot, en het aantal mannen die zelf liepen – de kinderen dus niet meegerekend – bedroeg ongeveer zeshonderdduizend. 38Ook vele anderen trokken met hen mee en dan nog grote kudden kleinvee en runderen. 39Zij bakten ongezuurde koeken van het deeg dat ze meegenomen hadden uit Egypte; dit was nog niet gezuurd. Zij waren immers uit Egypte weggejaagd zonder dat hun respijt werd gelaten en zelfs zonder dat ze voor proviand hadden kunnen zorgen. 40Het verblijf van de Israëlieten in Egypte had vierhonderddertig jaar geduurd. 41Juist op de dag dat deze vierhonderddertig jaar verstreken waren trokken al de legerscharen van Jahwe weg uit Egypte. 42Jahwe waakte die nacht om hen uit Egypte weg te voeren. Daarom waken alle Israëlieten deze nacht voor Jahwe, al hun geslachten door. 43Jahwe sprak tot Mozes en Aäron: `Voor het paasmaal gelden de volgende regels. Geen buitenlander mag er aan deelnemen. 44Maar een slaaf die gij gekocht en besneden hebt, mag wel van het paasmaal eten. 45Vreemdelingen en dagloners mogen echter niet deelnemen. 46Het moet in een en hetzelfde huis gegeten worden, niets van het vlees moogt ge buitenshuis brengen en geen been van het lam moogt ge breken. 47Heel de gemeenschap van Israël moet het vieren. 48Wil een vreemdeling die bij u woont voor Jahwe het paasmaal vieren, dan moet hij eerst alle mannelijke leden van zijn gezin laten besnijden. Dan mag hij het gaan vieren, omdat hij geldt als een geboren Israëliet. Maar geen onbesnedene mag er van meeëten. 49Voor de geboren Israëlieten en voor de vreemdelingen die bij u verblijven, gelden dezelfde voorschriften.’ 50De Israëlieten voerden alles uit wat Jahwe aan Mozes en Aäron had voorgeschreven. 51En diezelfde dag nog leidde Jahwe de Israëlieten, in groepen geordend, weg uit Egypte.

Hoofdstuk 13

Jahwe sprak tot Mozes en Aäron aldus: 2`Wijd Mij alle eerstgeborenen toe; alles wat bij de Israëlieten de moederschoot opent, mens of dier, behoort Mij toe.’ 3Mozes sprak tot het volk: `Blijf deze dag gedenken, de dag waarop u weggetrokken bent uit Egypte, het slavenhuis. Want met krachtige hand heeft Jahwe u weggeleid. Gezuurd brood mag niet gegeten worden. 4Vandaag, op deze dag van de maand Abib, trekt u weg. 5Als Jahwe u dan weggebracht heeft naar het land van de Kanaänieten, Hethieten, Amorieten, Chiwwieten en Jebusieten, een land van melk en honing, het land dat Hij u geven zal zoals Hij aan uw vaderen onder ede beloofd heeft, dan moet u steeds in deze maand deze plechtigheid blijven vieren. 6Zeven dagen lang moet u ongezuurd brood eten, en op de zevende dag is het feest voor Jahwe. 7Ongezuurd brood moet men eten, zeven dagen lang; iets wat gezuurd is mag bij u niet gevonden worden. 8Op die dag moet u aan uw zoon deze uitleg geven: Dit staat in verband met wat Jahwe voor mij gedaan heeft toen ik wegtrok uit Egypte. 9Het moet voor u een merk op de hand zijn en een gedachtenisteken tussen uw ogen, zodat Jahwe’s wet altijd op uw lippen is. Want met sterke hand heeft

Hij u weggeleid uit Egypte. 10U moet dit voorschrift ieder jaar op de vastgestelde tijd onderhouden. 11Als Jahwe u geleid heeft naar het land van de Kanaänieten, dat Hij u en uw vaderen onder ede beloofd heeft, en u dat land in bezit heeft gegeven, 12dan moet u alles wat de moederschoot opent afstaan aan Jahwe. Elke mannelijke eerstgeborene van het vee behoort toe aan Jahwe. 13Elk eerstgeboren jong van een ezel moet u loskopen met een lam. Wilt u het niet loskopen dan moet u het de nek breken. Iedere mannelijke eerstgeborene van uw kinderen moet u vrijkopen. 14Als uw zoon u later vraagt wat dit betekent, dan moet u hem antwoorden: Met krachtige hand heeft Jahwe ons weggeleid uit Egypte, het slavenhuis. 15Toen Farao hardnekkig weigerde ons te laten gaan, heeft Jahwe alle eerstgeborenen van Egypte gedood, zowel de eerstgeborenen van de mensen als die van het vee. Daarom offer ik al het mannelijke dat de moederschoot opent aan Jahwe en koop ik elke eerstgeboren zoon vrij. 16Dit moet voor u een merk op de hand zijn en een gedachtenisteken tussen uw ogen; want met krachtige hand heeft Jahwe ons weggeleid uit Egypte.’ 17Toen Farao het volk had laten vertrekken liet God hen niet door het gebied van de Filistijnen gaan, hoewel deze weg korter is. Want als het volk aangevallen zou worden, dacht God, zou het spijt kunnen krijgen en terugkeren naar Egypte. 18God liet het volk dus de omweg door de Rietzeewoestijn maken. Geheel tot de strijd uitgerust trokken de Israëlieten weg uit Egypte. 19Mozes nam het gebeente van Jozef mee. Deze had de Israëlieten immers plechtig laten beloven dat te doen, toen hij zei: `Jahwe zal zeker eens genadig op u neerzien; neem dan mijn gebeente met u mee.’ 20De Israëlieten vertrokken van Sukkot en sloegen hun kamp op te Etam, aan de rand van de woestijn. 21Jahwe ging voor hen uit; overdag in een wolkkolom, ’s nachts in een vuurzuil om hun licht te zijn. Zo konden zij dag en nacht doortrekken. 22Nooit week de wolkkolom overdag en de vuurzuil ’s nachts van de spits van het volk.

Hoofdstuk 14

Jahwe sprak tot Mozes: 2`Zeg aan de Israëlieten dat zij moeten omkeren en hun kamp opslaan voor Pi-Hachirot, tussen Migdol en de zee. Voor Baäl-Sefon moet gij aan de zee uw kamp opslaan. 3Dan zal Farao denken: De Israëlieten zijn de weg kwijtgeraakt en nu zijn ze door de woestijn ingesloten. 4En Ik zal Farao weer halsstarrig maken zodat hij hen gaat achtervolgen. Ik zal Mij verheerlijken ten koste van Farao en heel zijn legermacht. Dan zullen de Egyptenaren weten dat Ik Jahwe ben.’ De Israëlieten deden naar dit bevel. 5Toen aan de koning van Egypte gemeld werd dat het volk gevlucht was, veranderden Farao en zijn hovelingen van gedachten en ze riepen uit: ’Hoe konden we de Israëlieten toch uit onze dienst laten vertrekken?’ 6Hij liet dus zijn strijdwagen aanspannen en nam zijn manschappen met zich mee: 7zeshonderd van de beste wagens en alle voertuigen van Egypte, alle met drie man bezet. 8Want Jahwe had Farao, de koning van Egypte, weer halsstarrig gemaakt, zodat hij de Israëlieten ging achtervolgen die onder Jahwe’s machtige bescherming

vertrokken waren. 9Met alle paarden en wagens van Farao, met zijn wagenmenners en zijn legermacht, zetten de Egyptenaren de achtervolging in. Zij haalden de Israëlieten in terwijl zij gelegerd waren aan zee, bij Pi-Hachirot, voor Baäl-Sefon. 10Toen Farao naderde, zagen de Israëlieten ineens dat de Egyptenaren hen achterna gekomen waren. Hevige angst maakte zich van hen meester en zij riepen luid tot Jahwe. 11Maar tegen Mozes zeiden ze: `Waren er in Egypte geen graven dat je ons naar de woestijn gebracht hebt om te sterven? Hoe heb je het toch in je hoofd gehaald om ons weg te voeren uit Egypte? 12Hebben wij je in Egypte al niet gewaarschuwd: Bemoei je niet met ons, laat ons maar in dienst blijven van de Egyptenaren? Het is beter hen te dienen dan te sterven in de woestijn.’ 13Mozes gaf het volk ten antwoord: `Vrees niet en blijf volhouden: dan zult u zien hoe Jahwe u vandaag nog zal redden. Want vandaag ziet u de Egyptenaren nog; daarna zult u ze niet meer zien, nooit meer! 14Jahwe zal voor u strijden; zelf hoeft u geen vinger uit te steken.’ 15Toen sprak Jahwe tot Mozes: `Wat roept ge Mij toch. Beveel de Israëlieten verder te trekken. 16Gij zelf moet uw hand opheffen, uw staf uitstrekken over de zee en ze in tweeën splijten. Dan kunnen de Israëlieten over de droge bodem door de zee trekken. 17Ik ga de Egyptenaren halsstarrig maken, zodat zij hen achterna gaan. En dan zal Ik Mij verheerlijken ten koste van Farao en heel zijn legermacht, zijn wagens en zijn wagenmenners. 18De Egyptenaren zullen weten dat Ik Jahwe ben, als Ik Mij verheerlijk ten koste van Farao, zijn wagens en zijn wagenmenners.’ 19De engel van God die aan de spits van het leger der Israëlieten ging, veranderde van plaats en stelde zich achter hen op. De wolkkolom ging weg van de spits en stelde zich achter hen op. 20Zo kwam zij tussen het leger van de Egyptenaren en het leger van de Israëlieten. De wolk bleef die nacht donker zodat het heel die nacht niet tot een treffen kwam. 21Toen strekte Mozes zijn hand uit over de zee en Jahwe deed die hele nacht door een sterke oostenwind de zee terugwijken. Hij maakte van de zee droog land en de wateren spleten vaneen. 22Zo trokken de Israëlieten over de droge bodem de zee door, terwijl de wateren links en rechts een wand vormden. 23De Egyptenaren zetten de achtervolging in; alle paarden van Farao, zijn wagens en zijn wagenmenners gingen achter de Israëlieten aan de zee in. 24Tegen de morgenwake richtte Jahwe vanuit de wolkkolom en de vuurzuil zijn blikken op de legermacht van de Egyptenaren en bracht ze in verwarring. 25Hij liet de wielen van de wagens scheeflopen zodat ze slechts met moeite vooruit kwamen. De Egyptenaren riepen uit: `Laten we vluchten voor de Israëlieten, want Jahwe strijdt voor hen tegen ons.’ 26Toen sprak Jahwe tot Mozes: `Strek uw hand uit over de zee, dan zal het water terugstromen over de Egyptenaren, hun wagens en hun wagenmenners.’ 27Mozes strekte zijn hand uit over de zee, en toen het licht begon te worden vloeide de zee naar haar gewone plaats terug. Daar de Egyptenaren er tegen in vluchtten, dreef Jahwe hen midden in de zee. 28Het water vloeide terug en overspoelde wagens en wagenmenners, heel de strijdmacht van Farao

die de Israëlieten op de bodem van de zee achterna was gegaan. Niet één bleef gespaard. 29De Israëlieten daarentegen waren over de droge bodem door de zee heengetrokken, terwijl de wateren links en rechts van hen een wand vormden. 30Zo redde Jahwe op deze dag Israël uit de greep van Egypte; Israël zag de Egyptenaren dood op de kust liggen. 31Toen Israël Jahwe’s machtige optreden tegen Egypte gezien had, kreeg het volk ontzag voor Jahwe; zij stelden vertrouwen in Jahwe en in Mozes zijn dienaar.

Hoofdstuk 15

Toen hieven Mozes en de Israëlieten ter ere van Jahwe dit lied aan:
2Jahwe is mijn sterkte en kracht; Hij heeft mij gered: 3Jahwe is een
strijder, Jahwe is zijn naam. 4Farao’s wagens, zijn machtige legers. Hij
wierp ze in zee; 5Zij zijn door de vloed overspoeld, als een steen naar de
diepte gezakt. 6Uw hand, Jahwe, heeft zich machtig getoond; 7Die U
weerstonden hebt Gij gebroken, groot in uw luister. 8Uw neus heeft
geblazen; de wateren stegen, 9`Ik ga ze achterna,’ zei de vijand, `ik haal
ze wel in; 10Maar Gij hebt geblazen, de zee heeft hen bedolven;
11Wie is van de goden als gij, o Jahwe? 12Uw hand heft gij op, de aarde
verslindt hen. 13Uw genade wees de weg aan het volk, door U verlost;

14De volken vernamen het, zij beefden van angst; 15De vorsten van Edom, zij waren ontsteld; 16Ontzetting en schrik kwam over hen neer; 17Gij hebt hen gebracht; 18Jahwe is koning, voor altijd en eeuwig!

19Toen de paarden van Farao, met de wagens en de wagenmenners, in de zee gekomen waren, liet Jahwe de wateren van de zee over hen terugvloeien. 20En Mirjam, de profetes, een zuster van Aäron, pakte haar tamboerijn, en alle vrouwen volgden haar, dansend en spelend op de tamboerijn. 21Mirjam zong het refrein: Zing voor Jahwe, want Hij is de hoogste; paard en berijder dreef Hij in zee. 22Toen liet Mozes de Israëlieten van de Rietzee verder trekken naar de woestijn van Sur. Drie dagen trokken zij door de woestijn, zonder water te vinden. 23Zij kwamen in Mara, maar het water van Mara was niet te drinken omdat het bitter was. Daarom heet die plaats dan ook Mara. 24Het volk begon te morren tegen Mozes en vroeg: ’Wat moeten we drinken?’ 25Mozes smeekte Jahwe om hulp, en Jahwe wees hem een stuk hout aan. Hij wierp dat in het water, en het water werd zoet. Daar gaf hij hun regels en recht, en leerde hun daarmee te leven. 26Hij hield hun voor: ’Als gij oprecht gehoorzaamt aan het woord van Jahwe, uw God, en als gij doet wat in zijn ogen goed is, als gij zijn voorschriften opvolgt en zijn verordeningen onderhoudt: dan zal geen van de ziekten die Ik over Egypte deed komen, u treffen. Ik ben Jahwe, uw geneesheer.’ 27Zij kwamen vervolgens te Elim, een plaats met twaalf bronnen en zeventig palmen, en legerden zich daar bij water.
Hoofdstuk 16

Van Elim trok heel de gemeenschap van de Israëlieten verder en bereikte de woestijn van Sin, tussen Elim en de Sinaï. Het was de vijftiende dag van de tweede maand na hun vertrek uit Egypte. 2Toen ze in de woestijn waren, begon heel de gemeenschap van de Israëlieten te morren tegen

Mozes en Aäron. 3De Israëlieten zeiden tegen hen: `Waren we maar door Jahwe’s hand gestorven in Egypte, waar we bij de vleespotten zaten en volop brood konden eten. Jullie hebben ons alleen maar naar de woestijn gebracht om al deze mensen van honger te laten omkomen.’ 4Toen sprak Jahwe tot Mozes: `Ik zal brood voor u laten regenen uit de hemel. De mensen moeten er dagelijks op uit gaan en de hoeveelheid voor een dag verzamelen. Dan kan Ik vaststellen of het mijn leiding wil volgen of niet. 5Maar op de zesde dag moeten ze eens zo veel verzamelen en toebereiden als op andere dagen.’ 6Mozes en Aäron zeiden toen tot de Israëlieten: `Vanavond nog zult u weten dat het inderdaad Jahwe was die u heeft weggevoerd uit Egypte. 7En morgenochtend zult u de heerlijkheid van Jahwe aanschouwen. Want Jahwe heeft het gemor tegen hem gehoord. Wie zijn wij, dat u zo mort tegen ons?’ 8Mozes zei verder: `Vanavond zal Jahwe zelf u vlees te eten geven en morgenochtend volop brood. Want Jahwe heeft uw gemor tegen hem gehoord. Wie zijn wij tenslotte? Niet tegen ons, maar tegen Jahwe ging uw gemor.’ 9En Mozes sprak tot Aäron: `Zeg aan heel de gemeenschap der Israëlieten het volgende: Nader tot Jahwe, want hij heeft uw gemor gehoord.’ 10Terwijl Aäron sprak, keerde heel de gemeenschap der Israëlieten zich naar de woestijn. En daar verscheen hun in een wolk de heerlijkheid van Jahwe. 11Jahwe sprak tot Mozes: 12`Ik heb het gemor van de Israëlieten gehoord. Dit moet ge hun zeggen: Tegen de avond kunt ge vlees eten en morgenochtend zult ge volop brood hebben. Dan zult ge weten dat Ik Jahwe, uw God, ben.’ 13En het was avond, toen de kwartels kwamen aangevlogen die neervielen over heel het kamp. De volgende morgen hing er dauw rondom het kamp. 14En toen deze was opgetrokken lag er over de woestijn een fijne korrelige laag, alsof de grond met rijp was bedekt. 15De Israëlieten zagen het en vroegen: `Wat is dat?’ Ze wisten werkelijk niet wat het was. Mozes legde hun uit: `Dit is het brood dat Jahwe u te eten geeft. 16En aldus heeft Jahwe bepaald: Ieder mag er zoveel van nemen als hij voor zijn familie nodig heeft: een omer per persoon. Maar ieder mag alleen maar nemen voor degenen die in zijn tent verblijven.’ 17De Israëlieten deden dat ook: de een verzamelde meer, de ander minder. 18Als ze het met de omer namaten bleek een grote hoeveelheid nooit te groot en een kleine hoeveelheid nooit te klein, en had de man die veel had nooit te veel en de man die weinig had nooit te weinig. Iedereen had juist zoveel verzameld als hij nodig had. 19Mozes vermaande hen: `Er mag niets bewaard worden voor de volgende dag.’ 20Maar sommigen stoorden zich niet aan Mozes’ bevel en bewaarden toch iets tot de volgende dag; toen zat het vol wormen en het stonk afschuwelijk. Mozes was woedend op hen. 21Iedere morgen opnieuw verzamelden zij het, ieder zoveel als hij nodig had. Zodra de zon warm begon te worden smolt het weg. 22Op de zesde dag vonden zij een dubbele hoeveelheid brood, twee omer per persoon. Alle leiders van de gemeenschap kwamen het Mozes zeggen. 23Deze legde hun uit: `Zo heeft Jahwe bepaald: Morgen is het sabbatdag, de sabbat die gewijd is aan Jahwe. Bakt en kookt wat u

nodig hebt. Wat overblijft moet u opzij leggen en bewaren voor morgen.’ 24Zij legden dus een gedeelte opzij voor de volgende morgen, zoals Mozes bevolen had. Deze keer stonk het niet en er zaten geen wormen in. 25En Mozes zei: `Dit moet u vandaag gebruiken, want vandaag is het sabbat voor Jahwe. Vandaag zult u buiten niets vinden. 26Zes dagen kunt u verzamelen, maar op de zevende dag, op de sabbat, is er niets.’ 27Sommige mensen gingen er de zevende dag toch op uit, maar zij vonden niets. 28Toen sprak Jahwe tot Mozes: `Hoe lang blijft gij nog weigeren mijn voorschriften en bepalingen te onderhouden? 29Denk er wel aan: Jahwe heeft u de sabbat gegeven. Hij geeft u dan ook op de zesde dag brood voor twee dagen. Iedereen moet blijven waar hij is, niemand mag op de zevende dag zijn verblijfplaats verlaten.’ 30Zo hield het volk op de zevende dag rust. 31Israël noemde het brood manna. Het was wit als korianderzaad en smaakte naar honingkoek. 32Mozes sprak nog: `Dit heeft Jahwe bevolen: Bewaar een volle omer voor uw nageslacht. Dan kunnen zij zien welk brood Ik u te eten gegeven heb in de woestijn, toen Ik u wegvoerde uit Egypte.’ 33Mozes gaf Aäron de opdracht: `Neem een urn, doe er een volle omer manna in en zet die voor Jahwe, om ze voor het nageslacht te bewaren.’ 34Aäron deed wat Jahwe aan Mozes bevolen had en plaatste de urn ter bewaring bij de verbondsakte. 35Veertig jaar lang aten de Israëlieten het manna, tot ze in bewoonde streken kwamen. Zij aten het manna tot ze de grenzen van Kanaän bereikt hadden. 36Een omer is het tiende deel van een efa.

Hoofdstuk 17

Heel de gemeenschap van de Israëlieten vertrok uit de woestijn van Sin, om naar Jahwe’s aanwijzingen van kamp tot kamp verder te gaan. Toen ze hun kamp opsloegen in Refidim had het volk geen water te drinken. 2Ze begonnen Mozes verwijten te doen en zeiden: `Geef ons water te

drinken.’ Mozes antwoordde: `Waarom doet u mij verwijten en waarom daagt u Jahwe uit?’ 3Maar de mensen leden daar hevige dorst; zij bleven tegen Mozes morren en zeiden: `Waarom hebt u ons weggevoerd uit Egypte als we toch met kinderen en vee van dorst moeten sterven?’ 4Mozes klaagde zijn nood bij Jahwe: `Wat moet ik toch aan met dit volk? Ze staan op het punt mij te stenigen.’ 5Jahwe gaf Mozes ten antwoord: `Ga met enkelen van Israëls oudsten voor het volk uit, neem in uw hand de staf waarmee ge de Nijl geslagen hebt en begeef u op weg. 6Ik zal ginds, voor uw ogen, op een rots staan, op de Horeb. Sla op die rots: er zal water uitstromen zodat de mensen kunnen drinken.’ Mozes deed dat in het bijzijn van Israëls oudsten. 7Hij noemde de plaats Massa en Meriba vanwege de verwijten der Israëlieten en omdat zij Jahwe hadden uitgedaagd door zich af te vragen: `Is Jahwe nu bij ons of niet?’ 8Amalek kwam aanzetten om Israël in Refidim aan te vallen. 9Toen zei Mozes tegen Jozua: `Kies manschappen uit en trek morgen ten strijde tegen Amalek. Zelf ga ik met de staf van God in mijn hand op de top van de heuvel staan.’ 10Jozua deed wat Mozes hem had opgedragen. Hij bond de strijd aan met Amalek,

terwijl Mozes, Aäron en Chur de top van de heuvel bestegen. 11En zolang Mozes zijn armen opgeheven hield waren de Israëlieten aan de winnende hand. Maar liet hij zijn armen zakken dan won Amalek. 12Tenslotte werden Mozes’ armen moe. Toen haalden ze een steen voor hem waar hij op ging zitten. Aäron en Chur ondersteunden zijn armen, elk aan een kant. Zo bleven zijn armen omhooggeheven, tot zonsondergang toe. 13En Jozua versloeg Amalek en zijn leger met het zwaard. 14Daarop gaf Jahwe aan Mozes de opdracht: `Stel dit ter gedachtenis op schrift en prent het Jozua in: Ik ga de herinnering aan Amalek van de aarde wegvagen.’ 15Toen bouwde Mozes een altaar en noemde het Jahwe-banier. 16Hij zei: `De handen omhoog naar Jahwe’s troon. Jahwe strijdt tegen Amalek, alle geslachten door.’

Hoofdstuk 18

Jetro, de priester van Midjan, de schoonvader van Mozes, hoorde alles wat God gedaan had voor Mozes en voor zijn volk Israël: dat Jahwe Israël uit Egypte had geleid. 2Toen ging Jetro, de schoonvader van Mozes, met diens vrouw Sippora – die Mozes later teruggestuurd had 3en haar beide zonen, op weg. De ene zoon heette Gersom. Want, zo had hij gedacht, `ik verblijf in een vreemd land.’ 4De ander heette Eliëzer: want `de God van mijn vader kwam mij te hulp en heeft mij gered van Farao’s zwaard.’ 5Jetro, de schoonvader van Mozes, ging dus met diens vrouw en zonen op weg naar Mozes, naar de woestijn waar deze toen gelegerd was, bij de berg van God. 6Hij liet weten: `Ik, uw schoonvader Jetro, ben naar u op weg. Uw vrouw en zonen zijn in mijn gezelschap.’ 7Toen ging Mozes zijn schoonvader tegemoet, boog voor hem en kuste hem. Zij vroegen elkaar hoe ze het maakten en gingen toen de tent binnen. 8Mozes verhaalde zijn schoonvader uitvoerig wat Jahwe gedaan had met de farao van Egypte, ten gunste van Israël. Ook vertelde hij van alle moeilijkheden waarop ze onderweg gestuit waren en hoe Jahwe hen daaruit had gered. 9Jetro was verheugd over de gunsten die Jahwe bij de bevrijding uit Egypte aan Israël bewezen had. 10En Jetro sprak: `Gezegend zij Jahwe die u bevrijd heeft uit de macht van Egypte en uit de macht van Farao. Hij die het volk bevrijd heeft uit de onderdrukking van Egypte. 11Nu weet ik dat Jahwe groter is dan alle andere goden.’ 12Jetro, de schoonvader van Mozes, bracht aan God brand- en slachtoffers. En Aäron en al de oudsten van Israël kwamen met de schoonvader van Mozes voor God de offermaaltijd houden. 13De volgende dag hield Mozes rechtszitting. Van ’s morgens tot ’s avonds stonden er mensen om hem heen. 14Toen zijn schoonvader zag hoeveel werk het volk hem bezorgde zei hij: `Is het nodig dat deze mensen je zo in beslag nemen? Waarom hou je alleen zitting terwijl de mensen zich van ’s morgens tot ’s avonds om je verdringen?’ 15Mozes antwoordde zijn schoonvader: `De mensen komen naar mij toe om Gods uitspraak te vernemen. 16Als ze een geschil hebben komen ze bij mij, en ik moet uitspraak doen en hen op de hoogte stellen van Gods bepalingen en beslissingen.’ 17Mozes’ schoonvader zei toen tot hem: `Toch doe je zo niet verstandig. 18Het is te vermoeiend, zowel voor jezelf als voor de

mensen die staan te wachten. Het is te zwaar voor je; dit kun je alleen niet aan. 19Luister naar me, ik zal je een goede raad geven en God zal je bijstaan. Jij moet het volk vertegenwoordigen bij God en Hem de zaken voorleggen. 20Je moet de mensen de bepalingen en wetten inprenten en hun leren welke weg zij moeten gaan en hoe zij moeten leven. 21Maar kies daarnaast uit het volk een aantal mannen die bekwaam zijn, godvrezend, betrouwbaar en onomkoopbaar. Stel hen aan tot leiders over duizend, leiders over honderd, leiders over vijftig, en leiders over tien. 22Zij moeten zich steeds ter beschikking houden voor de rechtspraak. Iedere belangrijke zaak moeten ze aan jou voorleggen, in kleinere zaken kunnen ze zelf uitspraak doen. Het zal voor jou een verlichting betekenen als zij die last met je dragen. 23Als jij, met Gods instemming, zo te werk gaat, dan kun je het volhouden en gaan ook al die mensen tevreden naar huis.’ 24Mozes ging op de raad van zijn schoonvader in en regelde alles zoals deze had voorgesteld. 25Hij koos uit heel Israël bekwame mannen en stelde hen aan het hoofd van het volk: leiders over duizend, leiders over honderd, leiders over vijftig en leiders over tien. 26Zij hielden zich voor de rechtspraak van het volk steeds ter beschikking. De belangrijke zaken legden ze voor aan Mozes, in kleinere deden ze zelf uitspraak. 27Toen deed Mozes zijn schoonvader uitgeleide en deze keerde terug naar zijn land.

Hoofdstuk 19

Drie maanden na hun vertrek uit Egypte, op de dag af, bereikten de Israëlieten de Sinaï-woestijn. 2Zij waren vertrokken uit Refidim en kwamen aan in de Sinaï-woestijn waar zij dicht bij de berg hun kamp opsloegen. 3Mozes ging de berg op, naar God. Toen hij boven was sprak Jahwe hem daar aan en zei: `Dit moet gij zeggen tot het huis van Jakob en doen weten aan de zonen van Israël. 4Met eigen ogen hebt gij gezien hoe Ik ben opgetreden tegen Egypte, hoe Ik u op arendsvleugelen gedragen en hier bij Mij gebracht heb. 5Als gij aan mijn woord gehoorzaamt en mijn verbond onderhoudt, dan zult ge – hoewel de hele aarde Mij toebehoort – van alle volken op bijzondere wijze mijn eigendom zijn. 6Gij zult mijn priesterlijk koninkrijk en mijn heilig volk zijn. Deze woorden moet gij de Israëlieten overbrengen.’ 7Mozes ging terug, riep de oudsten van het volk bijeen en deelde hun alles mee wat Jahwe hem had opgedragen. 8Eenstemmig gaf het volk dit antwoord: `Alles wat Jahwe zegt zullen wij volbrengen.’ Mozes bracht het antwoord van het volk weer over aan Jahwe. 9Jahwe sprak nu tot Mozes: `Ik kom tot u in een dichte wolk zodat het volk Mij met u hoort spreken en voor altijd vertrouwen in u zal krijgen.’ Mozes bracht het antwoord van het volk over aan Jahwe. 10Toen sprak Jahwe tot Mozes: `Begeef u naar het volk en zorg er voor dat ze zich vandaag en morgen heiligen en hun kleren wassen. 11Zij moeten zich gereed maken voor overmorgen, want overmorgen zal Jahwe voor de ogen van heel het volk neerdalen op de Sinaï. 12Baken voor de mensen een terrein af en zeg hun: Wacht u op de berg te komen of zelfs zijn voet maar te betreden; wie op de berg komt wordt ter dood gebracht. 13Zelfs

met geen vinger mag zo iemand aangeraakt worden: hij moet gestenigd worden of doodgeschoten. Pas als de ramshoorn weerklinkt mogen zij de berg bestijgen.’ 14Mozes kwam van de berg af en droeg er zorg voor dat de mensen zich heiligden en hun kleren wasten. 15Hij zei tegen het volk: `Maak u gereed voor overmorgen; niemand mag gemeenschap hebben met een vrouw.’ 16Op de derde dag, vroeg in de morgen, begon het te donderen en te bliksemen. Boven de berg hing een dichte wolk, machtig bazuingeschal weerklonk, en alle mensen in het kamp beefden van angst. 17Toen voerde Mozes het volk uit het kamp naar buiten, God tegemoet. Aan de voet van de berg bleven zij staan. 18De Sinaï was geheel in rook gehuld omdat Jahwe in vuur was nedergedaald. De rook steeg omhoog als de rook van een smeltoven. 19Heel het volk was met ontzetting geslagen. Bazuingeschal weerklonk, luider en luider. Mozes sprak, en de stem van God antwoordde hem. 20Want Jahwe was nedergedaald op de Sinaï, op de top van de berg. En Jahwe riep Mozes naar de top van de berg en Mozes ging naar boven. 21Toen sprak Jahwe tot Mozes: `Ga naar beneden en waarschuw de mensen dat zij niet op mogen dringen om Jahwe te zien; want dan zouden er velen sterven. 22Ook de priesters, die anders naderen tot Jahwe, ook zij moeten op een afstand blijven; anders zal de toorn van Jahwe tegen hen losbarsten.’ 23Mozes antwoordde Jahwe: `Het volk kan de Sinaï niet bestijgen. Gij hebt ons zelf immers opdracht gegeven de berg af te zetten en tot heilig gebied te verklaren.’ 24Jahwe sprak tot hem: `Ga naar beneden en kom dan weer boven met uw broer Aäron. Maar de priesters en het volk mogen niet naar boven, naar Jahwe, opdringen; anders zal de toorn van Jahwe tegen hen losbarsten.’ 25Mozes daalde af naar het volk en sprak het toe.

Hoofdstuk 20

Toen sprak God al de woorden die hier volgen. 2`Ik ben Jahwe uw God, die u heb weggeleid uit Egypte, het slavenhuis. 3Gij zult geen andere goden hebben, ten koste van Mij. 4Gij zult geen godenbeelden maken, geen afbeelding van enig wezen boven in de hemel, beneden op de aarde of in de wateren onder de aarde. 5Gij zult u voor hen niet ter aarde buigen en hun geen goddelijke eer bewijzen; want Ik, Jahwe uw God, Ik ben voor hen die Mij haten een jaloerse God die de schuld van de vaders wreekt op hun kinderen, tot het derde en vierde geslacht, 6maar voor hen die Mij liefhebben en mijn geboden onderhouden een God die goedheid bewijst tot aan het duizendste geslacht. 7Gij zult de naam van Jahwe uw God niet lichtvaardig gebruiken; want Jahwe laat degenen die zijn naam lichtvaardig gebruiken niet ongestraft. 8Denk aan de sabbat; die moet heilig voor u zijn. 9Zes dagen kunt gij werken en alle arbeid verrichten. 10Maar de zevende dag is de sabbat voor Jahwe uw God. Dan moogt gij geen enkele arbeid verrichten: gij zelf niet, uw zoon niet, uw dochter niet, uw slaaf niet, uw slavin niet, uw dieren niet, zelfs niet de vreemdeling die bij u woont. 11In zes dagen immers heeft Jahwe de hemel, de aarde, de zee met al wat er in is, gemaakt. Maar de zevende dag heeft Hij gerust en zo de sabbat gezegend en tot een heilige dag gemaakt. 12Eer uw vader en uw

moeder. Dan zult gij lang leven op de grond die Jahwe uw God u schenkt. 13Gij zult niet doden. 14Gij zult geen echtbreuk plegen. 15Gij zult niet stelen. 16Gij zult tegen uw naaste niet leugenachtig getuigen. 17Gij zult uw zinnen niet zetten op het huis van uw naaste; gij zult uw zinnen niet zetten op de vrouw van uw naaste, niet op zijn slaaf, zijn slavin, zijn rund of zijn ezel, op niets wat hem toebehoort. 18Overweldigd door de donderslagen, de bliksemflitsen, het bazuingeschal en de rokende berg, beefde heel het volk van angst en bleef op een afstand staan. 19Ze vroegen aan Mozes: `Spreekt u toch met ons; wij zullen luisteren. Maar laat God niet tot ons spreken want dan sterven wij.’ 20Mozes antwoordde: `Wees maar niet bang. Want God is gekomen om u op de proef te stellen: dat u zo’n ontzag voor Hem zoudt krijgen dat u niet meer zondigt.’ 21Terwijl het volk op een afstand bleef staan, trad Mozes toe op de donkere wolk waarin God aanwezig was. 22Toen sprak Jahwe tot Mozes: `Zeg de Israëlieten het volgende: Gij hebt gezien hoe Ik vanuit de hemel tot u gesproken heb. 23Gij moogt naast Mij geen goden van goud of zilver maken. Gij moogt die niet maken. 24Gij moet voor Mij een altaar maken van aarde. Daarop kunt gij de brand- en meeloffers, de schapen en runderen opdragen. Op elke heilige plaats waar Ik mijn naam zal openbaren, zal Ik met mijn zegen tot u komen. 25Als gij voor Mij een stenen altaar bouwt, maak het dan niet van behouwen steen. Door de stenen met een beitel te bewerken, ontwijdt gij ze. 26Mijn altaar mag geen altaar zijn dat ge langs treden beklimt; want dan zou uw schaamte zichtbaar worden.

Hoofdstuk 21

Hier volgen de rechtsregels die ge hun moet voorhouden. 2Wanneer ge een Hebreeuwse slaaf koopt, dan moet hij zes jaar dienen, maar in het zevende jaar mag hij zonder betalen als vrij man weggaan. 3Was hij alleen gekomen, dan moet hij ook alleen vertrekken. Had hij een vrouw, dan mag zijn vrouw met hem meegaan. 4Heeft zijn meester hem een vrouw gegeven en heeft deze hem zonen of dochters geschonken, dan behoort de vrouw met haar kinderen toe aan de meester: de man moet dan alleen vertrekken. 5Als hij echter verzekert: `Ik ben gesteld op mijn meester, op mijn vrouw en kinderen, ik wil niet als vrij man weggaan,’ 6dan moet zijn meester hem naar de godheid brengen, hem tegen de deur of de deurpost zetten en met een priem zijn oor doorboren. Dan zal die man voor altijd zijn slaaf blijven. 7Wanneer iemand zijn dochter verkoopt als slavin, komt deze niet vrij zoals de mannelijke slaven. 8Bevalt zij niet aan haar meester die haar voor zich bestemd had, dan mag hij haar verkopen. Maar hij heeft niet het recht haar te verkopen aan buitenlanders, omdat hij haar niet meer wenst. 9Bestemt hij haar voor zijn zoon, dan moet hij haar de rechten van een dochter toekennen. 10Neemt hij er nog een vrouw bij, dan mag hij de eerste niet minder voedsel en kleding geven en ook de omgang met haar niet beperken. 11Doet hij haar in deze drie dingen tekort, dan mag zij weggaan zonder iets te vergoeden of te betalen. 12Wie iemand zo slaat dat hij sterft moet ter dood gebracht worden.

13Maar deed hij het niet met opzet en was het God die zijn hand leidde, dan zal Ik u een plaats aanwijzen waarheen hij vluchten kan. 14Wie echter zijn naaste moedwillig aanvalt en hem vermoordt met voorbedachten rade, die moet gij zelfs van mijn altaar weghalen en ter dood brengen. 15Wie zijn vader of moeder slaat moet ter dood gebracht worden. 16Wie iemand ontvoert moet ter dood gebracht worden, zowel wanneer hij hem verkocht heeft als wanneer de ontvoerde nog in zijn bezit is. 17Wie zijn vader of moeder vervloekt moet ter dood gebracht worden. 18Wanneer mannen met elkaar in twist raken en iemand slaat zijn tegenstander zo met een steen of met de vuist dat de man er niet aan sterft maar toch het bed moet houden, dan geldt het volgende. 19Komt die man weer op de been en kan hij met een stok buiten lopen, dan gaat degene die geslagen heeft vrijuit. Wel moet hij de gedwongen werkeloosheid vergoeden en zorgen dat de ander genezen kan. 20Wanneer iemand zijn slaaf of slavin zo met een stok slaat dat deze op slag sterft, dan moet hij gestraft worden. 21Blijft die persoon nog een of twee dagen in leven, dan behoeft er geen straf te volgen; hij is immers zijn eigendom. 22Wanneer mannen in een gevecht gewikkeld zijn en daarbij een zwangere vrouw raken zodat zij een miskraam krijgt, dan geldt het volgende. Blijft de vrouw in leven dan moet aan de schuldige een geldboete worden opgelegd, vastgesteld door haar echtgenoot; het gerecht moet toezien dat hij betaalt. 23Sterft zij echter, dan moet gij leven voor leven eisen. 24Een oog voor een oog, een tand voor een tand, een hand voor een hand, een voet voor een voet. 25Een brandplek voor een brandplek, een wond voor een wond, een striem voor een striem. 26Wanneer iemand zijn slaaf of slavin zo in het oog raakt dat deze er niet meer mee kan zien, dan moet hij hem of haar vrijlaten als schadeloosstelling voor dat oog. 27Als iemand zijn slaaf of slavin een tand uitslaat, dan moet hij hem of haar vrijlaten als schadeloosstelling voor die tand. 28Wanneer een stier een man of een vrouw zulke stoten toebrengt dat de dood volgt, dan moet die stier gestenigd worden en mag het vlees niet worden gegeten. 29Maar als de stier die een man of vrouw doodt tevoren reeds stotig was, terwijl de eigenaar dat wist en toch geen maatregelen nam, dan moet niet alleen de stier gestenigd maar ook de eigenaar ter dood gebracht worden. 30Wordt hem een afkoopsom opgelegd dan moet hij alles betalen wat van hem geëist wordt: het is de losprijs voor zijn leven. 31Stoot de stier een jongen of een meisje, dan moet tegen de eigenaar volgens dezelfde regels worden opgetreden. 32Stoot de stier een slaaf of een slavin, dan moet de eigenaar aan de meester dertig zilveren sikkels betalen en moet de stier gestenigd worden. 33Iemand heeft een put opengelegd of een put gegraven en hij heeft verzuimd deze af te dekken. Valt er een stier of ezel in, 34dan moet de bezitter van de put de schade vergoeden en het geld aan de eigenaar van het dier uitkeren. Maar het dode dier is voor hem. 35Wanneer iemands stier die van een ander zo stoot dat deze er aan doodgaat, dan moeten ze de levende stier verkopen en de opbrengst delen. Ook de dode stier

moeten ze verdelen. 36Maar als vaststaat dat de stier tevoren reeds stotig was terwijl de eigenaar geen maatregelen heeft getroffen, dan moet hij een andere stier als schadevergoeding geven. Het dode dier is dan echter voor hem.

VOORSCHRIFTEN IN VERBAND MET HET EIGENDOM VAN DE NAASTE

37Wanneer iemand een stier of een schaap steelt en het dier dan slacht of verkoopt, dan moet hij voor een rund vijf runderen teruggeven en voor een schaap vier schapen.

Hoofdstuk 22

Als een dief bij inbraak betrapt en dan doodgeslagen wordt, dan is er geen bloedschuld. 2Maar gebeurt het wanneer de zon al opgegaan is, dan is er wel bloedschuld. Een dief moet alles teruggeven. Kan hij dat niet, dan moet hij zelf verkocht worden om het gestolene te vergoeden. 3Als het gestolene, rund, ezel of schaap, nog levend bij hem wordt gevonden, dan moet hij tweemaal het gestolene teruggeven. 4Als iemand zijn vee laat grazen op een stuk land of in een wijngaard en het zo laat lopen dat het ook op het land van iemand anders graast, dan moet hij de schade vergoeden met het beste van zijn eigen land en het beste van zijn eigen wijngaard. 5Als een vuur om zich heengrijpt, overspringt op doornstruiken en vervolgens een hoop garven, ongemaaid koren of een akker verbrandt, dan moet degene die het vuur heeft aangestoken de schade vergoeden. 6Iemand geeft bij een ander geld of sieraden in bewaring en het wordt uit het huis van die ander gestolen: wordt de dief gepakt, dan moet hij het dubbele teruggeven; 7wordt de dief niet gepakt, dan moet de heer des huizes voor God getuigen dat hij zijn hand niet heeft uitgestoken naar het eigendom van zijn naaste. 8Als iemand een rund, ezel of schaap, een kledingstuk of een gevonden voorwerp in zijn bezit heeft, en een ander betwist dat bezit en zegt: `Dat is van mij,’ dan moet de zaak voor God gebracht worden. Wie door God in het ongelijk gesteld wordt moet aan de ander het dubbele teruggeven. 9Iemand geeft bij een ander een ezel, rund of schaap of enig ander dier in bewaring en het dier gaat dood, het breekt iets of wordt geroofd zonder dat iemand het ziet. 10Dan moet een eed voor Jahwe de beslissing brengen. Als de bewaarder zich niet vergrepen heeft aan het eigendom van de ander, dan neemt de eigenaar het zijne en hoeft de bewaarder niets te vergoeden. 11Werd het echter bij hem gestolen, dan moet hij de eigenaar schadeloos stellen. 12Werd het door een roofdier verscheurd, dan moet hij het dode dier als bewijs overleggen. Hij hoeft het dan niet te vergoeden. 13Wanneer iemand een dier leent en dit breekt iets of het zakt in elkaar terwijl de eigenaar er niet bij is, dan moet hij het volledig vergoeden. 14Is de eigenaar er bij, dan hoeft hij het niet te vergoeden. Is hij een loonarbeider dan behoudt hij zijn loon. 15Wanneer iemand een nog niet verloofd meisje verleidt en omgang met haar heeft, dan moet hij haar huwen en de bruidsprijs betalen. 16Weigert de vader haar aan hem af te staan, dan moet hij toch een bedrag betalen gelijk aan de bruidsprijs voor een maagd. 17Een

tovenares moogt ge niet in leven laten. 18Ieder die geslachtelijke omgang heeft met een dier moet ter dood gebracht worden. 19Wie aan afgoden offert moet met de ban geslagen worden.

VOORSCHRIFTEN MET BETREKKING TOT HULPBEHOEVENDEN 20Gij moet een vreemdeling niet slecht behandelen en hem het leven niet moeilijk maken, want ge hebt zelf als vreemdeling in Egypte gewoond. 21Weduwen en wezen zult ge geen onrecht aandoen. 22Als ge hun tekort doet en hun klagen tot Mij opstijgt, dan zal Ik gehoor geven aan hun klagen. 23Mijn toorn zal losbarsten en met het zwaard zal ik u doden: uw vrouwen worden weduwen, uw kinderen wezen. 24Als gij aan iemand van mijn volk geld leent, aan een noodlijdende in uw omgeving, gedraag u dan niet als een geldschieter. Ge moet geen rente van hem eisen. 25Als gij iemands mantel in pand neemt, dan moet ge die voor zonsondergang aan hem teruggeven. 26Hij heeft niets anders om zich mee toe te dekken, het is de beschutting van zijn blote lichaam, hij moet er in slapen. Roept hij tot Mij om hulp, dan zal Ik hem verhoren, want Ik ben vol medelijden. VOORSCHRIFTEN MET BETREKKING TOT DE OVERHEID, DE

EERSTELINGEN EN HET ETEN VAN VERSCHEURDE DIEREN 27Gij zult God niet lasteren en de vorst van uw volk niet vervloeken. 28Wees niet traag met de eerstelingen van uw dorsvloer en uw nieuwe wijn. Uw eerstgeboren zonen moet ge Mij afstaan. 29Dit geldt ook voor uw runderen en uw kleinvee. De eerstgeborene mag zeven dagen bij zijn moeder blijven, op de achtste dag moet ge hem aan Mij afstaan. 30Gij moet Mij toegeheiligd zijn. Eet daarom geen vlees van een verscheurd dier dat ge ergens buiten aantreft. Laat dat maar liggen voor de honden.

Hoofdstuk 23

VOORSCHRIFTEN OVER DE VERHOUDING TOT DE NAASTE 1Laat u niet leiden door loze geruchten en kom geen schuldige te hulp door te getuigen ten gunste van onrecht. 2Al zijn degenen die kwaad willen talrijk, gij zult u niet bij hen aansluiten. Bij een rechtsgeding moogt ge uw verklaring niet laten beïnvloeden door de meerderheid en zo het recht verkrachten. 3Bij een rechtsgeding moogt ge een onaanzienlijke niet voortrekken. 4Als gij een weggelopen rund of ezel van uw vijand tegenkomt, moet ge het dier bij hem terugbrengen. 5Ziet ge de ezel van iemand met wie ge in onmin leeft in elkaar zakken, dan zult gij hem niet aan zijn lot overlaten; ge moet hem de helpende hand bieden. 6Wanneer een arme in het geding is, moogt gij het recht niet verkrachten. 7Houd u ver van kwade zaken. Breng iemand die geen schuld heeft en in zijn recht staat, niet ter dood: wie zich aan zoiets schuldig maakt, laat ik niet vrijuit gaan. 8Gij zult geen geschenken aannemen, want geschenken maken de zienden blind en de rechtvaardigen tot leugenaar. 9Gij moet vreemdelingen niet slecht behandelen. Gij weet immers hoe een vreemdeling zich voelt, omdat ge zelf als vreemdeling in Egypte gewoond hebt. 10Gedurende zes jaar kunt gij uw land bewerken en de opbrengst oogsten. 11Maar tijdens het zevende jaar moet gij het niet bewerken en het braak laten liggen. Dan kunnen de behoeftigen van uw volk er van

eten. Wat zij overlaten is voor de dieren die in het wild leven. Hetzelfde geldt ook voor uw wijngaard en uw olijftuin. 12Zes dagen kunt gij werken, maar op de zevende dag moet ge uw werk laten liggen. Dan kunnen ook uw rund en uw ezel rusten, en kunnen de zoon van uw slavin en de vreemdeling op adem komen. 13Hoed u voor alles waarvoor Ik u gewaarschuwd heb. De naam van vreemde goden moet gij niet uitspreken, ze mogen in uw mond niet gehoord worden. 14Drie maal per jaar moet gij ter ere van Mij feestvieren. 15Gij moet het feest van de ongezuurde broden vieren; zeven dagen lang moet ge ongezuurd brood eten, zoals Ik u heb bevolen, en wel op de voorgeschreven dagen van de maand Abib, want in die maand zijt gij uit Egypte weggetrokken. En ge moet niet met lege handen bij Mij komen. 16Verder nog het feest van de oogst, als de eerstelingen van wat gij gezaaid hebt van het land komen. Tenslotte het oogstfeest, op het einde van het jaar, wanneer gij de opbrengst van uw arbeid van het land haalt. 17Drie maal per jaar moeten al uw mannen verschijnen bij Jahwe de Heer. 18Gij zult het bloed van een offerdier niet samen offeren met ongezuurd brood. Van de feestoffers mag geen vet overblijven tot de volgende morgen. 19Het beste van de eerste vruchten van uw land moet gij naar het huis van Jahwe brengen. Een geitje zult gij niet koken in de melk van zijn moeder. 20Zie, Ik zend mijn engel voor u uit om u onderweg te beschermen en u te brengen naar de plaats die Ik heb vastgesteld. 21Heb aandacht voor hem en luister naar zijn woord. Kom niet tegen hem in opstand, want hij zou uw verzet niet vergeven. In hem immers is mijn naam tegenwoordig. 22Als gij gehoorzaamt aan zijn woord en doet wat Ik u zeg, dan ben Ik de vijand van uw vijanden, de verdrukker van uw verdrukkers. 23Mijn engel zal voor u uitgaan en u brengen naar de Amorieten, de Hethieten, de Perizzieten, de Kanaänieten, de Chiwwieten en de Jebusieten: Ik zal hen verdelgen. 24Gij moogt u voor hun goden niet neerbuigen en hen niet vereren. Gij moet niet meedoen met die volken; gij moet ze uitroeien en hun wijstenen stukslaan. 25Jahwe uw God moet gij vereren; dan zal Hij uw brood en water zegenen en ziekte ver van u houden. 26Geen vrouw in uw land zal een miskraam hebben of onvruchtbaar zijn. Ik zal het getal van uw dagen vol maken. 27Vrees voor Mij zal Ik voor u doen uitgaan. Alle volken die gij aantreft zal Ik in paniek brengen, al uw vijanden laat Ik voor u op de vlucht slaan. 28Ik zend verslagenheid voor u uit. Die zal de Chiwwieten, de Kanaänieten en de Hethieten voor u verjagen. 29Maar Ik verjaag ze niet in een jaar, anders zou het land een woestenij worden en de wilde dieren zouden zich tot uw schade vermenigvuldigen. 30Maar Ik verjaag ze geleidelijk aan, tot gij u zo vermenigvuldigd hebt dat ge het land kunt bezetten. 31Ik geef u een grondgebied van de Rietzee tot aan de Filistijnenzee, van de woestijn tot aan de Rivier. Want Ik zal de bewoners van het land aan uw macht onderwerpen en ze voor u verjagen. 32Met hen of met hun goden moet gij geen verbond sluiten. 33Zij mogen niet in uw land blijven wonen. Ze zouden u er toe brengen tegen Mij te zondigen. Ge zoudt hun goden vereren en dat zou uw ongeluk betekenen.

Hoofdstuk 24
DE SLUITING VAN HET VERBOND

1Toen sprak Hij tot Mozes: `Ga naar boven naar Jahwe, samen met Aäron, met Nadab en Abihu en zeventig oudsten van Israël, en kniel op een afstand neer. 2Mozes alleen mag Jahwe naderen, maar de anderen mogen niet naderbij komen, terwijl het volk niet eens met hem naar boven mag gaan.’ 3Mozes kwam terug en stelde het volk in kennis van alle woorden en bepalingen van Jahwe. Eenstemmig betuigde het volk: `Alle woorden die Jahwe tot ons gesproken heeft zullen wij onderhouden.’ 4Daarop stelde Mozes alle woorden van Jahwe op schrift. De volgende morgen bouwde hij aan de voet van de berg een altaar en stelde twaalf wijstenen op, naar de twaalf stammen van Israël. 5Toen gaf hij jonge Israëlieten de opdracht, stieren op te dragen als brand- en slachtoffers voor Jahwe. 6Mozes nam de helft van het bloed en deed dat in schalen, terwijl hij de andere helft uitgoot over het altaar. 7Toen nam hij het verbondsboek en las dit voor aan het volk. En zij verzekerden: `Alles wat Jahwe zegt zullen wij doen en ter harte nemen.’ 8Vervolgens nam Mozes het bloed, sprenkelde dat over het volk en sprak: `Dit is het bloed van het verbond dat Jahwe, op grond van al deze woorden, met u sluit.’ 9Mozes besteeg de berg samen met Aäron, Nadab en Abihu en zeventig oudsten van Israël. 10En zij aanschouwden de God van Israël. Onder zijn voeten was een soort platform van saffier, helder als het hemelgewelf. 11Zijn hand kwam niet neer op de voorname Israëlieten: zij mochten God aanschouwen. Toen aten zij en dronken zij. 12Jahwe sprak tot Mozes: `Kom tot Mij op de berg en blijf daar wachten. Ik zal u de stenen platen ter hand stellen, de wetten en bepalingen die Ik op schrift gesteld heb om ze hen in te prenten.’ 13Mozes begaf zich op weg, samen met zijn dienaar Jozua, en hij besteeg de berg van God. 14Tot de oudsten zei hij: `Blijf hier op ons wachten tot wij bij u terugkomen. Aäron en Chur blijven bij u; wie een rechtszaak heeft kan zich tot hen wenden.’ 15Mozes besteeg de berg en de wolk overdekte de berg. 16De heerlijkheid van Jahwe rustte op de Sinaï en de wolk bedekte de berg, zes dagen lang. Op de zevende dag riep Hij Mozes, vanuit de wolk. 17De heerlijkheid van Jahwe leek voor de Israëlieten op een verterend vuur, boven op de berg. 18Mozes trad de wolk binnen en besteeg de top. Hij bleef op de berg gedurende veertig dagen en veertig nachten.

Hoofdstuk 25
DE BIJDRAGEN VOOR DE WONING

1Toen sprak Jahwe tot Mozes: 2`Zeg aan de Israëlieten dat zij een bijdrage aan Mij moeten afstaan; van iedereen die daartoe bereid is moet gij voor Mij een bijdrage in ontvangst nemen. 3Het volgende kunt gij van hen in ontvangst nemen: goud, zilver en brons, 4paarse, karmijnrode en scharlaken wol, linnen, kleden van geitenhaar, 5gelooide ramsvellen, fijn leer en acaciahout; 6ook olie voor de verlichting, geurige kruiden voor de bereiding van zalfolie en welriekende wierook; 7kornalijn en edelstenen voor de efod en de orakeltas. 8Dan kunnen zij voor Mij een heiligdom

bouwen en zal Ik in hun midden wonen. 9Bij de woning en de hele inventaris moet gij u zorgvuldig houden aan het model dat Ik u tonen zal. DE ARK

10Ge moet een ark maken van acaciahout, twee en een halve el lang,
anderhalve el breed en anderhalve el hoog. 11Overtrek haar van binnen
en van buiten met zuiver goud, en breng rondom een gouden lijst aan.
12Giet voor de ark vier gouden ringen en bevestig die aan de vier poten,
twee aan elke kant. 13Maak ook draagstokken van acaciahout en overtrek
die met goud. 14Steek ze dan in de ringen aan de zijkanten van de ark,

om die zo te kunnen dragen. 15De draagstokken moeten in de ringen van
de ark blijven; ze mogen er niet uitgenomen worden. 16In de ark moet ge
de verbondsakte neerleggen die Ik u zal geven. 17Gij moet ook een
dekplaat maken van zuiver goud, twee en een halve el lang, anderhalve el
breed. 18Maak ook twee kerubs, in goud gedreven, aan de beide
uiteinden van de dekplaat, 19een kerub aan het ene uiteinde en een aan
het andere, in reliëf. 20De vleugels van de kerubs moeten naar boven
uitgestrekt zijn, zodat zij de dekplaat overhuiven. De kerubs moeten met
hun gezicht naar elkaar toe gekeerd staan, hun gezicht moet op de
dekplaat gericht zijn. 21Gij moet de dekplaat boven op de ark plaatsen en
in de ark de verbondsakte neerleggen die Ik u geven zal. 22Daar zal Ik tot
u komen, boven de dekplaat; vanaf de plaats tussen de beide kerubs die
op de ark met de verbondsakte staan zal Ik u alle opdrachten voor de
Israëlieten mededelen.
DE TAFEL
23Maak een tafel van acaciahout, twee el lang, een el breed en
anderhalve el hoog. 24Overtrek die met zuiver goud en maak er een
gouden lijst omheen. 25Leg er een gouden band om, van een handbreed,
en zet die af met een gouden lijst. 26Maak vier gouden ringen en bevestig
die aan de vier hoeken, bij de poten. 27Deze ringen, bestemd voor de
draagstokken waarmee de tafel gedragen wordt, moeten dicht bij de band

zitten. 28De draagstokken moet ge maken van acaciahout en overtrekken
met goud. Daar moet ge de tafel mee dragen. 29Maak ook de schotels,
de schalen, de kannen en kommen, die nodig zijn voor de plengoffers. Ze
moeten van zuiver goud zijn. 30Zet op die tafel het toonbrood zodat Ik het
altijd kan zien.
DE LUCHTER

31Gij moet ook een luchter maken, van zuiver goud. De luchter, met voetstuk en schacht, moet drijfwerk zijn waarin kelken met knoppen en bloemen zijn aangebracht. 32Zes armen moeten van opzij uit de schacht omhoog gaan, drie aan elke kant. 33In de eerste arm moeten drie amandelbloemen met knoppen en bladen gedreven worden. Op dezelfde wijze moeten alle zes armen van de luchter worden bewerkt. 34In de luchter zelf moeten vier amandelbloemen met knoppen en bladen gedreven worden: 35één knop onder het eerste paar armen, één onder het tweede en één onder het derde paar van de zes armen van de luchter. 36De knoppen en armen vormen een geheel met de luchter: één stuk

drijfwerk van zuiver goud. 37Maak er lampen voor, en plaats die zo dat het licht aan de voorkant valt. 38De snuiters en bakjes moeten eveneens van zuiver goud zijn. 39Voor de luchter met toebehoren moet ge een talent zuiver goud gebruiken. 40Zorg er voor dat ge u precies houdt aan het model dat u op de berg is getoond.

Hoofdstuk 26
DE WONING

1De woning moet ge maken van tien banen getwijnd linnen en van paarse, karmijnrode en scharlaken wol. Daarop moet een vakman kerubs borduren. 2De lengte van een baan moet achtentwintig el bedragen, de breedte vier el. Alle banen moeten dezelfde afmetingen hebben, 3en zij moeten vijf aan vijf worden samengevoegd. 4Maak vervolgens paarse lussen aan de rand van de buitenste baan van beide stukken, 5zodat de lussen precies tegenover elkaar zitten. 6Maak ook vijftig gouden haken en bevestig de banen met deze haken aan elkaar, zodat de woning één geheel wordt. 7Voor de tent over de woning moet ge banen vervaardigen van geitenhaar. Elf van zulke banen moet ge maken. 8De lengte van een baan moet dertig el bedragen, de breedte vier el. Alle banen moeten dezelfde afmetingen hebben. 9Hecht vijf banen aan elkaar, de overige zes eveneens. De zesde baan moet ge over de voorkant van de tent omslaan. 10Maak vijftig lussen aan de rand van de buitenste baan van de beide stukken. 11Maak ook vijftig koperen haken, doe ze in de lussen en voeg zo de beide tentdelen samen tot een geheel. 12Wat het overschietende deel van de tentbanen betreft: de helft moet ge aan de achterkant van de woning laten afhangen. 13De el die aan de lange kanten van de tentbanen overschiet moet ge aan beide kanten van de woning laten afhangen om die af te dekken. 14Maak voor de tent ook nog een dak van gelooide ramsvellen en daaroverheen nog een dak van fijn leer. 15Gij moet voor de woning rechtopstaande schotten van acaciahout maken. 16Ieder schot moet tien el lang zijn en anderhalve el breed. 17Aan ieder schot van de woning moeten ter verbinding twee tappen zitten. 18Voor de zuidkant van de woning moet gij twintig schotten maken. 19Onder de twintig schotten moet gij veertig zilveren voetstukken maken, twee voor elk schot, waar de beide tappen in passen. 20Voor de andere kant van de woning, dus de noordzijde, ook twintig schotten, 21met bijbehorende zilveren voetstukken, twee voor elk schot. 22Voor de achterkant van de woning, de westzijde, zes schotten. 23Maak ook twee schotten voor de hoeken aan de achterkant van de woning. 24Deze moeten uit twee haaks op elkaar geplaatste delen bestaan; zij lopen van beneden tot bij de eerste ring. Ze zijn bestemd voor de beide hoeken. 25Er moeten dus acht schotten zijn en zestien bijbehorende zilveren voetstukken, telkens twee voor een schot. 26Maak ook verbindingsbalken van acaciahout: vijf voor de schotten van acaciahout: vijf voor de schotten aan de beide zijkanten van de woning, 27en vijf voor de achterkant, de westzijde, van de woning. 28De middelste balk moet, van de ene naar de andere kant, midden over de schotten lopen. 29Overtrek de schotten met goud, maak voor de

balken gouden ringen en overtrek ook de balken met goud. 30Gij moet de woning maken volgens het model dat u op de berg is getoond. 31Gij moet ook een voorhangsel vervaardigen, van paarse, karmijnrode en scharlaken wol en van getwijnd linnen. Daarop moet een vakman kerubs borduren.

32Maak het met gouden haken vast aan vier kolommen van acaciahout die met goud overtrokken zijn en rusten op zilveren voetstukken. 33Maak het voorhangsel vast met de haken. Daar, achter het voorhangsel, moet ge de ark met de verbondsakte plaatsen. Het voorhangsel vormt de afscheiding tussen het heilige en het allerheiligste. 34Leg de dekplaat op de ark met de verbondsakte in het allerheiligste. 35De tafel moet ge voor het voorhangsel plaatsen, en de luchter tegenover de tafel; de luchter aan de zuidzijde van de woning, de tafel aan de noordzijde. 36Voor de ingang van de tent moet ge een tapijt laten maken van paarse, karmijnrode en scharlaken wol en van getwijnd linnen, rijk geborduurd. 37Voor dit tapijt moet ge vijf kolommen van acaciahout maken, deze overtrekken met goud en voorzien van gouden haken. Ge moet hiervoor vijf bronzen voetstukken gieten.

Hoofdstuk 27
HET BRANDOFFERALTAAR
1Het altaar moet gij maken van acaciahout. Het moet vijf el lang en vijf el
breed zijn – dus vierkant – en drie el hoog. 2Op de vier hoeken moet ge
horens aanbrengen die er één geheel mee vormen. Ge moet het bekleden
met brons. 3Maak er bakken voor de as bij, scheppen, schalen, vorken en
vuurpannen. Al deze benodigdheden moeten van brons zijn. 4Om het
altaar moet ge als afrastering een bronzen hek aanbrengen, en op de vier
hoeken van dit hek vier bronzen ringen. 5Dit hek moet ge om de
benedenrand van het altaar plaatsen en tot halverwege het altaar laten
reiken. 6Maak voor het altaar ook draagstokken van acaciahout en
overtrek die met brons. 7Om het altaar op te tillen steekt men de stokken
in de ringen aan weerszijden van het altaar. 8Maak het altaar van planken

en laat het van binnen hol. Ge moet het maken volgens het model dat u op
de berg is getoond.
DE VOORHOF

9Dan moet ge voor de woning nog een voorhof maken. De kleden voor de eerste zijde van de voorhof, de zuidkant, moeten van getwijnd linnen zijn en honderd el lang. 10De twintig bijbehorende palen en voetstukken moeten van brons zijn, de haken aan de palen en de stangen van zilver. 11Ook voor de noordkant zijn kleden nodig over een lengte van honderd el, twintig palen en voetstukken van brons, alsmede haken en stangen van zilver. 12Voor de korte zijde van de voorhof, de westkant, zijn kleden nodig over een lengte van vijftig el, en tien palen en voetstukken. 13Ook de korte zijde van de voorhof aan de oostkant is vijftig el lang. 14Daar moeten aan de ene kant kleden komen over een lengte van vijftien el, met drie bijbehorende palen en voetstukken. 15Ook aan de andere kant kleden over een lengte van vijftien el, met drie bijbehorende palen en voetstukken. 16Aan de ingang van de voorhof komt een twintig el metend

voorhangsel van paarse, karmijnrode en scharlaken wol en getwijnd
linnen, rijk geborduurd, alsmede vier palen en voetstukken. 17Aan alle
palen van de voorhof moeten zilveren stangen en haken zitten, de
voetstukken moeten van brons zijn. 18De voorhof moet honderd el lang
zijn, vijftig el breed, vijf el hoog. De kleden moeten van getwijnd linnen zijn,
de voetstukken van brons. 19De benodigdheden voor de woning, welke
bestemming ze ook hebben, ook de tentpinnen en de tentpinnen van de
voorhof, moeten van brons zijn.
DE OLIE VOOR HET LICHT

20Geef de Israëlieten opdracht, u zuivere olie, uit gestoten olijven, voor de verlichting te brengen, zodat er altijd een lamp kan branden. 21Aäron en zijn zonen moeten deze van de avond tot de morgen voor Jahwe brandend houden in de tent van samenkomst, buiten het voorhangsel waarachter de verbondsakte ligt. Dit is een blijvende verplichting voor de Israëlieten, al hun geslachten door.

Hoofdstuk 28
DE PRIESTERLIJKE GEWADEN

1Uit de Israëlieten moet gij uw broer Aäron en zijn zonen bij u ontbieden; Aäron en zijn zonen Nadab, Abihu, Eleazar en Itamar moeten Mij als priester dienen. 2Gij moet voor uw broer Aäron heilige gewaden vervaardigen die hem waardigheid en luister verlenen. 3Geef aan bekwame vaklieden aan wie Ik kundigheid geschonken heb, de opdracht de gewaden voor Aäron te vervaardigen: dan kan hij gewijd worden en Mij als priester dienen. 4De volgende gewaden moeten zij vervaardigen: een orakeltas, een efod, een mantel, een bewerkte tuniek, een hoofddeksel en een gordel. Zij moeten voor Aäron en zijn zonen heilige gewaden vervaardigen, want zij moeten Mij als priester dienen. 5Zij moeten goud gebruiken, paarse, karmijnrode, en scharlaken wol, en linnen. 6De efod moet door een kunstenaar gemaakt worden van goud, paarse, karmijnrode en scharlaken wol, en van getwijnd linnen. 7Aan de beide uiteinden moeten schouderbanden zitten om hem vast te maken. 8Van dezelfde stoffen moet de gordel gemaakt worden die er één geheel mee vormt. 9Vervolgens moet ge op twee kornalijnstenen de namen van de zonen van Israël graveren, 10zes namen op de ene steen en zes op de andere, naar de volgorde van hun geboorte. 11Gij moet de namen van de zonen van Israël in de twee stenen graveren, zoals men zegels snijdt, en de stenen vervolgens in gouden zettingen vatten. 12Bevestig dan de beide stenen aan de schouderbanden van de efod: zij herinneren Jahwe aan de Israëlieten, daar Aäron hun namen voor Jahwe op zijn schouderbanden draagt. 13De zettingen moeten van goud zijn. 14Ge moet ook twee kettinkjes maken van zuiver goud, in de vorm van gevlochten snoeren, en die aan de zettingen bevestigen. 15Laat een kunstenaar een orakeltas vervaardigen; evenals de efod moet deze gemaakt worden van goud, van paarse, karmijnrode en scharlaken wol, en van getwijnd linnen. 16Ze moet vierkant zijn, een span lang en een span breed, en uit twee stukken bestaan. 17Gij moet ze bezetten met vier rijen edelstenen: een robijn, een

topaas en een smaragd vormen de eerste rij, 18een karbonkel, een saffier en een jaspis de tweede, 19een hyacint, een agaat en een ametist de derde, 20een chrysoliet, een kornalijn en een onyx de vierde rij. Ze moeten in gouden kettingen gevat zijn. 21Er moeten twaalf stenen zijn, zoals er twaalf namen zijn van de zonen van Israël. Op iedere steen moet de naam van een van de twaalf stammen gegraveerd worden, zoals men zegels snijdt. 22Maak voor de orakeltas kettinkjes van zuiver goud, in de vorm van gevlochten snoeren, 23en ook twee gouden ringen, die ge moet bevestigen aan de beide uiteinden van de orakeltas. 24De twee gouden snoeren moet ge aan deze ringen vastmaken. 25Het andere uiteinde van de snoeren moet ge vastmaken aan de twee zettingen en van voren aan de schouderbanden van de efod bevestigen. 26Dan moet ge nog twee gouden ringen maken en deze bevestigen aan de uiteinden van de orakeltas, aan de binnenkant, tegen de efod aan. 27Twee andere gouden ringen moet ge onder aan de voorkant van de beide schouderbanden van de efod bevestigen, vlak bij de band boven de gordel. 28Dan moet ge een paars koord door de ringen van de orakeltas en die van de efod halen en de orakeltas zo aan de gordel van de efod binden dat ze er vast tegenaan zit. 29Wanneer Aäron het heiligdom binnengaat moet hij op de orakeltas de namen van Israëls zonen dragen om Jahwe voortdurend aan hen te herinneren. 30Doe in de orakeltas de oerim en de toemmim, zodat Aäron ze op zijn hart draagt in Jahwe’s tegenwoordigheid. In Jahwe’s tegenwoordigheid moet Aäron het orakel van Israël altijd op zijn hart dragen. 31De efodmantel moet geheel gemaakt zijn van paarse wol. 32In het midden moet een opening zijn om het hoofd door te steken, met een geweven rand als bij een wapenrok, om inscheuren te voorkomen. 33Aan de hele zoom moet ge granaatappels bevestigen van paarse, karmijnrode en scharlaken wol, en tussen die granaatappels gouden klokjes, 34om en om. 35Aäron moet deze mantel dragen als hij dienst doet, zodat men hem hoort wanneer hij het heiligdom binnengaat om voor Jahwe te verschijnen en Hem ook weer naar buiten hoort komen. Dan zal hij niet sterven. 36Maak ook een bloem van zuiver goud en graveer daarin als in een zegel de woorden: Jahwe gewijd. 37Maak ze met een paars koord vast op de voorzijde van het hoofddeksel. 38Doordat Aäron ze op zijn voorhoofd draagt zal hij de ongerechtigheden wegnemen die de gewijde gaven van de Israëlieten zouden kunnen aankleven. Hij moet de bloem steeds op zijn voorhoofd dragen, dan zullen ze bij Jahwe welgevallig zijn. 39Weef een tuniek en een hoofddeksel, beide van linnen, en maak een rijk geborduurde gordel. 40Voor de zonen van Aäron moet ge tunieken, gordels en hoofddeksels maken die hun luister en heerlijkheid schenken. 41Hiermee moet ge uw broer Aäron en zijn zonen bekleden; ge moet hen zalven, macht verlenen en wijden om Mij als priester te dienen. 42Maak voor hen ook lendenschorten van linnen om hun naaktheid te bedekken. Ze moeten reiken van de heupen tot de dijen. 43Aäron en zijn zonen moeten ze dragen als ze de tent van de samenkomst binnengaan of het altaar naderen om in het heiligdom dienst te doen. Dan lopen ze geen straf

op en zullen ze niet sterven. Dit is een blijvend voorschrift voor hem en zijn nakomelingen.

Hoofdstuk 29
DE PRIESTERWIJDING

1Om hen tot priester te wijden moet gij het volgende met hen doen. Neem een jonge stier en twee gave rammen, 2broden, met olie aangemaakte koeken en ronde koeken, met olie bestreken: alles ongezuurd en gebakken van tarwebloem. 3Ge neemt die mee in een mand, ook de stier en de beide rammen voert ge mee. 4Dan ontbiedt ge Aäron met zijn zonen bij de ingang van de tent der samenkomst en reinigt hen met water. 5Dan bekleedt ge Aäron met de gewaden: met de tuniek, de efodmantel, de efod en de orakeltas; ge doet hem de gordel van de efod om, 6zet hem het hoofddeksel op en bevestigt daarop de gewijde bloem. 7Vervolgens giet ge over zijn hoofd zalfolie uit om hem te zalven. 8Dan ontbiedt ge zijn zonen en bekleedt hen met de tunieken. 9Ge doet Aäron en zijn zonen de gordel om en zet ze het hoofddeksel op. Zo zullen zij rechtens voor altijd het priesterschap bezitten dat gij hun verleend hebt. 10Vervolgens laat gij de stier voor de tent van de samenkomst brengen en leggen Aäron en zijn zonen hun handen op de kop van het dier. 11Dan slacht gij de stier voor Jahwe, bij de ingang van de tent der samenkomst. 12Met uw vingers doet gij wat bloed aan de horens van het altaar, de rest van het bloed giet gij aan de voet van het altaar uit. 13Ge doet het vet dat om de ingewanden zit, de leverkwab en de nieren met het vet eraan op het altaar in rook opgaan. 14Maar het vlees van de stier, de huid en de ingewanden verbrandt gij buiten het kamp; het is immers een zondeoffer. 15Daarna neemt ge een van de rammen en Aäron en zijn zonen leggen hun handen op de kop van het dier. 16Gij slacht de ram, vangt het bloed op en sprenkelt dat rondom op het altaar. 17Ge snijdt de ram in stukken, wast de ingewanden en de poten en legt deze bij de andere stukken en de kop. 18Dan doet ge heel de ram op het altaar in rook opgaan: het is een brandoffer voor Jahwe, een geurige gave die hem behaagt. 19Dan neemt ge de tweede ram, en Aäron en zijn zonen leggen weer hun handen op de kop van het dier. 20Ge slacht de ram en doet wat bloed op de rechteroorlel van Aäron, de rechteroorlel van zijn zonen, op de duim van hun rechterhand en op de grote teen van hun rechtervoet. De rest van het bloed sprenkelt ge rondom op het altaar. 21Dan neemt ge bloed van het altaar en zalfolie en besprenkelt daarmee Aäron en ook zijn zonen en hun gewaden. Zo zullen ze gewijd zijn. 22Vervolgens neemt ge het vet van de ram, de wijdingsram, de staartkwab en het vet om de ingewanden, de leverkwabben, de nieren met het vet eraan en de rechterschenkel. 23Uit de mand met ongezuurd brood die voor Jahwe staat neemt ge nog een plat brood, een met olie aangemaakte koek en een ronde koek. 24Dit alles geeft ge aan Aäron en zijn zonen om het staande voor Jahwe als gewijd aandeel af te zonderen. 25Dan neemt ge het weer uit hun handen en doet het op het altaar in rook opgaan; het is een brandoffer, een geurige gave die Jahwe behaagt. 26Daarop zondert gij, staande voor

Jahwe, het borststuk van de ram voor de wijding van Aäron als gewijd aandeel af voor uzelf. Dit is uw deel van het offer. 27Het borststuk van de ram en de schenkel moet gij apart houden. 28Dit is het deel dat de Israëlieten aan Aäron en zijn zonen moeten afstaan, het is het gewijd aandeel van de slachtoffers van de Israëlieten, dat voor Jahwe is afgezonderd. 29De heilige gewaden van Aäron zullen overgaan op zijn zonen; daarmee bekleed zullen zij gezalfd worden en de priesterlijke macht ontvangen. 30De zoon die hem opvolgt en de tent van de samenkomst binnentreedt om dienst te doen in het heiligdom moet ze zeven dagen dragen. 31Tenslotte kookt ge het vlees van het wijdingsram op een heilige plaats. 32Aäron en zijn zonen nuttigen dat vlees en het brood uit de mand bij de ingang van de tent der samenkomst. 33Maar alleen zij mogen het eten aan wie er de ritus der verzoening mee is voltrokken, toen zij macht ontvingen en gezalfd werden. Onbevoegden mogen er niet van eten, omdat het gewijd is. 34Is er de volgende morgen van het wijdingsvlees of van het brood nog iets over, dan moet ge dat verbranden. Men mag er niet meer van eten omdat het gewijd is. 35Zo moet ge aan Aäron en zijn zonen nauwkeurig alles voltrekken wat Ik u heb opgedragen. De priesterwijding moet zeven dagen duren. 36Iedere dag moet ge een stier offeren om verzoening te bewerken. Het altaar moet ge reinigen door een verzoeningsplechtigheid en wijden door zalving. 37Deze verzoeningsplechtigheid en de wijding moet ge zeven dagen herhalen. Zo wordt het altaar hoogheilig. Alles wat er mee in aanraking komt is gewijd. 38De volgende offers moet ge op het altaar opdragen: elke dag twee eenjarige lammeren, 39het een ’s morgens, het ander tegen de avond. 40Bij het eerste lam hoort een tiende issaron bloem, aangemaakt met een kwart hin gestoten olie en een plengoffer van een kwart hin wijn. 41Het tweede lam moet ge offeren tegen de avond, met hetzelfde meel- en plengoffer als ’s morgens. Het is een geurige gave die Jahwe behaagt, 42het dagelijks brandoffer voor Jahwe, dat al uw geslachten door wordt opgedragen aan de ingang van de tent der samenkomst, waar Ik tot u kom en met u spreek. 43Daar kom Ik tot de Israëlieten, die plaats is heilig door mijn heerlijkheid. 44Ik heilig de tent van de samenkomst en het altaar, en Aäron en zijn zonen zal Ik heiligen om mijn priesters te zijn. 45Ik zal wonen onder de Israëlieten en hun God zijn. 46Dan zullen zij weten dat Ik Jahwe ben, de God, die hen uit Egypte heeft geleid om onder hen te wonen. Ik, Jahwe hun God.

Hoofdstuk 30
HET REUKOFFERALTAAR

1Maak ook een altaar van acaciahout, voor het branden van reukwerk, 2een el lang, een el breed – vierkant dus – en twee el hoog. De horens moeten er één geheel mee vormen. 3Ge moet het overtrekken met zuiver goud: de bovenkant, de zijvlakken en de horens, en er een gouden lijst omheen maken. 4Ge moet aan beide zijden onder de lijst twee gouden ringen maken die bestemd zijn voor de draagstokken waarmee men het altaar optilt. 5De draagstokken moet gij maken van acaciahout en

overtrekken met goud. 6Het altaar moet staan tegen het voorhangsel waarachter de ark met de verbondsakte zich bevindt, voor de dekplaat waar Ik tot u kom. 7Aäron moet er welriekende wierook op branden, iedere morgen als hij de lampen in orde brengt, 8en tegen de avond als hij de lampen aansteekt. Dit is het dagelijks reukoffer voor Jahwe. 9Ge moogt op dit altaar geen profaan reukwerk offeren en evenmin brand- of meeloffers. Ook plengoffers moogt ge er niet over uitgieten. 10Aan de horens moet Aäron eens per jaar de verzoening voltrekken. Hij moet dat eenmaal per jaar doen, al uw geslachten door, met het bloed van het zondeoffer. Zo is het altaar hoogheilig voor Jahwe.’ DE REGISTRATIE

11Jahwe sprak tot Mozes: 12`Als gij de Israëlieten registreert en hun aantal opneemt moet ieder van hen bij de registratie aan Jahwe een losgeld betalen voor zijn leven. Dan zal de registratie hun niet noodlottig worden. 13Ieder die geregistreerd wordt moet een halve sikkel betalen, in heilige munt, twintig gera’s de sikkel. 14Alle mannen van twintig jaar en ouder moeten zich laten inschrijven en de bijdrage voor Jahwe betalen. 15Om zijn leven los te kopen betaalt een rijke niet meer en een arme niet minder dan een halve sikkel. 16Het losgeld dat ge van de Israëlieten ontvangt komt ten nutte van de tent der samenkomst. Deze losprijs voor uw leven zal bij Jahwe de herinnering aan de Israëlieten in stand houden.’ HET WASBEKKEN

17Toen sprak Jahwe tot Mozes: 18`Ge moet ook een bronzen bekken
maken, op een bronzen onderstel, bestemd voor de wassingen. Plaats het
tussen de tent van de samenkomst en het altaar en doe er water in.
19Aäron en zijn zonen moeten er hun handen en voeten in wassen, voor
zij de tent van de samenkomst binnengaan. 20Dan zullen zij niet sterven.
Ook als ze dienst komen doen bij het altaar of offers aan Jahwe gaan
opdragen, 21moeten zij hun handen en voeten wassen: dan zullen zij niet
sterven. Dit is een blijvende verplichting voor hem en zijn nakomelingen,

alle geslachten door.’
DE HEILIGE ZALFOLIE

22Toen sprak Jahwe tot Mozes: 23`Neem de fijnste geurige kruiden: vijfhonderd sikkel mirre, en half zo veel, dus tweehonderdvijftig sikkel, kaneel, tweehonderdvijftig sikkel kalmus, 24vijfhonderd sikkel laurier, volgens heilig gewicht, en een hin olijfolie. 25Bereid daarvan heilige zalfolie, een geurig mengsel zoals ook een reukwerker dat maakt; het zal heilige zalfolie zijn. 26Daarmee moet ge de tent van de samenkomst zalven, de ark met de verbondsakte, 27de tafel met toebehoren, de luchter met toebehoren, het reukofferaltaar, 28het brandofferaltaar met toebehoren en het wasbekken met het onderstel. 29Zo wijdt ge dit alles en het zal hoogheilig zijn. En alles wat er mee in aanraking komt zal heilig zijn. 30Ook Aäron en zijn zonen moet ge door zalving wijden; dan kunnen ze Mij als priester dienen. 31Tot de Israëlieten moet ge zeggen: Deze gewijde zalfolie behoud Ik mij voor, al uw geslachten door. 32Ze mag over geen mensenlichaam uitgegoten worden en volgens dit recept moogt ge

geen olie bereiden voor andere doeleinden. Ze is gewijd en als zodanig moet ge ze behandelen. 33Iemand die deze olie namaakt of aan een onbevoegde geeft, zal uit zijn volk worden verwijderd.’ HET REUKWERK

34Toen sprak Jahwe tot Mozes: ’Neem geurige kruiden, storaxbalsem, onyx, galbanum en andere kruiden, en zuivere wierook: alles in gelijke hoeveelheid. 35Daarvan moet ge, zoals een reukwerker dat doet, een reukwerk bereiden, vermengd met zout, zuiver en gewijd. 36Een gedeelte ervan moet ge fijnwrijven en voor de verbondsakte leggen in de tent van de samenkomst waar Ik tot u kom. Ge moet het als hoogheilig beschouwen. 37Het reukwerk dat ge bereidt is voorbehouden aan Jahwe; ge moogt het in deze samenstelling niet maken voor uzelf. 38Iemand die het namaakt om van de geur te genieten zal uit zijn volk worden verwijderd.

Hoofdstuk 31
DE AANWIJZING VAN BESALEL EN OHOLIAB

1Jahwe sprak tot Mozes: 2`Ik heb mijn keuze laten vallen op Besalel, zoon van Uri, de zoon van Chur, uit de stam Juda. 3Ik heb hem een uitzonderlijke begaafdheid geschonken, vaardigheid, kennis en veelzijdige bekwaamheid. 4Hij kan ontwerpen maken, goud, zilver en brons smeden, 5stenen snijden en zetten en hout bewerken: in alle technieken is hij bedreven. 6Hem stel Ik Oholiab, zoon van Achisamak, uit de stam Dan, ter beschikking. Alle vaklieden heb Ik toegerust met een bijzondere vaardigheid, zodat zij alles kunnen uitvoeren waartoe Ik opdracht gegeven heb: 7de tent van de samenkomst, de ark met de verbondsakte, de dekplaat die erop ligt, alle benodigdheden voor de tent, 8de tafel met toebehoren, de luchter van zuiver goud met toebehoren, het reukofferaltaar, 9het brandofferaltaar met toebehoren, het wasbekken met onderstel, 10de ambtsgewaden, de heilige gewaden voor de priester Aäron, de gewaden die zijn zonen als priester dragen, 11de zalfolie en de reukwerken voor het heiligdom. Zij moeten alles vervaardigen zoals Ik u heb voorgeschreven.’

HERNIEUWING VAN HET SABBATGEBOD
12Jahwe sprak tot Mozes: 13`Gij moet tot de Israëlieten zeggen:
Onderhoud mijn sabbat want hij is, al uw geslachten door, voor u en voor
Mij het teken dat Ik Jahwe ben die u heiligt. 14Gij moet de sabbat
onderhouden, hij moet u heilig zijn. Wie hem schendt moet onverbiddelijk
ter dood gebracht worden. Wie op die dag arbeid verricht zal uit zijn volk
worden verwijderd. 15Zes dagen mag men werken, maar de zevende dag
is een volstrekte rustdag, gewijd aan Jahwe. Iedereen die op de sabbat
arbeid verricht moet onverbiddelijk ter dood gebracht worden. 16De
Israëlieten moeten al hun geslachten door de sabbat onderhouden als een
eeuwig verbond. 17Hij is een teken voor Mij en voor hen; want in zes
dagen maakte Jahwe de hemel en de aarde, maar op de zevende dag
rustte Hij om op adem te komen.’
MOZES ONTVANG DE TWEE PLATEN

18Toen Jahwe op de Sinaï zijn woorden tot Mozes beëindigd had, overhandigde Hij hem twee platen met de tekst van het verbond, stenen platen, waarop de vinger Gods die tekst had geschreven.

Hoofdstuk 32
HET GOUDEN STIEREBEELD

1Toen Mozes maar wegbleef en niet naar beneden kwam, verdrong het volk zich om Aäron en eiste: `Kom, maak een god die voor ons uit kan gaan. Want die Mozes, de man die ons uit Egypte heeft geleid, we weten niet wat er met hem aan de hand is.’ 2Aäron antwoordde hun: `Laat uw vrouwen, uw zonen en uw dochters de gouden ringen afdoen die ze in de oren dragen en breng die hier.’ 3Toen deden allen hun gouden oorringen af en brachten die bij Aäron. 4Deze nam ze in ontvangst, bond ze in een buidel, en maakte er een stierebeeld van. Toen riepen ze uit: `Israël, dit is de god die u uit Egypte heeft geleid.’ 5Toen Aäron dat zag bouwde hij voor het beeld een altaar en liet bekend maken: `Morgen is er feest ter ere van Jahwe.’ 6De volgende morgen droegen zij in alle vroegte brand- en slachtoffers op. De mensen gingen zitten om te eten en te drinken, daarna gaven zij zich aan feestelijk vermaak over. 7Toen sprak Jahwe tegen Mozes: `Ga nu naar beneden, want uw volk dat gij uit Egypte hebt geleid is tot zonde vervallen. 8Ze zijn nu al afgeweken van de weg die Ik hun had voorgeschreven: ze hebben een stierebeeld gemaakt, ze buigen zich daarvoor neer, ze dragen er offers voor op en schreeuwen: Israël, dit is de god die u uit Egypte heeft geleid.’ 9Ook sprak Jahwe tot Mozes: `Ik zie nu hoe halsstarrig dit volk is. 10Laat Mij begaan, dan kan ik hen in mijn brandende toorn vernietigen. Maar van u zal Ik een groot volk maken.’ 11Mozes trachtte Jahwe, zijn God, gunstig te stemmen en vroeg: `Waarom Jahwe, uw toorn laten woeden tegen uw volk dat Gij met grote kracht en sterke hand uit Egypte hebt geleid? 12Waarom de Egyptenaren laten honen: Hij heeft ze laten gaan met de boze opzet ze in de bergen te laten omkomen en ze van de aarde weg te vagen? Laat toch uw toorn niet langer tegen hen woeden. Zie af van het onheil waarmee Gij uw volk bedreigt. 13Denk aan uw dienaren Abraham, Isaak en Israël, aan wie Gij onder ede beloofd hebt: Ik zal uw nageslacht talrijk maken als de sterren aan de hemel, en heel het land waarover Ik heb gesproken zal Ik uw nakomelingen voor altijd in bezit geven. Het zal voor eeuwig hun erfdeel zijn’. 14Toen zag Jahwe af van het onheil waarmee hij zijn volk had bedreigd. 15Mozes begaf zich op weg en daalde de berg af. Hij had de twee platen met de tekst van het verbond bij zich, de platen die aan beide kanten beschreven waren; ze waren aan twee kanten beschreven, aan de voorkant, maar ook aan de achterkant. 16De platen waren Gods eigen werk, het schrift was Gods eigen schrift; Hij had het er zelf ingegrift. 17Toen Jozua het gejoel in het kamp hoorde zei hij tot Mozes: `Dat lijkt wel het rumoer van een veldslag in het kamp.’ 18Hij antwoordde: `Het zijn geen juichkreten van overwinnaars, en het is ook geen gejammer van overwonnenen, ze zijn aan het zingen.’ 19Toen Mozes dichter bij het kamp kwam zag hij het stierebeeld en het gedans. Hij werd razend en

smeet de platen tegen de voet van de berg aan stukken. 20Toen greep hij het beeld dat zij gemaakt hadden, gooide het in het vuur, verpulverde het, strooide de as in het water en liet dat de Israëlieten drinken. 21Toen vroeg Mozes aan Aäron: `Wat heeft het volk toch met je gedaan, dat je het tot zo’n zware zonde hebt laten komen?’ 22Aäron gaf ten antwoord: `Mijn heer moet niet kwaad zijn. U weet zelf hoe dit volk tot kwaad geneigd is. 23Ze vroegen mij: Maak een god die voor ons uittrekt. Want die Mozes, de man die ons uit Egypte heeft geleid, we weten niet wat er met hem aan de hand is. 24Ik antwoordde: Laat iedereen die goud draagt dit afdoen. Toen brachten ze mij het goud, ik wierp het in het vuur en zo zijn we aan dit stierebeeld gekomen.’ 25Toen Mozes zag dat het volk zich te buiten was gegaan – Aäron had hen hun gang laten gaan, zodat zij voor tegenstanders een gemakkelijke prooi waren – 26ging hij aan de ingang van het kamp staan en riep: `Wie voor Jahwe is, hierheen!’ Toen al de levieten zich bij hem voegden 27zei hij tot hen: `Zo spreekt Jahwe, Israëls God: Iedereen moet zijn zwaard aangespen. Doorkruis het kamp van poort tot poort en sla iedereen neer, al is het je broer, je vriend of je bloedverwant.’ 28De levieten deden wat Mozes hun bevolen had en zo kwamen er die dag ongeveer drieduizend mensen om. 29Mozes sprak toen tot de levieten: `Vandaag hebt u volmacht ontvangen van Jahwe door het prijsgeven van uw zoon of broer. Zo hebt u zegen over u afgeroepen.’ 30De volgende dag zei Mozes tot het volk: `Jullie hebben zwaar gezondigd. Maar ik zal weer de berg opgaan, naar Jahwe. Misschien kan ik verzoening bewerken voor jullie zonden.’ 31Mozes ging weer naar Jahwe en sprak: `Helaas, dit volk heeft zwaar tegen U gezondigd door een god van goud te maken. 32Kunt Gij hun toch geen vergiffenis schenken? Als dat niet gaat, schrap mij dan uit het boek dat Gij hebt geschreven.’ 33Jahwe antwoordde Mozes: `Ik schrap uit mijn boek alleen wie tegen Mij zondigt. 34Breng het volk maar naar de plaats die Ik u heb aangewezen. Mijn engel zal voor u uitgaan. Maar de dag van vergelding komt en dan zal Ik hen hun zonden vergelden.’ 35En Jahwe strafte het volk om wat zij gedaan hadden met het stierebeeld dat Aäron gemaakt had.

Hoofdstuk 33

Jahwe sprak tot Mozes: `Vertrek van hier met het volk dat gij uit Egypte hebt geleid en ga naar het land dat Ik aan Abraham, Isaak en Jakob beloofd heb met deze eed: Ik zal het schenken aan uw nakomelingen. 2Ik zal een engel voor u uit laten gaan. De Kanaänieten, Amorieten, Hethieten, Perizziten, Chiwwieten en Jebusieten zal Ik voor u verdrijven, 3en Ik zal u brengen naar een land van melk en honing. Maar zelf trek Ik niet met u mee, want gij zijt zo’n halsstarrig volk dat Ik u onderweg zou kunnen vernietigen.’ 4Toen de mensen dit slechte nieuws hoorden treurden zij en niemand deed meer zijn sieraden aan. 5Jahwe sprak tot Mozes: `Zeg de Israëlieten: Gij zijt een halsstarrig volk. Als Ik ook maar korte tijd met u mee zou trekken, zou Ik u vernietigen. Leg uw sieraden af, dan zal Ik zien wat Ik met u doe.’ 6Daarom droegen de Israëlieten sinds de Horeb geen sieraden meer. 7Mozes sloeg telkens de tent op buiten het

kamp, op een behoorlijke afstand; hij noemde haar: tent van de samenkomst. Iedereen die Jahwe iets wilde vragen ging naar deze tent buiten het kamp. 8Als Mozes zich naar de tent begaf gingen alle mensen voor de ingang van hun tent staan, en bleven hem nakijken tot hij in de tent was verdwenen. 9En als Mozes dan binnen was, daalde de wolkkolom neer en bleef staan boven de ingang van de tent. Dan sprak Jahwe tot Mozes. 10Zodra de mensen de wolkkolom boven de ingang van de tent zagen staan bogen zij zich neer bij de ingang van hun tent. 11Jahwe sprak dan tot Mozes van aangezicht tot aangezicht, zoals een mens met zijn medemens spreekt. Ook als Mozes naar het kamp terugging verliet zijn jeugdige helper Jozua, zoon van Nun, de tent niet.

MOZES VRAAGT DE HEERLIJKHEID VAN JHWH TE ZIEN 12Mozes sprak tot Jahwe: `Gij zegt wel tegen mij: Laat het volk verder trekken, maar Gij hebt mij niet laten weten wie Gij met mij meezendt. Toch had Gij gezegd: Ik heb mijn keuze op u laten vallen en u mijn bijzondere gunst geschonken. 13Als ik inderdaad uw gunst geniet, laat mij dan weten wat uw plannen zijn. Dan zal ik ervaren wie Gij zijt en weten dat ik nog steeds uw gunst geniet. Bedenk toch dat al deze mensen uw volk zijn.’ 14Jahwe vroeg toen: `Moet dan mijn aanschijn meegaan en moet Ik u rust geven?’ 15Mozes antwoordde: `Als uw aanschijn niet meegaat, laat ons dan niet van hier vertrekken. 16Hoe is het anders duidelijk dat ik en uw volk uw gunst genieten, tenzij doordat Gij met ons meetrekt? Ik en uw volk nemen toch een bijzondere plaats in onder alle volken op de aardbodem.’ 17Toen sprak Jahwe tot Mozes: `Ook wat gij nu vraagt zal Ik doen. Want gij geniet mijn gunst en Ik heb mijn keus op u laten vallen.’ 18Toen vroeg Mozes: `Laat mij toch uw heerlijkheid zien.’ 19Hij gaf ten antwoord: `Ik zal in al mijn luister aan u voorbijgaan en in uw bijzijn de naam Jahwe uitroepen. Want Ik schenk genade aan wie Ik wil en barmhartigheid aan wie Ik wil.’ 20Maar hij voegde er aan toe: `Mijn gelaat kunt gij niet zien, want geen mens kan mijn gelaat zien en in leven blijven.’ 21Toen sprak Jahwe: `Hier bij Mij is nog plaats; kom op de rots staan. 22Wanneer mijn heerlijkheid voorbijgaat zal Ik u in de rotsholte laten schuilen, en als Ik voorbijga zal ik u met mijn hand beschermen. 23Als Ik dan mijn hand terugtrek kunt gij Mij van achteren zien, want mijn gelaat kan niemand zien.’

Hoofdstuk 34
DE TWEE NIEUWE STENEN PLATEN

1Toen sprak Jahwe tot Mozes. `Kap twee stenen platen, gelijk aan de vorige. Ik zal er weer dezelfde geboden ingriffen als in de platen die gij stukgesmeten hebt. 2Morgenvroeg moet gij klaar zijn, want dan moet gij de Sinaï bestijgen. Wacht daar op Mij, boven op de berg. 3Niemand mag met u naar boven gaan, niemand mag op de berg gezien worden. Zelfs geen schapen of runderen mogen in de nabijheid van de berg grazen.’ 4Mozes kapte twee stenen platen, gelijk aan de vorige. De volgende morgen besteeg hij in alle vroegte de Sinaï, zoals Jahwe hem bevolen had. De twee stenen platen nam hij mee. 5Jahwe daalde neer in een

wolk, kwam bij hem staan en riep de naam Jahwe uit. 6Jahwe ging hem voorbij en riep:

’Jahwe! Jahwe is een barmhartige en medelijdende God, lankmoedig, groot in liefde en trouw 7

die goedheid bewijst tot in het duizendste geslacht, die misdaden, overtredingen en zonden vergeeft, maar een schuldige niet ongestraft

en de misdaden van de vaders straft in hun kinderen en kleinkinderen, in het derde en vierde geslacht.’

8Onmiddellijk viel Mozes op zijn knieën en boog zich neer. 9Toen sprak hij: `Och Heer, wees zo goed en trek met ons mee. Dit volk is wel halsstarrig maar vergeef toch onze misdaden en zonden, en beschouw ons als uw eigen bezit.’ 10Hij antwoordde: `Ik wil een verbond met u sluiten. Voor heel uw volk zal Ik wonderen doen, zoals er nergens op aarde en bij geen enkel volk ooit zijn geschied. Heel het volk waarbij gij leeft zal aanschouwen hoe ontzagwekkend de werken zijn die Ik, Jahwe, voor u ga doen. 11Onderhoud wat Ik u heden voorschrijf. Dan zal Ik de Amorieten, Kanaänieten, Hethieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten voor u verdrijven. 12Sluit geen verbond met de bewoners van het land dat gij zult binnentrekken. Anders worden zij voor u een valstrik in uw eigen midden. 13Gij moet hun altaren afbreken, hun heilige zuilen stukslaan en hun heilige palen omhakken. 14Want gij moogt geen andere god vereren. Jahwe heet immers de jaloerse, Hij is een jaloerse God. 15Sluit dus geen verbond met de bewoners van het land die ontuchtig hun goden achterna lopen en offers opdragen; want zij zouden u uitnodigen om aan hun offermalen deel te nemen. 16Als gij voor uw zonen hun dochters tot vrouw kiest zouden die ontuchtig hun goden achterna lopen en ook uw zonen zouden dat gaan doen. 17Ge moogt geen godenbeelden maken. 18Ge moet het feest der ongezuurde broden vieren. Op de vastgestelde tijd in de maand Abib moet ge zeven dagen lang ongezuurd brood eten, zoals Ik u bevolen heb, want in die maand zijt ge uit Egypte vertrokken. 19Alles wat de moederschoot opent behoort Mij toe, ieder eerstgeboren mannelijk dier van uw kudde, van de runderen en de schapen. 20Het eerstgeboren jong van een ezel moet ge vrijkopen met een lam. Wilt ge het niet vrijkopen, dan moet ge het de nek breken. Iedere eerstgeboren zoon moet gij vrijkopen. Niemand mag met lege handen voor Mij verschijnen. 21Zes dagen kunt gij werken, maar op de zevende dag moet gij u van arbeid onthouden, zelfs als het tijd is om te ploegen of te zaaien. 22Vier ook het wekenfeest, aan het begin van de tarweoogst, en het feest van het binnenhalen, rond de jaarwisseling. 23Driemaal per jaar moeten al uw mannen verschijnen voor Jahwe de Heer, de God van Israël. 24Ik zal de volken voor u verdrijven en u een uitgestrekt gebied geven, zodat niemand zijn oog op uw land durft laten vallen als gij driemaal per jaar weggaat om voor Jahwe uw God te verschijnen. 25Ge moogt het bloed van een dier dat voor Mij bestemd is niet samen met gezuurd brood

offeren. Van het offerdier voor het paasfeest mag niets overblijven tot de volgende morgen. 26Van de eerste vruchten van uw land moet ge de beste naar het huis van Jahwe uw God brengen. Een geitje moogt ge niet koken in de melk van zijn moeder.’ 27Toen sprak Jahwe tot Mozes: `Stel deze bepalingen op schrift, want op grond van deze bepalingen sluit Ik met u en met Israël een verbond.’ 28Mozes bleef daar veertig dagen en veertig nachten bij Jahwe, zonder te eten of te drinken. En Jahwe grifte de bepalingen van het verbond, de tien geboden, in de stenen platen. 29Toen Mozes de berg Sinaï afdaalde met de twee stenen platen, de tekst van het verbond, was hij zich er niet van bewust dat zijn gezicht glansde omdat hij met Hem gesproken had. 30Maar Aäron en de overige Israëlieten zagen de glans op het gezicht van Mozes wel, en zij durfden hem niet te naderen. 31Maar toen Mozes hen riep kwamen Aäron en al de leiders van de gemeenschap naar hem toe. Mozes bracht hun verslag uit. 32Daarna kwamen al de Israëlieten naar hem toe. Hij hield hun alles voor wat Jahwe hem op de berg Sinaï gezegd had. 33Toen Mozes zijn toespraak beëindigd had, deed hij een doek over zijn gezicht. 34En telkens als Mozes naar Jahwe ging om hem te spreken, deed hij de doek af tot hij weer buiten kwam. Als hij dan, naar buiten gekomen, de Israëlieten ging meedelen wat zij moesten doen, 35deed hij, om de Israëlieten de glans op zijn gezicht niet te laten zien, de doek weer voor zijn gezicht tot hij opnieuw naar binnen ging om met Jahwe te spreken.

Hoofdstuk 35
HERINNERING AAN HET SABBATGEBOD

1Mozes liet heel de gemeenschap van Israël samenkomen en sprak tot hen: `Dit zijn de voorschriften die Jahwe u beveelt te onderhouden: 2Zes dagen kunt gij werken, maar de zevende dag moet u heilig zijn, een sabbatdag voor Jahwe. Iedereen die dan werkt moet ter dood gebracht worden. 3Op de sabbat moogt gij in geen van uw verblijven vuur ontsteken.’

BIJDRAGEN VOOR DE WONING
4Mozes sprak tot heel de gemeenschap van Israël: `Zo luidt de opdracht

van Jahwe: 5Sta uit uw bezit een bijdrage af voor Jahwe. Laat iedereen die daartoe bereid is zijn bijdrage voor Jahwe komen brengen: goud, zilver en brons; 6paarse, karmijnrode en scharlaken wol, linnen en kleden van geitenhaar; 7gelooide ramsvellen, fijn leer en acaciahout; 8olie voor de verlichting, geurige kruiden voor de bereiding van zalfolie en welriekende wierook; 9kornalijn en edelstenen voor de efod en de orakeltas. 10De vaklieden moeten alles vervaardigen wat Jahwe heeft voorgeschreven: 11de woning met tent en dak, de haken, schotten, verbindingsbalken, palen en voetstukken; 12de ark met de draagstokken en de dekplaat, het afsluitend voorhangsel; 13de tafel met de draagstokken en verder toebehoren, het toonbrood; 14de luchter voor de verlichting met alle toebehoren, de lampen en de olie voor de verlichting; 15het reukofferaltaar met de draagstokken, de zalfolie en de welriekende wierook; het voorhangsel voor de ingang van de woning; 16het

brandofferaltaar met het bronzen hek, de draagstokken en alle toebehoren; het wasbekken met het onderstel, 17de kleden voor de voorhof, de palen en voetstukken, het voorhangsel voor de ingang van de voorhof; 18de tentpinnen voor de woning en voor de voorhof met bijbehorende touwen; 19de ambtsgewaden, de heilige gewaden voor de priester Aäron, de gewaden die zijn zonen als priester dragen.’ 20Daarop ging heel de gemeenschap van Israël bij Mozes vandaan, 21en iedereen wiens hart hem dat ingaf en iedereen die daartoe bereid was kwam een bijdrage voor Jahwe brengen, voor de vervaardiging van de tent der samenkomst, voor de inrichting en voor de heilige gewaden. 22Mannen en vrouwen snelden toe. Ieder die daartoe bereid was bracht broches, oorringen, vingerringen, halsketenen en andere gouden sieraden, ieder die Jahwe een gouden wijgeschenk wilde afstaan. 23Wie in het bezit was van paarse, karmijnrode en scharlaken wol, van linnen en kleden van geitenhaar, van gelooide ramsvellen of fijn leer, die kwam het brengen. 24Ieder die een bijdrage in zilver of brons wilde afstaan bracht ze naar Jahwe. Ook wie de beschikking had over het acaciahout, dat voor verschillende doeleinden nodig was, kwam dit brengen. 25De daartoe vaardige vrouwen zetten zich aan het spinnen en brachten wat zij gesponnen hadden: paarse, karmijnrode en scharlaken wol, en linnen. 26De vrouwen die daar vaardig in waren begonnen geitenhaar te spinnen. 27De notabelen brachten kornalijn en edelstenen voor de efod en de orakeltas, 28geurige kruiden en olie voor de verlichting, voor de zalfolie en voor welriekende wierook. 29Alle Israëlieten, mannen en vrouwen, die zich gedrongen voelden bij te dragen aan het werk dat Jahwe door Mozes wilde laten uitvoeren, kwamen hun bijdrage voor Jahwe brengen. AANSTELLING VAN BESALEL EN OHOLIAB

30Toen maakte Mozes aan de Israëlieten bekend: `Jahwe heeft zijn keuze laten vallen op Besalel, zoon van Uri, de zoon van Chur, uit de stam Juda. 31Hij heeft hem een uitzonderlijke begaafdheid geschonken, vaardigheid, kennis en veelzijdige bekwaamheid. 32Hij kan ontwerpen maken, goud, zilver en brons smeden, 33stenen snijden en zetten en hout bewerken: in alle technieken is hij bedreven. 34Ook de gave om het aan anderen te kunnen leren heeft Hij hem geschonken, hem en Oholiab, zoon van Achisamak, uit de stam Dan. 35Hij heeft hun vaardigheid geschonken om te werken in alle technieken: zij kunnen stenen snijden, borduren, paarse, karmijnrode en scharlaken wol vervaardigen en linnen weven. Zij voeren allerlei werk uit en maken ook zelf de ontwerpen.’

Hoofdstuk 36

Besalel, Oholiab en al de vaklieden die Jahwe met vaardigheid en kennis heeft toegerust, zodat ze weten hoe alles voor het heiligdom gemaakt wordt, moeten alles uitvoeren zoals Jahwe het heeft voorgeschreven. 2Mozes liet dus Besalel komen met Oholiab en al de vaklieden die Jahwe met vaardigheid had toegerust, allen die zich gedrongen voelden het werk uit te voeren. 3Zij kregen van Mozes alle bijdragen die de Israëlieten voor de uitvoering van het werk, voor de vervaardiging van het heiligdom,

hadden afgestaan. En iedere morgen waren er nog Israëlieten die hun vrijwillige gave kwamen brengen. 4Toen lieten de vaklieden die met de verschillende werken voor het heiligdom bezig waren het werk dat ze onder handen hadden liggen, 5en kwamen Mozes zeggen: `Het volk brengt veel meer dan nodig is voor de uitvoering van het werk dat Jahwe heeft opgedragen.’ 6Op bevel van Mozes werd toen in het kamp omgeroepen: `Geen man of vrouw hoeft verder nog een bijdrage voor het heiligdom te brengen.’ Zo hield men het volk er van af nog meer te brengen. 7Er was voldoende, en zelfs meer dan voldoende, bijeengebracht voor de uitvoering van het hele werk. HET MAKEN VAN DE WONING

8Alle vaklieden die bij de uitvoering van het werk betrokken waren, vervaardigden toen de woning uit tien banen getwijnd linnen en paarse, karmijnrode en scharlaken wol, waarop een vakman kerubs geborduurd had. 9De lengte van een baan bedroeg achtentwintig el, de breedte vier el. Alle banen hadden dezelfde afmetingen. 10De banen werden vijf aan vijf samengevoegd. 11Vervolgens maakte men paarse lussen aan de rand van de buitenste baan van beide stukken, 12zodat de lussen precies tegenover elkaar zaten. 13Men maakte vijftig gouden haken en bevestigde de banen met deze haken aan elkaar, zodat de woning één geheel werd. 14Voor de tent over de woning vervaardigde men banen van geitenhaar, elf banen. 15De lengte van een baan bedroeg dertig el, de breedte vier el. Alle elf banen hadden dezelfde afmetingen. 16Men hechtte vijf banen aan elkaar, de zes overige eveneens. 17Men maakte vijftig lussen aan de rand van de buitenste baan van de beide stukken. 18Ook werden vijftig koperen haken gemaakt om de beide tentdelen tot een geheel samen te voegen. 19Men maakte voor de tent ook nog een dak van gelooide ramsvellen en daaroverheen nog een dak van fijn leer. 20Voor de woning werden uit acaciahout rechtopstaande schotten gemaakt. 21Ieder schot was tien el lang en anderhalve el breed. 22Aan ieder schot zaten ter verbinding twee tappen. Zo werden alle schotten voor de woning gemaakt. 23Men maakte dus de schotten voor de woning, twintig schotten voor de zuidkant. 24Onder de twintig schotten maakte men veertig zilveren voetstukken, twee voor elk schot, waar de beide tappen in pasten. 25Voor de andere kant van de woning voor de noordzijde dus, maakte men ook twintig schotten, 26met bijbehorende zilveren voetstukken, twee voor elk schot. 27Voor de achterkant van de woning, voor de westzijde dus, werden zes schotten gemaakt. 28Ook maakte men twee schotten voor de hoeken aan de achterkant van de woning. 29Deze bestonden uit twee haaks op elkaar geplaatste delen; zij liepen van beneden tot bij de eerste ring. Ze waren immers bestemd voor de beide hoeken. 30Er waren dus acht schotten en zestien bijbehorende zilveren voetstukken, telkens twee voor een schot. 31Men maakte ook verbindingsbalken van acaciahout: vijf voor de schotten aan de beide zijkanten van de woning, 32en vijf voor de achterkant, de westzijde, van de woning. 33De middelste balk liep midden over de schotten, van de ene

kant naar de andere. 34De schotten werden met goud overtrokken, voor de balken werden gouden ringen gemaakt en de balken werden met goud overtrokken. 35Het voorhangsel werd gemaakt van paarse, karmijnrode en scharlaken wol en van getwijnd linnen. Een vakman borduurde er kerubs op. 36Met gouden haken werd het vastgemaakt aan vier palen van acaciahout die met goud overtrokken waren en rustten op zilveren voetstukken. 37Voor de ingang van de tent werd een tapijt gemaakt van paarse, karmijnrode en scharlaken wol en van getwijnd linnen, rijk geborduurd. 38Er kwamen vijf palen van acaciahout met de bijbehorende haken. De koppen en stangen werden overtrokken met goud; de voetstukken waren van brons.

Hoofdstuk 37
HET MAKEN VAN DE ARK

1Toen maakte Besalel de ark van acaciahout; ze was twee en een halve el lang, anderhalve el breed, anderhalve el hoog. 2Hij overtrok haar van binnen en van buiten met goud en bracht rondom een gouden lijst aan. 3Hij goot voor de ark vier gouden ringen en bevestigde die aan de vier poten, twee aan elke kant. 4Hij maakte ook draagstokken van acaciahout en overtrok die met goud. 5De draagstokken werden in de ringen gestoken aan de zijkanten van de ark om die zo te kunnen dragen. 6Ook maakte hij de dekplaat, van zuiver goud, twee en een halve el lang, anderhalve el breed. 7Hij maakte eveneens twee kerubs, in goud gedreven, aan de beide uiteinden van de dekplaat, 8een kerub aan het ene uiteinde en een aan het andere, in reliëf. 9De vleugels van de kerubs waren naar boven uitgestrekt zodat zij de dekplaat overhuifden. De kerubs stonden met hun gezicht naar elkaar toegekeerd, hun gezicht was gericht op de dekplaat.

HET MAKEN VAN DE TAFEL

10Hij maakte een tafel van acaciahout, twee el lang, een el breed en anderhalve el hoog. 11Hij overtrok die met zuiver goud en maakte er een gouden lijst omheen. 12Hij legde er een band om, van een handbreed, en zette die af met een gouden lijst. 13Hij maakte vier gouden ringen en bevestigde die aan de vier hoeken, bij de poten. 14Deze ringen, bestemd voor de stokken waarmee de tafel gedragen werd, zaten dicht bij de band. 15De draagstokken maakte hij van acaciahout en overtrok ze met goud. Daarmee werd de tafel gedragen. 16De benodigdheden voor de tafel maakte hij van zuiver goud: de schotels en bekkens, de kannen en kommen, die nodig waren voor de plengoffers. HET MAKEN VAN DE LUCHTER

17Vervolgens maakte hij de luchter, van zuiver goud. De luchter, met voetstuk en schacht, was drijfwerk waarin kelken met knoppen en bloemen aangebracht waren. 18Zes armen gingen van opzij uit de schacht omhoog, drie aan elke kant. 19In de eerste arm waren drie amandelbloemen met knoppen en bladen gedreven. Op dezelfde wijze waren alle zes de armen van de luchter bewerkt. 20In de luchter zelf waren vier amandelbloemen met knoppen en bladen gedreven: 21één

knop onder het eerste paar armen, één onder het tweede en één onder het derde paar van de zes armen van de luchter. 22De knoppen en armen vormden één geheel met de luchter: één stuk drijfwerk van zuiver goud. 23Voor de luchter werden zeven lampen met snuiters en bakjes vervaardigd, alles van zuiver goud. 24Voor de luchter met toebehoren gebruikte hij een talent zuiver goud.

HET MAKEN VAN HET REUKOFFERALTAAR

25Vervolgens maakte hij ook een altaar van acaciahout voor het branden van reukwerk. Het was een el lang, een el breed – vierkant dus – en twee el hoog. De horens vormden er één geheel mee. 26Hij overtrok het met zuiver goud: de bovenkant, de zijvlakken en de horens. Hij maakte er een gouden lijst omheen. 27Aan beide zijden maakte hij onder de lijst twee gouden ringen, bestemd voor de draagstokken waarmee het altaar opgetild werd. 28Hij maakte de draagstokken van acaciahout en overtrok ze met goud.

HET MAKEN VAN ZALFOLIE EN HET REUKWERK

29Hij bereidde ook de heilige zalfolie en reukwerk, een geurig mengsel zoals een reukwerker dat samenstelt.

Hoofdstuk 38
HET MAKEN VAN HET BRANDOFFERALTAAR

1Toen maakte hij het brandofferaltaar van acaciahout. Het was vijf el lang en vijf el breed – vierkant dus – en drie el hoog. 2Op de vier hoeken bracht hij vier horens aan die er één geheel mee vormden. Het werd bekleed met brons. 3Ook maakte hij alle benodigdheden voor het altaar: de bakken, scheppen, schalen, vorken en vuurpannen, alles van brons. 4Om het altaar bracht hij als afrastering een bronzen hek aan, van de benedenrand tot halverhoogte. 5Ook goot hij vier ringen voor de vier hoeken van het bronzen hek, voor de draagstokken. 6De draagstokken maakte hij van acaciahout en hij overtrok ze met brons. 7Toen stak hij de draagstokken in de ringen aan weerszijden van het altaar om het zo op te tillen. Hij maakte het altaar van planken en liet het van binnen hol. HET MAKEN VAN HET WASBEKKEN

8Vervolgens vervaardigde hij het bronzen bekken, op een bronzen onderstel. Hiervoor gebruikte hij de spiegels van de vrouwen die dienst deden bij de ingang van de tent van de samenkomst. HET MAKEN VAN DE VOORHOF

9Toen maakte hij de voorhof. De kleden voor de zuidkant van de voorhof waren van getwijnd linnen, honderd el lang. 10De twintig bijbehorende palen en voetstukken waren van brons, de haken aan de palen en de stangen van zilver. 11Ook voor de noordkant maakte hij kleden over een lengte van honderd el, twintig palen en voetstukken van brons, alsmede haken en stangen van zilver. 12Aan de westkant maakte hij kleden over een lengte van vijftig el, en tien palen en voetstukken, alsmede haken en stangen van zilver. 13Ook de oostkant was vijftig el lang. 14Daar kwamen aan de ene kant kleden over een lengte van vijftien el met drie bijbehorende palen en voetstukken. 15Ook aan de andere kant – aan

beide kanten van de ingang van de voorhof hingen kleden – kleden over een lengte van vijftien el met drie bijbehorende palen en voetstukken. 16Alle kleden rond de voorhof waren van getwijnd linnen. 17De voetstukken voor de palen waren van brons, de haken aan de palen en de stangen waren van zilver. De kop van de palen was overtrokken met zilver en er zaten zilveren banden om. 18Aan de ingang van de voorhof kwam een rijk geborduurd voorhangsel van paarse, karmijnrode en scharlaken wol en van getwijnd linnen. Het was twintig el lang en – over de breedte – vijf el hoog, in aansluiting op de kleden van de voorhof. 19De vier bijbehorende palen en voetstukken waren van brons, de haken van zilver. De kop van de palen was overtrokken met zilver en er zaten zilveren banden om. 20Alle tentpinnen voor de woning en de voorhof waren van brons.

DE KOSTEN VAN DE WONING

21Hier volgt een berekening van de kosten van de woning, de woning met de verbondsakte, op bevel van Mozes becijferd door de levieten onder leiding van Itamar, zoon van de priester Aäron. 22Besalel, zoon van Uri, zoon van Chur uit de stam Juda, voerde alles uit zoals Jahwe aan Mozes had bevolen. 23Hij werd ter zijde gestaan door Oholiab, zoon van Achisamak, uit de stam Dan; deze kon stenen snijden, borduren, paarse, karmijnrode en scharlaken wol en linnen weven. 24Het totaal bedrag aan goud, afkomstig van de bijdragen, dat bij de vervaardiging van het heiligdom – alles meegerekend – besteed werd bedroeg negenentwintig talenten en zevenhonderddertig sikkels, in heilige munt. 25Het zilver, afkomstig van de geregistreerden van de gemeenschap, kwam op honderd talenten en zeventienhonderdvijfenzeventig sikkels, in heilige munt. 26Dat was dus een beka per man – een halve sikkel in heilige munt – van alle geregistreerden van twintig jaar en ouder. In totaal waren het zeshonderddrieduizendvijfhonderdenvijftig personen. 27De honderd talenten zilver werden gebruikt voor de voetstukken van het heiligdom en de voetstukken van het voorhangsel: voor honderd voetstukken honderd talenten, dus een talent per voetstuk. 28Van de zeventienhonderdvijfenzestig sikkels maakte men de haken, men overtrok er de koppen van de palen mee en maakte er de zilveren banden van. 29De bijdragen aan brons bedroegen zeventig talenten en vierentwintighonderd sikkels. 30Hiervan maakte men de voetstukken voor de ingang van de tent der samenkomst, het bronzen altaar met het bronzen hek en alle altaarbenodigdheden. 31Verder de voetstukken voor de voorhof, alle tentpinnen van de woning en alle tentpinnen van de voorhof.

Hoofdstuk 39

HET MAKEN VAN DE PRIESTERLIJKE GEWADEN

1Voor de dienst in het heiligdom werden ambtsgewaden vervaardigd van paarse, karmijnrode en scharlaken wol. Voor Aäron maakte men de heilige gewaden zoals Jahwe aan Mozes bevolen had. 2Hij maakte de efod van goud, paarse, karmijnrode en scharlaken wol en van getwijnd linnen.

3Men plette bladen van goud en sneed ze in strookjes om ze te verwerken in de paarse, karmijnrode en scharlaken wol en in het linnen: een waar kunstwerk. 4Aan de beide uiteinden van de efod maakte men schouderbanden om hem vast te maken. 5Van hetzelfde materiaal werd een gordel gemaakt die er een geheel mee vormde: paarse, karmijnrode en scharlaken wol en getwijnd linnen, zoals Jahwe aan Mozes bevolen had. 6Op de kornalijnstenen, gevat in gouden zettingen, graveerde men de namen van de zonen van Israël, zoals men zegels snijdt. 7Ze werden vervolgens bevestigd aan de efod: zij herinneren Jahwe aan de Israëlieten. Zo had Jahwe aan Mozes bevolen. 8Een kunstenaar maakte van hetzelfde materiaal als de efod de orakeltas: van goud, paarse, karmijnrode en scharlaken wol, en van getwijnd linnen. 9Ze was vierkant, een span lang en een span breed, en bestond uit twee stukken. 10Ze werd bezet met vier rijen edelstenen: een robijn, een topaas en een smaragd vormden de eerste rij, 11een karbonkel, een saffier en een jaspis de tweede, 12een hyacint, een agaat en een amatist de derde, 13een chrysoliet, een kornalijn en een onyx de vierde rij. Ze waren gevat in gouden zettingen. 14Er waren twaalf stenen, zoals er twaalf namen zijn van de zonen van Israël. Op iedere steen was de naam van een der twaalf stammen gegraveerd, zoals men bij zegels doet. 15Voor de orakeltas maakte men kettinkjes van zuiver goud, in de vorm van gevlochten snoeren. 16Ook maakte men twee gouden zettingen en twee gouden ringen; 17deze ringen werden bevestigd aan de beide uiteinden van de orakeltas. 18Aan de andere kant maakte men de twee gouden snoeren vast aan de twee zettingen en bevestigde ze van voren aan de schouderbanden van de efod. 19Toen maakte men nog twee gouden ringen en bevestigde deze aan de uiteinden van de orakeltas, aan de binnenkant, tegen de efod aan. 20Toen maakte men nog eens twee gouden ringen en bevestigde deze onder aan de voorkant van de beide schouderbanden van de efod, vlak bij de band boven de gordel. 21Toen haalde men een paars koord door de ringen van de orakeltas en de efod en bond de orakeltas zo aan de gordel van de efod dat ze er vast tegenaan zat, zoals Jahwe aan Mozes had bevolen. 22De efodmantel werd geheel gemaakt van paarse wol. 23In het midden was een opening met een geweven rand als bij een wapenrok, om inscheuren te voorkomen. 24Aan de zoom van de mantel werden granaatappels bevestigd van paarse, karmijnrode en scharlaken wol en van getwijnd linnen. 25Van zuiver goud maakte men klokjes en hing die tussen de granaatappels aan de zoom van de mantel; 26dus om en om gouden klokjes en granaatappels rondom aan de zoom van de mantel voor de eredienst, zoals Jahwe aan Mozes had bevolen. 27Voor Aäron en zijn zonen vervaardigde men tunieken van geweven linnen, 28hoofddeksels van linnen en lendenschorten van getwijnd linnen, 29de gordel van getwijnd linnen, van paarse, karmijnrode en scharlaken wol, kunstig bewerkt, zoals Jahwe aan Mozes had bevolen. 30Men maakte een bloem, de heilige diadeem, van zuiver goud en graveerde daarin als in een zegel:

Jahwe gewijd. 31Met een paars koord maakte men ze vast op de voorzijde van het hoofddeksel, zoals Jahwe aan Mozes had bevolen. HET WERK DOOR MOZES GOEDGEKEURD

32Zo kwam het werk aan de woning, de tent van de samenkomst, tot voltooiing. De Israëlieten hadden alles precies uitgevoerd zoals Jahwe aan Mozes bevolen had. 33Toen brachten ze de woning bij Mozes: de tent met alle toebehoren, haken, schotten, balken, palen en voetstukken, 34het dak van gelooide ramsvellen, het dak van fijn leer en het voorhangselkleed, 35de ark met de verbondsakte, met draagstokken en dekplaat, 36de tafel met alle toebehoren en het toonbrood; 37de luchter van zuiver goud met de lampen – de hele reeks – met alle toebehoren en de olie voor de verlichting, 38het gouden altaar, de zalfolie en welriekende wierook, het kleed voor de ingang van de tent; 39het bronzen altaar met het bijbehorende bronzen hek, de draagstokken en alle toebehoren: het wasbekken met het onderstel; 40de kleden voor de voorhof, de palen en voetstukken, het kleed voor de ingang van de voorhof, de touwen en tentpinnen en alle benodigdheden voor de dienst in de woning, de tent van de samenkomst; 41de ambtsgewaden voor de dienst in het heiligdom, de heilige gewaden voor de priester Aäron en de gewaden voor zijn zonen, voor de priesterlijke dienst. 42De Israëlieten hadden het hele werk precies zo uitgevoerd als Jahwe aan Mozes had bevolen. 43Toen Mozes het hele werk aanschouwde en zag dat ze het hadden uitgevoerd zoals Jahwe had bevolen, dat ze het precies zo hadden uitgevoerd, gaf hij hun zijn zegen.

Hoofdstuk 40
MOZES STELT DE WONING OP

1Toen sprak Jahwe tot Mozes: 2`Op de eerste dag van de eerste maand moet gij de woning opstellen, de tent van de samenkomst. 3Zet er de ark met de verbondsakte in en hang het voorhangsel op. 4Plaats dan de tafel en stel alles wat erbij hoort ordelijk op. Vervolgens ook de luchter met de lampen. 5Voor de ark met de verbondsakte moet ge het gouden reukofferaltaar neerzetten, en voor de ingang van de woning, de tent van samenkomst, het kleed hangen. 6Het brandofferaltaar komt voor de ingang van de woning, de tent van de samenkomst. 7Zet het wasbekken tussen de tent van de samenkomst en het altaar en giet er water in. 8Dan moet ge daaromheen de voorhof optrekken en voor de ingang daarvan het kleed ophangen. 9Heel de woning en alles wat er in staat moet ge met olie zalven en met alle toebehoren wijden zodat het heilig is. 10Ook het brandofferaltaar met al zijn toebehoren moet ge zalven en wijden zodat het hoogheilig is. 11Ook het wasbekken met het onderstel moet ge zalven en wijden. 12Dan ontbiedt gij Aäron met zijn zonen bij de ingang van de tent der samenkomst en reinigt hen met water. 13Bekleed Aäron met de heilige gewaden, zalf hem en wijd hem tot mijn priester. 14Vervolgens ontbiedt gij zijn zonen en doet hun de tunieken aan. 15Zalf hen tot mijn priesters, evenals hun vader. De zalving zal hun voor altijd de priesterlijke waardigheid verlenen, al hun geslachten door.’ 16Mozes bracht alles ten uitvoer zoals Jahwe had voorgeschreven. 17De woning werd opgesteld in

de eerste maand van het tweede jaar, op de eerste van de maand. 18Mozes liet de woning opstellen: men plaatste de voetstukken, bevestigde de schotten, bracht de verbindingslatten aan en richtte de palen op. 19De tent werd over de woning gespannen en daaroverheen werd het tentdak gelegd, zoals Jahwe Mozes bevolen had. 20Mozes legde de verbondsakte in de ark, schoof de draagstangen aan de ark en legde er de dekplaat op. 21Hij bracht de ark in de woning, hing het voorhangsel op zodat de ark met de verbondsakte naar Jahwe’s bevel aan het gezicht werd onttrokken. 22Hij plaatste de tafel in de tent van de samenkomst, aan de noordkant van de woning, voor het voorhangsel. 23Hij zette er het toonbrood op, zoals Jahwe aan Mozes bevolen had. 24Hij plaatste de luchter in de tent van de samenkomst, tegenover de tafel, aan de zuidkant. 25Hij stelde de lampen op voor Jahwe, zoals Jahwe hem bevolen had. 26Hij plaatste het gouden altaar in de tent van de samenkomst, voor het voorhangsel. 27Toen brandde Mozes welriekende wierook zoals Jahwe hem bevolen had. 28Hij hing het kleed op voor de ingang van de woning. 29Toen plaatste hij het altaar voor de ingang van de woning, de tent van de samenkomst, en hij droeg het brandoffer en het meeloffer op, zoals Jahwe aan Mozes bevolen had. 30Het wasbekken plaatste hij tussen de tent van de samenkomst en het altaar en goot er water in. 31Mozes en Aäron met zijn zonen wasten er hun handen en voeten. 32Telkens wanneer zij de tent van de samenkomst binnengingen en het altaar naderden wasten zij zich, zoals Jahwe Mozes bevolen had. 33Rondom de woning en het altaar werd de voorhof opgetrokken en voor de ingang van de voorhof werd het kleed opgehangen. Daarmee was het werk van Mozes voltooid. 34Toen overdekte de wolk de tent van de samenkomst en vulde de heerlijkheid van Jahwe de woning. 35En Mozes kon de tent niet binnengaan, want de wolk rustte erboven, en de heerlijkheid van Jahwe vulde de woning. 36Op heel hun tocht trokken de Israëlieten telkens pas verder als de wolk zich van de woning verhief. 37Als de wolk zich niet verhief bleven zij wachten. 38Op heel hun tocht rustte overdag de wolk van Jahwe boven de woning, maar ’s nachts was er een vuurgloed, die zichtbaar was voor alle Israëlieten.

(En)

Believe Christianity – Bible verse exodus

Source: https://rkbijbel.nl/kbs/bijbel/willibrord1975/neovulgaat https://nl.wikipedia.org/wiki/Exodus_(book)

The Willibrord translation is the standard translation of the Roman Catholic faith community in the Dutch language area and is published by the Catholic Bible Foundation, in close collaboration with the Flemish Bible Foundation. The Willibrord Translation is widely appreciated as a translation that is faithful to the original text and at the same time offers a text in understandable contemporary Dutch.

Exodus (Greek: ἔξοδος, exodos, ”exodus”; Hebrew: תומש, shemot, ”names”, from the first word of the Hebrew text) is the second book of the Hebrew Bible. In Dutch, the book begins with the sentence: ”These are the names [shemot] of the sons of Israel…”.

Exodus tells the story of the departure of the Israelite people from Egypt to the Promised Land of Canaan. Their leader Moses received the Torah or the law from God.

Modern researchers agree that Exodus is not a reliable historical source for the origin of the Israelite people. This people arose in the late second millennium BC. as a confederation of tribes in the central highlands of Canaan. The culture of the Israelites is based on the native Canaanite culture and there is no indication that they as a people have been away from Palestine for a long time.

The Calling of Moses (chapter 1-7)

During the time of Joseph as viceroy of Egypt, Jacob and his sons settled in Goshen, an Egyptian province. There they have a large progeny. A Pharaoh (who did not know Joseph) sees the Hebrews as a threat and makes them do slave labor. He also ordered that all Jewish male babies be killed. The midwives Shifra and Puah refuse.

The Jewish woman Jochebed gives birth to a child, but fearing the Pharaoh, she makes a wicker basket, puts the baby in it and carries it to the river. There the basket and the baby are found by the daughter of the Pharaoh. She names the child Moses. Miriam, Moses’ sister, persuades Pharaoh’s daughter that he may be raised by Jochebed for the first few years.

As an adult, Moses sees a Hebrew slave being mistreated by an Egyptian. He kills the Egyptian and flees to Midian. There he meets Jethro and Moses marries his daughter Zipporah. Moses becomes a shepherd.

Several years pass and the pharaoh of Egypt dies. One day Moses sees a burning bush and through the bush God speaks to him that he will deliver his people from slavery. Moses is afraid that the Israelites will not believe him. Also

he is afraid to speak. So God sent Aaron, Moses’ brother, to meet him. This one will speak. Moses and Aaron appear before Pharaoh, but instead of letting the people go, Pharaoh puts an even greater burden on them. However, God sends the brothers back to Pharaoh again.

Exodus from Egypt (chapter 8-14)
1rightarrow blue.svg see: Exodus from Egypt

Moses and Aaron visit Pharaoh again and turn the waters of the Nile into blood. Pharaoh initially gives in and lets the Israelites go, but reverses his decision. This is how it goes several times, as God sends more and more plagues on Pharaoh and Egypt. Frogs, mosquitoes, gadflies, festering pustules in humans and animals, cattle plague, heavy hail, grasshoppers and darkness. At the last plague, all the firstborn die.

The Israelites escaped by slaughtering a lamb and smearing its blood on the doorposts. Only after the death of all the firstborn does Pharaoh let the people go. They are moving towards the Red Sea. God goes before them in a cloud. However, the pharaoh regrets his decision again and pursues the people with his army. But the cloud descends between the people and Pharaoh’s army and prevents them from attacking the Israelite people. The next day Moses stretches out his staff and the Red Sea splits in two. The people move to the other side. The moment the army of the pharaoh gives chase, the water flows back and a large part of the army is killed. The Israelites have escaped.

Received Ten Commandments at Mount Sinai (chapters 15-20)

From the Red Sea, the Jewish people move into the desert. They begin to complain about the lack of water and food. Moses throws a piece of wood into a salty pool with some water. This makes the water fresh. God also sends quail and manna.

At Rephidim the people are attacked by the Amalekites. Moses watches the battle from a mountain. Whenever he raises his arms, the army led by Joshua wins. If he lowers his arms, the army loses. He is therefore supported by Aaron and Hur. The Amalekites are thereby defeated.

Moses also receives a visit from his father-in-law Jethro. He sees that Moses spends (too) much time leading the people by judging. Jethro advises appointing more leaders and letting Moses handle only the greatest and most important matters.

The people arrive at Mount Sinai. There God shows himself to the people. However, they are afraid and ask Moses to take the lead. Moses ascends the mountain and receives the Ten Commandments.

Further rules and arrangement of the tabernacle (chapter. 21-31)

On Mount Sinai, Moses also receives a large number of precepts. These include how to deal with animals, slaves and parents. Sacrifice rules are also given. In addition, God promises that he will exterminate the inhabitants of the land of Canaan.

Moses goes up the mountain with Aaron, Nadab, Abihu, and seventy elders of the people. God wants to make a covenant with the people. All see God. Then Moses continues up the mountain. This time God engraves the Ten Commandments on tablets of stone. Moses also receives the order to build a sanctuary, the tabernacle. He receives directions for the arrangement of this tabernacle. Among other things, he must make an ark of gold and an altar of burnt offering. Bezalel is to be put in charge of building the tabernacle. Aaron and his sons are ordained as priests. They have to dress in a certain way.

Golden Calf and Re-Received Ten Commandments (Chapters 32-35)

Moses continues up the mountain alone. He stays away for a long time. The people therefore think that he has died and ask Aaron if he can make a golden bull calf from their jewelry. Then they have a new God to worship. Aaron gives in to the pressure and does. Just as there is a feast for the golden bull calf, Moses returns with the tablets of stone. He smashes the stone tablets and also destroys the statue.

Then Moses returns to the mountain. He asks God if he can see him. God responds to this, but only shows his backside. If Moses saw God face to face, he would die. God also makes new stone tablets for him with the Ten Commandments on them.

Explain rules to the people and build tabernacle (chapters 36-40)

When Moses returns, he calls the people together and explains to them the rules he has received from God. These include the Sabbath rest. These chapters also contain an explanation of the construction and decoration of the tabernacle and the manner in which the priests were to dress. When the tabernacle was finished it was filled by the majesty of God. This was visible through a cloud. When the cloud stopped, the Israelites camped there. When the cloud moved on, the people went after it.

Chapter 1
1 These are the names of the Israelites who went with Jacob to Egypt, each of them went with his family:

2 Reuben, Simeon, Levi and Judah,

3 Issachar, Zebulun and Benjamin,

4 Dan and Naphtali, Gad and Asher.

5 In all, the descendants of Jacob numbered seventy persons. Joseph was in Egypt already.

6 Then Joseph died, and his brothers, and all that generation.

7 But the Israelites were fruitful and prolific; they became so numerous and powerful that eventually the whole land was full of them.

8 Then there came to power in Egypt a new king who had never heard of Joseph.

9 ’Look,’ he said to his people, ’the Israelites are now more numerous and stronger than we are.

10 We must take precautions to stop them from increasing any further, or if war should break out, they might join the ranks of our enemies. They might take arms against us and then escape from the country.’

11 Accordingly they put taskmasters over the Israelites to wear them down by forced labour. In this way they built the store-cities of Pithom and Rameses for Pharaoh.

12 But the harder their lives were made, the more they increased and spread, until people came to fear the Israelites.

13 So the Egyptians gave them no mercy in the demands they made,

14 making their lives miserable with hard labour: with digging clay, making bricks, doing various kinds of field — work — all sorts of labour that they imposed on them without mercy.

15 The king of Egypt then spoke to the Hebrew midwives, one of whom was called Shiphrah, and the other Puah.

16 ’When you attend Hebrew women in childbirth,’ he said, ’look at the two stones. If it is a boy, kill him; if a girl, let her live.’

17 But the midwives were God-fearing women and did not obey the orders of the king of Egypt, but allowed the boys to live.

18 So the king of Egypt summoned the midwives and said to them, ’What do you mean by allowing the boys to live?’

19 The midwives said to Pharaoh, ’Hebrew women are not like Egyptian women, they are hardy and give birth before the midwife can get to them.’

20 For this, God was good to the midwives, and the people went on increasing and growing more powerful;

21 and since the midwives feared God, he gave them families of their own.

22 Pharaoh then gave all his people this command: ’Throw every new-born boy into the river, but let all the girls live.’

Chapter 2
1 There was a man descended from Levi who had taken a woman of Levi as his wife.

2 She conceived and gave birth to a son and, seeing what a fine child he was, she kept him hidden for three months.

3 When she could hide him no longer, she got a papyrus basket for him; coating it with bitumen and pitch, she put the child inside and laid it among the reeds at the River’s edge.

4 His sister took up position some distance away to see what would happen to him.

5 Now Pharaoh’s daughter went down to bathe in the river, while her maids walked along the riverside. Among the reeds she noticed the basket, and she sent her maid to fetch it.

6 She opened it and saw the child: the baby was crying. Feeling sorry for it, she said, ’This is one of the little Hebrews.’

7 The child’s sister then said to Pharaoh’s daughter, ’Shall I go and find you a nurse among the Hebrew women to nurse the child for you?’

8 ’Yes,’ said Pharaoh’s daughter, and the girl went and called the child’s own mother.

9 Pharaoh’s daughter said to her, ’Take this child away and nurse it for me. I shall pay you myself for doing so.’ So the woman took the child away and nursed it.

10 When the child grew up, she brought him to Pharaoh’s daughter who treated him like a son; she named him Moses ’because’, she said, ’I drew him out of the water.’

11 It happened one day, when Moses was grown up, that he went to see his kinsmen. While he was watching their forced labour he also saw an Egyptian striking a Hebrew, one of his kinsmen.

12 Looking this way and that and seeing no one in sight, he killed the Egyptian and hid him in the sand.

13 On the following day he came back, and there were two Hebrews, fighting. He said to the man who was in the wrong, ’What do you mean by hitting your kinsman?’

14 ’And who appointed you’, the man retorted, ’to be prince over us and judge? Do you intend to kill me as you killed the Egyptian?’ Moses was frightened. ’Clearly that business has come to light,’ he thought.

15 When Pharaoh heard of the matter, he tried to put Moses to death, but Moses fled from Pharaoh. He went into Midianite territory and sat down beside a well.

16 Now there was a priest of Midian with seven daughters. They used to come to draw water and fill the troughs to water their father’s flock.

17 Some shepherds came and drove them away, but Moses sprang to their help and watered their flock.

18 When they returned to their father Reuel, he said to them, ’Why are you back so early today?’

19 ’An Egyptian protected us from the shepherds,’ they said, ’and he even drew water for us and watered the flock.’

20 ’And where is he?’ he asked his daughters. ’Why did you leave the man there? Ask him to eat with us.’

21 Moses agreed to stay on there with the man, who gave him his daughter Zipporah in marriage.

22 She gave birth to a son, whom he named Gershom ’because’, he said, ’I am an alien in a foreign land.’

23 During this long period the king of Egypt died. The Israelites, groaning in their slavery, cried out for help and from the depths of their slavery their cry came up to God.

24 God heard their groaning; God remembered his covenant with Abraham, Isaac and Jacob.

25 God saw the Israelites and took note.

Chapter 3
1 Moses was looking after the flock of his father-in-law Jethro, the priest of Midian; he led it to the far side of the desert and came to Horeb, the mountain of God.

2 The angel of Yahweh appeared to him in a flame blazing from the middle of a bush. Moses looked; there was the bush blazing, but the bush was not being burnt up.

3 Moses said, ’I must go across and see this strange sight, and why the bush is not being burnt up.’

4 When Yahweh saw him going across to look, God called to him from the middle of the bush. ’Moses, Moses!’ he said. ’Here I am,’ he answered.

5 ’Come no nearer,’ he said. ’Take off your sandals, for the place where you are standing is holy ground.

6 I am the God of your ancestors,’ he said, ’the God of Abraham, the God of Isaac and the God of Jacob.’ At this Moses covered his face, for he was afraid to look at God.

7 Yahweh then said, ’I have indeed seen the misery of my people in Egypt. I have heard them crying for help on account of their taskmasters. Yes, I am well aware of their sufferings.

8 And I have come down to rescue them from the clutches of the Egyptians and bring them up out of that country, to a country rich and broad, to a country flowing with milk and honey, to the home of the Canaanites, the Hittites, the Amorites, the Perizzites, the Hivites and the Jebusites.

9 Yes indeed, the Israelites’ cry for help has reached me, and I have also seen the cruel way in which the Egyptians are oppressing them.

10 So now I am sending you to Pharaoh, for you to bring my people the Israelites out of Egypt.’

11 Moses said to God, ’Who am I to go to Pharaoh and bring the Israelites out of Egypt?’

12 ’I shall be with you,’ God said, ’and this is the sign by which you will know that I was the one who sent you. After you have led the people out of Egypt, you will worship God on this mountain.’

13 Moses then said to God, ’Look, if I go to the Israelites and say to them, ”The God of your ancestors has sent me to you,” and they say to me, ”What is his name?” what am I to tell them?’

14 God said to Moses, ’I am he who is.’ And he said, ’This is what you are to say to the Israelites, ”I am has sent me to you.” ’

15 God further said to Moses, ’You are to tell the Israelites, ”Yahweh, the God of your ancestors, the God of Abraham, the God of Isaac and the God of Jacob, has sent me to you.” This is my name for all time, and thus I am to be invoked for all generations to come.

16 ’Go, gather the elders of Israel together and tell them, ”Yahweh, the God of your ancestors, has appeared to me — the God of Abraham, of Isaac and of Jacob — and has indeed visited you and seen what is being done to you in Egypt,

17 and has said: I shall bring you out of the misery of Egypt to the country of the Canaanites, the Hittites, the Amorites, the Perizzites, the Hivites and the Jebusites, to a country flowing with milk and honey.”

18 They will listen to your words, and you and the elders of Israel are to go to the king of Egypt and say to him, ”Yahweh, the God of the Hebrews, has encountered us. So now please allow us to make a three-days’ journey into the desert and sacrifice to Yahweh our God.”

19 I am well aware that the king of Egypt will not let you go unless he is compelled by a mighty hand;

20 he will not let you go until I have stretched out my arm and struck Egypt with all the wonders I intend to work there.

21 ’I shall ensure that the Egyptians are so much impressed with this people that when you go, you will not go empty-handed.

22 Every woman will ask her neighbour and the woman staying in her house for silver and golden jewellery, and clothing. In these you will dress your own sons and daughters, despoiling the Egyptians of them.’

Chapter 4
1 Moses replied as follows, ’But suppose they will not believe me or listen to my words, and say to me, ”Yahweh has not appeared to you”?’

2 Yahweh then said, ’What is that in your hand?’ ’A staff,’ he said.

3 ’Throw it on the ground,’ said Yahweh. Moses threw it on the ground; the staff turned into a snake and Moses recoiled from it.

4 Yahweh then said to Moses, ’Reach out your hand and catch it by the tail.’ He reached out his hand, caught it, and in his hand it turned back into a staff.

5 ’Thus they may believe that Yahweh, the God of their ancestors, the God of Abraham, the God of Isaac and the God of Jacob, has appeared to you.’

6 Next, Yahweh said to him, ’Put your hand inside your tunic.’ He put his hand inside his tunic, then drew it out again: and his hand was diseased, white as snow.

7 Yahweh then said, ’Put your hand back inside your tunic.’ He put his hand back inside his tunic and when he drew it out, there it was restored, just like the rest of his flesh.

8 ’Even so: should they not believe you nor be convinced by the first sign, the second sign will convince them;

9 but should they not be convinced by either of these two signs and refuse to listen to what you say, you are to take some water from the River and pour it on the ground, and the water you have taken from the River will turn to blood on the dry land.’

10 Moses said to Yahweh, ’Please, my Lord, I have never been eloquent, even since you have spoken to your servant, for I am slow and hesitant of speech.’

11 ’Who gave a person a mouth?’ Yahweh said to him. ’Who makes a person dumb or deaf, gives sight or makes blind? Is it not I, Yahweh?

12 Now go, I shall help you speak and instruct you what to say.’

13 ’Please, my Lord,’ Moses replied, ’send anyone you decide to send!’

14 At this, Yahweh’s anger kindled against Moses, and he said to him, ’There is your brother Aaron the Levite, is there not? I know that he is a good speaker. Here he comes to meet you. When he sees you, his heart will be full of joy.

15 You will speak to him and tell him what message to give. I shall help you speak, and him too, and instruct you what to do.

16 He will speak to the people in your place; he will be your mouthpiece, and you will be as the god inspiring him.

17 And take this staff in your hand; with this you will perform the signs.’

18 Moses went back to his father-in-law Jethro and said to him, ’Give me leave to return to my kinsmen in Egypt and see if they are still alive.’ And Jethro said to Moses, ’Go in peace.’

19 Yahweh said to Moses in Midian, ’Go, return to Egypt, for all those who wanted to kill you are dead.’

20 So Moses took his wife and his son and, putting them on a donkey, started back for Egypt; and Moses took the staff of God in his hand.

21 Yahweh said to Moses, ’Think of the wonders I have given you power to perform, once you are back in Egypt! You are to perform them before Pharaoh, but I myself shall make him obstinate, and he will not let the people go.

22 You will then say to Pharaoh, ”This is what Yahweh says: Israel is my first-born son.

23 I told you: Let my son go and worship me; but since you refuse to let him go, well then! I shall put your first-born son to death.” ’

24 On the journey, when he had halted for the night, Yahweh encountered him and tried to kill him.

25 Then Zipporah, taking up a flint, cut off her son’s foreskin and with it touched his feet and said, ’You are my blood-bridegroom!’

26 So he let him go. She said, ’Blood-bridegroom’ then, with reference to the circumcision.

27 Yahweh said to Aaron, ’Go into the desert to meet Moses.’ So he went, and met him at the mountain of God and kissed him.

28 Moses then told Aaron all that Yahweh had said when sending him and all the signs he had ordered him to perform.

29 Moses and Aaron then went and gathered all the elders of the Israelites together,

30 and Aaron repeated everything that Yahweh had said to Moses, and in the sight of the people performed the signs.

31 The people were convinced, and they rejoiced that Yahweh had visited the Israelites and seen their misery, and they bowed to the ground in worship.

Chapter 5
1 After this, Moses and Aaron went to Pharaoh and said to him, ’This is what Yahweh, God of Israel, says, ”Let my people go, so that they can hold a feast in my honour in the desert.” ’

2 ’Who is Yahweh,’ Pharaoh replied, ’for me to obey what he says and let Israel go? I know nothing of Yahweh, and I will not let Israel go.’

3 ’The God of the Hebrews has encountered us,’ they replied. ’Give us leave to make a three -days’ journey into the desert and sacrifice to Yahweh our God, or he will strike us with a plague or with the sword.’

4 The king of Egypt said to them, ’Moses and Aaron, what do you mean by distracting the people from their work? Get back to your forced labour.’

5 And Pharaoh said, ’Now that the people have grown to such numbers in the country, what do you mean by interrupting their forced labour?’

6 That very day, Pharaoh gave the order to the people’s taskmasters and their scribes,

7 ’Do not go on providing the people with straw for brickmaking as before; let them go and gather straw for themselves.

8 But you will exact the same quantity of bricks from them as before, not reducing it at all, since they are lazy, and that is why their cry is, ”Let us go and sacrifice to our God.”

9 Give these people more work to do, and see they do it instead of listening to lying speeches.’

10 The people’s taskmasters and scribes went out to speak to the people and said, ’Pharaoh says this, ”I shall not provide you with any more straw.

11 Go and collect straw for yourselves where you can find it. But your output is not to be any less.” ’

12 So the people scattered all over Egypt to gather stubble for their straw.

13 The taskmasters harassed them. ’You must complete your daily quota,’ they said, ’just as when the straw was there.’

14 And the Israelites’ foremen whom Pharaoh’s taskmasters had put in charge of them, were flogged and asked, ’Why have you not fulfilled your quota of bricks made today as before?’

15 The Israelites’ foremen went and appealed to Pharaoh. ’Why do you treat your servants like this?’ they said.

16 ’No straw is provided for your servants, yet still the cry is, ”Make bricks!” And now your servants are being flogged!. . .’

17 ’You are lazy, lazy,’ he retorted. ’That is why you say, ”Let us go and sacrifice to Yahweh.”

18 Get back to your work at once. You will not be provided with straw; all the same, you will deliver the quota of bricks.’

19 The Israelites’ foremen saw they were in a difficult position on being told, ’You will not reduce your daily production of bricks.’

20 As they left Pharaoh’s presence, they met Moses and Aaron who were standing in their way.

21 ’May Yahweh look down at you and judge!’ they said to them. ’You have brought us into bad odour with Pharaoh and his officials; you have put a sword into their hand to kill us.’

22 Moses went back to Yahweh and said, ’Lord, why do you treat this people so harshly? Why did you send me?

23 Ever since I came to Pharaoh and spoke to him in your name, he has ill-treated this people, and you have done nothing at all about rescuing your people.’

Chapter 6
1 Yahweh then said to Moses, ’Now you will see what I am going to do to Pharaoh. A mighty hand will force him to let them go, a mighty hand will force him to expel them from his country.’

2 God spoke to Moses and said to him, ’I am Yahweh.

3 To Abraham, Isaac and Jacob I appeared as El Shaddai, but I did not make my name Yahweh known to them.

4 I also made my covenant with them to give them the land of Canaan, the country in which they were living as aliens.

5 Furthermore, I have heard the groaning of the Israelites, enslaved by the Egyptians, and have remembered my covenant.

6 So say to the Israelites, ”I am Yahweh. I shall free you from the forced labour of the Egyptians; I shall rescue you from their slavery and I shall redeem you with outstretched arm and mighty acts of judgement.

7 I shall take you as my people and I shall be your God. And you will know that I am Yahweh your God, who have freed you from the forced labour of the Egyptians.

8 Then I shall lead you into the country which I swore I would give to Abraham, Isaac and Jacob, and shall give it to you as your heritage, I, Yahweh.” ’

9 And Moses repeated this to the Israelites, but they would not listen to Moses, so crushed was their spirit and so cruel their slavery.

10 Yahweh then said to Moses,

11 ’Go to Pharaoh, king of Egypt, and tell him to let the Israelites leave his country.’

12 But Moses spoke out in Yahweh’s presence and said, ’The Israelites have not listened to me, so why should Pharaoh take any notice of a poor speaker like me?’

13 Yahweh spoke to Moses and Aaron and sent them to Pharaoh king of Egypt, to lead the Israelites out of Egypt.

14 These were their heads of families: The sons of Reuben, Israel’s first-born: Hanoch, Pallu, Hezron and Carmi: these are the clans of Reuben.

15 The sons of Simeon: Jemuel, Jamin, Ohad, Jachin, Zohar, and Shaul son of the Canaanite woman: these are the clans of Simeon.

16 These were the names of the sons of Levi with their descendants: Gershon, Kohath and Merari. Levi lived for a hundred and thirty-seven years.

17 The sons of Gershon: Libni and Shimei, with their clans.

18 The sons of Kohath: Amram, Izhar, Hebron and Uzziel. Kohath lived for a hundred and thirty-three years.

19 The sons of Merari: Mahli and Mushi. These are the clans of Levi with their descendants.

20 Amram married Jochebed, his aunt, who bore him Aaron and Moses. Amram lived for a hundred and thirty-seven years.

21 The sons of Izhar were: Korah, Nepheg and Zichri.

22 And the sons of Uzziel: Mishael, Elzaphan and Sithri.

23 Aaron married Elisheba daughter of Amminadab and sister of Nahshon, and she bore him Nadab, Abihu, Eleazar and Ithamar.

24 The sons of Korah: Assir, Elkanah and Abiasaph. These are the clans of the Korahites.

25 Eleazar, son of Aaron, married one of Putiel’s daughters who bore him Phinehas. These were the Levitical heads of families, according to clan.

26 It was to this Aaron and Moses that Yahweh said, ’Lead the Israelites out of Egypt in their armies.’

27 It was they who spoke to Pharaoh, king of Egypt, to lead the Israelites out of Egypt — namely Moses and Aaron.

28 Now the day when Yahweh spoke to Moses in Egypt,

29 Yahweh said to Moses, ’Tell Pharaoh king of Egypt everything that I am going to say to you.’

30 But Moses said to Yahweh’s face, ’I am a poor speaker, so why should Pharaoh take any notice of me?’

Chapter 7
1 Yahweh then said to Moses, ’Look, I have made you as a god for Pharaoh, and your brother Aaron is to be your prophet.

2 You must say whatever I command you, and your brother Aaron will repeat to Pharaoh that he is to let the Israelites leave his country.

3 But I myself shall make Pharaoh stubborn and shall perform many a sign and wonder in Egypt.

4 Since Pharaoh will not listen to you, I shall lay my hand on Egypt and with great acts of judgement lead my armies, my people, the Israelites, out of Egypt.

5 And the Egyptians will know that I am Yahweh when I stretch out my hand against the Egyptians and lead the Israelites out of their country.’

6 Moses and Aaron did exactly as Yahweh had ordered.

7 Moses was eighty years old and Aaron eighty-three, when they spoke to Pharaoh.

8 Yahweh said to Moses and Aaron,

9 ’If Pharaoh says to you, ”Display some marvel,” you must say to Aaron, ”Take your staff and throw it down in front of Pharaoh, and let it turn into a serpent!” ’

10 Moses and Aaron went to Pharaoh and did as Yahweh had ordered. Aaron threw down his staff in front of Pharaoh and his officials, and it turned into a serpent.

11 Then Pharaoh in his turn called for the sages and sorcerers, and by their spells the magicians of Egypt did the same.

12 Each threw his staff down and these turned into serpents. But Aaron’s staff swallowed up theirs.

13 Pharaoh, however, remained obstinate and, as Yahweh had foretold, refused to listen to Moses and Aaron.

14 Yahweh then said to Moses, ’Pharaoh is adamant. He refuses to let the people go.

15 Go to Pharaoh tomorrow morning as he makes his way to the water, confront him on the river bank and in your hand take the staff that turned into a snake.

16 Say to him, ”Yahweh, God of the Hebrews, sent me to say: Let my people go and worship in the desert. Up till now, you have refused to listen.

17 This is what Yahweh says: You will know that I am Yahweh by this: with the staff that is in my hand I shall strike the waters of the River and they will turn to blood.

18 The fish in the river will die, and the River will stink, and the Egyptians will not be able to drink the river water.” ’

19 Yahweh said to Moses, ’Say to Aaron, ”Take your staff and stretch out your hand over the waters of Egypt — over their rivers and canals, their marshland, and all their reservoirs — and they will turn to blood. There will be blood throughout the whole of Egypt, even in sticks and stones,”

20 Moses and Aaron did as Yahweh ordered. He raised his staff and struck the waters of the River, with Pharaoh and his officials looking on, and all the water in the River turned to blood.

21 The fish in the River died, and the River stank; and the Egyptians could no longer drink the River water. Throughout the whole of Egypt there was blood.

22 But by their spells the magicians of Egypt did the same; Pharaoh remained obstinate and, as Yahweh had foretold, refused to listen to Moses and Aaron.

23 Pharaoh turned away and went back into his palace, taking no notice even of this.

24 And the Egyptians all dug holes along the river-bank in search of drinking water, since they could not drink the River water.

25 After Yahweh struck the River, seven days went by.

26 Then Yahweh said to Moses, ’Go to Pharaoh and say to him, ”Yahweh says this: Let my people go and worship me.

27 If you refuse to let them go, I shall strike your whole territory with frogs.

28 The River will swarm with frogs; they will make their way into your palace, into your bedroom, onto your bed, into the houses of your officials and subjects, into your ovens, into your kneading bowls.

29 The frogs will actually clamber onto you, onto your subjects and onto all your officials.” ’

Chapter 8
1 Yahweh then said to Moses, ’Say to Aaron, ”Stretch out your hand with your staff, over the rivers, the canals and the marshland, and bring the frogs up over the land of Egypt.” ’

2 So Aaron stretched out his hand over the waters of Egypt, and the frogs came up and covered the land of Egypt.

3 But by their spells the magicians did the same, bringing frogs over the land of Egypt.

4 Pharaoh then summoned Moses and Aaron and said, ’Entreat Yahweh to take the frogs away from me and my subjects, and I promise to let the people go and sacrifice to Yahweh.’

5 Moses said to Pharaoh, ’You are the one to gain by it: when would you like me to pray for you, your officials and your subjects, so as to rid you and your houses of the frogs so that they will be left only in the River?’

6 ’Tomorrow,’ he said. Moses said, ’It shall be as you say, so that you will know that there is no one like Yahweh our God.

7 The frogs will leave you, your houses, your officials and your subjects and will be left only in the River.’

8 Moses and Aaron left Pharaoh’s presence, and Moses pleaded with Yahweh about the frogs which he had inflicted on Pharaoh.

9 Yahweh did as Moses asked, and in house and courtyard and field the frogs died.

10 They piled them up in heaps and the country stank.

11 But once Pharaoh saw that there had been a respite, he became obstinate and, as Yahweh had foretold, refused to listen to them.

12 Yahweh then said to Moses, ’Say to Aaron, ”Stretch out your staff and strike the dust of the earth, and it will turn into mosquitoes throughout the whole of Egypt.” ’

13 Aaron stretched out his hand, with his staff, and struck the dust of the earth, and there were mosquitoes on man and beast; all the dust of the earth turned into mosquitoes throughout the whole of Egypt.

14 By their spells the magicians tried to produce mosquitoes in the same way but failed, and there were mosquitoes on man and beast.

15 So the magicians said to Pharaoh, ’This is the finger of God.’ But Pharaoh was obstinate and, as Yahweh had foretold, refused to listen to them.

16 Yahweh then said to Moses, ’Get up early in the morning and confront Pharaoh as he makes his way to the water. Say to him, ”Yahweh says this: Let my people go and worship me.

17 But if you will not let my people go, I shall send horseflies on you, on your officials, your subjects and your houses. The Egyptians’ houses will swarm with horseflies, and so will the very ground they stand on.

18 But I shall exempt the region of Goshen, where my people are living, that day; there will be no horseflies there, so that you will know that I am Yahweh, here in this country.

19 I shall make a distinction between my people and your people. This sign will take place tomorrow.” ’

20 Yahweh did this, and great swarms of horseflies found their way into Pharaoh’s palace, into his officials’ houses and all over Egypt; the country was ruined by the horseflies.

21 Pharaoh then summoned Moses and Aaron and said, ’Go and sacrifice to your God, inside the country.’

22 ’That would never do,’ Moses said, ’since what we sacrifice to Yahweh our God is outrageous to the Egyptians. If the Egyptians see us offering sacrifices which outrage them, won’t they stone us?

23 We shall make a three-days’ journey into the desert to sacrifice to Yahweh our God, as he has ordered us.’

24 Pharaoh said, ’I will let you go and sacrifice to Yahweh your God in the desert, provided you do not go very far. Pray for me.’

25 ’The moment I leave you,’ Moses said, ’I shall pray to Yahweh. Tomorrow morning the horseflies will leave Pharaoh, his officials and his subjects. But Pharaoh must stop trifling with us by not allowing the people to go and sacrifice to Yahweh.’

26 Moses then left Pharaoh’s presence and prayed to Yahweh,

27 and Yahweh did as Moses asked; the horseflies left Pharaoh, his officials and his subjects; not one remained.

28 But Pharaoh became obstinate this time too and did not let the people go.

Chapter 9
1 Yahweh then said to Moses, ’Go to Pharaoh and say to him, ”Yahweh, God of the Hebrews, says this: Let my people go and worship me.

2 If you refuse to let them go and detain them any longer,

3 look, the hand of Yahweh will strike your livestock in the fields, horses, donkeys, camels, oxen and flocks with a deadly plague.

4 Yahweh will discriminate between the livestock of Israel and the livestock of Egypt: nothing of what belongs to the Israelites will die.

5 Yahweh has fixed the time. Tomorrow, he has said, Yahweh will do this in the country.” ’

6 Next day Yahweh did this: all the Egyptians’ livestock died, but nothing of the livestock owned by the Israelites died.

7 Pharaoh had enquiries made, and found that of the livestock owned by the Israelites not a single beast had died. But Pharaoh was obstinate and did not let the people go.

8 Yahweh then said to Moses and Aaron, ’Take handfuls of soot from the kiln, and before Pharaoh’s eyes let Moses throw it in the air.

9 It will turn into fine dust over the whole of Egypt and produce boils breaking into sores on man and beast throughout the whole of Egypt.’

10 So they took soot from the kiln and stood in front of Pharaoh, and Moses threw it in the air, and on man and beast it brought out boils breaking into sores.

11 And the magicians could not compete with Moses in the matter of the boils, for the magicians were covered with boils like all the other Egyptians.

12 But Yahweh made Pharaoh stubborn and, as Yahweh had foretold to Moses, he did not listen to them.

13 Yahweh then said to Moses, ’Get up early in the morning and confront Pharaoh. Say to him, ”Yahweh, God of the Hebrews, says this: Let my people go and worship me.

14 For this time I am going to inflict all my plagues on you, on your officials and on your subjects, so that you will know that there is no one like me in the whole world.

15 Had I stretched out my hand to strike you and your subjects with pestilence, you would have been swept from the earth.

16 But I have let you survive for this reason: to display my power to you and to have my name talked of throughout the world.

17 Since you take a high hand with my people, refusing to let them go,

18 very well, at about this time tomorrow, I shall cause so severe a hail to fall as was never known in Egypt from the day of its foundation until now.

19 So now send word to have your livestock and everything else you own in the fields put under cover. On man or beast, all that happen to be in the fields and are not brought indoors, the hail will fall and they will die.” ’

20 Those of Pharaoh’s officials who respected what Yahweh said, brought their slaves and livestock indoors,

21 but those who did not take to heart what Yahweh said left their slaves and livestock in the fields.

22 Yahweh then said to Moses, ’Stretch out your hand towards heaven so that it hails throughout the whole of Egypt, on man and beast and on everything growing anywhere in Egypt.’

23 Moses stretched out his staff towards heaven, and Yahweh thundered and rained down hail. Lightning struck the earth and Yahweh rained down hail on Egypt.

24 And so there was hail, and lightning accompanied the hail, very severe, such as had never been known anywhere in Egypt since it first became a nation.

25 All over Egypt the hail struck down everything in the fields, man and beast, and the hail beat down everything growing in the fields and shattered all the trees in the fields.

26 The only place where there was no hail was in the Goshen region, where the Israelites lived.

27 Pharaoh then sent for Moses and Aaron and said, ’This time, I have sinned. Yahweh is in the right; I and my subjects are in the wrong.

28 Pray to Yahweh, for we cannot bear any more of this thunder and hail. I promise to let you go. You need stay no longer.’

29 Moses said to him, ’The moment I leave the city I shall stretch out my hands to Yahweh. The thunder will stop, and there will be no more hail, so that you may know that the earth belongs to Yahweh.

30 But as for you and your officials, I know very well that you still have no respect for Yahweh God.’

31 The flax and the barley were ruined, since the barley was in the ear and the flax in bud,

32 but the wheat and spelt were not destroyed, being late crops.

33 Moses left Pharaoh and went out of the city. He stretched out his hands to Yahweh and the thunder and hail ceased and the rain stopped pouring down on the earth.

34 When Pharaoh saw that rain and hail and thunder had stopped, he relapsed into sin,

35 and he and his officials became obstinate again. Pharaoh was stubborn and, as Yahweh had foretold through Moses, refused to let the Israelites go.

Chapter 10
1 Yahweh then said to Moses, ’Go to Pharaoh, for I have made him and his officials stubborn, to display these signs of mine among them;

2 so that you can tell your sons and your grandsons how I made fools of the Egyptians and what signs I performed among them, so that you would know that I am Yahweh.’

3 Moses and Aaron then went to Pharaoh and said to him, ’Yahweh, God of the Hebrews, says this, ”How much longer will you refuse to submit to me? Let my people go and worship me.

4 Or, if you refuse to let my people go, tomorrow I shall send locusts into your country.

5 They will cover the surface of the soil so that the soil cannot be seen. They will devour the remainder of what has escaped, of what you have been left after the hail; they will devour all your trees growing in the fields;

6 they will fill your houses, all your officials’ houses and all the Egyptians’ houses — something your ancestors and your ancestors’ ancestors have never seen from the day they first appeared on earth until now.” ’ Then he turned on his heel and left Pharaoh’s presence.

7 At which, Pharaoh’s officials said to him, ’How much longer are we to be tricked by this fellow? Let the people go and worship Yahweh their God. Do you not finally realise that Egypt is on the brink of ruin?’

8 So Moses and Aaron were brought back to Pharaoh who said to them, ’Go and worship Yahweh your God. But who are to go?’

9 Moses replied, ’We shall take our young men and our old men, we shall take our sons and daughters, our flocks and our herds, since we are going to hold a feast in Yahweh’s honour.’

10 Pharaoh said, ’So I must let you go with your wives and children! May Yahweh preserve you! Plainly, you are up to no good!

11 Oh no! You men may go and worship Yahweh, since that was your original request.’ With that, they were driven from Pharaoh’s presence.

12 Yahweh then said to Moses, ’Stretch out your hand over Egypt for the locusts. Let them invade Egypt and devour whatever is growing in the country, whatever the hail has left!’

13 Moses stretched his staff over Egypt, and over the country Yahweh sent an east wind which blew all that day and night. By morning, the east wind had brought the locusts.

14 The locusts invaded the whole of Egypt and settled all over Egypt, in great swarms; never had there been so many locusts before, nor would there be again.

15 They covered the surface of the ground till the land was devastated. They devoured whatever was growing in the fields and all the fruit on the trees that the hail had left. No green was left on tree or plant in the fields anywhere in Egypt.

16 Pharaoh sent urgently for Moses and Aaron and said, ’I have sinned against Yahweh your God and against you.

17 Now forgive my sin, I implore you, just this once, and entreat Yahweh your God to turn this deadly thing away from me.’

18 When Moses left Pharaoh’s presence he prayed to Yahweh,

19 and Yahweh changed the wind into a west wind, very strong, which carried the locusts away and swept them into the Sea of Reeds. There was not one locust left in the whole of Egypt.

20 But Yahweh made Pharaoh stubborn, and he did not let the Israelites go.

21 Yahweh then said to Moses, ’Stretch out your hand towards heaven, and let darkness, darkness so thick that it can be felt, cover Egypt.’

22 So Moses stretched out his hand towards heaven, and for three days there was thick darkness over the whole of Egypt.

23 No one could see anyone else or move about for three days, but all the Israelites did have light where they were living.

24 Pharaoh summoned Moses and said, ’Go and worship Yahweh, but your flocks and herds are to stay here. Your wives and children can go with you too.’

25 Moses said, ’But now you must give us sacrifices and burnt offerings to offer to Yahweh our God.

26 And our livestock will go with us too; not a hoof will be left behind; for we may need animals from these to worship Yahweh our God; for until we get there we ourselves cannot tell how we are to worship Yahweh.’

27 But Yahweh made Pharaoh stubborn, and he refused to let them go.

28 Pharaoh said to Moses, ’Out of my sight! Be sure you never see my face again, for the next time you see my face you die!’

29 Moses then said, ’You yourself have said it. I shall never see your face again.’

Chapter 11
1 Yahweh then said to Moses, ’I shall inflict one more plague on Pharaoh and Egypt, after which he will let you go away. When he lets you go, he will actually drive you out!

2 Now instruct the people that every man is to ask his neighbour, and every woman hers, for silver and golden jewellery.’

3 And Yahweh made the Egyptians impressed with the people, while Moses himself was a man of great importance in Egypt in the opinion of Pharaoh’s officials and the people.

4 Moses then said, ’Yahweh says this, ”At midnight I shall pass through Egypt,

5 and all the first-born in Egypt will die, from the first-born of Pharaoh, heir to his throne, to the first-born of the slave-girl at the mill, and all the first-born of the livestock.

6 And throughout Egypt there will be great wailing, such as never was before, nor will be again.

7 But against the Israelites, whether man or beast, never a dog shall bark, so that you may know that Yahweh discriminates between Egypt and Israel.

8 Then all these officials of yours will come down to me and, bowing low before me, say: Go away, you and all the people who follow you! After which, I shall go.” ’ And, hot with anger, he left Pharaoh’s presence.

9 Yahweh then said to Moses, ’Pharaoh will not listen to you, so that more of my wonders may be displayed in Egypt.’

10 Moses and Aaron worked all these wonders in Pharaoh’s presence, but Yahweh made Pharaoh stubborn, and he did not let the Israelites leave his country.

Chapter 12
1 Yahweh said to Moses and Aaron in Egypt,

2 ’This month must be the first of all the months for you, the first month of your year.

3 Speak to the whole community of Israel and say, ”On the tenth day of this month each man must take an animal from the flock for his family: one animal for each household.

4 If the household is too small for the animal, he must join with his neighbour nearest to his house, depending on the number of persons. When you choose the animal, you will take into account what each can eat.

5 It must be an animal without blemish, a male one year old; you may choose it either from the sheep or from the goats.

6 You must keep it till the fourteenth day of the month when the whole assembly of the community of Israel will slaughter it at twilight.

7 Some of the blood must then be taken and put on both door-posts and the lintel of the houses where it is eaten.

8 That night, the flesh must be eaten, roasted over the fire; it must be eaten with unleavened bread and bitter herbs.

9 Do not eat any of it raw or boiled in water, but roasted over the fire, with the head, feet and entrails.

10 You must not leave any of it over till the morning: whatever is left till morning you must burn.

11 This is how you must eat it: with a belt round your waist, your sandals on your feet and your staff in your hand. You must eat it hurriedly: it is a Passover in Yahweh’s honour.

12 That night, I shall go through Egypt and strike down all the first-born in Egypt, man and beast alike, and shall execute justice on all the gods of Egypt, I, Yahweh!

13 The blood will be a sign for you on the houses where you are. When I see the blood I shall pass over you, and you will escape the destructive plague when I strike Egypt.

14 This day must be commemorated by you, and you must keep it as a feast in Yahweh’s honour. You must keep it as a feast-day for all generations; this is a decree for all time.

15 ”For seven days you must eat unleavened bread. On the first day you must clean the leaven out of your houses, for anyone who eats leavened bread from the first to the seventh day must be outlawed from Israel.

16 On the first day you must hold a sacred assembly, and on the seventh day a sacred assembly. On those days no work may be done; you will prepare only what each requires to eat.

17 You must keep the feast of Unleavened Bread because it was on that same day that I brought your armies out of Egypt. You will keep that day, generation after generation; this is a decree for all time.

18 In the first month, from the evening of the fourteenth day until the evening of the twenty-first day, you must eat unleavened bread.

19 For seven days there may be no leaven in your houses, since anyone, either stranger or citizen of the country, who eats leavened bread will be outlawed from the community of Israel.

20 You will eat nothing with leaven in it; wherever you live, you will eat unleavened bread.” ’

21 Moses summoned all the elders of Israel and said to them, ’Go and choose a lamb or kid for your families, and kill the Passover victim.

22 Then take a bunch of hyssop, dip it in the blood that is in the basin, and with the blood from the basin touch the lintel and both door-posts; then let none of you venture out of the house till morning.

23 Then, when Yahweh goes through Egypt to strike it, and sees the blood on the lintel and on both door-posts, he will pass over the door and not allow the Destroyer to enter your homes and strike.

24 You will observe this as a decree binding you and your children for all time,

25 and when you have entered the country which Yahweh will give you, as he has promised, you will observe this ritual.

26 And when your children ask you, ”What does this ritual mean?”

27 you will tell them, ”It is the Passover sacrifice in honour of Yahweh who passed over the houses of the Israelites in Egypt, and struck Egypt but spared our houses.” ’ And the people bowed in worship.

28 The Israelites then went away and did as Yahweh had ordered Moses and Aaron.

29 And at midnight Yahweh struck down all the first-born in Egypt from the first-born of Pharaoh, heir to his throne, to the first-born of the prisoner in the dungeon, and the first-born of all the livestock.

30 Pharaoh and all his officials and all the Egyptians got up in the night, and there was great wailing in Egypt, for there was not a house without its dead.

31 It was still dark when Pharaoh summoned Moses and Aaron and said, ’Up, leave my subjects, you and the Israelites! Go and worship Yahweh as you have asked!

32 And take your flocks and herds as you have asked, and go! And bless me too!’

33 The Egyptians urged the people on and hurried them out of the country because, they said, ’Otherwise we shall all be dead.’

34 So the people carried off their dough still unleavened, their bowls wrapped in their cloaks, on their shoulders.

35 The Israelites did as Moses had told them and asked the Egyptians for silver and golden jewellery, and clothing.

36 Yahweh made the Egyptians so much impressed with the people that they gave them what they asked. So they despoiled the Egyptians.

37 The Israelites left Rameses for Succoth, about six hundred thousand on the march-men, that is, not counting their families.

38 A mixed crowd of people went with them, and flocks and herds, quantities of livestock.

39 And with the dough which they had brought from Egypt they baked unleavened cakes, because the dough had not risen, since they had been driven out of Egypt without time to linger or to prepare food for themselves.

40 The time that the Israelites spent in Egypt was four hundred and thirty years.

41 And on the very day the four hundred and thirty years ended, all Yahweh’s armies left Egypt.

42 The night when Yahweh kept vigil to bring them out of Egypt must be kept as a vigil in honour of Yahweh by all Israelites, for all generations.

43 Yahweh said to Moses and Aaron, ’This is the ritual for the Passover: no alien may eat it,

44 but any slave bought for money may eat it, once you have circumcised him.

45 No stranger and no hired servant may eat it.

46 It must be eaten in one house alone; you will not take any of the meat out of the house; nor may you break any of its bones.

47 ’The whole community of Israel must keep it.

48 Should a stranger residing with you wish to keep the Passover in honour of Yahweh, all the males of his household must be circumcised: he will then be allowed to keep it and will count as a citizen of the country. But no uncircumcised person may eat it.

49 The same law will apply to the citizen and the stranger resident among you.’

50 The Israelites all did as Yahweh had ordered Moses and Aaron,

51 and that same day Yahweh brought the Israelites out of Egypt in their armies.

Chapter 13
1 Yahweh spoke to Moses and said,

2 ’Consecrate all the first-born to me, the first birth from every womb, among the Israelites. Whether man or beast, it is mine.’

3 Moses said to the people, ’Remember this day, on which you came out of Egypt, from the place of slave-labour, for by the strength of his hand Yahweh brought you out of it; no leavened bread may be eaten.

4 On this day, in the month of Abib, you are leaving,

5 and when Yahweh has brought you into the country of the Canaanites, the Hittites, the Amorites, the Hivites and the Jebusites, flowing with milk and honey, which he swore to your ancestors that he would give you, then you must observe this rite in the same month.

6 For seven days you will eat unleavened bread, and on the seventh day there must be a feast in Yahweh’s honour.

7 During these seven days unleavened bread may be eaten; no leavened bread may be seen among you, no leaven among you throughout your territory.

8 And on that day you will explain to your son, ”This is because of what Yahweh did for me when I came out of Egypt.”

9 This will serve as a sign on your hand would serve, or a reminder on your forehead, and in that way the law of Yahweh will be ever on your lips: for with a mighty hand Yahweh brought you out of Egypt.

10 You shall observe this law at its appointed time, year by year.

11 ’When Yahweh has brought you into the Canaanites’ country, as he swore to you and your ancestors that he would, and given it to you,

12 to Yahweh you must make over whatever first issues from the womb, and every first-born cast by animals belonging to you: these males belong to Yahweh.

13 But every first-born donkey you will redeem with a lamb or kid; if you do not redeem it, you must break its neck. All the human first-born, however, among your sons, you will redeem.

14 And when your son asks you in days to come, ”What does this mean?” you will tell him, ”By the strength of his hand Yahweh brought us out of Egypt, out of the place of slave-labour.

15 When Pharaoh stubbornly refused to let us go, Yahweh killed all the first-born in Egypt, of man and beast alike. This is why I sacrifice every male first issuing from the womb to Yahweh and redeem every first-born of my sons.”

16 This will serve as a sign on your hand would serve, or a headband on your forehead, for by the strength of his hand Yahweh brought us out of Egypt.’

17 When Pharaoh had let the people go, God did not let them take the road to the Philistines’ territory, although that was the shortest, ’in case’, God thought, ’the prospect of fighting makes the people change their minds and turn back to Egypt.’

18 Instead, God led the people a roundabout way through the desert of the Sea of Reeds. The Israelites left Egypt fully armed.

19 Moses took with him the bones of Joseph, since Joseph had put the Israelites on solemn oath with the words, ’It is sure that God will visit you,’ he had said, ’and when that day comes you must take my bones away from here with you.’

20 They set out from Succoth and encamped at Etham, on the edge of the desert.

21 Yahweh preceded them, by day in a pillar of cloud to show them the way, and by night in a pillar of fire to give them light, so that they could march by day and by night.

22 The pillar of cloud never left its place ahead of the people during the day, nor the pillar of fire during the night.

Chapter 14
1 Yahweh spoke to Moses and said,

2 ’Tell the Israelites to turn back and pitch camp in front of Pi-Hahiroth, between Migdol and the sea, facing Baal-Zephon. You must pitch your camp opposite this place, beside the sea,

3 and then Pharaoh will think, ”The Israelites are wandering to and fro in the countryside; the desert has closed in on them.”

4 I shall then make Pharaoh stubborn and he will set out in pursuit of them; and I shall win glory for myself at the expense of Pharaoh and his whole army, and then the Egyptians will know that I am Yahweh.’ And the Israelites did this.

5 When Pharaoh king of Egypt was told that the people had fled, he and his officials changed their attitude towards the people. ’What have we done,’ they said, ’allowing Israel to leave our service?’

6 So Pharaoh had his chariot harnessed and set out with his troops,

7 taking six hundred of the best chariots and all the other chariots in Egypt, with officers in each.

8 Yahweh made Pharaoh king of Egypt stubborn, and he gave chase to the Israelites. The Israelites marched confidently away,

9 but the Egyptians, all Pharaoh’s horses, his chariots, his horsemen and his army, gave chase and caught up with them where they lay encamped beside the sea near Pi-Hahiroth, facing Baal-Zephon.

10 As Pharaoh approached, the Israelites looked up — and there were the Egyptians in pursuit of them! The Israelites were terrified and cried out to Yahweh for help.

11 To Moses they said, ’Was it for lack of graves in Egypt, that you had to lead us out to die in the desert? What was the point of bringing us out of Egypt?

12 Did we not tell you as much in Egypt? Leave us alone, we said, we would rather work for the Egyptians! We prefer to work for the Egyptians than to die in the desert!’

13 Moses said to the people, ’Do not be afraid! Stand firm, and you will see what Yahweh will do to rescue you today: the Egyptians you see today you will never see again.

14 Yahweh will do the fighting for you; all you need to do is to keep calm.’

15 Yahweh then said to Moses, ’Why cry out to me? Tell the Israelites to march on.

16 Your part is to raise your staff and stretch out your hand over the sea and divide it, so that the Israelites can walk through the sea on dry ground,

17 while I, for my part, shall make the Egyptians so stubborn that they will follow them, and I shall win glory for myself at the expense of Pharaoh and all his army, chariots and horsemen.

18 And when I have won glory for myself at the expense of Pharaoh and his chariots and horsemen, the Egyptians will know that I am Yahweh.’

19 Then the angel of God, who preceded the army of Israel, changed station and followed behind them. The pillar of cloud moved from their front and took position behind them.

20 It came between the army of the Egyptians and the army of Israel. The cloud was dark, and the night passed without the one drawing any closer to the other the whole night long.

21 Then Moses stretched out his hand over the sea, and Yahweh drove the sea back with a strong easterly wind all night and made the sea into dry land. The waters were divided

22 and the Israelites went on dry ground right through the sea, with walls of water to right and left of them.

23 The Egyptians gave chase, and all Pharaoh’s horses, chariots and horsemen went into the sea after them.

24 In the morning watch, Yahweh looked down on the army of the Egyptians from the pillar of fire and cloud and threw the Egyptian army into confusion.

25 He so clogged their chariot wheels that they drove on only with difficulty, which made the Egyptians say, ’Let us flee from Israel, for Yahweh is fighting on their side against the Egyptians!’

26 Then Yahweh said to Moses, ’Stretch out your hand over the sea and let the waters flow back on the Egyptians and on their chariots and their horsemen.’

27 Moses stretched out his hand over the sea and, as day broke, the sea returned to its bed. The fleeing Egyptians ran straight into it, and Yahweh overthrew the Egyptians in the middle of the sea.

28 The returning waters washed right over the chariots and horsemen of Pharaoh’s entire army, which had followed the Israelites into the sea; not a single one of them was left.

29 The Israelites, however, had marched through the sea on dry ground, with walls of water to right and left of them.

30 That day, Yahweh rescued Israel from the clutches of the Egyptians, and Israel saw the Egyptians lying dead on the sea-shore.

31 When Israel saw the mighty deed that Yahweh had performed against the Egyptians, the people revered Yahweh and put their faith in Yahweh and in Moses, his servant.

Chapter 15
1 It was then that Moses and the Israelites sang this song in Yahweh’s honour: I shall sing to Yahweh, for he has covered himself in glory, horse and rider he has thrown into the sea.

2 Yah is my strength and my song, to him I owe my deliverance. He is my God and I shall praise him, my father’s God and I shall extol him.

3 Yahweh is a warrior; Yahweh is his name.

4 Pharaoh’s chariots and army he has hurled into the sea the pick of his officers have been drowned in the Sea of Reeds.

5 The ocean has closed over them; they have sunk to the bottom like a stone.

6 Your right hand, Yahweh, wins glory by its strength, your right hand, Yahweh, shatters your foes,

7 and by your great majesty you fell your assailants; you unleash your fury, it consumes them like chaff.

8 A blast from your nostrils and the waters piled high; the waves stood firm as a dyke; the bed of the sea became firm ground.

9 The enemy said, ’I shall give chase and overtake, ’I shall share out the spoil and glut myself on them, ’I shall draw my sword, my hand will destroy them.’

10 You blew with your breath, the sea closed over them; they sank like lead in the terrible waters.

11 Yahweh, who is like you, majestic in sanctity, who like you among the holy ones, fearsome of deed, worker of wonders?

12 You stretched your right hand out, the earth swallowed them!

13 In your faithful love you led out the people you had redeemed, in your strength you have guided them to your holy dwelling.

14 Hearing of this, the peoples tremble; pangs seize on the people of Philistia;

15 the chieftains of Edom are dismayed, Moab’s princes — panic has seized them, all the inhabitants of Canaan have melted away.

16 On them fall terror and dread; through the power of your arm they are still as stone while your people are passing, Yahweh, while the people you have purchased are passing.

17 You will bring them in and plant them on the mountain which is your heritage, the place which you, Yahweh, have made your dwelling, the sanctuary, Yahweh, prepared by your own hands.

18 Yahweh will be king for ever and ever.

19 For when Pharaoh’s cavalry, with his chariots and horsemen, had gone into the sea, Yahweh brought the waters of the sea back over them, though the Israelites went on dry ground right through the sea.

20 The prophetess Miriam, Aaron’s sister, took up a tambourine, and all the women followed her with tambourines, dancing,

21 while Miriam took up from them the refrain: Sing to Yahweh, for he has covered himself in glory, horse and rider he has thrown into the sea.

22 Moses led Israel away from the Sea of Reeds, and they entered the desert of Shur. They then travelled through the desert for three days without finding water.

23 When they reached Marah, they could not drink the Marah water because it was bitter; this is why the place was named Marah.

24 The people complained to Moses saying, ’What are we to drink?’

25 Moses appealed to Yahweh for help, and Yahweh showed him a piece of wood. When Moses threw it into the water, the water became sweet. There he laid down a statute and law for them and there he put them to the test. Then he said,

26 ’If you listen carefully to the voice of Yahweh your God and do what he regards as right, if you pay attention to his commandments and keep all his laws, I shall never inflict on you any of the diseases that I inflicted on the Egyptians, for I am Yahweh your Healer.’

27 So they came to Elim where there were twelve springs and seventy palm trees; and there they pitched camp beside the water.

Chapter 16
1 Setting out from Elim, the whole community of Israelites entered the desert of Sin, lying between Elim and Sinai — on the fifteenth day of the second month after they had left Egypt.

2 And the whole community of Israelites began complaining about Moses and Aaron in the desert

3 and said to them, ’Why did we not die at Yahweh’s hand in Egypt, where we used to sit round the flesh pots and could eat to our heart’s content! As it is, you have led us into this desert to starve this entire assembly to death!’

4 Yahweh then said to Moses, ’Look, I shall rain down bread for you from the heavens. Each day the people must go out and collect their ration for the day; I propose to test them in this way to see whether they will follow my law or not.

5 On the sixth day, however, when they prepare what they have brought in, this must be twice as much as they collect on ordinary days.’

6 Moses and Aaron then said to the whole community of Israelites, ’This evening you will know that it was Yahweh who brought you out of Egypt,

7 and tomorrow morning you will see the glory of Yahweh, for Yahweh has heard your complaints about him. What are we, that your complaint should be against us?’

8 Moses then said, ’This evening Yahweh will give you meat to eat, and tomorrow morning bread to your heart’s content, for Yahweh has heard your complaints about him. What do we count for? Your complaints are not against us, but against Yahweh.’

9 Moses then said to Aaron, ’Say to the whole community of Israelites, ”Approach Yahweh’s presence, for he has heard your complaints.” ’

10 As Aaron was speaking to the whole community of Israelites, they turned towards the desert, and there the glory of Yahweh appeared in the cloud.

11 Yahweh then spoke to Moses and said,

12 ’I have heard the Israelites’ complaints. Speak to them as follows, ”At twilight you will eat meat, and in the morning you will have bread to your heart’s content, and then you will know that I am Yahweh your God.” ’

13 That evening, quails flew in and covered the camp, and next morning there was a layer of dew all round the camp.

14 When the layer of dew lifted, there on the surface of the desert was something fine and granular, as fine as hoarfrost on the ground.

15 As soon as the Israelites saw this, they said to one another, ’What is that ?’ not knowing what it was. ’That’, Moses told them, ’is the food which Yahweh has given you to eat.

16 These are Yahweh’s orders: Each of you must collect as much as he needs to eat — a homer per head for each person in his tent.’

17 The Israelites did this. They collected it, some more, some less.

18 When they measured out what they had collected by the homer, no one who had collected more had too much, no one who had collected less had too little. Each had collected as much as he needed to eat.

19 Moses then said, ’No one may keep any of it for tomorrow.’

20 But some of them took no notice of Moses and kept part of it for the following day, and it bred maggots and smelt foul; and Moses was angry with them.

21 Morning by morning they collected it, each man as much as he needed to eat, and once the sun grew hot, it melted away.

22 Now, on the sixth day they collected twice the amount of food: two homer per person, and all the leaders of the community came and told Moses this.

23 Moses replied, ’This is what Yahweh said, ”Tomorrow is a day of complete rest, a Sabbath sacred to Yahweh. Bake what you want to bake, boil what you want to boil; put aside what is left over, to be kept for tomorrow.”

24 So, as Moses ordered, they put it aside for the following day, and its smell was not foul nor were there maggots in it.

25 ’Eat it today,’ Moses said, ’for today is a Sabbath for Yahweh; you will find none in the fields today.

26 For six days you will collect it, but on the seventh day, the Sabbath, there will be none.’

27 On the seventh day some of the people went out to collect it, but they found none.

28 Yahweh then said to Moses, ’How much longer will you refuse to obey my commandments and laws?

29 Look, Yahweh has given you the Sabbath; this is why he gives you two days’ food on the sixth day; each of you must stay in his place; on the seventh day no one may leave his home.’

30 So on the seventh day the people rested.

31 The House of Israel named it ’manna’. It was like coriander seed; it was white and its taste was like that of wafers made with honey.

32 Moses then said, ’These are Yahweh’s orders: Fill a homer with it and preserve it for your descendants, so that they can see the bread on which I fed you in the desert when I brought you out of Egypt.’

33 Moses then said to Aaron, ’Take a jar and in it put a full homer of manna and store it in Yahweh’s presence, to be kept for your descendants.’

34 Accordingly, Aaron stored it in front of the Testimony, to be preserved, as Yahweh had ordered Moses.

35 The Israelites ate manna for forty years, up to the time they reached inhabited country: they ate manna up to the time they reached the frontiers of Canaan.

36 A homer is one-tenth of an ephah.

Chapter 17
1 The whole community of Israelites left the desert of Sin, travelling by stages as Yahweh ordered. They pitched camp at Rephidim where there was no water for the people to drink.

2 The people took issue with Moses for this and said, ’Give us water to drink.’ Moses replied, ’Why take issue with me? Why do you put Yahweh to the test?’

3 But tormented by thirst, the people complained to Moses. ’Why did you bring us out of Egypt,’ they said, ’only to make us, our children and our livestock, die of thirst?’

4 Moses appealed to Yahweh for help. ’How am I to deal with this people?’ he said. ’Any moment now they will stone me!’

5 Yahweh then said to Moses, ’Go on ahead of the people, taking some of the elders of Israel with you; in your hand take the staff with which you struck the River, and go.

6 I shall be waiting for you there on the rock (at Horeb). Strike the rock, and water will come out for the people to drink.’ This was what Moses did, with the elders of Israel looking on.

7 He gave the place the names Massah and Meribah because of the Israelites’ contentiousness and because they put Yahweh to the test by saying, ’Is Yahweh with us, or not?’

8 The Amalekites then came and attacked Israel at Rephidim.

9 Moses said to Joshua, ’Pick some men and tomorrow morning go out and engage Amalek. I, for my part, shall take my stand on the hilltop with the staff of God in my hand.’

10 Joshua did as Moses had told him and went out to engage Amalek, while Moses, Aaron and Hur went up to the top of the hill.

11 As long as Moses kept his arms raised, Israel had the advantage; when he let his arms fall, the advantage went to Amalek.

12 But Moses’ arms grew heavy, so they took a stone and put it under him and on this he sat, with Aaron and Hur supporting his arms on each side. Thus his arms remained unwavering till sunset,

13 and Joshua defeated Amalek, putting their people to the sword.

14 Yahweh then said to Moses, ’Write this down in a book to commemorate it, and repeat it over to Joshua, for I shall blot out all memory of Amalek under heaven.’

15 Moses then built an altar and named it Yahweh-Nissi

16 meaning, ’Lay hold of Yahweh’s banner! Yahweh will be at war with Amalek generation after generation.’

Chapter 18
1 Jethro, priest of Midian, Moses’ father-in-law, had heard all about what God had done for Moses and for Israel his people: how Yahweh had brought Israel out of Egypt.

2 Jethro, Moses’ father-in-law, then took back Zipporah, Moses’ wife, whom Moses had sent home,

3 with her two sons; one of them was called Gershom because, he had said, ’I am an alien in a foreign land,’

4 and the other called Eliezer because ’My father’s God is my help and has delivered me from Pharaoh’s sword.’

5 Then Jethro, Moses’ father-in-law, with Moses’ sons and wife, came to Moses in the desert where he was encamped, at the mountain of God.

6 ’Here is your father-in-law Jethro approaching’, Moses was told, ’with your wife and her two sons.’

7 So Moses went out to greet his father-in-law, bowed low to him and kissed him; and when each had asked how the other was they went into the tent.

8 Moses then told his father-in-law all about what Yahweh had done to Pharaoh and the Egyptians for Israel’s sake, and about all the hardships that they had encountered on the way, and how Yahweh had rescued them.

9 And Jethro was delighted at all Yahweh’s goodness to Israel in having rescued them from the clutches of the Egyptians.

10 ’Blessed be Yahweh’, Jethro exclaimed, ’for having rescued you from the clutches of the Egyptians and the clutches of Pharaoh, for having rescued the people from the grasp of the Egyptians!

11 Now I know that Yahweh is greater than all other gods. . .’

12 Jethro, Moses’ father-in-law, then offered a burnt offering and other sacrifices to God; and Aaron and all the elders of Israel came and ate with Moses’ father-in-law in the presence of God.

13 On the following day, Moses took his seat to administer justice for the people, and the people were standing round him from morning till evening.

14 Seeing all he did for the people, Moses’ father-in-law said to him, ’Why do you do this for the people, why sit here alone with the people standing round you from morning till evening?’

15 Moses replied to his father-in-law, ’Because the people come to me to consult God.

16 When they have a problem they come to me, and I give a ruling between the one and the other and make God’s statutes and laws known to them.’

17 Moses’ father-in-law then said to him, ’What you are doing is not right.

18 You will only tire yourself out, and the people with you too, for the work is too heavy for you. You cannot do it all yourself.

19 Now listen to the advice I am going to give you, and God be with you! Your task is to represent the people to God, to lay their cases before God,

20 and to teach them the statutes and laws, and show them the way they ought to follow and how they ought to behave.

21 At the same time, from the people at large choose capable and God-fearing men, men who are trustworthy and incorruptible, and put them in charge of them as heads of thousands, hundreds, fifties and tens,

22 and make them the people’s permanent judges. They will refer all important matters to you, but all minor matters they will decide themselves, so making things easier for you by sharing the burden with you.

23 If you do this — and may God so command you — you will be able to stand the strain, and all these people will go home satisfied.’

24 Moses took his father-in-law’s advice and did just as he said.

25 Moses chose capable men from all Israel and put them in charge of the people as heads of thousands, hundreds, fifties and tens.

26 These acted as the people’s permanent judges. They referred hard cases to Moses but decided minor matters themselves.

27 Moses then set his father-in-law on his way, and he travelled back to his own country.

Chapter 19
1 Three months to the day after leaving Egypt, the Israelites reached the desert of Sinai.

2 Setting out from Rephidim, they reached the desert of Sinai and pitched camp in the desert; there, facing the mountain, Israel pitched camp.

3 Moses then went up to God, and Yahweh called to him from the mountain, saying, ’Say this to the House of Jacob! Tell the Israelites,

4 ”You have seen for yourselves what I did to the Egyptians and how I carried you away on eagle’s wings and brought you to me.

5 So now, if you are really prepared to obey me and keep my covenant, you, out of all peoples, shall be my personal possession, for the whole world is mine.

6 For me you shall be a kingdom of priests, a holy nation.” Those are the words you are to say to the Israelites.’

7 So Moses went and summoned the people’s elders and acquainted them with everything that Yahweh had bidden him,

8 and the people all replied with one accord, ’Whatever Yahweh has said, we will do.’ Moses then reported to Yahweh what the people had said.

9 Yahweh then said to Moses, ’Look, I shall come to you in a dense cloud so that the people will hear when I speak to you and believe you ever after.’ Moses then told Yahweh what the people had said.

10 Yahweh then said to Moses, ’Go to the people and tell them to sanctify themselves today and tomorrow. They must wash their clothes

11 and be ready for the day after tomorrow; for the day after tomorrow, in the sight of all the people, Yahweh will descend on Mount Sinai.

12 You will mark out the limits of the mountain and say, ”Take care not to go up the mountain or to touch the edge of it. Anyone who touches the mountain will be put to death.

13 No one may lay a hand on him: he must be stoned or shot by arrow; whether man or beast, he shall not live.” When the ram’s horn sounds a long blast, they must go up the mountain.’

14 So Moses came down from the mountain to the people; he made the people sanctify themselves and they washed their clothes.

15 He then said to the people, ’Be ready for the day after tomorrow; do not touch a woman.’

16 Now at daybreak two days later, there were peals of thunder and flashes of lightning, dense cloud on the mountain and a very loud trumpet blast; and, in the camp, all the people trembled.

17 Then Moses led the people out of the camp to meet God; and they took their stand at the bottom of the mountain.

18 Mount Sinai was entirely wrapped in smoke, because Yahweh had descended on it in the form of fire. The smoke rose like smoke from a furnace and the whole mountain shook violently.

19 Louder and louder grew the trumpeting. Moses spoke, and God answered him in the thunder.

20 Yahweh descended on Mount Sinai, on the top of the mountain, and Yahweh called Moses to the top of the mountain; and Moses went up.

21 Yahweh then said to Moses, ’Go down and warn the people not to break through to look at Yahweh, or many of them will perish.

22 Even the priests, who do have access to Yahweh, must sanctify themselves, or Yahweh may burst out against them.’

23 Moses said to Yahweh, ’The people cannot come up Mount Sinai, since you yourself warned us to mark out the limits of the mountain and declare it sacred.’

24 Yahweh said, ’Away with you! Go down! Then come back bringing Aaron with you. But do not allow the priests and people to break through to come up to Yahweh, or he may burst out against them.’

25 So Moses went down to the people and spoke to them.

Chapter 20
1 Then God spoke all these words. He said,

2 ’I am Yahweh your God who brought you out of Egypt, where you lived as slaves.

3 ’You shall have no other gods to rival me.

4 ’You shall not make yourself a carved image or any likeness of anything in heaven above or on earth beneath or in the waters under the earth.

5 ’You shall not bow down to them or serve them. For I, Yahweh your God, am a jealous God and I punish a parent’s fault in the children, the grandchildren, and the great-grandchildren among those who hate me;

6 but I act with faithful love towards thousands of those who love me and keep my commandments.

7 ’You shall not misuse the name of Yahweh your God, for Yahweh will not leave unpunished anyone who misuses his name.

8 ’Remember the Sabbath day and keep it holy.

9 For six days you shall labour and do all your work,

10 but the seventh day is a Sabbath for Yahweh your God. You shall do no work that day, neither you nor your son nor your daughter nor your servants, men or women, nor your animals nor the alien living with you.

11 For in six days Yahweh made the heavens, earth and sea and all that these contain, but on the seventh day he rested; that is why Yahweh has blessed the Sabbath day and made it sacred.

12 ’Honour your father and your mother so that you may live long in the land that Yahweh your God is giving you.

13 ’You shall not kill.

14 ’You shall not commit adultery.

15 ’You shall not steal.

16 ’You shall not give false evidence against your neighbour.

17 ’You shall not set your heart on your neighbour’s house. You shall not set your heart on your neighbour’s spouse, or servant, man or woman, or ox, or donkey, or any of your neighbour’s possessions.’

18 Seeing the thunder pealing, the lightning flashing, the trumpet blasting and the mountain smoking, the people were all terrified and kept their distance.

19 ’Speak to us yourself,’ they said to Moses, ’and we will obey; but do not let God speak to us, or we shall die.’

20 Moses said to the people, ’Do not be afraid; God has come to test you, so that your fear of him, being always in your mind, may keep you from sinning.’

21 So the people kept their distance while Moses approached the dark cloud where God was.

22 Yahweh said to Moses, ’Tell the Israelites this, ”You have seen for yourselves how I have spoken to you from heaven.

23 You must not make gods of silver to rival me, nor must you make yourselves gods of gold.

24 ”You must make me an altar of earth on which to sacrifice your burnt offerings and communion sacrifices, your sheep and cattle. Wherever I choose to have my name remembered, I shall come to you and bless you.

25 If you make me an altar of stone, do not build it of dressed stones; for if you use a chisel on it, you will profane it.

26 You must not go up to my altar by steps, in case you expose your nakedness on them.” ’

Chapter 21
1 ’These are the laws you must give them:

2 ’When you buy a Hebrew slave, his service will last for six years. In the seventh year he will leave a free man without paying compensation.

3 If he came single, he will depart single; if he came married, his wife will depart with him.

4 If his master gives him a wife and she bears him sons or daughters, the wife and her children will belong to her master, and he will depart alone.

5 But if the slave says, ”I love my master and my wife and children; I do not wish to be freed,”

6 then his master will bring him before God and then, leading him to the door or the doorpost, his master will pierce his ear with an awl, and the slave will be permanently his.

7 If a man sells his daughter as a slave, she will not leave as male slaves do.

8 If she does not please her master who intended her for himself, he must let her be bought back: he has not the right to sell her to foreigners, for this would be a breach of faith with her.

9 If he intends her for his son, he must treat her as custom requires daughters to be treated.

10 If he takes another wife, he must not reduce the food, clothing or conjugal rights of the first one.

11 Should he deprive her of these three things she will leave a free woman, without paying compensation.

12 ’Anyone who by violence causes a death must be put to death.

13 If, however, he has not planned to do it but it comes from God by his hand, he can take refuge in a place which I shall appoint for you.

14 But should any person dare to kill another with deliberate planning, you will take that person even from my altar to be put to death.

15 ’Anyone who strikes father or mother will be put to death.

16 Anyone who abducts a person — whether that person has since been sold or is still held — will be put to death.

17 Anyone who curses father or mother will be put to death.

18 ’If people quarrel and one strikes the other a blow with stone or fist so that the injured party, though not dead, is confined to bed,

19 but later recovers and can go about, even with a stick, the one who struck the blow will have no liability, other than to compensate the injured party for the enforced inactivity and to take care of the injured party until the cure is complete.

20 ’If someone beats his slave, male or female, and the slave dies at his hands, he must pay the penalty.

21 But should the slave survive for one or two days, he will pay no penalty because the slave is his by right of purchase.

22 ’If people, when brawling, hurt a pregnant woman and she suffers a miscarriage but no further harm is done, the person responsible will pay compensation as fixed by the woman’s master, paying as much as the judges decide.

23 If further harm is done, however, you will award life for life,

24 eye for eye, tooth for tooth, hand for hand, foot for foot,

25 burn for burn, wound for wound, stroke for stroke.

26 ’If anyone strikes the eye of his slave, male or female, and destroys the use of it, he will give the slave his freedom to compensate for the eye.

27 If he knocks out the tooth of his slave, male or female, he will give the slave his freedom to compensate for the tooth.

28 ’If an ox gores a man or woman to death, the ox will be stoned and its meat will not be eaten, but the owner of the ox will not be liable.

29 But if the ox has been in the habit of goring before, and if its owner has been warned but has not kept it under control, then should this ox kill a man or woman, it will be stoned and its owner put to death.

30 If a ransom is imposed on the owner, he will pay whatever is imposed, to redeem his life.

31 If the ox gores a boy or a girl, it will be treated in accordance with this same rule.

32 If the ox gores a slave, male or female, its owner will pay the price — thirty shekels — to their master, and the ox will be stoned.

33 ’If anyone leaves a pit uncovered, or digs a pit and does not cover it, and an ox, or donkey falls into it,

34 then the owner of the pit will make good the loss by compensating its owner, and the dead animal will be his.

35 If anyone’s ox injures anyone else’s ox causing its death, the owners will sell and share the money for it; they will also share the dead animal.

36 But if it is common knowledge that the ox has been in the habit of goring before, and its owner has not kept it under control, the owner will repay ox for ox, and will keep the dead animal.

37 ’If anyone steals an ox or a sheep and slaughters or sells it, he will pay back five beasts from the herd for the ox, and four animals from the flock for the sheep.’

Chapter 22
1 ’If a thief is caught breaking in and is struck a mortal blow, his blood may not be avenged,

2 but if it happens after sunrise, his blood may be avenged. He will make full restitution; if he has not the means, he will be sold to pay for what he has stolen.

3 If the stolen animal is found alive in his possession, be it ox, donkey or animal from the flock, he will pay back double.

4 ’If anyone puts his animals out to graze in a field or vineyard and lets them graze in someone else’s field, he will make restitution for the part of the field that has been grazed on the basis of its yield. But if he has let the whole field be grazed, he will make restitution in proportion to the best crop of the field or vineyard.

5 ’If a fire breaks out, setting light to thorn bushes and burning stacks, standing corn or the field as a result, the person who started the fire will make full restitution.

6 ’If anyone entrusts money or goods to someone else’s keeping and these are stolen from that person’s house, the thief, if he can be discovered, will repay double.

7 Should the thief not be discovered, the owner of the house will come into the presence of God, to declare that he has not laid hands on the other person’s property.

8 ’In every case of law-breaking involving an ox, donkey, animal from the flock, clothing or lost property of any sort, the ownership of which is disputed, both parties will lay their case before God. The party whom God pronounces guilty will pay back double to the other.

9 ’If anyone entrusts a donkey, ox, animal from the flock or any other animal to someone else’s keeping, and it dies or breaks a limb or is carried off without anyone seeing,

10 an oath by Yahweh will decide between the two parties whether the keeper has laid hands on the other’s property or not. The owner will take what remains, the keeper will not have to make good the loss.

11 Only if the animal has been stolen from him, will he make restitution to the owner.

12 If it has been savaged by a wild animal, he must bring the savaged remains of the animal as evidence, and will then not have to make restitution.

13 ’If anyone borrows an animal from someone else, and it breaks a limb or dies in the owner’s absence, he will make full restitution.

14 But if the animal’s owner has been present, he will not have to make good the loss. If the owner has hired it out, he will get the cost of its hire.

15 ’If a man seduces a virgin who is not engaged to be married, he will pay her bride-price and make her his wife.

16 If her father absolutely refuses to let him have her, he will pay a sum equivalent to the bride-price of a virgin.

17 ’You will not allow a sorceress to live.

18 ’Anyone who has intercourse with an animal will be put to death.

19 ’Anyone who sacrifices to other gods will be put under the curse of destruction.

20 ’You will not molest or oppress aliens, for you yourselves were once aliens in Egypt.

21 You will not ill-treat widows or orphans;

22 if you ill-treat them in any way and they make an appeal to me for help, I shall certainly hear their appeal,

23 my anger will be roused and I shall put you to the sword; then your own wives will be widows and your own children orphans.

24 ’If you lend money to any of my people, to anyone poor among you, you will not play the usurer with him: you will not demand interest from him.

25 ’If you take someone’s cloak in pledge, you will return it to him at sunset.

26 It is all the covering he has; it is the cloak he wraps his body in; what else will he sleep in? If he appeals to me, I shall listen. At least with me he will find compassion!

27 ’You will not revile God, nor curse your people’s leader.

28 ’Do not be slow about making offerings from your abundance and your surplus. You will give me the first-born of your children;

29 you will do the same with your flocks and herds. For the first seven days the first-born will stay with its mother; on the eighth day you will give it to me.

30 ’You must be people consecrated to me. You will not eat the meat of anything in the countryside savaged by wild animals; you will throw it to the dogs.’

Chapter 23
1 ’You will not spread false rumours. You will not lend support to the wicked by giving untrue evidence.

2 You will not be led into wrong-doing by the majority nor, when giving evidence in a lawsuit, side with the majority to pervert the course of justice;

3 nor will you show partiality to the poor in a lawsuit.

4 ’If you come on your enemy’s ox or donkey straying, you will take it back to him.

5 If you see the donkey of someone who hates you fallen under its load, do not stand back; you must go and help him with it.

6 ’You will not cheat the poor among you of their rights at law.

7 Keep clear of fraud. Do not cause the death of the innocent or upright, and do not acquit the guilty.

8 You will accept no bribes, for a bribe blinds the clear-sighted and is the ruin of the cause of the upright.

9 ’You will not oppress the alien; you know how an alien feels, for you yourselves were once aliens in Egypt.

10 ’For six years you will sow your land and gather its produce,

11 but in the seventh year you will let it lie fallow and forgo all produce from it, so that those of your people who are poor can take food from it and the wild animals eat what they have left. You will do the same with your vineyard and your olive grove.

12 ’For six days you will do your work, and on the seventh you will rest, so that your ox and your donkey may rest and the child of your slave-girl have a breathing space, and the alien too.

13 ’Take notice of everything I have told you and do not mention the name of any other god: let none ever be heard from your lips.

14 ’Three times a year you will hold a festival in my honour.

15 You will observe the feast of Unleavened Bread. For seven days you will eat unleavened bread, as I have commanded you, at the appointed time in the month of Abib, for in that month you came out of Egypt. No one will appear before me empty-handed.

16 You will also observe the feast of Harvest, of the first-fruits of your labours in sowing the fields, and the feast of Ingathering, at the end of the year, once you have brought the fruits of your labours in from the fields.

17 Three times a year all your menfolk will appear before Lord Yahweh.

18 ’You will not offer the blood of my victim with leavened bread, nor will the fat of my feast be kept till the following day.

19 ’You will bring the best of the first-fruits of your soil to the house of Yahweh your God. ’You will not boil a kid in its mother’s milk.

20 ’Look, I am sending an angel to precede you, to guard you as you go and bring you to the place that I have prepared.

21 Revere him and obey what he says. Do not defy him: he will not forgive any wrong-doing on your part, for my name is in him.

22 If, however, you obey what he says and do whatever I order, I shall be an enemy to your enemies and a foe to your foes.

23 My angel will precede you and lead you to the home of the Amorites, the Hittites, the Perizzites, the Canaanites, the Hivites and the Jebusites, whom I shall exterminate.

24 You will not bow down to their gods or worship them or observe their rites, but throw them down and smash their cultic stones.

25 You will worship Yahweh your God, and then I shall bless your food and water, and keep you free of sickness.

26 In your country no woman will miscarry, none be sterile, and I shall give you your full term of life.

27 ’I shall send terror of myself ahead of you; I shall throw all the peoples you encounter into confusion, and make all your enemies take to their heels.

28 I shall send hornets ahead of you to drive Hivite, Canaanite and Hittite out before you.

29 I shall not drive them out ahead of you in a single year, or the land might become a desert where wild animals would multiply to your cost.

30 I shall drive them out little by little before you, until your numbers grow sufficient for you to take possession of the land.

31 And your frontiers I shall fix from the Sea of Reeds to the Sea of the Philistines, and from the desert to the River, for I shall put the inhabitants of the territory at your mercy, and you will drive them out before you.

32 You will make no pact with them or with their gods.

33 They may not stay in your country or they might make you sin against me, for you would serve their gods, and that would be a snare for you!’

Chapter 24
1 He then said to Moses, ’Come up to Yahweh, you and Aaron, Nadab and Abihu, and seventy of the elders of Israel and bow down at a distance.

2 Moses alone will approach Yahweh; the others will not approach, nor will the people come up with him.’

3 Moses went and told the people all Yahweh’s words and all the laws, and all the people answered with one voice, ’All the words Yahweh has spoken we will carry out!’

4 Moses put all Yahweh’s words into writing, and early next morning he built an altar at the foot of the mountain, with twelve standing-stones for the twelve tribes of Israel.

5 Then he sent certain young Israelites to offer burnt offerings and sacrifice bullocks to Yahweh as communion sacrifices.

6 Moses then took half the blood and put it into basins, and the other half he sprinkled on the altar.

7 Then, taking the Book of the Covenant, he read it to the listening people, who then said, ’We shall do everything that Yahweh has said; we shall obey.’

8 Moses then took the blood and sprinkled it over the people, saying, ’This is the blood of the covenant which Yahweh has made with you, entailing all these stipulations.’

9 Moses, Aaron, Nadab, Abihu and seventy elders of Israel then went up,

10 and they saw the God of Israel beneath whose feet there was what looked like a sapphire pavement pure as the heavens themselves,

11 but he did no harm to the Israelite notables; they actually gazed on God and then ate and drank.

12 Yahweh said to Moses, ’Come up to me on the mountain. Stay there, and I will give you the stone tablets — the law and the commandment — which I have written for their instruction.’

13 Moses made ready, with Joshua his assistant, and they went up the mountain of God.

14 He said to the elders, ’Wait here for us until we come back to you. You have Aaron and Hur with you; if anyone has any matter to settle, let him go to them.’

15 Moses then went up the mountain. Cloud covered the mountain.

16 The glory of Yahweh rested on Mount Sinai and the cloud covered it for six days. On the seventh day Yahweh called to Moses from inside the cloud.

17 To the watching Israelites, the glory of Yahweh looked like a devouring fire on the mountain top.

18 Moses went right into the cloud and went on up the mountain. Moses stayed on the mountain for forty days and forty nights.

Chapter 25
1 Yahweh spoke to Moses and said,

2 ’Tell the Israelites to set aside a contribution for me; you will accept a contribution from everyone whose heart prompts him to give it.

3 And this is what you will accept from them: gold, silver and bronze;

4 materials dyed violet-purple, red-purple and crimson, fine linen, goats’ hair;

5 rams’ skins dyed red, fine leather, acacia wood;

6 oil for the light, spices for the anointing oil and fragrant incense;

7 cornelian and other stones to be set in the ephod and breastplate.

8 Make me a sanctuary so that I can reside among them.

9 You will make it all according to the design for the Dwelling and the design for its furnishings which I shall now show you.

10 ’You must make me an ark of acacia wood, two and a half cubits long, one and a half cubits wide and one and a half cubits high.

11 You will overlay it, inside and out, with pure gold and make a gold moulding all round it.

12 You will cast four gold rings for it and fix them to its four supports: two rings on one side and two rings on the other.

13 You will also make shafts of acacia wood and overlay them with gold

14 and pass the shafts through the rings on the sides of the ark, by which to carry it.

15 The shafts will stay in the rings of the ark and not be withdrawn.

16 Inside the ark you will put the Testimony which I am about to give you.

17 ’You will also make a mercy-seat of pure gold, two and a half cubits long and one and a half cubits wide,

18 and you will model two great winged creatures of beaten gold, you will make them at the two ends of the mercy-seat.

19 Model one of the winged creatures at one end and the other winged creature at the other end; you will model the winged creatures of a piece with the mercy-seat at either end.

20 The winged creatures must have their wings spread upwards, protecting the mercy-seat with their wings and facing each other, their faces being towards the mercy-seat.

21 You will put the mercy-seat on the top of the ark, and inside the ark you will put the Testimony which I am about to give you.

22 There I shall come to meet you; from above the mercy-seat, from between the two winged creatures which are on the ark of the Testimony, I shall give you all my orders for the Israelites.

23 ’You must also make a table of acacia wood, two cubits long, one cubit wide and one and a half cubits high.

24 You will overlay it with pure gold, and make a gold moulding all round it.

25 You will fit it with struts of a hand’s breadth and make a gold moulding round the struts.

26 You will make four gold rings for it and fix the four rings at the four corners where the four legs are.

27 The rings must lie close to the struts to hold the shafts for carrying the table.

28 You must make the shafts of acacia wood and overlay them with gold. The table must be carried by these.

29 You must make dishes, cups, jars and libation bowls for it; you must make these of pure gold,

30 and on the table, in my presence, you will always put the loaves of permanent offering.

31 ’You will also make a lamp-stand of pure gold; the lamp-stand must be of beaten gold, base and stem. Its cups, calyxes and petals, must be of a piece with it.

32 Six branches must spring from its sides: three of the lamp-stand’s branches from one side, three of the lamp-stand’s branches from the other.

33 The first branch must carry three cups shaped like almond blossoms, each with its calyx and petals; the second branch, too, must carry three cups shaped like almond blossoms, each with its calyx and bud, and similarly for all six branches springing from the lampstand.

34 The lamp-stand itself must carry four cups shaped like almond blossoms, each with its calyx and bud:

35 one calyx under the first two branches springing from the lamp-stand, one calyx under the next pair of branches and one calyx under the last pair of branches — thus for all six branches springing from the lamp-stand.

36 The calyxes and the branches will be of a piece with the lamp-stand, and the whole made from a single piece of pure gold, beaten out.

37 You will also make seven lamps for it and mount the lamps in such a way that they light up the space in front of it.

38 The snuffers and trays must be of pure gold.

39 You will use a talent of pure gold for the lamp-stand and all its accessories;

40 and see that you work to the design which was shown you on the mountain.’

Chapter 26
1 ’The Dwelling itself you will make with ten sheets of finely woven linen dyed violet-purple, red-purple and crimson. You will have them embroidered with great winged creatures.

2 The length of a single sheet is to be twenty-eight cubits, its width four cubits, all the sheets to be of the same size.

3 Five of the sheets are to be joined to one another, and the other five sheets are to be joined to one another.

4 You will make violet loops along the edge of the first sheet, at the end of the set, and do the same along the edge of the last sheet in the other set.

5 You will make fifty loops on the first sheet and fifty loops along the outer edge of the sheet of the second set, the loops corresponding to one another.

6 You will also make fifty gold clasps, and join the sheets together with the clasps. In this way the Dwelling will be a unified whole.

7 ’You will make sheets of goats’ hair to form a tent over the Dwelling; you will make eleven of these.

8 The length of a single sheet must be thirty cubits and its width four cubits, the eleven sheets to be all of the same size.

9 You will join five sheets together into one set, and six sheets into another; the sixth you will fold double over the front of the tent.

10 You will make fifty loops along the edge of the first sheet, at the end of the first set, and fifty loops along the edge of the sheet of the second set.

11 You will make fifty bronze clasps and insert the clasps into the loops, to draw the tent together and to make it a unified whole.

12 ’Of the extra part of the sheets that overlap, half is to hang down the back of the Dwelling.

13 The extra cubit on either side along the length of the tent sheets must hang down the sides of the Dwelling on either side to cover it.

14 ’And for the tent you will make a cover of rams’ skins dyed red and a cover of fine leather over that.

15 ’For the Dwelling you will make vertical frames of acacia wood.

16 Each frame must be ten cubits long and one and a half cubits wide.

17 Each frame must have twin tenons; that is how all the frames for the Dwelling must be made.

18 You will make frames for the Dwelling: twenty frames for the south side, to the south,

19 and make forty silver sockets under the twenty frames, two sockets under one frame for its two tenons, two sockets under the next frame for its two tenons;

20 and for the other side of the Dwelling, the north side, twenty frames

21 and forty silver sockets, two sockets under one frame, two sockets under the next frame.

22 For the back of the Dwelling, on the west, you will make six frames,

23 and make two frames for the corners at the back of the Dwelling;

24 these must be coupled together at the bottom, and right up to the top, to the level of the first ring; this for the two frames that must form the two corners.

25 Thus there will be eight frames with their silver sockets: sixteen sockets; two sockets under one frame and two sockets under the next frame.

26 ’You will make crossbars of acacia wood: five for the frames of the first side of the Dwelling,

27 five crossbars for the frames of the opposite side of the Dwelling, and five crossbars for the frames which form the back of the Dwelling, to the west.

28 The middle bar must join the frames from one end to the other, halfway up.

29 You will overlay the frames with gold, make gold rings for them, through which to place the crossbars, and overlay the crossbars with gold.

30 This is how you must erect the Dwelling, following the design shown you on the mountain.

31 ’You will make a curtain of finely woven linen, dyed violet-purple, red-purple and crimson, and embroidered with great winged creatures,

32 and put it on four poles of acacia wood overlaid with gold, with golden hooks for them, set in four sockets of silver.

33 You will put the curtain below the clasps, so that inside behind the curtain, you can place the ark of the Testimony, and the curtain will mark the division for you between the Holy Place and the Holy of Holies.

34 You will put the mercy-seat on the ark of the Testimony in the Holy of Holies.

35 You will place the table outside the curtain, and the lamp-stand on the south side of the Dwelling, opposite the table; you will put the table on the north side.

36 For the entrance to the tent you will make a screen of finely woven linen embroidered with violet-purple, red-purple and crimson,

37 and for the screen you will make five poles of acacia wood and overlay them with gold, with golden hooks, and for them you will cast five sockets of bronze.’

Chapter 27
1 ’You will make the altar of acacia wood, five cubits long and five cubits wide; the altar will be square and three cubits high.

2 At its four corners you will make horns, the horns must be of a piece with it, and you will overlay it with bronze.

3 And for it you will make pans for taking away the fatty ashes, and shovels, sprinkling basins, hooks and fire pans; you will make all the altar accessories of bronze.

4 You will also make a grating for it of bronze network, and on the four corners of the grating you will make four bronze rings.

5 You will put it below the ledge of the altar, underneath, so that it comes halfway up the altar.

6 You will make shafts for the altar, shafts of acacia wood and overlay them with bronze.

7 The shafts will be passed through the rings in such a way that the shafts are on either side of the altar, for carrying it.

8 You will make the altar hollow, out of boards; you will make it as you were shown on the mountain.

9 ’Then you will make the court of the Dwelling. On the south side, the curtaining of the court must be of finely woven linen, one hundred cubits long (for the first side),

10 its twenty poles and their twenty sockets being of bronze, and the poles’ hooks and rods of silver.

11 So too for the north side, there must be a hundred cubits of curtaining, its twenty poles and their twenty sockets being of bronze, and the poles’ hooks and rods of silver.

12 Across the width of the court, on the west side, there must be fifty cubits of curtaining, with its ten poles and their ten sockets.

13 The width of the court on the east side, facing the sunrise, must be fifty cubits,

14 with fifteen cubits of curtaining on one side of the entrance, with its three poles and their three sockets,

15 and on the other side of the entrance, fifteen cubits of curtaining, with its three poles and their three sockets;

16 and for the gateway to the court there must be a twenty-cubit screen of finely woven linen embroidered with violet-purple, red-purple and crimson, with its four poles and their four sockets.

17 All the poles round the court must be connected by silver rods; their hooks must be of silver and their sockets of bronze.

18 The length of the court must be one hundred cubits, its width fifty cubits and its height five cubits. All the curtaining must be made of finely woven linen, and their sockets of bronze.

19 All the accessories for general use in the Dwelling, all its pegs and all the pegs of the court, must be of bronze.

20 ’You will order the Israelites to bring you pure pounded olive oil for the light, and to keep a lamp burning all the time.

21 Aaron and his sons will tend it in the Tent of Meeting, outside the curtain hanging in front of the Testimony, from dusk to dawn, before Yahweh. This is a perpetual decree for all generations of Israelites.’

Chapter 28
1 ’From among the Israelites, summon your brother Aaron and his sons to be priests in my service: Aaron and Aaron’s sons Nadab, Abihu, Eleazar and Ithamar.

2 For your brother Aaron you will make sacred vestments to give dignity and magnificence.

3 You will instruct all the skilled men, whom I have endowed with skill, to make Aaron’s vestments for his consecration to my priesthood.

4 These are the vestments which they must make: a pectoral, an ephod, a robe, an embroidered tunic, a turban and a belt. They must make sacred vestments for your brother Aaron and his sons, for them to be priests in my service.

5 They will use gold and violet material, red-purple and crimson, and finely woven linen.

6 ’They will make the ephod of finely woven linen embroidered with gold, violet-purple, red-purple and crimson.

7 It will have two shoulder-straps joined to it; it will be joined to them by its two edges.

8 The waistband on the ephod to hold it in position must be of the same workmanship and be of a piece with it: of gold, violet-purple, red-purple and crimson materials and finely woven linen.

9 You will then take two cornelians and engrave them with the names of the sons of Israel,

10 six of their names on one stone, the remaining six names on the other, in the order of their birth.

11 By the stone-carver’s art — seal engraving — you will engrave the two stones with the names of the sons of Israel. You will have them mounted in gold settings

12 and will put the two stones on the shoulder-straps of the ephod, to commemorate the sons of Israel. In this way Aaron will bear their names on his two shoulders, before Yahweh, as a reminder.

13 You will also make golden rosettes,

14 and two chains of pure gold twisted like cord, and will attach the cord-like chains to the rosettes.

15 ’You will make the breastplate of judgement of the same embroidered work as the ephod; you will make it of gold, violet-purple, red-purple and crimson materials and finely woven linen.

16 It must be square and doubled over, a span in length and a span in width.

17 In it you will set four rows of stones: a sard, topaz and emerald for the first row;

18 for the second row, a garnet, sapphire and diamond;

19 for the third row, a hyacinth, a ruby and an amethyst;

20 and for the fourth row, a beryl, a cornelian and a jasper. These must be mounted in gold settings.

21 The stones will correspond to the names of the sons of Israel, twelve like their names, engraved like seals, each with the name of one of the twelve tribes.

22 For the breastplate you will make chains of pure gold twisted like cords,

23 and on the breastplate you will make two gold rings, putting the two rings on the two outside edges of the breastplate

24 and fastening the two gold cords to the two rings on the outside edges of the breastplate.

25 The other two ends of the cords you will fasten to the two rosettes, putting these on the shoulder-straps of the ephod, on the front.

26 You will also make two gold rings and put them on the two edges of the breastplate, on the inner side, against the ephod;

27 and you will make two gold rings and put them low down on the front of the two shoulder-pieces of the ephod, close to the join, above the waistband of the ephod.

28 The breastplate will be secured by a violet-purple cord passed through its rings and those of the ephod, so that the breastplate will sit above the waistband and not come apart from the ephod.

29 Thus Aaron will bear the names of the sons of Israel on the breastplate of judgement, on his heart, when he enters the sanctuary, as a reminder, before Yahweh, always.

30 To the breastplate of judgement you will add the urim and the thummim, and these will be on Aaron’s heart when he goes into Yahweh’s presence, and Aaron will bear the Israelites’ judgement on his heart, in Yahweh’s presence, always.

31 ’You will make the robe of the ephod entirely of violet-purple.

32 In the centre it will have an opening for the head, the opening to have round it a border woven like the neck of a coat of mail, so that it will not get torn.

33 On its lower hem, you will make pomegranates of violet-purple, red-purple and crimson, and finely woven linen all round the hem, with golden bells between them all round:

34 a golden bell and then a pomegranate, alternately, all round the lower hem of the robe.

35 Aaron must wear it when he officiates, and the tinkling will be heard when he goes into the sanctuary into Yahweh’s presence, or leaves it, and so he will not incur death.

36 ’You will make a flower of pure gold and on it, as you would engrave a seal, you will engrave, ”Consecrated to Yahweh”.

37 You will put it on a violet-purple cord; it will go on the turban; the front of the turban is the place where it must go.

38 This will go on Aaron’s brow, and Aaron will thus take on himself the short-comings in the holy things consecrated by the Israelites, in all their holy offerings. It will be on his brow permanently, to make them acceptable to Yahweh.

39 The tunic you will weave of fine linen, and make a turban of fine linen, and an embroidered waistband.

40 ’For the sons of Aaron you will make tunics and waistbands. You will also make them head-dresses to give dignity and magnificence.

41 You will dress your brother Aaron and his sons in these; you will then anoint them, invest them and consecrate them to serve me in the priesthood.

42 You will also make them linen breeches reaching from waist to thigh, to cover their bare flesh.

43 Aaron and his sons will wear these when they go into the Tent of Meeting and when they approach the altar to serve in the sanctuary, as a precaution against incurring mortal guilt. This is a perpetual decree for Aaron and for his descendants after him.’

Chapter 29
1 ’This is what you will do to them, to consecrate them to my priesthood. Take one young bull and two rams without blemish;

2 also unleavened bread, unleavened cakes mixed with oil, and unleavened wafers spread with oil, made from fine wheat flour,

3 and put these into a basket and present them in the basket, at the same time as the bull and the two rams.

4 ’You will bring Aaron and his sons to the entrance of the Tent of Meeting and bathe them.

5 You will then take the vestments and dress Aaron in the tunic, the robe of the ephod, the ephod, and the breastplate, and tie the waistband of the ephod round his waist.

6 Then you will place the turban on his head, and on it put the symbol of holy consecration.

7 You will then take the anointing oil and pour it on his head and so anoint him.

8 ’Next, you will bring his sons and dress them in tunics,

9 and fasten waistbands round their waists and put the head-dresses on their heads. By perpetual decree the priesthood will be theirs. Then you will invest Aaron and his sons.

10 ’You will bring the bull in front of the Tent of Meeting, and Aaron and his sons will lay their hands on the bull’s head.

11 You will then slaughter the bull before Yahweh at the entrance to the Tent of Meeting.

12 You will then take some of the bull’s blood and with your finger put it on the horns of the altar. Next, pour out the rest of the blood at the foot of the altar.

13 And then take all the fat covering the entrails, the fatty mass over the liver, the two kidneys with their covering fat, and burn them on the altar.

14 But the young bull’s flesh, its skin and its offal, you will burn outside the camp, for this is a sin offering.

15 ’Next, you will take one of the rams, and Aaron and his sons will lay their hands on the ram’s head.

16 You will then slaughter the ram, take its blood and pour it against the altar, all round.

17 Next, cut the ram into quarters, wash the entrails and legs and put them on the quarters and head.

18 Then burn the whole ram on the altar. This will be a burnt offering for Yahweh, a pleasing smell, a food offering burnt for Yahweh.

19 ’Next, you will take the other ram, and Aaron and his sons will lay their hands on the ram’s head.

20 You will then slaughter the ram, take some of its blood and put it on the lobe of Aaron’s right ear, on the lobes of his sons’ right ears, the thumbs of their right hands, and the big toes of their right feet, and pour the rest of the blood against the altar, all round.

21 You will then take some of the blood on the altar and some of the anointing oil, and sprinkle it on Aaron and his vestments and on his sons and on his sons’ vestments: so that he and his vestments will be consecrated and his sons too, and his sons’ vestments.

22 ’You will then take the fatty parts of the ram: the tail, the fat covering the entrails, the fatty mass over the liver, the two kidneys with their covering fat and also the right thigh — for this is a ram of investiture-

23 and a loaf of bread, a cake of bread made with oil, and a wafer, from the basket of unleavened bread before Yahweh,

24 and put it all on the palms of Aaron and his sons, and make the gesture of offering before Yahweh.

25 Then you will take them back and burn them on the altar, on top of the burnt offering, as a smell pleasing before Yahweh, a food offering burnt for Yahweh.

26 ’You will then take the forequarters of the ram of Aaron’s investiture and with it make the gesture of offering before Yahweh; this will be your portion.

27 You will consecrate the forequarters that have been thus offered, as also the thigh that is set aside — what has been offered and what has been set aside from the ram of investiture of Aaron and his sons.

28 This, by perpetual decree, will be the portion that Aaron and his sons will receive from the Israelites, since it is the portion set aside, the portion set aside for Yahweh by the Israelites from their communion sacrifices: a portion set aside for Yahweh.

29 ’Aaron’s sacred vestments must pass to his sons after him, and they will wear them for their anointing and investiture.

30 Whichever of the sons of Aaron succeeds him in the priesthood and enters the Tent of Meeting to serve in the sanctuary, will wear them for seven days.

31 ’You will take the ram of investiture and cook its meat in a holy place.

32 Aaron and his sons will eat the meat of the ram and the bread which is in the basket, at the entrance to the Tent of Meeting.

33 They will eat what was used in making expiation for them at their investiture and consecration. No unauthorised person may eat these; they are holy things.

34 If any of the meat from the investiture sacrifice, or the bread, should be left till morning, you will burn what is left. It may not be eaten; it is a holy thing.

35 This is what you will do for Aaron and his sons, implementing all the orders I have given you. You will take seven days over their investiture.

36 ’On each of the days you will also offer a young bull as a sacrifice for sin, in expiation. You will offer a sin sacrifice for the altar when you make expiation for it; then you will consecrate it by anointing it.

37 For seven days you will make expiation for the altar, then you will consecrate it; it will then be especially holy, and whatever touches the altar will become holy.

38 ’This is what you must offer on the altar: two yearling male lambs each day in perpetuity.

39 The first lamb you will offer at dawn, and the second at twilight,

40 and with the first lamb, one-tenth of a measure of fine flour mixed with one-quarter of a hin of pounded olive oil and, for a libation, one-quarter of a hin of wine.

41 The second lamb you will offer at twilight, and do it with a similar cereal offering and libation as at dawn, as a pleasing smell, as an offering burnt for Yahweh,

42 a perpetual burnt offering for all your generations to come, at the entrance to the Tent of Meeting before Yahweh, where I shall meet you and speak to you.

43 ’There I shall meet the Israelites in the place consecrated by my glory.

44 I shall consecrate the Tent of Meeting and the altar; I shall also consecrate Aaron and his sons, to be priests in my service.

45 And I shall live with the Israelites and be their God,

46 and they will know that I am Yahweh their God, who brought them out of Egypt to live among them: I, Yahweh their God.’

Chapter 30
1 ’You will make an altar on which to burn incense; you will make it of acacia wood,

2 one cubit long, and one cubit wide — it must be square — and two cubits high; its horns must be of a piece with it.

3 You will overlay its top, its sides all round and its horns with pure gold and make a gold moulding to go all round.

4 You will make two gold rings for it below the moulding on its two opposite sides, to take the shafts used for carrying it.

5 You will make the shafts of acacia wood and overlay them with gold.

6 ’You will put it in front of the curtain by the ark of Testimony, in front of the mercy-seat which is on the Testimony, where I shall meet you.

7 On it Aaron will burn fragrant incense each morning; when he trims the lamps, he will burn incense on it;

8 and when Aaron puts back the lamps at twilight, he will burn incense on it, incense perpetually before Yahweh for all your generations to come.

9 You will not offer unauthorised incense, or burnt offering, or cereal offering on it, and you will not pour any libation over it.

10 Once a year, Aaron will perform the rite of expiation on the horns of the altar; once a year, on the Day of Expiation, with the blood of the sacrifice for sin, he will make expiation for himself, for all your generations to come. It is especially holy for Yahweh.’

11 Yahweh then spoke to Moses and said,

12 ’When you count the Israelites by census, each one of them must pay Yahweh a ransom for his life, to avoid any incidence of plague among them while you are holding the census.

13 Everyone subject to the census will pay half a shekel, reckoning by the sanctuary shekel: twenty gerah to the shekel. This half-shekel will be set aside for Yahweh.

14 Everyone subject to the census, that is to say of twenty years and over, will pay the sum set aside for Yahweh.

15 The rich man must not give more, nor the poor man less, than half a shekel when he pays the sum set aside for Yahweh in ransom for your lives.

16 You will take the ransom money of the Israelites and apply it to the service of the Tent of Meeting, for it to be a reminder of the Israelites before Yahweh, as the ransom for your lives.’

17 Yahweh then spoke to Moses and said,

18 ’You will also make a bronze basin on its bronze stand, for washing. You will put it between the Tent of Meeting and the altar and put water in it,

19 in which Aaron and his sons will wash their hands and feet.

20 Whenever they are to enter the Tent of Meeting, they will wash, to avoid incurring death; and whenever they approach the altar for their service, to burn an offering for Yahweh,

21 they will wash their hands and feet, to avoid incurring death. This is a perpetual decree for him and his descendants for all their generations to come.’

22 Yahweh spoke further to Moses and said,

23 ’Take the finest spices: five hundred shekels of fresh myrrh, half as much (two hundred and fifty shekels) of fragrant cinnamon, two hundred and fifty shekels of scented reed,

24 five hundred shekels (reckoning by the sanctuary shekel) of cassia, and one hin of olive oil.

25 You will make this into a holy anointing oil, such a blend as the perfumer might make; this will be a holy anointing oil.

26 With it you will anoint the Tent of Meeting and the ark of the Testimony,

27 the table and all its accessories, the lamp-stand and its accessories, the altar of incense,

28 the altar of burnt offerings and all its accessories, and the basin with its stand,

29 consecrating them, so that they will be especially holy and whatever touches them will become holy.

30 You will also anoint Aaron and his sons and consecrate them to be priests in my service.

31 You will then speak to the Israelites and say, ”This anointing oil will be holy for you for all your generations to come.

32 It must not be used for anointing the human body, nor may you make any of the same mixture. It is a holy thing; you will regard it as holy.

33 Anyone who makes up the same oil or uses it on an unauthorised person will be outlawed from his people.” ’

34 Yahweh then said to Moses, ’Take sweet spices: storax, onycha, galbanum, sweet spices and pure frankincense in equal parts,

35 and compound an incense, such a blend as the perfumer might make, salted, pure, and holy.

36 You will grind some of this up very fine and put it in front of the Testimony in the Tent of Meeting, where I shall meet you. You will regard it as especially holy.

37 You may not make any incense of similar composition for your own use. You will regard it as holy, reserved for Yahweh Anyone who makes up the same thing to use as perfume will be outlawed from his people.’

Chapter 31
1 Yahweh then spoke to Moses and said,

2 ’Look, I have singled out Bezalel son of Uri, son of Hur, of the tribe of Judah,

3 and have filled him with the spirit of God in wisdom, knowledge and skill in every kind of craft:

4 in designing and carrying out work in gold and silver and bronze,

5 in cutting stones to be set, in wood carving and in executing every kind of work.

6 And to help him I have given him Oholiab son of Ahisamach, of the tribe of Dan, and have endowed the hearts of all the skilled men with the skill to make everything I have ordered you:

7 the Tent of Meeting; the ark of the Testimony; the mercy-seat above it; and all the furniture of the tent;

8 the table and all its accessories; the pure lamp-stand and all its equipment; the altar of incense;

9 the altar of burnt offerings and all its accessories; the basin and its stand;

10 the liturgical vestments, the sacred vestments for Aaron the priest, and the vestments for his sons, for their priestly functions;

11 the anointing oil and the fragrant incense for the sanctuary. They will do everything as I have ordered you.’

12 Yahweh then said to Moses,

13 ’Speak to the Israelites and say, ”You will keep my Sabbaths properly, for this is a sign between myself and you for all your generations to come, so that you will know that it is I, Yahweh, who sanctify you.

14 You will keep the Sabbath, then; you will regard it as holy. Anyone who profanes it will be put to death; anyone who does any work on that day will be outlawed from his people.

15 Work must be done for six days, but the seventh day will be a day of complete rest, consecrated to Yahweh. Anyone who works on the Sabbath day will be put to death.

16 The Israelites will keep the Sabbath, observing the Sabbath for all their generations to come: this is an eternal covenant.

17 Between myself and the Israelites, this is a sign for ever, for in six days Yahweh made heaven and earth, but on the seventh day he rested and drew breath.”

18 When he had finished speaking to Moses on Mount Sinai, he gave him the two tablets of the Testimony, tablets of stone inscribed by the finger of God.

Chapter 32
1 When the people saw that Moses was a long time before coming down the mountain, they gathered round Aaron and said to him, ’Get to work, make us a god to go at our head; for that Moses, the man who brought us here from Egypt — we do not know what has become of him.’

2 Aaron replied, ’Strip off the gold rings in the ears of your wives and your sons and daughters, and bring them to me.’

3 The people all stripped off the gold rings from their ears and brought them to Aaron.

4 He received what they gave him, melted it down in a mould and with it made the statue of a calf. ’Israel,’ the people shouted, ’here is your God who brought you here from Egypt!’

5 Observing this, Aaron built an altar before the statue and made this proclamation, ’Tomorrow will be a feast in Yahweh’s honour.’

6 Early next morning they sacrificed burnt offerings and brought communion sacrifices. The people then sat down to eat and drink, and afterwards got up to amuse themselves.

7 Yahweh then said to Moses, ’Go down at once, for your people whom you brought here from Egypt have become corrupt.

8 They have quickly left the way which I ordered them to follow. They have cast themselves a metal calf, worshipped it and offered sacrifice to it, shouting, ”Israel, here is your God who brought you here from Egypt!” ’

9 Yahweh then said to Moses, ’I know these people; I know how obstinate they are!

10 So leave me now, so that my anger can blaze at them and I can put an end to them! I shall make a great nation out of you instead.’

11 Moses tried to pacify Yahweh his God. ’Yahweh,’ he said, ’why should your anger blaze at your people, whom you have brought out of Egypt by your great power and mighty hand?

12 Why should the Egyptians say, ”He brought them out with evil intention, to slaughter them in the mountains and wipe them off the face of the earth?” Give up your burning wrath; relent over this disaster intended for your people.

13 Remember your servants Abraham, Isaac and Jacob, to whom you swore by your very self and made this promise: ”I shall make your offspring as numerous as the stars of heaven, and this whole country of which I have spoken, I shall give to your descendants, and it will be their heritage for ever.”

14 Yahweh then relented over the disaster which he had intended to inflict on his people.

15 Moses turned and came down the mountain with the two tablets of the Testimony in his hands, tablets inscribed on both sides, inscribed on the front and on the back.

16 The tablets were the work of God, and the writing on them was God’s writing, engraved on the tablets.

17 When Joshua heard the noise of the people shouting, he said to Moses, ’There is the sound of battle in the camp!’

18 But he replied: No song of victory is this sound, no lament for defeat this sound; but answering choruses I hear!

19 And there, as he approached the camp, he saw the calf and the groups dancing. Moses blazed with anger. He threw down the tablets he was holding, shattering them at the foot of the mountain.

20 He seized the calf they had made and burned it, grinding it into powder which he scattered on the water, and made the Israelites drink it.

21 Moses then said to Aaron, ’What have these people done to you for you to have brought so great a sin on them?’

22 Aaron replied, ’My lord should not be so angry. You yourself know what a bad state these people are in!

23 They said to me, ”Make us a god to go at our head; for that Moses, the man who brought us here from Egypt — we do not know what has become of him.”

24 I then said to them, ”Anyone with gold, strip it off!” They gave it to me. I threw it into the fire and out came this calf!’

25 When Moses saw that the people were out of hand — for Aaron had let them get out of hand to the derision of their enemies all round them-

26 Moses then stood at the gate of the camp and shouted, ’Who is for Yahweh? To me!’ And all the Levites rallied round him.

27 He said to them, ’Yahweh, God of Israel, says this, ”Buckle on your sword, each of you, and go up and down the camp from gate to gate, every man of you slaughtering brother, friend and neighbour.” ’

28 The Levites did as Moses said, and of the people about three thousand men perished that day.

29 ’Today’, Moses said, ’you have consecrated yourselves to Yahweh, one at the cost of his son, another of his brother; and so he bestows a blessing on you today.’

30 On the following day Moses said to the people, ’You have committed a great sin. But now I shall go up to Yahweh: perhaps I can secure expiation for your sin.’

31 Moses then went back to Yahweh and said, ’Oh, this people has committed a great sin by making themselves a god of gold.

32 And yet, if it pleased you to forgive their sin. . .! If not, please blot me out of the book you have written!’

33 Yahweh said to Moses, ’Those who have sinned against me are the ones I shall blot out of my book.

34 So now go and lead the people to the place I promised to you. My angel will indeed go at your head but, on the day of punishment, I shall punish them for their sin.’

35 And Yahweh punished the people for having made the calf, the one Aaron had made.

Chapter 33
1 Yahweh then said to Moses, ’Leave, move on from here, you and the people whom you have brought here from Egypt, to the country that I swore to Abraham, Isaac and Jacob that I would give to their descendants.

2 I shall send an angel in front of you and drive out the Canaanites, the Amorites, the Hittites, the Perizzites, the Hivites and the Jebusites.

3 Move on towards a country flowing with milk and honey, but I myself shall not be going with you or I might annihilate you on the way, for you are an obstinate people.’

4 On hearing these stern words the people went into mourning and no one wore his ornaments.

5 Yahweh then said to Moses, ’Say to the Israelites, ”You are an obstinate people. If I were to go with you even for a moment, I should annihilate you. So now take off your ornaments, and then I shall decide how to deal with you!” ’

6 So, from Mount Horeb onwards, the Israelites stripped themselves of their ornaments.

7 Moses used to take the Tent and pitch it outside the camp, far away from the camp. He called it the Tent of Meeting. Anyone who wanted to consult Yahweh would go out to the Tent of Meeting, outside the camp.

8 Whenever Moses went out to the Tent, the people would all stand up and every man would stand at the door of his tent and watch Moses until he went into the Tent.

9 And whenever Moses went into the Tent, the pillar of cloud would come down and station itself at the entrance to the Tent, while Yahweh spoke with Moses.

10 The people could all see the pillar of cloud stationed at the entrance to the Tent and the people would all stand up and bow low, each at the door of his tent.

11 Yahweh would talk to Moses face to face, as a man talks to his friend, and afterwards he would come back to the camp, but the young man who was his servant, Joshua son of Nun, never left the inside of the Tent.

12 Moses said to Yahweh, ’Look, you say to me, ”Make the people move on,” but you have not told me whom you are going to send with me, although you have said, ”I know you by name and you enjoy my favour.”

13 If indeed I enjoy your favour, please show me your ways, so that I understand you and continue to enjoy your favour; consider too that this nation is your people.’

14 Yahweh then said, ’I myself shall go with you and I shall give you rest.’

15 To which he said, ’If you do not come yourself, do not make us move on from here,

16 for how can it be known that I and my people enjoy your favour, if not by your coming with us? By this we shall be marked out, I and your people, from all the peoples on the face of the earth.’

17 Yahweh then said to Moses, ’Again I shall do what you have asked, because you enjoy my favour and because I know you by name.’

18 He then said, ’Please show me your glory.’

19 Yahweh said, ’I shall make all my goodness pass before you, and before you I shall pronounce the name Yahweh; and I am gracious to those to whom I am gracious and I take pity on those on whom I take pity.

20 But my face’, he said, ’you cannot see, for no human being can see me and survive.’

21 Then Yahweh said, ’Here is a place near me. You will stand on the rock,

22 and when my glory passes by, I shall put you in a cleft of the rock and shield you with my hand until I have gone past.

23 Then I shall take my hand away and you will see my back; but my face will not be seen.’

Chapter 34
1 Yahweh said to Moses, ’Cut two tablets of stone like the first ones and come up to me on the mountain, and I will write on the tablets the words that were on the first tablets, which you broke.

2 Be ready at dawn; at dawn come up Mount Sinai and wait for me there at the top of the mountain.

3 No one may come up with you, no one may be seen anywhere on the mountain; the flocks and herds may not even graze in front of this mountain.’

4 So he cut two tablets of stone like the first and, with the two tablets of stone in his hands, Moses went up Mount Sinai in the early morning as Yahweh had ordered.

5 And Yahweh descended in a cloud and stood with him there and pronounced the name Yahweh.

6 Then Yahweh passed before him and called out, ’Yahweh, Yahweh, God of tenderness and compassion, slow to anger, rich in faithful love and constancy,

7 maintaining his faithful love to thousands, forgiving fault, crime and sin, yet letting nothing go unchecked, and punishing the parent’s fault in the children and in the grandchildren to the third and fourth generation!’

8 Moses immediately bowed to the ground in worship,

9 then he said, ’If indeed I do enjoy your favour, please, my Lord, come with us, although they are an obstinate people; and forgive our faults and sins, and adopt us as your heritage.’

10 He then said, ’Look, I am now making a covenant: I shall work such wonders at the head of your whole people as have never been worked in any other country or nation, and all the people round you will see what Yahweh can do, for what I shall do through you will be awe-inspiring.

11 Mark, then, what I command you today. I am going to drive out the Amorites, the Canaanites, the Hittites, the Perizzites, the Hivites and the Jebusites before you.

12 Take care you make no pact with the inhabitants of the country which you are about to enter, or they will prove a snare in your community.

13 You will tear down their altars, smash their cultic stones and cut down their sacred poles,

14 for you will worship no other god, since Yahweh’s name is the Jealous One; he is a jealous God.

15 Make no pact with the inhabitants of the country or, when they prostitute themselves to their own gods and sacrifice to them, they will invite you and you will partake of their sacrifice,

16 and then you will choose wives for your sons from among their daughters, and their daughters, prostituting themselves to their own gods, will induce your sons to prostitute themselves to their gods.

17 ’You will not cast metal gods for yourself.

18 ’You will observe the feast of Unleavened Bread. For seven days you will eat unleavened bread, as I have commanded you, at the appointed time in the month of Abib, for in the month of Abib you came out of Egypt.

19 ’All that first issues from the womb belongs to me: every male, every first-born of flock or herd.

20 But the first-born donkey you will redeem with an animal from the flock; if you do not redeem it, you must break its neck. All the first-born of your sons you will redeem, and no one will appear before me empty-handed.

21 ’For six days you will labour, but on the seventh day you will rest; you will stop work even during ploughing and harvesting.

22 ’You will observe the feast of Weeks, of the first-fruits of the wheat harvest, and the feast of Ingathering at the close of the year.

23 ’Three times a year all your menfolk will appear before Lord Yahweh, God of Israel,

24 for I shall dispossess the nations before you and extend your frontiers, and no one will set his heart on your territory when you go away to appear before Yahweh your God three times a year.

25 ’You will not offer the blood of my sacrificial victim with leavened bread, nor is the victim offered at the feast of Passover to be left until the following day.

26 ’You will bring the best of the first-fruits of your soil to the house of Yahweh your God. ’You will not boil a kid in its mother’s milk.’

27 Yahweh then said to Moses, ’Put these words in writing, for they are the terms of the covenant which I have made with you and with Israel.’

28 He stayed there with Yahweh for forty days and forty nights, eating and drinking nothing, and on the tablets he wrote the words of the covenant — the Ten Words.

29 When Moses came down from Mount Sinai with the two tablets of the Testimony in his hands, as he was coming down the mountain, Moses did not know that the skin of his face was radiant because he had been talking to him.

30 And when Aaron and all the Israelites saw Moses, the skin on his face was so radiant that they were afraid to go near him.

31 But Moses called to them, and Aaron and all the leaders of the community rejoined him, and Moses talked to them,

32 after which all the Israelites came closer, and he passed on to them all the orders that Yahweh had given to him on Mount Sinai.

33 Once Moses had finished speaking to them, he put a veil over his face.

34 Whenever Moses went into Yahweh’s presence to speak with him, he took the veil off until he came out. And when he came out, he would tell the Israelites what orders he had been given,

35 and the Israelites would see Moses’ face radiant. Then Moses would put the veil back over his face until he went in to speak to him next time.

Chapter 35
1 Moses assembled the whole community of Israelites and said, ’These are the things Yahweh has ordered to be done:

2 Work must be done for six days, but the seventh must be a holy day for you, a day of complete rest, in honour of Yahweh. Anyone who does any work on that day will be put to death.

3 You will not light a fire on the Sabbath day in any of your homes.’

4 Moses spoke to the whole community of Israelites. ’This’, he said, ’is what Yahweh has ordered:

5 Set aside a contribution for Yahweh out of your possessions. Everyone whose heart prompts him to do so should bring a contribution for Yahweh: gold, silver and bronze;

6 materials dyed violet-purple, red-purple and crimson, finely woven linen, goats’ hair,

7 rams’ skins dyed red, fine leather, acacia wood,

8 oil for the light, spices for the anointing oil and for the fragrant incense;

9 cornelian and other stones to be set in the ephod and breastplate.

10 And all those of you who have the skill must come and make everything that Yahweh has ordered:

11 the Dwelling, its tent and its covering, its clasps and its frames, its crossbars, its pillars and its sockets;

12 the ark, its shafts and all its accessories, the mercy-seat and the screening curtain;

13 the table, its shafts and all its accessories, and the loaves of permanent offering;

14 the lamp-stand for the light, its accessories, its lamps, and the oil for the light;

15 the altar of incense and its shafts, the anointing oil, the fragrant incense, and the screen for the entrance, for the entrance of the tent;

16 the altar of burnt offerings and its bronze grating, its shafts, and all its accessories; the basin and its stand;

17 the curtaining for the court, its poles, its sockets, and the screen for the entrance to the court;

18 the pegs for the Dwelling and the pegs for the court, and their cords;

19 the liturgical vestments for service in the sanctuary — the sacred vestments for Aaron the priest, and the vestments for his sons, for their priestly functions.’

20 The whole community of Israelites then withdrew from Moses’ presence.

21 And all those whose heart stirred them and all those whose spirit prompted them brought a contribution for Yahweh, for the work on the Tent of Meeting, for its general service and for the sacred vestments.

22 Men and women, they came, all those whose heart prompted them, bringing brooches, rings, bracelets, necklaces, golden objects of every kind — all those who had vowed gold to Yahweh,

23 while all those who happened to own violet-purple, red-purple or crimson materials, finely woven linen, goats’ hair, rams’ skins dyed red, or fine leather, brought that.

24 All those offering a contribution of silver or bronze brought their contribution for Yahweh and all who happened to own acacia wood, suitable for any of the work to be done, brought that.

25 All the skilled women set their hands to spinning, and brought what they had spun: violet-purple, red-purple or crimson materials, and fine linen,

26 while all those women whose heart stirred them by virtue of their skill, spun goats’ hair.

27 The leaders brought cornelians and other stones to be set in the ephod and breastplate,

28 and the spices and oil for the light, for the anointing oil and for the fragrant incense.

29 All those Israelites, men and women, whose heart prompted them to contribute to the entire work that Yahweh had ordered through Moses to be done, brought a contribution to Yahweh.

30 Moses then said to the Israelites, ’Look, Yahweh has singled out Bezalel son of Uri, son of Hur, of the tribe of Judah,

31 and has filled him with the spirit of God in wisdom, knowledge and skill in every kind of craft:

32 in designing and carrying out work in gold and silver and bronze,

33 in cutting stones to be set, in wood carving and in executing every kind of work.

34 And on him and on Oholiab son of Ahisamach, of the tribe of Dan, he has bestowed the gift of teaching,

35 and filled them with the skill to carry out every kind of work, that of the engraver, that of the embroiderer, that of the needleworker in violet-purple, red-purple and crimson materials and fine linen, that of the weaver, and indeed that of every kind of craftsman and designer.’

Chapter 36
1 ’Bezalel, Oholiab and all the men whom Yahweh has endowed with the skill and knowledge to know how to carry out all the work to be done on the sanctuary, will do exactly as Yahweh has ordered.’

2 Moses then summoned Bezalel, Oholiab and all the skilled men whose hearts Yahweh had endowed with skill, all whose heart stirred them to come forward and do the work.

3 From Moses they received everything that the Israelites had brought as contributions for carrying out the work of building the sanctuary, and, as they went on bringing their offerings every morning,

4 the skilled men who were doing all the work for the sanctuary, all left their particular work

5 and said to Moses, ’The people are bringing more than is needed for the work Yahweh has ordered to be done.’

6 Moses then gave the order and proclamation was made throughout the camp, ’No one, whether man or woman, must do anything more towards contributing for the sanctuary.’ So the people were prevented from bringing any more,

7 for the material to hand was enough, and more than enough, to complete all the work.

8 All the most skilled of the men doing the work made the Dwelling. Moses made it with ten sheets of finely woven linen, dyed violet-purple, red-purple and crimson and embroidered with great winged creatures.

9 The length of a single sheet was twenty-eight cubits, its width four cubits, all the sheets being of the same size.

10 He joined five of the sheets to one another, and the other five sheets to one another.

11 He made violet loops along the edge of the first sheet, at the end of the set, and did the same along the edge of the last sheet in the other set.

12 He made fifty loops on the first sheet and fifty loops along the outer edge of the sheet of the second set, the loops corresponding to one another.

13 He made fifty gold clasps and joined the sheets together with the clasps. In this way the Dwelling was a unified whole.

14 Next he made sheets of goats’ hair for the tent over the Dwelling; he made eleven of these.

15 The length of a single sheet was thirty cubits and its width four cubits; the eleven sheets were all of the same size.

16 He joined five sheets together into one set and six sheets into another.

17 He made fifty loops along the edge of the last sheet of the first set, and fifty loops along the edge of the sheet of the second set.

18 He made fifty bronze clasps, to draw the tent together and make it a unified whole.

19 And for the tent he made a cover of rams’ skins dyed red, and a cover of fine leather over that.

20 For the Dwelling he made vertical frames of acacia wood.

21 Each frame was ten cubits long and one and a half cubits wide.

22 Each frame had twin tenons; this was how he made all the frames for the Dwelling.

23 He made frames for the Dwelling: twenty frames for the south side, to the south,

24 and made forty silver sockets under the twenty frames, two sockets under one frame for its two tenons, two sockets under the next frame for its two tenons;

25 and for the other side of the Dwelling, the north side, twenty frames

26 and forty silver sockets, two sockets under one frame, two sockets under the next frame.

27 For the back of the Dwelling, on the west, he made six frames.

28 He also made two frames for the corners at the back of the Dwelling;

29 these were coupled together at the bottom, staying so up to the top, to the level of the first ring; this he did with the two frames forming the two corners.

30 Thus there were eight frames with their sixteen silver sockets; two sockets under each frame.

31 He made crossbars of acacia wood: five for the frames of the first side of the Dwelling,

32 five crossbars for the frames of the other side of the Dwelling and five crossbars for the frames which formed the back of the Dwelling, to the west.

33 He made the middle bar, to join the frames from one end to the other, halfway up.

34 He overlaid the frames with gold, made gold rings for them, through which to place the crossbars, and overlaid the crossbars with gold.

35 He made a curtain of finely woven linen, dyed violet-purple, red-purple and crimson and embroidered with great winged creatures,

36 and for it he made four poles of acacia wood, overlaying them with gold, with golden hooks for them, for which he cast four sockets of silver.

37 For the entrance to the tent he made a screen of finely woven linen embroidered with violet-purple, red-purple and crimson,

38 as also the five columns for it and their hooks; he overlaid their capitals and rods with gold, but their five sockets were of bronze.

Chapter 37
1 Bezalel made the ark of acacia wood, two and a half cubits long, one and a half cubits wide and one and a half cubits high.

2 He overlaid it, inside and out, with pure gold, and made a gold moulding all round it.

3 He cast four gold rings for it at its four supports: two rings on one side and two rings on the other.

4 He also made shafts of acacia wood and overlaid them with gold,

5 and passed the shafts through the rings on the sides of the ark, by which to carry it.

6 He also made a mercy-seat of pure gold, two and a half cubits long and one and a half cubits wide,

7 and modelled two great winged creatures of beaten gold, putting them at the two ends of the mercy-seat,

8 one winged creature at one end and the other winged creature at the other end, making the winged creatures of a piece with the mercy-seat at either end.

9 The winged creatures had their wings spread upwards, protecting the ark with their wings and facing each other, their faces being towards the mercy-seat.

10 He made the table of acacia wood, two cubits long, one cubit wide and one and a half cubits high,

11 and made a gold moulding all round it.

12 He fitted it with struts a hand’s breadth wide and made a gold moulding round the struts.

13 He cast four gold rings for it and fixed the rings at the four corners where the four legs were.

14 The rings lay close to the struts to hold the shafts for carrying the table.

15 He made the shafts of acacia wood and overlaid them with gold; these were for carrying the table.

16 He made the accessories which were to go on the table: its dishes, cups, jars and libation bowls, of pure gold.

17 He also made the lamp-stand of pure gold, making the lamp-stand, base and stem, of beaten gold, its cups, calyxes and bud being of a piece with it.

18 Six branches sprang from its sides: three of the lamp-stand’s branches from one side, three of the lamp-stand’s branches from the other.

19 The first branch carried three cups shaped like almond blossoms, each with its calyx and bud; the second branch, too, carried three cups shaped like almond blossoms, each with its calyx and bud, and similarly all six branches springing from the lamp-stand.

20 The lamp-stand itself carried four cups shaped like almond blossoms, each with its calyx and bud:

21 one calyx under the first two branches springing from the lamp-stand, one calyx under the next pair of branches and one calyx under the last pair of branches — thus for all six branches springing from the lamp-stand.

22 The calyxes and the branches were of a piece with the lamp-stand, and the whole was made from a single piece of pure gold, beaten out.

23 He also made its seven lamps, its snuffers and trays of pure gold.

24 He made the lamp-stand and all its accessories from a talent of pure gold.

25 He made the altar of incense of acacia wood, one cubit long, and one cubit wide — it was square — and two cubits high, its horns were of a piece with it.

26 He overlaid its top, its sides all round and its horns with pure gold and made a moulding to go all round.

27 He made two gold rings for it below the moulding on its two opposite sides, to take the shafts used for carrying it.

28 He made the shafts of acacia wood and overlaid them with gold.

29 He also made the holy anointing oil and the fragrant incense, blending it as a perfumer would.

Chapter 38
1 He made the altar of burnt offerings of acacia wood, five cubits long and five cubits wide; it was square and three cubits high.

2 At its four corners he made horns, the horns being of a piece with it, and overlaid it with bronze.

3 He made all the altar accessories: the ash pans, shovels, sprinkling basins, hooks and fire pans; he made all the altar accessories of bronze.

4 He also made a grating for the altar of bronze network, below its ledge, underneath, coming halfway up.

5 He cast four rings for the four corners of the bronze grating to take the shafts.

6 He made the shafts of acacia wood and overlaid them with bronze.

7 He passed the shafts through the rings on the sides of the altar for carrying it. He made the altar hollow, out of boards.

8 He made the bronze basin and its bronze stand from the mirrors of the women who served at the entrance to the Tent of Meeting.

9 He made the court. On the south side, on the south, the curtaining of the court was of finely woven linen a hundred cubits long.

10 Its twenty poles and their sockets being of bronze, and their hooks and rods of silver;

11 and on the north side, a hundred cubits of curtaining, its twenty poles and their twenty sockets being of bronze, and their hooks and rods of silver.

12 On the west side there were fifty cubits of curtaining, with its ten poles and their ten sockets, the poles’ hooks and rods being of silver;

13 and on the east side on the east, there were fifty cubits.

14 On the one side there were fifteen cubits of curtaining, with its three poles and their three sockets,

15 and on the other side — either side of the gateway to the court — there were fifteen cubits of curtaining with its three poles and their three sockets.

16 All the curtaining round the court was of finely woven linen,

17 the sockets for the poles were of bronze, the poles’ hooks and rods of silver, their capitals were overlaid with silver and all the poles of the court had silver rods.

18 The screen for the gateway to the court was of finely woven linen embroidered with violet-purple, red-purple and crimson, twenty cubits long and five cubits high (all the way along) like the curtaining of the court,

19 its four poles and their four sockets being of bronze, their hooks of silver, their capitals overlaid with silver, and their rods of silver.

20 All the pegs round the Dwelling and the court were of bronze.

21 These are the accounts for the Dwelling — the Dwelling of the Testimony — drawn up by order of Moses, the work of Levites, produced by Ithamar son of Aaron, the priest.

22 Bezalel son of Uri, son of Hur, of the tribe of Judah, made everything that Yahweh ordered Moses to make,

23 his assistant being Oholiab son of Ahisamach, of the tribe of Dan, an engraver, embroiderer and needleworker in violet-purple, red-purple and crimson materials and fine linen.

24 The amount of gold used for the work, for the entire work for the sanctuary (the gold consecrated for the purpose) was twenty-nine talents and seven hundred and thirty shekels, reckoned by the sanctuary shekel.

25 The silver from the census of the community was one hundred talents and one thousand seven hundred and seventy-five shekels, reckoned by the sanctuary shekel,

26 one beqa per head, half a shekel reckoned by the sanctuary shekel, for everyone of twenty years and over included in the census, for six hundred and three thousand five hundred and fifty persons.

27 A hundred talents of silver were used for casting the sockets for the sanctuary and the sockets for the curtain: a hundred sockets from a hundred talents, one talent per socket.

28 From the one thousand seven hundred and seventy-five shekels he made the hooks for the poles, overlaid their capitals and made the rods for them.

29 The bronze consecrated for the purpose amounted to seventy talents and two thousand four hundred shekels,

30 and from it he made the sockets for the entrance of the Tent of Meeting, the bronze altar, its bronze grating and all the altar accessories,

31 the sockets all round the court, the sockets for the gateway to the court, all the pegs for the Dwelling and all the pegs round the court.

Chapter 39
1 From the violet-purple, red-purple and crimson materials, they made the liturgical vestments for service in the sanctuary. They made the sacred vestments for Aaron, as Yahweh had ordered Moses.

2 They made the ephod of gold, of violet-purple, red-purple and crimson materials and finely woven linen.

3 They beat gold into thin plates and cut these into threads to work into the violet-purple, red-purple and crimson materials and the fine linen by needlework.

4 For the ephod they made shoulder-straps which were joined to it at its two edges.

5 The waistband on the ephod to hold it in position, was of a piece with it and of the same workmanship: of gold, violet-purple, red-purple and finely woven linen, as Yahweh had ordered Moses.

6 They worked the cornelians, mounted in gold setting, and engraved, like an engraved seal, with the names of the sons of Israel,

7 and put the stones on the shoulder-straps of the ephod, to commemorate the sons of Israel, as Yahweh had ordered Moses.

8 They made the breastplate of the same embroidered work as the ephod: of gold, violet-purple, red-purple and crimson materials and finely woven linen.

9 It was square and doubled over, a span in length and a span in width.

10 In it they set four rows of stones: a sard, a topaz and an emerald, for the first row;

11 for the second row, a garnet, a sapphire and a diamond;

12 for the third row, a hyacinth, a ruby and an amethyst;

13 and for the fourth row, a beryl, a cornelian and a jasper: mounted in gold settings,

14 the stones corresponding to the names of the sons of Israel, twelve like their names, engraved like seals, each with the name of one of the twelve tribes.

15 For the breastplate they made chains of pure gold twisted like cords,

16 and they made two gold rosettes and two gold rings, putting the two rings on the two outside edges of the breastplate

17 and fastening the two gold cords to the two rings on the outside edges of the breastplate.

18 The other two ends of the cords they fastened to the two rosettes, putting these on the shoulder-straps of the ephod, on the front.

19 They also made two gold rings and put them on the two outside edges of the breastplate, on the inner side, against the ephod;

20 and they made two more gold rings and put them low down on the front of the two shoulder-straps of the ephod, close to the join, above the waistband of the ephod.

21 They secured the pectoral by a violet-purple cord passed through its rings and those of the ephod, so that the pectoral would sit above the waistband and not come apart from the ephod, as Yahweh had ordered Moses.

22 They made the robe of the ephod woven entirely of violet-purple.

23 The opening in the centre of the robe was like the neck of a coat of mail; round the opening was a border, so that it would not get torn.

24 On the lower hem of the robe, they made pomegranates of violet-purple, red-purple and crimson and finely woven linen,

25 and made bells of pure gold, putting the bells between the pomegranates all round the lower hem of the robe:

26 alternately, a bell and then a pomegranate, all round the lower hem of the robe of office, as Yahweh had ordered Moses.

27 They made the tunics of finely woven linen for Aaron and his sons,

28 the turban of fine linen, the head-dresses of fine linen, the breeches of finely woven linen,

29 the waistbands of finely woven linen embroidered with violet-purple, red-purple and crimson, as Yahweh had ordered Moses.

30 They also made the flower — the symbol of holy consecration — of pure gold and on it, like an engraved seal, they engraved, ’Consecrated to Yahweh’.

31 They put it on a violet-purple cord, to fasten it high up on the turban, as Yahweh had ordered Moses.

32 So all the work for the Dwelling, for the Tent of Meeting, was completed. They had done everything exactly as Yahweh had ordered Moses.

33 They then brought Moses the Dwelling, the Tent and all its accessories: its clasps, frames, crossbars, poles and sockets;

34 the cover of rams’ skins dyed red, the cover of fine leather and the screening curtain;

35 the ark of the Testimony and its shafts, and the mercy-seat;

36 the table, all its accessories and the loaves of permanent offering;

37 the lamp-stand of pure gold, its lamps — the array of lamps — and all its accessories, and the oil for the light;

38 the golden altar, the anointing oil, the fragrant incense and the screen for the entrance to the tent;

39 the bronze altar and its bronze grating, its shafts and all its accessories; the basin and its stand;

40 the curtaining for the court, its poles, its sockets, and the screen for the gateway to the court, its cords, its pegs and all the accessories for the service of the Dwelling, for the Tent of Meeting;

41 the liturgical vestments for officiating in the sanctuary — the sacred vestments for Aaron the priest, and the vestments for his sons — for the priestly functions.

42 The Israelites had done all the work exactly as Yahweh had ordered Moses.

43 Moses inspected all the work: they had indeed done it as Yahweh had ordered; and Moses blessed them.

Chapter 40
1 Yahweh then spoke to Moses and said,

2 ’On the first day of the first month, you will erect the Dwelling, the Tent of Meeting,

3 and place the ark of the Testimony in it and screen the ark with the curtain.

4 You will then bring in the table and arrange what has to be arranged on it. You will then bring in the lamp-stand and set up its lamps.

5 You will place the golden altar of incense in front of the ark of the Testimony, and place the screen at the entrance to the Dwelling.

6 You will place the altar of burnt offerings in front of the entrance to the Dwelling, the Tent of Meeting,

7 and you will place the basin between the Tent of Meeting and the altar, and fill it with water.

8 You will then set up the surrounding court and hang the screen at the gateway of the court.

9 Then, taking the anointing oil, you will anoint the Dwelling and everything inside, consecrating it and all its accessories; it will then be holy.

10 You will then anoint the altar of burnt offerings and all its accessories, consecrating the altar; the altar will then be especially holy.

11 You will then anoint the basin and its stand, and consecrate it.

12 You will then bring Aaron and his sons to the entrance of the Tent of Meeting, bathe them thoroughly

13 and then dress Aaron in the sacred vestments, and anoint and consecrate him, to serve me in the priesthood.

14 You will then bring his sons, dress them in tunics

15 and anoint them as you anointed their father, to serve me in the priesthood. Their anointing will confer an everlasting priesthood on them for all their generations to come.’

16 Moses did this; he did exactly as Yahweh had ordered him.

17 On the first day of the first month in the second year the Dwelling was erected.

18 Moses erected the Dwelling. He fixed its sockets, set up its frames, put its crossbars in position and set up its poles.

19 He spread the tent over the Dwelling and the covering for the tent over that, as Yahweh had ordered Moses.

20 He took the Testimony and put it in the ark, positioned the shafts on the ark and put the mercy-seat on top of the ark.

21 He brought the ark into the Dwelling and put the screening curtain in place, screening the ark of the Testimony, as Yahweh had ordered Moses.

22 He put the table inside the Tent of Meeting, against the side of the Dwelling, on the north, outside the curtain,

23 and on it arranged the loaves before Yahweh, as Yahweh had ordered Moses.

24 He put the lamp-stand inside the Tent of Meeting, opposite the table, on the south side of the Dwelling,

25 and set up the lamps before Yahweh, as Yahweh had ordered Moses.

26 He put the golden altar inside the Tent of Meeting, in front of the curtain,

27 and on it burnt fragrant incense, as Yahweh had ordered Moses.

28 He then put the screen at the entrance to the Dwelling.

29 He put the altar of burnt offerings at the entrance to the Dwelling, to the Tent of Meeting, and on it offered the burnt offering and cereal offering, as Yahweh had ordered Moses.

30 He put the basin between the Tent of Meeting and the altar and put water in it for the ablutions,

31 where Moses, Aaron and his sons washed their hands and feet,

32 whenever they entered the Tent of Meeting or approached the altar they washed, as Yahweh had ordered Moses.

33 He then set up the court round the Dwelling and the altar and set up the screen at the gate-way to the court. Thus Moses completed the work.

34 The cloud then covered the Tent of Meeting and the glory of Yahweh filled the Dwelling.

35 Moses could not enter the Tent of Meeting, since the cloud stayed over it and the glory of Yahweh filled the Dwelling.

36 At every stage of their journey, whenever the cloud rose from the Dwelling, the Israelites would resume their march.

37 If the cloud did not rise, they would not resume their march until the day it did rise.

38 For Yahweh’s cloud stayed over the Dwelling during the daytime and there was fire inside the cloud at night, for the whole House of Israel to see, at every stage of their journey.

(Fr)

Croire au christianisme – Exode de versets bibliques

Source : https://rkbijbel.nl/kbs/bijbel/willibrord1975/neovulgaat https://nl.wikipedia.org/wiki/Exodus_(book)

La traduction de Willibrord est la traduction standard de la communauté de foi catholique romaine dans la région néerlandophone et est publiée par la Fondation biblique catholique, en étroite collaboration avec la Fondation biblique flamande. La traduction Willibrord est largement appréciée en tant que traduction fidèle au texte original et offrant en même temps un texte en néerlandais contemporain compréhensible.

Exodus (grec : ἔξοδος, exodos, « exode » ; hébreu : , shemot, « noms », du premier mot du texte hébreu) est le deuxième livre de la Bible hébraïque. En néerlandais, le livre commence par la phrase : ”Ce sont les noms [chemot] des fils d’Israël…”.

Exodus raconte l’histoire du départ du peuple israélite d’Égypte vers la terre promise de Canaan. Leur chef Moïse a reçu la Torah ou la loi de Dieu.

Les chercheurs modernes conviennent que l’Exode n’est pas une source historique fiable pour l’origine du peuple israélite. Ce peuple est né à la fin du deuxième millénaire avant notre ère. comme une confédération de tribus dans les hautes terres centrales de Canaan. La culture des Israélites est basée sur la culture cananéenne indigène et rien n’indique qu’ils se soient éloignés de la Palestine depuis longtemps en tant que peuple.

L’appel de Moïse (chapitre 1-7)

À l’époque de Joseph en tant que vice-roi d’Égypte, Jacob et ses fils se sont installés à Goshen, une province égyptienne. Là, ils ont une grande descendance. Un pharaon (qui ne connaissait pas Joseph) voit les Hébreux comme une menace et leur fait faire du travail d’esclave. Il a également ordonné que tous les bébés mâles juifs soient tués. Les sages-femmes Shifra et Puah refusent.

La femme juive Jokébed donne naissance à un enfant, mais craignant le Pharaon, elle fabrique un panier en osier, y met le bébé et le transporte jusqu’à la rivière. Là, le panier et le bébé sont trouvés par la fille du Pharaon. Elle nomme l’enfant Moïse. Miriam, la sœur de Moïse, persuade la fille de Pharaon qu’il pourrait être élevé par Jokébed pendant les premières années.

À l’âge adulte, Moïse voit un esclave hébreu se faire maltraiter par un Égyptien. Il tue l’égyptien et s’enfuit à Madian. Là, il rencontre Jéthro et Moïse épouse sa fille Séphora. Moïse devient berger.

Plusieurs années passent et le pharaon d’Egypte meurt. Un jour, Moïse voit un buisson ardent et à travers le buisson, Dieu lui dit qu’il délivrera son peuple de l’esclavage. Moïse a peur que les Israélites ne le croient pas. Aussi

il a peur de parler. Alors Dieu a envoyé Aaron, le frère de Moïse, à sa rencontre. Celui-ci parlera. Moïse et Aaron apparaissent devant Pharaon, mais au lieu de laisser partir le peuple, Pharaon leur impose un fardeau encore plus lourd. Cependant, Dieu renvoie à nouveau les frères vers Pharaon.

Exode d’Egypte (chapitre 8-14)
1rightarrow blue.svg voir : Exode d’Egypte

Moïse et Aaron visitent à nouveau Pharaon et transforment les eaux du Nil en sang. Pharaon cède dans un premier temps et laisse partir les Israélites, mais revient sur sa décision. C’est ainsi que cela se passe plusieurs fois, car Dieu envoie de plus en plus de fléaux sur Pharaon et l’Egypte. Grenouilles, moustiques, taons, pustules purulentes chez les humains et les animaux, peste bovine, grêle abondante, sauterelles et obscurité. Au dernier fléau, tous les premiers-nés meurent.

Les Israélites se sont échappés en abattant un agneau et en étalant son sang sur les montants des portes. Ce n’est qu’après la mort de tous les premiers-nés que Pharaon laisse partir le peuple. Ils se dirigent vers la mer Rouge. Dieu va devant eux dans un nuage. Cependant, le pharaon regrette à nouveau sa décision et poursuit le peuple avec son armée. Mais la nuée descend entre le peuple et l’armée de Pharaon et les empêche d’attaquer le peuple israélite. Le lendemain, Moïse étend son bâton et la mer Rouge se divise en deux. Les gens passent de l’autre côté. Au moment où l’armée du pharaon donne la chasse, l’eau reflue et une grande partie de l’armée est tuée. Les Israélites se sont échappés.

A reçu dix commandements au mont Sinaï (chapitres 15-20)

De la mer Rouge, le peuple juif s’installe dans le désert. Ils commencent à se plaindre du manque d’eau et de nourriture. Moïse jette un morceau de bois dans une piscine salée avec de l’eau. Cela rend l’eau fraîche. Dieu envoie aussi des cailles et de la manne.

A Rephidim, le peuple est attaqué par les Amalécites. Moïse regarde la bataille depuis une montagne. Chaque fois qu’il lève les bras, l’armée dirigée par Joshua gagne. S’il baisse les bras, l’armée perd. Il est donc soutenu par Aaron et Hur. Les Amalécites sont ainsi vaincus.

Moïse reçoit également la visite de son beau-père Jéthro. Il voit que Moïse passe (trop) beaucoup de temps à conduire le peuple en jugeant. Jethro conseille de nommer plus de dirigeants et de ne laisser Moïse s’occuper que des affaires les plus importantes et les plus importantes.

Les gens arrivent au mont Sinaï. Là, Dieu se montre au peuple. Cependant, ils ont peur et demandent à Moïse de prendre les devants. Moïse gravit la montagne et reçoit les Dix Commandements.

Autres règles et disposition du tabernacle (chapitres 21-31)

Sur le mont Sinaï, Moïse reçoit également un grand nombre de préceptes. Il s’agit notamment de savoir comment traiter les animaux, les esclaves et les parents. Des règles de sacrifice sont également données. De plus, Dieu promet qu’il exterminera les habitants du pays de Canaan.

Moïse monte sur la montagne avec Aaron, Nadab, Abihu et soixante-dix anciens du peuple. Dieu veut faire alliance avec le peuple. Tous voient Dieu. Puis Moïse continue de gravir la montagne. Cette fois, Dieu grave les Dix Commandements sur des tablettes de pierre. Moïse reçoit également l’ordre de construire un sanctuaire, le tabernacle. Il reçoit des instructions pour l’arrangement de ce tabernacle. Entre autres choses, il doit faire une arche d’or et un autel d’holocauste. Bezalel sera chargé de la construction du tabernacle. Aaron et ses fils sont ordonnés prêtres. Ils doivent s’habiller d’une certaine manière.

Le veau d’or et les dix commandements reçus de nouveau (chapitres 32-35)

Moïse continue seul de gravir la montagne. Il s’absente longtemps. Les gens pensent donc qu’il est mort et demandent à Aaron s’il peut faire un taurillon d’or à partir de leurs bijoux. Ensuite, ils ont un nouveau Dieu à adorer. Aaron cède à la pression et le fait. Tout comme il y a un festin pour le veau d’or, Moïse revient avec les tables de pierre. Il brise les tablettes de pierre et détruit également la statue.

Puis Moïse retourne à la montagne. Il demande à Dieu s’il peut le voir. Dieu répond à cela, mais ne montre que son derrière. Si Moïse voyait Dieu face à face, il mourrait. Dieu fait aussi de nouvelles tablettes de pierre pour lui avec les Dix Commandements dessus.

Expliquer les règles au peuple et construire le tabernacle (chapitres 36-40)

Lorsque Moïse revient, il convoque le peuple et lui explique les règles qu’il a reçues de Dieu. Ceux-ci incluent le repos du sabbat. Ces chapitres contiennent également une explication de la construction et de la décoration du tabernacle et de la manière dont les prêtres devaient s’habiller. Lorsque le tabernacle fut terminé, il fut rempli par la majesté de Dieu. Cela était visible à travers un nuage. Lorsque la nuée s’est arrêtée, les Israélites ont campé là. Lorsque le nuage s’est déplacé, les gens l’ont poursuivi.

Chapitre 1

1 Voici les noms des enfants d’Israël venus en Egypte; — ils y vinrent avec Jacob, chacun avec sa famille —
2 Ruben, Siméon, Lévi, Juda,
3 Issachar, Zabulon, Benjamin,
4 Dan, Nephtali, Gad et Aser.
5 Toutes les personnes issues de Jacob étaient au nombre de soixante-dix, et Joseph était déjà en Egypte.
6 Joseph mourut, ainsi que tous ses frères et toute cette génération.
7 Les enfants d’Israël furent féconds et multiplièrent; ils devinrent nombreux et très puissants, et le pays en fut rempli.
8 Il s’éleva sur l’Egypte un nouveau roi qui ne connaissait pas Joseph.
9 Il dit à son peuple: ”Voici que les enfants d’Israël forment un peuple plus nombreux et plus puissant que nous.
10 Allons! Prenons des précautions contre lui, de peur qu’il ne s’accroisse, et que, une guerre survenant, il ne se joigne à nos ennemis pour nous combattre, et ne sorte ensuite du pays.”
11 Les Egyptiens établirent donc sur Israël des chefs de corvée, afin de l’accabler par des travaux pénibles. C’est ainsi qu’il bâtit des villes pour servir de magasins à Pharaon, savoir Pithom et Ramsès.
12 Mais plus on l’accablait, plus il multipliait et s’accroissait, et l’on prit en aversion les enfants d’Israël.
13 Les Egyptiens firent travailler les enfants d’Israël par force;
14 ils leur rendaient la vie amère par de rudes travaux, mortier, briques et toute sorte de travaux des champs, tout le travail qu’ils leur imposaient avec dureté.
15 Le roi d’Egypte parla aussi aux sages-femmes des Hébreux, dont l’une se nommait Séphora, et l’autre Phua.
16 Il leur dit: ”Quand vous accoucherez les femmes des Hébreux, et que vous les verrez sur le double siège, si c’est un fils, faites-le mourir; si c’est une fille, elle peut vivre.”
17 Mais les sages-femmes craignirent Dieu, et ne firent pas comme leur avait dit le roi d’Egypte; elles laissèrent vivre les garçons.
18 Le roi d’Egypte fit appeler les sages-femmes et leur dit: ”Pourquoi avez-vous agi ainsi, et avez-vous laissé vivre les garçons?”
19 Les sages-femmes répondirent à Pharaon: ”C’est que les femmes des Hébreux ne ressemblent pas aux Egyptiennes: elles sont vigoureuses, et elles accouchent avant l’arrivée de la sage-femme.”
20 Et Dieu fit du bien aux sages-femmes, et le peuple devint nombreux et extrêmement fort.
21 Parce que les sages-femmes avaient craint Dieu, Dieu fit prospérer leur maison.
22 Alors Pharaon donna cet ordre à tout son peuple: ”Vous jetterez dans le fleuve tout fils qui naîtra et vous laisserez vivre toutes les filles.”

Chapitre 2

1 Un homme de la maison de Lévi était allé prendre pour femme une fille de Lévi.
2 Cette femme devint enceinte et enfanta un fils. Voyant qu’il était beau, elle le cacha pendant trois mois.
3 Comme elle ne pouvait plus le tenir caché, elle prit une caisse de jonc et, l’ayant enduite de bitume et de poix, elle y mit l’enfant et le déposa parmi les roseaux, sur le bord du fleuve.
4 La soeur de l’enfant se tenait à quelque distance pour savoir ce qui lui arriverait.
5 La fille de Pharaon descendit au fleuve pour se baigner, et ses compagnes se promenaient le long du fleuve. Ayant aperçu la caisse au milieu des roseaux, elle envoya sa servante pour la prendre.
6 Elle l’ouvrit et vit l’enfant: c’était un petit garçon qui pleurait; elle en eut pitié, et elle dit: ”C’est un enfant des Hébreux.”
7 Alors la soeur de l’enfant dit à la fille de Pharaon: ”Veux-tu que j’aille te chercher une nourrice parmi les femmes des Hébreux pour allaiter cet enfant?”
8 — ”Va” lui dit la fille de Pharaon; et la jeune fille alla chercher la mère de l’enfant.
9 La fille de Pharaon lui dit: ”Emporte cet enfant et allaite-le-moi; je te donnerai ton salaire.” La femme prit l’enfant et l’allaita.
10 Quand il eut grandi, elle l’amena à la fille de Pharaon, et il fut pour elle comme un fils. Elle lui donna le nom de Moïse, ”car, dit-elle, je l’ai tiré des eaux.”
11 En ce temps-là, Moïse, devenu grand, sortit vers ses frères, et il fut témoin de leurs pénibles travaux; il vit un Egyptien qui frappait un Hébreu d’entre ses frères.
12 Ayant tourné les yeux de côté et d’autre, et voyant qu’il n’y avait là personne, il tua l’Egyptien et le cacha dans le sable.
13 Il sortit encore le jour suivant, et voici, deux Hébreux se querellaient. Il dit au coupable: ”Pourquoi frappes- tu ton camarade?”
14 Et cet homme répondit: ”Qui t’a établi chef et juge sur nous? Est-ce que tu veux me tuer, comme tu as tué l’Egyptien? ” Moïse fut effrayé, et il dit: ”Certainement la chose est connue.”
15 Pharaon, ayant appris ce qui s’était passé, cherchait à faire mourir Moïse; mais Moïse s’enfuit de devant Pharaon; il se retira dans le pays de Madian, et il s’assit près du puits.
16 Le prêtre de Madian avait sept filles. Elles vinrent puiser de l’eau, et elles remplirent les auges pour abreuver le troupeau de leur père.
17 Les bergers, étant arrivés, les chassèrent; alors Moïse se leva, prit leur défense et fit boire leur troupeau.
18 Quand elles furent de retour auprès de Raguel, leur père, il dit: Pourquoi revenez-vous sitôt aujourd’hui?”
19 Elles répondirent: ”Un Egyptien nous a délivrées de la main des bergers, et même il a puisé pour nous de l’eau et il a fait boire le troupeau.”
20 Il dit à ses filles: ”Où est-il? Pourquoi avez-vous laissé cet homme? Rappelez-le, pour qu’il prenne quelque nourriture.”
21 Moïse consentit à demeurer chez cet homme, qui lui donna pour femme Sephora, sa fille.
22 Elle enfanta un fils, qu’il appela Gersam, car, dit-il, je suis un étranger sur une terre étrangère.
23 Durant ces longs jours, le roi d’Egypte mourut. Les enfants d’Israël, gémissant encore sous la servitude, poussèrent des cris, et ces cris, arrachés par la servitude, montèrent jusqu’à Dieu.
24 Dieu entendit leurs gémissements, et se souvint de son alliance avec Abraham, Isaac et Jacob.
25 Dieu regarda les enfants d’Israël et il les reconnut.

Chapitre 3
1 Moïse faisait paître le troupeau de Jéthro, son beau-père, prêtre de Madian. Il mena le troupeau au delà du désert, et arriva à la montagne de Dieu, à Horeb.
2 L’ange de Yahweh lui apparut en flamme de feu, du milieu du buisson. Et Moïse vit, et voici, le buisson était tout en feu, et le buisson ne se consumait pas.
3 Moïse dit: ”Je veux faire un détour pour considérer cette grande vision, et voir pourquoi le buisson ne se consume point.”
4 Yahweh vit qu’il se détournait pour regarder; et Dieu l’appela du milieu du buisson, et dit: ”Moïse! Moïse Il répondit: ”Me voici.”
5 Dieu dit: ”N’approche pas d’ici, ôte tes sandales de tes pieds, car le lieu sur lequel tu te tiens est une terre sainte.”
6 Il ajouta: ”Je suis le Dieu de ton père, le Dieu d’Abraham, le Dieu d’Isaac et le Dieu de Jacob.” Moïse se cacha le visage, car il craignait de regarder Dieu.
7 Yahweh dit: ”j’ai vu la souffrance de mon peuple qui est en Egypte, et j’ai entendu le cri que lui font pousser ses exacteurs, car je connais ses douleurs.
8 Je suis descendu pour le délivrer de la main des Egyptiens et pour le faire monter de ce pays dans une terre fertile et spacieuse, dans une terre où coulent le lait et le miel, au lieu qu’habitent les Chananéens, les Héthéens, les Amorrhéens, les Phérézéens, les Hévéens et les Jébuséens.
9 Et maintenant voici, le cri des enfants d’Israël est venu jusqu’à moi, et j’ai vu l’oppression que font peser sur eux les Egyptiens.
10 Et maintenant, va, je t’envoie auprès de Pharaon, pour faire sortir mon peuple, les enfants d’Israël.”
11 Moïse dit à Dieu: ”Qui suis-je, pour aller vers Pharaon et pour faire sortir d’Egypte les enfants d’Israël?”
12 Dieu dit: ”Je serai avec toi; et ceci sera pour toi le signe que c’est moi qui t’ai envoyé: Quand tu auras fait sortir le peuple d’Egypte, vous servirez Dieu sur cette montagne.”
13 Moïse dit à Dieu: ”Voici, j’irai vers les enfants d’Israël, et je leur dirai: Le Dieu de vos pères m’envoie vers vous. S’ils me demandent quel est son nom, que leur répondrai-je?”
14 Et Dieu dit à Moïse: ”Je suis celui qui suis” Et il ajouta: ”C’est ainsi, que tu répondras aux enfants d’Israël: Celui qui est m’envoie vers vous.”
15 Dieu dit encore à Moïse: ”Tu parleras ainsi aux enfants d’Israël: Yahweh, le Dieu de vos pères, le Dieu d’Abraham, le Dieu d’Isaac et le Dieu de Jacob, m’envoie vers vous. C’est là mon nom pour l’éternité; c’est là mon souvenir de génération en génération.
16 Va, rassemble les anciens d’Israël et dis-leur: Yahweh, le Dieu de vos pères, m’est apparu, le Dieu d’Abraham, d’Isaac et de Jacob, en disant: Je vous ai visités, j’ai vu ce qu’on vous fait en Egypte, et j’ai dit:
17 Je vous ferai monter de l’Egypte, où l’on vous opprime, dans le pays des Chananéens, des Héthéens, des Amorrhéens, des Phérézéens, des Hévéens et des Jébuséens, dans un pays où coulent le lait et le miel.
18 Ils écouteront ta voix, et tu iras, toi et les anciens d’Israël, vers le roi d’Egypte, et vous lui direz: Yahweh, le Dieu des Hébreux, s’est présenté à nous. Et maintenant, laisse-nous aller à trois journées de marche dans le désert, pour offrir des sacrifices à Yahweh notre Dieu.
19 Je sais que le roi d’Egypte ne vous permettra pas d’aller, si ce n’est forcé par une main puissante.
20 J’étendrai ma main et je frapperai l’Egypte par toutes sortes de prodiges que je ferai au milieu de lui; après quoi, il vous laissera aller.
21 Je ferai même que ce peuple trouve grâce aux yeux des Egyptiens et, quand vous partirez, vous ne partirez point les mains vides.
22 Mais chaque femme demandera à sa voisine et à celle qui demeure dans sa maison des objets d’argent, des objets d’or et des vêtements que vous mettrez sur vos fils et vos filles. Et vous dépouillerez l’Egypte.”

Chapitre 4

1 Moïse répondit, en disant: ”Ils ne me croiront pas et ils n’écouteront pas ma voix; mais ils diront: Yahweh ne l’est point apparu.
2 Yahweh lui dit: ”Qu’y a-t-il dans ta main?” Il répondit: ”Un bâton.”
3 Et Yahweh dit: jette-le à terre. ”Il le jeta à terre, et le bâton devint un serpent, et Moïse s’enfuyait devant lui.
4 Yahweh dit à Moïse: ”Etends ta main, et saisis-le par la queue” — et il étendit la main et le saisit, et le serpent redevint un bâton dans sa main, —
5 afin qu’ils croient que Yahweh, le Dieu de leurs pères, t’est apparu, le Dieu!’Abraham, le Dieu d’Isaac et le Dieu de Jacob.”
6 Yahweh lui dit encore: ”Mets ta main dans ton sein.” Il mit sa main dans son sein, puis il l’en retira et voici qu’elle était couverte de lèpre, blanche comme la neige.
7 Yahweh dit: ”Remets ta main dans ton sein, — et il remit sa main dans son sein, puis il la retira de son sein, et voici qu’elle était redevenue semblable à sa chair. —
8 S’ils ne te croient pas, et s’ils n’écoutent pas la voix du premier signe, ils croiront à la voix du second.
9 Et s’ils ne croient pas même à ces deux signes, et n’écoutent pas ta voix, tu prendras de l’eau du fleuve, et tu la répandras sur le sol, et l’eau que tu auras prise du fleuve deviendra du sang sur la terre.”
10 Moïse dit à Yahweh: ”Ah! Seigneur, je ne suis pas un homme à la parole facile, et cela dès hier et dès avant-hier, et même encore depuis que vous parlez votre serviteur; j’ai la bouche et la langue embarrassées.”
11 Yahweh lui dit: ”Qui a donné la bouche à l’homme, et qui rend muet ou sourd, voyant ou aveugle? N’est-ce pas moi, Yahweh?
12 Va donc, je serai avec ta bouche et je t’enseignerai ce que tu devras dire.”
13 Moïse dit: ”Ah! Seigneur, envoyez votre message par qui vous voudrez l’envoyer.”
14 Alors la colère de Yahweh s’enflamma contre Moïse, et il dit: ”N’y a-t-il pas Aaron, ton frère, le Lévite? Je sais qu’il parlera facilement, lui. Et même, voici qu’il vient à ta rencontre et, en te voyant, il se réjouira dans son coeur.
15 Tu lui parleras et tu mettras les paroles dans sa bouche, et moi je serai avec ta bouche et avec sa bouche, et je vous enseignerai ce que vous aurez à faire.
16 C’est lui qui parlera pour toi au peuple; il te servira de bouche, et tu lui seras un Dieu.
17 Quant à ce bâton, prends-le dans ta main; c’est avec quoi tu feras les signes.”
18 Moïse s’en alla. De retour auprès de Jéthro, son beau-père, il lui dit: ”Laisse-moi partir, je te prie, et retourner auprès de mes frères qui sont en Egypte, pour voir s’ils sont encore vivants.” Jéthro dit à Moïse: ”Va en paix.”
19 Yahweh dit à Moïse, en Madian: ”Va, retourne en Egypte, car tous ceux qui en voulaient à ta vie sont morts.”
20 Moïse prit donc sa femme et ses fils, et, les ayant fait monter sur des ânes, il retourna au pays d’Egypte; Moïse prit dans sa main le bâton de Dieu.
21 Yahweh dit à Moïse: ”En partant pour retourner en Egypte, considère tous les prodiges que j’ai mis dans ta main: tu les feras devant Pharaon. Et moi, j’endurcirai son coeur, et il ne laissera pas aller le peuple.
22 Tu diras à: Pharaon: Ainsi parle Yahweh: ”Israël est mon fils, mon premier-né.
23 Je te dis: Laisse aller mon fils, pour qu’il me serve; tu refuses de le laisser aller, je ferai périr ton fils, ton premier-né.”
24 Sur la route, dans un lieu où Moïse passa la nuit, Yahweh vint à sa rencontre et voulut le faire mourir.
25 Séphora prit une pierre tranchante, coupa le prépuce de son fils, et en toucha les pieds de Moïse, en disant: ”Tu es pour moi un époux de sang!”
26 Et Yahweh le laissa. C’est alors qu’elle dit: ”Epoux a du sang”, à cause de la circoncision.
27 Yahweh dit à Aaron: ”Va au-devant de Moïse dans le désert.” Aaron partit et, ayant rencontré Moïse à la montagne de Dieu, il le baisa.
28 Moïse fit connaître à Aaron toutes les paroles avec lesquelles Yahweh l’avait envoyé, et tous les signes qu’il lui avait ordonné de faire.
29 Moïse et Aaron poursuivirent leur chemin, et ils rassemblèrent tous les anciens des enfants d’Israël.
30 Aaron rapporta toutes les paroles que Yahweh avait dites à Moïse, et il fit les signes sous les yeux du peuple.
31 Et le peuple crut; ils apprirent que Yahweh avait visité les enfants d’Israël et qu’il avait vu leur souffrance; et, s’étant inclinés, ils adorèrent.

Chapitre 5

1 Ensuite Moïse et Aaron se rendirent auprès de Pharaon et lui dirent: ”Ainsi parle Yahweh, le Dieu d’Israël: Laisse aller mon peuple, pour qu’il célèbre une fête en mon honneur dans le désert.”
2 Pharaon répondit: ”Qui est Yahweh pour que j’obéisse à sa voix, en laissant aller Israël? Je ne connais pas Yahweh, et je ne laisserai pas aller Israël.”
3 Ils dirent: ”Le Dieu des Hébreux s’est présenté à nous. Permets-nous de faire trois journées de marche au désert, pour offrir des sacrifices à Yahweh, afin qu’Il ne nous frappe pas de la peste ou de l’épée.”
4 Mais le roi d’Egypte leur dit: ”Pourquoi, Moïse et Aaron, détournez- vous le peuple de son ouvrage? Allez à vos corvées!”
5 Pharaon dit: ”Voici que le peuple du pays est maintenant nombreux, et vous lui feriez interrompre ses corvées!”
6 Ce jour-là même, Pharaon donna cet ordre aux exacteurs du peuple et aux scribes:
7 ”Vous ne donnerez plus, comme on l’a fait jusqu’ici, de paille au peuple pour faire des briques; qu’ils aillent eux-mêmes ramasser de la paille.
8 Néanmoins vous lui imposerez la quantité de briques qu’ils faisaient auparavant, sans en rien retrancher, car ce sont des paresseux; voilà pourquoi ils crient, en disant: ”Nous voudrions aller faire des sacrifices à notre Dieu.
9 Qu’on charge de travail ces gens-là; qu’ils soient à la besogne et qu’ils ne prêtent plus l’oreille à des paroles de mensonge.”
10 Les exacteurs du peuple et les scribes vinrent donc dire au peuple: ”Ainsi parle Pharaon: Je ne vous donne plus de paille;
11 allez vous-mêmes prendre de la paille où vous en trouverez, car on ne retranchera rien de votre tâche.”
12 Le peuple se répandit dans tout le pays d’Egypte pour ramasser du chaume pour en faire de la paille hachée.
13 Les exacteurs les pressaient, en disant: ”Achevez vos travaux, ce qui est fixé pour chaque jour, comme lorsqu’on avait de la paille.”
14 On battit les scribes des enfants d’Israël, que les exacteurs de Pharaon avaient établis sur eux; on disait: ” Pourquoi n’avez-vous pas achevé hier et aujourd’hui votre tâche de briques, comme précédemment?
15 Les scribes des enfants d’Israël allèrent se plaindre à Pharaon, en disant: ”Pourquoi en agis-tu ainsi envers tes serviteurs?
16 On ne fournit pas de paille à tes serviteurs, et l’on nous dit: Faites des briques! Et voici, tes serviteurs sont battus, et ton peuple se trouve en faute.”
17 Pharaon répondit: ”Vous êtes des paresseux, des paresseux! Voilà pourquoi vous dites: Nous voudrions aller offrir des sacrifices à Yahweh.
18 Et maintenant, allez travailler; on ne vous donnera pas de paille, et vous livrerez la même quantité de briques.”
19 Les scribes des enfants d’Israël virent leur cruelle situation, puisqu’on leur disait: ”Vous ne retrancherez rien de vos briques; chaque jour la tâche du jour! ”
20 Ayant trouvé Moïse et Aaron, qui se tenaient là pour les attendre à leur sortie de chez Pharaon,
21 ils leur dirent: ” Que Yahweh vous voie, et qu’il juge, vous qui avez changé en aversion notre faveur aux yeux de Pharaon et de ses serviteurs, et qui avez mis dans leurs mains une épée pour nous tuer. ”
22 Alors Moïse retourna vers Yahweh, et dit: ”Seigneur, pourquoi avez-vous fait du mal à ce peuple? pourquoi donc m’avez-vous envoyé?
23 Depuis que je suis allé vers Pharaon pour parler en votre nom, il maltraite ce peuple, et vous n’avez en aucune manière délivré votre peuple.”

Chapitre 6

1 Yahweh dit à Moïse: ”Tu verras bientôt ce que je ferai à Pharaon: contraint par une main puissante, il les laissera aller; contraint par une main puissante. il les chassera de son pays.”
2 Dieu parla à Moïse. en disant: ”Je suis Yahweh.
3 Je suis apparu à Abraham, à Isaac et à Jacob comme Dieu tout-puissant mais sous mon nom de Yahweh, je ne me suis pas fait connaître à eux.
4 J’ai aussi établi mon alliance avec eux pour leur donner le pays de Chanaan, le pays de leurs pèlerinages, où ils ont séjourné en étrangers.
5 J’ai entendu le gémissement des enfants d’Israël que les Egyptiens tiennent dans la servitude, et je me suis souvenu de mon alliance.
6 C’est pourquoi dis aux enfants d’Israël: Je suis Yahweh; je vous affranchirai des corvées des Egyptiens, je vous délivrerai de leur servitude, et je vous sauverai avec un bras étendu et par de grands jugements.
7 Je vous prendrai pour mon peuple, je serai votre Dieu, et vous saurez que je suis Yahweh, votre Dieu, qui vous affranchis des corvées des Egyptiens.
8 Je vous ferai entrer dans le pays que j’ai juré de donner à Abraham, à Isaac et à Jacob; je vous le donnerai en possession: je suis Yahweh.”
9 Ainsi parla Moïse aux enfants d’Israël; mais ils n’écoutèrent pas Moïse, à cause de leur angoisse et de leur dure servitude.
10 Yahweh parla à Moïse, en disant:
11 ”Va parler à Pharaon, roi d’Egypte, pour qu’il laisse aller les enfants d’Israël hors de son pays.”
12 Moïse répondit en présence de Yahweh: ”Voici, les enfants d’Israël ne m’ont point écouté; comment Pharaon m’écoutera-t-il, moi qui ai la parole difficile?”
13 Yahweh parla à Moïse et à Aaron, et leur donna des ordres au sujet des enfants d’Israël et au sujet de Pharaon, roi d’Egypte, pour faire sortir les enfants d’Israël du pays d’Egypte.
14 Voici les chefs de leurs maisons: Fils de Ruben, premier-né d’lsraël: Hénoch, Phallu, Herson et Charmi; ce sont là les familles de Ruben.
15 Fils de Siméon: Jamuel, Jamin, Ahod, Jachin, Soar, et Saul, fils de la Chananéenne; ce sont là les familles de Siméon.
16 Voici les noms des fils de Lévi avec leurs postérités: Gerson, Caath et Mérari. Les années de la vie de Lévi furent de cent trente-sept ans.
17 — Fils de Gerson: Lobni et Séméi, selon leurs familles.
18 — Fils de Caath: Amram, Isaar, Hébron et Oziel. Les années de la vie de Caath furent de cent trente-trois ans. — Fils de Mérari: Moholi et Musi.
19 — Ce sont là les familles de Lévi avec leurs postérités.
20 Amram prit pour femme Jochabed, sa tante, qui lui enfanta Aaron et Moïse. Les années de la vie d’Amram furent de cent trente-sept ans.
21 — Fils d’Isaar: Coré, Nepheg et Zéchri.
22 Fils d’Oziel: Misaël, Elisaphan et Séthri.
23 Aaron prit pour femme Elisabeth, fille d’Aminadab, soeur de Naasson; et elle lui enfanta Nadab, Abiu, Eléazar et Ithamar.
24 Fils de Coré: Aser, Elcana et Abiasaph; ce sont là les familles des Corites.
25 Eléazar, fils d’Aaron, prit pour femme une des filles de Phuthiel, qui lui enfanta Phinées. Tels sont les chefs des maisons des Lévites, selon leurs familles.
26 Ce sont là l’Aaron et le Moïse auxquels Yahweh dit: ” Faites sortir du pays d’Egypte les enfants d’Israël selon leurs armées.”
27 Ce sont eux qui parlèrent à Pharaon, roi d’Egypte, pour faire sortir d’Egypte les enfants d’Israël; c’est ce Moïse et cet Aaron.
28 Lorsque Yahweh parla à Moïse dans le pays d’Egypte,
29 Yahweh dit à Moïse: ”Je suis Yahweh. Dis à Pharaon, roi d’Egypte, tout ce que je te dis.”
30 Et Moïse répondit en présence de Yahweh: ”Voici, j’ai la parole difficile; comment Pharaon m’écoutera-t-il?”

Chapitre 7

1 Yahweh dit à Moïse: ”Vois, j’ai fait de toi un dieu pour Pharaon, et Aaron, ton frère, sera ton prophète.
2 Toi, tu diras tout ce que je te commanderai, et Aaron, ton frère, parlera à Pharaon, pour qu’il laisse partir de son pays les enfants d’Israël.
3 Et moi, j’endurcirai le coeur de Pharaon, et je multiplierai mes signes et mes prodiges dans le pays d’Egypte.
4 Pharaon ne vous écoutera pas et je mettrai ma main sur l’Egypte, et je ferai sortir du pays d’Egypte mes armées, mon peuple, les enfants d’Israël, par de grands jugements.
5 Les Egyptiens connaîtront que je suis Yahweh, lorsque j’étendrai ma main sur l’Egypte et que je ferai sortir du milieu d’eux les enfants d’Israël.”
6 Moïse et Aaron firent ce que Yahweh leur avait ordonné; ainsi firent-ils. Moïse était âgé de quatre-vingts ans,
7 et Aaron de quatre-vingt-trois ans, lorsqu’ils parlèrent à Pharaon.
8 Yahweh dit à Moïse et à Aaron:
9 ” Lorsque Pharaon vous parlera, en disant: Faites un miracle, tu diras à Aaron: Prends ton bâton et jette-le devant Pharaon; il deviendra un serpent.”
10 Moïse et Aaron allèrent auprès de Pharaon, et ils firent ce que Yahweh avait ordonné. Aaron jeta son bâton devant Pharaon et devant ses serviteurs, et il devint un serpent.
11 Pharaon aussi appela ses sages et ses enchanteurs; et les magiciens d’Egypte, eux aussi, firent la même chose par leurs enchantements:
12 ils jetèrent chacun leur bâton, et ces bâtons devinrent des serpents. Mais le bâton d’Aaron engloutit leurs bâtons.
13 Et le coeur de Pharaon s’endurcit, et il n’écouta point Moïse et Aaron, selon que Yahweh l’avait dit.
14 Yahweh dit à Moïse: ”Le coeur de Pharaon est endurci; il refuse de laisser aller le peuple.
15 Va vers Pharaon dès le matin; voici qu’il sortira pour aller au bord de l’eau, et tu te tiendras pour l’attendre sur la rive du fleuve. Tu prendras en main le bâton qui a été changé en serpent,
16 et tu lui diras: Yahweh, Dieu des Hébreux, m’a envoyé vers toi pour te dire: Laisse aller mon peuple, afin qu’il me serve dans le désert. Et voici, jusqu’à présent tu n’as point écouté.
17 Ainsi dit Yahweh: A ceci tu connaîtras que je suis Yahweh: je vais frapper les eaux du fleuve avec le bâton qui est dans ma main, et elles seront changées en sang.
18 Les poissons qui sont dans le fleuve mourront, le fleuve deviendra infect, et les Egyptiens répugneront à boire de l’eau du fleuve.”
19 Yahweh dit à Moïse: ”Dis à Aaron: Prends ton bâton et étends ta main sur les eaux de l’Egypte, sur ses rivières, sur ses canaux, sur ses étangs et sur tous ses réservoirs d’eau. Elles deviendront du sang, et il y aura du sang dans tout le pays d’Egypte, dans les vases de bois comme dans les vases de pierre.”
20 Moïse et Aaron firent ce que Yahweh avait ordonné. Aaron, levant le bâton, frappa les eaux qui étaient dans le fleuve, sous les yeux de Pharaon et sous les yeux de ses serviteurs, et toutes les eaux du fleuve furent changées en sang.
21 Les poissons qui étaient dans le fleuve moururent, le fleuve devint infect, les Egyptiens ne pouvaient plus boire de l’eau du fleuve, et il y eut du sang dans tout le pays d’Egypte.
22 Mais les magiciens d’Egypte firent la même chose par leurs enchantements, et le coeur de Pharaon s’endurcit, et il n’écouta point Moïse et Aaron, selon que Yahweh l’avait dit.
23 Pharaon s’en retourna et, étant entré dans la maison, il n’appliqua point son coeur à ces choses.
24 Tous les Egyptiens creusèrent aux environs du fleuve pour trouver de l’eau potable, car ils ne pouvaient boire de l’eau du fleuve.
25 Il s’écoula sept jours, après que Yahweh eut frappé le fleuve.
26 Yahweh dit à Moïse: ”Va vers Pharaon, et tu lui diras: Ainsi dit Yahweh: Laisse aller mon peuple, afin qu’il me serve.
27 Si tu refuses de le laisser aller, voici que je vais frapper du fléau des grenouilles toute l’étendue de ton pays.
28 Le fleuve fourmillera de grenouilles; elles monteront et entreront dans ta maison, dans ta chambre à coucher et sur ton lit, dans la maison de tes serviteurs, et au milieu de ton peuple,
29 dans tes fours et dans tes pétrins; sur toi, sur ton peuple et sur tous tes serviteurs les grenouilles monteront.”

Chapitre 8

1 Yahweh dit à Moïse: ”Dis à Aaron: étends ta main avec ton bâton sur les rivières, sur les canaux et sur les étangs, et fais monter les grenouilles sur le pays l’Egypte.”
2 Aaron étendit sa main sur les eaux de l’Egypte, et les grenouilles montèrent et couvrirent le pays d’Egypte.
3 Mais les magiciens firent la même chose par leurs enchantements; ils firent monter les grenouilles sur le pays d’Egypte.
4 Pharaon appela Moïse et Aaron, et leur dit: ” Priez Yahweh afin qu’il éloigne les grenouilles de moi et de mon peuple, et je laisserai aller le peuple, pour qu’il offre des sacrifices à Yahweh.”
5 Moïse dit à Pharaon: ”Donne-moi tes ordres. Pour quand dois-je faire des prières en ta faveur, en faveur de tes serviteurs et de ton peuple, afin que Yahweh éloigne les grenouilles de toi et de tes maisons, de manière à ce qu’il n’en reste plus que dans le fleuve?” Il répondit:
6 ”Pour demain”. Et Moïse dit: ”Il en sera ainsi, afin que tu saches que nul n’est pareil à Yahweh, notre Dieu.
7 Les grenouilles se retireront de toi et de tes maisons, de tes serviteurs et de ton peuple; il n’en restera que dans le fleuve” .
8 Moïse et Aaron sortirent de chez Pharaon, et Moïse cria vers Yahweh au sujet des grenouilles dont il avait affligé Pharaon.
9 Yahweh fit selon la parole de Moïse, et les grenouilles moururent dans les maisons, dans les cours et dans les champs.
10 On les entassa en monceaux, et le pays en fut infecté.
11 Mais Pharaon, voyant qu’on respirait, endurcit son coeur, et il n’écouta point Moïse et Aaron, selon que Yahweh l’avait dit.
12 Yahweh dit à Moïse: ”Dis à Aaron: Etends ton bâton et frappe la poussière de la terre, et elle se changera en moustiques dans tout le pays d’Egypte.”
13 Ils firent ainsi; Aaron étendit sa main avec Son bâton et frappa la poussière de la terre, et les moustiques furent sur les hommes et sur les animaux. Toute la poussière de la terre fut changée en moustiques, dans tout le pays d’Egypte.
14 Les magiciens firent de même avec leurs enchantements, afin de produire des moustiques; mais ils ne le purent pas. Les moustiques étaient sur les hommes et sur les animaux.
15 Et les magiciens dirent à Pharaon: ”C’est le doigt d’un Dieu”. Et le coeur de Pharaon s’endurcit, et Il ne les écouta plus, selon que Yahweh l’avait dit.
16 Yahweh dit à Moïse: ”Lève-toi de bon matin et présente-toi devant Pharaon, au moment où il sort pour aller au bord de l’eau. Tu lui diras: Ainsi parle Yahweh: Laisse aller mon peuple afin qu’il me serve.
17 Si tu ne laisses pas aller mon peuple, je vais envoyer des scarabées contre toi, contre tes serviteurs, contre ton peuple et contre tes maisons; les maisons des Egyptiens seront remplies de scarabées, ainsi que la terre qu’ils habitent.
18 Mais je distinguerai, ce jour-là, le pays de Gessen, où mon peuple habite, et là il n’y aura point de scarabées, afin que tu saches que moi, Yahweh, je suis au milieu de cette terre.
19 J’établirai ainsi une différence entre mon peuple et ton peuple; c’est demain que ce signe aura lieu.”
20 Yahweh fit ainsi; il vint une multitude de scarabées dans la maison de Pharaon et de ses serviteurs, et tout le pays d’Egypte fut ravagé par les scarabées.
21 Pharaon appela Moïse et Aaron, et leur dit: ”Allez, offrez des sacrifices à votre Dieu dans ce pays.”
22 Moïse répondit: ”Il ne convient pas de faire ainsi, car c’est une abomination pour les Egyptiens que les sacrifices que nous offrons à Yahweh, notre Dieu; et si nous offrons, sous les yeux des Egyptiens, des sacrifices qui sont pour eux des abominations, ne nous lapideront-ils pas?
23 Nous irons à trois journées de marche dans le désert pour offrir des sacrifices à Yahweh, notre Dieu, selon qu’il nous le dira.”
24 Pharaon dit: ”Pour moi, je vous laisserai aller, pour offrir des sacrifices à Yahweh, votre Dieu, dans le désert; seulement ne vous éloignez pas trop dans votre marche. Faites des prières pour moi.”
25 Moïse répondit: Voici, je vais sortir de chez toi, et je prierai Yahweh, et demain les scarabées se retireront de Pharaon, de ses serviteurs et de son peuple. Mais que Pharaon ne trompe plus, en ne permettant pas au peuple d’aller offrir des sacrifices à Yahweh!”
26 Moïse sortit de chez Pharaon et pria Yahweh.
27 Et Yahweh fit selon la parole de Moïse, et les scarabées s’éloignèrent de Pharaon, de ses serviteurs et de son peuple; il n’en resta pas un seul,
28 Mais Pharaon endurcit son coeur cette fois encore, et il ne laissa pas aller le peuple.

Chapitre 9

1 Yahweh dit à Moïse: ”Va vers Pharaon et dis-lui: Ainsi parle Yahweh, le Dieu des Hébreux: Laisse aller mon peuple, afin qu’il me serve.
2 Si tu refuses de le laisser aller, et si tu le retiens encore,
3 voici que la main de Yahweh sera sur tes troupeaux qui sont dans les champs, sur les chevaux, sur les ânes, sur les chameaux, sur les boeufs et sur les brebis: ce sera une peste très meurtrière.
4 Yahweh fera une distinction entre les troupeaux d’Israël et les troupeaux des Egyptiens, et il ne périra rien de tout ce qui appartient aux enfants d’Israël.”
5 Yahweh fixa le moment, en disant: ” Demain Yahweh fera cela dans le pays.”
6 Et Yahweh fit ainsi dès le lendemain. Tout le bétail des Egyptiens périt, et il ne mourut pas une bête des troupeaux des enfants d’Israël.
7 Pharaon prit des informations, et voici, pas une bête des troupeaux d’Israël n’avait péri. Mais le coeur de Pharaon s’endurcit, et il ne laissa pas aller le peuple.
8 Yahweh dit à Moïse et à Aaron: ” Prenez plein vos mains de cendre de fournaise, et que Moïse la jette vers le ciel sous les yeux de Pharaon;
9 qu’elle devienne une fine poussière sur tout le pays d’Egypte, et qu’elle forme, dans tout le pays d’Egypte, sur les hommes et sur les animaux, des tumeurs bourgeonnant en pustules. ”
10 Ils prirent de la cendre de fournaise et se présentèrent devant Pharaon; Moïse la jeta vers le ciel, et elle produisit sur les hommes et sur les animaux des tumeurs bourgeonnant en pustules.
11 Les magiciens ne purent se tenir devant Moïse à cause des tumeurs, car les tumeurs étaient sur les magiciens, comme sur tous les Egyptiens.
12 Et Yahweh endurcit le coeur de Pharaon, et Pharaon n’écouta pas Moïse et Aaron, selon que Yahweh l’avait dit à Moïse.
13 Yahweh dit à Moïse: ”Lève-toi de bon matin et présente-toi devant Pharaon; tu lui diras: Ainsi parle Yahweh, Dieu des Hébreux: Laisse aller mon peuple, afin qu’il me serve.
14 Car, cette fois, je vais envoyer tous mes fléaux contre ton coeur, ainsi que sur tes serviteurs et sur ton peuple, afin que tu saches que nul n’est semblable à moi par toute la terre.
15 Si j’avais étendu ma main et que je t’eusse frappé de la peste, toi et ton peuple, tu aurais été effacé de la terre.
16 Mais à cette fin je t’ai laissé subsister, afin que tu voies ma puissance, et qu’on célèbre mon nom par toute la terre.
17 Tu te mets encore comme une barrière devant mon peuple pour ne pas le laisser aller!
18 Voici que, demain, à cette heure, je ferai pleuvoir une grêle si forte, qu’il n’y en a pas eu de semblable en Egypte depuis le jour où elle a été fondée jusqu’à présent.
19 Et maintenant fais mettre en sûreté ton bétail et tout ce que tu as dans les champs; car tous les hommes et tous les animaux qui se trouveront dans les champs et qui ne seront pas ramenés dans les maisons seront frappés de la grêle et périront.”
20 Ceux des serviteurs de Pharaon qui craignirent la parole de Yahweh firent retirer dans les maisons leurs serviteurs et leurs troupeaux.
21 Mais ceux qui n’appliquèrent pas leur coeur à la parole de Yahweh laissèrent leurs serviteurs et leurs troupeaux dans les champs.
22 Yahweh dit à Moïse: ” Etends ta main vers le ciel, afin qu’il tombe de la grêle dans tout le pays d’Egypte sur les hommes, sur les animaux et sur toutes les herbes des champs.”
23 Moïse étendit son bâton vers le ciel, et Yahweh envoya le tonnerre et la grêle, et le feu se précipitait sur la terre: Yahweh fit pleuvoir de la grêle sur le pays d’Egypte.
24 Il tomba de la grêle et du feu mêlé à la grêle; elle était si forte qu’il n’y en avait point eu de semblable dans tout le pays d’Egypte, depuis qu’il forme une nation.
25 La grêle frappa, dans tout le pays d’Egypte, tout ce qui était dans les champs, depuis les hommes jusqu’aux animaux; la grêle frappa aussi toutes les herbes des champs et brisa tous les arbres des champs.
26 Il n’y eut que dans le pays de Gessen, où étaient les enfants d’Israël, qu’il ne tomba pas de grêle.
27 Pharaon fit appeler Moïse et Aaron, et leur dit: ” Cette fois, j’ai péché; c’est Yahweh qui est juste, et moi et mon peuple qui sommes coupables.
28 Priez Yahweh, pour qu’il n’y ait plus de tonnerres et de grêle, et je vous laisserai aller et l’on ne vous retiendra plus.”
29 Moïse lui dit: ”En sortant de la ville, je lèverai mes mains vers Yahweh, et les tonnerres cesseront, et il n’y aura plus de grêle, afin que tu saches que la terre est à Yahweh.
30 Mais je sais que toi et tes serviteurs, vous ne craindrez pas encore Yahweh Dieu.”
31 Le lin et l’orge avaient, été frappés, car l’orge était en épis et le lin en fleurs;
32 mais le froment et l’épeautre n’avaient pas été frappés, parce qu’ils sont tardifs.
33 Moïse quitta Pharaon et sortit de la ville; il leva ses mains vers Yahweh, et les tonnerres et la grêle cessèrent, et la pluie ne tomba plus sur la terre.
34 Pharaon, voyant que la pluie, la grêle et les tonnerres avaient cessé, continua de pécher,
35 et il appesantit son coeur, lui et ses serviteurs. Le coeur de Pharaon s’endurcit, et il ne laissa pas aller les enfants d’Israël, selon que Yahweh l’avait dit par l’intermédiaire de Moïse.

Chapitre 10
1 Yahweh dit à Moïse: ”Va vers Pharaon, car j’ai appesanti son coeur et le coeur de ses serviteurs, afin d’opérer mes signes au milieu d’eux
2 et afin que tu racontes aux oreilles de ton fils et du fils de ton fils quelles grandes choses j’ai faites en Egypte et quels signes j’ai opérés au milieu d’eux; et vous saurez! que je suis Yahweh.”
3 Moïse et Aaron allèrent vers Pharaon et lui dirent: ” Ainsi parle Yahweh, le Dieu des Hébreux: Jusques à quand refuseras-tu de t’humilier devant moi? Laisse aller mon peuple, afin qu’il me serve.
4 Si tu refuses de laisser aller mon peuple, voici que je ferai venir demain des sauterelles dans toute l’étendue de ton pays.
5 Elles couvriront la face de la terre, et l’on ne pourra plus voir la terre; elles dévoreront le reste qui a échappé, ce que vous a laissé la grêle, et elles dévoreront tous les arbres qui croissent dans vos champs;
6 elles rempliront tes maisons, les maisons de tous tes serviteurs et celles de tous les Egyptiens. Tes pères et les pères de tes pères n’ont jamais vu pareille calamité depuis qu’ils existent sur la terre jusqu’à ce jour.” Moïse se retira et sortit de chez Pharaon.
7 Les serviteurs de Pharaon lui dirent: ”Jusques à quand cet homme sera-t-il pour nous un piège? Laisse aller ces gens, et qu’ils servent Yahweh leur Dieu. Ne vois-tu pas encore que l’Egypte va à sa ruine?”
8 On fit revenir Moïse et Aaron auprès de Pharaon, et il leur dit: ”Allez, servez Yahweh, votre Dieu. Qui sont ceux qui doivent y aller?”
9 Moïse répondit: ”Nous irons avec nos enfants et nos vieillards, avec nos fils et nos filles, avec nos brebis et nos boeufs; car c’est pour nous une fête en l’honneur de Yahweh.”
10 Pharaon leur dit: ”Que Yahweh soit avec vous, comme je vais vous laisser aller, vous et vos enfants! Prenez garde, car vous avez de mauvais desseins!
11 Non, non; allez, vous les hommes, et servez Yahweh, puisque c’est là ce que vous demandez.” Et on les chassa de devant Pharaon.
12 Yahweh dit à Moïse: ”Etends ta main sur le pays d’Egypte pour les sauterelles; qu’elles montent sur le pays d’Egypte; qu’elles dévorent toute l’herbe de la terre, tout ce que la grêle a laissé.”
13 Moïse étendit son bâton sur le pays d’Egypte, et Yahweh fit souffler sur le pays un vent d’orient tout ce jour-là et toute la nuit. Le matin venu, le vent d’orient avait apporté les sauterelles.
14 Les sauterelles montèrent sur tout le pays d’Egypte et se posèrent sur tout le territoire de l’Egypte, en si grande quantité, que jamais il n’y avait eu et qu’il n’y aura jamais rien de semblable.
15 Elles couvrirent la face de toute la terre, et la terre en fut assombrie; elles dévorèrent toute l’herbe de la terre et tous les fruits des arbres, ce que la grêle avait laissé, et il ne resta aucune verdure aux arbres ni à l’herbe des champs, dans tous le pays d’Egypte.
16 Pharaon appela aussitôt Moïse et Aaron, et dit: ” J’ai péché contre Yahweh, votre Dieu, et contre vous.
17 Mais pardonne mon péché encore cette fois seulement; et priez Yahweh, votre Dieu, afin qu’il éloigne de moi au moins ce fléau mortel.”
18 Moïse sortit de chez Pharaon et pria Yahweh.
19 Et Yahweh fit souffler un vent d’occident très fort, qui emporta les sauterelles et les poussa dans la mer Rouge; il ne resta pas une seule sauterelle dans toute l’étendue de l’Egypte.
20 –Yahweh endurcit le coeur de Pharaon, et Pharaon ne laissa point aller les enfants d’Israël.
21 Yahweh dit à Moïse: ”Etends ta main vers le ciel, et qu’il y ait des ténèbres sur le pays d’Egypte, qu’on palpe les ténèbres.”
22 Moïse étendit sa main vers le ciel, et il y eut d’épaisses ténèbres dans tout le pays d’Egypte, pendant trois jours.
23 Ils ne se voyaient. pas les uns les autres, et nul ne se leva de la place où il était, pendant trois jours; mais tous les enfants d’Israël avaient de la lumière dans les lieux qu’ils habitaient.
24 Pharaon appela Moïse, et dit: ”Allez, servez Yahweh. Vos brebis et. vos boeufs seuls resteront, et vos petits enfants mêmes pourront aller avec vous.”
25 Moïse répondit: ”Tu dois mettre entre nos mains de quoi faire des sacrifices et des holocaustes à Yahweh, notre Dieu.
26 Nos troupeaux viendront aussi avec nous; il n’en restera pas un ongle; car c’est d’eux que nous prendrons de quoi servir Yahweh, notre Dieu; et nous ne savons pas nous-mêmes, jusqu’à ce que nous soyons arrivés là, avec quoi nous devons servir Yahweh.”
27 Yahweh endurcit le coeur de Pharaon, et Pharaon ne voulut pas les laisser aller.
28 Pharaon dit à Moïse: ”Sors de chez moi! . Garde-toi de paraître encore en ma présence, car le jour où tu paraîtras en ma présence, tu mourras.”
29 Et Moïse répondit: ”Tu l’as dit: je ne paraîtrai plus devant toi.”

Chapitre 11
1 Yahweh dit à Moïse: ”Je ferai venir encore une seule plaie sur Pharaon et sur l’Egypte et, après cela, il vous laissera partir d’ici; et lorsqu’il vous laissera aller tout à fait, il vous chassera même d’ici.
2 Parle donc au peuple pour que chaque homme demande à son voisin et chaque femme à sa voisine des objets d’argent et des objets d’or.”
3 Et Yahweh fit trouver faveur au peuple aux yeux des Egyptiens; Moïse lui-même était très considéré dans le pays d’Egypte aux yeux des serviteurs de Pharaon et aux yeux du peuple.
4 Moïse dit: ”Ainsi parle Yahweh: Au milieu de la nuit je passerai au travers, de l’Egypte;
5 et tout premier-né dans le pays d’Egypte mourra, depuis le premier-né de Pharaon assis sur son trône, jusqu’au premier-né de la servante qui est derrière la meule, et tout premier-né du bétail.
6 Il y aura dans tout le pays d’Egypte une grande clameur, telle qu’il n’y en a point eu et qu’il n’y en aura plus de semblable.
7 Mais parmi tous les enfants d’Israël, personne, depuis les hommes jusqu’aux animaux, pas même un chien, ne remuera sa langue, afin que vous sachiez quelle différence Yahweh fait entre l’Egypte et Israël.
8 Alors tous tes serviteurs qui sont ici descendront vers moi et se prosterneront devant moi, en disant: Sors, toi et tout le peuple qui est à ta suite! Après quoi, je sortirai.” Et Moïse sortit de chez Pharaon en grande colère.
9 Yahweh dit à Moïse: ”Pharaon ne vous écoutera point, afin que mes prodiges se multiplient dans le pays d’Egypte.”
10 Moïse et Aaron opérèrent tous ces prodiges devant Pharaon, et Yahweh endurcit le coeur de Pharaon, et il ne laissa point aller les enfants d’Israël hors de son pays.

Chapitre 12
1 Yahweh dit à Moïse et à Aaron dans le pays d’Egypte:
2 ”Que ce mois-ci soit pour vous le commencement des mois; il sera pour vous le premier des mois de l’année.
3 Parlez à toute l’assemblée d’Israël, et dites: Le dixième jour de ce mois, que chacun prenne un agneau par famille, un agneau par maison.
4 Si la maison est trop peu nombreuse pour un agneau, on le prendra en commun avec le voisin le plus proche, selon le nombre des personnes; vous compterez pour cet agneau d’après ce que chacun peut manger.
5 Ce sera un agneau sans défaut, mâle, âgé d’un an; vous prendrez, soit un agneau, soit un chevreau.
6 Vous le garderez jusqu’au quatorzième jour de ce mois, et toute l’assemblée d’Israël l’immolera entre les deux soirs.
7 On prendra de son sang, et on en mettra sur les deux montants et sur le linteau de la porte, dans les maisons où on le mangera.
8 On en mangera la chair cette nuit-là; on la mangera rôtie au feu, avec des pains sans levain et des herbes amères.
10 Vous n’en mangerez rien cru ou bouilli dans l’eau, mais tout sera rôti au feu, tête, jambes et entrailles. Vous n’en laisserez rien jusqu’au matin, et, s’il en reste quelque chose, vous le brûlerez au feu.
11 Vous le mangerez ainsi: les reins ceints, les sandales aux pieds, et le bâton à la main, et vous le mangerez à la hâte. C’est la Pâque de Yahweh.
12 Je passerai cette nuit-là, par le pays d’Egypte, et je frapperai de mort tous les premiers-nés du pays d’Egypte, depuis les hommes jusqu’aux animaux, et j’exécuterai des jugements sur tous les dieux de l’Egypte, je suis Yahweh.
13 Le sang sera un signe en votre faveur sur les maisons où vous êtes: je verrai le sang et je passerai par-dessus vous, et il n’y aura point pour vous de plaie meurtrière quand je frapperai le pays d’Egypte.
14 Vous conserverez le souvenir de ce jour, et vous le célébrerez par une fête en l’honneur de Yahweh; vous le célébrerez de génération en génération comme une institution perpétuelle.
15 Pendant sept jours, vous mangerez des pains sans levain; dès le premier jour il n’y aura plus de levain dans vos maisons; car quiconque mangera du pain levé, du premier jour au septième, sera retranché d’Israël.
16 Le premier jour, vous aurez une sainte assemblée, et le septième jour, vous aurez une sainte assemblée. On ne fera aucun travail pendant ces jours-là; vous pourrez seulement préparer la nourriture de chacun.
17 Vous observerez des azymes, car c’est en ce jour même que j’ai fait sortir vos armées du pays d’Egypte. Vous observerez ce jour de génération en génération comme une institution perpétuelle.
18 Le premier mois, le quatorzième jour du mois, au soir, vous mangerez des pains sans levain jusqu’au soir du vingt et unième jour.
19 Sept jours durant, il ne doit pas se trouver de levain dans vos maisons, car quiconque mangera du pain levé sera retranché de l’assemblée d’Israël, que ce soit un étranger ou un indigène.
20 Vous ne mangerez point de pain levé; dans toutes vos demeures vous mangerez des pains sans levain.”
21 Moïse convoqua tous les anciens d’Israël, et leur dit: Choisissez et prenez un agneau pour vos familles, et immolez la Pâque.
22 Puis, prenant un bouquet d’hysope, vous le tremperez dans le sang qui sera dans le bassin, et vous toucherez avec le sang qui sera dans le bassin le linteau et les deux montants de la porte. Nul d’entre vous ne sortira de l’entrée de sa maison jusqu’au matin.
23 Yahweh passera pour frapper l’Egypte et, en voyant le sang sur le linteau et sur les deux montants, Yahweh passera vos portes, et il ne permettra pas au Destructeur d’entrer dans vos maisons pour frapper.
24 Vous observerez cet ordre comme une institution pour vous et pour vos enfants à perpétuité.
25 Lorsque vous serez entrés dans le pays que Yahweh vous donnera, selon sa promesse, vous observerez ce rite sacré.
26 Et quand vos enfants vous diront: Quelle signification a pour vous ce rite sacré?
27 vous répondrez: C’est un sacrifice de Pâque en l’honneur de Yahweh, qui a passé par-dessus les maisons des enfants d’Israël en Egypte, lorsqu’Il frappa l’Egypte et sauva nos maisons.” Le peuple s’inclina et se prosterna.
28 Et les enfants d’Israël s’en allèrent et firent ce que Yahweh avait ordonné à Moïse et à Aaron; ainsi firent-ils.
29 Au milieu de la nuit, Yahweh frappa tous les premiers-nés dans le pays d’Egypte, depuis le premier-né de Pharaon assis sur son trône, jusqu’au premier-né du captif dans sa prison, et à tous les premiers-nés des animaux.
30 Pharaon se leva pendant la nuit, lui et tous ses serviteurs, et tous les Egyptiens, et il y eut une grande clameur en Egypte, car il n’y avait point de maison où il n’y eût un mort.
31 Dans la nuit même, Pharaon appela Moïse et Aaron, et leur dit: ”Levez-vous, sortez du milieu de mon peuple, vous et les enfants d’Israël, et allez servir Yahweh, comme vous l’avez dit.
32 Prenez vos brebis et vos boeufs, comme vous l’avez dit;
33 allez, et bénissez-moi.” Les Egyptiens pressaient vivement le peuple, ayant hâte de le renvoyer du pays, car ils disaient: ”Nous sommes tous morts!”
34 Le peuple emporta sa pâte avant qu’elle fût levée; Ayant serré dans leurs manteaux les corbeilles, ils les mirent sur leurs épaules.
35 Les enfants d’Israël firent selon la parole de Moïse; ils demandèrent aux Egyptiens des objets d’argent, des objets d’or et des vêtements.
36 Et Yahweh avait fait trouver au peuple faveur aux yeux des Egyptiens, qu’ils accueillirent leur demande. Et ils dépouillèrent les Egyptiens.
37 Les enfants d’Israël partirent de Ramsès pour Socoth, au nombre d’environ six cent mille piétons, sans les enfants.
38 En outre, une grande multitude de gens de toute sorte monta avec eux; ils avaient aussi des troupeaux considérables de brebis et de boeufs.
39 Ils cuisirent en galettes non levées la pâte qu’ils avaient emportée d’Egypte; car elle n’était pas levée, parce qu’ils avaient été chassés d’Egypte sans pouvoir tarder, ni prendre de provisions avec eux.
40 Le séjour des enfants d’Israël en Egypte fut de quatre cents trente ans.
41 Et au bout de quatre cent trente ans, ce jour-là même, toutes les armées de Yahweh sortirent du pays d’Egypte.
42 Ce fut une nuit de veille pour Yahweh quand Il fit sortir Israël du pays d’Egypte; cette même nuit sera une veille en l’honneur de Yahweh, pour tous les enfants d’Israël selon leurs générations.
43 Yahweh dit à Moïse et à Aaron: ”Voici une ordonnance au sujet de la Pâque: Aucun étranger n’en mangera.
44 Tu circonciras tout esclave acquis à prix d’argent, et il en mangera;
45 mais le domicilié et le mercenaire n’en mangeront point.
46 On ne la mangera que dans la maison; vous n’emporterez point de chair hors de la maison, et vous ne briserez aucun os.
47 Toute l’assemblée d’Israël fera la Pâque.
48 Si un étranger séjournant chez toi veut faire la Pâque de Yahweh, tout mâle de sa maison devra être circoncis, et alors il s’approchera pour la faire, et il sera comme l’indigène du pays mais aucun incirconcis n’en mangera.
49 Une même loi sera pour l’indigène et pour l’étranger séjournant au milieu de vous.
50 Tous les enfants d’Israël firent ce que Yahweh avait ordonné à Moïse et à Aaron; ainsi firent-ils.
51 Et ce même jour, Yahweh fit sortir du pays d’Egypte les enfants d’Israël selon leurs armées.

Chapitre 13
1 Yahweh parla à Moïse, en disant:
2 ”Consacre-moi tout premier-né, tout premier-né parmi les enfants d’Israël, aussi bien des hommes que des animaux; il m’appartient.”
3 Moïse dit au peuple: ”Souvenez-vous du jour où vous êtes sortis d’Egypte, de la maison de servitude; car c’est par la puissance de sa main que Yahweh vous en a fait sortir. On ne mangera point de pain levé.
4 Vous sortez aujourd’hui, dans le mois des épis.
5 Quand Yahweh t’aura fait entrer dans le pays des Chananéens, des Héthéens, des Amorrhéens, des Hévéens et des Jébuséens, qu’il a juré à tes pères de te donner, pays où coulent le lait et le miel, tu observeras ce rite dans ce même mois.
6 Pendant sept jours, tu mangeras des pains sans levain, et le septième jour, il y aura une fête en l’honneur de Yahweh.
7 On mangera des pains sans levain pendant les sept jours; on ne verra pas chez toi de pain levé, on ne verra pas chez toi de levain, dans toute l’étendue de ton pays.
8 Tu diras alors à ton fils: C’est en mémoire de ce que Yahweh a fait pour moi, lorsque je suis sorti d’Egypte.
9 Ce sera pour toi comme un signe sur ta main et comme un souvenir entre tes yeux, afin que la loi de Yahweh soit dans ta bouche; car c’est par sa main puissante que Yahweh t’a fait sortir d’Egypte.
10 Tu observeras cette ordonnance au temps fixé, d’année en année.
11 Quand Yahweh t’aura fait entrer dans le pays des Chananéens, comme il l’a juré à toi et à tes pères, et qu’il te l’aura donné,
12 tu consacreras à Yahweh tout premier-né, même tout premier-né des animaux qui seront à toi: les mâles appartiennent à Yahweh.
13 Tu rachèteras avec un agneau tout premier-né de l’âne, et, si tu ne le rachètes pas, tu lui briseras la nuque. Tu rachèteras aussi tout premier-né de l’homme parmi tes fils.
14 Et lorsque ton fils t’interrogera un jour, en disant: Que signifie cela? tu lui répondras: Par sa main puissante Yahweh nous a fait sortir d’Egypte, de la maison de servitude.
15 Comme Pharaon s’obstinait à ne point nous laisser aller, Yahweh fit mourir tous les premiers-nés dans le pays d’Egypte, depuis les premiers-nés des hommes jusqu’aux premiers-nés des animaux. Voilà pourquoi j’offre en sacrifice à Yahweh tout mâle premier-né des animaux, et je rachète tout premier-né de mes fils.
16 Ce sera comme un signe sur ta main et comme des fronteaux entre tes yeux; car c’est par la puissance de sa main que Yahweh nous a fait sortir d’Egypte.
17 Lorsque Pharaon laissa aller le peuple, Dieu ne le conduisit point par le chemin du pays des Philistins, quoique le plus court; car Dieu dit: ”Le peuple pourrait se repentir en voyant la guerre, et retourner en Egypte.”
18 Mais Dieu fit faire au peuple un détour par le chemin du désert, vers la mer Rouge. Les enfants d’Israël montèrent en bon ordre hors du pays d’Egypte.
19 Moïse prit avec lui les os de joseph; car joseph avait fait jurer les enfants d’Israël, en disant: ”Dieu vous visitera, et vous emporterez avec vous mes os loin d’ici.”
20 Etant sortis de Socoth, ils campèrent à Etham, l’extrémité du désert.
21 Yahweh allait devant eux, le jour dans une colonne de nuée, pour les guider dans leur chemin, et la nuit dans une colonne de feu, pour les éclairer, afin qu’ils pussent marcher le jour et la nuit.
22 La colonne de nuée ne se retira point de devant le peuple pendant le jour, ni la colonne de feu pendant la nuit.

Chapitre 14
1 Yahweh parla à Moïse, en disant:
2 ”Parle aux enfants d’Israël; qu’ils changent de direction et qu’ils viennent camper devant Phihahiroth, entre Magdalum et la mer, vis-à-vis de Beelséphon; vous camperez en face de ce lieu, près de la mer.
3 Pharaon dira des enfants d’Israël: Ils sont égarés dans le pays; le désert les tient enfermés.
4 Et j’endurcirai le coeur de Pharaon, et il les poursuivra; je ferai éclater ma gloire dans Pharaon et dans toute son armée, et les Egyptiens sauront que je suis Yahweh.” Et les enfants d’Israël firent ainsi.
5 On annonça au roi d’Egypte que le peuple avait pris la fuite. Alors le coeur de Pharaon et celui de ses serviteurs furent changés à l’égard du peuple; ils dirent: ”Qu’avons-nous fait de laisser aller Israël et de nous priver de ses services?”
6 Et Pharaon fit atteler son char, et il prit son peuple avec lui.
7 Il prit six cents chars d’élite, et tous les chars de l’Egypte, et sur tous. Il y avait des chefs.
8 Yahweh endurcit le coeur de Pharaon, roi d’Egypte, et Pharaon poursuivit les enfants d’Israël; et les enfants d’Israël étaient sortis par une main élevée.
9 Les Egyptiens les poursuivirent donc et les atteignirent comme ils étaient campés près de la mer; tous les chevaux des chars de Pharaon, ses cavaliers et son armée les atteignirent près de Phihahiroth, vis-à-vis de Beelsephon.
10 Pharaon approchait. Les enfants d’Israël levèrent les yeux, et voici, les Egyptiens étaient en marche derrière eux; et les enfants d’Israël, saisis d’une grande frayeur, poussèrent des cris vers Yahweh. Ils dirent à Moïse:
11 ”N’y avait-il donc pas des sépulcres en Egypte, que tu nous aies menés mourir au désert? Que nous as-tu fait, en nous faisant sortir d’Egypte?
12 N’est-ce pas là ce que nous te disions en Egypte: Laisse-nous servir les Egyptiens, car il vaut mieux pour nous servir les Egyptiens que de mourir au désert?”
13 Moïse répondit au peuple: ”N’ayez point de crainte, restez en place, et regardez le salut que Yahweh va vous accorder en ce jour; car les Egyptiens que vous voyez aujourd’hui, vous ne les reverrez jamais.
14 Yahweh combattra pour vous, et vous, tenez-vous tranquilles.”
15 Yahweh dit à Moïse: ”Pourquoi cries-tu vers moi? Dis aux enfants d’Israël de se mettre en marche.
16 Toi, lève ton bâton, étends ta main sur la mer, et divise-la; et les enfants d’Israël entreront au milieu de la mer à sec.
17 Et moi, je vais endurcir le coeur des Egyptiens pour qu’ils y entrent après eux, et je ferai éclater ma gloire dans Pharaon et dans toute son armée, ses chars et ses cavaliers.
18 Et les Egyptiens sauront que je suis Yahweh, quand j’aurai fait éclaté ma gloire sur Pharaon, ses chars et ses cavaliers.”
19 L’ange de Dieu, qui marchait devant le camp d’Israël, partit et alla derrière eux; et la colonne de nuée qui les précédait, partit et se tint derrière eux.
20 Elle vint se mettre entre le camp des Egyptiens et le camp d’Israël, et cette nuée était ténébreuse d’un côté, et de l’autre elle éclairait la nuit; et les deux camps n’approchèrent point l’un de l’autre pendant toute la nuit.
21 Moïse ayant étendu sa main sur la mer, Yahweh refoula la mer par un vent impétueux d’orient qui souffla toute la nuit; il mit la mer à sec, et les eaux se divisèrent.
22 Les enfants d’Israël entrèrent au milieu de la mer à sec, et les eaux formaient pour eux une muraille à leur droite et à leur gauche.
23 Les Egyptiens les poursuivirent, et tous les chevaux de Pharaon, ses chars et ses cavaliers, entrèrent à leur suite au milieu de la mer.
24 A la veille du matin, Yahweh, dans la colonne de feu et de fumée, regarda le camp des Egyptiens, et jeta l’épouvante dans le camp des Egyptiens.
25 Il fit tomber les roues hors de leurs chars, qui n’avançaient plus qu’à grand’peine. Les Egyptiens dirent alors: ”Fuyons devant Israël, car Yahweh combat pour lui contre l’Egypte.”
26 Yahweh dit à Moïse: ”Etends ta main sur la mer, et les eaux reviendront sur les Egyptiens, sur leurs chars et sur leurs cavaliers.”
27 Moïse étendit sa main sur la mer, et, au point du jour, la mer reprit sa place habituelle; les Egyptiens en fuyant la rencontrèrent, et Yahweh culbuta les Egyptiens au milieu de la mer.
28 Les eaux, en revenant, couvrirent es chars, les cavaliers et toute l’armée de Pharaon qui étaient entrés dans la mer à la suite des enfants d’Israël,
29 et il n’en échappa pas un seul. Mais les enfants d’Israël avaient marché à sec au milieu de la mer, les eaux ayant formé pour eux une muraille à droite et à gauche.
30 En ce jour-là, Yahweh délivra Israël de la main des Egyptiens, et Israël vit sur le rivage de la mer les Egyptiens qui étaient morts.
31 Israël vit la main puissante que Yahweh avait montrée à l’égard des Egyptiens; et le peuple craignit Yahweh, et il crut à Yahweh et à Moïse, son serviteur.

Chapitre 15
1 Alors Moïse et les enfants d’Israël chantèrent ce cantique à Yahweh; ils dirent: Je chanterai à Yahweh, car il a fait éclater sa gloire: il a précipité dans la mer cheval et cavalier.
2 Yahweh est ma force et l’objet de mes chants; c’est lui qui m’a sauvé; c’est lui qui est mon Dieu: je le célébrerai; le Dieu de mon père: je l’exalterai.
3 Yahweh est un vaillant guerrier; Yahweh est son nom.
4 Il a jeté dans la mer les chars de Pharaon et son armée; l’élite de ses capitaines a été engloutie dans la mer Rouge.
5 Les flots les couvrent; ils sont descendus au fond des eaux comme une pierre.
6 Ta droite, ô Yahweh, s’est signalée par sa force, ta droite, ô Yahweh, a écrasé l’ennemi.
7 Dans la plénitude de ta majesté, tu renverses tes adversaires; tu déchaînes ta colère, elle les consume comme du chaume.
8 Au souffle de tes narines, les eaux se sont amoncelées. Les flots se sont dressés comme un monceau; les vagues se sont durcies au sein de la mer.
9 L’ennemi disait: ”Je poursuivrai, j’atteindrai, je partagerai les dépouilles, ma vengeance sera assouvie, je tirerai l’épée, ma main les détruira.”
10 Tu as soufflé de ton haleine, la mer les a couverts, ils se sont enfoncés, comme du plomb, dans les vastes eaux.
11 Qui est comme toi parmi les dieux, ô Yahweh? Qui est comme toi, auguste en sainteté, redoutable à la louange même, opérant des prodiges?
12 Tu as étendu ta droite, la terre les a engloutis.
13 Par ta grâce tu conduis ce peuple que tu as délivré; par ta puissance tu le diriges vers ta demeure sainte.
14 Les peuples l’ont appris, ils tremblent; la terreur s’empare des Philistins;
15 Déjà les princes d’Edom sont dans l’épouvante; l’angoisse s’empare des forts de Moab; tous les habitants de Chanaan ont perdu courage,
16 la terreur et la détresse tomberont sur eux; par la grandeur de ton bras, ils deviendront immobiles comme une pierre jusqu’à ce que ton peuple ait passé, ô Yahweh, jusqu’à ce qu’il ait passé, le peuple que tu as acquis.
17 Tu les amèneras et les établiras sur la montagne de ton héritage, au lieu dont tu as fait ta demeure, ô Yahweh, au sanctuaire, Seigneur, que tes mains ont préparé.
18 Yahweh règnera à jamais et toujours!
19 Car les chevaux de Pharaon, ses chars et ses cavaliers sont entrés dans la mer, et Yahweh a ramené sur eux les eaux de la mer; mais les enfants d’Israël ont marché à sec au milieu de la mer.
20 Marie, la prophétesse, soeur d’Aaron, prit à la main un tambourin, et toutes les femmes virent à sa suite avec des tambourins et en dansant.
21 Marie répondait aux enfants d’Israël: Chantez Yahweh, car il a fait éclater sa gloire: il a précipité dans la mer cheval et cavalier.
22 Moïse fit partir Israël de la mer Rouge. Ils s’avancèrent vers le désert du Sur, et marchèrent trois jours dans ce désert sans trouver d’eau.
23 Ils arrivèrent à Mara, mais ils ne purent boire l’eau de Mara, parce qu’elle était amère. C’est pourquoi ce lieu fut appelé Mara.
24 Le peuple murmura contre Moïse, en disant: ”que boirons-nous?”
25 Moïse cria à Yahweh, et Yahweh lui indiqua un bois; il le jeta dans l’eau, et l’eau devint douce. Là Yahweh donna au peuple un statut et un droit, et là il le mit à l’épreuve.
26 Il dit: ”Si tu écoutes la voix de Yahweh, ton Dieu, si tu fais ce qui est droit à ses yeux, si tu prêtes l’oreille à ses commandements, et si tu observes toutes ses lois, je ne mettrai sur toi aucune des maladies que j’ai mises sur les Egyptiens; car je suis Yahweh qui guérit.”
27 Ils arrivèrent à Elim, où il y avait douze sources d’eau et soixante-dix palmiers; et ils campèrent là, près de l’eau.

Chapitre 16
1 Ils partirent d’Elim, et toute l’assemblée des enfants d’Israël arriva au désert de Sin, qui est entre Elim et le Sinaï, le quinzième jour du second mois après leur sortie du pays d’Egypte.
2 Toute l’assemblée des enfants d’Israël murmura dans le désert contre Moïse et Aaron.
3 Les enfants d’Israël leur dirent: ”Que ne sommes-nous morts par la main de Yahweh dans le pays d’Egypte, quand nous étions assis devant les pots de viande, que nous mangions du pain à satiété? car vous nous avez amenés dans ce désert pour faire mourir de faim toute cette multitude.”
4 Yahweh dit à Moïse: ”Voici, je vais faire pleuvoir pour vous du pain du haut du ciel. Le peuple sortira et en ramassera jour par jour la provision nécessaire, afin que je le mette à l’épreuve, pour voir s’il marchera, ou non, dans ma loi.
5 Le sixième jour, ils prépareront ce qu’ils auront rapporté, et il y en aura le double de ce qu’ils en ramassent chaque jour.”
6 Moïse et Aaron dirent à tous les enfants d’Israël: ”Ce soir, vous reconnaîtrez que c’est Yahweh qui vous a fait sortir du pays d’Egypte;
7 et, au matin, vous verrez la gloire de Yahweh, car il a entendu vos murmures qui sont contre Yahweh; nous, que sommes-nous, pour que vous murmuriez contre nous?”
8 Moïse dit: ”Ce sera quand Yahweh vous donnera ce soir de la viande à manger et, au matin, du pain à satiété; car Yahweh a entendu les murmures que vous avez proférés contre lui. Nous, que sommes-nous? Ce n’est pas contre nous que sont vos murmures, c’est contre Yahweh.”
9 Moïse dit à Aaron: ”Dis à toute l’assemblée des enfants d’Israël: Approchez-vous devant Yahweh, car il a entendu vos murmures.”
10 Pendant qu’Aaron parlait à toute l’assemblée des enfants d’Israël, ils se tournèrent du côté du désert, et voici que la gloire de Yahweh apparut dans la nuée.
11 Yahweh parla à Moïse en ces termes:
12 ”J’ai entendu les murmures, des enfants d’Israël. Dis-leur: Entre les deux soirs vous mangerez de la viande, et au matin vous vous rassasierez de pain, et vous saurez que je suis Yahweh, votre Dieu.”
13 Le soir, on vit monter des cailles, qui couvrirent le camp, et le matin il y avait une couche de rosée autour du camp.
14 Quand cette rosée fut dissipée, voici qu’il y avait à la surface du désert quelque chose de menu, de granuleux, de menu comme le givre sur le sol.
15 Les enfants d’Israël le virent, et ils se dirent les uns aux autres: ”Qu’est-ce que cela?” car ils ne savaient pas ce que c’était. Moïse leur dit: ”C’est le pain que Yahweh vous donne pour nourriture.
16 Voici ce que Yahweh a ordonné: Que chacun de vous en ramasse ce qu’il faut pour sa nourriture, un gomor par tête, suivant le nombre des personnes; chacun en prendra pour ceux qui sont dans sa tente.”
17 Les enfants d’Israël firent ainsi, et ils recueillirent les uns plus, les autres moins.
18 On mesurait ensuite avec le gomor, et celui qui en avait ramassé beaucoup n’avait rien de trop, et celui qui en avait ramassé peu n’en manquait pas: chacun en recueillait selon sa consommation.
19 Moïse leur dit: ”Que personne n’en laisse jusqu’au lendemain matin”.
20 Ils n’écoutèrent pas Moïse, et des gens en gardèrent jusqu’au matin; mais il s’y mit des vers et tout devint infect. Moïse fut irrité contre eux.
21 Tous les matins, ils ramassaient de la manne, chacun selon sa consommation, et quand le soleil faisait sentir ses ardeurs, le reste se liquéfiait.
22 Le sixième jour, ils ramassèrent une quantité double de nourriture, deux gomors pour chacun. Tous les principaux du peuple vinrent en informer Moïse,
23 qui leur dit: ”C’est ce que Yahweh a ordonné. Demain est un jour de repos, un sabbat consacré à Yahweh: faites cuire au four ce que vous avez à faire cuire, faites bouillir ce que vous avez à faire bouillir, et tout ce qui restera, mettez-le en réserve pour le lendemain matin.”
24 Ils mirent donc l’excédant en réserve jusqu’au matin, comme Moïse l’avait ordonné, et il ne devint point infect, et les vers ne s’y mirent point.
25 Moïse dit: ”Mangez-le aujourd’hui, car c’est le jour du sabbat en l’honneur de Yahweh; aujourd’hui vous n’en trouveriez point dans la campagne.
26 Vous en recueillerez pendant six jours; mais le septième jour, qui est le sabbat, il n’y en aura point.”
27 Le septième jour, quelques-uns du peuple sortirent pour en ramasser, mais ils n’en trouvèrent pas.
28 Alors Yahweh dit à Moïse: ”jusques-à quand refuserez-vous d’observer mes commandements, et mes lois?
29 Voyez: c’est parce que Yahweh vous a donné le sabbat qu’il vous donne, le sixième jour, du pain pour deux jours. Que chacun reste à sa place, et que nul ne sorte le septième jour du ”lieu où il est.”
30 Et le peuple se reposa le septième jour.
31 La maison d’Israël donna à cette nourriture le nom de manne. Elle ressemblait à de la graine de coriandre; elle était blanche et avait le goût d’un gâteau de miel.
32 Moïse dit: ”Voici ce que Yahweh a ordonné: Emplis-en un gomor, pour la conserver pour vos descendants, afin qu’ils voient le pain dont je vous ai nourris dans le désert, lorsque je vous ai fait sortir du pays d’Egypte.”
33 Et Moïse dit à Aaron: ”Prends un vase, mets-y de la manne plein un gomor, et dépose-le devant Yahweh, afin qu’il soit conservé pour vos descendants.”
34 Comme Yahweh l’avait ordonné à Moïse, Aaron le déposa devant le Témoignage, afin qu’il fût conservé.
35 Les enfants d’Israël ont mangé la manne pendant quarante ans, jusqu’à leur arrivée dans un pays habité; ils ont mangé la manne jusqu’à leur arrivée aux frontières du pays de Chanaan.
36 Le gomor est la dixième partie de l’épha.

Chapitre 17

1 Toute l’assemblée des enfants d’Israël partit du désert de Sin, selon les marches que Yahweh lui ordonnait, et ils campèrent à Raphidim, où le peuple ne trouva point d’eau à boire.
2 Alors le peuple chercha querelle à Moïse, en disant: ”Donnez-nous de l’eau à boire.” Moïse leur répondit: ”Pourquoi me cherchez-vous querelle? Pourquoi tentez-vous Yahweh?”
3 Et le peuple était là, pressé par la soif, et il murmurait contre Moïse; il disait: ”Pourquoi nous as-tu fait monter hors d’Egypte, pour nous faire mourir de soif avec mes enfants et mes troupeaux?”
4 Moïse cria vers Yahweh, en disant: ”Que ferai-je pour ce peuple? Encore un peu, et ils me lapideront”
5 Yahweh dit à Moïse: ”Passe devant le peuple et prends avec toi des anciens d’Israël; prends aussi dans ta main ton bâton, avec lequel tu as frappé le fleuve, et va.
6 Voici, je me tiendrai devant toi sur le rocher qui est en Horeb; tu frapperas le rocher, et il en sortira de l’eau, et le peuple boira.” Moïse fit ainsi en présence des anciens d’Israël.
7 Et il donna à ce lieu le nom de Massah et Méribah, parce que les enfants d’Israël avaient contesté, et parce qu’ils avaient tenté Yahweh en disant: ”Yahweh est-il au milieu de nous, ou non?”
8 Amalec vint attaquer Israël à Raphidim.
9 Et Moïse dit à Josué: ”Choisis-nous des hommes, et va combattre Amalec; demain je me tiendrai sur le sommet de la colline, le bâton de Dieu dans ma main.”
10 Josué fit selon que lui avait dit Moïse, il combattit Amalec. Et Moïse, Aaron et Hur montèrent au sommet de la colline.
11 Lorsque Moïse tenait sa main levée, Israël était le plus fort, et lorsqu’il laissait tomber sa main, Amalec était le plus fort.
12 Comme les mains de Moïse étaient fatiguées, ils prirent une pierre, qu’ils placèrent sous lui, et il s’assit dessus; et Aaron et Hur soutenaient ses mains, l’un d’un côté, l’autre de l’autre; ainsi ses mains restèrent fermes jusqu’au coucher du soleil
13 . Et Josué défit Amalec et son peuple à la pointe de l’épée.
14 Yahweh dit à Moïse: ”Ecris cela en souvenir dans le livre, et déclare à Josué que j’effacerai la mémoire d’Amalec de dessous le ciel.”
15 Moïse construisit un autel, et le nomma Yahweh-Nessi et il dit:
16 ”Puisqu’on a levé la main contre le trône de Yahweh, Yahweh est en guerre contre Amalec d’âge en âge.”

Chapitre 18

1 Jéthro, prêtre de Madian. beau-père de Moïse, apprit tout ce que Dieu avait fait en faveur de Moïse et d’Israël, son peuple: que Yahweh avait fait sortir Israël d’Egypte.
2 Jéthro, beau-père de Moïse, prit Séphora, femme de Moïse, qui avait été renvoyée,
3 et les deux fils de Séphora, dont l’un se nommait Gersam, parce que Moïse avait dit: ”Je suis un étranger sur une terre étrangère”,
4 et l’autre s’appelait Eliézer, parce qu’il avait dit: ”Le Dieu de mon père m’a secouru, et il m’a délivré de l’épée de Pharaon.”
5 Jéthro, beau-père de Moïse, avec les fils et la femme de Moïse, vint donc vers lui au désert où il campait, à la montagne de Dieu.
6 Il fit dire à Moïse: ”Moi, ton beau-père, Jéthro, je viens vers toi, ainsi que ta femme et ses deux fils avec elle.”
7 Moïse sortit au-devant de son beau-père et, s’étant prosterné, il le baisa; puis ils s’informèrent réciproquement de leur santé, et ils entrèrent dans la tente de Moïse.
8 Moïse raconta à son beau-père tout ce que Yahweh avait fait à Pharaon et à l’Egypte à cause d’Israël, toutes les souffrances qui leur étaient survenues en chemin, et comment Yahweh les en avait délivrés.
9 Jéthro se réjouit de tout le bien que Yahweh avait fait à Israël, et de ce qu’il l’avait délivré de la main des Egyptiens. Et Jéthro dit:
10 ”Béni soit Yahweh qui vous a délivrés de la main des Egyptiens et de la main de Pharaon, et qui a délivré le peuple de la main des Egyptiens!
11 Je sais maintenant que Yahweh est plus grand que tous les dieux, car il s’est montré grand alors que les Egyptiens opprimaient Israël.”
12 Jéthro, beau-père de Moïse, offrit à Dieu un holocauste et des sacrifices. Aaron et tous les anciens d’Israël vinrent prendre part au repas, avec le beau-père de Moïse, en présence de Dieu.
13 Le lendemain, Moïse s’assit pour juger le peuple, et le peuple se tint devant lui depuis le matin jusqu’au soir.
14 Le beau-père de Moïse, voyant tout ce qu’il faisait pour le peuple, dit: ”Que fais-tu là pour ces gens? Pourquoi sièges-tu seul, et tout le peuple se tient-il devant toi depuis le matin jusqu’au soir?”
15 Moïse répondit à son beau-père: ”C’est que le peuple vient à moi pour consulter Dieu.
16 Quand ils ont quelque affaire, ils viennent à moi; je prononce entre eux, en faisant connaître les ordres de Dieu et ses lois.”
17 Le beau-père de Moïse lui dit: ”Ce que tu fais n’est pas bien.
18 Tu succomberas certainement, toi et le peuple qui est avec toi; car la tâche est au-dessus de tes forces, et tu ne saurais y suffire seul.
19 Maintenant, écoute ma voix; je vais te donner un conseil, et que Dieu soit avec toi! Toi, sois le représentant du peuple auprès de Dieu, et porte les affaires devant Dieu.
20 Apprends-leur les ordonnances et les lois, et fais-leur connaître la voie qu’ils doivent suivre et ce qu’ils doivent faire.
21 Maintenant choisis parmi tout le peuple des hommes capables et craignant Dieu, des hommes intègres, ennemis de la cupidité, et établis-les sur eux comme chefs de milliers, chefs de centaines, chefs de cinquantaines et chefs de dizaines.
22 Ils jugeront le peuple en tout temps, porteront devant toi toutes les causes importantes, et décideront eux-mêmes dans toutes les petites causes. Allège ainsi ta charge, et qu’ils la portent avec toi.
23 Si tu fais cela, et que Dieu te donne des ordres, tu pourras y tenir et tout ce peuple aussi viendra en paix en son lieu.”
24 Moïse écouta la voix de son beau-père et fit tout ce qu’il avait dit.
25 Moïse choisit dans tout Israël des hommes capables, et il les préposa au peuple comme chefs de milliers, chefs de centaines, chefs de cinquantaines et chefs de dizaines.
26 Ils jugeaient le peuple en tout temps; ils portaient devant Moïse toutes les affaires graves, et décidaient eux-mêmes toutes les petites causes.
27 Moïse prit congé de son beau-père, et Jéthro s’en retourna dans son pays.

Chapitre 19
1 Ce fut au troisième mois après que les enfants d’Israël furent sortis d’Egypte, en ce jour, qu’ils arrivèrent au désert de Sinaï.
2 Ils étaient partis de Raphidim; arrivés au désert de Sinaï, ils campèrent dans le désert; Israël campa là, vis-à-vis de la montagne.
3 Moïse monta vers Dieu, et Yahweh l’appela du haut de la montagne en disant: ”Tu parleras ainsi à la maison de Jacob et tu diras aux enfants d’Israël:
4 Vous avez vu ce que j’ai fait à l’Egypte, et comment je vous ai portés sur des ailes d’aigle et amenés vers moi.
5 Maintenant, si vous écoutez ma voix et si vous gardez mon alliance, vous serez mon peuple particulier parmi tous les peuples, car toute la terre est à moi;
6 mais vous, vous serez pour moi un royaume de prêtres et une nation sainte. Telles sont les paroles que tu diras aux enfants d’Israël.”
7 Moïse vint appeler les anciens du peuple, et il mit devant eux toutes ces paroles, selon que Yahweh le lui avait ordonné.
8 Le peuple tout entier répondit: ”Nous ferons tout ce qu’a dit Yahweh.” Moïse alla porter à Yahweh les paroles du peuple,
9 et Yahweh dit à Moïse: ”Voici, je vais venir à toi dans une nuée épaisse, afin que le peuple entende quand je parlerai avec toi, et qu’en toi aussi il ait foi à jamais.” Et Moïse rapporta à Yahweh les paroles du peuple.
10 Et Yahweh dit à Moïse: ”Va vers le peuple, et sanctifie-les aujourd’hui et demain, et qu’ils lavent leurs vêtements.
11 Qu’ils soient prêts pour le troisième jour; car le troisième jour Yahweh descendra, aux yeux de tout le peuple, sur la montagne de Sinaï.
12 Tu fixeras au peuple une limite à l’entour, en disant: Gardez-vous de monter sur la montagne ou d’en toucher le bord; quiconque touchera la montagne sera mis à mort.
13 On ne mettra pas la main sur lui, mais on le lapidera ou on le percera de flèches; bête ou homme, il ne doit pas vivre. Quand la trompette sonnera, ils monteront sur la montagne.”
14 Moïse descendit de la montagne vers le peuple; il sanctifia le peuple, et ils lavèrent leurs vêtements.
15 Puis il dit au peuple: ”Soyez prêts dans trois jours; ne vous approchez d’aucune femme.”
16 Le troisième jour au matin, il y eut des tonnerres, des éclairs, une nuée épaisse sur la montagne, et un son de trompe très fort, et tout le peuple qui était dans le camp trembla.
17 Moïse fit sortir le peuple du camp, à la rencontre de Dieu, et ils se tinrent au pied de la montagne.
18 La montagne de Sinaï était toute fumante, parce que Yahweh y était descendu au milieu d’eux, et la fumée s’élevait comme la fumée d’une fournaise, et toute la montagne tremblait fortement.
19 Le son de la trompe devenait de plus en plus fort. Moïse parla, et Dieu lui répondit par une voix.
20 Yahweh descendit sur la montagne de Sinaï, sur le sommet de la montagne, et Yahweh appela Moïse sur le sommet de la montagne, et Moïse monta.
21 Yahweh dit à Moïse: ”Descends, et défends expressément au peuple de rompre les barrières vers Yahweh pour regarder, de peur qu’un grand nombre d’entre eux ne périssent.
22 Que même les prêtres, qui s’approchent de Yahweh, se sanctifie, de peur que Yahweh ne les frappe de mort.”
23 Moïse dit à Yahweh: ”Le peuple ne pourra pas monter sur la montagne de Sinaï, puisque vous nous en avez fait la défense expresse, en disant: pose des limites autour de la montagne, et sanctifie-la.”
24 Yahweh lui dit: ”Va, descends, tu remonteras ensuite avec Aaron; mais que les prêtres et le peuple ne rompent point la barrière pour monter vers Yahweh, de peur qu’il ne les frappe de mort.”
25 Moïse descendit vers le peuple et lui dit ces choses.

Chapitre 20

1 Et Dieu prononça toutes ces paroles, en disant:
2 Je suis Yahweh, ton dieu, qui t’a fait sortir du pays d’Egypte, de la maison de servitude.
3 Tu n’auras pas d’autres dieux devant ma face.
4 Tu ne te feras pas d’image taillée, ni aucune figure de ce qui est en haut dans le ciel, ou de ce qui est en bas sur la terre, ou de ce qui est dans les eaux au-dessous de la terre.
5 Tu ne te prosterneras point devant elles et tu ne les serviras point. Car moi Yahweh, ton Dieu, je suis un Dieu jaloux, qui punis l’iniquité des pères sur les enfants, sur la troisième et sur la quatrième génération pour ceux qui me haïssent,
6 et faisant miséricorde jusqu’à mille générations, pour ceux m’aiment et qui gardent mes commandements.
7 Tu ne prendras point le nom de Yahweh, ton Dieu, en vain, car Yahweh ne laissera pas impuni celui qui prendra son nom en vain.
8 Souviens-toi du jour du sabbat pour le sanctifier.
9 Pendant six jours tu travailleras, et tu feras tout ton ouvrage.
10 Mais le septième jour est un sabbat consacré à Yahweh, ton Dieu: tu ne feras aucun ouvrage, ni toi, ni ton fils, ni ta fille, ni ton serviteur, ni ta servante, ni ton bétail, ni l’étranger qui est dans tes portes.
11 Car pendant six jours Yahweh a fait le ciel, la terre, la mer et tout ce qu’ils contiennent, et il s’est reposé le septième jour: c’est pourquoi Yahweh a béni le jour du sabbat et l’a sanctifié.
12 Honore ton père et ta mère, afin que tes jours soient prolongés dans le pays que Yahweh, ton Dieu, te donne.
13 Tu ne tueras point.
14 Tu ne commettras point d’adultère.
15 Tu ne déroberas point.
16 Tu ne porteras point de faux témoignages contre ton prochain.
17 Tu ne convoiteras point la maison de ton prochain; tu ne convoiteras point la femme de ton prochain, ni son serviteur, ni sa servante, ni son boeuf, ni son âne, ni rien de ce qui appartient à ton prochain.
18 Tout le peuple entendait les tonnerres et le son de la trompette; il voyait les flammes et la montagne fumante; à ce spectacle, il tremblait et se tenait à distance.
19 Ils dirent à Moïse: ”Parles-nous, toi, et nous écouterons; mais que Dieu ne nous parle point, de peur que nous ne mourrions.”
20 Moïse répondit au peuple: ”Ne vous effrayez pas, car c’est pour vous mettre à l’épreuve que Dieu est venu, et pour que sa crainte vous soit présente, afin que vous ne péchiez pas.”
21 Et le peuple resta à distance; mais Moïse s’approcha de la nuée où était Dieu.
22 Et Yahweh dit à Moïse: ”Tu parleras ainsi aux enfants d’Israël: vous avez vu que je vous ai parlé du ciel.
23 Vous ne ferez point à côté de moi des dieux d’argent e vous ne ferez point des dieux d’or.
24 Tu m’élèveras un autel de terre, sur lequel tu offriras tes holocaustes et tes sacrifices pacifiques, tes brebis et tes boeufs. Dans tous les lieux où j’aurai fait souvenir de mon nom, je viendrai vers toi, et je te bénirai.
25 Si tu m’élèves un autel de pierre, tu ne le construiras point en pierres taillées, car, en levant ton ciseau sur la pierre, tu la rendrais profane.
26 Tu ne monteras point par des degrés à mon autel, afin que ta nudité n’y soit pas découverte.

Chapitre 21
1 Voici les lois que tu leur donneras:
2 Quand tu achèteras un serviteur hébreu, il servira six années; la septième année, il sortira libre, sans rien payer.
3 S’il est entré seul, il sortira seul; s’il avait une femme, sa femme sortira avec lui.
4 Mais si c’est son maître qui lui a donné une femme, et qu’elle lui ait enfanté des fils et des filles, la femme et ses enfants appartiendront à son maître, et il sortira seul.
5 Si le serviteur dit: ”J’aime mon maître, ma femme et mes enfants; je ne veux pas sortir libre”,
6 alors son maître le conduira devant Dieu; puis, l’ayant fait approcher de la porte ou du poteau, son maître lui percera l’oreille avec un poinçon, et le serviteur sera pour toujours à son service.
7 Lorsqu’un homme aura vendu sa fille pour être servante, elle ne sortira point comme sortent les serviteurs.
8 Si elle déplaît à son maître, qui se l’était destinée, il permettra qu’on la rachète; mais il ne pourra pas la vendre à des étrangers, après lui avoir été infidèle.
9 S’il la destine à son fils, il la traitera selon le droit des filles.
10 Et s’il prend une autre femme, il ne retranchera rien à la première pour la nourriture, le vêtement et le couvert.
11 Et s’il ne fait pas pour elle ces trois choses, elle pourra sortir sans rien payer, sans donner d’argent.
12 Celui qui frappe un homme à mort doit être mis à mort.
13 Mais s’il ne lui a pas tendu d’embûches et que Dieu l’ait présenté à sa main, je te fixerai un lieu où il pourra se réfugier.
14 Mais si un homme agit méchamment contre son prochain pour le tuer par ruse, tu l’arracheras même de mon autel pour le faire mourir.
15 Celui qui frappe son père ou sa mère doit être mis à mort.
16 Celui qui dérobe un homme, soit qu’il le vende, soit qu’on le retrouve entre ses mains, doit être mis à mort.
17 Celui qui maudira son père ou sa mère sera puni de mort.
18 Lorsque des hommes se querellent, et que l’un en frappe un autre avec une pierre ou avec le poing, sans causer sa mort, mais en l’obligeant à tenir le lit,
19 celui qui l’aura frappé sera quitte, si l’autre en relève et qu’il puisse se promener, dehors avec son bâton; seulement, il le dédommagera de son chômage et il le fera soigner.
20 Quand un homme frappe du bâton son serviteur ou sa servante, et que ceux-ci meurent sous sa main, ils seront vengés.
21 Mais si le serviteur survit un jour ou deux, il ne sera pas vengé; car il est la propriété de son maître.
22 Lorsque des hommes se battent, et qu’ils heurtent une femme enceinte, s’ils la font accoucher, sans autre accident, le coupable sera passible d’une amende que lui imposera le mari de la femme, et qu’il paiera selon la décision des juges.
23 Mais s’il y a un accident, tu donneras vie pour vie, oeil pour oeil, dent pour dent,
24 main pour main, pied pour pied,
25 brûlure pour brûlure, blessure pour blessure, meurtrissure pour meurtrissure.
26 Si un homme donne un coup dans l’oeil de son serviteur ou de sa servante, et qu’il lui fasse perdre l’oeil, il le mettra en liberté en compensation de son oeil.
27 Et s’il fait tomber une dent à son serviteur ou à sa servante, il le mettra en liberté en compensation de sa dent.
28 Si un boeuf frappe de sa corne un homme ou une femme, et que la mort s’en suive, le boeuf sera lapidé, on n’en mangera pas la chair, mais le maître du boeuf sera quitte.
29 Mais si le boeuf frappait de la corne depuis longtemps, et que son maître, en ayant été averti, ne l’ait pas surveillé, le boeuf sera lapidé, s’il tue un homme ou une femme, et son maître aussi sera mis à mort.
30 Si on impose au maître un prix pour le rachat de sa vie, il paiera tout ce qui lui aura été imposé.
31 Si le boeuf frappe un fils ou une fille, on appliquera encore cette loi;
32 mais si le boeuf frappe un serviteur ou une servante, on paiera trente sicles d’argent au maître de l’esclave, et le boeuf sera lapidé.
33 Si un homme ouvre une citerne, ou bien si un homme creuse une citerne et ne la couvre pas, et qu’il y tombe un boeuf ou un âne, le possesseur de la citerne indemnisera:
34 il rendra au maître la valeur de la bête en argent, et la bête tuée sera pour lui.
35 Si le boeuf d’un homme frappe de la corne le boeuf d’un autre homme, et que la mort s’en suive, ils vendront le boeuf vivant et s’en partageront le prix; ils se partageront aussi le boeuf tué.
36 Mais s’il est reconnu que le boeuf frappait de la corne depuis longtemps, et que son maître ne l’ait pas surveillé, celui-ci indemnisera en donnant boeuf pour boeuf, et le boeuf tué sera pour lui.
37 Si un homme dérobe un boeuf ou un agneau et qu’il l’égorge ou le vende, il restituera cinq boeufs pour le boeuf, et quatre agneaux pour l’agneau.

Chapitre 22

1 Si le voleur est surpris la nuit faisant effraction, et qu’il soit frappé et meure, on n’est pas responsable du sang pour lui;
2 mais si le soleil est levé, on sera responsable du sang pour lui. — Le voleur fera restitution: s’il n’a rien, on le vendra pour ce qu’il a volé.
3 Si ce qu’il a volé, boeuf, âne ou brebis, se trouve encore vivant entre ses mains, il restituera le double.
4 Si un homme fait du dégât dans un champ ou dans une vigne, en laissant son bétail brouter le champ d’autrui, il donnera en dédommagement le meilleur de son champ et le meilleur de sa vigne.
5 Si un feu éclate et que, après avoir atteint les épines, il consume des gerbes, ou du blé sur pied, ou un champ, celui qui aura allumé l’incendie donnera un dédommagement.
6 Si un homme donne en garde à un autre de l’argent ou des objets, et qu’on les vole de la maison de ce dernier, le voleur, si on le trouve, restituera le double.
7 Si le voleur n’est. pas trouvé, le maître de la maison se présentera devant Dieu, pour déclarer s’il n’a pas mis la main sur le bien de son prochain.
8 Quel que soit le corps du délit, boeuf, âne, brebis, vêtement ou tout objet perdu, au sujet duquel on dira: ”C’est bien cela!” La cause des deux parties ira jusqu’à Dieu, et celui que Dieu aura condamné restituera le double à son prochain.
9 Si un homme donne en garde à un autre un boeuf, une brebis, une tête de bétail quelconque, et que l’animal meure, se casse un membre, ou soit enlevé, sans qu’il y ait de témoin,
10 le serment de Yahweh interviendra entre les deux parties, pour qu’on sache si le dépositaire n’a pas mis la main sur le bien de son prochain; et le propriétaire de la bête acceptera ce serment, et l’autre n’aura pas à indemniser.
11 Mais si la bête a été dérobée chez lui, il aura à indemniser le propriétaire.
12 Si elle a été déchirée par une bête féroce, il en produira les restes en témoignage, et il n’aura point à indemniser pour la bête déchirée.
13 Si un homme emprunte à un autre une bête, et qu’elle se casse un membre ou meure, son propriétaire n’étant pas présent, il y aura lieu à l’indemnité.
14 Si le propriétaire est présent, on n’indemnisera pas. Si la bête était louée, le prix de louage sera une compensation.
15 Si un homme séduit une vierge qui n’est pas fiancée, et couche avec elle, il paiera sa dot et la prendra pour femme.
16 Si le père refuse de la lui accorder, le séducteur paiera l’argent qu’on donne pour la dot des vierges.
17 Tu ne laisseras pas vivre la magicienne.
18 Quiconque a commerce avec une bête sera mis à mort.
19 Celui qui offre des sacrifices aux dieux, et non à Yahweh seul, sera voué à l’anathème.
20 Tu ne maltraiteras point l’étranger et tu ne l’opprimeras point, car. vous avez été des étrangers dans le pays d’Egypte.
21 Vous n’affligerez point la veuve ni l’orphelin.
22 Si tu les affliges, ils crieront vers moi,
23 et j’entendrai leur cri; ma colère s’enflammera, et je vous détruirai par l’épée, et vos femmes seront des veuves et vos enfants des orphelins.
24 Si tu prêtes de l’argent à quelqu’un de mon peuple, au pauvre qui est avec toi, tu ne seras point à son égard comme un créancier, tu n’exigeras pas de lui d’intérêt.
25 Si tu prends en gage le manteau de ton prochain, tu le lui rendras avant le coucher du soleil;
26 car c’est sa seule couverture, c’est le vêtement dont il s’enveloppe le corps; sur quoi coucherait-il? S’il crie vers moi, je l’entendrai car je suis compatissant.
27 Tu ne blasphémeras pas contre Dieu, et tu ne maudiras pas un prince de ton peuple.
28 Tu ne différeras point de m’offrir les prémices de ta moisson et de ton pressoir. Tu me donneras le premier-né de tes fils.
29 Tu feras de même du premier-né de ta vache et de ta brebis: il restera sept jours avec sa mère et le huitième jour tu me le donneras.
30 Vous serez pour moi des hommes saints; vous ne mangerez point la chair déchirée qui se trouvera dans les champs: vous la jetterez aux chiens.

Chapitre 23

1 Tu ne sèmeras pas de faux bruit; tu ne donneras pas la main à un méchant en lui servant de témoin à charge.
2 Tu ne suivras point la multitude pour faire le mal, et tu ne déposeras point dans un procès en te mettant du côté du grand nombre pour faire fléchir la justice.
3 Tu ne favoriseras pas non plus un faible dans son procès.
4 Si tu rencontres le boeuf de ton ennemi ou son âne égaré, tu ne manqueras pas de le lui ramener.
5 Si tu vois l’âne de celui qui te hait succombant sous sa charge, tu te garderas de l’abandonner; joins tes efforts aux siens pour le décharger.
6 Tu ne feras pas fléchir le droit du pauvre dans son procès.
7 Tu t’éloigneras d’une cause mensongère, et tu ne feras pas mourir l’innocent et le juste; car je n’absoudrai point un coupable.
8 Tu n’ac-cepteras pas de présents; car les présents aveuglent les clairvoyants et ruinent les causes justes.
9 Tu n’opprimeras pas l’étranger; vous savez ce que ressent l’étranger, car vous avez été étrangers dans le pays d’Egypte.
10 Pendant six années tu ensemenceras ta terre et tu en récolteras les produits.
11 Mais, la septième, tu les laisseras et les abandonneras; et les indigents de ton peuple les mangeront, et les bêtes des champs mangeront ce qui restera. Tu feras de même pour tes vignes et les oliviers.
12 Pendant six jours tu feras ton ouvrage; mais le septième jour tu te reposeras, afin que ton boeuf et ton âne aient du repos, et que le fils de ta servante et l’étranger respirent.
13 Vous prendrez garde à tout ce que je vous ai dit; vous ne prononcerez point le nom de dieux étrangers, et en n’en entendra pas sortir de votre bouche.
14 Trois fois chaque année tu célébreras une fête en mon honneur.
15 Tu observeras la fête des Azymes: pendant sept jours tu mangeras des pains sans levain, comme je t’en ai donné l’ordre, au temps fixé, au mois d’abib, car c’est dans ce mois que tu es sorti d’Egypte; et l’on ne se présentera pas les mains vides devant ma face.
16 Tu observeras la fête de la Moisson, des prémices de ton travail, de ce que tu auras semé dans les champs; et la fête de la Récolte, à la fin de l’an-née, quand tu recueilleras des champs le fruit de ton travail.
17 Trois fois l’année, tous tes mâles se présenteront devant le seigneur Yahweh.
18 Tu n’offriras pas avec du pain levé le sang de ma victime, et la graisse de ma fête ne sera pas gardée pendant la nuit jusqu’au matin.
19 Tu apporteras les prémices des premiers fruits de ton sol à la maison de Yahweh, ton Dieu. Tu ne feras pas cuire un chevreau dans le lait de sa mère.
20 Voici que j’envoie un ange devant toi, pour te garder dans le chemin et pour te faire arriver au lieu que j’ai préparé.
21 Sois sur tes gardes en sa présence et écoute sa voix; ne lui résiste pas, car il ne pardonnerait pas votre transgression, parce que mon nom est en lui.
22 Mais si tu écoutes sa voix, et si tu fais tout ce que je dirai, je serai l’ennemi de tes enne-mis et l’adversaire de tes adversaires.
23 Car mon ange marchera devant toi et te conduira vers les Amorrhéens, les Héthéens, les Phérézéens, les Chananéens, les Hévéens et les Jébuséens, et je les exterminerai.
24 Tu n’adoreras pas leurs dieux et tu ne les serviras pas; tu ne les imiteras pas dans leurs pratiques, mais tu renverseras et briseras leurs stèles.
25 Vous servirez Yahweh, votre Dieu, et il bénira ton pain et ton eau, et j’éloi-gnerai la maladie du milieu de toi.
26 il n’y aura dans ton pays ni femme qui perde son fruit, ni femme stérile; je remplirai le nombre de tes jours.
27 J’enverrai ma terreur devant toi, je jetterai dans la confusion tous les peuples chez lesquels tu arriveras, et je ferai tourner le dos devant toi à tous tes en-nemis.
28 J’enverrai devant toi les frelons, qui chasseront loin de ta face les Hévéens, les Chananéens et les Héthéens.
29 Je ne les chasserai pas de ta face en une seule année, de peur que le pays ne de-vienne un désert, et que les bêtes sau-vages ne se multiplient contre toi.
30 Je les chasserai peu à peu de devant toi, jus-qu’à ce que tu augmentes en nombre et que tu puisses occuper le pays.
31 J’éta-blirai tes limites depuis la mer Rouge jusqu’à la mer des Philistins, et depuis le désert jusqu’au fleuve; car je livrerai entre vos mains les habitants du pays, et tu les chasseras de devant toi.
32 Tu ne feras pas alliance avec eux, ni avec leurs dieux.
33 Ils n’habiteront pas dans ton pays, de peur qu’ils ne te fassent pécher contre moi; tu servirais leurs dieux, et ce serait un piège pour toi.”

Chapitre 24

1 Dieu dit à Moïse: ”Monte vers Yahweh, toi et Aaron, Nadab et Abiu, et soixante-dix des anciens d’Israël, et pros-ternez-vous de loin.
2 Moïse s’approchera seul de Yahweh; les autres ne s’appro-cheront pas, et le peuple ne montera pas avec lui.”
3 Moïse vint rapporter au peuple toutes les paroles de Yahweh et toutes les lois; et le peuple entier répondit d’une seule voix: ”Toutes les paroles qu’a dites Yah-weh, nous les accomplirons.”
4 Moïse écrivit toutes les paroles de Yahweh. Puis, s’étant levé de bon matin, il bâtit un autel au pied de la montagne, et dressa douze stèles pour les douze tribus d’Israël.
5 Il envoya des jeunes gens, enfants d’Israël, et ils offrirent à Yahweh des holo-caustes et immolèrent des taureaux en sacrifices d’actions de grâces.
6 Moïse prit la moitié du sang, qu’il mit dans des bassins, et il répandit l’autre moitié sur l’autel.
7 Ayant pris le livre de l’alliance, il le lut en présence du peuple, qui ré-pondit: ”Tout ce qu’a dit Yahweh, nous le ferons et nous y obéirons.”
8 Moïse prit le sang et en aspergea le peuple, en disant: ”Voici le sang de l’alliance que Yahweh a conclue avec vous sur toutes ces paroles.”
9 Moïse monta avec Aaron, Nadab et Abiu
10 et soixante-dix des anciens d’Israël; et ils virent le Dieu d’Israël: sous ses pieds était comme un ouvrage de brillants saphirs, pur comme le ciel même.
11 Et il n’étendit pas sa main sur les élus des en-fants d’Israël: ils virent Dieu, et ils man-gèrent et burent.
12 Yahweh dit à Moïse: ”Monte vers moi sur la montagne, et restes-y; je te donnerai les tables de pierre, la loi et les préceptes que j’ai écrits pour leur instruction.”
13 Moïse se leva, avec Josué, son serviteur, et Moïse monta vers la montagne de Dieu.
14 Il dit aux anciens: Atten-dez-nous ici, jusqu’à ce que nous reve-nions auprès de vous. Voici Aaron et Hur serons avec vous; si quelqu’un a un différend, qu’il s’adresse à eux.”
15 Moïse monta vers la montagne, et la nuée couvrit la montagne;
16 la gloire de Yahweh reposa sur la montagne de Sinaï, et la nuée la couvrit pendant six jours. Le septième ,jour, Yahweh appela Moïse du milieu de la nuée.
17 L’aspect de la gloire de Yahweh était, aux yeux des en-fants d’Israël, comme un feu dévorant sur le sommet de la montagne.
18 Moïse entra au milieu de la nuée, et monta à la montagne; et Moïse demeura sur la mon-tagne quarante jours et quarante nuits.

Chapitre 25

1 Yahweh parla à Moïse, en disant:
2 ”Dis aux enfants d’Israël de prélever pour moi une offrande; de tout homme qui la donnera de bon coeur vous recevrez pour moi l’offrande.
3 Voici l’of-frande que vous recevrez d’eux: de l’or, de l’argent et de l’airain;
4 de la pourpre violette, de la pourpre écarlate, du cra-moisi, du fin lin et du poil de chèvre;
5 des peaux de béliers teintes en rouge, des peaux de veaux marins et du bois d’acacia;
6 de l’huile pour le chandelier, des aromates pour l’huile d’onction et pour le parfum d’encensement;
7 des pierres d’onyx et d’autres pierres à enchâsser pour l’éphod et le pectoral.
8 Ils me feront un sanc-tuaire, et j’habiterai au milieu d’eux.
9 Vous vous conformerez à tout ce que je vais vous montrer, au modèle du taber-nacle, et au modèle de tous ses ustensiles.”
10 ”Ils feront une arche de bois d’acacia; sa longueur sera de deux coudées et demie, sa largeur d’une coudée et demie, et sa hauteur d’une coudée et demie.
11 Tu la revêtiras d’or pur, en dedans et en de-hors, et tu y feras une guirlande d’or tout autour.
12 Tu fondras pour elle quatre anneaux d’or, que tu mettras à ses qua-tre pieds, deux anneaux d’un côté et deux anneaux de l’autre.
13 Tu feras des barres de bois d’acacia, et tu les revêtiras d’or.
14 Tu passeras les barres dans les anneaux sur les côtés de l’arche, pour qu’elles ser-vent à porter l’arche.
15 Les barres resteront dans les anneaux de l’arche, et n’en seront point retirées.
16 Tu mettras dans l’arche le témoignage que je te donnerai.
17 Tu feras un propitiatoire d’or pur; sa longueur sera de deux coudées et demie, et sa largeur d’une coudée et demie.
18 Tu feras deux chérubins d’or; tu les feras d’or battu, aux deux extrémités du propitia-toire.
19 Fais un chérubin à l’une des extrémités et un chérubin à l’autre extrémité; vous ferez les chérubins sortant du propi-tiatoire à ses deux extrémités.
20 Les chérubins auront leurs ailes déployées vers le haut, couvrant de leurs ailes le propi-tiatoire, et se faisant face l’un à l’autre; les faces des Chérubins seront tournées vers le propitiatoire.
21 Tu mettras le propitiatoire au-dessus de l’arche, et tu met-tras dans l’arche le témoignage que je te donnerai.
22 Là je me rencontrerai avec toi et je te communiquerai, de dessus le propitiatoire, du milieu des deux chérubins qui sont sur l’arche du témoignage, tous les ordres que je te donnerai pour les enfants d’Israël.
23 Tu feras une table de bois d’acacia; sa longueur sera de deux coudées, sa largeur d’une coudée, et sa hauteur d’une coudée et demie.
24 Tu la revêtiras d’or pur, et tu y mettras une guirlande d’or tout autour.
25 Tu lui feras à l’entour un châssis d’une palme, et tu feras une guir-lande d’or au châssis, tout autour.
26 Tu feras pour la table quatre anneaux d’or; et tu mettras les anneaux aux quatre coins, qui seront à ses quatre pieds.
27 Les anneaux seront près du châssis, pour re-cevoir les barres qui doivent porter la ta-ble.
28 Tu feras les barres de bois d’acacia, et tu les revêtiras d’or; elles serviront à porter la table.
29 Tu feras ses plats, ses cassolettes, ses coupes et ses tasses ser-vant aux libations; tu les feras d’or pur.
30 Tu placeras sur la table les pains de proposition, perpétuellement devant ma face.
31 Tu feras un chandelier d’or pur; le chandelier, avec son pied et sa tige, sera fait d’or battu; ses calices, ses boutons et ses fleurs seront d’une même pièce.
32 Six branches sortiront de ses côtés; trois branches du chandelier de l’un de ses côtés, et trois branches du chandelier du second de ses côtés.
33 Il y aura sur la première branche trois calices en fleurs d’amandier, bouton et fleur, et sur la seconde branche trois calices en fleurs d’amandier, bouton et fleur; il en sera de même pour les six branches partant du chandelier.
34 A la tige du chan-delier, il y aura quatre calices en fleurs d’amandier, leurs boutons et leurs fleurs.
35 Il y aura un bouton sous les deux pre-mières branches partant de la tige du chandelier, un bouton sous les deux bran-ches suivantes partant de la tige du chan-delier, et un bouton sous les deux der-nières branches partant de la tige du chandelier, selon les six branches sortant de la tige du chandelier.
36 Ces boutons et ces branches seront d’une même pièce avec le chandelier; le tout sera une masse d’or battu, d’or pur.
37 Tu feras ses lampes, au nombre de sept, et on placera ses lampes sur les branches, de manière à éclairer en face.
38 Ses mouchettes et ses vases à cendre seront en or pur.
39 On emploiera un talent d’or pur pour faire le chandelier avec tous ses ustensiles.
40 Re-garde, et fais selon le modèle qui t’est montré sur la montagne.”

Chapitre 26

1 ”Tu feras la Demeure de dix tentures; tu les feras de lin retors, de pourpre violette, de pourpre écarlate et de cra-moisi, avec des chérubins, ouvrage d’ha-bile tisseur.
2 La longueur d’une tenture sera de vingt-huit coudées, et la largeur d’une tenture sera de quatre coudées; la dimension sera la même pour toutes les tentures.
3 Cinq de ces tentures se-ront jointes ensemble; les cinq autres seront aussi jointes ensemble.
4 Tu met-tras des lacets de pourpre violette au bord de la tenture terminant le premier assemblage; et tu feras de même au bord de la tenture terminant le second assemblage.
5 Tu feras cinquante lacets à la première tenture, et tu feras cin-quante lacets au bord de la tenture terminant le second assemblage, et ces lacets se correspondront les uns aux autres.
6 Tu feras cinquante agrafes d’or, avec lesquelles tu joindras les tentures l’une à l’autre, en sorte que la Demeure forme un seul tout.
7 Tu feras aussi des tentures de poil de chèvre pour former une tente sur la Demeure; tu feras onze de ces tentures.
8 La longueur d’une tenture sera de trente coudées, et la largeur d’une tenture sera de quatre coudées; la dimension sera la même pour les onze tentures.
9 Tu joindras à part cinq de ces tentures, et les six autres à part, et tu replieras la sixième tenture sur le devant de la tente.
10 Tu mettras cinquante lacets au bord de la tenture terminant le premier assemblage, et cinquante autres au bord de la tenture du second assemblage.
11 Tu feras cinquante agrafes d’airain, tu introduiras les agrafes dans les lacets, et tu assem-bleras ainsi la tente, qui formera un seul tout.
12 Quant à la partie qui sera de surplus dans les tentures de la tente, savoir la moitié de la tenture en plus, elle re-tombera sur le derrière de la Demeure,
13 et les coudées en excédent l’une d’un côté, l’autre de l’autre, sur la longueur des tentures de la tente, retomberont sur les côtés de la Demeure, l’une d’un côté, l’autre de l’autre, pour la couvrir.
14 Tu feras pour la tente une couverture en peaux de béliers teintes en rouge, et une couverture en peaux de veaux marins, par-dessus.
15 Tu feras aussi les planches pour la Demeure, des planches de bois d’acacia, posées debout. La longueur d’une planche sera de dix coudées, et la largeur d’une planche sera d’une coudée et demie.
17 Il y aura à chaque planche deux tenons, joints l’un à l’autre; tu feras de même pour toutes les planches de la Demeure.
18 Tu feras les planches pour la Demeure: vingt planches pour la face du midi, à droite.
19 Tu mettras sous les vingt planches quarante socles d’argent, deux socles sous chaque planche pour ses deux tenons.
20 Pour le second côté de la Demeure, le côté du nord, tu feras vingt planches,
21 ainsi que leurs quarante socles d’argent, deux socles sous chaque planche.
22 Tu feras six planches pour le fond de la Demeure, du côté de l’occident.
23 Tu feras deux planches pour les angles de la Demeure, dans le fond;
24 elles seront doubles depuis le bas, formant ensemble un seul tout jusqu’à leur sommet, jusqu’au premier anneau. Ainsi en sera-t-il pour toutes les deux; elles seront placées aux deux angles.
25 Il y aura ainsi huit planches, avec leurs socles d’argent, seize socles, deux socles sous chaque planche.
26 Tu feras des traverses de bois d’acacia, cinq pour les planches de l’un des côtés de la Demeure,
27 cinq traverses pour les planches du second côté de la Demeure, et cinq traverses pour les planches du côté de la Demeure qui en forme le fond, vers l’occident-.
28 La traverse du milieu s’étendra, le long des planches, d’une extrémité à l’autre.
29 Tu revêtiras d’or les planches, et tu feras d’or leurs anneaux qui doivent recevoir les traverses, et tu revêtiras d’or les traverses.
30 Tu dresseras la Demeure d’après le modèle qui t’a été montré sur la montagne.
31 Tu feras un voile de pourpre violette, de pourpre écarlate, de cramoisi et de lin retors; on y représentera des chérubins: ouvrage d’un habile tisseur.
32 Tu le suspendras à quatre colonnes de bois d’acacia, revêtues d’or, avec des crochets d’or et posées sur quatre socles d’argent.
33 Tu mettras le voile sous les agrafes, et c’est là, derrière le voile, que tu feras entrer l’arche du témoignage; le voile fera pour vous une séparation entre le Lieu saint et le Lieu très saint.
34 Tu placeras le propitiatoire sur l’arche du témoignage dans le Lieu très saint.
35 Tu placeras la table en dehors du voile, et le chandelier en face de la table, du côté méridional de la Demeure; et tu placeras la table du côté septentrional.
36 Tu feras pour l’entrée de la tente un rideau en pourpre violette, pourpre écar-late, cramoisi et lin retors, ouvrage d’un dessin varié.
37 Tu feras pour ce rideau cinq colonnes d’acacia, et tu tes revêtiras d’or; elles auront des crochets d’or, et tu fondras pour elles cinq socles d’airain.”

Chapitre 27
1 ”Tu feras l’autel en bois d’acacia; sa longueur sera de cinq coudées, et sa largeur de cinq coudées. L’autel sera carré, et sa hauteur sera de trois coudées.
2 A ses quatre coins, tu feras des cornes qui sortiront de l’autel, et tu le revêtiras d’airain.
3 Tu feras pour l’autel des vases pour recueillir les cendres, des pelles, des bassins, des fourchettes et des brasiers; tu feras d’airain tous ces ustensiles.
4 Tu feras à l’autel une grille d’airain en forme de treillis, et tu met-tras quatre anneaux d’airain aux quatre bouts du treillis.
5 Tu ta placeras sous la corniche de l’autel, par en bas, et le treillis sera jusqu’à la moitié de la hauteur de l’autel.
6 Tu feras pour l’autel des barres, des barres de buis d’acacia, que u revêtiras d’airain.
7 On passera ces barres dans les anneaux, et elles seront aux deux côtés de l’autel, quand on le transportera.
8 Tu le feras creux, en planches; on le fera comme il t’a été montré sur la montagne.”
9 ”Tu feras le parvis de la Demeure. Du côté du midi, à droite, il y aura, pour former le parvis des rideaux de lin re-tors, sur une longueur de cent coudées pour un côté, avec vingt colonnes et leurs vingt socles d’airain;
10 les crochets des colonnes et leurs tringles seront d’ar-gent.
11 De même, du côté du nord, il y aura des rideaux sur une longueur de cent coudées, avec vingt colonnes et leurs vingt socles d’airain; les crochets des colonnes et leurs tringles seront d’argent.
12 Du côté de l’occident, il y aura, pour la largeur du parvis, cinquante coudées de rideaux, avec dix colonnes et leurs dix socles.
13 Du côté de l’orient, sur le devant, le parvis aura une largeur de cinquante coudées;
14 et il y aura quinze coudées de rideaux pour un côté de la porte, avec trois colonnes et leurs trois socles,
15 et quinze coudées de rideaux pour le deuxième côté, avec trois co-lonnes et leurs trois socles.
16 Pour la porte du parvis, il y aura une tenture de vingt coudées, en pourpre violette, pourpre écarlate, cramoisi, et lin retors, avec dessin varié, ainsi que quatre colonnes avec leurs quatre socles.
17 Toutes les colonnes formant l’enceinte du parvis seront reliées par des tringles d’argent; elles auront des crochets d’argent et leurs socles seront d’airain.
18 La longueur du parvis sera de cent coudées, sa largeur de cinquante coudées de cha-que côté, et sa hauteur de cinq coudées; les rideaux seront de lin retors, et les socles d’airain.
19 Tous les ustensiles destinés au service de la Demeure, tous ses pieux et tous les pieux du parvis seront d’airain.”
20 ”Tu ordonneras aux enfants d’Israël de t’apporter pour le luminaire de l’huile d’olives concassées, pour entretenir les lampes continuellement.
21 Dans la tente de réunion, en dehors du voile qui est devant le témoignage, Aaron et ses fils la prépareront pour brûler du soir au matin en présence de Yahweh. C’est une loi perpétuelle, de génération en généra-tion pour les enfants d’Israël.”

Chapitre 28
1 ”Fais venir auprès de toi Aaron ton frère, et ses fils avec lui, du milieu des enfants d’Israël, pour qu’il soit prêtre à mon service: Aaron, Nadab, Abiu, Eléazar et Thamar, fils d’Aaron.
2 Tu feras à Aaron, ton frère, des vête-ments sacrés, pour marquer sa dignité et pour lui servir de parure.
3 Tu t’adres-seras à tous les hommes habiles que j’ai remplis d’un esprit de sagesse, et ils fe-ront les vêtements d’Aaron, afin qu’il soit consacré pour qu’il exerce mon sacer-doce.
4 Voici les vêtements qu’ils feront: un pectoral, un éphod, une robe, une tunique brodée, une tiare et une ceinture. Tels sont les vêtements sacrés qu’ils feront à Aaron, ton frère, et à ses fils, afin qu’ils soient prêtres à mon service.
5 Ils emploieront de l’or, de la pourpre violette, de la pourpre écarlate, du cramoisi et du fin lin.
6 Ils feront l’éphod d’or, de pourpre vio-lette, de pourpre écarlate, de cramoisi et de lin retors, mêlés dans un habile tissu.
7 Il aura deux épaulettes qui réuni-ront ses deux extrémités, et ainsi il sera joint.
8 La ceinture pour l’attacher en passant dessus sera du même travail et fera corps avec lui: elle sera d’or, de pourpre violette, de pourpre écarlate, de cramoisi et de lin retors.
9 Tu prendras deux pierres d’onyx, et tu y graveras les noms des fils d’Israël:
10 six de leurs noms sur une pierre, et les six autres noms sur la seconde pierre, selon l’ordre de leurs naissances.
11 Comme on taille les pierres précieuses et qu’on y grave des cachets, ainsi tu graveras sur les deux pierres les noms des enfants d’Israël, et tu les enchâsseras dans des chatons d’or.
12 Tu placeras les deux pierres sur les épaulettes de l’éphod compte pierres de souvenir pour les enfants d’Israël, et Aaron portera leurs noms sur ses deux épaules devant Yahweh en souvenir.
13 Tu feras des chatons d’or,
14 et deux chaînettes d’or pur, tressées en forme de cordons, et tu fixeras aux chatons les chaî-nettes en forme de cordons.
15 Tu feras un pectoral du jugement, artistement tra-vaillé; tu le feras du même travail que l’éphod; tu le feras d’or, de pourpre vio-lette, de pourpre écarlate, de cramoisi et de lin retors.
16 Il sera carré et double; sa longueur sera d’un empan et sa largeur d’un empan.
17 Tu y adapteras une garniture de pierreries, quatre rangées de pier-reries. Première rangée: une sardoine, une topaze, une émeraude;
18 deuxième rangée une escarboucle, un saphir, un diamant;
19 troisième rangée: une opale, une agate, une améthyste;
20 quatrième rangée: une chrysolithe, un onyx, un jaspe. Ces pierres seront enchâssées dans des rosettes d’or.
21 Les pierres seront selon les noms des fils d’Israël, douze selon leurs noms; elles seront gravées comme des cachets, chacune avec son nom, pour les douze tribus.
22 — Tu feras pour le pectoral des chaînettes d’or pur, tressées en forme de cordons.
23 Tu feras sur le pectoral deux anneaux d’or et tu mettras les deux an-neaux aux deux extrémités du pectoral.
24 Tu passeras les deux cordons d’or dans les deux anneaux, aux extrémités du pectoral;
25 et tu attacheras les deux bouts des deux cordons aux deux chatons, et tu les mettras sur les épaulettes de l’éphod, par devant.
26 — Tu feras encore deux anneaux d’or, que tu mettras aux deux extrémités inférieures du pectoral, sur le bord inté-rieur appliqué contre l’éphod.
27 Et tu feras deux autres anneaux d’or, que tu met-tras au bas des deux épaulettes de l’éphod, sur le devant, prés de son attache, au–dessus de la ceinture de l’éphod.
28 On attachera le pectoral par ses anneaux aux anneaux de l’éphod avec un ruban de pourpre violette, afin que le pectoral soit au-dessus de la ceinture de l’éphod; et le pectoral ne pourra pas se séparer de l’éphod.
29 C’est ainsi qu’Aaron lorsqu’il entrera dans le sanctuaire, portera sur son coeur les noms des fils d’Israël gravés sur le pectoral du jugement, en souvenir perpétuel devant Yahweh.
30 — Tu join-dras au pectoral du jugement l’Urim et le Thummin, et ils seront sur le coeur d’Aaron lorsqu’il se présentera devant Yahweh; et ainsi Aaron portera cons-tamment sur son coeur, devant Yahweh, le jugement des enfants d’Israël.
31 Tu feras la robe de l’éphod tout en-tière en pourpre violette.
32 Il y aura au milieu une ouverture pour la tête, et cette ouverture aura tout autour un re-bord tissé, comme à l’ouverture d’une cotte d’armes, afin que la robe ne se déchire pas.
33 Tu mettras au bord inférieur des grenades de pourpre violette, de pourpre écarlate et de cramoisi, sur le bord inférieur tout autour,
34 et des clochettes d’or au milieu d’elles tout autour: une clochette d’or et une grenade, une clochette d’or et une grenade sur le bord inférieur de la robe, tour autour.
35 Aaron s’en revêtira pour remplir son ministère, et l’on enten-dra le son des clochettes quand il entrera dans le sanctuaire devant Yahweh, et quand il en sortira, et il ne mourra point.
36 Tu feras une lame d’or pur, et tu y graveras, comme on grave sur un cachet: Sainteté à Yahweh.
37 Tu l’attacheras avec un ruban de pourpre violette pour qu’elle soit sur la tiare; elle sera sur le devant de la tiare.
38 Elle sera sur le front d’Aaron, et Aaron portera les fautes commises dans les choses saintes que consacreront les enfants d’Israël, en toute espèce de saintes offrandes; elle sera constamment sur son front devant Yahweh, pour qu’ils trouvent faveur de-vant Yahweh.
39 Tu feras la tunique en lin; tu feras une tiare de lin, et tu feras une ceinture de di-verses couleurs.
40 Pour les fils d’Aaron, tu feras des tuniques, tu leur feras des ceintures et tu leur feras des mitres, pour marquer leur dignité et pour leur servir de parure.
41 Tu revêtiras de ces ornements, Aaron, ton frère, et ses fils avec lui. Tu les oin-dras, tu les installeras et tu les consacre-ras, afin qu’ils soient prêtres à mon service.
42 Fais-leur des caleçons de lin, pour couvrir leur nudité; ils iront depuis les reins jusqu’aux cuisses.
43 Aaron et ses fils les porteront quand ils entreront dans la tente de réunion, ou quand ils s’approcheront de l’autel pour faire le service dans le sanc-tuaire; ainsi ils n’encourront point de faute et ne mourront point. C’est une loi perpétuelle pour Aaron et pour ses descendants après lui.

Chapitre 29

1 Voici ce que tu feras pour les consacrer à mon service comme prêtres.
2 Prends un jeune taureau et deux béliers sans défaut; des pains sans levain, des gâteaux sans levain pétris à l’huile, et des galettes sans levain arrosées d’huile: tu feras le tout de fleur de farine de fro-ment.
3 Tu les mettras dans une seule corbeille, et tu les présenteras dans la corbeille en même temps que tu présen-teras le jeune taureau et les deux béliers.
4 Tu feras avancer Aaron et ses fils à l’entrée de la tente de réunion, et tu les laveras avec de l’eau.
5 Puis, ayant pris les vêtements, tu revêtiras Aaron de la tunique, de la robe de l’éphod, de l’éphod et du pectoral, et tu lui mettras la ceinture de l’éphod.
6 Tu poseras la tiare sur sa tête, et tu mettras sur la tiare le diadème de sainteté.
7 Tu prendras l’huile d’onction, tu en répandras sur sa tête et tu l’oindras.
8 Tu feras approcher ses fils, et tu les revêtiras des tuniques.
9 Tu met-tras une ceinture à .Aaron et à ses fils et tu attacheras des mitres aux fils d’Aaron. Le sacerdoce leur appartiendra par une loi perpétuelle, et tu installeras Aaron et ses fils.
10 Tu amèneras le taureau devant la tente de réunion, et Aaron et ses fils poseront leurs mains sur la tête du taureau.
11 Tu égorgeras le taureau devant Yahweh, à l’entrée de la tente de réunion;
12 tu pren-dras du sang du taureau, tu en mettras avec ton doigt sur les cornes de l’autel, et tu répandras tout le sang au pied de l’autel.
13 Tu prendras toute la graisse qui couvre les entrailles, le réseau du foie et les deux rognons avec la graisse qui les entoure, et tu feras fumer tout cela sur l’autel.
14 Mais tu consumeras par le feu hors du camp la chair du taureau, sa peau et ses excréments: c’est un sacri-fice pour le péché.
15 Tu prendras l’un des béliers, et Aaron et ses fils poseront leurs mains sur la tête du bélier.
16 Tu égorgeras le bélier, tu en prendras le sang et tu le répan-dras sur l’autel tout autour.
17 Tu cou-peras le bélier par morceaux et, ayant lavé les entrailles et les jambes, tu les met-tras sur les morceaux et sur sa tête,
18 et tu feras fumer tout le bélier sur l’autel. C’est un holocauste à Yahweh, d’agréable odeur, un sacrifice par le feu pour Yahweh.
19 Tu prendras le second bélier, et Aaron et ses fils poseront leurs mains sur la tête du bélier.
20 Tu égorgeras le bélier et, ayant pris de son sang, tu en mettras sur le lobe de l’oreille droite d’Aaron et sur le lobe de l’oreille droite de ses fils, sur le pouce de leur main droite et sur le gros orteil de leur pied droit, et tu répandras le sang sur l’autel tout autour.
21 Tu prendras du sang qui sera sur l’autel et de l’huile d’onction, et tu en asper-geras Aaron et ses vêtements, ses fils et leurs vêtements avec lui. Et ainsi il sera consacré, lui et ses vêlements, ainsi que ses fils et les vêtements de ses fils avec lui.
22 Tu prendras la graisse du bélier, la queue, la graisse qui enveloppe les entrailles, le réseau du foie, les deux rognons et la graisse qui les entoure, et l’épaule droite, car c’est un bélier d’ins-tallation.
23 Tu prendras aussi, dans la corbeille des pains sans levain placée de-vant Yahweh, un gâteau de pain, un gâ-teau à l’huile et une galette.
24 Tu poseras toutes ces choses sur les paumes des mains d’Aaron et sur les paumes des mains de ses fils, et tu les balanceras comme of-frande balancée devant Yahweh.
25 Tu les ôteras ensuite de leurs mains et tu les feras brûler sur l’autel par-dessus l’holo-causte, en agréable odeur devant Yahweh: C’est un sacrifice par le feu pour Yahweh.
26 Tu prendras la poitrine du bélier qui aura servi à l’installation d’Aaron, et tu la balanceras comme offrande balancée de-vant Yahweh: ce sera ta portion.
27 Du bélier d’installation, de ce qui revient à Aaron et de ce qui revient à ses fils, tu consacreras ce qui aura été balancé et ce qui aura été élevé, savoir la poitrine balancée et l’épaule élevée:
28 ce sera pour Aaron et ses fils une redevance perpé-tuelle de la part des enfants d’Israël, car c’est une offrande élevée; et les enfants d’Israël auront à prélever une offrande sur leurs sacrifices d’actions de grâces, leur offrande prélevée pour Yahweh.
29 Les vêtements sacrés d’Aaron seront après lui pour ses fils, qui en seront re-vêtus lorsqu’on les oindra et qu’on les installera.
30 Sept jours durant, celui de ses fils qui sera prêtre à sa place les por-tera, celui qui entrera dans la tente de réunion pour faire le service dans le sanctuaire.
31 Tu prendras le bélier d’installation, et tu en feras cuire la chair dans un lieu saint.
32 Aaron et ses fils mangeront, à l’entrée de la tente de réunion, la chair du bélier et le pain qui sera dans la cor-beille.
33 Ils mangeront ainsi ce qui aura servi à faire l’expiation pour les instal-ler et les consacrer; nul étranger n’en mangera, car ce sont des choses saintes.
34 S’il reste jusqu’au lendemain de la chair de l’installation et du pain, tu brûleras ce reste, et on ne le mangera pas, car c’est une chose sainte.
35 Tu feras ainsi à l’égard d’Aaron et de ses fils, selon tous les ordres que je t’ai donnés. Tu les installeras pendant sept jours.
36 Tu offriras chaque jour un jeune taureau en sacrifice pour le péché, pour l’expiation; tu ôteras de l’autel le péché par cette expiation, et tu l’oindras pour le consacrer.
37 Pendant sept jours, tu feras l’expiation pour l’autel et tu le consacre-ras; et l’autel sera très saint, et tout ce qui touchera l’autel sera sacré.
38 Voici ce que tu offriras sur l’autel: deux agneaux d’un an, chaque jour, à perpétuité.
39 Tu offriras l’un de ces agneaux le matin, et tu offriras l’autre agneau entre les deux soirs.
40 Avec le premier agneau, tu offriras un dixième d’épha de fleur de farine pétrie avec un quart de hin d’huile d’olive concassée, et une liba-tion d’un quart de hin de vin.
41 Tu of-friras le second agneau entre les deux soirs, tu l’accompagneras d’une offrande et d’une libation semblables à celles du matin.
42 C’est un sacrifice d’agréable odeur, un sacrifice par le feu pour Yahweh: holo-causte perpétuel qui doit être offert par vous d’âge en âge, à l’entrée de la tente de réunion, devant Yahweh, là où je me rencontrerai avec vous, pour t’y parler.
43 Je me rencontrerai là avec les enfants d’Israël, et ce lieu sera consacré par ma gloire.
44 Je consacrerai la tente de réunion et l’autel, et je consacrerai Aaron et ses fils, pour qu’ils soient prêtres à mon ser-vice.
45 J’habiterai au milieu des enfants d’Israël, et je serai leur Dieu.
46 Ils connaîtront que moi, Yahweh, je suis leur Dieu, qui les ai fait sortir du pays d’Egypte, pour habiter au milieu d’eux, moi Yahweh, leur Dieu.

Chapitre 30

1 Tu feras un autel pour faire fumer l’encens, tu le feras de bois d’acacia; sa longueur sera d’une coudée,
2 et sa lar-geur d’une coudée; il sera carré, et sa hauteur de deux coudées; ses cornes feront corps avec lui.
3 Tu le revêtiras d’or pur, le dessus, les côtés tout autour et les cornes, et tu y feras une guirlande d’or tout autour.
4 Tu feras pour lui deux anneaux d’or, au-dessous de la guirlande, sur ses deux arêtes: tu les feras aux deux côtés, pour recevoir les barres qui serviront à le porter.
5 Tu feras les barres de bois d’acacia, et tu les revêtiras d’or.
6 Tu placeras l’autel en face du voile qui est devant l’arche du témoignage, en face du propitiatoire qui est sur le témoignage, là où je me rencontrerai avec toi.
7 Aaron y fera fumer l’encens; il le fera fumer chaque matin, lorsqu’il préparera les lampes,
8 et il le fera fumer entre les deux soirs, lorsqu’Aaron mettra les lampes sur le chandelier. Encens perpétuel devant Yahweh, parmi vos des-cendants.
9 Vous n’offrirez sur l’autel ni parfum profane, ni holocauste, ni offrande, et vous n’y répandrez pas de libation.
10 Aaron fera l’expiation sur les cornes de l’autel une fois chaque année; avec le sang de la victime expiatoire, il y fera l’expia-tion une fois l’an parmi vos descendants. Cet autel sera très saint à Yahweh.”
11 Yahweh parla à Moïse, en disant:
12 ”Quand tu compteras les enfants d’Israël pour en faire le recensement, ils donne-ront chacun à Yahweh une rançon pour leur âme, lorsqu’on les recensera, afin qu’ils ne soient frappés d’aucun fléau lors de leur recensement.
13 Voici ce que donneront tous ceux qui seront compris dans le dénombrement: un demi-sicle, selon le sicle du sanctuaire, qui est de vingt guéras; un demi-sicle sera le don levé pour Yahweh.
14 Tout homme compris dans le dénombrement, depuis l’âge de vingt ans et au-dessus, acquittera la contribution de Yahweh.
15 Le riche ne paiera pas plus, et le pauvre ne paiera pas moins d’un demi-sicle, pour acquitter la contribution de Yahweh, comme rançon de vos âmes.
16 Tu recevras des enfants d’Israël l’argent de la rançon, et tu l’appliqueras au service de la tente de réunion; il sera pour les enfants d’Israël un titre devant Yahweh pour la rançon de leurs âmes.”
17 Yahweh parla à Moïse en disant:
18 ”Tu feras une cuve d’airain, avec sa base d’airain, pour les ablutions; tu la placeras entre la tente de réunion et l’au-tel, et tu y mettras de l’eau ,
19 et Aaron et ses fils en prendront pour se laver les mains et les pieds.
20 Ils se laveront avec cette eau, afin qu’ils ne meurent point, et lorsqu’ils entreront dans la tente de réunion, et lorsqu’ils s’approcheront de l’au-tel pour faire le service, pour faire fumer un sacrifice à Yahweh.
21 Ils se laveront les pieds et les mains, et ils ne mourront pas. Ce sera une loi perpétuelle pour eux, pour Aaron et sa postérité d’âge en âge.”
22 Yahweh parla à Moïse, en disant:
23 ”Prends, parmi les meilleurs aromates, cinq cents sicles de myrrhe vierge, la moitié, soit deux cent cinquante sicles, de cinname statistique, deux cent cinquante sicles de canne odorante,
24 cinq cents si-cles de casse, selon le sicle du sanctuaire, et un hin d’huile d’olive.
25 Tu en feras une huile pour l’onction sainte, un parfum composé selon l’art du parfumeur: ce sera l’huile pour l’onction sainte.
26 Tu en oindras la tente de réunion et l’arche du témoignage,
27 la table et tous ses ustensiles, le chandelier et ses ustensiles,
28 l’autel des parfums, l’autel des holocaustes et tous ses ustensiles, et la cuve avec sa base.
29 Tu les consacre-ras, et ils seront très saints; tout ce qui les touchera sera saint.
30 Tu oindras Aaron et ses fils, et tu les consacreras, pour qu’ils me servent comme prêtres.
31 Tu parleras aux enfants d’Israël, en disant: Ce sera l’huile d’onction sainte, pour moi d’âge en âge.
32 On n’en répandra pas sur le corps d’un homme, et vous n’en ferez pas une semblable, de même composition; c’est une chose sacrée, et vous la regarderez comme chose sacrée.
33 Quiconque en composera de semblable, ou en mettra sur un étranger, sera re-tranché de son peuple.”
34 Yahweh dit à Moïse: ”Prends des aromates: résine, ongle odorant, galba-num; des aromates et de l’encens pur; ils seront en parties égales.
35 Tu en feras un parfum pour l’encensement, composé selon l’art du parfumeur; il sera salé, pur et saint.
36 Tu le réduiras en poudre, et tu en mettras devant le témoignage, dans la tente de réunion, où je me ren-contrerai avec toi.
37 Ce sera pour vous une chose très sainte. Le parfum que tu feras, vous n’en ferez pas pour vous de même composition; tu le regarderas comme une chose sacrée pour Yahweh.
38 Quiconque en fera de semblable, pour en respirer l’odeur, sera retranché de son peuple,”

Chapitre 31

1 Yahweh parla à Moïse en disant:
2 ”Sache que j’ai appelé par son nom Béséleel, fils d’Uni, fils de Hur, de la tribu de Juda.
3 Je l’ai rempli de l’esprit de Dieu, de sagesse, d’intelligence et de savoir pour toutes sortes d’ouvrages
4 pour faire des inventions, pour travailler l’or, l’argent et l’airain,
5 pour graver les pierres à enchâsser, pour tailler le bois et exécuter toutes sortes d’ouvrages.
6 Et voici, je lui ai adjoint Ooliab, fils d’Achi-samech, de la tribu de Dan, et j’ai mis la sagesse dans le coeur de tout homme habile, pour qu’ils exécutent tout ce que je t’ai ordonné:
7 la tente de réunion, l’arche du témoignage, le propitiatoire, qui est dessus, et tous les meubles de la tente;
8 la table et ses ustensiles, le chandelier d’or pur et tous ses ustensiles, l’autel des parfums,
9 l’autel des holocaustes et tous ses ustensiles, la cuve avec sa base;
10 les vêtements de cérémonie, les vêtements sacrés pour le prêtre Aaron, les vêtements de ses fils pour les fonctions du sacerdoce;
11 l’huile d’onction et le parfum à brûler pour le sanctuaire. Ils exécute-ront tous les ordres que je t’ai donnés.”
12 Yahweh parla à Moïse, en disant:
13 ”Parle aux enfants d’Israël et dis-leur: Ne manquez pas d’observer mes sabbats; car c’est entre moi et vous un signe pour toutes vos générations, pour que vous sachiez que c’est moi, Yahweh, qui vous sanctifie.
14 Vous observerez le sabbat, car c’est pour vous une chose sainte. Celui qui le profanera sera puni de mort; celui qui fera quelque ouvrage ce jour-là sera retranché du milieu de son peuple.
15 On travaillera six jours; mais le septième jour sera un jour de repos complet, con-sacré à Yahweh. Quiconque fera un tra-vail le jour du sabbat sera puni de mort.
16 Les enfants d’Israël observeront le sab-bat et le célébreront, eux et leurs descen-dants, comme une alliance perpétuelle.
17 Ce sera, entre moi et les enfants d’Israël, un signe à perpétuité: car en six jours Yahweh a fait le ciel et la terre, et le septième jour il a cessé son oeuvre et il s’est reposé.”
18 Lorsque Yahweh eut achevé de parler à Moïse sur la montagne de Sinaï, il lui donna les deux tables du témoignage, tables de pierre, écrites du doigt de Dieu.

Chapitre 32
1 Le peuple, voyant que Moïse tardait à descendre de la montagne, s’assem-bla autour d’Aaron et lui dit: ”Allons, fais-nous un dieu qui marche devant nous. Car pour ce Moïse, l’homme qui nous a fait monter du pays d’Égypte, nous ne savons ce qu’il en est devenu.”
2 Aaron leur dit: ”Otez les anneaux d’or qui sont aux oreilles de vos femmes, de vos fils et de vos filles, et apportez-les-moi.”
3 Tout le monde ôta les anneaux d’or qu’ils avaient aux oreilles, et ils les apportèrent à Aaron.
4 Il les reçut de leurs mains fa-çonna l’or au burin, et en fit un veau en fonte. Et ils dirent: ”Israël, voici ton Dieu, qui t’a fait monter du pays d’Égypte.”
5 Ayant vu cela, Aaron construisit un autel devant l’image, et il s’écria: ”Demain il y aura fête en l’honneur de Yahweh.”
6 Le lendemain, s’étant levés de bon matin, ils offrirent des holo-caustes et présentèrent des sacrifices paci-fiques; et le peuple s’assit pour manger et pour boire, puis ils se levèrent pour se divertir.
7 Yahweh dit à Moïse: ”Va, descends; car ton peuple que tu as fait monter du pays d’Égypte, s’est conduit très mal.
8 Ils se sont bien vite détournés de la voie que je leur avais prescrite; ils se sont fait un veau en fonte, ils se sont pros-ternés devant lui, et ils lui ont offert des sacrifices, et ils ont dit: Israël, voici ton Dieu, qui t’a fait monter du pays d’Égypte.”
9 Yahweh dit à Moïse ”Je vois que ce peuple est un peuple au cou raide.
10 Maintenant laisse-moi: que ma colère s’embrase contre eux et que je les consume! Mais je ferai de toi une grande nation.”
11 Moïse implora Yahweh, son Dieu, et dit: ”Pourquoi, Yahweh, votre colère s’embraserait-elle contre votre peuple, que vous avez fait sortir du pays d’Égypte par une grande puissance et par une main forte?
12 Pourquoi les Égyptiens di-raient-ils: C’est pour leur malheur qu’il les a fait sortir, c’est pour les faire périr dans les montagnes et pour les anéantir de dessus la terre? Revenez de l’ardeur de votre colère, et repentez-vous du mal que vous voulez taire à votre peuple.
13 Souvenez-vous d’Abraham, d’Isaac et d’Israël, vos serviteurs, auxquels vous avez dit, en jurant par vous-même: Je multiplierai votre postérité comme les étoiles du ciel, et leur ce pays dont j’ai parlé, je le donnerai à vos descendants, et ils le posséderont à jamais.”
14 Et Yahweh se repentit du mal qu’il avait parlé de faire à son peuple.
15 Moïse revint et descendit de la montagne, ayant dans sa main les deux tables du témoignage, tables écrites sur leurs deux côtés; elles étaient écrites sur l’une et l’autre face.
16 Les tables étaient l’ouvrage de Dieu, et l’écriture était l’écriture de Dieu, gravée sur les tables.
17 Josué entendit le bruit que faisait le peuple en poussant des cris, et il dit à Moïse: Il y a un cri de bataille dans le camp!”
18 Moïse répondit: ”Ce n’est ni un bruit de cris de victoire, ni un bruit de cris de défaite; j’entends la voix de gens qui chantent.”
19 Lorsqu’il fut près du camp, il vit le veau et les danses. Et la colère de Moïse s’enflamma; il jeta de ses mains les tables et les brisa au pied de la Mon-tagne.
20 Et, prenant le veau qu’ils avaient fait, il le brûla au feu, le broya jusqu’à le réduire en poudre, répandit cette poudre sur l’eau, et en fit boire aux enfants d’Israël.
21 Moïse dit à Aaron: ”Que t’a fait ce peuple pour que tu aies amené sur lui un si grand péché?”
22 Aaron répondit: ”Que la colère de mon seigneur ne s’en-flamme pas! Tu sais toi-même que ce peuple est porté au mal.
23 Ils m’ont dit: Fais-nous un dieu qui marche devant nous; car pour ce Moïse, cet homme qui nous a fait monter du pays d’Égypte, nous ne savons ce qu’il en est devenu.
24 Je leur ai dit: Que ceux qui ont de l’or s’en dépouillent! Ils m’en ont donné je l’ai jeté au feu, et il en est sorti ce veau.”
25 Moïse vit que le peuple n’avait plus de frein, parce qu’Aaron lui avait ôté tout frein, l’exposant à devenir une risée parmi ses ennemis.
26 Et Moïse se plaça à la porte du camp, et il dit: ”A moi ceux qui sont pour Yahweh!” Et tous les enfants de Lévi se rassemblèrent auprès de lui.
27 Il leur dit: ”Ainsi parle Yahweh, le Dieu d’Israël: Que chacun de vous mette son épée à son côté; passez et repassez dans le camp d’une porte à l’autre, et que chacun tue son frère, chacun son ami, chacun son parent!”
28 Les enfants de Lévi firent ce qu’ordonnait Moïse, et il pérît ce jour-là environ trois mille hommes du peuple.
29 Moïse dit: ”Consacrez-vous aujourd’hui à Yahweh, puisque chacun de vous a été contre son fils et son père, afin qu’il vous donne aujourd’hui une bénédiction.”
30 Le lendemain, Moïse dit au peuple ”Vous avez commis un grand péché. Et maintenant je vais monter vers Yahweh peut-être obtiendrai-je le pardon de votre péché.”
31 Moïse retourna vers Yahweh et dit: ”Ah! ce peuple a commis un grand péché!
32 Ils se sont fait un dieu d’or. Par-donnez maintenant leur péché; sinon effacez-moi de votre livre que vous avez écrit.”
33 Yahweh dit à Moïse: ”C’est celui qui a péché contre moi que j’efface-rai de mon livre.
34 Va maintenant, con-duis le peuple où je t’ai dit. Voici, mon ange marchera devant toi, mais, au jour de ma visite, je les punirai de leur péché.”
35 C’est ainsi que Yahweh frappa le peuple, parce qu’ils avaient fait le veau qu’Aaron avait fait.

Chapitre 33

1 Yahweh dit à Moïse: ”Va, pars d’ici, toi et le peuple que tu as fait monter du pays d’Egypte; monte au pays que j’ai promis avec serment à Abraham, à Isaac et à Jacob, en disant: Je le don-nerai ta postérité.
2 J’enverrai devant toi un ange, et je chasserai le Chananéen, l’Amorrhéen, le Héthéen, le Phé-rézéen, le Hévéen et le Jebuséen.
3 Monte vers un pays où coulent le lait et le miel; mais je ne monterai point au milieu de toi, car tu es un peuple au cou raide, pour ne pas t’anéantir en chemin.”
4 En entendant ces dures paroles, le peuple prit le deuil, et personne ne mit ses ornements.
5 Alors Yahweh dit à Moïse: ”Dis aux enfants d’Israël: Vous êtes un peuple au cou raide; si je montais un seul instant au milieu de toi, je t’anéantirais. Et maintenant, enlève tes ornements de dessus toi, et je saurai ce que j’ai à te faire.”
6 Les enfants d’Israël se dépouillèrent de leurs orne-ments, dès le mont Horeb.
7 Moïse prit la tente et se la dressa hors du camp, à quelque distance; il l’appela tente de réunion; et quiconque cherchait Yahweh, se rendait à la tente de réunion, qui était hors du camp.
8 Et lorsque Moïse se rendait à la tente, tout le peuple se levait, chacun se tenant à l’entrée de la tente, et on suivait des yeux Moïse, jusqu’à ce qu’il entrât dans la tente.
9 Dès que Moïse était entré dans la tente, la colonne de nuée descendait et se tenait à l’entrée de la tente, et Yahweh parlait avec Moïse.
10 Tout le peuple voyait la colonne de nuée qui se tenait à l’entrée de la tente; et tout le peuple se levait, et chacun se prosternait à l’entrée de sa tente.
11 Et Yahweh parlait à Moïse face à face, comme un homme parle à son ami. Moïse retournait ensuite au camp; mais son serviteur Josué, fils de Nun, jeune homme, ne s’éloignait pas du milieu de la tente.
12 Moïse dit à Yahweh: ”Vous me dites: Fais monter ce peuple; et vous ne me faites pas connaître celui que vous en-verrez avec moi. Cependant vous avez dit: Je te connais par ton nom, et tu as trouvé grâce à nies yeux.
13 Et maintenant, si j’ai bien trouvé grâce à vos yeux, faîtes moi donc connaître vos voies, et que je vous connaisse, afin que je trouve grâce à vos yeux. Considérez que cette nation est votre peuple.”
14 Yahweh répondit: ’’Ma face ira avec toi, et je te donnerai un repos.”
15 Moïse dit: ”Si votre face ne vient pas, ne nous faîtes pas partir d’ici.
16 A quoi connaîtra-t-on que j’ai trouvé grâce à vos yeux, moi et votre peuple, sinon à ce que vous marcherez avec nous? C’est ce qui nous distinguera, moi et votre peuple, de tous les peuples qui sont sur la face de la terre.”
17 Yahweh dit à Moïse: ”Je ferai encore ce que tu demandes, car tu as trouvé grâce à mes yeux et je te connais par ton nom.”
18 Moïse dit: ”Faites-moi voir votre gloire.”
19 Yahweh répondit: ”Je ferai passer devant toi toute ma bonté, et je prononcerai devant toi le nom de Yah-weh: car je fais grâce à qui je fais grâce, et miséricorde à qui je fais miséricorde.”
20 Yahweh dit: ”Tu ne pourras voir ma face, car l’homme ne peut me voir et vivre.”
21 Yahweh dit: ”Voici une place prés de moi; tu te tiendras sur le rocher.
22 Quand ma gloire passera, je te mettrai dans le creux du rocher, et je te couvrirai de ma main jusqu’à ce que j’aie passé.
23 Alors je retirerai ma main et tu me verras par derrière; mais ma face ne saurait être vue.”

Chapitre 34
1 Yahweh dit à Moïse: ”Taille deux tables de pierre comme les premières, et j’y écrirai les paroles qui étaient sur les premières tables que tu as brisées:
2 Sois prêt pour demain, et tu monteras dès le matin sur la montagne de Sinaï; tu te tiendras là devant moi, au sommet de la montagne.
3 Que personne ne monte avec toi, et que personne ne se montre nulle part sur la montagne, et même que ni brebis ni boeufs ne paissent du côté de cette montagne.”
4 Moïse tailla donc deux tables de pierre comme les premières; et, s’étant levé de bonne heure, il monta sur la montagne de Sinaï, selon que Yahweh le lui avait ordonné; et il prit dans sa main les deux tables de pierre.
5 Yahweh descendit dans la nuée, se tint là avec lui et prononça le nom de Yahweh.
6 Et Yahweh passa devant lui et s’écria: ”Yahweh! Yahweh! Dieu miséricordieux et compatissant, lent à la colère, riche en bonté et en fidélité,
7 qui conserve sa grâce jusqu’à mille généra-tions, qui pardonne l’iniquité, la révolte et le péché; mais il ne les laisse pas impunis, visitant l’iniquité des pères sur les enfants et sur les enfants des enfants jusqu’à la troisième et à la quatrième génération!”
8 Aussitôt Moïse s’inclina vers la terre et se prosterna, en disant:
9 ”Si j’ai trouvé grâce à vos yeux, Sei-gneur, daigne le Seigneur marcher au milieu de nous, car c’est un peuple au cou raide; pardonnez nos iniquités et nos péchés, et prenez-nous pour votre héri-tage.”
10 Yahweh dit: ”Voici que je fais une alliance: en présence de tout ton peuple, je ferai des prodiges qui n’ont eu lieu dans aucun pays et chez aucune nation; et tout le peuple qui t’environne verra l’oeuvre de Yahweh, car terribles sont les choses que j’accomplirai avec toi.
11 Prends garde à ce que je t’ordonne aujourd’hui. Voici, je chasserai devant toi l’Amorrhéen, le Chananéen, le Héthéen, le Phérézéen, le Hévéen, et le Jébuséen.
12 Garde-toi de contracter alliance avec les habitants du pays contre lequel tu mar-ches, de peur qu’ils ne soient un piège au milieu de toi.
13 Mais vous renverserez leurs autels, vous briserez leurs stèles et vous abattrez leurs Aschérim.
14 Tu n’adoreras aucun autre dieu; car Yah-weh se nomme le jaloux, il est un Dieu jaloux.
15 Ne contracte donc pas alliance avec les habitants du pays, de peur que, lorsqu’ils se prostituent à leurs dieux et leur offrent des sacrifices, ils ne t’invitent et que tu ne manges de leurs victimes;
16 de peur que tu ne prennes de leurs filles pour tes fils, et que leurs filles, se pros-tituant à leurs dieux, n’entraînent tes fils à se prostituer aussi à leurs dieux.
17 Tu ne feras point de dieux de métal fondu.
18 Tu observeras la fête des Azymes:pen-dant sept jours tu mangeras des pains sans levain, comme je te l’ai prescrit, au temps fixé du mois d’abib, car c’est dans le mois d’abib que tu es sorti d’Egypte.
19 Tout premier-né m’appartient; de même, tout premier-né mâle de tes troupeaux, soit boeuf, soit brebis.
20 Tu rachèteras avec un agneau le premier-né de l’âne; et, si tu ne le rachètes pas, tu lui briseras la nuque. Tu rachèteras tout premier-né de tes fils; et l’on ne se présentera pas les mains vides devant ma face.
21 Tu travailleras six jours, mais tu te reposeras le septième jour, même au temps du labourage et de la moisson.
22 Tu célébreras la fête des Semaines, des premiers produits de la moisson du froment, et la fête de la récolte à la fin de l’année.
23 Trois fois par an, tous les mâles se présenteront devant le Seigneur, Yahweh, Dieu Israël. Car je chasserai les nations devant toi et j’étendrai tes fron-tières; et personne ne convoitera ton pays pendant que tu monteras pour te présen-ter devant Yahweh, ton Dieu, trois fois par an.
25 Tu n’offriras pas avec du pain levé le sang de ma victime, et le sacrifice de la fête de Pâque ne sera pas gardé pendant la nuit jusqu’au matin.
26 Tu apporteras les prémices des pre-miers fruits de ton sol à la maison de Yahweh, ton Dieu. Tu ne feras pas cuire un chevreau dans le lait de sa mère.”
27 Yahweh dit à Moïse: ”Ecris, ces paroles; car c’est d’après ces paroles que je fais alliance avec toi et avec Israël.”
28 Moïse fut là avec Yahweh quarante jours et quarante nuits, sans manger de pain et sans boire d’eau. Et Yahweh écrivit sur les tables les paroles de L’al-liance, les dix paroles.
29 Moïse descendit de la montagne de Sinaï; Moïse avait dans sa main les deux tables du témoignage, en descendant de la montagne; et Moïse ne savait pas que la peau de son visage était devenue rayonnante pendant qu’il pariait avec Yahweh.
30 Aaron et tous les enfants d’Israël virent Moïse, et voici, la peau de son visage rayonnait; et ils craignirent de s’ap-procher de lui.
31 Moïse les appela, et Aaron et tous les princes de l’assemblée vinrent auprès de lui, et il leur parla.
32 Ensuite tous les enfants d’Israël s’approchèrent, et il leur donna tous les ordres qu’il avait reçus de Yahweh sur la mon-tagne de Sinaï.
33 Lorsque Moïse eut achevé de leur parler, il mit un voile sur son visage.
34 Quand Moïse entrait devant Yahweh pour parler avec lui, il ôtait le voile, jusqu’à ce qu’il sortit; puis il sortait et disait aux enfants d’Israël ce qui lui avait été ordonné.
35 Les enfants d’Israël voyaient le visage de Moïse, ils voyaient que la peau du visage de Moïse était rayonnante; et Moïse remettait le voile sur son visage, jusqu’à ce qu’il entrât pour parler avec Yahweh.

Chapitre 35
1 Moïse ayant convoqué toute l’assemblée d’Israël, leur dit: ”Voici les cho-ses que Yahweh a ordonné de faire:
2 Tu travailleras six jours, mais le septième sera pour vous un jour consacré; un jour de repos complet en l’honneur de Yahweh. Quiconque fera un travail ce jour-là sera puni de mort.
3 Vous n’allu-merez de feu dans aucune de vos demeures le jour du sabbat.”
4 Moïse parla à toute l’assemblée des enfants d’Israël en disant: ”Voici ce que Yahweh a ordonné:
5 Prélevez sur vos biens une offrande pour Yahweh. Tout homme au coeur bien disposé apportera en offrande à Yahweh de l’or, de I’ar-gent et de l’airain,
6 de la pourpre vio-lette, de la pourpre écarlate, du cramoisi, du fin lin et du poil de chèvre,
7 des peaux de béliers teintes en rouge et des peaux de veaux marins,
8 et du bois d’acacia, de l’huile pour le chandelier, des aromates pour l’huile d’onction et pour le parfum d’encensement,
9 des pierres d’onyx et d’autres pierres à enchâsser pour l’éphod et pour le pectoral.
10 Que tout ceux d’entre vous qui ont de l’habileté viennent et exécutent tout ce que Yahweh a -ordonné:
11 la Demeure, sa tente et sa cou-verture, ses anneaux, ses ais, ses traverses, ses colonnes et ses socles;
12 l’arche et ses barres; le propitiatoire et le voile de sépa-ration;
13 la table avec ses barres et tous ses ustensiles, et les pains de proposition;
14 le chandelier avec ses ustensiles, ses lampes et l’huile pour le chandelier;
15 l’autel des parfums et ses barres; l’huile d’onction et le parfum pour l’encensement: la ten-ture de la porte pour l’entrée de la De-meure;
16 l’autel des holocaustes, sa grille d’airain, ses barres et tous ses ustensiles;
17 la cuve avec sa base; les rideaux du par-vis, ses colonnes, ses socles et la tenture de la porte du parvis;
18 les pieux de la Demeure, les pieux du parvis avec leurs cordages;
19 les vêtements de cérémonie pour le service dans le sanctuaire, les vête-ments sacrés pour le grand prêtre Aaron, et les vêtements de ses fils pour les fonc-tions du sacerdoce.”
20 Toute l’assemblée des enfants d’Israël étant sortie de devant Moïse,
21 tous ceux que leur coeur y portait et tous ceux dont l’esprit était bien disposé vinrent et apportèrent une offrande à Yahweh pour la construction de la tente de réunion, pour tout son service et pour les vêtements sa-crés.
22 Les hommes vinrent aussi bien que les femmes; tous ceux dont le coeur était bien disposé apportèrent des boucles, des anneaux, des bagues, des bracelets, tou-tes sortes d’objets d’or; chacun présenta l’offrande d’or qu’il avait destinée à Yah-weh.
23 Tous ceux qui avaient chez eux de la pourpre violette, de la pourpre écar-late et du cramoisi, du fin lin et du poil de chèvre, des peaux de béliers teintes en rouge et des peaux de veaux marins, les apportèrent.
24 Tous ceux qui avaient pré-levé une offrande d’argent et d’airain, apportèrent l’offrande à Yahweh. Tous ceux qui avaient chez eux du bois d’aca-cia pour tous les ouvrages destinés au culte, l’apportèrent.
25 Toutes tes femmes qui avaient de l’habileté, filèrent de leurs mains, et elles apportèrent leur ouvrage de la pourpre violette, de la pourpre écar-late, du cramoisi et du fin lin.
26 Toutes les femmes que leur coeur y portait, et qui avaient de l’habileté, filèrent du poil de chèvre.
27 Les principaux du peuple apportèrent des pierres d’onyx et d’autres pierres à enchâsser pour l’éphod et le pec-toral;
28 des aromates et de l’huile pour le chandelier, pour l’huile d’onction et pour le parfum odoriférant.
29 Tous les enfants d’Israël, hommes et femmes, qui étaient disposés de coeur à contribuer à tout ouvrage que Yahweh avait commandé de faire par l’organe de Moïse, apportèrent à Yahweh des offrandes volontaires.
30 Moïse dit aux enfants d’Israël: ”Sachez que Yahweh a choisi Béseléel, fils d’Uri, fils de Hur, de la tribu de Juda.
31 Il l’a rempli de l’esprit de Dieu, de sagesse, d’intelligence et de savoir pour toutes sortes d’ouvrages,
32 pour faire des inventions, pour travailler l’or, l’argent et l’airain,
33 pour graver les pierres à enchâsser, pour tailler le bois et exé-cuter toutes sortes d’ouvrages d’art.
34 Il a mis aussi dans son coeur le don d’enseignement, de même qu’en Ooliab, fils d’Achisamech, de la tribu de Dan.
35 Il les a remplis d’intelligence pour exécuter tous les ouvrages de sculpture et d’art, pour tisser d’un dessin varié la pourpre violette, la pourpre écarlate, le cramoisi et le fin lin, pour exécuter toute espèce de travaux et pour faire des inventions.

Chapitre 36

1 Béseléel, Ooliab et tous les hommes intelligents en qui Yahweh a mis de l’intelligence et de l’habileté pour savoir faire tous les ouvrages destinés au ser-vice du sanctuaire, les exécuteront selon tout ce que Yahweh a commandé.”
2 Moïse appela Béseléel, Ooliab et tous les hommes intelligents dans le coeur des-quels Yahweh avait mis de l’intelligence, tous ceux que leur coeur poussait à s’appli-quer à cette oeuvre pour l’exécuter.
3 Ils prirent de devant Moïse toute l’offrande qu’avaient apportée les enfants d’Israël pour exécuter les ouvrages destinés au service du sanctuaire; et chaque matin le peuple continuait à apporter à Moïse des offrandes volontaires.
4 Alors tous les hommes habiles qui exécutaient tous les ouvrages du sanctuaire, quittant chacun l’ouvrage qu’ils faisaient,
5 vinrent dire à Moïse: ”Le peuple apporte beaucoup plus qu’il ne faut pour l’exécution des ouvrages que Yahweh a ordonné de faire.”
6 Moïse donna un ordre et on fit cette proclamation dans le camp: ”Que personne, homme ou femme, ne s’occupe plus de l’offrande pour le sanctuaire”. Et on empêcha le peuple d’en apporter davantage.
7 Les objets préparés suffisaient, et au delà, pour tous les ouvrages à exécuter.
8 Tous les hommes habiles parmi ceux qui travaillaient à l’oeuvre firent la De-meure de dix tentures; ils les firent de lin retors, de pourpre violette, de pourpre écarlate et de cramoisi, avec des chérubins, ouvrage d’habile tisseur.
9 La longueur d’une tenture était de vingt-huit coudées, et la largeur d’une tenture était de quatre coudées; la dimension était la même pour toutes tes tentures.
10 Cinq de ces tentures fureur jointes ensemble; les cinq autres furent aussi jointes en-semble.
11 On mit des lacets de pourpre violette au bord de la tenture terminant le premier assemblage; on fit de même au bord de la tenture terminant le second assemblage.
12 On fit cinquante lacets à la première tenture, et on fit cinquante lacets au bord de la tenture terminant le second assemblage, et ces lacets se correspondaient les uns aux autres.
13 On fit cinquante agrafes d’or, avec lesquelles on joignit les tentures l’une à l’autre, en sorte que la Demeure forma un seul tout.
14 On fit des tentures de poil de chèvre pour former une tente sur la Demeure; on fit onze de ces tentures.
15 La longueur d’une tenture était de trente coudées, et la largeur d’une tenture de quatre coudées; La dimension était la même pour les onze tentures.
16 On joignit à part cinq de ces tentures et les six autres à part.
17 On mit cinquante lacets au bord de la tenture terminant un assemblage, et on mit cinquante lacets au bord de la tenture du second assemblage.
18 On fit cinquante agrafes d’airain pour assembler la tente, afin qu’elle format un seul tout.
19 On fit pour la tente une couverture en peaux de béliers teintes en rouge, et une couverture en peaux de veaux marins, par dessus.
20 On fit aussi les planches pour la Demeure, des planches de bois d’acacia, posées debout.
21 La longueur d’une planche était de dix coudées, et la largeur d’une planche était d’une coudée et demie.
22 Il y avait à chaque planche deux tenons, joints l’un à l’autre: on fit de même pour toutes les planches de la Demeure.
23 On fit les planches pour la Demeure: vingt planches pour la face du midi, à droite.
24 On mit sous les vingt planches quarante socles d’argent, deux socles sous chaque planche pour ses deux tenons.
25 Pour le second côté de la Demeure, le côté du nord, on fit vingt planches,
26 ainsi que leurs quarante socles d’argent, deux socles sous chaque planche.
27 On fit six planches pour le fond de la Demeure, du côté de l’occident.
28 Ou fit deux planches pour les angles de la Demeure, dans le fond;
29 elles étaient doubles depuis le bas, formant ensemble un seul tout jus-qu’à leur sommet, jusqu’au premier an-neau: ainsi fit-on pour toutes les deux, aux deux angles.
30 Il y avait ainsi huit planches, avec leurs socles d’argent, seize socles, deux socles sous chaque planche.
31 On fit des traverses de bois d’acacia, cinq pour les planches de l’un des côtés de la Demeure,
32 cinq traverses pour les planches du second côté de la Demeure, et cinq traverses pour les planches du côté de la Demeure qui en forme le fond, vers l’occi-dent.
33 La traverse du milieu s’étendait, le long des planches, d’une extrémité à l’autre.
34 On revêtit d’or les planches, et l’on fit d’or leurs anneaux qui recevaient les traverses, et l’on revêtit d’or les traverses.
35 On fit le voile de pourpre violette, de pourpre écarlate, de cramoisi, et de lin retors; on y représenta des chérubins figurés: ouvrage d’un habile tisseur.
36 On fit pour lui quatre colonnes d’acacia, revêtues d’or, avec des crochets d’or; et l’on fondit pour elles quatre socles d’argent.
37 On fit pour l’entrée de la tente un rideau en pourpre violette, pourpre écar-late, cramoisi et lin retors, ouvrage d’un dessin varié.
38 On fit pour ce rideau cinq colonnes et leurs crochets et l’on revêtit d’or leurs chapiteaux et leurs tringles; leurs cinq socles étaient d’airain.

Chapitre 37

1 Béseléel fit l’arche de bois d’acacia; sa longueur était de deux coudées et demie, sa largeur d’une coudée et demie, et sa hauteur d’une coudée et demie.
2 Il la revêtit d’or pur, en dedans et en de-hors, et il y fit une guirlande d’or tout autour.
3 Il fondit pour elle quatre anneaux d’or, qu’il mit à ses quatre pieds, deux anneaux d’un côté et deux anneaux de l’autre.
4 Il fit des barres de bois d’acacia et les revêtit d’or.
5 Il passa les barres dans les anneaux sur les côtés de l’arche, pour la porter.
6 Il fit un propitiatoire d’or pur; sa longueur était de deux coudées et demie, sa largeur d’une coudée et demie.
7 Il fit deux chérubins d’or; il les fit d’or battu, aux deux extrémités du propitiatoire,
8 un chérubin à l’une des extrémités et un chérubin à l’autre extrémité; il fit les chérubins sortant du propitiatoire à ses deux extrémités.
9 Les ché-rubins avaient leurs ailes déployées vers le haut, couvrant de leurs ailes le propi-tiatoire, et se faisant face l’un à l’autre; les faces des chérubins étaient tournées vers le propitiatoire.
10 Il fit la table de bois d’acacia; sa lon-gueur était de deux coudées, sa largeur d’une coudée, et sa hauteur d’une coudée et demie.
11 Il la revêtit d’or pur, et y mit une guirlande d’or tout autour.
12 Il lui fit à l’entour un châssis d’une palme, et il fit une guirlande d’or au châssis tout autour.
13 Il fondit pour la table quatre anneaux d’or, et il mit les anneaux aux quatre coins, qui sont à ses quatre pieds.
14 Les anneaux étaient près du châssis pour recevoir les barres qui doivent porter la table.
15 Il fit les barres de bois d’acacia et les revêtit d’or; elles servaient à porter la table.
16 Il fit les ustensiles qu’on devait mettre sur la table, ses plats, ses casso-lettes, ses coupes et ses tasses pour servir aux libations; il les fit d’or pur.
17 Il fit le chandelier d’or pur; il fit d’or battu le chandelier, avec son pied et sa tige; ses calices, ses boutons et ses fleurs étaient d’une même pièce.
18 Six branches sortaient de ses côtés; trois branches du chandelier de l’un de ses côtés, et trois branches du chandelier du second de ses côtés.
19 Il y avait sur la première branche trois calices en fleurs d’amandier, bouton et fleur, et sur la seconde branche trois calices en fleurs d’amandiers, bouton et fleur; il en était de même pour les six branches partant du chandelier.
20 A la tige du chandelier, il y avait quatre calices, en fleurs d’amandier, avec leurs boutons et leurs fleurs.
21 Il y avait un bouton sous les
21 deux premières branches partant de la lige du chandelier, un bouton sous les deux branches suivantes partant de la tige du chandelier, et un bouton sous les deux der-nières branches partant de la lige du chan-delier, selon les six branches sortant du chandelier.
22 Ces boutons et ces branches étaient d’une même pièce avec le chan-delier; le tout était une masse d’or battu, d’or pur.
23 Il fit ses lampes au nombre de sept, ses mouchettes et ses vases à cendre, en or pur.
24 On employa un talent d’or pur pour faire le chandelier avec tous ses usten-siles.
25 Il fit l’autel des parfums de bois d’acacia; sa longueur était d’ente coudée, et sa largeur d’une coudée; il était carré, et sa hauteur était de deux coudées; ses cornes faisaient corps avec lui.
26 Il le revêtit d’or pur, le dessus, les côtés tout autour et les cornes, et il y fit une guir-lande d’or tout autour.
27 Il fit pour lui deux anneaux d’or, au-dessous de sa guir-lande, sur ses deux arêtes; il les fit aux deux côtés, pour recevoir les barres qui ser-vaient à le porter.
28 Il fit les barres de bois d’acacia et les revêtit d’or.
29 Il fit l’huile pour l’onction sainte, et le parfum pour l’encensement, composé selon l’art du parfumeur.

Chapitre 38
1 Il fit l’autel des holocaustes en bois d’acacia; sa longueur était de cinq cou-dées, et sa largeur de cinq coudées; il était carré, et sa hauteur était de trois coudées.
2 A ses quatre coins, il fit des cornes qui sortaient de l’autel, et il le revêtit d’airain.
3 Il fit tous les ustensiles de l’autel, les vases à cendre, les pelles, les bassins, les fourchettes et les brasiers; il fit d’airain tous ces ustensiles.
4 Il fit à l’autel une grille d’airain en forme de treil-lis; il la plaça sous la corniche de l’autel, par en bas, jusqu’à moitié de la hauteur.
5 Il fondit quatre anneaux, qu’il mit aux quatre coins de la grille d’airain, pour recevoir les barres.
6 Il fit les bar-res de bois d’acacia et les revêtit d’airain .
7 Il passa les barres dans les an-neaux, aux côtés de l’autel, pour qu’elles servent à le transporter. Il le fit creux, en planches.
8 Il fit la cuve il et sa base d’ai-rain, avec les miroirs des femmes qui s’assemblaient à l’entrée de la tente de réunion.
9 Il fit le parvis. Du côté du midi, à droite, les rideaux du parvis, en lin re-tors, avaient une longueur de cent coudées,
10 avec vingt colonnes et leurs vingt socles d’airain; les crochets des colonnes et leurs tringles étaient d’argent.
11 Du côté du nord, les rideaux avaient cent coudées avec vingt colonnes et leurs vingt socles d’airain; les crochets des colonnes et leurs tringles étaient d’argent.
12 Du côté de l’occident, les rideaux avaient cinquante coudées, avec dix colonnes et leurs dix socles.
13 Du côté de l’orient, sur le devant, il y avait cin-quante coudées:
14 et il y avait quinze coudées de rideaux pour un côté de la porte, avec trois colonnes et leurs trois socles,
15 et pour le deuxième côté — d’un côté de la porte du parvis colonne de l’autre, — quinze coudées de rideaux avec trois colonnes et leurs trois socles.
16 Tous les rideaux formant l’enceinte du parvis étaient de lin retors.
17 Les socles pour les colonnes étaient d’airain, les crochets des colonnes et leurs tringles étaient d’argent, et leurs chapiteaux étaient re-vêtus d’argent. Toutes les colonnes du parvis étaient reliées par des tringles d’argent.
18 Le rideau de la porte du par-vis était un ouvrage de dessin varié, en pourpre violette, pourpre écarlate, cra-moisi, et lin retors; sa longueur était de vingt coudées, et sa hauteur de cinq coudées, comme la largeur des rideaux du parvis;
19 ses quatre colonnes et leurs quatre socles étaient d’airain, les cro-chets et leurs tringles d’argent, et leurs chapiteaux revêtus d’argent.
20 Tous les pieux pour la Demeure et pour l’enceinte du parvis étaient d’airain.
21 Voici le compte des choses qui ont été employées pour la Demeure, la Demeure du témoignage, compte dressé par le soin des Lévites sur l’ordre de Moïse et sous la direction d’Ithamar, fils du grand prêtre Aaron.
22 Béseléel, fils d’Uri, fils de Hur, de la tribu de Juda, fit tout ce que Yahweh avait ordonné à Moïse;
23 il eut pour aide Ooliab, fils
23 Achisamech, de la tribu de Dan, habile à sculpter, à inventer, à tisser en dessin varié la pourpre violette, la pourpre écarlate, le cramoisi, et le fin lin.
24 Total de l’or employé à l’ouvrage, pour tout l’ouvrage du sanctuaire, or qui était le produit des offrandes: vingt-neuf ta-lents et sept cent trente sicles, selon le sicle du sanctuaire.
25 L’argent de ceux de l’assemblée qui furent recensés s’élevait à cent talents et mille sept cent soixante- quinze sicles, selon le sicle du sanctuaire.
26 C’était un béka par tête, la moitié d’un sicle, selon le sicle du sanctuaire, pour chaque homme compris dans le recen-sement, depuis l’âge de vingt ans et au-dessus, soit pour six cent trois mille cinq cent cinquante hommes.
27 Les cent talents d’argent servirent à fondre les socles du sanctuaire et les socles du voile, cent socles pour les cent talents, un talent par socle.
28 Et avec les mille sept cent soixante-quinze sicles, on fit les crochets pour les colonnes, on revêtit les chapiteaux et on les joignit par des tringles.
29 L’airain des offrandes montait à soixante-dix talents et deux mille quatre cent sicles.
30 On en fit les socles de l’entrée de la tente de réunion, l’autel d’airain avec sa grille d’airain et tous les ustensiles de l’autel,
31 les socles de l’enceinte du parvis et les socles de la porte du parvis, et tous les pieux de la De-meure et tous les pieux de l’enceinte du parvis.

Chapitre 39

1 Avec la pourpre violette, la pourpre écarlate et le cramoisi, on fit les vêtements de cérémonie peur le service dans le sanctuaire, et on fit les vêtements sa-crés pour Aaron, comme Yahweh l’avait ordonné a Moïse.
2 On fit l’éphod d’or, de pourpre vio-lette, de pourpre écarlate, de cramoisi et de lin retors.
3 On étendit l’or en lames et on les coupa en fils, que l’on entrelaça dans la peinture violette, la pourpre écarlate, le cramoisi et le fin lin; ouvrage de dessin varié.
4 On fit des épaulettes pour le joindre, et ainsi il était joint à ses deux extrémités.
5 La ceinture pour attacher l’éphod en passant dessus faisait corps avec lui et était du même travail; elle était d’or, de pourpre violette, de pourpre écarlate, de cramoisi et de lin retors, comme Yahweh l’avait ordonné à Moïse.
6 On fit les pierres d’onyx enchâssées dans des chatons d’or. sur les-quelles on grava les noms des fils d’Is-raël,
7 comme on grave les cachets. On les plaça sur les épaulettes de l’éphod comme pierres de souvenir pour les enfants d’Israël, comme Yahweh l’avait ordonné à Moïse.
8 On fit le pectoral, artistement tra-vaillé, du même travail que l’éphod, d’or, de pourpre violette, de pourpre écarlate, de cramoisi et de lin retors.
9 Il était carré; on fit le pectoral double; sa longueur était d’un empan et sa largeur d’un empan; il était double.
10 On le garnit de quatre rangées de pierres: une rangée de sardoine, de topaze, d’émeraude: première rangée;
11 deuxième rangée: une escarboucle, un saphir, un diamant;
12 troisième rangée: une opale, une agate, une améthyste;
13 quatrième rangée: une chrysolithe, un onyx, un jaspe. Ces pierres étaient entourées de rosettes d’or dans leurs garnitures.
14 Les pierres étaient selon les noms des fils d’ Israël, douze selon leurs tribus; elles étaient gravées comme des cachets, chacune avec son nom, pour les douze tribus.
15 On fit pour le pectoral des chaînettes d’or pur, tressées en forme de cordons.
16 On fit deux chatons d’or et deux anneaux d’or, et ou mit les deux anneaux aux deux extrémités du pectoral.
17 On passa les deux cordons d’or dans les deux anneaux, aux extrémités du pectoral,
18 et l’on attacha les deux bouts des deux cordons aux deux chatons, et on les plaça sur les épaulettes de l’éphod, par devant.
19 On fit encore deux anneaux d’or, que l’on mit aux deux entré mités inférieures du pectoral, sur le bord intérieur appliqué contre l’éphod.
20 On fit deux autres anneaux d’or, que l’un mit au bas des deux épaulettes de l’éphod sur le devant, près de l’attache, au-dessus de la ceinture de l’éphod.
21 On attacha le pectoral par ses anneaux aux anneaux de l’éphod avec un ruban de pourpre vio-lette, afin que le pectoral fût au-dessus de la ceinture de l’éphod; et le pectoral ne pouvait se séparer de l’éphod, comme Yahweh l’a ordonné à Moïse.
22 On fit la robe de l’éphod, oeuvre du tisseur, tout entière en pourpre violette.
23 Il y avait, au milieu de la robe de l’éphod, une ouverture semblable à celle d’une cotte d’arme, et cette ouverture avait un rebord tissé tout autour, afin que la robe ne se déchirât pas.
24 On mit au bord inférieur de la robe des grenades de pourpre violette, de pourpre écarlate, de cramoisi, de lin retors;
25 on fit des clochettes d’or pur, et l’on mit ces clo-chettes au milieu des grenades, sur le bord inférieur de la robe tout autour, au milieu des grenades:
26 une clochette et une grenade, une clochette et une grenade, sur le bord de la robe tout autour, pour le service, comme Yahweh l’avait ordonné à Moïse.
27 On fit les tuniques de lin, oeuvre du tisseur, pour Aaron et pour ses fils;
28 la tiare de lin, et les mitres de lin servant de parure;
29 les caleçons blancs de lin retors; la ceinture de lin retors, en pourpre violette, en pourpre écarlate et en cra-moisi, damassée, comme Yahweh l’avait ordonné à Moïse.
30 On fit d’or pur la lame, diadème sacré, et l’on y grava, comme on grave sur un cachet: Sainteté à Yahweh.
31 On l’attacha avec un ruban de pourpre violette pour la placer sur la tiare, en haut, comme Yahweh l’avait ordonné à Moïse.
32 Ainsi fut achevé tout l’ouvrage de la Demeure, de la tente de réunion; et les enfants d’Israël exécutèrent tout selon ce que Yahweh avait ordonné à Moïse; ils firent ainsi.
33 On présenta la Demeure à Moïse, la tente et tous ses ustensiles, ses agrafes, ses planches, ses traverses, ses colonnes et ses socles;
34 la couverture de peaux de béliers teintes en rouge, la couverture de peaux de veaux marins et le voile de séparation;
35 l’arche du témoignage avec ses barres et le propitiatoire;
36 la table avec tous ses ustensiles et les pains de proposi-tion;
37 le chandelier d’or pur, ses lampes, les lampes à y ranger, tous ses ustensiles et l’huile pour le luminaire;
38 l’autel d’or, l’huile d’onction et le parfum pour l’en-cens, ainsi que le rideau pour l’entrée de la tente;
39 l’autel d’airain, sa grille d’ai-rain, ses barres et tous ses ustensiles; la cuve avec sa base; les rideaux du parvis, ses colonnes, ses socles,
40 la tenture de la parte du parvis, ses cordages et ses pieux, et tous les ustensiles pour le ser-vice de la Demeure, pour la tente de réunion;
41 les vêtements de cérémonie pour le service du sanctuaire, les vête-ments sacrés pour le grand prêtre Aaron, et les vêtements de ses fils pour les fonc-tions du sacerdoce.
42 Les enfants d’Israël avaient fait tout cet ouvrage conformément à tout ce que Yahweh avait ordonné à Moïse.
43 Moïse examina tout l’ouvrage, et voici, ils l’a-vaient exécuté; ils l’avaient fait comme Yahweh l’avait ordonné. Et Moïse les bénit.

Chapitre 40

1 Yahweh parla à Moïse, en disant
2 ”Le premier jour du premier mois, tu dresseras la Demeure, la tente de réu-nion.
3 Tu y placeras l’arche du témoi-gnage, et tu couvriras l’arche avec le voile.
4 Tu apporteras la table et tu y disposeras ce qui doit la garnir. Tu apporteras le chandelier et tu poseras dessus ses lampes.
5 Tu placeras l’autel d’or pour le parfum devant l’arche du témoignage, et tu mettras le voile à l’entrée de la De-meure.
6 Tu placeras l’autel des holocaustes devant l’entrée de la Demeure, de la tente de réunion.
7 Tu placeras la cuve entre la tente de réunion et l’autel, et tu y mettras de l’eau.
8 Tu dresseras le parvis à l’entour, et tu mettras la tenture à la porte du parvis.
9 ”Tu prendras l’huile d’onction, tu en oindras la Demeure et tout ce qu’elle renferme; tu la consacreras avec tous ses ustensiles, et elle sera sainte.
10 Tu oindras l’autel des holocaustes et tous ses ustensiles; tu consacreras l’autel, et l’autel sera très saint.
11 Tu oindras la cuve avec sa base, et tu la consacreras.
12 ”Tu feras avancer Aaron et ses fils près de l’entrée de la tente de réunion, et tu les laveras avec de l’eau.
13 Puis tu revêtiras Aaron des vêtements sacrés, tu l’oindras et tu le consacreras, et il sera prêtre à mon service.
14 Tu feras approcher ses fils et, les ayant revêtus des tuniques,
15 tu les oindras comme tu auras oint leur père, et ils seront prêtres à mon service. Cette onction leur conférera le sacerdoce à perpétuité parmi leurs des-cendants.”
16 Moïse fit tout ce que Yahweh lui avait ordonné; il fit ainsi.
17 Le premier jour du premier mois de la seconde année, la Demeure fut dressée. Moïse dressa la Demeure;
18 Il en posa les socles, il en plaça les planches et les traverses, en dressa les colonnes.
19 Il étendit la tente sur la Demeure, et mit par-dessus la couverture de la tente, comme Yahweh l’avait ordonné à Moïse.
20 Il prit le témoignage et le plaça dans l’arche; il mit les barres à l’arche et posa le propitiatoire au-dessus de l’arche.
21 Il porta l’arche dans la Demeure; et, ayant mis le voile de séparation, il en couvrit l’arche du témoignage, comme Yahweh l’a-vait ordonné à Moïse.
22 Il plaça la table dans la tente de réunion, au coté septentrional de la Demeure, en dehors du voile,
23 et il y disposa les pains devant Yahweh, comme Yahweh l’avait ordonné à Moïse.
24 Il plaça le chandelier dans la tente de réunion, vis-à-vis de la table, au côté méridional de la Demeure,
25 et il y posa les lampes devant Yahweh, comme Yah-weh l’avait ordonné à Moïse.
26 Il plaça l’autel d’or dans la tente de réunion, de-vant le voile,
27 et il y fit brûler l’encens, comme Yahweh l’avait ordonné à Moïse.
28 Il plaça le rideau à l’entrée de la Demeure.
29 Il plaça l’autel des holocaustes à l’entrée de la Demeure, de la tente de réunion, et il y offrit l’holocauste et l’oblation, comme Yahweh l’avait ordonné à Moïse.
30 Il plaça la cuve entre la tente de réunion et l’autel, et il y mit de l’eau pour les ablutions;
31 Moïse, Aaron et ses fils s’y lavèrent les mains et les pieds.
32 Lorsqu’ils entraient dans la tente de réunion et qu’ils s’approchaient de l’autel, ils se lavaient, comme Yahweh l’avait ordonné à Moïse.
33 Il dressa le parvis autour de la Demeure et de l’autel, et il mit la tenture à la porte du parvis. Ce fut ainsi que Moïse acheva cette oeuvre.
34 Alors la nuée couvrit la tente de réunion, et la gloire de Yahweh remplit la Demeure.
35 Et Moïse ne pouvait plus entrer dans la tente de réunion, parce que la nuée restait dessus, et que la gloire de Yahweh remplissait la Demeure.
36 Tant que durèrent leurs marches, les enfants d’Israël partaient lorsque la nuée s’élevait de dessus la Demeure;
37 et si la nuée ne s’élevait pas, ils ne partaient pas, jusqu’au jour où elle s’élevait.
38 Car la nuée de Yahweh reposait pendant le jour sur la Demeure, et, pendant la nuit, il y avait du feu dans la nuée, aux yeux de toute la maison d’Israël, tant que durèrent leurs marches.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.