bijbelvers 001 genisis

Download

- Stars (0)

0 Downloads

Owner: admin

Version: 1.0

Last Updated: 21-07-2021 19:52

Share
DescriptionPreviewVersions
3.2.1 geloven christendom - bijbelvers 001 genisis.pdf

Bron: https://rkbijbel.nl/kbs/bijbel/willibrord1975/neovulgaat https://nl.wikipedia.org/wiki/Genesis_(boek)

De Willibrordvertaling is dé standaardvertaling van de rooms katholieke geloofsgemeenschap in het Nederlands taalgebied en wordt uitgegeven door de Katholieke Bijbelstichting, in nauwe samenwerking met de Vlaamse Bijbelstichting. De Willibrordvertaling wordt alom gewaardeerd als een vertaling die trouw is aan de grondtekst en die tegelijkertijd een tekst biedt in begrijpelijk hedendaags Nederlands.

Genesis (Grieks: Γένεσις, ”ontstaan”) is het eerste boek van de Hebreeuwse Bijbel. De Hebreeuwse aanduiding תישארב, Beresjiet betekent ”in het begin” en volgt de traditie om de boeken aan te duiden met het eerste woord ervan; in het Nederlands begint het boek met de zin: ”In het begin schiep God de hemel en de aarde”.

Genesis vormt het eerste deel van een nog grotere vertelconstructie, die de boog van de schepping tot aan het einde van het koninkrijk Juda en de Babylonische ballingschap omspant — Genesis tot en met 2 Koningen. Binnen deze samenhangende verhalen vertelt Genesis het verhaal van het begin, de schepping, via de aartsvaders van de Israëlieten tot aan de ballingschap van Jakobs familie met aanhang in Egypte.

Traditioneel wordt Genesis toegeschreven aan Mozes, maar in de hedendaagse Bijbelwetenschap wordt het werk gezien als een product van de 6e en 5e eeuw v.Chr.

Schepping (hoofdstuk 1 – 2:3)

Genesis begint met twee scheppingsverhalen. Het eerste verhaal vertelt hoe God de hemel, aarde, planten, dieren en uiteindelijk de mens in zes dagen schiep. De zevende dag rustte Hij.

Paradijsvertelling (hoofdstuk 2:4 – 3:24)

In de paradijsvertelling schiep God na de aarde met planten en dieren uit aarde de eerste mens, Adam, en plaatste hem in een prachtige tuin, het paradijs (de Hof van Eden). God verbood Adam te eten van de Boom van de kennis van goed en kwaad. Hij bracht alle dieren naar Adam om hen een naam te geven. Daarna liet God Adam in slaap vallen en maakte uit een van zijn ribben de vrouw, Eva. Eva werd door een slang verleid om een vrucht te eten van de verboden boom en op haar beurt verleidde zij Adam hiertoe. Op dat moment beseften ze dat ze naakt waren en schaamden zich daarvoor, waarna ze zich bedekten met vijgenbladeren. Om te voorkomen dat Adam en Eva ook van de levensboom zouden eten en zo het eeuwig leven zouden verwerven, verdreef God hen uit de tuin van Eden.

De eerste moord (hoofdstuk 4)

Adam en Eva kregen twee zonen: Kaïn en Abel. Kaïn werd jaloers op Abel, omdat God Abels offer wel aanvaardde en het zijne niet. Hij doodde Abel. Kaïn moest voortaan rondzwerven over de aarde. Hij vestigde zich ten slotte in het land Nod, ten oosten van

Eden. Hij bouwde een stad en noemt die naar zijn zoon Henoch. Eva kreeg nog een zoon, Seth. Hoofdstuk 4 besluit met de woorden: ”In die tijd begon men de naam van de HEER aan te roepen.”

Geslachtsregister (hoofdstuk. 5)

Hoofdstuk 5 vermeldt de opeenvolgende geslachten van Adam tot Noach. Zoals in veel mythes werden de mensen buitengewoon oud, tot bijna 1.000 jaar.

De zondvloed (hoofdstuk. 6 – 9)

Na de zondeval ontwikkelde de mensheid zich van kwaad tot erger. Daar kwam bij dat de zonen van God (volgens sommigen gevallen engelen) trouwden met menselijke vrouwen en reuzen verwekten, die nephilim werden genoemd. God besloot de mensheid nog 120 jaar te geven en hen daarna te straffen door een zondvloed. Alleen Noach en zijn gezin (zijn vrouw, drie zonen en hun vrouwen) zouden behouden blijven door op Gods bevel een ark te bouwen en daarin alle dieren mee te nemen (van alle reine dieren zeven paartjes, van de onreine één). Noach was toen 600 jaar oud. Toen zond God de vloed: 40 dagen en nachten regende het. Uiteindelijk zakte het water en belandde de ark op de berg Ararat.[3] God beloofde nooit meer een zondvloed over de aarde te brengen en bevestigde dit met het teken van de regenboog. Hierna gaf God de opdracht om zich te verspreiden en de aarde te vullen met nakomelingen.

Volkenlijst (hoofdstuk. 10)

Hoofdstuk 10 bevat een geslachtsregister van de nakomelingen van Noach, de volkenlijst.

Toren van Babel (hoofdstuk. 11)

De mensen bleven toch bij elkaar wonen en bouwen een stad in de vlakte van Sinear en wilden daar een toren die tot de hemel reikte, om daarmee de eenheid te behouden en roem te vergaren, de Toren van Babel. God kwam naar de aarde om verwarring in de taal te stichten, waardoor men elkaar niet meer verstond en men zich ten slotte opsplitste in verschillende volkeren. Dit verklaart de verspreiding van de mensheid over de aarde.

De rest van dit hoofdstuk bevat geslachtsregisters van de nakomelingen van Sem en Terach. Opvallend in deze geslachtsregisters is dat de ouderdom van de opeenvolgende geslachten snel afnam.

Samenvatting van de verhalen over de aartsvaders Abraham (hoofdstuk. 12-25)

Abrahams vader Terach vertrok uit Ur naar Haran en nam zijn zoon die op dat moment nog Abram heette mee. In Haran kreeg Abraham de opdracht van God zijn land te verlaten. Samen met zijn neef Lot trok hij naar Kanaän, waar God hem vertelde dat zijn nageslacht daar zou wonen. God beloofde Abraham dat hij tot een groot volk zou worden. Omdat er op dat moment honger was in dat gebied, trok Abraham naar Egypte. Na frictie tussen de herders van Abraham en die van Lot, trok Lot richting Sodom en Gomorra, terwijl Abraham richting Hebron trok. Na een herhaalde belofte van God aan

Abraham dat zijn nakomelingen het land Kanaän zouden beërven, sliep Abraham met de slavin Hagar, omdat zijn vrouw Sara te oud was om zelf nog een kind te krijgen. Daaruit werd Ismaël geboren. Hierna sloot God een verbond met Abraham, met de besnijdenis als teken.

Lot was intussen in Sodom gaan wonen. God wilde Sodom en Gomorra vernietigen vanwege de slechtheid van de inwoners. Hoewel Abraham bij God pleitte om de steden te sparen, bleef God bij zijn besluit. Twee engelen waarschuwden Lot, zodat hij kon ontsnappen aan de vernietiging. Zijn vrouw veranderde in een zoutpilaar toen ze omkeek. Lots dochters voerden hun vader dronken, sliepen met hem en baarden beiden een zoon.

Abraham kreeg weer een zoon, ditmaal van zijn vrouw Sara. Hij noemde hem Isaak. Sara zette Abraham ertoe aan Hagar en haar zoon weg te sturen. Een engel redde hen net op het moment dat zij in de woestijn op het punt staan om te komen.

God gaf Abraham de opdracht Isaak te offeren. Een engel greep in op het moment dat Abraham zijn zoon wil doden. Na het overlijden van Sara stuurde Abraham een knecht eropuit om een vrouw voor Isaak te vinden. Hij keerde terug met Rebekka, een zus van Laban en een nichtje van Isaak. Hierna brak een hongersnood uit en trok Isaak naar de Filistijnse stad Gerar. God beloofde daar ook aan hem dat hij het land Kanaän aan zijn nakomelingen zal geven.

Nadat Abraham overleed, werd hij begraven door zijn zonen Isaak en Ismaël.

Jakob (hoofdstuk. 25-37)

Isaak kreeg twee zonen, een tweeling: Esau en Jakob. Esau was een jager en verkocht zijn eerstgeboorterecht aan Jakob voor een bord linzensoep. Toen Isaak ouder was geworden werd hij slechtziend. Hij riep Esau bij zich op hem te zegenen en daarmee aan te stellen als zijn erfgenaam. Jakob deed zich op initiatief van Rebekka echter voor als Esau en ontving de zegen. Hij vluchtte naar Laban. Onderweg had hij een droom over de Jakobsladder. Ook hoorde hij de stem van God die hem de belofte deed dat zijn nakomelingen het land Kanaän zouden krijgen.

Bij Laban ging Jakob als schaapherder werken. Hij werd verliefd op Labans dochter Rachel. Na zeven jaar werken mocht hij met haar trouwen, maar Laban misleidde hem en hij trouwde met Lea, de oudste dochter van Laban. Volgens de traditie moest de oudste dochter eerder trouwen dan de jongste. Jakob trouwde vervolgens ook met Rachel, maar als bruidsschat moest hij weer zeven jaar voor Laban werken. In deze tijd kreeg Jakob twaalf zonen bij zijn twee vrouwen, en twee bijvrouwen Bilha en Zilpa. God zegende Jakob en zijn kudde groeide snel. Hij werd een rijk man. Jakob was bang dat Laban jaloers was en besloot hem in het geheim te verlaten en terug te keren naar zijn vader Isaak. Laban achterhaalde hem echter omdat hij dacht dat Jakob zijn godenbeelden heeft meegenomen, wat Rachel had gedaan. Laban achterhaalde Jakob, vond de beelden niet en sloot een verbond met hem.

Bij de terugkeer was Jakob bang voor Esau en stuurde hem daarom voor hun ontmoeting veel geschenken. Esau was echter niet boos meer.

Jakob sloeg zijn tenten op bij stad Sichem. Dina, de dochter van Jakob, werd daar verkracht door Sichem, de zoon van Hemor, de koning van de stad. Daarna wilde deze met Dina trouwen. De zonen van Jakob adviseerden hun vader akkoord te gaan, maar wel te eisen dat alle mannen van de stad zich zouden laten besnijden. Dit gebeurde en toen de mannen wondkoorts hadden, moordden de zonen van Jakob de hele stad uit. Jakob trok hierna richting Betel.

Jozef (hoofdstuk. 37-50)

Jozef verklaart de dromen van de bakker en de schenker (mogelijk van Jan Mostaert) Jozef was de oudste zoon van Jakobs geliefde vrouw Rachel en werd door zijn vader voorgetrokken. De broers haatten hem hierom en verkochten hem als slaaf en vertelden hun vader dat Jozef door een wild dier verscheurd was. Jozef werd naar Egypte gevoerd en kwam als slaaf in het huis van Potifar, een hoveling van de farao, waar hij het volledige vertrouwen van zijn meester opbouwde.

De vrouw van Potifar probeerde Jozef te verleiden, maar deze verzette zich daartegen. De vrouw beschuldigde Jozef vervolgens van een poging tot verkrachting. Potifar gooide Jozef in de gevangenis. Op een dag werden de opperschenker en de opperbakker van de farao in de gevangenis geworpen. Daar hadden ze een droom en Jozef kan hen die droom uitleggen. Hij voorspelde dat de schenker in zijn ambt hersteld zou worden maar dat de bakker de doodstraf zou krijgen. En zo gebeurde het.

Twee jaar later had de farao een droom die niemand hem kon uitleggen. De schenker wees hem op Jozef, die nog steeds in de gevangenis zat. Jozef werd gehaald. Hij legde de droom van de farao uit: er zouden eerst zeven jaar overvloed komen en daarna zeven jaar hongersnood. Bovendien gaf Jozef adviezen. De farao benoemde Jozef tot onderkoning en liet alle staatszaken aan hem over.

Jozef zorgde ervoor dat de graanschuren in de jaren van overvloed gevuld worden. Daarna begon de tijd van hongersnood. Deze heerste ook in het land Kanaän, waar Jakob woonde. Na twee jaar kwamen Jozefs broers naar Egypte om graan te kopen. Voor de zekerheid bleef Jakobs lievelingszoon Benjamin thuis. Jozef herkende zijn broers, maar de broers herkenden hem niet en Jozef maakte zich niet bekend. Hij beschuldigde de mannen van spionage. Simeon werd gevangengezet. Jozef beval de anderen terug te gaan naar huis en de volgende keer hun kleine broertje Benjamin mee te brengen.

Toen het voedsel op was, moesten de broers weer naar Egypte. Jakob stond met tegenzin toe dat Benjamin ook meeging. Jozef liet Simeon uit de gevangenis halen en ontving de broers hartelijk. Daarna stuurde hij ze met gevulde graanzakken naar huis, maar liet zijn beker in de zak van Benjamin verbergen. Kort na hun vertrek stuurde Jozef zijn huismeester achter de broers aan om de beker te zoeken. De beker werd in de zak

van Benjamin gevonden, dus hij werd wordt gevangengenomen. Juda hield voor Jozef een pleidooi, waarin hij zijn eigen leven aanbood als Benjamin maar tot zijn vader mocht terugkeren. Nu was het Jozef duidelijk dat het karakter van zijn broers veranderd was. Hij maakte zich bekend en nodigde Jakob uit om in Egypte te komen wonen, in de streek Gosen, waar het beste van het land Egypte voor hem zou zijn.

Hoofdstuk 1

In het begin schiep God de hemel en de aarde*. 2De aarde was woest en leeg; duisternis lag over de diepte, en de Geest van God zweefde over de wateren. 3Toen sprak God: `Er moet licht zijn!’ En er was licht*. 4En God zag dat het licht goed was. God scheidde het licht van de duisternis; 5het licht noemde God dag, en de duisternis noemde Hij nacht. Het werd avond en het werd ochtend; dat was de eerste dag.*

6God sprak: `Er moet een uitspansel zijn tussen de wateren, een afscheiding tussen het ene water en het andere.’ 7En God maakte het uitspansel; Hij scheidde het water onder het uitspansel van het water erboven. Zo gebeurde het. 8Het uitspansel noemde God hemel. Het werd avond en het werd ochtend; dat was de tweede dag.

9God sprak: `Het water onder de hemel moet naar een plaats samen-vloeien, zodat het droge zicht-baar wordt.’ Zo gebeurde het. 10Het droge noemde God land, en het samen-gevloeide water noemde Hij zee. En God zag dat het goed was. 11God sprak: `Het land moet zich tooien met jong groen gras, zaadvormend gewas en vruchtbomen die ieder naar zijn soort hun vruchten dragen, met zaad erin.’ Zo gebeurde het. 12En uit het land schoot jong groen op, gras, zaadvormend gewas, in allerlei soorten, en bomen die ieder naar zijn soort hun vruchten droegen, met zaad erin. En God zag dat het goed was. 13Het werd avond en het werd ochtend; dat was de derde dag.

14God sprak: `Er moeten lichten zijn aan het hemelgewelf, die de dag van de nacht zullen scheiden; zij moeten als tekens dienen, zowel voor de feesten als voor de dagen en de jaren 15en tevens als lampen aan het hemelgewelf om de aarde te verlichten.’ Zo gebeurde het. 16God maakte de twee grote lampen, de grootste om over de dag te heersen, de kleinste om te heersen over de nacht, en Hij maakte ook de sterren. 17God gaf ze een plaats aan het hemelgewelf om de aarde te verlichten, 18om te heersen over de dag en over de nacht, en om het licht en de duisternis uiteen te houden. En God zag dat het goed was. 19Het werd avond en het werd ochtend; dat was de vierde dag.

20God sprak: `Het water moet wemelen van dieren, en boven het land moeten de vogels vliegen langs het hemelgewelf.’ 21Toen schiep God de grote gedrochten van de zee en al de krioelende dieren, waar het water van wemelt, soort na soort, en al de gevleugelde dieren, soort na soort. En God zag dat het goed was. 22God zegende ze en Hij sprak: `Wees vruchtbaar en word talrijk; gij moet het water van de zee bevolken, en de

vogels moeten talrijk worden op het land.’ 23Het werd avond en het werd ochtend; dat was de vijfde dag.

24God sprak: `Het land moet levende wezens voortbrengen van allerlei soort: tamme dieren, kruipende dieren en wilde beesten van allerlei soort.’ Zo gebeurde het. 25God maakte de wilde beesten, soort na soort, de tamme dieren soort na soort, en alles wat over de grond kruipt, soort na soort. En God zag dat het goed was. 26God sprak: `Nu gaan Wij de mens maken, als beeld van Ons, op Ons gelijkend; hij zal heersen over de vissen van de zee, over de vogels van de lucht, over de tamme dieren, over alle wilde beesten en over al het gedierte dat over de grond kruipt.’ 27En God schiep de mens als zijn beeld; als het beeld van God schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij hen.* 28God zegende hen, en God sprak tot hen: `Wees vruchtbaar en word talrijk; bevolk de aarde en onderwerp haar; heers over de vissen van de zee, over de vogels van de lucht, en over al het gedierte dat over de grond kruipt.’ 29En God sprak: `Hierbij geef Ik alle zaadvormende gewassen op de hele aardbodem aan u, en alle bomen met zaaddragende vruchten; zij zullen u tot voedsel dienen. 30Maar aan alle wilde beesten, aan alle vogels van de lucht en aan alles wat over de grond kruipt, aan al wat dierlijk leven heeft, geef Ik al het groene gewas als voedsel. Zo gebeurde het. 31God bezag alles wat Hij gemaakt had, en Hij zag dat het heel goed was. Het werd avond en het werd ochtend; dat was de zesde dag.

Hoofdstuk 2

Zo werden de hemel en de aarde voltooid, en alles waarmee ze toegerust zijn. 2Op de zevende dag bracht God het werk dat Hij verricht had tot voltooiing. Hij rustte op de zevende dag van al het werk dat Hij verricht had.** 3God zegende de zevende dag en maakte hem heilig, want op die dag rustte God van al het werk dat Hij scheppend tot stand had gebracht. DE TUIN VAN EDEN

4Dit is de geschiedenis van het ontstaan van de hemel en aarde, zoals ze geschapen zijn. Toen Jahwe God de aarde en de hemel maakte, 5waren er op aarde nog geen wilde planten en groeide er geen enkel veldgewas, want Jahwe God had nog geen regen op de aarde laten vallen en er was nog geen mens om de grond te bebouwen, 6om het water uit de aarde omhoog te halen en de aardbodem te bevloeien. 7Toen boetseerde Jahwe God de mens uit stof, van de aarde genomen, en Hij blies hem de levensadem in de neus: zo werd de mens een levend wezen.* 8Daarna legde Jahwe God een tuin aan in Eden, ergens in het oosten, en daarin plaatste hij de mens die Hij geboetseerd had. 9Jahwe God liet uit de grond allerlei bomen opschieten, aanlokkelijk om te zien en heerlijk om van te eten; daarbij was ook de boom van het leven midden in de tuin en de boom van de kennis van goed en kwaad. 10Uit Eden stroomt de rivier die water geeft aan de tuin; hij splitst zich in vier armen. 11De naam van de eerste is Pison, hij stroomt om geheel Chawila heen, waar goud is; 12het goud van dat land is voortreffelijk; en ook balsemhars en edelstenen worden er gevonden. 13De tweede heet Gichon, hij stroomt om geheel

Kus heen. 14De derde heet Tigris; hij loopt ten oosten van Assur. De vierde is de Eufraat. 15Toen bracht Jahwe God de mens in de tuin van Eden, om die te bewerken en te beheren. 16En Jahwe God gaf de mens dit gebod: `Van al de bomen in de tuin moogt ge vrij eten, 17maar van de boom van de kennis van goed en kwaad moogt ge niet eten, want op de dag dat gij daarvan eet, moet ge sterven.’ 18Jahwe God sprak: `Het is niet goed dat de mens alleen blijft. Ik ga een hulp voor hem maken die bij hem past.* 19Toen boetseerde Jahwe God uit de aarde alle dieren op het land en alle vogels van de lucht, en bracht die bij de mens, om te zien hoe hij ze noemen zou: zoals de mens ze zou noemen, zo zouden ze heten. 20De mens gaf dus namen aan al de tamme dieren en aan al de vogels van de lucht en aan al de wilde beesten; maar een hulp die bij hem paste vond de mens niet. 21Toen liet Jahwe God de mens in een diepe slaap vallen; en terwijl hij sliep, nam Hij een van zijn ribben weg en zette er vlees voor in de plaats.** 22Daarna vormde Jahwe God uit de rib die Hij bij de mens had weggenomen, een vrouw, en bracht haar naar de mens. 23Toen sprak de mens: `Eindelijk been van mijn gebeente en vlees van mijn vlees! Mannin zal zij heten, want uit een man is zij genomen.’ 24Zo komt het dat een man zijn vader en zijn moeder verlaat en zich zo aan zijn vrouw hecht, dat zij volkomen één worden.*** 25Zij waren beiden naakt, de mens en zijn vrouw, maar zij voelden geen schaamte voor elkaar.

Hoofdstuk 3

Van alle dieren, die Jahwe God gemaakt had, was er geen zo sluw als de slang. Ze zei tot de vrouw: `Heeft God werkelijk gezegd dat u van geen enkele boom in de tuin mag eten?’ 2De vrouw zei tot de slang: `Wij mogen wel eten van de vruchten van de bomen in de tuin. 3God heeft alleen gezegd: Van de vruchten van de boom die midden in de tuin staat moogt ge niet eten; gij moogt ze zelfs niet aanraken; anders zult gij sterven.’ 4Maar de slang zei tot de vrouw: ’U zult helemaal niet sterven! 5God weet dat uw ogen open zullen gaan als u eet van die boom, en dat u dan gelijk zult worden aan God, door de kennis van goed en kwaad.’ 6Toen zag de vrouw dat het goed eten was van die boom, en dat hij een lust was voor het oog, en hoe aantrekkelijk het was er inzicht door te krijgen. Zij plukte dus een vrucht en zij at ervan; zij gaf er ook van aan haar man, die bij haar stond, en ook hij at ervan. 7Nu gingen hun beiden de ogen open en zij ontdekten dat zij naakt waren. Daarom hechtten ze vijgebladen aaneen en maakten daar lendenschorten van. 8Toen zij, bij het opkomen van de middagwind, de donder van Jahwe God in de tuin hoorden klinken, verborgen de mens en zijn vrouw zich voor Jahwe God tussen de bomen van de tuin. 9Maar Jahwe God riep de mens en vroeg hem: ’Waar zijt gij?’ 10Hij antwoordde: `Ik hoorde uw donder in de tuin, en toen werd ik bang, omdat ik naakt ben; daarom heb ik mij verborgen.’ 11Maar Hij zei: `Wie heeft u verteld dat gij naakt zijt? Hebt ge soms gegeten van de boom die ik u verboden heb?’ 12De mens antwoordde: `De vrouw die Gij mij als gezellin gegeven hebt, zij heeft mij van die boom gegeven, en toen heb ik gegeten.’ 13Daarop vroeg Jahwe God aan de

vrouw: `Hoe hebt gij dat kunnen doen?’ De vrouw zei: `De slang heeft mij verleid, en toen heb ik gegeten.’ 14Jahwe God zei toen tot de slang: `Omdat ge dit gedaan hebt, zijt gij vervloekt, onder alle tamme dieren en onder alle wilde beesten! Op uw buik zult ge kruipen en stof zult ge vreten, alle dagen van uw leven! 15Vijandschap sticht ik tussen u en de vrouw, tussen uw kroost en het hare. Het zal uw kop bedreigen, en gij zijn hiel!’ 16En tot de vrouw heeft Hij gezegd: `Zeer zwaar zal ik maken de lasten van uw zwangerschap: met pijn zult gij kinderen baren. Naar uw man zal uw begeerte uitgaan, hoewel hij over u heerst.’ 17En tot de man heeft Hij gezegd: `Omdat gij hebt geluisterd naar uw vrouw en hebt gegeten van de boom die Ik u had verboden, zal de grond vervloekt zijn omwille van u! Zwoegend zult gij van hem eten, alle dagen van uw leven. 18Distels en doornen zal hij voortbrengen, met veldgewas moet gij u voeden. 19In het zweet zult ge werken voor uw brood, tot gij terugkeert naar de grond, waaruit gij zijt genomen: gij zijt stof, en tot stof keert gij terug.’ 20De mens noemde zijn vrouw Eva, want zij is de moeder geworden van alle levenden. 21En Jahwe God maakte kleren van huiden voor de mens en zijn vrouw en Hij deed hun die aan. 22En Jahwe God zei: `Nu de mens in de kennis van goed en kwaad als een van Ons is geworden, wil Ik voorkomen dat hij nog plukt van de boom van het leven; door daarvan te eten, zou hij eeuwig blijven leven!’ 23Daarom verwees Jahwe God hem uit de tuin van Eden, en moest hij de grond gaan bebouwen waaruit hij was genomen. 24Hij verjoeg dus de mens uit de tuin, en aan de oostkant van de tuin van Eden plaatste Hij de kerubs en de vlam van het wentelend zwaard, om de weg naar de boom van het leven te bewaken.

Hoofdstuk 4

De mens had gemeenschap met zijn vrouw Eva; zij werd zwanger en bracht Kain ter wereld, en zij sprak: `Door Jahwe’s gunst heb ik een mannelijk kind voortgebracht.’ 2Vervolgens baarde zij Abel, zijn broer. Abel werd schaapherder en Kain landbouwer. 3Na verloop van tijd bracht Kain een offer aan Jahwe van de vrucht en van de grond. 4Ook Abel bracht een offer, de eerstgeborenen van zijn beste schapen. Jahwe zag genadig neer op Abel en zijn offer, 5maar op Kain en zijn offer sloeg Hij geen acht. Een wilde woede greep Kain aan, en zijn gezicht werd grimmig. 6Nu zei Jahwe tot Kain: `Waarom zijt gij woedend en waarom staat uw gezicht zo grimmig? 7Als gij het goede doet, is er opgewektheid; maar doet gij het goede niet, dan loert de zonde als belager aan uw deur, begerig u te grijpen. Zult gij hem meester kunnen blijven?’ 8Daarop zei Kain tot zijn broer Abel: `Laten we gaan wandelen.’ En toen zij buiten waren, viel Kain zijn broer aan en vermoordde hem. 9Nu zei Jahwe tot Kain: `Waar is uw broer Abel?’ Hij antwoordde: `Ik weet het niet. Moet ik dan op mijn broer passen?’ 10Toen zei Hij: `Wat hebt gij gedaan? Hoor, het bloed van uw broer roept uit de grond tot mij! 11Daarom zult gij vervloekt zijn, verbannen van de grond die zijn mond heeft geopend om uit uw hand het bloed van uw broer te ontvangen! 12De grond die gij bewerkt zal niets meer opbrengen; een zwerver en een vagebond zult ge zijn op de

aarde!’ 13Toen zei Kain tot Jahwe: `Die straf is te zwaar om te dragen. 14Gij verdrijft mij van de bebouwde grond, en ik zal ver van U moeten blijven. Ik zal een zwerver en een vagebond zijn op de aarde, en ieder die mij ontmoet kan mij doden.’ 15Maar Jahwe antwoordde hem: `Neen! Wie het ook is die Kain doodt, hij zal het zevenvoudig boeten!’ En Jahwe gaf Kain een merkteken, om te voorkomen dat ieder die hem ontmoette hem doden zou. 16Daarna trok Kain weg uit Jahwe’s nabijheid en vestigde zich in het land Nod, ten oosten van Eden. 17Kain had gemeenschap met zijn vrouw; zij werd zwanger en baarde Henoch. Hij stichtte een stad, en noemde die stad naar zijn zoon Henoch. 18Aan Henoch werd Irad geboren. Irad verwekte Mechujaël; Mechujaël verwekte Metusaël, en Metusaël verwekte Lamech. 19Lamech huwde twee vrouwen; de ene heette Ada, de andere Silla. 20Ada baarde Jabal; hij werd de stamvader van allen die in veehoederstenten wonen. 21Zijn broer heette Jubal; hij werd de stamvader van allen, die op de citer en de fluit spelen. 22Ook Silla kreeg kinderen; zij baarde Tubal-kain, de stamvader van de smeden, van allen die het brons en het ijzer bewerken. De zuster van Tubal-kain, de stamvader van de smeden, van allen die het brons en het ijzer bewerken. De zuster van Tubal-kain heette Naama. 23Eens zei Lamech tot zijn vrouwen: `Ada en Silla, hoort wat ik zeg: vrouwen van Lamech, luistert naar mijn woord! Word ik gewond, dan dood ik een man; krijg ik een schram, dan neem ik een kind. 24Wordt Kain zevenvoudig gewroken. Lamech zevenenzeventigvoudig!’ 25Adam had opnieuw gemeenschap met zijn vrouw; zij baarde een zoon en noemde hem Set. `Want,’ zei ze, `God heeft mij een andere zoon geschonken in de plaats van Abel, die door Kain is vermoord.’ 26Ook Set kreeg een zoon en hij noemde hem Enos. Dat was de tijd dat men de naam van Jahwe begon aan te roepen.

Hoofdstuk 5

Dit is de lijst van de nakomelingen van Adam. Op de dag dat God Adam schiep, maakte Hij hem op God gelijkend. 2Man en vrouw schiep hij hen; hij zegende hen en noemde hen mens, op de dag dat zij geschapen werden. 3Toen Adam honderddertig jaar was, verwekte hij een zoon, die op hem geleek en zijn beeld was, en hij noemde hem Set. 4Adam leefde na de geboorte van Set nog achthonderd jaar, en hij kreeg zonen en dochters. 5Heel de levensduur van Adam bedroeg negenhonderddertig jaar. Toen stierf hij. 6Toen Set honderdvijf jaar was, verwekte hij Enos. 7Set leefde na de geboorte van Enos nog achthonderdzeven jaar, en hij kreeg zonen en dochters. 8Heel de levensduur van Set bedroeg negenhonderdtwaalf jaar. Toen stierf hij. 9Toen Enos negentig jaar was, verwekte hij Kenan. 10Enos leefde na de geboorte van Kenan nog achthonderdvijftien jaar, en hij kreeg zonen en dochters. 11Heel de levensduur van Enos bedroeg negenhonderdvijf jaar. Toen stierf hij. 12Toen Kenan zeventig jaar was, verwekte hij Mahalalel. 13Kenan leefde na de geboorte van Mahalalel nog achthonderdveertig jaar, en hij kreeg zonen en dochters. 14Heel de levensduur van Kenan bedroeg negenhonderdtien jaar. Toen stierf hij. 15Toen Mahalalel vijfenzestig jaar

was, verwekte hij Jered. 16Mahalalel leefde na de geboorte van Jered nog achthonderddertig jaar, en hij kreeg zonen en dochters. 17Heel de levensduur van Mahalalel bedroeg achthonderdvijfennegentig jaar. Toen stierf hij. 18Toen Jered honderdtweeënzestig jaar was, verwekte hij Henoch. 19Jered leefde na de geboorte van Henoch nog achthonderd jaar, en hij kreeg zonen en dochters. 20Heel de levensduur van Jered bedroeg negenhonderdtweeënzestig jaar. Toen stierf hij. 21Toen Henoch vijfenzestig jaar was, verwekte hij Metuselach. 22Henoch leefde na de geboorte van Metuselach nog driehonderd jaar; hij richtte zijn schreden naar God, en hij kreeg zonen en dochters. 23Heel de levensduur van Henoch bedroeg driehonderdvijfenzestig jaar. 24Henoch richtte zijn schreden naar God; zo kwam het dat hij verdween, omdat God hem wegnam. 25Toen Metuselach honderdzevenentachtig jaar was, verwekte hij Lamech. 26Metuselach leefde na de geboorte van Lamech nog zevenhonderdtweeëntachtig jaar, en hij kreeg zonen en dochters. 27Heel de levensduur van Metuselach bedroeg negenhonderdnegenenzestig jaar. Toen stierf hij. 28Toen Lamech honderdtweeëntachtig jaar was, verwekte hij een zoon. 29Hij noemde hem Noach, want hij zei: Uit de grond die door Jahwe vervloekt is zal hij ons vertroosting brengen bij ons werken en zwoegen. 30Lamech leefde na de geboorte van Noach nog vijfhonderdvijfennegentig jaar, en hij kreeg zonen en dochters. 31Heel de levensduur van Lamech bedroeg zevenhonderdzevenenzeventig jaar. Toen stierf hij. 32Toen Noach vijfhonderd jaar was, verwekte hij Sem, Cham en Jafet.

Hoofdstuk 6
Toen de mensen talrijk begonnen te worden op de aardbodem en dochters
kregen, 2zagen de zonen van God hoe mooi de dochters van de mensen
waren, en zij kozen zich uit die dochters ieder een vrouw. 3Maar Jahwe
zei: `Mijn levensgeest zal niet altijd bij de mens blijven, want hij is maar
een nietig wezen; de duur van zijn leven zal honderdtwintig jaar bedragen.’

4In die dagen – en ook nog daarna – leefden er reuzen op de aarde,
doordat de zonen van God gemeenschap hadden gehad met de dochters
van de mensen die hun zonen hadden gebaard. Zij waren de befaamde
geweldenaars van de oude tijd.
DE ZONDVLOED

5Toen Jahwe zag hoezeer op de aarde de boosheid van de mensen was toegenomen en hoezeer de begeerte van hun hart de hele dag naar het kwade uitging, 6kreeg Hij spijt dat Hij de mens op de aarde gemaakt had, en Hij was er zeer verdrietig om. 7En Jahwe zei: `Ik ga de mens, die Ik geschapen heb, van de aardbodem wegvagen, zowel de mens als het vee en de kruipende dieren en de vogels in de lucht, want het spijt Mij dat Ik ze gemaakt heb.’ 8Alleen Noach vond genade in de ogen van Jahwe. 9Dit is de geschiedenis van Noach. Noach was een rechtschapen man; hij bleef te midden van zijn tijdgenoten een onberispelijk leven leiden en hij richtte zijn schreden naar God. 10Noach verwekte drie zonen: Sem, Cham en Jafet. 11De aarde was voor de ogen van God verdorven en vol

gewelddaden. 12En God zag hoe bedorven de aarde was, want alle mensen op de aarde gingen verkeerde wegen. 13God zei tot Noach: `De dagen van de mensen zijn geteld, want zij zijn er de schuld van dat de aarde vol gewelddaden is. Ik ga hen met de aarde vernietigen. 14Gij moet een ark van pijnhout bouwen; met riet moet gij de ark maken, en ze van binnen en van buiten met pek bestrijken. 15Als volgt moet gij ze maken: de ark moet driehonderd el lang zijn, vijftig el breed en dertig el hoog. 16Het dak dat gij op de ark aanbrengt moet een el naar buiten uitsteken. In een van de zijden moet gij een deur aanbrengen; ook moet gij een onderste, een tweede en een derde ruim maken. 17Want Ik sta op het punt een watervloed over de aarde te brengen, die alle levende wezens onder de hemel zal verdelgen; alles wat zich op de aarde bevindt, zal omkomen. 18Met u echter zal ik een verbond aangaan; gij moet u inschepen in de ark, met uw zonen, met uw vrouw en met de vrouwen van uw zonen. 19Van alle levende wezens moet gij verder een paar in de ark brengen, om ze met u samen in leven te doen blijven; een mannelijk en een vrouwelijk dier moet het zijn. 20Van de verschillende soorten vee, van de verschillende soorten dieren die over de grond kruipen, moet een paar met u meegaan en aldus in leven blijven. 21Breng verder allerlei etenswaar bijeen en leg daar een voorraad van aan, zodat gijzelf en de dieren te eten hebt.’ 22Noach deed dit; alles wat God hem geboden had, voerde hij uit.

Hoofdstuk 7

Jahwe zei tot Noach: ’Ga in de ark met heel uw gezin, want van dit geslacht zijt gij de enige die in mijn ogen rechtschapen is. 2Neem van alle reine dieren zeven paar, telkens een mannetje en een wijfje; maar van de onreine dieren een paar, telkens een mannetje en een wijfje; 3ook van de vogels in de lucht zeven paar, telkens een mannetje en een wijfje. Zo zult gij hun soort in stand houden op de gehele aarde. 4Want over zeven dagen laat Ik het regenen op de aarde, veertig dagen en veertig nachten, en Ik ga alles wat bestaat, alles wat Ik gemaakt heb, van de aardbodem wegvagen.’ 5En Noach deed alles wat Jahwe hem geboden had. 6Noach was zeshonderd jaar, toen de vloed over de aarde kwam. 7Om zich te beschermen tegen het water van de vloed gingen Noach, zijn zonen, zijn vrouw en de vrouwen van zijn zonen de ark binnen. 8Van de reine en van de onreine dieren, van de vogels en van al wat over de grond kruipt, 9kwamen er telkens twee, een mannelijk en een vrouwelijk dier, bij Noach in de ark, juist zoals God geboden had. 10En op de zevende dag stortte het water van de vloed over de aarde neer. 11Het was in het zeshonderdste levensjaar van Noach, de zeventiende dag van de tweede maand; op die dag braken alle bronnen van de diepte los, de sluizen van de hemel gingen open, 12en regen viel op de aarde, veertig dagen en veertig nachten achtereen. 13Op die eigen dag ging Noach de ark binnen met Sem, Cham en Jafet, de zonen van Noach, en met zijn vrouw en de drie vrouwen van zijn zonen; 14en samen met hen kwamen ook al de verschillende soorten wilde beesten, al de verschillende soorten tamme

dieren, al de verschillende soorten kruipende dieren, al de verschillende soorten vogels, al het gevogelte, alles wat vleugels heeft. 15Van alle levende wezens kwamen er telkens twee bij Noach in de ark. 16Er kwamen mannelijke en vrouwelijke dieren, van alle levende wezens, zoals God had geboden. En Jahwe deed de deur achter hem dicht. 17Veertig dagen lang hield de vloed over de aarde aan. Het water steeg en tilde de ark op, tot hoog boven de aarde. 18Het water nam toe en kwam hoog boven de aarde te staan, en de ark dreef op het water. 19Het water bleef zo toenemen op de aarde dat het al de hoge bergen onder de hemel bedekte. 20Vijftien el daarboven steeg het water, zodat het de bergen bedekte. 21Alle levende wezens die zich op de aarde bewogen, vogels, tamme en wilde dieren, en alle dieren die over de grond kruipen, en ook alle mensen kwamen om. 22Alles wat levensadem in zijn neus had, alles wat op het droge leefde, vond de dood. 23Al wat op de aardbodem bestond werd verdelgd: de mensen, de viervoetige dieren, de kruipende dieren en de vogels in de lucht werden van de aarde verdelgd. Alleen Noach, en die bij hem in de ark waren, bleven in leven. 24Het water bleef stijgen op de aarde, honderdvijftig dagen achtereen.

Hoofdstuk 8

Toen dacht God aan Noach, en aan al de wilde en tamme dieren, die bij hem in de ark waren. En God deed over de aarde een wind gaan, waardoor het water begon te zakken. 2De bronnen van de diepte en de sluizen van de hemel werden gesloten, en de regen uit de hemel hield op. 3Het water zakte gestadig van de aarde weg. Na verloop van honderdvijftig dagen begon het te verminderen. 4Op de zeventiende dag van de zevende maand kwam de ark op de bergen van Ararat te liggen. 5Het water nam geleidelijk af tot de tiende maand; op de eerste dag van de tiende maand werden de toppen van de bergen zichtbaar. 6Na verloop van veertig dagen opende Noach het venster dat hij in de ark had aangebracht. 7Hij liet een raaf los, die heen en weer bleef vliegen tot het water op de aarde was opgedroogd. 8Toen liet hij een duif los, om te zien of het water al van de aardbodem was weggezakt. 9Maar de duif vond geen plek waar haar pootjes konden rusten, en keerde bij hem terug in de ark; want het water bedekte nog heel de aardbodem. Noach stak zijn hand uit, pakte de duif en haalde ze weer bij zich in de ark. 10Nu wachtte hij nog eens zeven dagen, en liet toen opnieuw een duif uit de ark los. 11Toen de duif tegen de avond bij hem terugkwam, droeg zij een groen olijfblad in de bek. Toen begreep Noach dat het water van de aarde weggezakt moest zijn. 12Hij wachtte nog eens zeven dagen, en liet toen opnieuw een duif los; maar deze duif keerde niet meer bij hem terug. 13In het zeshonderdeneerste jaar, op de eerste dag van de eerste maand, begon het water boven de aarde op te drogen. Nu schoof Noach het dak van de ark opzij en keek naar buiten; en zie, de aardbodem was droog. 14Op de zevenentwintigste dag van de tweede maand was de aarde droog. 15Toen sprak God tot Noach en zei: 16`Ga uit de ark, met uw vrouw, uw zonen en de vrouwen van uw zonen. 17Laat alle dieren die bij

u zijn mee naar buiten komen, alle levende wezens, vogels, viervoetige
dieren en kruipende dieren; dan kunnen zij weer de aarde bevolken, weer
vruchtbaar zijn en talrijk worden op de aarde.’ 18Toen ging Noach met zijn
zonen, zijn vrouw en de vrouwen van zijn zonen naar buiten. 19Ook alle
viervoetige dieren, alle kruipende dieren, alle vogels en al wat op de grond
kruipt, soort bij soort, verlieten de ark. 20Toen bouwde Noach een altaar
ter ere van Jahwe; hij deed een keuze uit de reine dieren en uit de reine
vogels, en droeg op het altaar brandoffers op. 21Jahwe rook de
aangename geur en zei bij zichzelf: ’Nooit meer zal Ik de aardbodem

vervloeken vanwege de mensen: het hart van de mens is immers geneigd
tot het kwade van jongs af aan. Ook de andere levende wezens zal Ik
nooit meer treffen, zoals Ik nu gedaan heb. 22Zolang de aarde bestaat,
blijft er zaaitijd en oogsttijd,
koude en hitte,
zomer en winter, dag en nacht.
Nooit houdt dat op.’
Hoofdstuk 9

Toen zegende God Noach met zijn zonen en zei tot hem: `Wees vruchtbaar, word talrijk en bevolk de aarde. 2Er zal vrees en schrik voor u zijn bij alle dieren op de aarde, bij alle vogels in de lucht, bij alles wat op de grond kruipt en bij alle vissen in de zee; onder uw heerschappij zijn ze gesteld. 3Alles wat leeft en beweegt zal u tot voedsel dienen; dat alles schenk Ik u naast het groene gewas. 4Alleen vlees met de ziel – vlees met het bloed er nog in – moogt gij niet eten. 5Ook uw eigen bloed zal Ik terugeisen: van alle dieren zal Ik het terugeisen en ook van de mensen, van de mensen onderling, zal Ik het leven van de mens terugeisen. 6Wie het bloed van een mens vergiet, diens bloed wordt door mensen vergoten, want als zijn beeld heeft God de mens gemaakt. 7Wees dan vruchtbaar en word talrijk, bevolk de aarde en word er talrijk. 8God zei tot Noach en zijn zonen: 9`Nu ga Ik mijn verbond aan met u en met uw nageslacht, 10en met alle levende wezens die bij u zijn, met de vogels en de viervoetige dieren, met alle dieren van de aarde die bij u zijn, al wat uit de ark is gekomen, al het gedierte van de aarde. 11Ik ga met u een verbond aan, dat nooit meer enig levend wezen door het water van de vloed zal worden uitgeroeid, en dat er zich nooit meer een vloed zal voordoen om de aarde te verwoesten.’ 12En God zei: `Dit is het teken van het verbond, dat Ik instel tussen Mij en u, en alle levende wezens die bij u zijn, voor alle geslachten. 13Ik zet mijn boog in de wolken; die zal het teken zijn van het verbond tussen Mij en de aarde. 14Wanneer Ik op de aarde de wolken samenpak en de boog in de wolken zichtbaar wordt, 15dan zal Ik denken aan het verbond tussen Mij en u en alle levende wezens, alles wat leven heeft. De wateren zullen nooit meer zwellen tot een vloed om al wat leeft te verdelgen. 16Als de boog in de wolken staat, zal Ik hem zien en daarbij denken aan het altijddurend verbond tussen God en alle levende wezens, alles wat op de aarde leeft.’ 17En God zei tot Noach: `Dat is het teken van het verbond dat Ik heb ingesteld tussen Mij en alles wat leeft op de aarde.’

18De zonen van Noach die met hem uit de ark gekomen waren, heetten Sem, Cham en Jafet; Cham is de vader van Kanaän. 19Deze drie waren de zonen van Noach, en door hen werd de gehele aarde bevolkt.

20Noach was landbouwer en hij was de eerste die een wijngaard plantte. 21Toen hij van de wijn gedronken had, werd hij dronken en kwam naakt in zijn tent te liggen. 22Cham, de vader van Kanaän, zag de schaamte van zijn vader en vertelde het buiten aan zijn twee broers. 23Maar Sem en Jafet haalden een mantel, legden die op hun schouders, liepen achteruit en bedekten met afgewend gelaat de schaamte van hun vader, zodat zij de schaamte van hun vader niet zagen. 24Toen Noach uit zijn roes ontwaakte en te weten kwam, wat zijn jongste zoon hem had aangedaan, 25zei hij: `Vervloekt zij Kanaän: de minste knecht zal hij zijn van zijn broers.’ 26En hij vervolgde: Gezegend zij Jahwe, de God van Sem, Kanaän zal zijn dienstknecht zijn! 27Moge God ruimte geven aan Jafet; hij moge wonen in de tenten van Sem; Kanaän zal zijn knecht zijn!’ 28Noach leefde na de vloed nog driehonderdvijftig jaar. 29Heel de levensduur van Noach bedroeg negenhonderdvijftig jaar. Toen stierf hij.

Hoofdstuk 10
DE VOLKENLIJST

1Nu volgt de geslachtslijst van de zonen van Noach, van Sem, Cham en Jafet; dit zijn de zonen die hun na de vloed zijn geboren. 2Zonen van Jafet: Gomer, Magog, Madai, Jawan, Tubal, Mesek en Tiras. 3Zonen van Gomer: Askenaz, Rifat en Togarma. 4Zonen van Jawan: Elisa, Tarsis, de Kittiers en de Rodanieten; 5van hen stammen al diegenen af die zich over de eilanden verspreid hebben. Dat zijn dus de zonen van Jafet volgens hun land, taal, stam en volk. 6Zonen van Cham: Kus, Egypte, Put en Kanaän. 7Zonen van Kus: Seba, Chawila, Sabta, Rama en Sabteka. Zonen van Rama: Seba en Dedan. 8Kus verwekte Nimrod. Deze was de eerste machtige heerser op aarde; 9hij was een geweldig jager voor Jahwe. Vandaar dat men zegt: `Een geweldig jager voor Jahwe, net als Nimrod.’ 10Oorspronkelijk lag zijn rijk in Babel, Erek, Akkad en Kalne, in Sinear; 11vanuit dat land trok hij naar Assur. Hij bouwde Nineve, Rechobot-ir. Kalach, 12en Resen, tussen Nineve – de grote stad – en Kalach. 13Egypte verwekte de Ludieten, Anamieten, Lehabieten, Naftuchieten, 14Patrusieten, Kasluchieten en Kaftorieten, waar de Filistijnen van afstammen. 15Kanaän verwekte Sidon, zijn eerstgeborene, en Chet, 16de Jebusieten, Amorieten, Girgasieten, 17Chiwwieten, Arkieten, Sinieten, 18Arwadieten, Semarieten en Hamatieten. Later hebben de Kanaänitische stammen zich verspreid. 19De grens van de Kanaänieten loopt van Sidon af over Gerar naar Gaza, en dan in de richting van Sodom, Gomorra, Adma en Seboim, tot Lesa. 20Dat zijn dus de zonen van Cham, volgens hun stammen, talen, landen en volken. 21Ook Sem kreeg kinderen. Hij was de stamvader van alle zonen van Eber en de oudste broer van Jafet. 22Zonen van Sem: Elam, Assur, Arpaksad, Lud en Aram. 23Zonen van Aram: Us, Chul, Geter en Mas. 24Arpaksad verwekte Selach, en Selach verwekte Eber. 25Eber kreeg

twee zonen; de eerste heette Peleg, omdat in zijn tijd de aarde verdeeld werd; de tweede heette Joktan. 26Joktan verwekte Almodad, Selef, Chasarmawet, Jerach, 27Hadoram, Uzal, Dikla, 28Obal, Abimaël, Seba, 29Ofir, Chawila en Jobab, allen zonen van Joktan. 30Hun woonplaats is het gebied vanaf Mesa in de richting van Sefar, het gebergte in het oosten. 31Dat zijn dus de zonen van Sem, volgens hun families, talen, landen en volken. 32Dat zijn de families van de zonen van Noach, volgens hun geslachten; van hen stammen de volken af, die zich na de vloed over de aarde verspreid hebben.

Hoofdstuk 11
DE TOREN VAN BABEL

1Alle mensen op aarde spraken eenzelfde taal en gebruikten dezelfde woorden. 2Nadat ze uit het oosten weggetrokken waren, vonden ze een vlakte in Sinear en vestigden zich daar. 3Zij zeiden tot elkaar: `Kom, laten wij tegels maken en ze harden in het vuur.’ De tegels gebruikten zij als bouwstenen, met asfalt als mortel. 4Nu zeiden ze: `Laten wij een stad bouwen met een toren, waarvan de spits tot in de hemel reikt; dan krijgen wij naam en worden wij niet over de aardbodem verspreid.’ 5Toen Jahwe neerdaalde om de stad en de toren die de mensen bouwden in ogenschouw te nemen, 6zei Hij: `Nu zijn ze een volk en spreken zij allen dezelfde taal. Wat zij nu doen is nog maar een begin; later zal geen enkel van hun plannen meer te stuiten zijn. 7Laten Wij neerdalen en verwarring brengen in hun taal, zodat de een niet meer verstaat wat de ander zegt.’ 8En Jahwe dreef hen vandaar naar alle kanten de hele aardbodem over, en er kwam een einde aan de bouw van de stad. 9Daarom noemt men die stad Babel, want Jahwe heeft daar verwarring gebracht in de taal van alle mensen en hen vandaar over de hele aardbodem verspreid. DE NAKOMELINGEN VAN SEM

10Dit zijn de nakomelingen van Sem. Toen Sem honderd jaar was, verwekte hij Arpaksad, twee jaar na de vloed. 11Sem leefde na de geboorte van Arpaksad nog vijfhonderdvijfendertig jaar en hij kreeg zonen en dochters. 12Arpaksad was vijfendertig jaar toen hij Selach verwekte. 13Arpaksad leefde na de geboorte van Selach nog vierhonderddrie jaar en hij kreeg zonen en dochters. 14Toen Selach dertig jaar was, verwekte hij Eber. 15Selach leefde na de geboorte van Eber nog vierhonderddrie jaar en hij kreeg zonen en dochters. 16Toen Eber vierendertig jaar was, verwekte hij Peleg. 17Eber leefde na de geboorte van Peleg nog vierhonderddertig jaar en hij kreeg zonen en dochters. 18Toen Peleg dertig jaar was, verwekte hij Reu. 19Peleg leefde na de geboorte van Reu nog tweehonderdnegen jaar en hij kreeg zonen en dochters. 20Toen Reu tweeëndertig jaar was, verwekte hij Serug. 21Reu leefde na de geboorte van Serug nog tweehonderdzeven jaar en hij kreeg zonen en dochters. 22Toen Serug dertig jaar was, verwekte hij Nachor. 23Serug leefde na de geboorte van Nachor nog tweehonderd jaar en hij kreeg zonen en dochters. 24Toen Nachor negenentwintig jaar was, verwekte hij Terach. 25Nachor leefde na de geboorte van Terach nog honderdnegentien jaar

en kreeg zonen en dochters. 26Toen Terach zeventig jaar was, verwekte hij Abram, Nachor en Haran. 27Dit zijn de nakomelingen van Terach. Terach verwekte Abram, Nachor en Haran. Haran verwekte Lot. 28Haran stierf nog bij het leven van zijn vader Terach in zijn geboorteland, te Ur in Chaldea. 29Abram en Nachor huwden beiden een vrouw. De vrouw van Abram heette Sarai en de vrouw van Nachor heette Milka; zij was de dochter van Haran, de vader van Milka en Jiska. 30Sarai was onvruchtbaar en had geen kinderen. 31Terach nam zijn zoon Abram en zijn kleinzoon Lot, de zoon van Haran, en zijn schoondochter Sarai, de vrouw van zijn zoon Abram, met zich mee, weg uit Ur in Chaldea, en ging op weg naar Kanaän. Toen zij echter in Haran aangekomen waren, bleven zij daar. 32Heel de levensduur van Terach bedroeg tweehonderdvijfjaar. Toen stierf Terach in Haran.

Hoofdstuk 12
DE ROEPING VAN ABRAM

1Jahwe zei tot Abram: `Trek weg uit uw land, uw stam en uw familie, naar het land dat Ik u aan zal wijzen. 2Ik zal een groot volk van u maken. Ik zal u zegenen en uw naam groot maken, zodat gij een zegen zult zijn. 3Ik zal zegenen die u zegenen, maar die u versmaadt zal Ik vervloeken. Door u zal zegen komen over alle geslachten op aarde.’ 4Toen trok Abram weg, zoals Jahwe hem had opgedragen, en Lot ging met hem mee. Abram was vijfenzeventig jaar toen hij Haran verliet. 5Met zijn vrouw Sarai en met Lot, de zoon van zijn broer, met al hun bezittingen en met degenen die zij in Haran in dienst hadden genomen, ging Abram op weg naar Kanaän. In Kanaän aangekomen, 6trok Abram het land in, tot bij de heilige plaats van Sichem, de eik van More. Toentertijd waren de Kanaänieten nog in het land. 7Daar verscheen Jahwe aan Abram en zei: `Aan uw nageslacht zal Ik dit land in bezit geven.’ Toen richtte hij daar een altaar op ter ere van Jahwe, die hem verschenen was. 8Vandaar trok hij verder naar het gebergte ten oosten van Betel, sloeg zijn tent op tussen Betel in het westen en Ai in het oosten, richtte een altaar op ter ere van Jahwe en riep de naam van Jahwe aan. 9Daarna trok Abram verder naar de Negeb toe. ABRAM IN EGYPTE

10Toen er eens hongersnood in het land kwam, begaf Abram zich naar Egypte om daar een tijdlang te blijven, want de hongersnood drukte zwaar op het land. 11Voor hij Egypte binnentrok, zei hij tot zijn vrouw Sarai: `Luister eens; ik weet dat je mooi bent. 12Als de Egyptenaren je zien en denken dat je mijn vrouw bent, zullen ze mij vermoorden en jou in leven laten. 13Zeg liever dat je mijn zuster bent; dan zal ik er goed afkomen en om jou in leven blijven.’ 14Zodra Abram in Egypte kwam, zagen de Egyptenaren hoe uitzonderlijk mooi zijn vrouw was. 15De hovelingen van Farao die haar gezien hadden gaven tegenover Farao hoog van haar op. Toen liet Farao haar in zijn huis brengen. 16Omwille van haar behandelde hij ook Abram goed en schonk hem schapen, runderen en ezels, slaven en slavinnen, ezelinnen en kamelen. 17Maar Jahwe bracht Farao en zijn hovelingen zware slagen toe om wat er gebeurd was met Sarai, de vrouw

van Abram. 18Toen ontbood Farao Abram en zei: `Wat hebt u mij aangedaan! 19Waarom hebt u mij niet verteld dat zij uw vrouw is? Waarom hebt u gezegd dat ze uw zuster is, zodat ik haar als vrouw heb genomen? Hier is uw vrouw, neem haar mee en ga heen!’ 20In opdracht van Farao brachten enigen van zijn mannen Abram en zijn vrouw met al zijn bezittingen de grens over.

Hoofdstuk 13

Zo trok Abram met zijn vrouw en al zijn bezittingen uit Egypte weg, de Negeb in; Lot ging met hen mee. 2Abram was een rijk man die zeer veel vee, zilver en goud bezat. 3Van de Negeb trok hij verder naar Betel, naar de plek tussen Betel en Ai, waar zijn tent ook tevoren gestaan had, 4naar de heilige plaats, waar hij vroeger een altaar had opgericht; daar riep Abram de naam van Jahwe aan. 5Ook Lot, die met Abram was meegekomen, bezat schapen, runderen en tenten. 6Het land liet evenwel niet toe dat ze bij elkaar bleven, want hun bezit was zo omvangrijk, dat ze niet bij elkaar konden blijven. 7Dit veroorzaakte botsingen tussen de herders van Abram en die van Lot. Bovendien woonden toentertijd ook de Kanaänieten en de Perizzieten nog in het land. 8Daarom zei Abram tegen Lot: `Laten wij geen ruzie met elkaar maken en onze herders evenmin; wij zijn toch broers van elkaar. 9Het hele land ligt voor je. Het is werkelijk beter dat je weggaat; ga jij links, dan ga ik rechts; ga jij rechts, dan ga ik links.’ 10Toen liet Lot zijn blik rondgaan; hij zag, hoe rijk aan water het land langs de Jordaan was. Want voordat Jahwe Sodom en Gomorra verwoest had, was deze streek, tot Soar toe, als de tuin van Jahwe, even waterrijk als Egypte. 11Daarom koos Lot al het land langs de Jordaan en ging oostwaarts. Zo scheidden de beide broers. 12Abram bleef in Kanaän wonen, maar Lot zocht zich een woonplaats bij de steden in de Jordaanstreek en sloeg zijn tent op in de nabijheid van Sodom. 13De Sodomieten bedreven veel kwaad en zondigden tegen Jahwe. 14Nadat Lot was weggegaan zei Jahwe tot Abram: `Laat uw blik rondgaan en kijk vanaf de plaats waar gij staat naar het noorden en het zuiden, het oosten en het westen. 15Al het land dat gij ziet, schenk Ik aan u en aan uw nageslacht, voor altijd. 16Ik zal uw nakomelingen maken als het zand op de aarde. Alleen iemand die het zand van de aarde kan tellen, zal uw nakomelingen kunnen tellen. 17Ga het hele land door in de lengte en in de breedte, want Ik schenk het aan u!’ 18Toen sloeg Abram zijn tent op en ging wonen bij de eik van More te Hebron; daar richtte hij een altaar op ter ere van Jahwe.

Hoofdstuk 14

Het was in de dagen van Amrafel de koning van Sinear, van Arjok de koning van Ellasar, van Kedorlaomer de koning van Elam, en van Tidal de koning van Goim. 2Deze koningen waren in oorlog met Bera de koning van Sodom, Birsa de koning van Gomorra, Sinab de koning van Adma, Semeber de koning van Seboim, en met de koning van Bela, dat ook Soar heet. 3Deze koningen trokken gezamenlijk op naar het dal van Siddim, nu Zoutzee geheten. 4Na twaalf jaar aan Kedorlaomer onderworpen te zijn

geweest, waren zij in het dertiende jaar in opstand gekomen. 5In het veertiende jaar rukte Kedorlaomer op, samen met de koningen die zijn bondgenoten waren. Zij versloegen de Refaieten bij Asterot-karnaim, de Zuzieten bij Ham, de Emieten in de vlakte van Kirjataim, 6en de Churrieten. Ze achtervolgden hen door het Seir-gebergte tot bij de eik van Paran, aan de rand van de woestijn. 7Daarna maakten zij een zwenking naar En-mispad, ook Kades geheten, en richtten een slachting aan in heel het gebied van de Amalekieten en onder de Amorieten in Chaseson-tamar. 8Toen trokken de koningen van Sodom, van Gomorra, van Seboim, en van Bela, ook Soar geheten, ten strijde, en in het dal van Siddim raakten zij slaags met hen, 9met Kedorlaomer de koning van Elam, Tidal de koning van Goim, Amrafel de koning van Sinear en Arjok de koning van Ellasar: vier koningen tegen vijf. 10In het dal van Siddim waren veel asfaltputten. De koningen van Sodom en Gomorra sloegen op de vlucht; daarbij vielen sommigen in die putten, terwijl de overigen de bergen in vluchtten. 11De vijand maakte zich meester van al het bezit van Sodom en Gomorra en van al hun voedselvoorraden. Daarna trok hij af. 12Bij zijn aftocht voerde hij ook Lot mee, de zoon van Abrams broer, met zijn bezittingen; Lot woonde namelijk in Sodom. 13Een vluchteling bracht het nieuws aan Abram, de Hebreeër, hij woonde op dat ogenblik bij de eik van Mamre de Amoriet, een broer van Eskol en Aner, beiden bondgenoten van Abram. 14Toen Abram vernam dat zijn broer gevangen was genomen, riep hij de geoefende mannen die in zijn huis waren geboren te wapen – het waren er driehonderdachttien -, en ging de vijanden achterna tot bij Dan. 15Met zijn dienaren viel hij hen in de nacht van verschillende kanten aan, versloeg hen en achtervolgde hen tot aan Choba, ten noorden van Damascus. 16Hij heroverde alle goederen; ook zijn broer Lot en diens bezittingen, alsmede de vrouwen en het krijgsvolk bracht hij terug. 17Na zijn terugkeer uit de slag tegen Kedorlaomer en zijn koninklijke bondgenoten trok de koning van Sodom Abram tegemoet tot in het dal van Sawe, ook het dal van de koning geheten. 18En Melchisedek, de koning van Salem, bood hem brood en wijn aan. Daar hij priester was van God de Allerhoogste, 19zegende hij hem met deze woorden: `Gezegend zij Abram door God de Allerhoogste, die de hemel en de aarde gemaakt heeft, 20en gezegend zij God de Allerhoogste, die uw vijand aan u heeft overgeleverd!’ En Abram gaf hem van alles een tiende deel. 21De koning van Sodom zei tot Abram: `Geef mij alleen de mensen terug, de buit kunt u zelf houden.’ 22Maar Abram zei tot de koning van Sodom: `Met opgeheven hand zweer ik bij Jahwe, God de Allerhoogste, die de hemel en de aarde gemaakt heeft: 23ik wil niets van u hebben, geen draad en geen schoenriem, niets van wat u toebehoort. U moet niet kunnen zeggen dat u Abram rijk hebt gemaakt. 24Niets daarvan. Ik vraag alleen maar wat de mannen verteerd hebben, en het deel van Aner, Eskol en Mamre, die met mij zijn uitgetrokken; laat hen nemen wat hun toekomt.’

Hoofdstuk 15
Na deze gebeurtenissen klonk het woord van Jahwe in een visioen tot Abram: `Gij moet niet vrezen, Abram, Ik zal uw schild zijn. Uw loon zal zeer groot zijn!’ 2Toen zei Abram: `Jahwe, mijn Heer, wat baten mij uw gaven? Want ik blijf maar kinderloos en de Damasceen Eliezer zal de bezitter van mijn huis worden.’ 3Abram zei: `Gij hebt mij toch geen nakomelingen geschonken, en een onderhorige zal mijn erfgenaam zijn.’ 4Toen werd het woord van Jahwe tot hem gericht: `Niet hij wordt uw erfgenaam, uw erfgenaam zal iemand zijn die gij zult verwekken.’ 5Hij leidde hem naar buiten en zei: `Kijk naar de hemel en tel de sterren, als ge kunt.’ En Hij verzekerde hem: `Zo talrijk wordt uw nageslacht. 6Abram geloofde Jahwe, en deze rekende hem dat als gerechtigheid aan. 7Toen zei Hij tot hem: `Ik ben Jahwe, die u uit Ur in Chaldea heb geleid om u dit land in bezit te geven.’ 8Abram vroeg: `Jahwe, mijn Heer, hoe kan ik weten dat ik het inderdaad zal krijgen?’ 9Hij zei tot hem: `Haal een driejarige koe, een driejarige bok, een driejarige ram, een tortel en een jonge duif.’ 10Hij haalde dit alles, sneed de dieren middendoor, en legde de stukken tegenover elkaar; alleen de vogels sneed hij niet door. 11Er kwamen roofvogels op de dode dieren af, maar Abram joeg ze weg. 12Bij zonsondergang viel Abram in een diepe slaap; hevige angst en duisternis overviel hem. 13En Jahwe zei tot Abram: `Gij moet goed weten dat uw nakomelingen als vreemden zullen wonen in een land dat niet van hen is. Zij zullen dienstbaar zijn en men zal hen onderdrukken, vierhonderd jaar lang. 14Maar het volk waaraan zij dienstbaar zijn zal Ik vonnissen, en daarna zullen zij wegtrekken met rijke bezittingen. 15Gij zelf zult in vrede tot uw vaderen gaan; pas in gezegende ouderdom zult gij begraven worden. 16Het vierde geslacht zal hier terugkeren, want dan is de maat van de schuld van de Amorieten pas vol.’ 17Toen de zon was ondergegaan, en het helemaal donker was geworden, zag Abram een rokende oven en een vurige fakkel, die tussen de stukken door gingen. 18Op die dag sloot Jahwe een verbond met Abram. Hij zei: `Aan uw nakomelingen schenk Ik dit land, vanaf de beek van Egypte tot aan de grote rivier, de Eufraat, 19het gebied van de Kenieten, Kenizzieten, Kadmonieten, 20Hethieten, Perizzieten, Refaieten. 21Amorieten, Kanaänieten, Girgasieten en Jebusieten.’

Hoofdstuk 16

Sarai, de vrouw van Abram, had hem geen kinderen geschonken. Nu had zij een Egyptische slavin, die Hagar heette. 2Sarai zei tot Abram: `Je weet dat Jahwe mijn schoot heeft gesloten, zodat ik geen kinderen kan krijgen. Ga dus naar mijn slavin: misschien krijg ik een zoon van haar.’ En Abram stemde in met Sarai’s voorstel. 3Sarai, de vrouw van Abram, gaf dus Hagar, haar Egyptische slavin, aan haar man Abram als vrouw; Abram woonde toen al tien jaar in Kanaän. 4Hij had gemeenschap met Hagar en zij werd zwanger. Toen zij dat bemerkte, begon zij haar meesteres hooghartig te behandelen. 5Daarom zei Sarai tot Abram: `Jij bent aansprakelijk voor het onrecht dat mij wordt aangedaan. Ik heb mijn slavin in jouw armen gelegd; en nu zij ziet dat ze zwanger is word ik door haar
hooghartig behandeld. Jahwe moge oordelen, wie van ons beiden in zijn recht staat.’ 6Daarop zei Abram tot Sarai: `Je kunt over je slavin beschikken: doe met haar wat je wilt.’ Toen begon Sarai haar het leven zo onaangenaam te maken dat zij van haar wegliep. 7De engel van Jahwe vond haar bij een waterbron in de woestijn, de bron die aan de weg naar Sur ligt. 8Hij zei: `Hagar, slavin van Sarai, waar komt gij vandaan en waar gaat gij heen?’ Zij zei: `Ik ben weggelopen bij mijn meesteres Sarai.’ 9De engel van Jahwe zei tot haar: `Ga naar uw meesteres terug en wees haar onderdanig.’ 10De engel van Jahwe zei ook nog tot haar: `Uw nakomelingen zal ik zeer talrijk maken, zo talrijk dat zij niet meer te tellen zijn.’ 11De engel van Jahwe verzekerde haar: ’Gij zijt nu zwanger;

gij zult een zoon baren en hem Ismaël noemen;

want Jahwe heeft u verhoord in uw ellende. 12Een wilde ezel in de steppe wordt hij,

zijn hand gaat omhoog tegen allen,
de handen van allen tegen hem;

al zijn broers trotseert hij!’ 13Toen gaf zij Jahwe, die tot haar gesproken had een naam: `Gij zijt een God die ik zie.’ Want, dacht zij, `ik heb God werkelijk gezien, en ik leef nog, nadat ik hem gezien heb.’ 14Vandaar dat die put de put van Lachai-roi heet; hij ligt tussen Kades en Bered. 15Toen baarde Hagar aan Abram een zoon en hij noemde die zoon Ismaël. 16Abram was zesentachtig jaar, toen Hagar hem Ismaël baarde.

Hoofdstuk 17

Toen Abram negenennegentig jaar was, verscheen Jahwe hem en zei: `Ik ben God almachtig, richt uw schreden naar Mij en gedraag u onberispelijk. 2Ik wil een verbond met u aangaan en u zeer talrijk maken.’ 3Toen wierp Abram zich ter aarde, en God sprak tot hem: 4`Dit is mijn verbond met u: Gij zult de vader worden van een menigte volken. 5Gij zult niet langer Abram heten; uw naam zal Abraham zijn, want Ik maak u tot vader van een menigte volken. 6Ik zal u zeer vruchtbaar maken, volken zal Ik van u maken, zelfs koningen zullen uit u voortkomen. 7Ik sluit een verbond met u en uw nakomelingen, geslacht na geslacht, een altijddurend verbond: Ik zal uw God zijn en de God van uw nakomelingen. 8Geheel Kanaän, het land waar gij nu als vreemdeling verblijft, zal Ik aan u en uw nakomelingen geven om het voor altijd te bezitten, en Ik zal hun God zijn.’ 9Verder zei God nog tot Abraham: `Gij van uw kant moet mijn verbond onderhouden, gij en uw nakomelingen, geslacht na geslacht. 10Dit is mijn verbond, dat gij moet onderhouden, mijn verbond met u en uw nakomelingen: Alle mannelijke personen moeten besneden worden. 11Uw voorhuid moet gij besnijden: dat zal het teken zijn van mijn verbond met u. 12Al uw mannelijke kinderen moeten, als ze acht dagen oud zijn, besneden worden, geslacht na geslacht. Dit geldt ook voor degenen die niet van uw geslacht zijn, maar die in uw huis zijn geboren, of van vreemden gekocht zijn. 13Ieder die dus in uw huis is geboren of door u gekocht is moet besneden worden. Zo zal mijn verbond, in uw lichaam getekend, een
blijvend verbond zijn. 14Iedere onbesnedene, iedere mannelijke persoon die zijn voorhuid niet heeft laten besnijden, moet uit zijn stam verwijderd worden; hij heeft mijn verbond gebroken.’ 15Nu zei God tot Abraham: `Sarai, uw vrouw, moet gij niet meer Sarai noemen; haar naam zal Sara zijn. 16Ik zal haar zegenen, en ook uit haar zal Ik u een zoon schenken. Ik zal haar zegenen, zodat zij tot volken zal uitgroeien; koningen van volken zullen uit haar voortkomen.’ 17Toen wierp Abraham zich ter aarde en lachte, want hij zei bij zichzelf: `Zou een man van honderd jaar nog een zoon krijgen, en zou Sara die negentig is nog een kind ter wereld brengen?’ 18Daarom zei hij tot God: `Laat Ismaël liever uw gunst genieten.’ 19God antwoordde: `Neen, uw vrouw Sara zal u een zoon baren, en gij zult hem Isaak noemen. Met hem en met zijn nakomelingen zal Ik een verbond aangaan, een altijddurend verbond. 20Maar ook uw verzoek betreffende Ismaël verhoor Ik. Ik zal hem zegenen, hem vruchtbaarheid geven en hem zeer talrijk maken. Twaalf vorsten zal hij verwekken en een groot volk zal Ik van hem maken. 21Maar mijn verbond zal Ik aangaan met Isaak, die Sara u het volgend jaar op deze tijd zal baren.’ 22Toen God dit alles gezegd had, ging Hij van Abraham heen. 23Toen besneed Abraham zijn zoon Ismaël en allen die bij hem in huis geboren waren of die hij gekocht had, alle mannelijke personen in zijn huis; nog diezelfde dag besneed hij hun voorhuid, zoals God hem bevolen had. 24Abraham was negenennegentig jaar, toen zijn voorhuid besneden werd; 25zijn zoon Ismaël was dertien jaar, toen zijn voorhuid besneden werd. 26Op dezelfde dag werden Abraham en zijn zoon Ismaël besneden. 27Met hem werden ook al zijn huisgenoten besneden, degenen die in zijn huis geboren waren of die hij van vreemden had gekocht.

Hoofdstuk 18

Eens verscheen Jahwe aan Abraham bij de eik van Mamre, toen Abraham op het heetst van de dag bij de ingang van zijn tent zat. 2Hij sloeg zijn ogen op en zag plotseling drie mannen voor zich staan. Meteen liep hij van de ingang van zijn tent naar hen toe; hij boog diep 3en zei: `Wees zo welwillend, heer, uw dienaar niet voorbij te gaan. 4Ik zal water laten halen; was uw voeten en rust hier onder de boom. 5Nu u bij uw dienaar bent zal ik brood voor u halen om u te sterken voor uw verdere reis.’ Zij zeiden: `Heel graag.’ 6Abraham ging haastig de tent in naar Sara en zei: `Neem gauw drie schepel fijn meel, kneed het en bak er koeken van.’ 7Daarna liep Abraham naar de kudde, zocht een lekker mals kalf uit en gaf het aan zijn knecht om het snel klaar te maken. 8Toen bracht hij hun wrongel en melk, en het kalf dat hij had laten toebereiden, en zette hun dat alles voor; terwijl zij aten bleef hij bij hen staan, onder de boom. 9Toen vroegen ze hem: `Waar is Sara, uw vrouw?’ Hij antwoordde: `Daar, in de tent.’ 10Toen zei Hij: `Over een jaar kom Ik weer bij u terug; dan zal Sara, uw vrouw, een zoon hebben.’ Sara stond te luisteren bij de ingang van de tent, achter hem. 11Nu waren Abraham en Sara oud en bejaard, en Sara ging het niet meer naar de wijze van de vrouwen. 12Daarom moest Sara bij zichzelf lachen, want zij dacht: `Zal ik dan nog liefde genieten, nu ik
verwelkt ben en ook mijn heer al oud is?’ 13Maar Jahwe zei tot Abraham: `Waarom lacht Sara en vraagt zij zich af: Zou ik op mijn leeftijd werkelijk nog een kind krijgen? 14Is er voor Jahwe dan iets te moeilijk? Over een jaar, precies op deze tijd, kom Ik bij u terug, en dan zal Sara een zoon hebben.’ 15Toen zei Sara: `Ik heb niet gelachen,’ want zij was bang geworden. Maar Hij zei: `Jawel, gij hebt gelachen!’ 16Toen de mannen verder trokken, zagen zij in de diepte Sodom liggen. Abraham ging met hen mee om hen uitgeleide te doen. 17Jahwe dacht: `Zou Ik voor Abraham geheim houden wat Ik van plan ben? 18Want Abraham wordt zeker een groot en machtig volk, en door hem zullen alle volken van de aarde zegen ontvangen. 19Ik heb hem immers uitverkoren; zijn zonen en zijn nageslacht moet hij leren, zich door een rechtschapen en deugdzaam leven aan de weg van Jahwe te houden, dan kan Jahwe zijn plan met Abraham verwerkelijken.’ 20Daarom zei Jahwe: `Luid stijgt de roep om wraak uit Sodom en Gomorra op! Uitermate zwaar is hun zonde! 21Ik ga naar beneden om te zien, of hun daden werkelijk overeenstemmen met de roep die tot Mij is doorgedrongen; Ik wil het weten.’ 22Toen gingen de mannen op weg in de richting van Sodom. Jahwe bleef echter nog bij Abraham staan. 23Abraham trad op Hem toe en zei: `Wilt Gij werkelijk met de boosdoeners ook de rechtvaardigen verdelgen? 24Misschien zijn er vijftig rechtvaardigen in de stad; zult gij die dan verdelgen? Zult Gij de stad geen vergiffenis schenken omwille van de vijftig rechtvaardigen die er wonen? 25Zoiets kunt Gij toch niet doen: de rechtvaardigen samen met de boosdoeners laten sterven! Dan zou het de rechtvaardigen vergaan als de boosdoeners; dat kunt Ge toch niet doen! Zal Hij, die de hele aarde oordeelt, geen recht doen?’ 26En Jahwe zei: `Als Ik in Sodom vijftig rechtvaardigen in de stad vind, zal ik omwille van hen de hele stad vergiffenis schenken.’ 27Abraham begon weer en zei: `Mag ik zo vrij zijn tot mijn Heer te spreken, ofschoon ik maar stof en as ben? 28Misschien ontbreken er aan de vijftig rechtvaardigen vijf; zult Gij dan toch om die vijf de hele stad verwoesten?’ En Hij zei: `Ik zal haar niet verwoesten, als Ik er vijfenveertig vind.’ 29Opnieuw sprak hij tot Hem: `Misschien zijn er maar veertig te vinden.’ En Hij zei: `Ik zal het niet doen, omwille van die veertig.’ 30Nu zei hij: `Laat mijn Heer niet kwaad worden, als ik nog eens aandring: misschien zijn er maar dertig te vinden.’ En Hij zei: `Ik zal het niet doen, als Ik er dertig vind.’ 31Hij zei opnieuw: `Ik ben wel vrijpostig als ik bij mijn Heer blijf aandringen; maar misschien worden er maar twintig gevonden.’ En Hij zei: `Ik zal de stad niet verwoesten, omwille van die twintig.’ 32Hij zei: `Laat mijn Heer niet kwaad worden, als ik nog een keer spreek; misschien zijn er maar tien te vinden.’ En Hij zei: `Ik zal de stad niet verwoesten, omwille van die tien.’ 33Zodra Jahwe zijn gesprek met Abraham beëindigd had, ging Hij heen, en Abraham keerde naar zijn woonplaats terug.

Hoofdstuk 19

De twee engelen kwamen tegen de avond te Sodom aan, terwijl Lot bij de stadspoort zat. Toen Lot hen zag aankomen, stond hij op, ging hun
tegemoet, boog diep 2en zei: `Ik bid u, mijne heren, neem uw intrek in het huis van uw dienaar en breng daar de nacht door; was uw voeten, dan kunt ge morgenochtend uw reis voortzetten.’ Ze zeiden: `Neen, wij zullen buiten overnachten.’ 3Maar hij bleef zo aandringen dat ze bij hem hun intrek namen. Toen zij in zijn huis gekomen waren, richtte hij met ongezuurde broden die hij had laten bakken een maaltijd voor hen aan en zij aten ervan. 4Zij hadden zich nog niet te rusten gelegd, toen de mannen van de stad, de Sodomieten, om het huis te hoop liepen, jong en oud, de hele bevolking, allemaal samen. 5Zij riepen Lot en zeiden: `Waar zijn die mannen, die voor vannacht bij u hun intrek hebben genomen? Breng ze naar buiten, dan kunnen wij omgang met hen hebben.’ 6Lot kwam naar buiten, maar de deur deed hij achter zich dicht. 7Hij zei: `Doe toch geen kwaad, broeders. 8Luister eens; ik heb twee dochters, die nog nooit bij een man zijn geweest. Die wil ik wel naar buiten brengen; dan kunnen jullie met haar doen wat je wilt. Maar laat die mannen met rust, want zij staan onder de bescherming van mijn huis.’ 9Ze zeiden: `Ga opzij.’ En ze voegden eraan toe: `Dat is hier als vreemdeling komen wonen en wil nog de wet voorschrijven ook. Het zal je nog slechter vergaan dan die anderen.’ Heftig duwden zij Lot achteruit en wilden de deur al openbreken. 10Maar de mannen binnen grepen Lot vast, trokken hem het huis in en deden de deur dicht. 11Degenen die voor de deur stonden, klein en groot, sloegen zij met blindheid, zodat zij de deur niet meer konden vinden. 12Nu zeiden de mannen tot Lot: `Hebt gij hier in de stad nog verwanten? Uw zonen en dochters en al de uwen moet gij naar buiten brengen, weg uit deze plaats. 13Wij gaan de stad verwoesten: de roep om wraak over de bewoners klinkt zo luid, dat Jahwe ons heeft gezonden om de stad te verwoesten.’ 14Toen ging Lot praten met zijn toekomstige schoonzoons, de mannen die met zijn dochters wilden trouwen; hij zei: `Maak dat je wegkomt, vlucht uit deze plaats, want Jahwe gaat de stad verwoesten.’ Maar zijn schoonzoons lachten hem uit. 15Toen de dageraad aanbrak, zetten de engelen Lot tot spoed aan en zeiden: `Vooruit, neem uw vrouw en uw beide dochters mee; anders wordt gij het slachtoffer van de bestraffing van de stad.’ 16Toen Lot nog aarzelde, grepen de mannen hem zelf, zijn vrouw en zijn beide dochters bij de hand, want Jahwe wilde hem sparen, en zij brachten hem buiten de stad. 17En toen zij hen de stad uit gebracht hadden, zei een van hen: `Breng uzelf in veiligheid, want uw leven staat op het spel; kijk niet om, blijf nergens in de buurt staan, maar vlucht de bergen in, anders komt gij om.’ 18Maar Lot zei tot hen: `Dat niet, heer! 19Zeker, gij zijt zeer goed voor uw dienaar geweest en hebt mij een grote weldaad bewezen door mij in leven te laten, maar ik kan onmogelijk naar de bergen vluchten. Daar zou het onheil mij achterhalen en zou ik toch de dood vinden. 20Kijk, daar ligt een stad niet ver van hier; daar wil ik wel heen vluchten: het is een kleine stad. Laat mij daarheen de wijk nemen; zij is toch maar klein. En dan zal ik het er levend afbrengen.’ 21Hij sprak tot hem: `Ook hierin zal ik u ter wille zijn; de stad die gij bedoelt zal ik niet verwoesten. 22Vlucht er nu haastig heen, want ik kan niets
doen, zolang gij daar niet aangekomen zijt.’ Zo komt het dat die stad Soar heet. 23Zodra de zon was opgegaan en Lot in Soar was aangekomen, 24liet Jahwe uit de hemel zwavel en vuur over Sodom en Gomorra neerregenen. 25Hij verwoestte die steden en de hele streek, met alle bewoners en al wat er groeide. 26De vrouw van Lot, die achter hem liep, keek om en veranderde in een zoutklomp. 27Vroeg in de ochtend begaf Abraham zich naar de plaats, waar hij met Jahwe gestaan had. 28Hij keek omlaag naar Sodom en Gomorra en heel de Jordaanstreek, en zag een walm van de aarde opstijgen, als de rook van een smeltoven. 29Zo hield God bij de verwoesting van de steden van die landstreek rekening met Abrahams wens en liet hij Lot ontkomen, toen Hij de steden verwoestte waar deze gewoond had. 30Lot verliet echter Soar en vestigde zich met zijn beide dochters in de bergen, omdat hij niet in Soar durfde blijven. Hij ging wonen in een grot, samen met zijn beide dochters. 31Nu zei de oudste tot de jongste: `Vader wordt oud; en er is geen man in het land die bij ons kan komen zoals dat overal elders gebeurt. 32Kom, wij laten vader wijn drinken en gaan bij hem liggen, in de hoop dat wij van hem kinderen krijgen.’ 33Zij lieten dus hun vader die nacht wijn drinken, en de oudste ging bij haar vader liggen; hij merkte niets, noch toen zij kwam liggen, noch toen zij weer opstond. 34De volgende morgen zei de oudste tot de jongste: `De afgelopen nacht heb ik bij vader gelegen. Wij zullen hem ook vannacht weer wijn laten drinken, dan kun jij bij hem gaan liggen, in de hoop dat wij van hem kinderen krijgen.’ 35Ook die nacht lieten zij hun vader wijn drinken, en nu ging de jongste bij hem liggen; hij merkte niets, noch toen zij kwam liggen, noch toen zij weer opstond. 36Zo werden de beide dochters van Lot zwanger van hun vader. 37De oudste baarde een zoon en noemde hem Moab; hij werd de vader van de huidige Moabieten. 38Ook de jongste baarde een zoon en noemde hem Ben-ammi; hij is de vader van de tegenwoordige Ammonieten.

Hoofdstuk 20

Abraham trok vandaar naar de Negeb; hij vestigde zich tussen Kades en Sur en woonde als vreemdeling in Gerar. 2Van zijn vrouw Sara vertelde Abraham dat ze zijn zuster was. Zo kwam het dat Abimelek, de koning van Gerar, haar liet schaken. 3Maar God kwam ’s nachts in een droom tot Abimelek en zei hem: `De dood staat u te wachten, omdat gij deze vrouw ontvoerd hebt; want zij heeft al een man.’ 4Abimelek had echter nog geen omgang met haar gehad. Daarom zei hij: `Heer, wilt gij een onschuldige doden? 5Hij heeft immers verklaard dat het zijn zuster is; en ook zij heeft beweerd dat hij haar broer is. Ik heb in alle onschuld en te goeder trouw zo gehandeld.’ 6En God zei tot hem in de droom: `Ik wist wel dat gij dit in alle onschuld hebt gedaan; daarom heb Ik u ervoor bewaard tegen Mij te zondigen, en heb Ik u belet haar aan te raken. 7Geef dus die man zijn vrouw terug; hij is een profeet en zal voor u bidden dat gij in leven blijft. Maar als gij haar niet teruggeeft, weet dan, dat ge zult sterven, gij en al de uwen.’ 8De volgende ochtend riep Abimelek al zijn hovelingen samen en vertelde hun alles; en zij werden door vrees bevangen. 9Toen liet

Abimelek Abraham roepen en zei hem: `Wat hebt u ons aangedaan? Heb ik soms iets tegen u misdreven, dat u op mij en mijn koninkrijk zo’n zware schuld geladen hebt? Dat is toch geen manier van doen.’ 10En Abimelek vroeg Abraham: `Met welke bedoeling hebt u dat toch gedaan?’ 11Abraham antwoordde: `Ik dacht: veronderstel dat men hier God niet vreest, dan kon men mij wel eens om mijn vrouw vermoorden. 12Zij is trouwens inderdaad mijn zuster: zij is een dochter van mijn vader, maar niet van mijn moeder; zo is zij mijn vrouw geworden. 13En toen God mij ver van mijn verwanten liet rondzwerven, heb ik haar gezegd: Wees zo goed om overal waar wij komen te zeggen, dat ik je broer ben.’ 14Toen gaf Abimelek aan Abraham schapen en runderen, slaven en slavinnen ten geschenke. Ook gaf hij hem zijn vrouw Sara terug. 15En Abimelek zei: `Mijn land ligt voor u open; u kunt gaan wonen waar u wilt.’ 16En tot Sara zei hij: `Ik geef uw broer nu duizend zilverstukken; dan weet heel uw omgeving dat u onschuldig bent en blijft uw eer volkomen ongerept.’ 17Abraham bad toen tot God, en God genas Abimelek, zijn vrouw en zijn slavinnen, zo dat zij weer kinderen konden krijgen, 18want Jahwe had iedere schoot in het huis van Abimelek gesloten, vanwege het gebeurde met Sara, de vrouw van Abraham.

Hoofdstuk 21

Jahwe begunstigde Sara, zoals hij gezegd had, en vervulde de belofte die hij haar gedaan had. 2Sara werd zwanger en schonk Abraham op zijn oude dag een zoon, op het tijdstip dat God genoemd had. 3Abraham gaf aan de zoon die hem geboren werd en die hem door Sara werd geschonken de naam Isaak. 4Volgens Gods bevel besneed Abraham zijn zoon Isaak, toen deze acht dagen oud was. 5Abraham was honderd jaar, toen zijn zoon Isaak geboren werd. 6Sara zei: `God heeft gemaakt dat ik lachen kon, en ieder die het hoort, zal meelachen.’ 7En ze voegde eraan toe: `Wie zou Abraham hebben durven voorspellen, dat Sara nog kinderen zou voeden? En nu heb ik hem op zijn oude dag een zoon geschonken!’ 8Het kind groeide op en werd van de borst genomen. Op de dag dat Isaak van de borst genomen werd, gaf Abraham een groot feest. 9Maar toen Sara de zoon die Hagar, de Egyptische, aan Abraham geschonken had, eens zag lachen, 10zei ze tot Abraham: `Jaag die slavin met haar zoon weg, want de zoon van die slavin mag geen mede-erfgenaam worden van mijn zoon Isaak.’ 11Abraham vond deze eis zeer ongepast, omdat het toch om een zoon van hem ging. 12God echter zei hem: `Wat Sara ten aanzien van de jongen en uw slavin eist, moet gij niet als ongepast beschouwen. Luister naar alles wat zij u zegt: want alleen door Isaak krijgt gij een nageslacht dat uw naam draagt. 13Maar ook de zoon van de slavin zal Ik tot een volk maken, omdat ook hij een kind van u is.’ 14Abraham voorzag Hagar de volgende morgen van brood en een zak water, zette het kind op haar schouder en zond hen weg. Maar onderweg verdwaalde zij in de woestijn van Berseba. 15Toen de waterzak leeg was, legde zij het kind onder een struik 16en ging op een boogschot afstand zitten, want zij dacht: `Ik kan mijn kind niet zien sterven.’ Ze bleef daar

zitten en schreide luid. 17God hoorde het schreien van de jongen en de engel van God riep uit de hemel tot Hagar: `Wat is er, Hagar? Wees niet bang, want God heeft in zijn verblijf het schreien van uw kind gehoord.

18Sta op, neem de jongen en houd hem goed vast, want Ik zal een groot volk van hem maken.’ 19Toen opende God haar ogen, zodat zij een waterput zag; zij vulde de zak weer met water en gaf de jongen te drinken. 20En God beschermde de jongen. Toen hij groot was geworden, leefde hij in de woestijn en werd een ervaren boogschutter. 21Hij ging wonen in de woestijn van Paran, en zijn moeder koos voor hem een vrouw uit Egypte. 22In die tijd zei Abimelek – en zijn legeroverste Pikol – tot Abraham: `God staat u bij in alles wat u doet. 23Zweer daarom hier bij God, dat u mij, mijn geslacht en mijn stam, niet in de steek zult laten; u moet mij en het land waar u gastvrijheid geniet dezelfde vriendschap bewijzen die ik u bewezen heb.’ 24En Abraham zei: `Dat zweer ik!’ 25Abraham beklaagde er zich bij Abimelek over, dat diens knechten zich een waterput hadden toegeëigend. 26Abimelek zei: `Ik weet niet wie dat gedaan heeft; u hebt er mij nooit over gesproken en ik heb er tot nu toe niets over gehoord.’ 27Daarop haalde Abraham schapen en runderen, bood die Abimelek aan, en zij sloten een verbond met elkaar. 28Maar Abraham zette zeven lammeren apart. 29Toen vroeg Abimelek: `Wat betekenen die zeven lammeren die u apart hebt gezet?’ 30Hij antwoordde: `Deze zeven lammeren moet u van mij aannemen; zij moeten als bewijs dienen dat ik deze put gegraven heb.’ 31Zo komt het dat deze plaats Berseba heet; want daar hebben zij beiden een eed gezworen. 32Nadat zij te Berseba een verbond hadden gesloten, keerde Abimelek met zijn legeroverste Pikol naar het land van de Filistijnen terug. 33Abraham plantte te Berseba een tamarisk en riep daar de naam aan van Jahwe, de God van eeuwigheid. 34En Abraham verbleef geruime tijd in het land van de Filistijnen.

Hoofdstuk 22

Hierna gebeurde het dat God Abraham op de proef stelde. Hij zei tot hem: `Abraham.’ En hij antwoordde: `Hier ben ik.’ 2Hij zei: `Ga met Isaak, uw zoon, uw enige, die gij liefhebt, naar het land van de Moria, en draag hem daar, op de berg die Ik u zal aanwijzen, als brandoffer op.’ 3De volgende morgen zadelde Abraham zijn ezel, nam twee knechten en zijn zoon Isaak met zich mee, en kloofde hout voor het brandoffer. Daarna begaf hij zich op weg naar de plaats die God hem aangewezen had. 4Op de derde dag zag Abraham in de verte de plaats liggen. 5Toen zei Abraham tot zijn knechten: `Jullie blijven hier bij de ezel; ik ga met de jongen daarginds heen. Nadat wij ons in aanbidding neergebogen hebben, komen wij weer terug.’ 6Daarop gaf Abraham zijn zoon Isaak het hout voor het brandoffer te dragen; zelf droeg hij het vuur en het offermes. Zo gingen zij samen op weg. 7Toen zei Isaak tot zijn vader Abraham: `Vader.’ Hij antwoordde: `Ja, mijn zoon.’ Isaak zei: `Wij hebben wel vuur en hout, maar waar is het offerdier?’ 8Abraham antwoordde: `God zelf zal wel voor het offerdier zorgen, mijn zoon.’ En samen gingen zij verder. 9Toen zij de plaats bereikt hadden die God hem had aangewezen, bouwde Abraham daar een
altaar, stapelde er het hout op, bond zijn zoon Isaak vast en legde hem op het altaar, boven op het hout. 10Toen Abraham echter zijn hand uitstak naar het mes om daarmee zijn zoon de keel af te snijden, 11riep de engel van Jahwe hem van uit de hemel toe: `Abraham, Abraham!’En hij antwoordde: `Hier ben ik.’ 12Hij zei: `Raak de jongen met geen vinger aan en doe hem niets! Ik weet nu dat gij god vreest, want gij hebt Mij uw zoon, uw enige, niet willen onthouden.’ 13Abraham keek om zich heen en bemerkte een ram, die met zijn horens in het struikgewas vastzat. Hij greep de ram en droeg die als brandoffer op, in plaats van zijn zoon. 14Abraham noemde die plaats `Jahwe zal erin voorzien’; vandaar dat men nu nog zegt: `Op de berg van Jahwe zal erin voorzien worden.’ 15Toen riep de engel van Jahwe voor de tweede maal uit de hemel tot Abraham 16en zei: `Bij Mijzelf heb Ik gezworen – spreekt Jahwe -, omdat gij dit gedaan hebt en Mij uw zoon, uw enige, niet hebt onthouden, 17daarom zal Ik u overvloedig zegenen en uw nakomelingen even talrijk maken als de sterren aan de hemel en de zandkorrels op het strand van de zee. Uw nakomelingen zullen de poort van hun vijand bezitten. 18Door uw nakomelingen komt zegen over alle volken van de aarde, omdat gij naar mijn stem hebt geluisterd.’ 19Daarop keerde Abraham naar zijn knechten terug; samen trokken zij naar Berseba. En Abraham bleef in Berseba wonen. 20Na deze gebeurtenissen kreeg Abraham dit bericht: Ook Milka heeft aan uw broer Nachor zonen geschonken: 21Us, zijn eerstgeborene, diens broer Buz, Kemuël, de vader van Aram, 22Kesed, Chazo, Pildas, Jidlaf en Betuël, 23die de vader werd van Rebekka. Deze acht kinderen schonk Milka aan Nachor, de broer van Abraham. 24Hij had ook een bijvrouw, Reuma genaamd, en deze schonk het leven aan Tebach, Gacham, Tachas en Maaka.

Hoofdstuk 23

Sara bereikte de leeftijd van honderdzevenentwintig jaar. 2Toen stierf zij in Kirjat-arba, ook Hebron geheten, in Kanaän. Abraham hield eerst de rouwklacht over Sara en beweende haar. 3Daarna liet hij zijn afgestorvene alleen en richtte het woord tot de Hethieten. 4Hij zei: `Ik ben hier maar een vreemdeling; daarom vraag ik u: Geef mij een eigen begraafplaats, waar ik mijn overleden vrouw kan begraven.’ 5De Hethieten gaven Abraham ten antwoord: 6`Heer, luister naar ons: u bent voor ons een vorst van God; begraaf uw overledene in het mooiste graf dat wij hebben; niemand van ons zal u zijn graf weigeren of beletten dat u daarin uw overleden vrouw begraaft.’ 7Toen stond Abraham op, boog diep voor de Hethieten, de ingezetenen van het land, 8en richtte het woord tot hen: `Als u er mee instemt dat ik mijn overleden vrouw begraaf, luister dan naar mij, en wend uw invloed aan bij Efron, de zoon van Sochar, 9dat hij de grot van Makpela, die zijn eigendom is en die aan de rand van zijn akker ligt, aan mij verkoopt; laat hij die in uw bijzijn voor de volle prijs aan mij verkopen, zodat ik een eigen begraafplaats heb.’ 10Onder de aanwezige Hethieten bevond zich ook Efron zelf. En Efron de Hethiet gaf Abraham, ten aanhoren van alle Hethieten die zitting hielden bij de
stadspoort, ten antwoord: 11`Geen sprake van, heer. Luister naar mij: Het stuk land schenk ik u, en de grot die erop ligt geef ik u ook; ten overstaan van mijn volksgenoten geef ik ze u: begraaf er uw dode.’ 12Opnieuw boog Abraham diep voor de ingezetenen van het land; 13ten aanhoren van hen richtte hij het woord tot Efron: `Wees zo goed naar mij te luisteren. Ik wil voor de grond de volle prijs betalen. Neem die van mij aan; dan kan ik mijn dode daar begraven.’ 14Maar Efron antwoordde Abraham: 15`Kijk eens, heer: een stuk grond van vierhonderd sikkel zilver, wat maakt dat nu uit voor mij of voor u? Begraaf dus uw dode.’ 16Abraham ging op Efrons aanbod in en woog het zilver af, dat Efron ten aanhoren van de Hethieten genoemd had: vierhonderd sikkels, zoals ze in de handel gangbaar zijn. 17Zo werd in het bijzijn van alle Hethieten die zitting hielden bij de stadspoort, het stuk grond van Efron in Makpela, ten oosten van Mamre – de grond met de grot en al het geboomte op het gehele terrein – 18eigendom van Abraham. 19Daarop begroef Abraham zijn vrouw Sara in de grot op de akker van Makpela, ten oosten van Mamre of Hebron, in Kanaän. 20Zo werd het stuk grond met de grot door de Hethieten aan Abraham overgedaan en kreeg hij een eigen begraafplaats.

Hoofdstuk 24

Abraham was oud en hoogbejaard, en Jahwe had hem in alles gezegend. 2Nu zei Abraham tot zijn oudste dienaar, die het toezicht had over heel zijn bezit: `Leg je hand onder mijn heup. 3Bij Jahwe, de God van de hemel en de aarde, moet je mij zweren dat je voor mijn zoon geen vrouw zult zoeken uit de meisjes van Kanaän waar ik woon, 4maar dat je zult gaan naar mijn land en mijn familie, om daar een vrouw voor mijn zoon Isaak te zoeken.’ 5De dienaar zei: `En als er nu eens geen vrouw is die met mij mee wil gaan naar dit land? Moet ik dan uw zoon terugbrengen naar het land dat u verlaten hebt?’ 6Abraham antwoordde: `Neen, dat niet, je mag mijn zoon daar nooit terugbrengen. 7Jahwe, de God van de hemel, heeft mij uit mijn familie en uit mijn geboorteland laten wegtrekken en mij beloofd, ja gezworen: Aan uw nakomelingen zal Ik dit land schenken. Hij zal zijn engel voor je uitzenden, en je zult daar een vrouw voor mijn zoon meekregen. 8Zou er geen vrouw met je mee willen, dan ben je ontslagen van de eed, die ik je laat zweren; maar in geen geval mag je mijn zoon naar dat land terugbrengen.’ 9Toen legde de dienaar zijn hand onder de heup van zijn meester Abraham en beloofde onder ede wat hij gevraagd had. 10Toen begaf de dienaar zich met tien kamelen van zijn meester en met allerlei kostbare geschenken op weg; hij trok naar de stad van Nachor, in Aram-naharaim. 11Op een avond, tegen de tijd dat de vrouwen de stad uitkomen om water te putten, liet hij zijn kamelen neerknielen bij de put 12en zei: `Jahwe, God van mijn meester Abraham, laat mij heden slagen, en wees mijn meester Abraham gunstig gezind. 13Ik sta hier nu bij de waterbron en aanstonds komen de meisjes uit de stad water halen. 14Wanneer het meisje tot wie ik zeg: Reik mij uw kruik aan om te drinken, antwoordt: Drink maar gerust, en ik zal uw kamelen ook nog te drinken geven, dan zal dat het meisje zijn, dat gij voor uw dienaar Isaak bestemd
hebt; daaraan zal ik zien dat gij mijn meester gunstig gezind zijt.’ 15Hij was nog niet uitgesproken, of daar kwam Rebekka aan, de dochter van Betuël, de zoon van Milka, de vrouw van Abrahams broer Nachor; zij droeg een kruik op haar schouders. 16Het was een mooi meisje; zij had de huwbare leeftijd, maar geen man had nog omgang met haar gehad. Zij daalde af naar de bron, vulde haar kruik en kwam weer naar boven. 17De dienaar van Abraham liep vlug naar haar toe en vroeg: `Mag ik alstublieft wat drinken uit uw kruik?’ 18Zij antwoordde: `Drinkt u maar, meneer.’ Meteen liet zij de kruik op haar hand glijden en gaf hem te drinken. 19Toen zij hiermee klaar was, zei ze: `Ik zal ook water halen voor uw kamelen, tot ze genoeg gedronken hebben.’ 20Vlug goot zij haar kruik in de drinkbak leeg en liep opnieuw naar de put; zo haalde zij water voor al zijn kamelen. 21De man sloeg haar zwijgend gade om te zien, of Jahwe zijn reis met succes bekroond had of niet. 22Zodra de kamelen genoeg gedronken hadden, haalde hij een gouden neusring ter waarde van een halve sikkel tevoorschijn en deed twee armbanden ter waarde van tien sikkel goud om haar polsen. 23Hij zei: `Vertel eens: Wiens dochter bent u? Zou er in het huis van uw vader plaats zijn om te overnachten?’ 24Zij antwoordde: `Ik ben een dochter van Betuël, de zoon die Milka aan Nachor geschonken heeft.’ 25Zij voegde er aan toe: `Stro en voer hebben wij in overvloed, en er is ook plaats om te overnachten.’ 26Toen viel de man op zijn knieën, boog zich diep voor Jahwe neer 27en zei: `Gezegend zij Jahwe, de God

van mijn meester Abraham, die hem zijn genade en trouw niet heeft onthouden en mij regelrecht naar het huis van de broer van mijn meester gebracht heeft.’ 28Het meisje was reeds naar huis gesneld en had daar aan haar moeder verteld wat er gebeurd was. 29Nu had Rebekka een broer die Laban heette; deze Laban liep vlug naar de man bij de bron. 30Nadat hij de ring en de armbanden om de polsen van zijn zuster had gezien, en haar hele verhaal had gehoord, ging hij meteen naar hem toe; hij stond daar nog met zijn kamelen bij de bron. 31Laban zei: ’Neem bij ons uw intrek, gezegende van Jahwe; waarom blijft u buiten staan? Ik heb het huis voor u in gereedheid gebracht en er is een stal voor de kamelen.’ 32Toen ging de man mee naar zijn huis. Men zadelde de kamelen af, gaf ze stro en voer; voor hemzelf en de mannen die hem vergezelden bracht men water om de voeten te wassen. 33Maar toen het eten was opgediend, zei hij: `Ik wil niet eten voor ik mijn woord gedaan heb.’ En Laban antwoordde: `Ga uw gang!’ 34Hij zei toen: ’Ik ben een dienaar van Abraham. 35Jahwe heeft mijn meester overvloedig gezegend, zodat hij rijk is. Hij heeft hem schapen en runderen, zilver en goud, slaven en slavinnen, kamelen en ezels geschonken. 36En Sara, de vrouw van mijn meester, heeft hem een zoon gebaard toen zij reeds oud was; al wat hij bezit heeft hij voor deze zoon bestemd. 37Mijn meester heeft mij een eed laten zweren en mij deze opdracht gegeven: Zoek voor mijn zoon geen vrouw onder de meisjes van Kanaän, waar ik woon. 38Je moet naar mijn ouderlijk huis en mijn familie gaan en daar een vrouw voor mijn zoon zoeken. 39Ik zei tot mijn meester: Misschien zal de vrouw niet
met mij mee willen. 40Hij antwoordde mij: Jahwe, naar wie ik steeds mijn schreden richt, hij zal zijn engel met je mee zenden en je reis doen slagen. Je moet voor mijn zoon een vrouw zoeken uit mijn familie en mijn ouderlijk huis. 41Pas dan ben je van je eed ontslagen, wanneer je bij mijn familie bent geweest en men je daar geen vrouw heeft willen geven; in dat geval ben je van de eed ontslagen. 42Toen ik vandaag bij de bron gekomen was, zei ik: Jahwe, God van mijn meester Abraham, wil toch de reis, die ik ondernomen heb, met succes bekronen. 43Ik sta hier nu bij de waterbron; wanneer een meisje water komt halen en ik tot haar zeg: Mag ik alstublieft wat drinken uit uw kruik, 44en antwoordt: Drink eerst zelf, daarna zal ik ook voor uw kamelen water halen, dan zal dat meisje de vrouw zijn die Jahwe voor de zoon van mijn meester heeft bestemd. 45Ik was nog niet uitgesproken, of daar kwam Rebekka aan, met een kruik op haar schouder, en daalde af naar de bron om water te halen. Ik vroeg haar: Mag ik alstublieft wat drinken? 46Dadelijk liet zij de kruik van haar schouder glijden en zei: Drink maar gerust; en ik zal ook uw kamelen nog te drinken geven. Ik dronk; ook de kamelen gaf ze te drinken. 47Ik vroeg haar: Van wie bent u een dochter? Zij antwoordde: Van Betuël, de zoon van Nachor, die Milka hem geschonken heeft. Toen deed ik een ring in haar neus en armbanden om haar polsen. 48Ik viel op mijn knieën, boog mij voor Jahwe neer en zegende Jahwe, de God van mijn meester Abraham, die mij langs de juiste weg had geleid, zodat ik voor de zoon van mijn meester de dochter van diens broer mocht vinden. 49Als u mijn meester uw vriendschap en trouw wilt betonen, zeg het mij dan; zo niet, zeg het dan eveneens; dan kan ik ergens anders gaan zoeken.’ 50Daarop antwoordde Laban en diens familie: `Dit is een beschikking van Jahwe; wij kunnen er niets tegen inbrengen. 51Rebekka staat voor u gereed; neem

haar met u mee als vrouw voor de zoon van uw meester, zoals Jahwe geschikt heeft.’ 52Toen de dienaar van Abraham dit antwoord hoorde, boog hij diep voor Jahwe neer. 53Daarna haalde de dienaar zilveren en gouden sieraden en gewaden tevoorschijn en gaf ze aan Rebekka; ook aan haar broer en haar moeder overhandigde hij kostbare geschenken. 54Zij aten en dronken, hijzelf en de mannen die hem vergezelden, en brachten daar de nacht door. Zodra zij de volgende ochtend opgestaan waren, zei hij: `Laat mij naar mijn meester gaan.’ 55Maar de broer en de moeder van het meisje zeiden: `Laat haar nog een dag of tien bij ons blijven; daarna kan zij vertrekken.’ 56Maar hij zei tot hen: `Houd mij niet op, nu Jahwe mijn reis heeft doen slagen; laat mij vertrekken naar mijn meester.’ 57Zij zeiden: `Wij zullen het meisje roepen en het haar zelf vragen.’ 58Zij riepen dus Rebekka en vroegen haar: `Wil je met deze man meegaan?’ Zij antwoordde: `Ik ga mee.’ 59Toen lieten zij hun zuster Rebekka vertrekken, samen met haar voedster, en met de dienaar van Abraham en zijn mannen. 60Zij namen afscheid van Rebekka en wensten haar toe: `Zuster, moogt u worden tot duizendmaal tienduizend en moge uw nageslacht de poort van zijn vijanden bezitten!’ 61Toen maakten Rebekka en haar slavinnen zich gereed; zij bestegen hun kamelen en
volgden de man. De dienaar begaf zich met Rebekka op reis. 62Isaak was teruggekomen van de bron Lachai-roi; hij woonde toen in de Negeb. 63Bij het vallen van de avond ging hij buiten wat afleiding zoeken; toen hij zijn ogen opsloeg, zag hij ineens kamelen aankomen. 64Ook Rebekka keek op, en toen zij Isaak zag, liet zij zich van haar kameel glijden 65en vroeg aan de dienaar: `Wie is die man daar, die over het veld naar ons toekomt?’ De dienaar antwoordde: `Dat is mijn meester.’ Toen deed zij haar sluier voor. 66De dienaar vertelde aan Isaak alles wat hij gedaan had. 67Daarop bracht Isaak Rebekka in zijn tent en nam haar tot vrouw. Isaak kreeg haar lief en vond troost voor het verlies van zijn moeder.

Hoofdstuk 25

Abraham huwde nog een andere vrouw, Ketura genaamd. 2Zij schonk hem Zimran, Joksan, Medan, Midjan, Jisbak en Suach. 3Joksan was de vader van Seba en Dedan. De zonen van Dedan zijn de Assurieten, de Letusieten en de Leummieten. 4De zonen van Midjan zijn Efa, Efer, Chanok, Abida en Eldaa. Dat zijn allen nakomelingen van Ketura. 5Abraham vermaakte alles wat hij bezat aan Isaak. 6Aan de zonen van zijn bijvrouwen gaf Abraham wel geschenken, maar hij zond ze nog tijdens zijn leven weg uit de omgeving van zijn zoon Isaak, naar het oosten toe. 7Abraham bereikte de leeftijd van honderdvijfenzeventig jaar. 8Toen gaf Abraham de geest en stierf in gezegende ouderdom, oud en verzadigd van jaren, en hij werd met zijn voorvaderen verenigd. 9Zijn zonen Isaak en Ismaël begroeven hem in de grot van Makpela, op de akker van Efron, de zoon van de Hethiet Sochar, ten oosten van Mamre. 10Het was de akker, die Abraham van de Hethiet gekocht had; daar werden Abraham en zijn vrouw Sara begraven. 11Na Abrahams dood zegende God zijn zoon Isaak. Isaak had zich bij de put van Lachai-roi gevestigd. 12Dit zijn de nakomelingen van Ismaël, Abrahams zoon, die Hagar, Sara’s Egyptische slavin, aan Abraham geschonken had. 13Dit zijn de namen van Ismaëls zonen, opgenoemd naar hun geslachten; De eerstgeborene van Ismaël is Nebajot; dan volgen Kedar, Adbeel, Mibsam, 14Misma, Duma, Massa,

15Chadad, Tema, Jetur, Nafis en Kedema. 16Zo heten de zonen van Ismaël, afgaande op hun nederzettingen en kampementen, twaalf vorsten van twaalf stammen. 17Ismaël bereikte de leeftijd van honderdzevenendertig jaar. Toen gaf hij de geest en stierf, en werd met zijn voorvaderen verenigd. 18De Ismaëlieten woonden tussen Chawila en Sur, van vlak bij Egypte tot aan Assur toe. Al zijn broers trotserend had Ismaël daar vaste voet gekregen. 19Dit zijn de nakomelingen van Isaak, de zoon van Abraham. Abraham verwekte Isaak. 20Isaak was veertig jaar, toen hij Rebekka, de dochter van Betuël, de Arameeër uit Paddan-aram, de zuster van de Arameeër Laban, tot vrouw nam. 21Isaak bad tot Jahwe omdat zijn vrouw onvruchtbaar bleef. Jahwe verhoorde zijn gebed en zijn vrouw Rebekka werd zwanger. 22Toen echter de kinderen in haar schoot tegen elkaar stootten, dacht ze: `Als het zo gaat, wat staat mij dan te wachten?’ Daarom ging zij Jahwe raadplegen. 23En Jahwe sprak tot haar: `Twee volken zijn het, die gij draagt; twee naties die uiteengaan
reeds in uw schoot. Een van de twee zal machtiger zijn: de oudste dient de jongste.’ 24Toen de tijd van de bevalling was gekomen, was er inderdaad een tweeling in haar schoot. 25De eerste die tevoorschijn kwam was rossig en van top tot teen zo behaard als een mantel; hij kreeg de naam Esau. 26Na hem kwam zijn broer tevoorschijn. Hij hield met zijn hand de hiel van Esau vast; om die reden kreeg hij de naam Jakob. Isaak was zestig jaar, toen zij geboren werden. 27Toen de jongens groot geworden waren, werd Esau een kundig jager, een man die er altijd op uit trok. Jakob daarentegen was een rustig man, die in zijn tenten bleef. 28Isaak had een voorkeur voor Esau, want hij at graag wildbraad; maar Rebekka hield meer van Jakob. 29Toen Jakob eens aan het koken was, kwam Esau uitgeput van een van zijn tochten terug. 30Hij zei tegen Jakob: `Geef mij eens gauw wat van die rode brij, want ik ben doodop.’ Zo kreeg hij de naam Edom. 31Jakob antwoordde: `Dan moet je mij je eerstgeboorterecht verkopen.’ 32Daarop zei Esau: `Man, ik ga dood, wat kan mij mijn eerstgeboorterecht schelen?’ 33Jakob drong aan: `Zweer daar dan eerst een eed op.’ En Esau legde de eed af en verkocht zo zijn eerstgeboorterecht aan Jakob. 34Toen gaf Jakob hem brood en linzenbrij. Hij at en dronk en ging weer weg. Zo weinig gaf Esau om zijn eerstgeboorterecht.

Hoofdstuk 26

Eens kwam er een hongersnood in het land – niet te verwarren met die uit de tijd van Abraham -, en Isaak begaf zich naar Abimelek, de koning van de Filistijnen, in Gerar. 2Hier verscheen hem Jahwe, die zei: `Trek niet naar Egypte, maar ga wonen in het land dat Ik u aanwijs. 3Vestig u in dit land hier, Ik zal met u zijn en u zegenen. Want aan u en aan uw nakomelingen zal Ik heel dit gebied geven, en Ik zal de eed gestand doen die Ik uw vader Abraham gezworen heb. 4Ik zal uw nakomelingen talrijk maken als de sterren aan de hemel, en aan uw nageslacht zal Ik heel dit gebied schenken. Door uw nakomelingen zal zegen komen over alle volken van de aarde, 5omdat Abraham geluisterd heeft naar mijn woord en zich heeft gehouden aan wat Ik hem voorhield, aan mijn geboden, verordeningen en wetten.’ 6Zo kwam het dat Isaak zich in Gerar vestigde. 7Toen de burgers van die stad hem vragen stelden over zijn vrouw, zei hij: `Het is mijn zuster.’ Hij durfde namelijk niet te zeggen dat het zijn vrouw was, want hij dacht: `Anders vermoorden de

burgers van die stad mij omwille van Rebekka, want zij is een mooie vrouw.’ 8Toen hij daar al geruime tijd woonde, keek Abimelek, de koning van de Filistijnen, eens door het venster naar binnen en zag tot zijn verbazing, dat Isaak zijn vrouw Rebekka aan het liefkozen was. 9Daarop ontbood Abimelek Isaak en zei tot hem: `Wat zie ik? Het is uw vrouw! Hoe hebt u dan kunnen zeggen dat het uw zuster is?’ Isaak zei hem: `Ik was bang dat ik om haar mijn leven zou verliezen.’ 10Toen zei Abimelek: `Hoe hebt u ons dat kunnen aandoen? Hoe licht had iemand van het volk met uw vrouw gemeenschap kunnen hebben, en dan had u schuld over ons gebracht.’ 11En Abimelek gebood heel het volk: `Wie deze man of zijn vrouw te na komt, wordt
onherroepelijk ter dood gebracht.’ 12Isaak had in die streek gezaaid en hij oogstte dat jaar honderdvoudig, want Jahwe zegende hem. 13Hij werd steeds rijker en was ten slotte schatrijk. 14Hij bezat kudden schapen en runderen, en zoveel knechten dat de Filistijnen afgunstig op hem werden. 15Daarom verstopten de Filistijnen al de putten die de knechten van zijn vader Abraham indertijd gegraven hadden, en gooiden ze dicht met zand. 16En Abimelek zei tot Isaak: `Ga bij ons weg, want u bent ons veel te machtig geworden.’ 17Toen trok Isaak daar weg. Hij sloeg zijn tent op in het dal van Gerar en bleef daar wonen. 18Hij groef de waterputten weer open, die men in de tijd van zijn vader Abraham gegraven had, en die de Filistijnen na Abrahams dood hadden dichtgegooid. Hij gaf ze dezelfde namen die zijn vader ze gegeven had. 19Terwijl nu Isaaks knechten in het dal van Gerar aan het graven waren, stootten ze daar op een put met stromend water. 20Maar de herders van Gerar kregen onenigheid met die van Isaak; zij zeiden: `Dat water is van ons.’ Daarom noemde hij die put Esek, omdat ze daar ruzie gemaakt hadden. 21Toen zij een andere put groeven, kregen zij ook daarover onenigheid; om die reden noemde hij hem Sitna. 22Daarop verliet hij die plaats en groef een andere put; daarover kregen ze geen ruzie meer. Die put gaf hij de naam Rechobot, want hij zei: `Nu heeft Jahwe ons ruimte gegeven, zodat wij kunnen groeien in dit land.’ 23Vandaar trok hij naar Berseba. 24Op een nacht verscheen hem Jahwe en zei: `Ik ben de God van uw vader Abraham; vrees niet, want Ik sta u bij. Ik zal u zegenen en uw nakomelingen talrijk maken ter wille van mijn dienaar Abraham.’ 25Isaak richtte op die plaats een altaar op en riep de naam van Jahwe aan. Hij sloeg daar zijn tent op en zijn knechten groeven er een put. 26Nu ging Abimelek vanuit Gerar naar hem toe, in gezelschap van zijn vertrouweling Achuzzat en zijn legeroverste Pikol. 27Isaak vroeg hem: `Waarom komt u naar mij toe? U bent mij toch vijandig gezind en u hebt mij toch weggejaagd?’ 28Zij antwoordden: `Wij zien nu duidelijk dat Jahwe met u is, en wij dachten dat het goed zou zijn een verdrag met u te sluiten. Laat ons een verbond aangaan, 29dat u ons geen kwaad zult doen; wij hebben het u ook niet lastig gemaakt, doch u enkel goed gedaan en u ongedeerd laten gaan. En nu rust Jahwe’s zegen op u.’ 30Hierop richtte Isaak voor hen een feestmaal aan en zij aten en dronken. 31De volgende ochtend legden zij beiden hun eed af. Toen deed Isaak hen uitgeleide en zij gingen als vrienden bij hem vandaan. 32Diezelfde dag kwamen de knechten van Isaak met het bericht dat zij een put gegraven hadden en zeiden: `Wij hebben water gevonden.’ 33Hij noemde die plaats Siba; daarom heet die stad tot op heden Berseba. 34Toen Esau veertig jaar was, huwde hij Jehudit, de dochter van de Hethiet Beeri, en Basemat, de dochter van de Hethiet Elon. 35Deze vrouwen waren een kwelling voor Isaak en Rebekka.

Hoofdstuk 27

Isaak was oud geworden en zijn ogen werden zo zwak dat hij niet meer kon zien. Daarom riep hij zijn oudste zoon Esau bij zich en zei: `Mijn zoon.’
Hij antwoordde: `Wat wilt u?’ 2Isaak zei: `Hoor eens, ik ben een oud man en ik weet niet hoelang ik nog te leven heb. 3Neem daarom je wapens, je pijlkoker en je boog, ga erop uit en schiet een stuk wild voor mij. 4Maak dan een smakelijk maal gereed, zoals ik het graag heb, en dien het mij op, zodat ik ervan kan eten; daardoor zal ik de kracht krijgen om je mijn zegen te geven, voordat ik sterf.’ 5Tijdens dat gesprek van Isaak met zijn zoon Esau had Rebekka staan luisteren. Zodra Esau erop uit was gegaan om een stuk wild voor zijn vader te schieten, 6zei Rebekka tot haar zoon Jakob: `Hoor eens, ik heb je vader tegen je broer Esau horen zeggen: 7Breng mij een stuk wild en maak een smakelijk maal voor mij gereed, zodat ik ervan kan eten; dan zal ik je met Jahwe’s goedvinden mijn zegen kunnen geven, voordat ik sterf. 8Daarom, mijn zoon, moet je luisteren naar wat ik je zeg. 9Ga naar de kudden en haal daar twee malse geitebokjes; dan maak ik een smakelijk maal voor je vader, zoals hij dat graag heeft. 10Dat ga je dan aan je vader aanbieden, zodat hij ervan kan eten; daardoor zal hij de kracht krijgen om je zijn zegen te geven, voordat hij sterft.’ 11Maar Jakob zei tot zijn moeder Rebekka: `Dat gaat niet; mijn broer Esau is ruigbehaard en ik helemaal niet. 12Als vader mij gaat betasten, denkt hij vast dat ik met hem spot, en in plaats van zegen zal ik dan vloek over mij doen komen.’ 13Zijn moeder antwoordde hem: `Jongen, die vloek neem ik op me, luister naar mij en ga de bokjes halen.’ 14Jakob ging ze dus halen en bracht ze aan zijn moeder; en zij maakte een smakelijk maal gereed, zoals zijn vader het graag had. 15Daarop haalde Rebekka de beste kleren van haar oudste zoon Esau, die zij in huis bewaarde, en liet haar jongste zoon Jakob die aantrekken. 16Over zijn handen en zijn gladde hals trok zij de vellen van de geitebokjes. 17Vervolgens gaf zij het smakelijke maal met het brood dat zij toebereid had haar zoon Jakob in handen. 18Die ging naar zijn vader toe en zei: `Vader.’ Isaak antwoordde: `Ja, wie ben je, mijn zoon?’ 19Jakob zei tot zijn vader: `Esau, uw eerstgeborene; ik heb gedaan wat u mij opgedragen hebt. Ga overeind zitten en eet van mijn wildbraad, dan zult u de kracht krijgen om mij uw zegen te geven.’ 20Maar Isaak zei tot zijn zoon: `Hoe heb je dat wild zo gauw kunnen vinden, mijn zoon?’ Jakob gaf ten antwoord: `Jahwe, uw God, heeft het op mijn weg gebracht.’ 21Daarop zei Isaak tot Jakob: `Kom eens wat dichterbij, ik wil je betasten, mijn zoon, om te zien of je werkelijk mijn zoon Esau bent.’ 22Jakob kwam bij zijn vader Isaak staan. Deze betastte hem en zei: `De stem is de stem van Jakob, maar de handen zijn de handen van Esau’. 23Hij herkende Jakob niet, omdat diens handen even behaard waren als die van zijn broer Esau. Toen was hij bereid hem zijn zegen te geven, 24en vroeg nog eens: `Ben jij werkelijk mijn zoon Esau?’ Hij antwoordde: `Dat ben ik.’ 25Toen sprak Isaak: `Dien dan maar op. Ik wil eten van het wildbraad van mijn zoon; dan zal ik de kracht krijgen om je mijn zegen te geven.’ Jakob diende op en zijn vader begon te eten; daarna bracht hij hem wijn en hij dronk. 26Daarop sprak zijn vader Isaak tot hem: `Kom hier, mijn zoon, en kus mij.’ 27Hij
kwam naderbij en kuste hem. Toen Isaak de geur van zijn kleren rook,
sprak hij over hem deze zegen uit:
’Ja, de geur van mijn zoon
is als de geur van een akker
die door Jahwe is gezegend,
28Dauw van de hemel zal God je geven,
vruchtbare grond,
met overvloed van koren en most.
29Volken zullen je dienen

naties voor je buigen;
je moet heersen over je broers,
en de zonen van je moeder moeten
voor jou buigen!
Wie jou vervloekt, hij zij vervloekt;
wie jou zegent, hij zij gezegend!’

30Toen Isaak over Jakob deze zegen had uitgesproken, ging Jakob weg bij zijn vader Isaak. Op datzelfde ogenblik kwam zijn broer Esau van de jacht terug. 31Ook hij maakte een smakelijk maal gereed. Toen hij het binnenbracht, zei hij tot zijn vader: `Kom overeind, vader, en eet van het wildbraad van uw zoon; dan zult u de kracht krijgen om mij uw zegen te geven.’ 32Zijn vader Isaak vroeg: `Wie ben je?’ hij antwoordde: `Ik ben uw zoon, uw eerstgeborene, Esau.’ 33Isaak schrok hevig en riep uit: `Maar wie was dan degene die dat ander stuk wild had geschoten en het mij gebracht heeft? Juist voor jij binnenkwam heb ik daarvan gegeten. Hem heb ik mijn zegen gegeven en die zegen zal hij ook houden.’ 34Toen Esau dat van zijn vader hoorde, brak hij in luide en bittere jammerklachten uit en smeekte zijn vader: `Vader, geef mij ook uw zegen!’ 35Maar hij antwoordde: `Je broer is met een listige leugen bij mij aangekomen en heeft zich van jouw zegen meester gemaakt.’ 36Toen zei Esau: `Terecht heet hij Jakob, want hij heeft mij nu al tweemaal bedrogen. Eerst heeft hij zich mijn eerstgeboorterecht toegeëigend en nu bovendien nog mijn zegen.’ En hij drong aan: `Hebt u dan voor mij geen zegen meer?’ 37Isaak antwoordde en zei tot Esau: `Ik heb hem nu eenmaal tot heerser over jou aangesteld, ik heb al zijn broers tot zijn dienstknechten gemaakt en koren en most aan hem gegeven. Wat kan ik nog doen voor jou, mijn zoon?’ 38Maar Esau zei tot zijn vader: `Was dat dan uw enige zegen, vader? Vader, geef mij toch ook een zegen!’ En Hij begon luid te jammeren. 39Daarop nam zijn vader Isaak het woord en zei: `Ver van de vruchtbare grond zul je wonen, ver van de dauw uit de hemel van boven. 40Van je zwaard zul je leven, en je broers zul je dienen. Maar als je je losrukt, schudt je zijn juk van je nek!’ 41Esau was hevig op Jakob gebeten vanwege de zegen die zijn vader over hem had uitgesproken. En Esau zei bij zichzelf: `De tijd is niet ver meer dat er over mijn vader gerouwd wordt; dan ga ik mijn broer Jakob vermoorden.’ 42Toen Rebekka te weten kwam wat haar oudste zoon Esau van plan was, riep zij haar jongste zoon Jakob bij zich en zei hem: `Je broer Esau zint op wraak en wil je vermoorden.
43Luister dus naar mij, mijn zoon. Maak je gereed en neem de wijk naar mijn broer Laban in Haran. 44Blijf daar een tijdlang tot de woede van je broer bekoeld is. 45Als zijn woede over is, zal ik iemand sturen om je terug te halen. Waarom zou ik jullie alle twee op een dag moeten verliezen?’ 46Rebekka zei eens tot Isaak: `Het leven valt mij zwaar met die Hethitische vrouwen. Als Jakob nu ook nog trouwt met meisjes van hier, met die Hethitische, dan heb ik helemaal geen leven meer.’

Hoofdstuk 28

Toen liet Isaak Jakob bij zich komen, zegende hem en gaf hem deze opdracht: `Je moet niet trouwen met een meisje uit Kanaän. 2Ga op reis naar Paddan-aram, naar het huis van Betuël, de vader van je moeder en huw daar met een van de dochters van Laban, de broer van je moeder. 3Moge God Almachtig je zegenen en je vruchtbaar maken en talrijk, zodat je uitgroeit tot een grote menigte volken. 4Moge Hij aan jou en je nakomelingen de zegen van Abraham schenken, zodat je het land in bezit kunt nemen waar je nu als vreemdeling vertoeft, het land dat God aan Abraham gegeven heeft.’ 5Zo liet Isaak Jakob gaan, en deze begaf zich op weg naar Paddan-aram, naar Laban, de zoon van de Arameeër Betuël en de broer van Rebekka, de moeder van Jakob en Esau. 6Esau merkte dat Isaak Jakob met zijn zegen naar Paddan-aram gestuurd had om er een vrouw te zoeken; hij kwam te weten dat hij hem bij zijn zegen verboden had een Kanaänitische vrouw te huwen, 7en dat Jakob daarom volgens de wens van zijn vader en moeder naar Paddan-aram was gegaan. 8Zo merkte Esau dat de vrouwen uit Kanaän zijn vader Isaak niet bevielen. 9Daarom begaf hij zich naar Ismaël en nam naast de vrouwen die hij reeds had, ook nog Machalat, een dochter van Abrahams zoon Ismaël en een zuster van Nebajot, tot vrouw. 10Jakob vertrok uit Berseba en ging naar Haran. 11Op een bepaalde plaats gekomen, wilde hij daar overnachten, nadat de zon reeds was ondergegaan. Een van de stenen die daar lagen nam hij als hoofdkussen en viel op die plaats in slaap. 12Hij kreeg een droom en zag een ladder die op de aarde stond en waarvan de top tot in de hemel reikte. Langs die ladder gingen Gods engelen op en af. 13Ineens stond Jahwe bij hem en zei: `Ik ben Jahwe, de God van uw vader Abraham en de God van Isaak. Het land, waar gij op ligt, zal Ik aan u en aan uw nakomelingen geven. 14Uw nageslacht zal zijn als het stof van de aarde; gij zult u uitbreiden naar het westen en het oosten, naar het noorden en het zuiden; door u en uw nakomelingen zal zegen komen over alle geslachten van de aarde. 15Ik ben met u; Ik zal u behoeden waar gij ook gaat, en u terugvoeren naar dit land. Want Ik zal u niet verlaten tot Ik mijn belofte heb vervuld.’ 16Jakob werd wakker en riep uit: `Waarlijk, Jahwe is op deze plaats en ik wist het niet.’ 17Hij werd bevreesd en zei: `Ontzagwekkend is deze plaats! Dit kan niet anders zijn dan het huis van God en de poort van de hemel.’ 18De volgende morgen zette Jakob de steen waar hij met zijn hoofd op had gelegen, overeind als een wijsteen en goot er olie over uit. 19Hij noemde die plaats Betel; vroeger heette die stad Luz. 20Jakob legde de volgende gelofte af: `Als
God met mij is en mij beschermt op de reis die ik nu onderneem, als hij mij voedsel geeft om te eten en kleding om mij te bedekken, 21en als ik behouden naar mijn ouderlijk huis terugkeer, dan zal Jahwe mijn God zijn. 22En deze steen, die ik als heilige steen opricht, zal het huis van God zijn; en van alles wat Gij mij schenkt, zal ik u tienden geven.’

Hoofdstuk 29

Toen Jakob zijn reis had hervat en verder trok naar het gebied van de Oosterlingen, 2zag hij op een gegeven ogenblik ergens in het veld een put. Drie kudden schapen lagen daar te wachten, omdat uit die put de kudden te drinken kregen. Op de put lag een grote steen, 3en pas als alle herders daar waren samengekomen, rolde men de steen van de opening; zodra men de schapen had laten drinken, legde men de steen weer op de put. 4Jakob vroeg hen: `Broeders, waar komt u vandaan?’ Zij antwoordden: `Wij komen van Haran.’ 5Hij vervolgde: `Kent u dan Laban, de zoon van Nachor?’ Zij antwoordden: `Ja zeker.’ 6Hij vroeg verder: `Hoe maakt hij het?’ En zij antwoordden: `Uitstekend. Daar komt net zijn dochter Rachel aan met de schapen.’ 7Toen zei hij: `Het is nog volop dag en nog lang geen tijd om de kudden bijeen te drijven: geef dus de schapen te drinken en laat ze dan nog wat grazen.’ 8Zij zeiden: `Dat kunnen wij niet voordat alle schapen bijeen zijn: pas dan wordt de steen van de put

afgerold en kunnen wij de schapen te drinken geven.’ 9Hij stond nog met hen te praten, toen Rachel aankwam met de schapen van haar vader, want zij was herderin. 10Zodra Jakob Rachel zag, de dochter van zijn oom Laban, met de schapen van zijn oom, ging hij naar de put toe, rolde de steen weg en liet de schapen van zijn oom Laban drinken. 11Daarop kuste Jakob Rachel en weende luid. 12Toen Jakob Rachel bekend gemaakt had dat hij een bloedverwant van haar vader was, de zoon van Rebekka, ging Rachel het gauw aan haar vader vertellen. 13Zodra Laban het nieuws over Jakob, de zoon van zijn zuster, gehoord had, liep hij vlug naar hem toe: hij omhelsde en kuste hem en nam hem mee naar huis. Daar vertelde Jakob Laban alles wat er gebeurd was. 14Toen zei Laban: `Waarlijk, jij bent mijn gebeente en mijn vlees.’ En Jakob bleef een volle maand bij hem. 15Daarop zei Laban tot Jakob: `Al ben je van mijn familie, je hoeft toch niet voor niets bij mij te werken. Laat maar horen wat je wilt verdienen.’ 16Nu had Laban twee dochters: de oudste heette Lea, de jongste Rachel. 17Lea had fletse ogen, Rachel was welgevormd en mooi, 18zodat Jakob verliefd was op Rachel. Daarom stelde hij voor: `Ik blijf zeven jaar bij u werken voor uw jongste dochter Rachel.’ 19Laban zei: `Ik geef haar liever aan jou dan aan iemand anders; blijf dus maar bij mij.’ 20Zo kwam het dat Jakob zeven jaar werkte om rachel te krijgen. Die jaren leken hem maar enkele dagen; zoveel hield hij van haar. 21Toen zei Jakob tot Laban: `Geef me mijn vrouw, want mijn tijd is om en ik wil met haar gaan samenleven.’ 22Daarop nodigde Laban alle burgers van de stad uit en richtte een feestmaal aan. 23’s Avonds echter bracht hij zijn dochter Lea bij Jakob; en deze had gemeenschap met haar. 24Laban schonk zijn slavin Zilpa aan zijn dochter Lea. 25De volgende morgen zag
Jakob dat het Lea was. Nu zei hij tot Laban: `Wat hebt u nu met mij uitgehaald? Ik heb toch gewerkt om Rachel te krijgen? Waarom hebt u mij bedrogen?’ 26Laban antwoordde: `Het is bij ons geen gewoonte, de jongste uit te huwelijken voor de oudste. 27Breng dus eerst met haar de bruiloftsweek door; de andere kun je ook krijgen, als je nog eens zeven jaar bij mij wilt werken.’ 28Dat deed Jakob; hij bracht met Lea de bruiloftsweek door, en Laban gaf hem zijn dochter Rachel als vrouw. 29Laban schonk zijn slavin Bilha aan Rachel. 30Jakob had ook gemeenschap met Rachel; hij hield meer van haar dan van Lea. Zo werkte hij nog eens zeven jaar bij Laban. 31Toen Jahwe zag dat Lea minder bemind werd, opende Hij haar schoot, terwijl Rachel onvruchtbaar bleef. 32Lea werd zwanger, baarde een zoon en noemde hem Ruben; want, zei ze, `Jahwe heeft neergezien op mijn ellende; nu zal mijn man wel van mij gaan houden.’ 33Zij werd opnieuw zwanger, baarde een zoon en zei: `Jahwe heeft gehoord dat ik minder bemind word; daarom heeft Hij mij ook dit kind gegeven.’ En zij noemde hem Simeon. 34Zij werd nog eens zwanger, baarde weer een zoon en zei: `Ditmaal zal mijn man zich wel aan mij gaan hechten, want ik heb hem drie zonen geschonken.’ Daarom kreeg hij de naam Levi. 35Zij werd nog eens zwanger, baarde een zoon en zei: `Ditmaal zal ik Jahwe prijzen.’ Daarom noemde zij hem Juda. Daarna kreeg zij geen kinderen meer.

Hoofdstuk 30

Toen Rachel zag dat zij Jakob geen kinderen schonk, werd ze jaloers op haar zuster en zei tot Jakob: `Geef mij toch kinderen, anders ga ik dood.’ 2Toen werd Jakob kwaad op Rachel en zei: `Neem ik soms de plaats in van God, die je geen kinderen laat krijgen?’ 3Daarop zei ze: `Hier is mijn slavin Bilha; heb gemeenschap met haar; dan kan zij op mijn knieën baren en kan ik kinderen krijgen door haar.’ 4Zij gaf hem dus haar slavin Bilha tot vrouw en Jakob had gemeenschap met haar. 5Bilha werd zwanger en schonk Jakob een zoon. 6Toen zei Rachel: `God heeft mij recht gedaan. Hij heeft mijn gebed verhoord en mij een zoon geschonken.’ Daarom noemde zij hem Dan. 7Rachels slavin Bilha werd opnieuw zwanger en schonk Jakob een tweede zoon. 8Rachel zei: `Een harde strijd heb ik met mijn zuster gestreden en ik heb overwonnen.’ Daarom noemde zij hem Naftali. 9Toen Lea merkte, dat ze geen kinderen meer kreeg, gaf zij haar slavin Zilpa aan Jakob als vrouw. 10En ook Zilpa, de slavin van Lea, schonk Jakob een zoon. 11Toen zei Lea: `Het geluk is gekomen.’ Daarom noemde zij hem Gad. 12Lea’s slavin Zilpa schonk Jakob een tweede zoon. 13Nu zei Lea: `Ik ben wel gelukkig, de meisjes zullen mij gelukkig prijzen.’ Daarom noemde zij hem Aser. 14In de dagen van de tarweoogst ging Ruben er eens op uit en vond liefdesappels, ergens op het veld, en bracht die naar zijn moeder Lea. Nu zei Rachel tot Lea: `Geef mij ook een paar van die liefdesappels van je zoon.’ 15Maar zij antwoordde: `Is het niet genoeg dat je me mijn man afneemt? Wil je nu ook nog beslag leggen op die liefdesappels van mijn zoon?’ Rachel zei: `Als je mij de liefdesappels van je zoon geeft, mag Jakob vannacht bij jou slapen.’ Toen
Jakob dus ’s avonds van het veld kwam, ging Lea hem tegemoet 16en zei: `Je moet bij mij komen slapen, want ik heb eerlijk voor je betaald met de liefdesappels van mijn zoon.’ Die nacht ging hij dus bij haar slapen. 17En God verhoorde Lea: zij werd zwanger en schonk Jakob een vijfde zoon. 18Toen zei Lea: `God heeft mij beloond, omdat ik mijn slavin aan mijn man heb gegeven.’ Daarom noemde zij die zoon Issakar. 19Lea werd nog eens zwanger en schonk Jakob een zesde zoon. 20Toen zei Lea: `God heeft mij een mooi geschenk gegeven; ditmaal zal mijn man wel bij mij blijven, want ik heb hem zes zonen geschonken.’ En zij noemde die zoon Zebulon. 21Daarna bracht zij nog een dochter ter wereld en noemde haar Dina. 22Toen dacht God aan Rachel: Hij verhoorde haar en opende haar schoot. 23Zij werd zwanger, baarde een zoon, en zei: `God heeft mijn schande weggenomen.’ 24Zij noemde hem Jozef, daarbij denkend: `Moge Jahwe mij nog een zoon toevoegen.’ 25Toen Rachel Jozef gebaard had, zei Jakob tot Laban: `Laat mij teruggaan naar mijn woonplaats en vaderland. 26Geef mij mijn vrouwen en kinderen voor wie ik bij u gewerkt heb, en laat mij gaan; u weet zelf hoe hard ik voor u gewerkt heb.’ 27Maar Laban zei tot Jakob: `Je moet toch ook met mij rekening houden; ik heb uit tekenen opgemaakt dat Jahwe mij om jou gezegend heeft.’ 28En hij voegde eraan toe: `Zeg maar welk loon je van mij wenst, en ik geef het.’ 29Jakob antwoordde: `U weet zelf hoe hard ik voor u gewerkt heb en hoe het onder mijn beheer met uw kudde gegaan is. 30Voor mijn komst was uw bezit maar klein; het heeft zich sterk uitgebreid, omdat Jahwe u gezegend heeft, bij elke stap die ik zette. Wanneer zal ik nu eens voor mijn eigen gezin kunnen werken?’ 31Daarop zei Laban: `Wat moet ik je

geven?’ Jakob antwoordde: `U hoeft mij niets te geven; ik ben bereid opnieuw uw kudde te hoeden, als u het volgende voorstel aanvaardt. 32Ga vandaag al uw kleinvee langs, zet alle gevlekte en gespikkelde dieren bijeen en zonder ook alle zwarte schapen af. Als loon wil ik enkel de gespikkelde en gevlekte geiten. 33U kunt mij vertrouwen; als u in de toekomst mijn loon in ogenschouw komt nemen, mogen alle geiten, niet gevlekt of gespikkeld en alle niet-zwarte schapen gelden als door mij gestolen.’ 34Laban zei: `Goed, ik neem je voorstel aan.’ 35Nog diezelfde dag zette Laban de gestreepte en gespikkelde bokken en alle gevlekte en gespikkelde geiten bijeen, alles waar maar iets wits aan was, en ook alle zwarte schapen. Hij vertrouwde die kudde toe aan zijn zonen. 36Hij bepaalde dat er tussen hem en Jakob een afstand van drie dagreizen moest blijven; en Jakob mocht alleen het kleinvee van Laban weiden dat nog over was. 37Toen haalde Jakob verse takken van populieren, amandelbomen en platanen, en bracht er witte strepen op aan, door het wit van de takken bloot te leggen. 38De takken die hij zo bewerkt had, legde hij vlak voor het kleinvee in de troggen en drinkbakken. De dieren waren namelijk gewoon te paren als ze daar kwamen drinken. 39De dieren die bij de takken gepaard hadden wierpen gestreepte, gevlekte en gespikkelde jongen. 40De aldus verkregen jongen hield Jakob apart; met deze gevlekte en zwarte dieren liet hij Labans kleinvee paren en
op deze wijze vormde hij zich een eigen kudde, die hij niet bij Labans kudde liet komen. 41Alleen voor de sterke dieren die bronstig werden legde Jakob zijn takken in de troggen, om ze bij die takken te laten paren. 42Voor de zwakke dieren legde hij ze er niet in. Zodoende kreeg Laban alleen zwakke dieren en Jakob sterke. 43Zo werd Jakob buitengewoon rijk. Hij kreeg grote kudden, slavinnen en slaven, kamelen en ezels.

Hoofdstuk 31

Eens hoorde Jakob dat de zonen van Laban zeiden: `Jakob heeft onze vader heel zijn bezit afhandig gemaakt, ten koste van hem heeft hij al die rijkdom verworven.’ 2Jakob zag aan het gezicht van Laban dat deze hem niet meer zo goed gezind was als vroeger. 3Toen sprak Jahwe tot Jakob: `Keer terug naar het land van uw vaderen en naar uw bloedverwanten; Ik zal met u zijn.’ 4Daarop riep Jakob Rachel en Lea naar buiten bij zijn kudde, 5en zei hun: `Ik zie aan het gezicht van je vader dat hij me niet meer zo goed gezind is als vroeger; maar de God van mijn vader is nu eenmaal met mij geweest, 6en jullie weten goed dat ik naar beste vermogen voor je vader gewerkt heb, 7ofschoon hij me bedrogen en mijn loon wel tienmaal gewijzigd heeft. Maar God heeft niet toegelaten dat hij me benadeelde. 8Toen Laban vaststelde dat de gevlekte dieren mijn loon zouden uitmaken, wierp al het kleinvee gevlekte jongen; toen hij bepaalde dat de gestreepte dieren mijn loon zouden zijn, wierp al het kleinvee gestreepte jongen. 9Op deze wijze heeft God de dieren aan jullie vader ontnomen en ze aan mij gegeven. 10In de tijd dat het vee paarde zag ik plotseling in een droom, dat de bokken die de schapen en geiten besprongen gestreept, gespikkeld of gevlekt waren. 11In die droom sprak Gods engel tot mij: Jakob. En ik antwoordde: Hier ben ik. 12En Hij zei: Kijk rond, en zie hoe alle bokken die de schapen en de geiten bespringen gestreept, gespikkeld of gevlekt zijn. Want Ik heb gezien hoe Laban u

steeds weer behandelt. 13Ik ben de God van Betel, waar gij een heilige steen met olie begoten hebt en mij een belofte hebt gedaan. Trek daarom weg uit dit land en keer terug naar uw geboortegrond.’ 14Rachel en Lea antwoordden hem: `Wij krijgen of erven toch niets meer uit het vaderlijk huis. 15Vader beschouwt ons immers als vreemdelingen, want hij heeft ons verkocht en het geld bovendien nog opgemaakt. 16Maar het vermogen dat God aan vader ontnomen heeft, behoort geheel aan ons en onze kinderen. Doe dus maar wat God van je vraagt.’ 17Toen maakte Jakob zich reisvaardig, liet zijn kinderen en vrouwen plaats nemen op de kamelen, 18voerde zijn hele veestapel en alle bezittingen die hij in Paddan-aram verworven had, met zich mee en begaf zich op weg naar zijn vader Isaak in Kanaän. 19Terwijl Laban afwezig was om de schapen te scheren, pakte Rachel de huisgoden van haar vader weg. 20Ook Jakob bedroog de Arameeër Laban door zijn vlucht voor hem verborgen te houden. 21Jakob ging op de vlucht met al zijn bezittingen; hij stak de rivier over en trok in de richting van het gebergte van Gilead. 22Op de derde dag kwam Laban te weten dat Jakob gevlucht was. 23Met zijn verwanten zette hij hem na, zeven dagreizen, en haalde hem tenslotte in bij het
gebergte van Gilead. 24Maar in die nacht verscheen God aan de Arameeër Laban en zei hem: `Wacht u ervoor dreigementen te uiten tegen Jakob.’ 25Toen Laban Jakob had ingehaald, sloeg deze zijn tenten op in het gebergte; ook Laban en de zijnen sloegen in het gebergte van Gilead hun tenten op. 26Laban zei toen tot Jakob: `Wat heeft je toch bezield om mij zo te bedriegen en mijn dochters als gevangenen mee te voeren? 27Waarom ben je heimelijk gevlucht, waarom heb je mij bedrogen en mij niets gezegd? Met gejubel en gezang, met tamboerijn en citer zou ik je uitgeleide hebben gedaan. 28Je hebt mij niet eens de kans gegeven mijn zonen en dochters vaarwel te kussen. Je gedrag is wel zonderling! 29Ik zou het je zeer lastig kunnen maken, maar de God van je vader heeft mij vannacht gewaarschuwd: Wacht u ervoor dreigementen te uiten tegen Jakob. 30Als je overigens vertrokken bent omdat je zo vurig naar je ouderlijk huis verlangt, waarom heb je dan mijn goden gestolen?’ 31Jakob gaf Laban ten antwoord: `Ik was bang dat u mij anders uw dochters zou ontnemen. 32Maar als u bij een van ons uw goden vindt, zal die het er niet levend afbrengen. In het bijzijn van onze verwanten moet u maar kijken of ik iets van u heb, en dat nemen.’ Jakob wist namelijk niet dat Rachel de huisgoden had gestolen. 33Laban ging dus Jakobs tent binnen, en ook die van Lea en van de beide slavinnen, maar hij vond niets. Van de tent van Lea ging hij naar die van Rachel. 34Rachel echter had de huisgoden in het zadel van haar kameel verstopt en was erop gaan zitten. Laban doorzocht de hele tent, zonder iets te vinden. 35Ze zei tot haar vader: `Mijn heer, neem mij niet kwalijk dat ik blijf zitten, want ik ben ongesteld.’ Hoe hij ook zocht, hij vond de huisgoden niet. 36Toen werd Jakob kwaad; hij voer tegen Laban uit en zei: `Wat heb ik misdreven, wat voor kwaad heb ik gedaan, dat u mij zo verwoed achtervolgt? 37U hebt nu mijn hele huisraad doorzocht. Hebt u iets gevonden dat van u is? Leg het dan voor mijn en uw verwanten neer en laat hen zeggen wie van ons beiden gelijk heeft. 38Twintig jaar ben ik nu bij u geweest; uw schapen en geiten hebben geen misdracht gehad en van de rammen van uw kudde heb ik nooit gegeten.

39Wat door wilde dieren verscheurd was, heb ik niet bij u gebracht, maar ik heb het zelf vergoed. Uit mijn eigen bezit hebt u teruggeëist wat mij overdag of ’s nachts ontstolen werd. 40Overdag verging ik van de hitte, ’s nachts van de kou, en ik heb mijn ogen geen slaap gegund. 41Twintig jaar heb ik nu in uw huis doorgebracht; veertien jaar heb ik voor u gewerkt om uw twee dochters, zes jaar om uw vee; en wel tienmaal hebt u mijn loon gewijzigd. 42Als de God van mijn vader, de God van Abraham en de Gevreesde van Isaak, mij niet had bijgestaan, dan had u mij nu met lege handen weggestuurd. God heeft echter neergezien op mijn ellende en mijn zwoegen, en vannacht is hij tussenbeide gekomen.’ 43Laban antwoordde Jakob: `Het gaat om mijn eigen dochters, mijn eigen kinderen en mijn eigen vee; al wat je hier ziet is wel van mij! Wat voor kwaad zou ik mijn eigen dochters of de kinderen die zij gebaard hebben willen aandoen? 44Kom, laat ons een verbond met elkaar sluiten, dan hebben wij beiden een bewijsstuk.’ 45Toen zette Jakob
een heilige steen overeind. 46En Jakob zei tot zijn verwanten: `Raap stenen bijeen.’ Zij haalden stenen, maakten daar een steenhoop van, en hielden bij de steenhoop een maaltijd. 47Laban noemde hem Jegar-sahaduta, en Jakob noemde hem Galed. 48En Laban zei: ’Deze steenhoop moet heden het bewijsstuk voor ons beiden zijn.’ Daarom heet hij Galed, 49en ook Mispa, omdat hij zei: `Moge Jahwe de wacht houden tussen mij en jou, wanneer wij uit elkaar zijn gegaan. 50Je mag mijn dochters niet slecht behandelen en geen andere vrouwen huwen. En al is er ook niemand die ons ziet, God is onze getuige.’ 51En Laban zei tot Jakob: `Dit is de steenhoop, dit is de heilige steen, die ik heb opgericht tussen mij en jou. 52Bewijsstuk is deze steenhoop, bewijsstuk is deze gedenksteen: ik zal deze steenhoop nooit met kwade bedoelingen passeren om naar jou te komen en jij niet om naar mij te komen. 53De God van Abraham en de God van Nachor – de goden van hun vaders – mogen onze rechters zijn.’ En Jakob legde zijn eed af bij de Gevreesde van zijn vader Isaak. 54Toen slachtte Jakob op de berg een offerdier en nodigde zijn verwanten bij de maaltijd uit. Na de maaltijd bleven zij op de berg overnachten.

Hoofdstuk 32

De volgende morgen kuste Laban zijn zonen en dochters vaarwel, gaf hun zijn zegen en keerde naar zijn woonplaats terug. 2Toen Jakob zijn reis voortzette, kwamen hem engelen van God tegemoet. 3En zodra hij die bemerkte, zei Jakob: `Het is hier de legerplaats van God.’ Daarom noemde hij die plaats Machanaim. 4Nu zond Jakob boden voor zich uit naar zijn broer Esau in Seir, het gebied van Edom, 5met de opdracht: `Dit moeten jullie aan mijn heer Esau zeggen: Zo spreekt uw dienaar Jakob: Ik heb bij Laban gewoond en ben daar tot nu toe gebleven. 6Ik heb runderen, ezels en schapen, slaven en slavinnen verworven. Ik laat u dit weten om bij mijn heer een gunstig onthaal te vinden.’ 7Bij hun terugkeer zeiden de boden tot Jakob: `We zijn bij uw broer Esau geweest; hij is nu al met vierhonderd man naar u onderweg.’ 8Jakob schrok hevig, en in zijn angst verdeelde hij de mensen die bij hem waren, evenals de schapen, runderen en kamelen, in twee groepen. 9Hij dacht: `Als Esau op de ene groep afkomt en die neerslaat, dan kan de andere tenminste ontkomen.’ 10En Jakob bad: `O God van mijn vader Abraham en God van mijn vader Isaak, Jahwe die mij

gezegd hebt: Keer terug naar uw land en uw verwanten, en Ik zal u weldoen: 11uw dienaar is al uw gunstbewijzen en al uw blijken van trouw niet waardig. Ik had alleen maar een stok, toen ik de Jordaan hier overtrok, en nu ben ik tot twee groepen uitgegroeid. 12Maar red mij nu ook uit de greep van mijn broer Esau, want ik ben bang, dat hij mij met moeder en kinderen komt neerslaan. 13Gij hebt mij toch beloofd: Ik zal u met weldaden overladen, en uw nageslacht zal Ik maken als het zand aan de zee, zo talrijk dat het niet te tellen is.’ 14En hij bracht daar de nacht door. Toen nam hij uit zijn bezit geschenken voor Esau: 15tweehonderd geiten en twintig bokken, tweehonderd schapen en twintig rammen, 16dertig zogende kamelen met hun jongen, veertig koeien en tien stieren, twintig
ezelinnen en tien ezelshengsten. 17Dat alles verdeelde hij in afzonderlijke kudden en vertrouwde die toe aan zijn knechten, met de opdracht: `Trek voor mij uit, maar met telkens een afstand tussen de kudden.’ 18en hij beval aan de voorste: `Als mijn broer Esau je tegenkomt en je vraagt bij wie je hoort, waarheen je gaat en van wie de dieren zijn die je voor je uitdrijft, 19dan moet je zeggen: Van uw dienaar Jakob; zij zijn een geschenk voor mijn heer Esau. Hij zelf komt achter ons aan.’ 20Aan de tweede en de derde en aan allen die de leiding van de kudden hadden, gaf hij eveneens opdracht: `Zeg Esau hetzelfde, als jullie hem tegenkomen. 21Zeg hem: Uw dienaar Jakob komt achter ons aan.’ Want hij dacht: `Laat ik hem gunstig stemmen door geschenken te sturen; als ik hem daarna onder de ogen kom, zal hij mij misschien vriendelijk ontvangen.’ 22Zo gingen de geschenken vooruit, terwijl hijzelf die nacht nog in het kamp bleef. 23Maar tijdens die nacht stond hij op en stak met zijn twee vrouwen, zijn twee slavinnen en zijn elf kinderen het wed van de Jabbok over. 24Toen Jakob hen met zijn bezittingen over de rivier gebracht had, 25bleef hij alleen achter. En een man worstelde met hem, tot het aanbreken van de dageraad. 26Toen de man gewaar werd dat hij Jakob niet aankon, stootte hij hem bij de worsteling boven tegen de heup, zodat die ontwricht werd. 27Daarop zei de man: `Laat mij gaan, want de dageraad is aangebroken.’ Maar hij antwoordde: `Ik laat u niet gaan, wanneer gij mij niet zegent.’ 28Hij vroeg: `Hoe is uw naam?’ Hij gaf ten antwoord: `Jakob.’ 29Toen zei hij: `Voortaan zult gij geen Jakob meer heten, maar Israël, want gij hebt met God gestreden en met mensen en gij hebt hen overwonnen.’ 30Nu vroeg Jakob: `Maak mij uw naam bekend.’ Maar hij zei: `Waarom vraagt ge naar mijn naam?’ Toen gaf hij hem ter plaatse zijn zegen. 31Jakob noemde die plaats Peniel, `want – zo zei hij – ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht, en ik ben toch in leven gebleven.’ 32De zon ging op, zodra hij Peniel voorbij was. Sindsdien was hij mank aan zijn heup. 33Vandaar dat de Israëlieten tot op de huidige dag de spier die boven aan de heup ligt niet eten, omdat God Jakob boven tegen de heup, tegen de spier van het heupgewricht had gestoten.

Hoofdstuk 33

Toen Jakob opkeek, zag hij Esau met vierhonderd man op zich afkomen. Hij verdeelde zijn kinderen over Lea en Rachel en de twee slavinnen. 2De slavinnen met hun kinderen zette hij voorop, dan Lea met haar kinderen, en tenslotte Rachel met Jozef achteraan. 3Zelf ging hij voor hen uit en boog zevenmaal tot op de grond, tot hij bij zijn broer kwam. 4Esau snelde hem tegemoet, omarmde hem, viel hem om de hals en kuste hem, en zij werden beiden tot tranen toe bewogen. 5Toen Esau opkeek en de vrouwen en kinderen zag, vroeg hij: `Wie zijn dat daar?’ Jakob antwoordde: `Het zijn de kinderen die God uw dienaar geschonken heeft.’ 6Toen kwamen de slavinnen met haar kinderen naderbij en bogen diep. 7Ook Lea met haar kinderen trad naderbij en boog diep; ten slotte kwamen Jozef en Rachel en ze bogen diep. 8Toen sprak hij: `Wat moeten toch al die kudden die mij tegemoet zijn gekomen?’ Hij antwoordde: `Ik wilde mijn
heer gunstig stemmen.’ 9Maar Esau zei: `Ik ben rijk genoeg, mijn broer; wat van u is moet van u blijven.’ 10Maar Jakob drong aan: `Geen sprake van! Als u mij werkelijk goed gezind bent, neem dan dit geschenk van mij aan. Ik heb tegen u opgezien, zoals men tegen God opziet, maar u hebt mij welwillend ontvangen. 11Aanvaard toch het huldeblijk dat ik u aanbied; God is goed voor mij geweest, zodat mij niets ontbreekt.’ Toen hij zo bleef aandringen, nam Esau het aan. 12Toen zei deze: `Laten wij verder trekken; ik zal voor u uitgaan.’ 13Maar Jakob zei hem: `Mijn heer weet, hoe teer de kinderen zijn. Ook heb ik nog zogende schapen en runderen bij me; als die dieren een dag teveel opgejaagd worden, bezwijken ze. 14Laat mijn heer voor zijn dienaar uitgaan; dan zal ik op mijn gemak mijn tocht vervolgen, en mij schikken naar het vee dat voorop gaat en naar de kinderen, totdat ik mijn heer in Seir treft.’ 15Toen zei Esau: `Dan zal ik enige van mijn mensen bij u achterlaten.’ Maar hij antwoordde: `Waarom toch? Ik ben al blij dat mijn heer zo welwillend voor mij is geweest.’ 16Daarop aanvaardde Esau nog diezelfde dag de terugtocht naar Seir. 17Jakob echter trok de richting van Sukkot uit; daar bouwde hij een huis voor zichzelf, en voor zijn vee maakte hij hutten. Zo heeft die plaats de naam Sukkot gekregen. 18Vanuit Paddan-aram kwam Jakob behouden aan in de stad Sichem, in Kanaän; hij sloeg zijn tenten op ten oosten van de stad. 19Hij wist van de zonen van Hemor, de vader van Sichem, voor honderd geldstukken het land te kopen waarop hij zijn tent had neergezet. 20Hij richtte daar een altaar op en noemde het: `De God van Israël is God.’

Hoofdstuk 34

Dina, de dochter die Lea aan Jakob geschonken had, was eens op bezoek gegaan bij de meisjes van de streek. 2Toen Sichem, de zoon van de Chiwwiet Hemor, de vorst van het land, haar gezien had, ontvoerde hij haar, ging bij haar liggen en onteerde haar. 3Hij verloor zijn hart aan Jakobs dochter Dina; hij hield veel van het meisje en zocht haar genegenheid te winnen. 4Daarom zei hij tot zijn vader Hemor: `Zorg dat het meisje mijn vrouw wordt.’ 5Nu had Jakob wel gehoord dat zijn dochter Dina onteerd was, maar omdat zijn zonen buiten bij de kudde verbleven, zei hij er niets van tot zij weer thuis waren. 6Hemor, de vader van Sichem, kwam met Jakob onderhandelen. 7Zodra Jakobs zonen van de zaak hoorden, kwamen zij van buiten terug. Zij voelden zich beledigd en waren woedend, want door het samenzijn met Jakobs dochter had Sichem een schanddaad in Israël begaan, iets ongehoords. 8Hemor sprak met hen en zei: `Mijn zoon Sichem is hevig verliefd op uw dochter; ik verzoek u haar aan hem ten huwelijk te geven. 9Knoop familiebanden met ons aan. Als u ons uw dochters ten huwelijk geeft, kunt u die van ons krijgen. 10U kunt ook bij ons blijven wonen: het land ligt voor u open. Blijf maar hier; u kunt rondtrekken of ergens gaan wonen.’ 11En Sichem zei tot Dina’s vader en tot haar broers: `Als u mij ter wille bent, kunt u van mij krijgen wat u wenst. 12Al stelt u de bruidsprijs en het geschenk nog zo hoog, ik betaal wat u vraagt, als u mij het meisje maar geeft.’ 13Toen gaven Jakobs zonen, wier

zuster Dina onteerd was, aan Sichem en aan zijn vader Hemor dit arglistige antwoord: 14`Dat kunnen wij niet doen; wij kunnen onze zuster niet aan een onbesnedene geven, want dat is een schande voor ons. 15Slechts op een voorwaarde kunnen wij u ter wille zijn: u moet worden zoals wij, en al uw mannen moeten zich laten besnijden. 16Dan zullen wij u onze dochters ten huwelijk geven en kunnen wij die van u nemen; dan blijven wij bij u wonen en worden samen een volk. 17Als u zich echter niet wilt laten besnijden, dan nemen wij onze dochter mee terug en gaan heen.’ 18Hun voorstel beviel Hemor en zijn zoon Sichem; 19en de jonge man trachtte het onmiddellijk ten uitvoer te brengen, want hij had zijn zinnen gezet op Jakobs dochter en genoot veel aanzien in zijn ouderlijk huis. 20Hemor en zijn zoon Sichem begaven zich dus naar de stadspoort en richtten het woord tot de burgers van hun stad. Zij zeiden: 21`Deze mensen zijn ons goed gezind. Zij mogen in het land blijven wonen en er rondtrekken; er is immers ruimte genoeg voor hen in het land. Wij kunnen hun dochters tot vrouw nemen en hun onze dochters geven. 22Maar slechts op een voorwaarde zijn deze mensen bereid bij ons te blijven en met ons een volk te vormen: al onze mannen moeten zich laten besnijden, want zij zijn zelf ook besneden. 23Hun bezit, hun goederen en hun vee zullen ons eigendom worden. Laten we dus op hun voorstel ingaan; dan blijven zij bij ons.’ 24Allen die toegang hadden tot de stadspoort gaven gehoor aan Hemor en zijn zoon Sichem en lieten zich besnijden. 25Maar op de derde dag, toen zij hevige pijn hadden, grepen Simeon en Levi, de twee zonen van Jakob die broers van Dina waren, naar hun zwaard, overvielen de op niets verdachte stad en vermoordden alle mannen. 26Ook Hemor en zijn zoon Sichem doodden zij met het zwaard. Daarop haalden ze Dina uit Sichems huis en trokken af. 27De zonen van Jakob stortten zich op de verslagenen en plunderden de stad, omdat men hun zuster onteerd had. 28Schapen, runderen en ezels, al wat in de stad of op het land was, maakten zij buit. 29Al wat zij bezaten, al hun kleine kinderen en hun vrouwen, namen zij gevangen en zij plunderden de huizen leeg. 30Toen zei Jakob tegen Simeon en Levi: `Jullie hebben mij in grote moeilijkheden gebracht door mij in opspraak te brengen bij de bewoners van het land, de Kanaänieten en Perizzieten. Ik heb maar weinig mannen tot mijn beschikking. Als zij gezamenlijk tegen mij optrekken, verslaan ze mij en brengen ze mij om, met mijn gezin.’ 31Maar zij zeiden: `Moest hij dan onze zuster als een lichte vrouw behandelen?’

Hoofdstuk 35

God zei tot Jakob: `Trek naar Betel en vestig u daar. Richt er een altaar op voor de God die u verschenen is, toen gij vluchtte voor uw broer Esau.’ 2Jakob sprak toen tot zijn gezin en tot allen die met hem meetrokken: `Doe de vreemde goden weg die jullie bij je hebben, reinig je en trek andere kleren aan. 3Wij gaan naar Betel; ik wil daar een altaar oprichten voor de God die mij verhoord heeft, toen ik in moeilijkheden verkeerde, en die mij beschermd heeft op mijn reis.’ 4Toen gaven zij aan Jakob al de vreemde goden die zij hadden, en ook de oorringen die ze droegen; en Jakob
begroef alles onder de terebint bij Sichem. 5Toen zij opbraken, werden de steden in de omtrek door God met schrik geslagen, zodat zij de zonen van Jakob niet durfden achtervolgen. 6toen Jakob met al zijn mensen te Luz –

of Betel – in Kanaän was aangekomen, 7bouwde hij daar een altaar en noemde de plaats `God van Betel’, omdat God zich daar aan hem geopenbaard had, toen hij op de vlucht was voor zijn broer. 8Daarna stierf Debora, de voedster van Rachel; zij werd begraven ten zuiden van Betel, onder de eik die Allon-bakut genoemd wordt. 9Toen Jakob uit Paddan-aram terugkeerde, verscheen God hem opnieuw en sprak deze zegen over hem uit: 10`Uw naam is Jakob; voortaan zult gij echter geen Jakob meer heten, maar Israël.’ Zo gaf Hij hem de naam Israël. 11Ook sprak God tot hem: `Ik ben God Almachtig. Wees vruchtbaar en word talrijk, een volk, een menigte van volken zal uit u voortkomen, en koningen zullen uit uw lenden uitgaan. 12Het land dat Ik aan Abraham en Isaak heb gegeven, geef Ik aan u en ook aan uw nakomelingen.’ 13God steeg op van de plaats waar Hij met hem gesproken had. 14Op de plaats waar God met Jakob had gesproken, richtte deze een heilige steen op; op deze steen goot hij een plengoffer van olie uit. 15Aan de plaats waar God tot hem gesproken had gaf Jakob de naam Betel. 16Na hun vertrek uit Betel, even voor Efrata, bracht Rachel een kind ter wereld. De bevalling was moeilijk. 17Tijdens die zware bevalling zei de vroedvrouw tot haar: `Wees maar niet bang, want u krijgt weer een zoon.’ 18Toen het leven van haar week en zij op sterven lag, noemde zij hem Ben-oni; maar zijn vader gaf hem de naam Benjamin. 19Toen Rachel gestorven was, werd zij begraven langs de weg naar Efrata of Betlehem. 20Jakob plaatste een gedenkteken op haar graf; deze gedenksteen op het graf van Rachel staat er vandaag nog. 21Toen trok Israël verder, en hij sloeg even voorbij Migdal-eder zijn tent op. 22Terwijl Israël in dat gebied verbleef, had Ruben gemeenschap met Bilha, de bijvrouw van zijn vader; en Israël kwam dat te weten. Jakobs zonen waren twaalf in getal. 23De zonen van Lea waren Ruben, Jakobs eerstgeborene, Simeon, Levi, Juda, Issakar en Zebulon. 24De zonen van Rachel waren Jozef en Benjamin. 25De zonen van Bilha, de slavin van Rachel, waren Dan en Naftali. 26De zonen van Zilpa, de slavin van Lea, waren Gad en Aser. Dat zijn de zonen van Jakob, die in Paddan-aram geboren zijn. 27Jakob begaf zich naar zijn vader Isaak, te Mamre bij Kirjat-arba – ook Hebron geheten -, de woonplaats van Abraham en Isaak. 28Toen Isaak honderdtachtig jaar was, 29gaf hij de geest en stierf; oud en verzadigd van jaren werd hij met zijn voorvaderen verenigd; zijn zonen Esau en Jakob begroeven hem.

Hoofdstuk 36

Dit zijn de nakomelingen van Esau, ook Edom geheten. 2Esau was gehuwd met Kanaänitische vrouwen, met Ada, een dochter van de Hethiet Elon, met Oholibama, een dochter van Ana, de zoon van de Chiwwiet Sibon, 3en met Basemat, een dochter van Ismaël en een zuster van Nebajot. 4Ada schonk Esau Elifaz; Basemat schonk hem Reuël, 5en Oholibama schonk hem Jeus, Jalam en Korach. Dat zijn de zonen van
Esau, die in Kanaän geboren werden. 6Esau nu verliet zijn broer Jakob, met zijn vrouwen, zonen en dochters en al zijn huisgenoten, met zijn bezittingen, met al zijn vee en alle eigendommen die hij in Kanaän verworven had, en trok naar een ander land. 7Hun bezit was zo groot, dat zij niet bij elkaar konden blijven; het land waar ze rondzwierven, kon hen en hun kudden niet onderhouden. 8Esau – ofwel Edom – vestigde zich in

het Seirgebergte. 9Dit zijn de nakomelingen van Esau, de vader van Edom, in het Seirgebergte. 10De namen van Esau’s zonen zijn Elifaz, zoon van Esau’s vrouw Ada, en Reuël, de zoon van Esau’s vrouw Basemat. 11Elifaz’ zonen zijn Teman, Omar, Sefo, Gatam en Kenaz. 12Timna, een bijvrouw van Esau’s zoon Elifaz, baarde Amalek. Dat zijn de zonen van Esau’s vrouw Ada. 13Reuëls zonen zijn Nachat, Zerach, Samma en Mizza. Dat zijn de zonen van Esau’s vrouw Basemat. 14Zonen van Esau’s vrouw Oholibama, de dochter van Ana, de zoon van Sibon, zijn Jeus, Jalam en Korach. 15Dit zijn de stamhoofden van de zonen van Esau. De zonen van Elifaz, Esau’s eerstgeborene, zijn de stamhoofden Teman, Omar, Sefo, Kenaz, 16Korach, Gatam en Amalek; deze zonen van Ada zijn de stamhoofden van Elifaz in Edom. 17Zonen van Esau’s zoon Reuël zijn de stamhoofden Nachat, Zerach, Samma en Mizza; deze zonen van Esau’s vrouw Basemat zijn de stamhoofden van Reuël in Edom. 18Zonen van Esau’s vrouw Oholibama zijn de stamhoofden Jeus, Jalam en Korah; dit zijn de stamhoofden van Esau’s vrouw Oholibama, dochter van Ana. 19Dat zijn dus de zonen van Esau of Edom, en dat zijn hun stamhoofden. 20Dit zijn de zonen van de Churriet Seir, de oorspronkelijke bewoners van het land: Lotan, Sobal, Sibon, Ana, 21Dison, Eser en Disan. Dit zijn de stamhoofden van de Churrieten, de zonen van Seir, in Edom. 22Zonen van Lotan zijn Chori en Hemam; Timna is Lotans zuster. 23Zonen van Sobal zijn Alwan, Manachat, Ebal, Sefo en Onam. 24Zonen van Sibon zijn Ajja en Ana; deze laatste ontdekte de hete bronnen in de woestijn, toen hij de ezels van zijn vader Sibon weidde. 25Zonen van Ana zijn Dison en Oholibama, eigenlijk Ana’s dochter. 26Zonen van Dison zijn Chemdan, Esban, Jitram en Keran. 27Zonen van Eser zijn Bilhan, Zaawan en Akan. 28Zonen van Disan zijn Us en Aran. 29Zij allen zijn stamhoofden van de Churrieten: Lotan, Sobal, Sibon, Ana, 30Dison, Eser en Disan. Dat zijn de stamhoofden van de verschillende Churrietenstammen in Seir. 31En dit zijn de koningen, die in Edom geregeerd hebben, voordat de Israëlieten een koning hadden. 32Koning in Edom was Bela, zoon van Beor; zijn stad heette Dinhaba. 33Bela werd na zijn dood opgevolgd door Jobab, zoon van Zerach, uit Bosra. 34Jobab werd na zijn dood opgevolgd door Chusam, uit het gebied van de Temanieten. 35Chusam werd na zijn dood opgevolgd door Hadad, zoon van Bedad, die Midjan in de vlakte van Moab verslagen heeft; zijn stad heette Awit. 36Hadad werd na zijn dood opgevolgd door Samla, uit Masreka. 37Samla werd na zijn dood opgevolgd door Saul, uit Rechobot aan de rivier. 38Saul werd na zijn dood opgevolgd door Baäl-chanan, zoon van Akbor, 39Baäl-chanan, zoon van Akbor, werd na zijn dood
opgevolgd door Hadad; zijn stad heette Pau; zijn vrouw heette Mehetabel; zij was een dochter van Matred, de dochter van Me-zahab. 40Dit zijn de namen van Esau’s stamhoofden, gerangschikt naar familie, woonplaats en naam: Timna, Alwa, Jetet, 41Oholibama, Ela, Pinon, 42Kenaz, Teman, Mibsar, 43Magdiel en Iram. Dat zijn de stamhoofden van Edom met de woonplaatsen die ze in het land bezetten. Dat is de stam van Esau, de vader van de Edomieten.

Hoofdstuk 37

Jakob woonde in Kanaän, waar ook zijn vader rondgetrokken had. 2Dit is de geschiedenis van Jakob. Jozef was een jongeman van zeventien jaar, toen hij met zijn broers, de zonen van Bilha en Zilpa, de vrouwen van zijn vader, de kudde hoedde. Hij bracht de kwade geruchten die over zijn broers in omloop waren aan hun vader over. 3Israël hield meer van Jozef dan van al zijn andere zonen, omdat hij hem nog op zijn oude dag had gekregen. Hij had voor hem een prachtig kleed laten maken. 4De broers bemerkten dat hun vader meer van Jozef hield dan van hen, en zij gingen hem zo haten dat ze geen goed woord meer voor hem over hadden. 5Eens had Jozef een droom. Hij vertelde die aan zijn broers en daardoor gingen zij hem nog meer haten. 6Hij zei: `Hoor toch eens wat voor droom ik gehad heb. 7Wij waren aan het schoven binden op het veld. Mijn schoof kwam overeind en bleef rechtop staan; jullie schoven kwamen er omheen staan en bogen voor mijn schoof.’ 8Zijn broers zeiden: `Wou je soms koning over ons worden of over ons heersen?’ Zo raakten ze steeds heviger op hem gebeten vanwege de dromen die hij vertelde. 9Later had hij nog een droom en ook die vertelde hij aan zijn broers. `Ik heb weer een droom gehad,’ zei hij. `Ik zag dat de zon, de maan en elf sterren zich voor mij bogen.’ 10Toen hij dit aan zijn vader en zijn broers vertelde, gaf zijn vader hem een berisping. Hij zei: `Wat moet dat met die droom van jou? Moeten ik, je moeder en je broers zich soms voor jou ter aarde buigen?’ 11Daardoor werden zijn broers nog afgunstiger op hem, maar zijn vader onthield het gebeurde. 12Eens waren zijn broers bij Sichem de kudden van hun vader gaan weiden, 13toen Israël tot Jozef zei: `Je weet dat je broers de kudde weiden bij Sichem. Zou je niet naar hen toe willen gaan?’ Hij antwoordde: `Dat wil ik graag doen.’ 14Israël zei: `Ga dan eens kijken of alles in orde is met je broers en met het vee, en kom het mij dan vertellen.’ Zo liet hij hem uit het dal van Hebron vertrekken. Toen hij in de buurt van Sichem kwam 15en daar buiten aan het ronddwalen was, kwam iemand op hem af en vroeg hem: `Wat zoekt u?’ 16Hij antwoordde: `Ik ben op zoek naar mijn broers. Kunt u mij misschien zeggen waar zij hun kudde weiden?’ 17De man antwoordde: `Ze zijn van hier vertrokken en ik heb ze horen zeggen: Laten we naar Dotan gaan.’ Jozef ging daarop zijn broers achterna en vond hen inderdaad in Dotan. 18Zij hadden hem al in de verte zien aankomen, en voor hij bij hen was, smeedden zij het plan om hem te doden. 19Ze zeiden tot elkaar: `Daar komt hij aan, de grote dromer! 20Nu hebben we de kans. We vermoorden hem en gooien hem in een put. We kunnen zeggen dat een wild beest hem verslonden heeft. Dan
zullen we eens kijken wat er van zijn dromen terecht komt!’ 21Toen Ruben dit hoorde, probeerde hij hem uit hun handen te redden en zei: `We mogen hem niet doden.’ 22Ruben zei tot hen: `Vergiet toch geen bloed! Ginds in de steppe is een put; gooi hem daarin, maar sla niet de hand aan hem.’ Hij wilde hem uit hun handen redden en bij zijn vader terugbrengen. 23Zodra Jozef bij zijn broers kwam, trokken zij hem het kleed uit, het prachtige kleed dat hij droeg, 24grepen hem en wierpen hem in de put. De put was leeg en er stond geen water in. 25Terwijl ze zaten te eten, zagen zij ineens een karavaan van Ismaëlieten, die van Gilead kwam. De kamelen waren beladen met gom, balsem en hars; zij waren op weg naar Egypte om de

koopwaar daar af te leveren. 26Nu zei Juda tot zijn broers: `Wat hebben we eraan, die broer van ons te vermoorden en zijn bloed te bedekken! 27Laten wij hem liever aan de Ismaëlieten verkopen en niet de hand aan hem slaan; hij is toch een broer van ons, ons eigen vlees.’ Zijn broers stemden daarmee in. 28Toen Midjanitische kooplieden voorbijkwamen, trokken de broers Jozef uit de put en verkochten hem voor twintig sikkel zilver aan de Ismaëlieten. De kooplieden voerden Jozef naar Egypte. 29Toen Ruben weer bij de put kwam en merkte dat Jozef er niet meer in zat, scheurde hij zijn kleren. 30Hij kwam terug bij zijn broers en zei: `De jongen is weg! Wat moet ik nu beginnen?’ 31Zij namen het prachtige kleed van Jozef, slachtten een geitebokje en doopten het kleed in het bloed. 32Toen lieten zij het naar hun vader brengen met de boodschap: `Dit hebben we gevonden. Kijk eens goed. Is het misschien het kleed van uw zoon?’ 33Hij herkende het en zei: `Het is het kleed van mijn zoon; een wild dier heeft hem verslonden. Jozef is vast en zeker verscheurd.’ 34En Jakob scheurde zijn kleren, deed een zak om zijn lenden en treurde lange tijd om zijn zoon. 35Al zijn zonen en dochters deden hun best om hem te troosten, maar hij liet zich niet troosten en zei: `Treurend daal ik af naar mijn zoon in het dodenrijk.’ En zijn vader bleef hem bewenen. 36Intussen hadden de Midjanieten Jozef in Egypte verkocht aan een zekere Potifar, een hoveling van Farao, de overste van de lijfwacht.

Hoofdstuk 38

In die tijd trok Juda van zijn broers weg en nam zijn intrek bij een man in Adullam, Chira genaamd. 2Daar zag Juda een Kanaänitische, Sua geheten; hij huwde haar en had gemeenschap met haar. 3Zij werd zwanger, baarde een zoon en noemde hem Er. 4Zij werd opnieuw zwanger, baarde een zoon en noemde hem Onan. 5Daarop baarde zij nog een zoon en noemde hem Sela. Juda bevond zich te Kezib, toen zij Sela baarde. 6Juda koos voor Er, zijn eerstgeborene, een vrouw die Tamar heette. 7Maar Er, Juda’s eerstgeborene, was slecht in Jahwe’s ogen, zodat deze hem liet sterven. 8Toen zei Juda tot Onan: `Ga naar de vrouw van je broer, sluit met haar een zwagerhuwelijk en zorg dat je een kind verwekt voor je broer.’ 9Maar Onan wist dat dit kind niet van hem zou zijn; daarom liet hij, telkens als hij met de vrouw van zijn broer samen was, het zaad op de grond verloren gaan, om voor zijn broer geen kind te
verwekken. 10Zijn gedrag was slecht in Jahwe’s ogen, zodat deze ook hem liet sterven. 11Toen zei Juda tot zijn schoondochter Tamar: `Ga als weduwe naar het huis van je vader terug, totdat mijn zoon Sela volwassen is.’ Want hij dacht: `Anders sterft ook hij, net als zijn broers.’ Tamar ging dus naar het huis van haar vader terug. 12Geruime tijd later stierf Juda’s vrouw Batsua. Toen de rouwtijd voorbij was, ging Juda eens naar Timna op bezoek bij de scheerders van zijn schapen, samen met zijn vriend Chira, uit Adullam. 13Toen Tamar vernam dat haar schoonvader naar Timna kwam om de schapen te scheren, 14legde zij haar weduwendracht af, hulde zich in een sluier, parfumeerde zich en ging bij de Enaimpoort aan de weg naar Timna zitten. Want zij had gemerkt dat Juda haar niet aan Sela tot vrouw gaf, ofschoon die de volwassen leeftijd bereikt had. 15Toen Juda haar zag, hield hij haar voor een publieke vrouw, daar zij haar gezicht bedekt had. 16Hij ging naar haar toe, langs de weg, en vroeg: `Kan ik bij je terecht?’ Hij wist niet dat het zijn schoondochter was. Zij antwoordde: `Wat geeft u mij, als u bij me mag komen?’ 17Hij antwoordde: `Ik zal je een geitebokje van mijn kudde sturen.’ Zij antwoordde: `Geef mij dan een pand, tot u mij het bokje gestuurd hebt.’ 18Hij zei: `Wat voor een pand moet ik je geven?’ Zij gaf ten antwoord: `Uw zegel, uw snoer, en de staf die u bij u hebt.’ Hij gaf ze haar, had omgang met haar en zij werd zwanger. 19Daarop ging zij heen, legde haar sluier af en trok haar weduwendracht weer aan. 20Door bemiddeling van zijn vriend uit Adullam probeerde Juda de vrouw het geitebokje te doen toekomen, om het pand van haar terug te krijgen. Maar zijn vriend kon haar niet vinden. 21Hij deed navraag bij de inwoners van haar stad: `Waar is de publieke vrouw, die hier bij Enaim langs de weg zat?’ Maar zij antwoordden: `Er is hier geen publieke vrouw geweest.’ 22Toen hij bij Juda terugkwam, zei hij: `Ik heb haar niet kunnen vinden; en bovendien beweren de mensen uit de buurt dat daar geen publieke vrouw geweest is.’ 23Toen zei Juda: `Dan moet ze het pand maar houden; anders maken wij ons nog belachelijk. Ik heb geprobeerd haar het bokje te geven; maar je hebt haar nu eenmaal niet kunnen vinden.’ 24Ongeveer drie maanden later werd aan Juda meegedeeld: `Uw schoondochter Tamar heeft ontucht bedreven en ze is nu zwanger.’ Juda sprak: `Breng haar dan weg om verbrand te worden.’ 25Terwijl men haar wegbracht liet zij echter aan haar schoonvader zeggen: `Van de man, aan wie deze dingen behoren, ben ik zwanger.’ En zij voegde eraan toe: `Ga eens na van wie dit zegel, dit snoer en deze staf zijn.’ 26Juda herkende ze en zei: `Zij staat tegenover mij in haar recht, want ik heb haar niet aan mijn zoon Sela gegeven.’ Verder heeft Juda geen gemeenschap met haar gehad. 27Toen de tijd van de bevalling gekomen was, bleek er een tweeling in haar schoot te zijn. 28Tijdens het baren stak een van de beide kinderen een handje naar buiten; de vroedvrouw greep die, bond er een scharlaken draad omheen en zei: `Deze is het eerst gekomen.’ 29Maar het kind trok zijn hand terug, en toen kwam zijn broer tevoorschijn. Toen sprak zij: `Jij hebt voor een flinke bres gezorgd.’ Daarom noemde men hem Peres. 30Daarna kwam
zijn broer met de scharlaken draad om zijn hand. Hem noemde men Zerach.

Hoofdstuk 39

Jozef werd naar Egypte gebracht en de Egyptenaar Potifar, een hoveling van Farao, de overste van de lijfwacht, kocht hem van de Ismaëlieten, die hem daar gebracht hadden. 2Jahwe was met Jozef, zodat het hem zeer voorspoedig ging. Terwijl hij in het huis van zijn Egyptische meester woonde, 3zag deze dat Jahwe met hem was en hem in al zijn ondernemingen deed slagen. 4Daardoor kwam Jozef bij hem in de gunst en werd zijn naaste medewerker. Hij gaf hem het toezicht over zijn huis, en heel zijn bezit vertrouwde hij hem toe. 5Vanaf het ogenblik dat hij hem had aangesteld over zijn huis en over heel zijn bezit, zegende Jahwe het huis van de Egyptenaar omwille van Jozef, en Jahwe’s zegen rustte op alles wat hem toebehoorde, in huis en daarbuiten. 6Toen liet hij heel zijn bezit aan Jozef’s zorgen over; nu hij hem had bemoeide hij zich nergens meer mee dan met zijn eten. Jozef was mooi en welgebouwd. 7Het duurde niet lang of de vrouw van zijn meester kon haar ogen niet meer van Jozef afhouden. Zij vroeg hem: `Kom toch bij me liggen.’ 8Maar hij weigerde en antwoordde haar: `U weet toch dat mijn meester, nu ik in huis ben, zich nergens meer mee bemoeit en heel zijn bezit aan mij heeft toevertrouwd. 9Hier in huis is hij niet machtiger dan ik; niets heeft hij mij onthouden dan alleen u, zijn vrouw. Hoe zou ik dan dat grote kwaad kunnen bedrijven en zondigen tegen God?’ 10En ofschoon zij dag in dag uit bij Jozef bleef

aandringen, wilde hij niet ingaan op haar wens om bij haar te slapen en omgang met haar te hebben. 11Op zekere dag echter, toen hij het huis binnenkwam om zijn werk te doen, was er niemand anders in het huis. 12Toen greep zij hem bij zijn kleed en zei: `Kom toch bij me liggen.’ Maar hij liet zijn kleed in haar handen achter, ging op de vlucht en rende naar buiten. 13Toen het tot haar doordrong dat hij zijn kleed in haar handen had achtergelaten en naar buiten was gevlucht, 14riep zij haar huisgenoten en zei tot hen: ’Stel je voor, de Hebreeër die we nu in huis gekregen hebben, begint zich tegenover ons wel vrijpostig te gedragen. Hij kwam naar mij toe om met mij te slapen, maar ik begon hard te roepen. 15Toen hij hoorde dat ik begon te roepen, liet hij zijn kleed bij mij achter, sloeg op de vlucht en rende naar buiten.’ 16Daarop legde zij het kleed naast zich neer, totdat zijn meester thuis kwam. 17Ook aan hem deed zij hetzelfde verhaal en zei: `Die Hebreeuwse slaaf die jij in huis gehaald hebt, is met oneerbare bedoelingen naar mij toegekomen. 18Maar toen ik luidkeels begon te roepen, liet hij zijn kleed bij mij achter en vluchtte naar buiten.’ 19Toen de meester van zijn vrouw hoorde, hoe zijn slaaf haar behandeld had, werd hij woedend. 20Hij liet Jozef grijpen en in de gevangenis zetten, daar waar de gevangenen van de koning opgesloten zaten. Zo kwam Jozef daar in de gevangenis. 21Maar Jahwe was met Jozef. Hij bewees hem zijn goedheid door te zorgen dat hij bij het hoofd van de gevangenis in de gunst kwam. 22Deze vertrouwde allen die in de gevangenis zaten aan Jozef toe; alle werk dat daar verricht werd
gebeurde onder Jozefs verantwoordelijkheid. 23Het hoofd van de gevangenis hoefde geen zorg te hebben over datgene wat aan Jozef was toevertrouwd. Want Jahwe was met hem en deed hem slagen bij alles wat hij ondernam.

Hoofdstuk 40

Enige tijd daarna begingen zowel de schenker van de koning van Egypte als de bakker een misstap tegen hun heer, de koning van Egypte. 2Farao werd zo kwaad op zijn beide hovelingen, de opperschenker en de eerste van de bakkers, 3dat hij ze in hechtenis zette in het huis van de overste van de lijfwacht, in de gevangenis waar Jozef opgesloten zat. 4De overste van de lijfwacht wees Jozef aan om voor hen te zorgen. Ze bleven lange tijd in hechtenis. 5De schenker zowel als de bakker van de koning van Egypte, die in de gevangenis zaten opgesloten, hadden beiden in dezelfde nacht een droom, ieder zijn eigen droom met een eigen betekenis. 6Toen Jozef ’s morgens bij hen kwam, zag hij aanstonds dat ze somber gestemd waren. 7Hij vroeg de hovelingen van Farao, die met hem in het huis van zijn meester in hechtenis zaten: `Waarom kijkt u zo somber vandaag?’ 8Zij antwoordden hem: `Wij hebben een droom gehad, en er is niemand die hem kan uitleggen.’ Toen zei Jozef tot hen: `Alleen God kan uitleg geven. Laat mij de dromen eens horen.’ 9De opperschenker vertelde toen zijn droom aan Jozef en zei: `Ik zag in mijn droom een wijnstok, 10en aan die wijnstok drie ranken. Zodra hij begon uit te lopen, zette hij bloesem en droegen zijn trossen rijpe druiven. 11Ik had Farao’s beker in mijn hand, plukte de druiven, perste ze uit in de beker en reikte hem die aan.’ 12Toen zei Jozef: `Dit is de verklaring: De drie ranken zijn drie dagen. 13Over drie dagen zal Farao uw hoofd verheffen en u in uw ambt herstellen; dan zult u Farao opnieuw de beker reiken, zoals u deed toen u zijn schenker was.

14Maar als het u weer goed gaat, denk dan ook eens aan mij en bewijs ook mij een dienst; doe bij Farao een goed woord voor mij en zorg dat ik uit dit huis vandaan kom. 15Want ik ben met geweld weggesleept uit het land van de Hebreeën, en ik heb ook hier niets misdaan, waarvoor men mij in deze kerker moest opsluiten.’ 16Toen de eerste van de bakkers zag hoe gunstig de uitleg was, zei hij: `Ik heb ook een droom gehad. In die droom zag ik drie broodkorven op mijn hoofd. 17In de bovenste korf lagen spijzen voor Farao, allerlei soorten gebak; maar de vogels pikten alles weg uit de korf die ik op mijn hoofd droeg.’ 18Jozef antwoordde: `Dit is de verklaring: De drie korven zijn drie dagen. 19Over drie dagen zal Farao uw hoofd verheffen en u aan een paal hangen, en de vogels zullen uw vlees verslinden.’ 20Drie dagen later, op de verjaardag van Farao, richtte deze een feestmaal aan voor zijn hovelingen. Zowel van de opperschenker als van de eerste van de bakkers verhief hij het hoofd. 21De opperschenker herstelde hij in zijn ambt, om hem opnieuw de beker te reiken, 22maar de eerste van de bakkers hing hij op, volgens de uitleg die Jozef hun had gegeven. 23De opperschenker dacht echter niet meer aan Jozef; hij vergat hem gewoon.

Hoofdstuk 41
Twee jaar later kreeg Farao de volgende droom. Hij stond bij de Nijl 2en hij zag uit de Nijl zeven koeien omhoog komen, mooie welige dieren, die gingen grazen in het oevergras. 3Daarna kwamen zeven andere koeien uit de Nijl omhoog, lelijke, magere dieren; zij voegden zich bij de andere aan de oever van de Nijl. 4En de lelijke, magere dieren vraten de zeven mooie, welige op. Toen werd Farao wakker. 5Toen hij weer ingeslapen was, had hij opnieuw een droom. Uit een halm kwamen zeven zware, prachtige aren. 6Maar daarna groeiden zeven andere aren op, spichtig en door de oostenwind verzengd. 7En de spichtige aren slokten de zeven zware, volle aren op. Toen werd Farao wakker en hij begreep dat het een droom was geweest. 8De volgende morgen liet Farao, in hevige opwinding, alle geleerden van Egypte en alle wijzen uit het land bijeenroepen. Hij vertelde hun wat hij gedroomd had, maar er was niemand die uitleg kon geven. 9Toen sprak de opperschenker tot Farao: `Nu moet ik wel bekennen dat ik nalatig ben geweest. 10Indertijd is Farao vertoornd geweest op zijn hovelingen; hij heeft mij toen gevangen gezet in het huis van de overste van de lijfwacht, en samen met mij de eerste van de bakkers. 11In dezelfde nacht hadden wij beiden toen een droom, elk met een eigen betekenis. 12Nu was daar in ons gezelschap een jonge Hebreeër, een dienaar van de overste van de lijfwacht. Toen wij hem vertelden wat we gedroomd hadden, wist hij voor beide dromen de juiste uitleg te geven. 13En zoals hij het ons had uitgelegd, zo is het ook uitgekomen: ik ben in mijn ambt hersteld en hij is opgehangen.’ 14Toen liet Farao Jozef ontbieden. Men haalde hem haastig uit de kerker, en nadat hij geschoren was en andere kleren had aangetrokken begaf hij zich naar Farao. 15En Farao sprak tot Jozef: `Ik heb een droom gehad en niemand kan hem uitleggen. Nu heb ik horen vertellen, dat u, zodra u een droom hoort, er de uitleg van kunt geven.’ 16Jozef gaf Farao ten antwoord: `Uit mijzelf kan ik niets; maar God kan aan Farao bekend maken, wat goed voor hem is.’ 17Nu zei Farao tot Jozef: `In mijn droom

stond ik aan de oever van de Nijl, 18en zag zeven koeien, welige, mooie dieren, uit de Nijl omhoog komen. Zij gingen grazen in het oevergras. 19Daarna kwamen zeven andere koeien omhoog, lelijke magere scharminkels, zo lelijk als ik ze in heel Egypte nog nooit gezien heb. 20De magere, lelijke koeien vraten de zeven welige op. 21Nadat ze die hadden opgeslokt, was er niets van te merken; ze bleven er even erbarmelijk uitzien als tevoren. toen werd ik wakker. 22Nog iets anders zag ik in mijn droom. Uit een halm kwamen zeven aren op, vol en prachtig. 23Daarna schoten er zeven andere aren op, dor en spichtig en door de oostenwind verzengd. 24En de spichtige aren slokten de zeven prachtige aren op. Ik heb die dromen aan de geleerden verteld, maar niemand kan mij de uitleg geven.’ 25Toen sprak Jozef tot Farao: `De twee dromen van Farao betekenen hetzelfde. God heeft Farao aangekondigd wat hij gaat doen. 26De zeven vette koeien zijn zeven jaren; de zeven volle aren zijn eveneens zeven jaren. De dromen betekenen hetzelfde. 27Ook de zeven magere, lelijke koeien, die daarna omhoog kwamen, zijn zeven jaren; en
de zeven spichtige, door de oostenwind verzengde aren zijn eveneens zeven jaren, jaren van hongersnood. 28Ik heb al gezegd dat God daarmee aan Farao meedeelt wat hij gaat doen. 29Eerst komen er zeven jaren van overvloed in heel Egypte. 30Dan komen er zeven jaren van hongersnood, waarin heel de overvloed van Egypte vergeten raakt en hongersnood het land verteert. 31Zo groot zal de hongersnood zijn, dat er dan van de overvloed niets meer te bekennen valt. 32Dat Farao het twee keer gedroomd heeft, betekent dat Gods besluit onwrikbaar vaststaat en dat hij het spoedig ten uitvoer zal brengen. 33Laat Farao dus uitzien naar een verstandig en wijs man, en die aanstellen over heel Egypte. 34Farao moet maatregelen nemen en opzichters aanstellen in heel Egypte, om tijdens de zeven jaren van overvloed in heel het land een vijfde van de opbrengst te vorderen. 35Al het voedsel van de komende goede jaren moeten zij verzamelen. Onder het beheer van Farao moeten zij het koren opslaan in de steden en het goed bewaren. 36Dat voedsel kan dan in de behoefte van het land voorzien tijdens de zeven jaren van hongersnood die Egypte te wachten staan; zo zal het land niet van honger omkomen.’ 37Farao en al zijn hovelingen waren met dit plan zeer ingenomen. 38Hij vroeg zijn hovelingen: `Zou er wel iemand anders te vinden zijn die zo vervuld is van de geest van God als deze man?’ 39En Farao zei tot Jozef: `Aangezien God u al die dingen heeft bekend gemaakt, is er niemand zo verstandig en wijs als u. 40U zult dus de leiding over mijn huis krijgen en aan uw bevel zal heel mijn volk zich onderwerpen; alleen door mijn koningstroon zal ik uw meerdere zijn.’ 41Verder zei Farao tot Jozef: `Ik stel u hierbij aan over geheel Egypte.’ 42En hij trok de zegelring van zijn vinger, stak die aan Jozefs hand, liet hem linnen kleren aantrekken en hing een gouden keten om zijn hals. 43Toen liet hij hem op zijn tweede wagen plaats nemen en voor hem uitroepen: `Breng hulde!’ Zo stelde hij hem aan over geheel Egypte. 44En Farao zei tot Jozef: `Ik blijf Farao, maar buiten u om zal niemand in heel Egypte een hand verroeren of een voet verzetten.’ 45Hij gaf Jozef de naam Safenat-paneach, en Asenat, de dochter van Potifera, een priester van On, gaf hij hem tot vrouw. Zo kreeg Jozef volmacht over heel Egypte. 46Jozef was dertig jaar, toen hij bij Farao, de koning van Egypte, in dienst kwam. Jozef verliet het paleis van Farao en trok Egypte door. 47In de zeven jaren van overvloed was de oogst in het land overstelpend groot. 48In de zeven jaren dat er overvloed was in Egypte, verzamelde Jozef alle mogelijke levensmiddelen; in elke stad sloeg hij het voedsel op dat de velden rondom die stad opbrachten. 49Jozef hoopte het koren op als het zand aan de zee; het was zo’n overvloed dat men ophield met meten; er was geen meten meer aan. 50Voordat het eerste jaar van de hongersnood kwam, kreeg Jozef twee zonen; het waren de kinderen die Asenat, dochter van Potifera, de priester van On, hem schonk. 51Jozef noemde de eerstgeborene Manasse, want hij zei: `Al mijn ellende en het gemis van mijn hele familie heeft God mij doen vergeten.’ 52De tweede noemde hij Efraim, want hij zei: `God heeft mij vruchtbaar gemaakt in het land van mijn ongeluk.’ 53Toen de zeven
jaren van overvloed in Egypte verstreken waren, 54braken de zeven jaren van hongersnood aan, juist zoals Jozef voorspeld had. In alle landen werd honger geleden, maar in Egypte was overal voedsel. 55toen ook heel Egypte honger kreeg en het volk Farao om brood smeekte, zei Farao tot alle Egyptenaren: `Ga maar naar Jozef en doe wat hij u zeggen zal.’ 56Toen er honger was in heel het land, stelde Jozef de hele voorraad koren ter beschikking en verkocht het aan de Egyptenaren, naarmate de honger in Egypte nijpender werd. 57Uit alle landen kwam men naar Egypte om bij Jozef graan te kopen; want de hongersnood woedde hevig in de hele wereld.

Hoofdstuk 42

Toen ook Jakob hoorde dat er in Egypte graan te krijgen was, zei hij tot zijn zonen: `Wat zitten jullie elkaar aan te kijken? 2Ik heb gehoord dat er in Egypte graan te krijgen is. Ga daar toch heen om graan te kopen, zodat wij in leven blijven en niet sterven.’ 3Zo gingen tien broers van Jozef op weg om in Egypte graan te kopen. 4Alleen Benjamin, de broer van Jozef, liet Jakob niet met zijn broers meegaan, want, dacht hij: `Er mocht hem eens een ongeluk overkomen.’ 5Zo kwamen Israëls zonen graan kopen, evenals vele anderen: want er heerste hongersnood in Kanaän. 6Jozef was degene die toen het land bestuurde en aan al de bewoners graan verkocht; naar hem gingen de broers van Jozef dus toe en zij bogen voor hem tot op de grond. 7Zodra Jozef zijn broers zag, herkende hij hen, maar hij maakte zich niet aan hen bekend. Op strenge toon sprak hij hen toe: `Waar komt u vandaan?’ Zij antwoordden: `Uit Kanaän, om graan te kopen.’ 8Jozef had zijn broers wel herkend, maar zij hem niet. 9Denkend aan zijn dromen over hen, zei Jozef: ’U bent spionnen; u probeert te weten te komen waar het land open en onbeschermd ligt.’ 10Zij gaven hem ten antwoord: ’Geen sprake van, heer: uw dienaren komen voedsel kopen. 11Wij zijn allen zonen van een man en wij zijn betrouwbare mensen; uw dienaren zijn geen spionnen.’ 12Maar hij zei tot hen: `Neen, neen! U probeert te weten te komen waar het land open en onbeschermd ligt.’ 13Zij antwoordden: `Uw dienaren waren met zijn twaalven. Wij zijn broers, zonen van een man in Kanaän; de jongste is bij vader gebleven, en een is er niet meer.’ 14Nu zei Jozef tot hen: `Ik blijf bij wat ik gezegd heb: U bent spionnen. 15Maar op een manier kan uw betrouwbaarheid blijken: Bij het leven van Farao, u komt hier niet vandaan, tenzij uw jongste broer hier verschijnt. 16Laat dus een van u die broer gaan halen; ondertussen blijven de anderen hier als gevangenen. Zo zal komen vast te staan of u inderdaad de waarheid spreekt. Zo niet, bij het leven van Farao, dan bent u spionnen.’ 17Daarop liet hij ze voor drie dagen gevangen zetten. 18Op de derde dag zei Jozef tot hen: `Als u in leven wilt blijven, doe dan wat ik nu ga zeggen, want ik ben een godvrezend man. 19Als u betrouwbaar

bent, laat een van uw broers dan achter in het huis waar u gevangen hebt gezeten; de anderen kunnen gaan en graan meenemen voor de honger van uw gezinnen; 20maar u moet uw jongste broer bij mij brengen. Dan zal de waarheid van uw woorden blijken en zult u niet sterven.’ Dat deden
zij. 21Ze zeiden tot elkaar: `Helaas, wij hebben dit aan onze broer verdiend. Wij zagen hoe hij angstig om genade smeekte, maar wij hebben niet willen luisteren. Daarom treft ons dit ongeluk.’ 22En Ruben zei: `Ik had jullie toch gezegd, je niet aan de jongen te vergrijpen; maar jullie hebt niet willen luisteren. En nu zien we hoe zijn bloed wordt teruggeëist.’ 23Omdat zij zich van een tolk bedienden wisten zij niet dat Jozef hen verstond. 24Hij wendde zich van hen af, en de tranen sprongen hem in de ogen. Maar daarna kwam hij bij hen terug en zette het gesprek met hen voort. Een van hen, Simeon, liet hij grijpen en voor hun ogen in boeien slaan. 25Nu gaf hij bevel hun zakken met graan te vullen maar in iedere zak het geld terug te leggen, en hun voor onderweg proviand mee te geven. Zo gebeurde het ook. 26Zij laadden het graan op de ezels en gingen op weg. 27Toen een van hen op de plaats waar zij overnachtten zijn zak openmaakte om zijn ezel te voeren, zag hij het geld zo maar boven in de zak liggen. 28Hij zei tot zijn broers: `Ik heb mijn geld terug; kijk maar, het ligt in mijn zak.’ Zij stonden verslagen, en angstig zeiden zij tot elkaar: `Waarom heeft God zo met ons gedaan?’ 29Toen zij bij hun vader Jakob in Kanaän terugkwamen, vertelden zij hem alles wat hun overkomen was. Zij zeiden: 30`Die man, de heer van het land, heeft ons bars toegesproken en ons voor spionnen uitgemaakt. 31Wij hebben hem geantwoord: Wij zijn betrouwbare mensen en geen spionnen. 32We zijn met zijn twaalven geweest, broers van elkaar en zonen van een vader, een van ons is er niet meer en de jongste is bij vader in Kanaän gebleven. 33Maar de man die het land bestuurt, heeft ons gezegd: Om te bewijzen dat u te vertrouwen bent moet u een van uw broers bij mij achterlaten. U kunt voedsel meenemen voor de honger van uw gezinnen, 34maar u moet uw jongste broer bij mij brengen. Dan ben ik er zeker van, dat u geen spionnen bent, maar betrouwbare mensen. Dan zal ik uw broer teruggeven en zult u vrij door het land mogen trekken.’ 35Toen zij dan hun zakken leegmaakten, vond ieder zijn buidel met geld in zijn zak; en toen zij en hun vader de buidels met geld zagen, werden zij bang. 36Hun vader Jakob zei tot hen: `Jullie maken mij kinderloos. Jozef is weg, Simeon is weg, en nu willen jullie Benjamin meenemen. Dat mij dat allemaal moet overkomen!’ 37Maar nu zei Ruben tot zijn vader: `U mag mijn beide zonen doden, als ik Benjamin niet bij u terugbreng. Vertrouw hem aan mij toe, en ik zal hem bij u terugbrengen.’ 38Maar hij gaf ten antwoord: `Mijn zoon gaat niet met jullie mee; zijn broer is al dood, en hij is de enige die ik nog over heb. Wanneer hem onderweg een ongeluk overkomt, zouden jullie de grijsaard die ik ben jammerend in het dodenrijk doen neerdalen.’

Hoofdstuk 43

De hongersnood bleef het land zwaar teisteren. 2Zodra zij het graan uit Egypte opgemaakt hadden, zei hun vader: `Jullie moeten nog eens proberen wat voedsel te kopen.’ 3Juda antwoordde: `Die man heeft ons uitdrukkelijk gewaarschuwd: Kom mij niet onder ogen zonder uw broer. 4Als u dus onze broer met ons laat meegaan, zullen wij voedsel gaan kopen, 5maar als u hem niet mee laat gaan, vertrekken wij niet. Want die

man heeft ons gezegd: Kom mij niet onder ogen zonder uw broer.’ 6Israël

antwoordde: `Waarom hebben jullie het mij zo moeilijk gemaakt door aan die man te vertellen dat je nog een broer hebt?’ 7Zij antwoordden: `Die man stelde ons allerlei vragen over onszelf en over onze familie. Hij vroeg: Leeft uw vader nog? Hebt u geen andere broer meer? Wij hebben hem alles naar waarheid verteld. Konden wij soms weten dat hij zou zeggen: Breng uw broer hier?’ 8Juda zei tot zijn vader Israël: `Laat de jongen gerust met mij meegaan en laat ons alstublieft vertrekken, dan blijven wij tenminste in leven en sterven wij niet met zijn allen, wij, uzelf en onze kleine kinderen. 9Ik blijf borg voor hem: van mij moogt u hem terugeisen. Als ik hem niet bij u terugbreng en weer voor u plaats, sta ik mijn verdere leven bij u in de schuld. 10Als wij niet zo lang gewacht hadden, waren wij al weer terug geweest.’ 11Toen zei hun vader Israël: `Als het niet anders kan, doe het dan zo: Neem het beste van het land in je zakken mee en bied het die man als geschenk aan: gom en honing, parfum en hars, pimpernoten en amandelen. 12Neem ook twee keer zoveel geld mee, want ook het geld dat in je zakken teruggelegd was moet je mee terugnemen; misschien was het een vergissing. 13En neem ook je broer dan maar mee, en ga opnieuw naar die man toe. 14God Almachtig moge zorgen dat die man jullie goed ontvangt en dat hij je andere broer en Benjamin met jullie laat terugkeren. Als ik mijn kinderen toch moet verliezen, dan moet het maar zo zijn!’ 15Met de geschenken, met de dubbele som geld en ook met Benjamin trokken de mannen naar Egypte. Zij werden door Jozef ontvangen, 16en toen deze zag dat Benjamin er ook bij was, zei hij tot zijn hofmeester: `Breng die mannen naar mijn huis, laat het nodige slachten en toebereiden, want zij zijn vanmiddag mijn gasten.’ 17De hofmeester deed wat Jozef hem opgedragen had en bracht de bezoekers naar diens paleis. 18Maar de mannen werden bang, omdat zij naar het paleis van Jozef gebracht werden, en zeiden: `Ze houden ons hier vanwege het geld dat de vorige keer in onze zakken terechtgekomen is; ze willen ons overrompelen en overvallen, ons tot slaven maken en onze ezels in beslag nemen.’ 19Zij gingen dus naar de hofmeester van Jozef toe en spraken hem aan bij de ingang van het paleis. 20Zij zeiden hem: `Met uw verlof, heer, wij zijn hier al eerder geweest om voedsel te kopen. 21Maar toen wij ergens overnachtten en onze zakken opendeden, lag daar ieders geld boven in de zak, bij elk van ons het volle bedrag. Dat hebben wij nu mee teruggebracht, 22en bovendien hebben wij ander geld meegenomen om voedsel te kopen. Wij weten niet wie dat geld in onze zakken gestopt heeft.’ 23Hij antwoordde: `Alles is in orde: wees maar niet bang. Uw God en de God van uw vader heeft een schat in uw zakken verborgen; uw geld heb ik wel degelijk ontvangen.’ Hij bracht Simeon bij hen. 24Toen leidde hij hen het paleis van Jozef binnen, gaf hun water om zich de voeten te wassen en liet voer halen voor de ezels. 25Zij legden daarop hun geschenken gereed en bleven wachten tot Jozef ’s middags thuiskwam, want zij hadden vernomen dat zij daar zouden blijven eten. 26Toen Jozef binnenkwam, boden zij hem de geschenken aan die ze bij zich hadden en bogen zich voor hem neer tot op de grond. 27Hij vroeg hoe het met hen ging en zei: `Hoe maakt het uw oude vader, over wie u mij gesproken hebt? Is hij nog goed gezond?’ 28Zij antwoordden: `Onze vader, uw dienaar, maakt het goed en is nog gezond.’ Daarop knielden zij en bogen zich neer. 29Toen hij rondzag en zijn jongste broer Benjamin bemerkte, de zoon van zijn moeder, zei hij: `En dat is dan uw jongste broer, over wie u mij gesproken hebt?’ En hij zei: `God zij u genadig, mijn zoon.’ 30Toen trok Jozef zich haastig terug, want zijn hart was geroerd bij het zien van zijn broer en hij zocht een gelegenheid om zijn tranen de vrije loop te laten. Hij begaf zich naar zijn kamer en huilde daar uit. 31voor hij de kamer verliet, waste hij zijn gezicht. Hij was zijn ontroering nu meester en beval de maaltijd op te dienen. 32Men diende afzonderlijk op voor Jozef, afzonderlijk voor zijn broers en afzonderlijk voor de Egyptenaren die bij hem te gast waren, want het is de Egyptenaren niet mogelijk met Hebreeën samen te eten; zij hebben daar een afkeer van. 33Toen de mannen, van de eerstgeborene af tot de jongste toe, op Jozefs aanwijzing een plaats kregen, precies volgens hun leeftijd, keken zij elkaar verwonderd aan. 34Men gaf hun van de gerechten die op Jozefs tafel stonden, maar de portie van Benjamin was vijfmaal zo groot als die van de anderen. Zij dronken met hem en werden vrolijk.

Hoofdstuk 44

Daarop gaf Jozef aan zijn hofmeester deze opdracht: `Laat de zakken van die mannen met voedsel vullen, zoveel zij kunnen vervoeren, en leg bij ieder het geld boven in de zak. 2Mijn eigen zilveren beker moet u boven in de zak van de jongste verbergen, bij het geld voor het graan.’ De hofmeester deed wat Jozef hem opgedragen had. 3De volgende ochtend liet men de mannen met hun ezels vertrekken. 4Zij waren echter nog niet ver buiten de stad, of Jozef zei tot zijn hofmeester: `Ga vlug achter die mannen aan en als u ze ingehaald hebt, moet u zeggen: Waarom vergeldt u mij goed met kwaad? Waarom hebt u mijn zilveren beker gestolen?

5Het is nog wel die, waar mijn heer uit drinkt, en waarin hij de toekomst schouwt. Daar hebt u geen goed aan gedaan!’ 6Toen de hofmeester hen had ingehaald, zei hij alles wat hem opgedragen was. 7Zij gaven ten antwoord: `Hoe is het mogelijk dat mijn heer zoiets kan zeggen? Uw dienaren zouden er nooit aan denken zoiets te doen! 8Wij hebben immers het geld dat wij boven in onze zakken gevonden hadden, uit Kanaän teruggebracht; hoe kunt u dan denken dat wij zilver of goud stelen uit het huis van uw heer? 9Als er bij een van uw dienaren iets wordt gevonden, zal hij sterven en zullen wij de slaven zijn van uw heer.’ 10Toen zei hij: `Goed, het zal gebeuren zoals u zegt. Degene bij wie de beker gevonden wordt, zal mijn slaaf zijn; maar de overigen gaan vrij uit.’ 11Ieder van hen haastte zich zijn zak op de grond te zetten en deed die open. 12Hij controleerde ze, te beginnen bij de oudste en eindigend bij de jongste. In de zak van Benjamin werd de beker ontdekt. 13Zij scheurden allen hun kleren, laadden hun zakken weer op de ezels en keerden naar de stad terug. 14Toen Juda en zijn broers in het paleis kwamen, waar Jozef nog
aanwezig was, wierpen zij zich voorover op de grond. 15Jozef vroeg hun: `Waarom hebt u dat nu gedaan? Begrijpt u dan niet dat een man als ik verborgen dingen achterhaalt?’ 16Juda antwoordde: `Wat kunnen wij tot onze heer zeggen, wat kunnen wij aanvoeren en hoe kunnen wij ons zelf rechtvaardigen? God heeft de schuld van uw dienaren aan het licht gebracht. Wij zijn dus de slaven van mijn heer, wij allen, samen met hem bij wie de beker gevonden is.’ 17Maar hij antwoordde: `Dat in geen geval! Alleen de man bij wie de beker gevonden is, zal mijn slaaf zijn. De overigen kunnen ongedeerd naar hun vader terugkeren.’ 18Nu trad Juda op hem toe en zei: `Heer, sta uw dienaar toe een enkel woord tot u te richten, zonder dat u kwaad wordt op uw dienaar, want u bent de gelijke van Farao. 19Mijn heer heeft aan zijn dienaren gevraagd: Hebt u nog een vader en een broer? 20Wij hebben toen onze heer geantwoord: Wij

hebben een oude vader en er is nog een jonge zoon, die in diens ouderdom geboren is. Omdat zijn broer gestorven is, is hij de enig overgeblevene van zijn moeder, en zijn vader heeft hem lief. 21Toen hebt u tot uw dienaren gezegd: Breng hem bij mij, dat ik hem kan zien. 22Wij hebben onze heer geantwoord: De jongen kan zijn vader niet alleen laten; zijn vader zou sterven als hij door hem alleen gelaten werd. 23Maar u hebt tot uw dienaren gezegd: Als uw jongste broer niet met u meekomt, hoeft u mij niet meer onder ogen te komen. 24We zijn naar uw dienaar, onze vader, teruggekeerd en hebben hem verteld wat mijn heer gezegd heeft. 25En toen onze vader vroeg, opnieuw voedsel te gaan kopen, 26hebben wij geantwoord: Zo kunnen wij niet gaan. Alleen als onze jongste broer met ons meegaat, zullen wij vertrekken; want wij kunnen die man niet onder ogen komen, als onze jongste broer niet bij ons is. 27Toen zei uw dienaar, onze vader, tot ons: Jullie weten dat mijn vrouw mij maar twee zonen geschonken heeft. 28De ene is van mij weggegaan, en ik moet wel aannemen dat hij is verscheurd, want ik heb hem tot nog toe niet weergezien. 29Als jullie ook deze nog van mij wegnemen, en er zou hem een dodelijk ongeluk overkomen, dan zouden jullie de grijsaard die ik ben jammerend in het dodenrijk doen neerdalen. 30Wanneer ik dus bij uw dienaar, mijn vader, terugkom zonder de jongen, aan wie hij zo gehecht is, 31dan zal hij sterven, zodra hij ziet dat de jongen niet bij ons is. Dan zijn uw dienaren de oorzaak dat onze vader, uw dienaar, jammerend in het dodenrijk neerdaalt. 32Uw dienaar is bij mijn vader borg gebleven voor de jongen en heeft hem verzekerd: Als ik hem niet bij u terugbreng, sta ik mijn leven lang bij u in de schuld. 33Laat dus uw dienaar als slaaf van mijn heer achterblijven in plaats van deze jongen; maar laat hem terugkeren met zijn andere broers. 34Hoe zou ik zonder de jongen bij mijn vader durven terugkomen? Het leed dat mijn vader dan treft, zou ik niet kunnen aanzien.’

Hoofdstuk 45

Nu kon Jozef zich voor de overige omstanders niet langer goedhouden en hij riep uit: `Stuur iedereen weg.’ Zo was er niemand meer bij, toen Jozef zich aan zijn broers bekend maakte. 2Hij huilde zo luid, dat de
Egyptenaren het hoorden; ook in het huis van Farao werd het bekend. 3Jozef zei tot zijn broers: ’Ik ben Jozef. Maakt vader het nog goed?’ Maar zijn broers konden geen woord uitbrengen, zo ontsteld waren zij over hem. 4Jozef echter zei tot zijn broers: `Kom toch dichterbij.’ Toen ze dichterbij gekomen waren, zei hij: `Ik ben Jozef, de broer die jullie naar Egypte verkocht hebben. 5Je hoeft niet zo terneergeslagen te zijn en jezelf niet meer te verwijten dat jullie mij hierheen verkocht hebben, want God heeft mij voor jullie uitgezonden om jullie in leven te houden. 6Er heerst nu al twee jaar hongersnood in het land en er komen nog vijf jaren dat het ploegen geen oogst oplevert. 7God heeft mij vooruit gezonden, om jullie voortbestaan op aarde te verzekeren en om velen het leven te redden. 8Niet jullie hebben mij hier gebracht, maar God zelf. Hij heeft mij tot een vader voor Farao gemaakt, tot heer over heel zijn huis en tot heerser over heel Egypte. 9Ga haastig naar mijn vader en zeg hem: Zo spreekt uw zoon Jozef: God heeft mij aangesteld tot heer over heel Egypte; kom zonder uitstel naar mij toe. 10U kunt zich in Gosen vestigen; dan zult u

dicht bij mij wonen, samen met uw kinderen en kleinkinderen, uw schapen en runderen en uw hele bezit. 11Ik zal zorgen, dat u daar niets te kort komt, want er komen nog vijf jaren van hongersnood; dan zult u niet tot armoede vervallen, noch uw familie of iemand van de uwen. 12Jullie hier en mijn broer Benjamin zien zelf dat ik in eigen persoon tot jullie spreek. 13Ga dus mijn vader vertellen hoe groot het aanzien is dat ik in Egypte geniet, en wat jullie allemaal is overkomen. Breng hem dan zo spoedig mogelijk hier.’ 14Hij viel zijn broer Benjamin schreiend om de hals, en ook zijn broer Benjamin schreide terwijl hij hem omhelsde. 15Hij kuste zijn andere broers en schreide toen hij ze omhelsde. Toen pas durfden zijn broers met hem spreken. 16Toen het nieuws van de komst van Jozefs broers in het paleis van Farao was doorgedrongen, was er grote blijdschap bij hem en bij zijn hof. 17En Farao zei tot Jozef: `Geef uw broers de volgende opdracht: Zadel de dieren, ga naar Kanaän, 18om uw vader en uw gezinnen te halen, en kom dan naar mij toe. Ik zal u het beste van Egypte schenken, en u zult eten van het vette van het land. 19Dring bij hen ook op het volgende aan: Neem uit Egypte wagens mee voor uw kleine kinderen en voor uw vrouwen; u moet er ook uw vader mee vervoeren en hierheen komen. 20Maak u geen zorgen om uw huisraad, want het beste van heel Egypte staat tot uw beschikking.’ 21Zo deden de zonen van Israël. Jozef gaf hun op bevel van Farao wagens en proviand voor de reis. 22Aan elk van hen gaf hij een stel nieuwe kleren; maar aan Benjamin schonk hij driehonderd zilverstukken en vijf stel nieuwe kleren. 23Aan zijn vader zond hij eveneens geschenken: tien ezels, beladen met de beste gaven van Egypte, en tien ezelinnen, beladen met graan, brood en spijzen, als proviand voor zijn vader. 24Zo liet hij dan zijn broers vertrekken en bij het afscheid zei hij tot hen: `Maak je onderweg geen zorgen.’ 25Zij vertrokken uit Egypte en kwamen in Kanaän bij hun vader Jakob. 26Toen zij hem vertelden: `Jozef leeft nog, en hij is heerser over heel Egypte’, bleef hij bij dat nieuws onbewogen; hij kon het niet geloven.
27Toen zij hem echter meedeelden wat Jozef hun gezegd had, en toen hij de wagens zag die Jozef gestuurd had, en toen hij de wagens zag die Jozef gestuurd had om hem naar Egypte te brengen, leefde de geest van hun vader Jakob weer op. 28En Israël sprak: `Genoeg! Mijn zoon Jozef leeft nog: Ik wil naar hem toe en hem zien, voor ik doodga!’

Hoofdstuk 46

Toen ging Israël op weg met al de zijnen. Hij kwam in Berseba en droeg daar slachtoffers op aan de God van zijn vader Isaak. 2En God sprak tot Israël in een nachtelijk visioen: `Jakob, Jakob!’ Hij antwoordde: `Hier ben ik.’ 3God zei: `Ik ben God, de God van uw vader. Gij moet er niet tegen opzien naar Egypte te trekken; want Ik zal daar een groot volk van u maken. 4Ikzelf zal u naar Egypte vergezellen en Ik zal u ook weer terugbrengen. Jozef zal u de ogen sluiten.’ 5Toen verliet Jakob Berseba, Israëls zonen lieten hun vader Jakob, hun kleine kinderen en hun vrouwen reizen op de wagens die Farao daarvoor had meegegeven. 6Ook hun veestapel en hun bezittingen namen ze mee, al wat ze in Kanaän verworven hadden. Zo trok Jakob met al zijn nakomelingen naar Egypte. 7Zijn zonen en kleinzonen, zijn dochters en kleindochters, al zijn nakomelingen nam hij mee naar Egypte. 8Dit zijn de namen van de zonen van Israël, die naar Egypte trokken, Jakob en zijn zonen. Jakobs oudste

zoon was Ruben. 9Rubens zonen waren Chanok, Pallu, Chesron en Karmi. 10Zonen van Simeon waren Jemuël, Jamin, Ohad, Jakin, Sochar en Saul, de zoon van een Kanaänitische vrouw. 11Zonen van Levi waren Gerson, Kehat en Merari. 12Zonen van Juda waren Er, Onan, Sela, Peres en Zerach. Er en Onan waren in Kanaän gestorven. Zonen van Peres waren Chesron en Chamul. 13Zonen van Issakar waren Tola, Puwwa, Job en Simron. 14Zonen van Zebulon waren Sered, Elon en Jachleel. 15Dat waren de zonen die Lea in Paddan-aram aan Jakob geschonken had; verder was er nog zijn dochter Dina. Samen waren het drieëndertig zonen en dochters. 16Zonen van Gad waren Sifjon, Chaggi, Suni, Esbon, Eri, Arodi en Areli. 17Zonen van Aser waren Jimma, Jiswa, Jiswi en Beria; hun zuster was Serach. Zonen van Beria waren Cheber en Malkiel. 18Dat waren de zonen van Zilpa, die Laban aan zijn dochter Lea gegeven had; zij schonk hen aan Jakob. Het waren er zestien. 19Zonen van Jakobs vrouw Rachel waren Jozef en Benjamin. 20Jozef kreeg in Egypte de zonen die Asenat, dochter van Potifera, de priester van On, hem schonk: Manasse en Efraim. 21Zonen van Benjamin waren Bela, Beker, Asbel, Gera, Naaman, Echi, Ros, Muppim, Chuppim en Ard. 22Dat waren de zonen die Jakob bij Rachel kreeg, samen waren het er veertien. 23Zoon van Dan was Chusim. 24Zonen van Naftali waren Jachseel, Guni, Jeser en Sillem. 25Dat waren de zonen van Bilha, die Laban aan zijn dochter Rachel had gegeven. Deze zonen had zij Jakob geschonken, samen zeven. 26De rechtstreekse afstammelingen van Jakob die met hem naar Egypte trokken – de vrouwen van Jakobs zonen worden dan niet meegerekend -, waren zesenzestig in getal. 27Daarbij komen nog de twee zonen van Jozef, die deze in Egypte gekregen had. De familie van Jakob
die naar Egypte ging bestond uit zeventig personen. 28Jakob stuurde Juda naar Jozef met het verzoek, in Gosen bij hem te komen. Toen zij in Gosen aangekomen waren, 29liet Jozef zijn wagen inspannen en reed naar Gosen om zijn vader Israël te begroeten. Toen hij hem ontmoette, viel hij hem om de hals en bleef lange tijd op zijn schouders schreien. 30Israël sprak tot Jozef: `Laat de dood nu maar komen! Ik heb jou nu weer gezien en weet dat je nog leeft!’ 31Daarop zei Jozef tot zijn broers en de familie van zijn vader: `Ik zal Farao gaan zeggen: Mijn broers en de familie van mijn vader, die in Kanaän woonden, zijn bij mij aangekomen. 32Het zijn schaapherders en veehouders; hun schapen en runderen en heel hun bezit hebben zij meegebracht. 33Als Farao jullie ontbiedt en naar je beroep vraagt, 34moeten jullie dus antwoorden: Uw dienaren zijn van jongs af veehouders geweest, evenals hun voorvaderen. Dan krijgen jullie wel verlof om in Gosen te gaan wonen; want de Egyptenaren hebben een afkeer van alles wat schaapherder is.’

Hoofdstuk 47

Jozef ging dus aan Farao melden: `Mijn vader en mijn broers zijn met hun schapen en runderen en met hun hele bezit uit Kanaän aangekomen en bevinden zich nu in Gosen.’ 2Hij had vijf van zijn broers meegenomen en stelde hen aan Farao voor. 3Farao vroeg aan zijn broers: `Wat is uw beroep?’ Ze gaven hem ten antwoord: `Uw dienaren zijn schaapherders, evenals hun voorvaderen.’ 4Ze zeiden tot Farao: `Wij zijn gekomen omdat wij hoopten in dit land gastvrijheid te vinden. Want in Kanaän is geen weidegrond meer voor het vee van uw dienaren, omdat er grote

hongersnood heerst. Uw dienaren zouden daarom graag in Gosen willen gaan wonen.’ 5Daarop sprak Farao tot Jozef: `Uw broers en uw vader zijn nu bij u aangekomen. 6Egypte staat tot uw beschikking. Laat uw vader en uw broers in het beste deel van het land wonen en zich in Gosen vestigen. Ziet u bekwame mannen onder hen, dan moet u die aanstellen over mijn eigen veestapel.’ 7Jozef liet zijn vader Jakob halen en stelde hem aan Farao voor. Nadat Jakob Farao met een zegenwens begroet had, 8zei deze tot Jakob: `Hoe oud bent u?’ 9Jakob gaf ten antwoord: `Honderddertig jaar duurt mijn zwerven; mijn levensdagen zijn kort en ongelukkig geweest en ik ben nog niet zo oud als mijn voorvaderen in hun tijd.’ 10Toen nam Jakob afscheid van Farao en trok zich terug. 11Jozef wees zijn vader en zijn broers een woonplaats aan en volgens de wens van Farao schonk hij hun een stuk grond, in het beste deel van Egypte, in het gebied van Ramses. 12Jozef voorzag zijn vader en broers en heel de familie van voedsel tot de kleine kinderen toe. 13Door de zware hongersnood was er nergens in het land nog brood, en zowel Egypte als Kanaän raakten uitgeput van de honger. 14Door de graanverkoop kreeg Jozef al het geld in handen, dat zowel in Egypte als in Kanaän te vinden was, en hij stortte dat in de schatkist van het paleis. 15Toen al het geld in Egypte en Kanaän op was, kwamen de Egyptenaren bij Jozef en zeiden: `Geef ons brood! Moeten wij onder uw ogen sterven? Ons geld is op!’ 16Jozef antwoordde: `Als u geen geld meer hebt, geef dan uw vee maar;
in ruil daarvoor geef ik u dan brood.’ 17Zij brachten dus hun kudden bij Jozef; en deze gaf brood in ruil voor hun paarden, hun schapen en hun ezels. Hij voorzag de mensen dat jaar van brood, in ruil voor al hun kudden. 18Toen dat jaar om was, kwamen ze het volgend jaar opnieuw naar hem toe en zeiden: `Wij behoeven voor onze heer niet te verhelen dat ons geld op is en dat onze veestapel in zijn bezit is overgegaan; wij kunnen onze heer alleen nog onszelf en onze grond aanbieden.

19Moeten wij onder uw ogen ontkomen, met grond en al? Neem onszelf en onze grond in ruil voor brood; met grond en al willen wij Farao dienstbaar zijn. Geef ons zaaigoed, dan zullen wij in leven blijven en niet sterven, en zal ook de grond niet onvruchtbaar worden.’ 20Toen kocht Jozef al de grond van Egypte voor Farao op, want door de honger gedreven, deden alle Egyptenaren hun landerijen van de hand. Zo kwam het hele land in Farao’s bezit, 21en bracht Jozef ook het volk in zijn dienst, van het ene eind van Egypte tot het andere. 22Alleen de grond van de priesters kon hij niet opkopen, want de priesters beschikten over een vaste toelage van Farao, en omdat ze konden leven van de toelage die Farao hun schonk, hoefden zij hun grond niet te verkopen. 23Nu zei Jozef tot het volk: `Ik heb nu u zelf en uw grond voor Farao gekocht; hier is zaaigoed om het land te bezaaien. 24Van de opbrengst moet u een vijfde aan Farao afstaan; vier vijfde kunt u zelf houden als zaad voor uw akkers en als voedsel voor uzelf, uw familie en uw kinderen.’ 25En zij zeiden: `U hebt ons het leven gered. Blijf ons uw gunst schenken, heer, wij zullen Farao dienstbaar zijn.’ 26Zo vaardigde Jozef de wet uit die hedentendage voor het akkerland van Egypte geldt, dat namelijk een vijfde voor Farao is. Alleen de grond van de priesters kwam niet in Farao’s bezit. 27Israël vestigde zich in Egypte, in Gosen. Zij kregen daar vaste bezittingen, waren vruchtbaar en werden zeer talrijk. 28Jakob leefde nog zeventien jaar in Egypte, zodat hij honderdzevenenveertig jaar oud werd. 29Toen het ogenblik van zijn dood naderde, liet Israël zijn zoon Jozef roepen en zei hem: `Als ik een beroep mag doen op je genegenheid, zweer dan met je hand onder mijn heup dat je mij dit blijk van trouwe liefde zult schenken: begraaf mij niet in Egypte, 30maar laat mij rusten bij mijn vaderen. Je moet mij uit Egypte overbrengen en in hun graf begraven.’ Hij antwoordde: `Ik zal doen wat u vraagt.’ 31Hij drong aan: `Zweer het mij.’ Hij zwoer het hem en Israël boog zich neer aan het hoofdeinde van het bed.

Hoofdstuk 48

Enige tijd daarna ontving Jozef bericht: `Uw vader is ziek.’ Hij ging met zijn zonen Manasse en Efraim naar hem toe. 2En toen men Jakob zei: `Uw zoon Jozef is gekomen,’ verzamelde Israël al zijn krachten en ging op zijn bed overeind zitten. 3En Jakob zei tot Jozef: `God Almachtig is mij verschenen te Luz in Kanaän en heeft mij gezegend. 4Hij heeft mij gezegd: Ik zal u vruchtbaar maken en talrijk; een menigte volken zal Ik van u maken. Dit land zal Ik aan uw nageslacht voor eeuwig in bezit geven. 5Jouw beide zonen die in Egypte geboren zijn, voordat ik in Egypte bij je kwam, zijn mijn zonen: Efraim en Manasse zijn in mijn ogen gelijk aan
Ruben en Simeon. 6Maar de kinderen die je daarna gekregen hebt, blijven jouw kinderen en zullen samen met hun broers erven. 7Toen ik uit Paddan-aram terugkwam, is je moeder Rachel mij in Kanaän dicht bij Efrat door de dood ontvallen; ik heb haar daar begraven aan de weg naar Efrat, dat is Betlehem.’ 8Bij het zien van Jozefs beide zonen vroeg Israël: `Wie zijn dat?’ 9Jozef zei tot zijn vader: `Dat zijn de zonen die God mij hier gegeven heeft.’ Israël zei: `Laat ze bij me komen, ik wil hun mijn zegen geven.’ 10Israëls ogen waren van ouderdom zo zwak geworden dat hij niet goed meer kon zien. Toen Jozef hen bij hem gebracht had, kuste en omhelsde hij hen. 11Israël sprak tot Jozef: `Ik had niet kunnen vermoeden dat ik je nog zou terugzien; en nu laat God mij ook nog je kinderen zien.’ 12Toen verwijderde Jozef hen van zijn vaders knieën en boog met zijn gezicht tot op de grond. 13Daarop nam Jozef met zijn rechterhand Efraim vast – voor Israël was dat links – en met zijn linkerhand Manasse – voor Israël was dat rechts -; zo bracht hij beiden tot vlak bij hem. 14Toen strekte Israël de rechterhand uit en legde die op het hoofd van Efraim, ofschoon hij de jongste was; en zijn linkerhand legde hij op het hoofd van Manasse, – ofschoon Manasse de eerstgeborene was; hij kruiste dus zijn handen. 15Toen zegende hij Jozef en sprak: ’De God naar wie mijn vaderen

Abraham en Isaak hun schreden gericht hebben,
de God die mij mijn leven lang tot heden toe geweid heeft,

16de engel die mij verlost heeft uit alle nood, moge deze jongens zegenen.

Moge in hen mijn naam
en de naam van mijn voorvaderen
Abraham en
Isaak voortleven,

mogen zij talrijk worden in dit land! 17Toen Jozef merkte dat zijn vader de rechterhand op het hoofd van Efraim gelegd had, vond hij dat verkeerd; hij greep de hand om ze van Efraims hoofd te verwijderen en ze op het hoofd van Manasse te leggen. 18Hij zei tot zijn vader: `Niet zo, vader, want dit is de oudste; op zijn hoofd moet u uw rechterhand leggen.’ 19Maar zijn vader weigerde en zei: `Ik weet het, mijn zoon, ik weet het. Ook hij zal tot een volk uitgroeien en groot worden, maar zijn jongere broer zal groter zijn dan hij, en zijn nageslacht groeit uit tot een menigte volken.’ 20En hij sprak op die dag deze zegen over hen uit: `Met jouw naam zal Israël zegen

afsmeken en men zal zeggen: God make u gelijk aan Efraim en Manasse.’ Zo plaatste hij Efraim voor Manasse. 21Nu zei Israël tot Jozef: `Ik ga sterven; God zal je beschermen en je naar het land van je vaderen terugbrengen. 22Aan jou geef ik iets meer dan aan je broers: een bergrug, die ik met zwaard en boog op de Amorieten veroverd hebt.’

Hoofdstuk 49
Jakob ontbood zijn zonen en sprak:

’Komt bij elkaar, ik ga jullie zeggen wat jullie wacht in de dagen die komen. 2Komt nu bijeen en luister, zonen van Jakob,
luistert naar Israël, jullie vader. 3Ruben, jij bent mijn eerstgeborene, de eerste vrucht van mijn mannenkracht. Vooraanstaan moest je in hoogheid,

vooraanstaan in macht;
4maar onstuimig ben je als water,
je zult niet vooraanstaan!
Want het bed van je vader heb je bestegen,

de legerstee van zijn bijvrouw onteerd. 5Simeon en Levi zijn broers van elkaar,

hun messen zijn moordtuig! 6Bij hen wil mijn ziel niet te rade gaan; waar zij bijeen zijn, laat ik mij niet zien.

In hun woede hebben zij mannen vermoord,
in hun moedwil die stieren verminkt.
7Vervloekt hun woede, zo hevig;
vervloekt hun drift, zo wild!
Verdelen zal ik hen over Jakob,
hen over Israël verstrooien!
8Juda, jou prijzen je broers;

jouw hand drukt de nek van je vijanden neer, voor jou staan de zoons van je vader gebogen.
9De welp van een leeuw is Juda;

met roof ben je opwaarts gekomen, mijn zoon!
Hij vlijt zich neer,
hij ligt als een leeuw,
als de koning der dieren;

wie waagt hem te wekken? 10Van Juda zal de scepter niet wijken, de staf niet verdwijnen tussen zijn voeten, totdat hij verschijnt die hem voeren mag;

hem zijn de volken gehoorzaam.
11Aan de wijnstok bindt hij zijn ezel,

aan de wingerd zijn edele volbloed;
hij wast zijn gewaad in de wijn,
in het bloed van de druiven zijn mantel.
12Zijn ogen zijn donkerder dan wijn,
zijn tanden witter dan melk.
13Zebulon woont aan de zeekant,
hij woont aan het strand bij de schepen,
zijn flank leunt aan tegen Sidon.
14Issakar is een bonkige ezel,
die neerligt tussen zijn lasten.
15Hij ziet hoe heerlijk de rust is

en hoe lieftallig het land;
hij buigt zijn schouders om lasten te torsen,
en wordt een slaaf, die werkt onder dwang.
16Dan is rechter over zijn volk,
als een van Israëls stammen.
17Een slang op de weg moet Dan zijn,
een adder op het pad,
hij bijt het paard in de hiel
en de wagenmenner slaat achterover. 18Op uw redding hoop ik, Jahwe!
19Gad: een troep valt hem aan,
maar hij zit hen op de hielen!
20Aser: rijk is zijn brood;
heerlijke spijzen biedt hij de vorsten.
21Naftali is een uitgelaten hinde,

die schone jongen werpt.
22Een jonge stier is Jozef,
een jonge stier bij een bron,
die door de heining van zijn graaswei breekt.
23De boogschutters hebben hem getergd
hem uitgedaagd en strijd met hem gezocht.

24Maar hun bogen werden gebroken door de Bestendige, de spieren van hun handen gescheurd

door de handen van Jakobs Machtige,
door Hem die zijn herder heet, Israëls rots.
25De God van je vader zal je helpen;
God Almachtig zal je zijn zegen schenken:
de zegen van de hemel boven,
de zegen van de diepten beneden,
de zegen van de borsten en de schoot.
26Je vaders zegen gaat verder nog
dan de zegeningen van de oude bergen,
dan het heerlijkste van de eeuwige heuvels.
Op Jozefs hoofd kome die zegen,
op de schedel van hem,
de gewijde onder zijn broers.

27Benjamin is een verscheurende wolf,
in de morgen verslindt hij zijn prooi,
in de avond verdeelt hij zijn buit.’

28Dat zijn al de stammen van Israël, twaalf in getal, met de zegen die hun vader over hen heeft uitgesproken: aan ieder van hen gaf hij een eigen zegen.

DE BEGRAFENIS VAN JAKOB

29Daarna gaf hij hun de volgende opdracht: `Als ik met mijn voorvaderen verenigd word, begraaf mij dan bij mijn vaderen in de grot op de akker van de Hethiet Efron, 30in de grot op de akker van Makpela, ten oosten van Mamre, in Kanaän. Het is de akker die Abraham als eigen begraafplaats van de Hethiet Efron gekocht heeft. 31Daar zijn Abraham en zijn vrouw Sara begraven, daar zijn Isaak en zijn vrouw Rebekka bijgezet, en daar heb ik Lea begraven. 32De akker met de grot die erop ligt is gekocht van de Hethieten.’ 33Toen Jakob zijn zonen deze laatste opdracht gegeven

had, trok hij zijn voeten terug op het bed, gaf de geest en werd met zijn voorvaderen verenigd.

Hoofdstuk 50

Toen wierp Jozef zich op zijn vader, weende over hem en kuste hem. 2En hij gebood de geneesheren die in zijn dienst waren zijn vader Israël te balsemen; en de geneesheren deden dat. 3Dit nam veertig dagen in beslag, want zolang duurt de balseming. De Egyptenaren rouwden over hem, zeventig dagen lang. 4Toen de rouwtijd voorbij was, zei Jozef tot Farao’s hovelingen: `Wees mij ter wille en doe voor mij een goed woord bij Farao. Zeg hem: 5Mijn vader heeft mij onder ede doen beloven: Ik ga nu sterven; je moet mij begraven in het graf dat ik in Kanaän heb uitgehouwen. Laat mij dus mijn vader gaan begraven; daarna kom ik terug.’ 6Farao zei: `Ga uw vader begraven, zoals hij u heeft laten beloven.’ 7Jozef ging dus zijn vader begraven; alle hovelingen van Farao, de oudsten van zijn huis, en alle oudsten van Egypte vergezelden hem; 8verder heel de familie van Jozef, zijn broers en de familie van zijn vader. Alleen de kleine kinderen en de schapen en runderen lieten zij in Gosen achter. 9Ook wagens en wagenmenners reden met hen mee, zodat het een indrukwekkende stoet was. 10Toen zij aangekomen waren bij de Doornendorsvloer, bij de Jordaan, hielden zij een grote, plechtige rouwklacht; zeven dagen lang liet hij over zijn vader rouw bedrijven. 11De Kanaänitische bewoners van het land zagen die rouwplechtigheden op de Doornendorsvloer en zeiden: Egypte houdt indrukwekkende rouwklachten; zo komt het dat die plaats aan de overzijde van de Jordaan Abel-misraim heet. 12Daarna volvoerden Jakobs zonen de opdracht die hij hun gegeven had. 13Zij brachten hem over naar Kanaän en begroeven hem in de grot op de akker van Makpela. Abraham had die akker ten oosten van Mamre als eigen begraafplaats gekocht van de Hethiet Efron. 14Nadat Jozef zijn vader begraven had, keerde hij naar Egypte terug, samen met zijn broers en allen die hem vergezeld hadden bij de begrafenis van zijn vader.

LAATSTE JAREN VAN JOZEF

15Toen Jozefs broers zagen dat hun vader gestorven was, zeiden ze: `Als Jozef zich nu maar niet op ons gaat wreken en ons zwaar laat boeten voor het kwaad dat wij hem aangedaan hebben.’ 16Daarom zonden zij naar Jozef de volgende boodschap: `Uw vader heeft voor zijn dood bevel gegeven: 17Dit moeten jullie Jozef zeggen: Ik smeek je, vergeef toch de misdaad en de zonde die je broers tegen jou bedreven hebben. Vergeef dus de dienaren van de God van uw vader hun misdaad.’ Toen zij zo tot hem spraken, barstte Jozef in tranen uit. 18Toen kwamen zijn broers zelf, wierpen zich ter aarde en zeiden: `Beschik over ons, wij zijn uw slaven.’ 19Maar Jozef zei hun: `Wees maar niet bang; bekleed ik soms de plaats van God? 20Jullie hebben kwaad tegen mij beraamd, maar God heeft het ten goede gekeerd, om te bewerken wat nu is geschied: het behoud van

een talrijk volk. 21Wees dus niet bang: ik zal voor jullie en je kleine kinderen zorgen.’ Zo stelde hij hen met hartelijke woorden gerust. JOZEFS DOOD

22Jozef bleef in Egypte wonen, samen met de familie van zijn vader, hij werd honderdtien jaar oud. 23Jozef zag het derde geslacht van Efraim; en ook de zonen van Makir, de zoon van Manasse, werden op zijn knieën geboren. 24Daarna sprak Jozef tot zijn broers: `Ik ga sterven, maar eens toont God zijn macht en leidt jullie van hier naar het land dat Hij onder ede beloofd heeft aan Abraham, Isaak en Jakob.’ 25Jozef bezwoer de zonen van Israël: `Als God jullie zijn macht toont, dan moet je mijn gebeente van hier meevoeren.’ 26Toen stierf Jozef, honderdtien jaar oud. Hij werd gebalsemd en in Egypte in een sarkofaag gelegd.

Bron: https://rkbijbel.nl/kbs/bijbel/willibrord1975/neovulgaat https://nl.wikipedia.org/wiki/Genesis_(boek)

De Willibrordvertaling is dé standaardvertaling van de rooms katholieke geloofsgemeenschap in het Nederlands taalgebied en wordt uitgegeven door de Katholieke Bijbelstichting, in nauwe samenwerking met de Vlaamse Bijbelstichting. De Willibrordvertaling wordt alom gewaardeerd als een vertaling die trouw is aan de grondtekst en die tegelijkertijd een tekst biedt in begrijpelijk hedendaags Nederlands.

(En)

Believe christianity – bible verse genisis

Source: https://rkbijbel.nl/kbs/bijbel/willibrord1975/neovulgaat https://nl.wikipedia.org/wiki/Genesis_(book)

The Willibrord translation is the standard translation of the Roman Catholic faith community in the Dutch language area and is published by the Catholic Bible Foundation, in close collaboration with the Flemish Bible Foundation. The Willibrord Translation is widely appreciated as a translation that is faithful to the original text and at the same time offers a text in understandable contemporary Dutch.

Genesis (Greek: Γένεσις , ”origination”) is the first book of the Hebrew Bible. The Hebrew designation תישארב , Bereshit means ”in the beginning” and follows the tradition of designating the books by their first word; in Dutch the book begins with the sentence: ”In the beginning God created the heavens and the earth”.

Genesis is the first part of an even larger narrative construct, spanning the arc from creation to the end of the kingdom of Judah and the Babylonian captivity—Genesis through 2 Kings. Within these interrelated stories, Genesis tells the story from the beginning, the creation, through the patriarchs of the Israelites until the captivity of Jacob’s family and followers in Egypt.

Genesis is traditionally attributed to Moses, but contemporary biblical scholarship considers the work to be a product of the 6th and 5th centuries BC.

Creation (chapter 1 – 2:3)

Genesis begins with two creation stories. The first story tells how God created heaven, earth, plants, animals and eventually man in six days. The seventh day He rested.

Paradise story (chapter 2:4 – 3:24)

In the paradise story, God created after the earth with plants and animals from the earth the first man, Adam, and placed him in a beautiful garden, paradise (the Garden of Eden). God forbade Adam to eat of the Tree of the knowledge of good and evil. He brought all the animals to Adam to name them. Then God put Adam to sleep and made the woman Eve from one of his ribs. Eve was tempted by a serpent to eat a fruit from the forbidden tree and in turn she tempted Adam to do so. At that moment they realized that they were naked and were ashamed of it, after which they covered themselves with fig leaves. To prevent Adam and Eve from also eating of the tree of life and thus gaining eternal life, God expelled them from the garden of Eden.

The First Murder (Chapter 4)

Adam and Eve had two sons: Cain and Abel. Cain became jealous of Abel because God accepted Abel’s offering and not his. He killed Abel. Cain was to roam the earth from then on. He finally settled in the land of Nod , east of

1

Eden. He built a city and named it after his son Enoch . Eve had another son, Seth. Chapter 4 concludes with the words, ”At that time they began to call on the name of the LORD.”

Genealogy (chapter. 5)

Chapter 5 records the successive generations from Adam to Noah . As in many myths, humans lived to be extremely old, reaching nearly 1,000 years.

The Flood (chapter. 6 – 9)

After the fall, mankind developed from bad to worse. In addition, the sons of God (some say fallen angels) married human women and fathered giants called nephilim . God decided to give mankind another 120 years and then punish them with a flood. Only Noah and his family (his wife, three sons and their wives) would be saved by building an ark at God’s command and taking all the animals in it (of every clean animal seven pairs, of the unclean one). Noah was then 600 years old. Then God sent the flood: it rained for 40 days and nights. Eventually the water receded and the ark landed on Mount Ararat.[3] God promised never to bring a flood on the earth again and confirmed this with the sign of the rainbow. After this, God gave the command to disperse and fill the earth with descendants.

List of nations (chapter. 10)

Chapter 10 contains a genealogy of the descendants of Noah , the list of nations.

Tower of Babel (chapter 11)

Yet the people continued to live together and build a city in the plain of Shinar, and wanted there a tower that reached to heaven, with which to maintain unity and gain fame, the Tower of Babel. God came to earth to create confusion in the language, so that people no longer understood each other and finally they split into different peoples. This explains the spread of humanity over the earth.

The remainder of this chapter contains genealogies of the descendants of Shem and Terah . It is striking in these genealogies that the age of the successive genera decreased rapidly.

Summary of the stories of the patriarchs Abraham (chapters 12-25)

Abraham’s father Terah departed from Ur to Haran and took his son, who at that time was still called Abram. In Haran , Abraham was commanded by God to leave his country. He and his cousin Lot went to Canaan, where God told him that his descendants would live there. God promised Abraham that he would become a great nation. Because there was a famine in that area at that time, Abraham went to Egypt. After friction between Abraham’s and Lot’s shepherds, Lot moved toward Sodom and Gomorrah , while Abraham moved toward Hebron. After a repeated promise from God to

2

Abraham that his descendants would inherit the land of Canaan, Abraham slept with the slave girl Hagar, because his wife Sarah was too old to have another child of her own. From this Ishmael was born. After this God made a covenant with Abraham, using circumcision as a sign.

Lot had meanwhile taken up residence in Sodom. God wanted to destroy Sodom and Gomorrah because of the wickedness of the inhabitants. Though Abraham pleaded with God to spare the cities, God stood by his decision. Two angels warned Lot so that he could escape the destruction. His wife turned into a pillar of salt when she looked back. Lot’s daughters made their father drunk, slept with him, and both bore a son.

Abraham had another son, this time from his wife Sarah. He called him Isaac. Sarah urged Abraham to send Hagar and her son away. An angel rescued them just as they are about to perish in the desert.

God instructed Abraham to sacrifice Isaac. An angel intervened when Abraham wanted to kill his son. After Sarah died, Abraham sent a servant to find a wife for Isaac. He returned with Rebekah, a sister of Laban and a niece of Isaac. After this a famine broke out and Isaac went to the Philistine city of Gerar . God there also promised him that he would give the land of Canaan to his descendants.

After Abraham died, he was buried by his sons Isaac and Ishmael.

Jacob (chapters 25-37)

Isaac had two sons, twins: Esau and Jacob. Esau was a hunter and sold his birthright to Jacob for a bowl of lentil soup. As Isaac grew older he became visually impaired. He summoned Esau to bless him and thereby appoint him as his heir. However, at Rebekah’s initiative, Jacob pretended to be Esau and received the blessing. He fled to Laban. On the way he had a dream about the Jacob’s Ladder. He also heard the voice of God promising him that his descendants would have the land of Canaan.

Jacob went to work as a shepherd at Laban. He fell in love with Laban’s daughter Rachel. After seven years of work, he was allowed to marry her, but Laban deceived him and he married Leah, Laban’s eldest daughter. According to tradition, the eldest daughter had to marry before the youngest. Jacob then also married Rachel, but as a dowry he had to work for Laban again for seven years. At this time Jacob had twelve sons by his two wives, and two concubines Bilhah and Zilpah . God blessed Jacob and his flock grew rapidly. He became a rich man. Jacob feared that Laban was jealous and decided to secretly leave him and return to his father Isaac. However, Laban overtook him because he thought that Jacob took his idols with him, which Rachel had done. Laban found Jacob, did not find the images, and made a covenant with him.

When he returned, Jacob was afraid of Esau and sent him many gifts before their meeting. Esau was no longer angry, however.

Jacob pitched his tents at the city of Shechem . Dinah the daughter of Jacob was raped there by Shechem the son of Hamor king of the city. Then he wanted to marry Dina. The sons of Jacob advised their father to agree, but to demand that all the men of the city be circumcised. This happened, and when the men had wound fever, the sons of Jacob slew all the city. Jacob then went to Bethel.

Joseph (chapters 37-50)

Joseph interprets the dreams of the baker and cupbearer (possibly by Jan Mostaert ) Joseph was the eldest son of Jacob’s beloved wife Rachel and was favored by his father. The brothers hated him for this and sold him into slavery and told their father that Joseph had been mauled by a wild beast. Joseph was taken to Egypt and came as a slave to the house of Potiphar , a courtier of Pharaoh, where he built up the complete confidence of his master.

Potiphar ’s wife tried to seduce Joseph, but he resisted. The woman then accused Joseph of attempted rape. Potiphar threw Joseph into prison. One day Pharaoh’s chief cupbearer and chief baker were thrown into prison. There they had a dream and Joseph can interpret that dream to them. He predicted that the butler would be reinstated but that the baker would face the death penalty. And so it happened.

Two years later, Pharaoh had a dream that no one could explain to him. The cupbearer pointed him to Joseph, who was still in prison. Joseph was taken. He interpreted Pharaoh’s dream that there would be seven years of abundance and then seven years of famine. In addition, Joseph gave advice. Pharaoh appointed Joseph viceroy and left all affairs of state to him.

Joseph saw to it that the granaries were filled in the years of plenty. Then the time of famine began. He also ruled in the land of Canaan, where Jacob lived. After two years, Joseph’s brothers came to Egypt to buy grain. Just to be safe, Jacob’s favorite son Benjamin stayed at home. Joseph recognized his brothers, but the brothers did not recognize him, and Joseph did not identify himself. He accused the men of espionage. Simeon was imprisoned. Joseph ordered the others to return home and bring their little brother Benjamin with them next time.

When the food was finished, the brothers had to go back to Egypt. Jacob reluctantly allowed Benjamin to go too. Joseph had Simeon released from prison and received the brothers warmly. Then he sent them home with filled grain sacks, but had his cup hidden in Benjamin’s sack. Shortly after they left, Joseph sent his caretaker after the brothers to find the cup. The cup was put in the bag

of Benjamin, so he was taken captive. Judah pleaded with Joseph, offering his own life if only Benjamin could return to his father. Now it was clear to Joseph that the character of his brothers had changed. He made himself known and invited Jacob to live in Egypt, in the region of Goshen , where the best of the land of Egypt would be for him.

Chapter 001
1 In the beginning God created heaven and earth.

2 Now the earth was a formless void, there was darkness over the deep, with a divine wind sweeping over the waters.

3 God said, ’Let there be light,’ and there was light.

4 God saw that light was good, and God divided light from darkness.

5 God called light ’day’, and darkness he called ’night’. Evening came and morning came: the first day.

6 God said, ’Let there be a vault through the middle of the waters to divide the waters in two.’ And so it was.

7 God made the vault, and it divided the waters under the vault from the waters above the vault.

8 God called the vault ’heaven’. Evening came and morning came: the second day.

9 God said, ’Let the waters under heaven come together into a single mass, and let dry land appear.’ And so it was.

10 God called the dry land ’earth’ and the mass of waters ’seas’, and God saw that it was good.

11 God said, ’Let the earth produce vegetation: seed-bearing plants, and fruit trees on earth, bearing fruit with their seed inside, each corresponding to its own species.’ And so it was.

12 The earth produced vegetation: the various kinds of seed-bearing plants and the fruit trees with seed inside, each corresponding to its own species. God saw that it was good.

13 Evening came and morning came: the third day.

14 God said, ’Let there be lights in the vault of heaven to divide day from night, and let them indicate festivals, days and years.

15 Let them be lights in the vault of heaven to shine on the earth.’ And so it was.

16 God made the two great lights: the greater light to govern the day, the smaller light to govern the night, and the stars.

17 God set them in the vault of heaven to shine on the earth,

18 to govern the day and the night and to divide light from darkness. God saw that it was good.

19 Evening came and morning came: the fourth day.

20 God said, ’Let the waters be alive with a swarm of living creatures, and let birds wing their way above the earth across the vault of heaven.’ And so it was.

21 God created great sea-monsters and all the creatures that glide and teem in the waters in their own species, and winged birds in their own species. God saw that it was good.

22 God blessed them, saying, ’Be fruitful, multiply, and fill the waters of the seas; and let the birds multiply on land.’

23 Evening came and morning came: the fifth day.

24 God said, ’Let the earth produce every kind of living creature in its own species: cattle, creeping things and wild animals of all kinds.’ And so it was.

25 God made wild animals in their own species, and cattle in theirs, and every creature that crawls along the earth in its own species. God saw that it was good.

26 God said, ’Let us make man in our own image, in the likeness of ourselves, and let them be masters of the fish of the sea, the birds of heaven, the cattle, all the wild animals and all the creatures that creep along the ground.’

27 God created man in the image of himself, in the image of God he created him, male and female he created them.

28 God blessed them, saying to them, ’Be fruitful, multiply, fill the earth and subdue it. Be masters of the fish of the sea, the birds of heaven and all the living creatures that move on earth.’

29 God also said, ’Look, to you I give all the seed-bearing plants everywhere on the surface of the earth, and all the trees with seed-bearing fruit; this will be your food.

30 And to all the wild animals, all the birds of heaven and all the living creatures that creep along the ground, I give all the foliage of the plants as their food.’ And so it was.

31 God saw all he had made, and indeed it was very good. Evening came and morning came: the sixth day.

Chapter 002
1 Thus heaven and earth were completed with all their array.

2 On the seventh day God had completed the work he had been doing. He rested on the seventh day after all the work he had been doing.

3 God blessed the seventh day and made it holy, because on that day he rested after all his work of creating.

4 Such was the story of heaven and earth as they were created. At the time when Yahweh God made earth and heaven

5 there was as yet no wild bush on the earth nor had any wild plant yet sprung up, for Yahweh God had not sent rain on the earth, nor was there any man to till the soil.

6 Instead, water flowed out of the ground and watered all the surface of the soil.

7 Yahweh God shaped man from the soil of the ground and blew the breath of life into his nostrils, and man became a living being.

8 Yahweh God planted a garden in Eden, which is in the east, and there he put the man he had fashioned.

9 From the soil, Yahweh God caused to grow every kind of tree, enticing to look at and good to eat, with the tree of life in the middle of the garden, and the tree of the knowledge of good and evil.

10 A river flowed from Eden to water the garden, and from there it divided to make four streams.

11 The first is named the Pishon, and this winds all through the land of Havilah where there is gold.

12 The gold of this country is pure; bdellium and cornelian stone are found there.

13 The second river is named the Gihon, and this winds all through the land of Cush.

14 The third river is named the Tigris, and this flows to the east of Ashur. The fourth river is the Euphrates.

15 Yahweh God took the man and settled him in the garden of Eden to cultivate and take care of it.

16 Then Yahweh God gave the man this command, ’You are free to eat of all the trees in the garden.

17 But of the tree of the knowledge of good and evil you are not to eat; for, the day you eat of that, you are doomed to die.’

18 Yahweh God said, ’It is not right that the man should be alone. I shall make him a helper.’

19 So from the soil Yahweh God fashioned all the wild animals and all the birds of heaven. These he brought to the man to see what he would call them; each one was to bear the name the man would give it.

20 The man gave names to all the cattle, all the birds of heaven and all the wild animals. But no helper suitable for the man was found for him.

21 Then, Yahweh God made the man fall into a deep sleep. And, while he was asleep, he took one of his ribs and closed the flesh up again forthwith.

22 Yahweh God fashioned the rib he had taken from the man into a woman, and brought her to the man.

23 And the man said: This one at last is bone of my bones and flesh of my flesh! She is to be called Woman, because she was taken from Man.

24 This is why a man leaves his father and mother and becomes attached to his wife, and they become one flesh.

25 Now, both of them were naked, the man and his wife, but they felt no shame before each other.

Chapter 003
1 Now, the snake was the most subtle of all the wild animals that Yahweh God had made. It asked the woman, ’Did God really say you were not to eat from any of the trees in the garden?’

2 The woman answered the snake, ’We may eat the fruit of the trees in the garden.

3 But of the fruit of the tree in the middle of the garden God said, ”You must not eat it, nor touch it, under pain of death.” ’

4 Then the snake said to the woman, ’No! You will not die!

5 God knows in fact that the day you eat it your eyes will be opened and you will be like gods, knowing good from evil.’

6 The woman saw that the tree was good to eat and pleasing to the eye, and that it was enticing for the wisdom that it could give. So she took some of its fruit and ate it. She also gave some to her husband who was with her, and he ate it.

7 Then the eyes of both of them were opened and they realised that they were naked. So they sewed fig-leaves together to make themselves loin-cloths.

8 The man and his wife heard the sound of Yahweh God walking in the garden in the cool of the day, and they hid from Yahweh God among the trees of the garden.

9 But Yahweh God called to the man. ’Where are you?’ he asked.

10 ’I heard the sound of you in the garden,’ he replied. ’I was afraid because I was naked, so I hid.’

11 ’Who told you that you were naked?’ he asked. ’Have you been eating from the tree I forbade you to eat?’

12 The man replied, ’It was the woman you put with me; she gave me some fruit from the tree, and I ate it.’

13 Then Yahweh God said to the woman, ’Why did you do that?’ The woman replied, ’The snake tempted me and I ate.’

14 Then Yahweh God said to the snake, ’Because you have done this, Accursed be you of all animals wild and tame! On your belly you will go and on dust you will feed as long as you live.

15 I shall put enmity between you and the woman, and between your offspring and hers; it will bruise your head and you will strike its heel.’

16 To the woman he said: I shall give you intense pain in childbearing, you will give birth to your children in pain. Your yearning will be for your husband, and he will dominate you.

17 To the man he said, ’Because you listened to the voice of your wife and ate from the tree of which I had forbidden you to eat, Accursed be the soil because of you! Painfully will you get your food from it as long as you live.

18 It will yield you brambles and thistles, as you eat the produce of the land.

19 By the sweat of your face will you earn your food, until you return to the ground, as you were taken from it. For dust you are and to dust you shall return.’

20 The man named his wife ’Eve’ because she was the mother of all those who live.

21 Yahweh God made tunics of skins for the man and his wife and clothed them.

22 Then Yahweh God said, ’Now that the man has become like one of us in knowing good from evil, he must not be allowed to reach out his hand and pick from the tree of life too, and eat and live for ever!’

23 So Yahweh God expelled him from the garden of Eden, to till the soil from which he had been taken.

24 He banished the man, and in front of the garden of Eden he posted the great winged creatures and the fiery flashing sword, to guard the way to the tree of life.

Chapter 004
1 The man had intercourse with his wife Eve, and she conceived and gave birth to Cain. ’I have acquired a man with the help of Yahweh,’ she said.

2 She gave birth to a second child, Abel, the brother of Cain. Now Abel became a shepherd and kept flocks, while Cain tilled the soil.

3 Time passed and Cain brought some of the produce of the soil as an offering for Yahweh,

4 while Abel for his part brought the first-born of his flock and some of their fat as well. Yahweh looked with favour on Abel and his offering.

5 But he did not look with favour on Cain and his offering, and Cain was very angry and downcast.

6 Yahweh asked Cain, ’Why are you angry and downcast?

7 If you are doing right, surely you ought to hold your head high! But if you are not doing right, Sin is crouching at the door hungry to get you. You can still master him.’

8 Cain said to his brother Abel, ’Let us go out’; and while they were in the open country, Cain set on his brother Abel and killed him.

9 Yahweh asked Cain, ’Where is your brother Abel?’ ’I do not know,’ he replied. ’Am I my brother’s guardian?’

10 ’What have you done?’ Yahweh asked. ’Listen! Your brother’s blood is crying out to me from the ground.

11 Now be cursed and banned from the ground that has opened its mouth to receive your brother’s blood at your hands.

12 When you till the ground it will no longer yield up its strength to you. A restless wanderer you will be on earth.’

13 Cain then said to Yahweh, ’My punishment is greater than I can bear.

14 Look, today you drive me from the surface of the earth. I must hide from you, and be a restless wanderer on earth. Why, whoever comes across me will kill me!’

15 ’Very well, then,’ Yahweh replied, ’whoever kills Cain will suffer a sevenfold vengeance.’ So Yahweh put a mark on Cain, so that no one coming across him would kill him.

16 Cain left Yahweh’s presence and settled in the land of Nod, east of Eden.

17 Cain had intercourse with his wife, and she conceived and gave birth to Enoch. He became the founder of a city and gave the city the name of his son Enoch.

18 Enoch fathered Irad, and Irad fathered Mehujael; Mehujael fathered Methushael, and Methushael fathered Lamech.

19 Lamech married two women: the name of the first was Adah and the name of the second was Zillah.

20 Adah gave birth to Jabal: he was the ancestor of tent-dwelling herdsmen.

21 His brother’s name was Jubal: he was the ancestor of all who play the harp and the pipe.

22 As for Zillah, she gave birth to Tubal-Cain: he was the ancestor of all who work copper and iron. Tubal-Cain’s sister was Naamah.

23 Lamech said to his wives: Adah and Zillah, hear my voice, wives of Lamech, listen to what I say: I killed a man for wounding me, a boy for striking me.

24 Sevenfold vengeance for Cain, but seventy-sevenfold for Lamech.

25 Adam had intercourse with his wife, and she gave birth to a son whom she named Seth, ’because God has granted me other offspring’, she said, ’in place of Abel, since Cain has killed him.’

26 A son was also born to Seth, and he named him Enosh. This man was the first to invoke the name Yahweh.

Chapter 005
1 This is the roll of Adam’s descendants: On the day that God created Adam he made him in the likeness of God.

2 Male and female he created them. He blessed them and gave them the name Man, when they were created.

3 When Adam was a hundred and thirty years old he fathered a son, in his likeness, after his image, and he called him Seth.

4 Adam lived for eight hundred years after the birth of Seth and he fathered sons and daughters.

5 In all, Adam lived for nine hundred and thirty years; then he died.

6 When Seth was a hundred and five years old he fathered Enosh.

7 After the birth of Enosh, Seth lived for eight hundred and seven years, and he fathered sons and daughters.

8 In all, Seth lived for nine hundred and twelve years; then he died.

9 When Enosh was ninety years old he fathered Kenan.

10 After the birth of Kenan, Enosh lived for eight hundred and fifteen years and he fathered sons and daughters.

11 In all, Enosh lived for nine hundred and five years; then he died.

12 When Kenan was seventy years old he fathered Mahalalel.

13 After the birth of Mahalalel, Kenan lived for eight hundred and forty years and he fathered sons and daughters.

14 In all, Kenan lived for nine hundred and ten years; then he died.

15 When Mahalalel was sixty-five years old he fathered Jared.

16 After the birth of Jared, Mahalalel lived for eight hundred and thirty years and he fathered sons and daughters.

17 In all, Mahalalel lived for eight hundred and ninety-five years; then he died.

18 When Jared was a hundred and sixty-two years old he fathered Enoch.

19 After the birth of Enoch, Jared lived for eight hundred years and he fathered sons and daughters.

20 In all, Jared lived for nine hundred and sixty-two years; then he died.

21 When Enoch was sixty-five years old he fathered Methuselah.

22 Enoch walked with God. After the birth of Methuselah, Enoch lived for three hundred years and he fathered sons and daughters.

23 In all, Enoch lived for three hundred and sixty-five years.

24 Enoch walked with God, then was no more, because God took him.

25 When Methuselah was a hundred and eighty-seven years old he fathered Lamech.

26 After the birth of Lamech, Methuselah lived for seven hundred and eighty-two years and he fathered sons and daughters.

27 In all, Methuselah lived for nine hundred and sixty-nine years; then he died.

28 When Lamech was a hundred and eighty-two years old he fathered a son.

29 He gave him the name Noah because, he said, ’Here is one who will give us, in the midst of our toil and the labouring of our hands, a consolation out of the very soil that Yahweh cursed.’

30 After the birth of Noah, Lamech lived for five hundred and ninety-five years and fathered sons and daughters.

31 In all, Lamech lived for seven hundred and seventy-seven years; then he died.

32 When Noah was five hundred years old he fathered Shem, Ham and Japheth.

Chapter 006
1 When people began being numerous on earth, and daughters had been born to them,

2 the sons of God, looking at the women, saw how beautiful they were and married as many of them as they chose.

3 Yahweh said, ’My spirit cannot be indefinitely responsible for human beings, who are only flesh; let the time allowed each be a hundred and twenty years.’

4 The Nephilim were on earth in those days (and even afterwards) when the sons of God resorted to the women, and had children by them. These were the heroes of days gone by, men of renown.

5 Yahweh saw that human wickedness was great on earth and that human hearts contrived nothing but wicked schemes all day long.

6 Yahweh regretted having made human beings on earth and was grieved at heart.

7 And Yahweh said, ’I shall rid the surface of the earth of the human beings whom I created — human and animal, the creeping things and the birds of heaven — for I regret having made them.’

8 But Noah won Yahweh’s favour.

9 This is the story of Noah: Noah was a good man, an upright man among his contemporaries, and he walked with God.

10 Noah fathered three sons, Shem, Ham and Japheth.

11 God saw that the earth was corrupt and full of lawlessness.

12 God looked at the earth: it was corrupt, for corrupt were the ways of all living things on earth.

13 God said to Noah, ’I have decided that the end has come for all living things, for the earth is full of lawlessness because of human beings. So I am now about to destroy them and the earth.

14 Make yourself an ark out of resinous wood. Make it of reeds and caulk it with pitch inside and out.

15 This is how to make it: the length of the ark is to be three hundred cubits, its breadth fifty cubits, and its height thirty cubits.

16 Make a roof to the ark, building it up to a cubit higher. Put the entrance in the side of the ark, which is to be made with lower, second and third decks.

17 ’For my part I am going to send the flood, the waters, on earth, to destroy all living things having the breath of life under heaven; everything on earth is to perish.

18 But with you I shall establish my covenant and you will go aboard the ark, yourself, your sons, your wife, and your sons’ wives along with you.

19 From all living creatures, from all living things, you must take two of each kind aboard the ark, to save their lives with yours; they must be a male and a female.

20 Of every species of bird, of every kind of animal and of every kind of creature that creeps along the ground, two must go with you so that their lives may be saved.

21 For your part, provide yourself with eatables of all kinds, and lay in a store of them, to serve as food for yourself and them.’

22 Noah did this; exactly as God commanded him, he did.

Chapter 007
1 Yahweh said to Noah, ’Go aboard the ark, you and all your household, for you alone of your contemporaries do I see before me as an upright man.

2 Of every clean animal you must take seven pairs, a male and its female; of the unclean animals you must take one pair, a male and its female

3 (and of the birds of heaven, seven pairs, a male and its female), to preserve their species throughout the earth.

4 For in seven days’ time I shall make it rain on earth for forty days and forty nights, and I shall wipe every creature I have made off the face of the earth.’

5 Noah did exactly as Yahweh commanded him.

6 Noah was six hundred years old when the flood came, the waters over the earth.

7 Noah with his sons, his wife, and his sons’ wives boarded the ark to escape the waters of the flood.

8 (Of the clean animals and the animals that are not clean, of the birds and all that creeps along the ground,

9 one pair boarded the ark with Noah, one male and one female, as God had commanded Noah.)

10 Seven days later the waters of the flood appeared on earth.

11 In the six hundredth year of Noah’s life, in the second month, and on the seventeenth day of the month, that very day all the springs of the great deep burst through, and the sluices of heaven opened.

12 And heavy rain fell on earth for forty days and forty nights.

13 That very day Noah and his sons Shem, Ham and Japheth boarded the ark, with Noah’s wife and the three wives of his sons,

14 and with them every species of wild animal, every species of cattle, every species of creeping things that creep along the ground, every species of bird, everything that flies, everything with wings.

15 One pair of all that was alive and had the breath of life boarded the ark with Noah,

16 and those that went aboard were a male and female of all that was alive, as God had commanded him. Then Yahweh shut him in.

17 The flood lasted forty days on earth. The waters swelled, lifting the ark until it floated off the ground.

18 The waters rose, swelling higher above the ground, and the ark drifted away over the waters.

19 The waters rose higher and higher above the ground until all the highest mountains under the whole of heaven were submerged.

20 The waters reached their peak fifteen cubits above the submerged mountains.

21 And all living things that stirred on earth perished; birds, cattle, wild animals, all the creatures swarming over the earth, and all human beings.

22 Everything with the least breath of life in its nostrils, everything on dry land, died.

23 Every living thing on the face of the earth was wiped out, people, animals, creeping things and birds; they were wiped off the earth and only Noah was left, and those with him in the ark.

24 The waters maintained their level on earth for a hundred and fifty days.

Chapter 008
1 But God had Noah in mind, and all the wild animals and all the cattle that were with him in the ark. God sent a wind across the earth and the waters began to subside.

2 The springs of the deep and the sluices of heaven were stopped up and the heavy rain from heaven was held back.

3 Little by little, the waters ebbed from the earth. After a hundred and fifty days the waters fell,

4 and in the seventh month, on the seventeenth day of the month, the ark came to rest on the mountains of Ararat.

5 The waters gradually fell until the tenth month when, on the first day of the tenth month, the mountain tops appeared.

6 At the end of forty days Noah opened the window he had made in the ark

7 and released a raven, which flew back and forth as it waited for the waters to dry up on earth.

8 He then released a dove, to see whether the waters were receding from the surface of the earth.

9 But the dove, finding nowhere to perch, returned to him in the ark, for there was water over the whole surface of the earth; putting out his hand he took hold of it and brought it back into the ark with him.

10 After waiting seven more days, he again released the dove from the ark.

11 In the evening, the dove came back to him and there in its beak was a freshly-picked olive leaf! So Noah realised that the waters were receding from the earth.

12 After waiting seven more days, he released the dove, and now it returned to him no more.

13 It was in the six hundred and first year of Noah’s life, in the first month and on the first of the month, that the waters began drying out on earth. Noah lifted back the hatch of the ark and looked out. The surface of the ground was dry!

14 In the second month, on the twenty-seventh day of the month, the earth was dry.

15 Then God said to Noah,

16 ’Come out of the ark, you, your wife, your sons, and your sons’ wives with you.

17 Bring out all the animals with you, all living things, the birds, the cattle and all the creeping things that creep along the ground, for them to swarm on earth, for them to breed and multiply on earth.’

18 So Noah came out with his sons, his wife, and his sons’ wives.

19 And all the wild animals, all the cattle, all the birds and all the creeping things that creep along the ground, came out of the ark, one species after another.

20 Then Noah built an altar to Yahweh and, choosing from all the clean animals and all the clean birds he presented burnt offerings on the altar.

21 Yahweh smelt the pleasing smell and said to himself, ’Never again will I curse the earth because of human beings, because their heart contrives evil from their infancy. Never again will I strike down every living thing as I have done.

22 As long as earth endures: seed-time and harvest, cold and heat, summer and winter, day and night will never cease.’

Chapter 009
1 God blessed Noah and his sons and said to them, ’Breed, multiply and fill the earth.

2 Be the terror and the dread of all the animals on land and all the birds of heaven, of everything that moves on land and all the fish of the sea; they are placed in your hands.

3 Every living thing that moves will be yours to eat, no less than the foliage of the plants. I give you everything,

4 with this exception: you must not eat flesh with life, that is to say blood, in it.

5 And I shall demand account of your life-blood, too. I shall demand it of every animal, and of man. Of man as regards his fellow-man, I shall demand account for human life.

6 He who sheds the blood of man, by man shall his blood be shed, for in the image of God was man created.

7 Be fruitful then and multiply, teem over the earth and subdue it!’

8 God spoke as follows to Noah and his sons,

9 ’I am now establishing my covenant with you and with your descendants to come,

10 and with every living creature that was with you: birds, cattle and every wild animal with you; everything that came out of the ark, every living thing on earth.

11 And I shall maintain my covenant with you: that never again shall all living things be destroyed by the waters of a flood, nor shall there ever again be a flood to devastate the earth.’

12 ’And this’, God said, ’is the sign of the covenant which I now make between myself and you and every living creature with you for all ages to come:

13 I now set my bow in the clouds and it will be the sign of the covenant between me and the earth.

14 When I gather the clouds over the earth and the bow appears in the clouds,

15 I shall recall the covenant between myself and you and every living creature, in a word all living things, and never again will the waters become a flood to destroy all living things.

16 When the bow is in the clouds I shall see it and call to mind the eternal covenant between God and every living creature on earth, that is, all living things.’

17 ’That’, God told Noah, ’is the sign of the covenant I have established between myself and all living things on earth.’

18 The sons of Noah who came out of the ark were Shem, Ham and Japheth-Ham being the father of Canaan.

19 These three were Noah’s sons, and from these the whole earth was peopled.

20 Noah, a tiller of the soil, was the first to plant the vine.

21 He drank some of the wine, and while he was drunk, he lay uncovered in his tent.

22 Ham, father of Canaan, saw his father naked and told his two brothers outside.

23 Shem and Japheth took a cloak and they both put it over their shoulders, and walking backwards, covered their father’s nakedness; they kept their faces turned away, and they did not look at their father naked.

24 When Noah awoke from his stupor he learned what his youngest son had done to him,

25 and said: Accursed be Canaan, he shall be his brothers’ meanest slave.

26 He added: Blessed be Yahweh, God of Shem, let Canaan be his slave!

27 May God make space for Japheth, may he live in the tents of Shem, and let Canaan be his slave!

28 After the flood Noah lived three hundred and fifty years.

29 In all, Noah’s life lasted nine hundred and fifty years; then he died.

Chapter 010
1 These are the descendants of Noah’s sons, Shem, Ham and Japheth, to whom sons were born after the flood:

2 Japheth’s sons: Gomer, Magog, the Medes, Javan, Tubal, Meshech, Tiras.

3 Gomer’s sons: Ashkenaz, Riphath, Togarmah.

4 Javan’s sons: Elishah, Tarshish, the Kittim, the Dananites.

5 From these came the dispersal to the islands of the nations. These were Japheth’s sons, in their respective countries, each with its own language, by clan and nation.

6 Ham’s sons: Cush, Mizraim, Put, Canaan.

7 Cush’s sons: Seba, Havilah, Sabtah, Raamah, Sabteca. Raamah’s sons: Sheba, Dedan.

8 Cush fathered Nimrod who was the first potentate on earth.

9 He was a mighty hunter in the eyes of Yahweh, hence the saying, ’Like Nimrod, a mighty hunter in the eyes of Yahweh’.

10 The mainstays of his empire were Babel, Erech and Accad, all of them in the land of Shinar.

11 From this country came Asshur, and he built Nineveh, Rehoboth-Ir, Calah,

12 and Resen between Nineveh and Calah (this being the capital).

13 Mizraim fathered the people of Lud, of Anam, Lehab, Naphtuh,

14 Pathros, Casluh and Caphtor, from which the Philistines came.

15 Canaan fathered Sidon, his first-born, then Heth,

16 and the Jebusites, the Amorites, Girgashites,

17 Hivites, Arkites, Sinites,

18 Arvadites, Zemarites and Hamathites. Later, the Canaanite clans spread out.

19 The Canaanite frontier stretched from Sidon all the way to Gerar near Gaza, and all the way to Sodom, Gomorrah, Admah and Zeboiim near Lesha.

20 These were Ham’s sons, by clans and languages, by countries and nations.

21 Shem too fathered sons, being ancestor of all the sons of Eber and Japheth’s elder brother.

22 Shem’s sons: Elam, Asshur, Arpachshad, Lud, Aram.

23 Aram’s sons: Uz, Hul, Gether and Mash.

24 Arpachshad fathered Shelah, and Shelah fathered Eber.

25 To Eber were born two sons: the first was called Peleg, because it was in his time that the earth was divided, and his brother was called Joktan.

26 Joktan fathered Almodad, Sheleph, Hazarmaveth, Jerah,

27 Hadoram, Uzal, Diklah,

28 Obal, Abima-El, Sheba,

29 Ophir, Havilah, Jobab; all these were sons of Joktan.

30 They occupied a stretch of country from Mesha all the way to Sephar, the eastern mountain range.

31 These were Shem’s sons, by clans and languages, by countries and nations.

32 Such were the clans of Noah’s descendants, listed by descent and nation. From them, other nations branched out on earth after the flood.

Chapter 011
1 The whole world spoke the same language, with the same vocabulary.

2 Now, as people moved eastwards they found a valley in the land of Shinar where they settled.

3 They said to one another, ’Come, let us make bricks and bake them in the fire.’ For stone they used bricks, and for mortar they used bitumen.

4 ’Come,’ they said, ’let us build ourselves a city and a tower with its top reaching heaven. Let us make a name for ourselves, so that we do not get scattered all over the world.’

5 Now Yahweh came down to see the city and the tower that the people had built.

6 ’So they are all a single people with a single language!’ said Yahweh. ’This is only the start of their undertakings! Now nothing they plan to do will be beyond them.

7 Come, let us go down and confuse their language there, so that they cannot understand one another.’

8 Yahweh scattered them thence all over the world, and they stopped building the city.

9 That is why it was called Babel, since there Yahweh confused the language of the whole world, and from there Yahweh scattered them all over the world.

10 These are Shem’s descendants: When Shem was a hundred years old he fathered Arpachshad, two years after the flood.

11 After the birth of Arpachshad, Shem lived five hundred years and fathered sons and daughters.

12 When Arpachshad was thirty-five years old he fathered Shelah.

13 After the birth of Shelah, Arpachshad lived four hundred and three years and fathered sons and daughters.

14 When Shelah was thirty years old he fathered Eber.

15 After the birth of Eber, Shelah lived four hundred and three years and fathered sons and daughters.

16 When Eber was thirty-four years old he fathered Peleg.

17 After the birth of Peleg, Eber lived four hundred and thirty years and fathered sons and daughters.

18 When Peleg was thirty years old he fathered Reu.

19 After the birth of Reu, Peleg lived two hundred and nine years and fathered sons and daughters.

20 When Reu was thirty-two years old he fathered Serug.

21 After the birth of Serug, Reu lived two hundred and seven years and fathered sons and daughters.

22 When Serug was thirty years old he fathered Nahor.

23 After the birth of Nahor, Serug lived two hundred years and fathered sons and daughters.

24 When Nahor was twenty-nine years old he fathered Terah.

25 After the birth of Terah, Nahor lived a hundred and nineteen years and fathered sons and daughters.

26 When Terah was seventy years old he fathered Abram, Nahor and Haran.

27 These are Terah’s descendants: Terah fathered Abram, Nahor and Haran. Haran fathered Lot.

28 Haran died in the presence of his father Terah in his native land, Ur of the Chaldaeans.

29 Abram and Nahor both married: Abram’s wife was called Sarai, Nahor’s wife was called Milcah daughter of Haran, father of Milcah and Iscah.

30 Sarai was barren, having no child.

31 Terah took his son Abram, his grandson Lot son of Haran, and his daughter-in-law the wife of Abram, and made them leave Ur of the Chaldaeans to go to the land of Canaan. But on arrival in Haran they settled there.

32 Terah’s life lasted two hundred and five years; then he died at Haran.

Chapter 012
1 Yahweh said to Abram, ’Leave your country, your kindred and your father’s house for a country which I shall show you;

2 and I shall make you a great nation, I shall bless you and make your name famous; you are to be a blessing!

3 I shall bless those who bless you, and shall curse those who curse you, and all clans on earth will bless themselves by you.’

4 So Abram went as Yahweh told him, and Lot went with him. Abram was seventy-five years old when he left Haran.

5 Abram took his wife Sarai, his nephew Lot, all the possessions they had amassed and the people they had acquired in Haran. They set off for the land of Canaan, and arrived there.

6 Abram passed through the country as far as the holy place at Shechem, the Oak of Moreh. The Canaanites were in the country at the time.

7 Yahweh appeared to Abram and said, ’I shall give this country to your progeny.’ And there, Abram built an altar to Yahweh who had appeared to him.

8 From there he moved on to the mountainous district east of Bethel, where he pitched his tent, with Bethel to the west and Ai to the east. There he built an altar to Yahweh and invoked the name of Yahweh.

9 Then Abram made his way stage by stage to the Negeb.

10 There was a famine in the country, and Abram went down to Egypt to stay there for a time, since the famine in the country was severe.

11 When he was about to enter Egypt, he said to his wife Sarai, ’Look, I know you are a beautiful woman.

12 When the Egyptians see you they will say, ”That is his wife,” and they will kill me but leave you alive.

13 Therefore please tell them you are my sister, so that they may treat me well because of you and spare my life out of regard for you.’

14 When Abram arrived in Egypt the Egyptians did indeed see that the woman was very beautiful.

15 When Pharaoh’s officials saw her they sang her praises to Pharaoh and the woman was taken into Pharaoh’s household.

16 And Abram was very well treated because of her and received flocks, oxen, donkeys, men and women slaves, she-donkeys and camels.

17 But Yahweh inflicted severe plagues on Pharaoh and his household because of Abram’s wife Sarai.

18 So Pharaoh summoned Abram and said, ’What is this you have done to me? Why did you not tell me she was your wife?

19 Why did you say, ”She is my sister,” so that I took her to be my wife? Now, here is your wife. Take her and go!’

20 And Pharaoh gave his people orders about him; they sent him on his way with his wife and all his possessions.

Chapter 013
1 From Egypt Abram returned to the Negeb with his wife and all he possessed, and Lot with him.

2 Abram was very rich in livestock, silver and gold.

3 By stages he went from the Negeb to Bethel, where he had first pitched his tent, between Bethel and Ai,

4 at the place where he had formerly erected the altar. There Abram invoked the name of Yahweh.

5 Lot, who was travelling with Abram, had flocks and cattle of his own, and tents too.

6 The land was not sufficient to accommodate them both at once, for they had too many possessions to be able to live together.

7 Dispute broke out between the herdsmen of Abram’s livestock and those of Lot. (The Canaanites and Perizzites were living in the country at the time.)

8 Accordingly Abram said to Lot, ’We do not want discord between us or between my herdsmen and yours, for we are kinsmen.

9 Is not the whole land open before you? Go in the opposite direction to me: if you take the left, I shall go right; if you take the right, I shall go left.’

10 Looking round, Lot saw all the Jordan plain, irrigated everywhere — this was before Yahweh destroyed Sodom and Gomorrah-like the garden of Yahweh or the land of Egypt, as far as Zoar.

11 So Lot chose all the Jordan plain for himself and moved off eastwards. Thus they parted company:

12 Abram settled in the land of Canaan; Lot settled among the cities of the plain, pitching his tents on the outskirts of Sodom.

13 Now the people of Sodom were vicious and great sinners against Yahweh.

14 Yahweh said to Abram after Lot had parted company from him, ’Look all round from where you are, to north and south, to east and west,

15 for all the land within sight I shall give to you and your descendants for ever.

16 I shall make your descendants like the dust on the ground; when people succeed in counting the specks of dust on the ground, then they will be able to count your descendants too!

17 On your feet! Travel the length and breadth of the country, for I mean to give it to you.’

18 So Abram moved his tent and went to settle at the Oak of Mamre, at Hebron, and there he built an altar to Yahweh.

Chapter 014
1 When Amraphel king of Shinar, Arioch king of Ellasar, Chedor-Laomer king of Elam, and Tidal king of the Goiim,

2 made war on Bera king of Sodom, Birsha king of Gomorrah, Shinab king of Admah, Shemeber king of Zeboiim, and the king of Bela (that is, Zoar),

3 all the latter joined forces in the Valley of Siddim (now the Salt Sea).

4 For twelve years they had been under the yoke of Chedor-Laomer, but in the thirteenth year they revolted.

5 In the fourteenth year Chedor-Laomer arrived and the kings who had allied themselves with him. They defeated the Rephaim at Ashteroth-Carnaim, the Zuzim at Ham, the Emim in the Plain of Kiriathaim,

6 the Horites in the mountainous district of Seir near El-Paran, which is on the edge of the desert.

7 Wheeling round, they came to the Spring of Judgement (that is, Kadesh); they conquered all the territory of the Amalekites and also the Amorites who lived in Hazazon-Tamar.

8 Then the kings of Sodom, Gomorrah, Admah, Zeboiim and Bela (that is, Zoar) marched out and engaged them in the Valley of Siddim:

9 Chedor-Laomer king of Elam, Tidal king of the Goiim, Amraphel king of Shinar and Arioch king of Ellasar: four kings against five.

10 Now there were many bitumen wells in the Valley of Siddim, and in their flight the kings of Sodom and Gomorrah fell into them, while the rest fled into the hills.

11 The conquerors seized all the possessions of Sodom and Gomorrah, and all their provisions, and made off.

12 They also took Lot (the nephew of Abram) and his possessions and made off; he had been living at Sodom.

13 A survivor came to tell Abram, and Aner the Hebrew, who was living at the Oak of the Amorite Mamre, the brother of Eshcol; these were allies of Abram.

14 When Abram heard that his kinsman had been taken captive, he mustered his retainers born in his own household, numbering three hundred and eighteen, and gave chase as far as Dan.

15 He and his retainers deployed against them under cover of dark, defeated them and pursued them as far as Hobah, north of Damascus.

16 He recaptured all the goods as well as his kinsman Lot and his possessions, together with the women and people.

17 When Abram returned from defeating Chedor-Laomer and the kings who had been on his side, the king of Sodom came to meet him in the Valley of Shaveh (that is, the Valley of the King).

18 Melchizedek king of Salem brought bread and wine; he was a priest of God Most High.

19 He pronounced this blessing: Blessed be Abram by God Most High, Creator of heaven and earth. And blessed be God Most High for putting your enemies into your clutches.

20 And Abram gave him a tenth of everything.

21 The king of Sodom said to Abram, ’Give me the people and take the possessions for yourself.’

22 But Abram replied to the king of Sodom, ’I swear by God Most High, Creator of heaven and earth:

23 not one thread, not one sandal strap, will I take of what is yours, for you to be able to say, ”I made Abram rich.”

24 For myself, nothing — except what the troops have used up, and the share due to the men who came with me, Eshcol, Aner and Mamre; let them take their share.’

Chapter 015
1 Some time later, the word of Yahweh came to Abram in a vision: Do not be afraid, Abram! I am your shield and shall give you a very great reward.

2 ’Lord Yahweh,’ Abram replied, ’what use are your gifts, as I am going on my way childless? . . .

3 Since you have given me no offspring,’ Abram continued, ’a member of my household will be my heir.’

4 Then Yahweh’s word came to him in reply, ’Such a one will not be your heir; no, your heir will be the issue of your own body.’

5 Then taking him outside, he said, ’Look up at the sky and count the stars if you can. Just so will your descendants be,’ he told him.

6 Abram put his faith in Yahweh and this was reckoned to him as uprightness.

7 He then said to him, ’I am Yahweh who brought you out of Ur of the Chaldaeans to give you this country as your possession.’

8 ’Lord Yahweh,’ Abram replied, ’how can I know that I shall possess it?’

9 He said to him, ’Bring me a three-year-old heifer, a three-year-old she-goat, a three-year-old ram, a turtledove and a young pigeon.’

10 He brought him all these, split the animals down the middle and placed each half opposite the other; but the birds he did not divide.

11 And whenever birds of prey swooped down on the carcases, Abram drove them off.

12 Now, as the sun was on the point of setting, a trance fell on Abram, and a deep dark dread descended on him.

13 Then Yahweh said to Abram, ’Know this for certain, that your descendants will be exiles in a land not their own, and be enslaved and oppressed for four hundred years.

14 But I shall bring judgement on the nation that enslaves them and after this they will leave, with many possessions.

15 For your part, you will join your ancestors in peace; you will be buried at a happy old age.

16 In the fourth generation they will come back here, for until then the iniquity of the Amorites will not have reached its full extent.’

17 When the sun had set and it was dark, there appeared a smoking firepot and a flaming torch passing between the animals’ pieces.

18 That day Yahweh made a covenant with Abram in these terms: ’To your descendants I give this country, from the River of Egypt to the Great River, the River Euphrates,

19 the Kenites, the Kenizzites, the Kadmonites,

20 the Hittites, the Perizzites, the Rephaim,

21 the Amorites, the Canaanites, the Girgashites, and the Jebusites.’

Chapter 016
1 Abram’s wife Sarai had borne him no child, but she had an Egyptian slave-girl called Hagar.

2 So Sarai said to Abram, ’Listen, now! Since Yahweh has kept me from having children, go to my slave-girl. Perhaps I shall get children through her.’ And Abram took Sarai’s advice.

3 Thus, after Abram had lived in the land of Canaan for ten years, Sarai took Hagar her Egyptian slave-girl and gave her to Abram as his wife.

4 He went to Hagar and she conceived. And once she knew she had conceived, her mistress counted for nothing in her eyes.

5 Then Sarai said to Abram, ’This outrage done to me is your fault! It was I who put my slave-girl into your arms but, now she knows that she has conceived, I count for nothing in her eyes. Yahweh judge between me and you!’

6 ’Very well,’ Abram said to Sarai, ’your slave-girl is at your disposal. Treat her as you think fit.’ Sarai accordingly treated her so badly that she ran away from her.

7 The angel of Yahweh found her by a spring in the desert, the spring on the road to Shur.

8 He said, ’Hagar, slave-girl of Sarai, where have you come from, and where are you going?’ ’I am running away from my mistress Sarai,’ she replied.

9 The angel of Yahweh said to her, ’Go back to your mistress and submit to her.’

10 The angel of Yahweh further said to her, ’I shall make your descendants too numerous to be counted.’

11 Then the angel of Yahweh said to her: Now, you have conceived and will bear a son, and you shall name him Ishmael, for Yahweh has heard your cries of distress.

12 A wild donkey of a man he will be, his hand against every man, and every man’s hand against him, living his life in defiance of all his kinsmen.

13 Hagar gave a name to Yahweh who had spoken to her, ’You are El Roi,’ by which she meant, ’Did I not go on seeing here, after him who sees me?’

14 This is why the well is called the well of Lahai Roi; it is between Kadesh and Bered.

15 Hagar bore Abram a son, and Abram gave his son borne by Hagar the name Ishmael.

16 Abram was eighty-six years old when Hagar bore him Ishmael.

Chapter 017
1 When Abram was ninety-nine years old Yahweh appeared to him and said, ’I am El Shaddai. Live in my presence, be perfect,

2 and I shall grant a covenant between myself and you, and make you very numerous.’

3 And Abram bowed to the ground. God spoke to him as follows,

4 ’For my part, this is my covenant with you: you will become the father of many nations.

5 And you are no longer to be called Abram; your name is to be Abraham, for I am making you father of many nations.

6 I shall make you exceedingly fertile. I shall make you into nations, and your issue will be kings.

7 And I shall maintain my covenant between myself and you, and your descendants after you, generation after generation, as a covenant in perpetuity, to be your God and the God of your descendants after you.

8 And to you and to your descendants after you, I shall give the country where you are now immigrants, the entire land of Canaan, to own in perpetuity. And I shall be their God.’

9 God further said to Abraham, ’You for your part must keep my covenant, you and your descendants after you, generation after generation.

10 This is my covenant which you must keep between myself and you, and your descendants after you: every one of your males must be circumcised.

11 You must circumcise the flesh of your foreskin, and that will be the sign of the covenant between myself and you.

12 As soon as he is eight days old, every one of your males, generation after generation, must be circumcised, including slaves born within the household or bought from a foreigner not of your descent.

13 Whether born within the household or bought, they must be circumcised. My covenant must be marked in your flesh as a covenant in perpetuity.

14 The uncircumcised male, whose foreskin has not been circumcised — that person must be cut off from his people: he has broken my covenant.’

15 Furthermore God said to Abraham, ’As regards your wife Sarai, you must not call her Sarai, but Sarah.

16 I shall bless her and moreover give you a son by her. I shall bless her and she will become nations: kings of peoples will issue from her.’

17 Abraham bowed to the ground, and he laughed, thinking to himself, ’Is a child to be born to a man one hundred years old, and will Sarah have a child at the age of ninety?’

18 Abraham said to God, ’May Ishmael live in your presence! That will be enough!’

19 But God replied, ’Yes, your wife Sarah will bear you a son whom you must name Isaac. And I shall maintain my covenant with him, a covenant in perpetuity, to be his God and the God of his descendants after him.

20 For Ishmael too I grant you your request. I hereby bless him and will make him fruitful and exceedingly numerous. He will be the father of twelve princes, and I shall make him into a great nation.

21 But my covenant I shall maintain with Isaac, whom Sarah will bear you at this time next year.’

22 When he had finished speaking to Abraham, God went up from him.

23 Then Abraham took his son Ishmael, all the slaves born in his household or whom he had bought, in short all the males among the people of Abraham’s household, and circumcised their foreskins that same day, as God had said to him.

24 Abraham was ninety-nine years old when his foreskin was circumcised.

25 Ishmael his son was thirteen years old when his foreskin was circumcised.

26 Abraham and his son Ishmael were circumcised on the very same day,

27 and all the men of his household, those born in the household and those bought from foreigners, were circumcised with him.

Chapter 018
1 Yahweh appeared to him at the Oak of Mamre while he was sitting by the entrance of the tent during the hottest part of the day.

2 He looked up, and there he saw three men standing near him. As soon as he saw them he ran from the entrance of the tent to greet them, and bowed to the ground.

3 ’My lord,’ he said, ’if I find favour with you, please do not pass your servant by.

4 Let me have a little water brought, and you can wash your feet and have a rest under the tree.

5 Let me fetch a little bread and you can refresh yourselves before going further, now that you have come in your servant’s direction.’ They replied, ’Do as you say.’

6 Abraham hurried to the tent and said to Sarah, ’Quick, knead three measures of best flour and make loaves.’

7 Then, running to the herd, Abraham took a fine and tender calf and gave it to the servant, who hurried to prepare it.

8 Then taking curds, milk and the calf which had been prepared, he laid all before them, and they ate while he remained standing near them under the tree.

9 ’Where is your wife Sarah?’ they asked him. ’She is in the tent,’ he replied.

10 Then his guest said, ’I shall come back to you next year, and then your wife Sarah will have a son.’ Sarah was listening at the entrance of the tent behind him.

11 Now Abraham and Sarah were old, well on in years, and Sarah had ceased to have her monthly periods.

12 So Sarah laughed to herself, thinking, ’Now that I am past the age of childbearing, and my husband is an old man, is pleasure to come my way again?’

13 But Yahweh asked Abraham, ’Why did Sarah laugh and say, ”Am I really going to have a child now that I am old?”

14 Nothing is impossible for Yahweh. I shall come back to you at the same time next year and Sarah will have a son.’

15 Sarah said, ’I did not laugh,’ lying because she was afraid. But he replied, ’Oh yes, you did laugh.’

16 From there the men set out and arrived within sight of Sodom, with Abraham accompanying them to speed them on their way.

17 Now Yahweh had wondered, ’Shall I conceal from Abraham what I am going to do,

18 as Abraham will become a great and powerful nation and all nations on earth will bless themselves by him?

19 For I have singled him out to command his sons and his family after him to keep the way of Yahweh by doing what is upright and just, so that Yahweh can carry out for Abraham what he has promised him.’

20 Then Yahweh said, ’The outcry against Sodom and Gomorrah is so great and their sin is so grave,

21 that I shall go down and see whether or not their actions are at all as the outcry reaching me would suggest. Then I shall know.’

22 While the men left there and went to Sodom, Yahweh remained in Abraham’s presence.

23 Abraham stepped forward and said, ’Will you really destroy the upright with the guilty?

24 Suppose there are fifty upright people in the city. Will you really destroy it? Will you not spare the place for the sake of the fifty upright in it?

25 Do not think of doing such a thing: to put the upright to death with the guilty, so that upright and guilty fare alike! Is the judge of the whole world not to act justly?’

26 Yahweh replied, ’If I find fifty upright people in the city of Sodom, I will spare the whole place because of them.’

27 Abraham spoke up and said, ’It is presumptuous of me to speak to the Lord, I who am dust and ashes:

28 Suppose the fifty upright were five short? Would you destroy the whole city because of five?’ ’No,’ he replied, ’I shall not destroy it if I find forty-five there.’

29 Abraham persisted and said, ’Suppose there are forty to be found there?’ ’I shall not do it,’ he replied, ’for the sake of the forty.’

30 Abraham said, ’I hope the Lord will not be angry if I go on: Suppose there are only thirty to be found there?’ ’I shall not do it,’ he replied, ’if I find thirty there.’

31 He said, ’It is presumptuous of me to speak to the Lord: Suppose there are only twenty there?’ ’I shall not destroy it,’ he replied, ’for the sake of the twenty.’

32 He said, ’I trust my Lord will not be angry if I speak once more: perhaps there will only be ten.’ ’I shall not destroy it,’ he replied, ’for the sake of the ten.’

33 When he had finished talking to Abraham Yahweh went away, and Abraham returned home.

Chapter 019
1 When the two angels reached Sodom in the evening, Lot was sitting at the gate of Sodom. As soon as Lot saw them, he stood up to greet them, and bowed to the ground.

2 ’My lords,’ he said, ’please come down to your servant’s house to stay the night and wash your feet. Then you can make an early start on your journey.’ ’No,’ they said, ’we shall spend the night in the square.’

3 But he pressed them so much that they went home with him and entered his house. He prepared a meal for them, baking unleavened bread, and they had supper.

4 They had not gone to bed when the house was surrounded by the townspeople, the men of Sodom both young and old, all the people without exception.

5 Calling out to Lot they said, ’Where are the men who came to you tonight? Send them out to us so that we can have intercourse with them.’

6 Lot came out to them at the door and, having shut the door behind him,

7 said, ’Please, brothers, do not be wicked.

8 Look, I have two daughters who are virgins. I am ready to send them out to you, for you to treat as you please, but do nothing to these men since they are now under the protection of my roof.’

9 But they retorted, ’Stand back! This fellow came here as a foreigner, and now he wants to play the judge. Now we shall treat you worse than them.’ Then they forced Lot back and moved forward to break down the door.

10 But the men reached out, pulled Lot back into the house with them, and shut the door.

11 And they dazzled those who were at the door of the house, one and all, with a blinding light, so that they could not find the doorway.

12 The men said to Lot, ’Have you anyone else here? Your sons, your daughters and all your people in the city, take them away,

13 for we are about to destroy this place, since the outcry to Yahweh against those in it has grown so loud that Yahweh has sent us to destroy it.’

14 So Lot went off and spoke to his future sons-in-law who were to marry his daughters. ’On your feet!’ he said, ’Leave this place, for Yahweh is about to destroy the city.’ But his sons-in-law thought he was joking.

15 When dawn broke the angels urged Lot on, ’To your feet! Take your wife and your two daughters who are here, or you will be swept away in the punishment of the city.’

16 And as he hesitated, the men seized his hand and the hands of his wife and his two daughters — Yahweh being merciful to him — and led him out and left him outside the city.

17 When they had brought him outside, he was told, ’Flee for your life. Do not look behind you or stop anywhere on the plain. Flee to the hills or you will be swept away.’

18 ’Oh no, my lord!’ Lot said to them,

19 ’You have already been very good to your servant and shown me even greater love by saving my life, but I cannot flee to the hills, or disaster will overtake me and I shall die.

20 That town over there is near enough to flee to, and is small. Let me flee there-after all it is only a small place — and so survive.’

21 He replied, ’I grant you this favour too, and will not overthrow the town you speak of.

22 Hurry, flee to that one, for I cannot do anything until you reach it.’ That is why the town is named Zoar.

23 The sun rose over the horizon just as Lot was entering Zoar.

24 Then Yahweh rained down on Sodom and Gomorrah brimstone and fire of his own sending.

25 He overthrew those cities and the whole plain, with all the people living in the cities and everything that grew there.

26 But Lot’s wife looked back, and was turned into a pillar of salt.

27 Next morning, Abraham hurried to the place where he had stood before Yahweh,

28 and looking towards Sodom and Gomorrah and the whole area of the plain, he saw the smoke rising from the ground like smoke from a furnace.

29 Thus it was that, when God destroyed the cities of the plain, he did not forget Abraham and he rescued Lot from the midst of the overthrow, when he overthrew the cities where Lot was living.

30 After leaving Zoar Lot settled in the hill country with his two daughters, for he dared not stay at Zoar. He lived in a cave, he and his two daughters.

31 The elder said to the younger, ’Our father is an old man, and there is no one here to marry us in the normal way of the world.

32 Come on, let us ply our father with wine and sleep with him. In this way we can preserve the race by our father.’

33 That night they made their father drunk, and the elder slept with her father though he was unaware of her coming to bed or of her leaving.

34 The next day the elder said to the younger, ’Last night, I was the one who slept with our father. Let us make him drunk again tonight, and you go and sleep with him. In this way we can preserve the race by our father.’

35 They made their father drunk that night too, and the younger went and slept with him, though he was unaware of her coming to bed or of her leaving.

36 Both Lot’s daughters thus became pregnant by their father.

37 The elder gave birth to a son whom she named Moab; and he is the ancestor of the Moabites of our own times.

38 The younger also gave birth to a son whom she named Ben-Ammi; and he is the ancestor of the Bene-Ammon of our own times.

Chapter 020
1 Abraham left there for the region of the Negeb, and settled between Kadesh and Shur. While staying in Gerar,

2 Abraham said of his wife Sarah, ’She is my sister,’ and Abimelech the king of Gerar had Sarah brought to him.

3 But God visited Abimelech in a dream one night. ’You are to die,’ he told him, ’because of the woman you have taken, for she is a married woman.’

4 Abimelech, however, had not gone near her; so he said, ’Lord, would you kill someone even if he is upright?

5 Did he not tell me himself, ”She is my sister”? And she herself said, ”He is my brother.” I did this with a clear conscience and clean hands.’

6 ’Yes, I know,’ God replied in the dream, ’that you did this with a clear conscience and I myself prevented you from sinning against me. That was why I did not let you touch her.

7 Now send the man’s wife back; for he is a prophet and can intercede on your behalf for your life. But understand that if you do not send her back, this means death for you and all yours.’

8 Early next morning, Abimelech summoned his full court and told them the whole story, at which the people were very much afraid.

9 Then summoning Abraham, Abimelech said to him, ’What have you done to us? What wrong have I done you, for you to bring such guilt on me and on my kingdom? You had no right to treat me like this.’

10 Abimelech then said to Abraham, ’What possessed you to do such a thing?’

11 ’Because’, Abraham replied, ’I thought there would be no fear of God here and that I should be killed for the sake of my wife.

12 Anyway, she really is my sister, my father’s daughter though not my mother’s, besides being my wife.

13 So when God made me wander far from my father’s home I said to her, ”There is an act of love you can do me: everywhere we go, say of me that I am your brother.” ’

14 Abimelech took sheep, cattle, men and women slaves, and presented them to Abraham, and gave him back his wife Sarah.

15 And Abimelech said, ’Look, my land is open to you. Settle wherever you please.’

16 To Sarah he said, ’Look, I am giving your brother a thousand pieces of silver. This will allay suspicions about you, as far as all the people round you are concerned; you have been completely vindicated.’

17 Abraham then interceded with God, and God healed Abimelech, his wife and his slave-girls, so that they could have children,

18 for Yahweh had made all the women of Abimelech’s household barren on account of Sarah, Abraham’s wife.

Chapter 021
1 Yahweh treated Sarah as he had said, and did what he had promised her.

2 Sarah conceived and bore Abraham a son in his old age, at the time God had promised.

3 Abraham named the son born to him Isaac, the son to whom Sarah had given birth.

4 Abraham circumcised his son Isaac when he was eight days old, as God had commanded him.

5 Abraham was a hundred years old when his son Isaac was born to him.

6 Sarah said: God has given me cause to laugh! All who hear about this will laugh with me!

7 She added: Whoever would have told Abraham that Sarah would nurse children! Yet I have borne a son in his old age.

8 The child grew and was weaned, and Abraham gave a great banquet on the day Isaac was weaned.

9 Now Sarah watched the son that Hagar the Egyptian had borne to Abraham, playing with her son Isaac.

10 ’Drive away that slave-girl and her son,’ she said to Abraham, ’this slave-girl’s son is not to share the inheritance with my son Isaac.’

11 This greatly distressed Abraham, because the slave-girl’s child too was his son,

12 but God said to him, ’Do not distress yourself on account of the boy and your slave-girl. Do whatever Sarah says, for Isaac is the one through whom your name will be carried on.

13 But the slave-girl’s son I shall also make into a great nation, for he too is your child.’

14 Early next morning, Abraham took some bread and a skin of water and, giving them to Hagar, put the child on her shoulder and sent her away. She wandered off into the desert of Beersheba.

15 When the skin of water was finished she abandoned the child under a bush.

16 Then she went and sat down at a distance, about a bowshot away, thinking, ’I cannot bear to see the child die.’ Sitting at a distance, she began to sob.

17 God heard the boy crying, and the angel of God called to Hagar from heaven. ’What is wrong, Hagar?’ he asked. ’Do not be afraid, for God has heard the boy’s cry in his plight.

18 Go and pick the boy up and hold him safe, for I shall make him into a great nation.’

19 Then God opened Hagar’s eyes and she saw a well, so she went and filled the skin with water and gave the boy a drink.

20 God was with the boy. He grew up and made his home in the desert, and he became an archer.

21 He made his home in the desert of Paran, and his mother got him a wife from Egypt.

22 About then, Abimelech and Phicol, the commander of his army, said to Abraham, ’Since God is with you in everything you do,

23 swear to me by God, here and now, that you will not act treacherously towards me or my kith and kin, but behave with the same faithful love to me and the land of which you are a guest as I have behaved to you.’

24 ’Yes,’ Abraham replied, ’I swear it.’

25 Abraham then reproached Abimelech about a well that Abimelech’s servants had seized.

26 ’I do not know who has done this,’ Abimelech said. ’You yourself have never mentioned it to me and, for myself, I heard nothing of it till today.’

27 Abraham then took sheep and cattle and presented them to Abimelech, and the two of them made a covenant.

28 Abraham put seven lambs of the flock on one side.

29 ’Why have you put these seven lambs on one side?’ Abimelech asked Abraham.

30 He replied, ’You must accept these seven lambs from me as evidence that I have dug this well.’

31 This was why the place was called Beersheba: because there the two of them swore an oath.

32 After they had made a covenant at Beersheba, Abimelech and Phicol, the commander of his army, left and went back to Philistine territory.

33 And Abraham planted a tamarisk at Beersheba and there he invoked the name of Yahweh.

34 Abraham stayed for a long while in Philistine territory.

Chapter 022
1 It happened some time later that God put Abraham to the test. ’Abraham, Abraham!’ he called. ’Here I am,’ he replied.

2 God said, ’Take your son, your only son, your beloved Isaac, and go to the land of Moriah, where you are to offer him as a burnt offering on one of the mountains which I shall point out to you.’

3 Early next morning Abraham saddled his donkey and took with him two of his servants and his son Isaac. He chopped wood for the burnt offering and started on his journey to the place which God had indicated to him.

4 On the third day Abraham looked up and saw the place in the distance.

5 Then Abraham said to his servants, ’Stay here with the donkey. The boy and I are going over there; we shall worship and then come back to you.’

6 Abraham took the wood for the burnt offering, loaded it on Isaac, and carried in his own hands the fire and the knife. Then the two of them set out together.

7 Isaac spoke to his father Abraham. ’Father?’ he said. ’Yes, my son,’ he replied. ’Look,’ he said, ’here are the fire and the wood, but where is the lamb for the burnt offering?’

8 Abraham replied, ’My son, God himself will provide the lamb for the burnt offering.’ And the two of them went on together.

9 When they arrived at the place which God had indicated to him, Abraham built an altar there, and arranged the wood. Then he bound his son and put him on the altar on top of the wood.

10 Abraham stretched out his hand and took the knife to kill his son.

11 But the angel of Yahweh called to him from heaven. ’Abraham, Abraham!’ he said. ’Here I am,’ he replied.

12 ’Do not raise your hand against the boy,’ the angel said. ’Do not harm him, for now I know you fear God. You have not refused me your own beloved son.’

13 Then looking up, Abraham saw a ram caught by its horns in a bush. Abraham took the ram and offered it as a burnt offering in place of his son.

14 Abraham called this place ’Yahweh provides’, and hence the saying today: ’On the mountain Yahweh provides.’

15 The angel of Yahweh called Abraham a second time from heaven.

16 ’I swear by my own self, Yahweh declares, that because you have done this, because you have not refused me your own beloved son,

17 I will shower blessings on you and make your descendants as numerous as the stars of heaven and the grains of sand on the seashore. Your descendants will gain possession of the gates of their enemies.

18 All nations on earth will bless themselves by your descendants, because you have obeyed my command.’

19 Abraham went back to his servants, and together they set out for Beersheba, and Abraham settled in Beersheba.

20 It happened some time later that Abraham received word that Milcah, too, had now borne sons to his brother Nahor:

21 Uz his first-born, Buz his brother, Kemuel father of Aram,

22 Chesed, Hazo, Pildash, Jidlaph, Bethuel

23 (and Bethuel was the father of Rebekah). These were the eight children Milcah gave Nahor, Abraham’s brother.

24 He had a concubine named Reumah, and she too had children: Tebah, Gaham, Tahash and Maacah.

Chapter 023
1 The length of Sarah’s life was a hundred and twenty-seven years.

2 She died at Kiriath-Arba — now Hebron — in the land of Canaan, and Abraham proceeded to mourn and bewail her.

3 Then rising from beside his dead, Abraham spoke to the Hittites,

4 ’I am a stranger resident here,’ he said. ’Let me have a burial site of my own here, so that I can remove my dead for burial.’

5 The Hittites replied to Abraham,

6 ’Please listen to us, my lord, we regard you as a prince of God; bury your dead in the best of our tombs; not one of us would refuse you his tomb for you to bury your dead.’

7 At this, Abraham rose and bowed low to the local people, the Hittites,

8 and pleaded with them as follows, ’If you consent to my removing my dead for burial, you must agree to intercede for me with Ephron son of Zohar,

9 for him to let me have the cave he owns at Machpelah, which is on the edge of his field. Let him sell it to me in your presence at its full price, for a burial site of my own.’

10 Now Ephron was sitting among the Hittites, and Ephron the Hittite answered Abraham in the hearing of the Hittites, of all the inhabitants of his town.

11 ’No, my lord, listen to me,’ he said. ’I give you the field and the cave in it; I make this gift in the presence of my kinsmen. Bury your dead.’

12 Abraham bowed low to the local people

13 and, in the hearing of the local people, replied to Ephron as follows, ’Be good enough to listen to me. I shall pay the price of the field; accept it from me and I shall bury my dead there.’

14 Ephron replied to Abraham,

15 ’Please listen to me, my lord. What is a plot of land for four hundred shekels of silver between me and you? Bury your dead.’

16 Abraham agreed to Ephron’s terms, and Abraham weighed out for Ephron the silver he had stipulated in the hearing of the Hittites, namely four hundred shekels of silver, according to the current commercial rate.

17 Thus Ephron’s field at Machpelah, facing Mamre — the field and the cave in it and all the trees anywhere within the boundaries of the field — passed

18 into Abraham’s possession in the sight of the Hittites, of all the inhabitants of his town.

19 And after this, Abraham buried his wife Sarah in the cave of the field of Machpelah, facing Mamre — now Hebron — in the land of Canaan.

20 And so the field and the cave in it passed from the Hittites into Abraham’s possession as a burial site of his own.

Chapter 024
1 By now Abraham was an old man, well on in years, and Yahweh had blessed Abraham in every way.

2 Abraham said to the senior servant in his household, the steward of all his property, ’Place your hand under my thigh:

3 I am going to make you swear by Yahweh, God of heaven and God of earth, that you will not choose a wife for my son from the daughters of the Canaanites among whom I live

4 but will go to my native land and my own kinsfolk to choose a wife for my son Isaac.’

5 The servant asked him, ’What if the girl does not want to follow me to this country? Should I then take your son back to the country from which you come?’

6 Abraham replied, ’On no account are you to take my son back there.

7 Yahweh, God of heaven and God of earth, who took me from my father’s home, and from the land of my kinsfolk, and who promised me on oath, ”I shall give this country to your descendants”-he will now send his angel ahead of you, so that you can get a wife for my son from there.

8 If then the girl refuses to follow you, you will be quit of this oath to me. Only do not take my son back there.’

9 And the servant placed his hand under the thigh of his master Abraham, and swore to him that he would do it.

10 The servant took ten of his master’s camels and, carrying all kinds of gifts from his master, set out for the city of Nahor in Aram Naharaim.

11 In the evening, at the time when women come out to draw water, he made the camels kneel outside the town near the well.

12 And he said, ’Yahweh, God of my master Abraham, give me success today and show faithful love to my master Abraham.

13 While I stand by the spring as the young women from the town come out to draw water,

14 I shall say to one of the girls, ”Please lower your pitcher and let me drink.” And if she answers, ”Drink, and I shall water your camels too,” let her be the one you have decreed for your servant Isaac; by this I shall know you have shown faithful love to my master’

15 He had not finished speaking when out came Rebekah — who was the daughter of Bethuel son of Milcah, the wife of Abraham’s brother Nahor — with a pitcher on her shoulder.

16 The girl was very beautiful, and a virgin; no man had touched her. She went down to the spring, filled her pitcher and came up again.

17 Running towards her, the servant said, ’Please give me a sip of water from your pitcher.’

18 She replied, ’Drink, my lord,’ and quickly lowered her pitcher on her arm and gave him a drink.

19 When she had finished letting him drink, she said, ’I shall draw water for your camels, too, until they have had enough.’

20 She quickly emptied her pitcher into the trough, and ran to the well again to draw, and drew for all the camels.

21 All the while, the man stood watching her, not daring to speak, wondering whether Yahweh had made his journey successful or not.

22 When the camels had finished drinking, the man took a gold ring weighing half a shekel, and put it through her nose, and put two bracelets weighing ten gold shekels on her arms,

23 and said, ’Whose daughter are you? Please tell me. Is there room at your father’s house for us to spend the night?’

24 She replied, ’I am the daughter of Bethuel, the son whom Milcah bore to Nahor.’

25 And she went on, ’We have plenty of straw and fodder, and room to spend the night.’

26 Then the man bowed down and worshipped Yahweh

27 saying, ’Blessed be Yahweh, God of my master Abraham, for not withholding his faithful love from my master. Yahweh has led me straight to the house of my master’s brother.’

28 The girl ran to her mother’s house to tell what had happened.

29 Now Rebekah had a brother called Laban, and Laban ran out to the man at the spring.

30 As soon as he had seen the ring and the bracelets his sister was wearing, and had heard his sister Rebekah saying, ’This is what the man said to me,’ he went to the man and found him still standing by his camels at the spring.

31 He said to him, ’Come in, blessed of Yahweh, why stay out here when I have cleared the house and made room for the camels?’

32 The man went to the house, and Laban unloaded the camels. He provided straw and fodder for the camels and water for him and his companions to wash their feet.

33 They offered him food, but he said, ’I will eat nothing before I have said what I have to say.’ Laban said, ’Speak.’

34 He said, ’I am Abraham’s servant.

35 Yahweh has loaded my master with blessings, and Abraham is now very rich. He has given him flocks and herds, silver and gold, men and women slaves, camels and donkeys.

36 Sarah, my master’s wife, bore my master a son in his old age, and he has made over all his property to him.

37 My master made me take this oath, ”You are not to choose a wife for my son from the daughters of the Canaanites in whose country I live.

38 Instead, you are to go to my father’s home and to my own kinsfolk to choose a wife for my son.”

39 I said to my master, ”Suppose the girl will not agree to come with me?”

40 and his reply was, ”Yahweh, in whose presence I have walked, will send his angel with you and make your journey successful, for you to choose a wife for my son from my own kinsfolk, from my father’s house.

41 Then you will be quit of my curse: if you go to my family and they refuse you, you will be quit of my curse.”

42 Arriving today at the spring I said, ”Yahweh, God of my master Abraham, please grant a successful outcome to the course I propose to take.

43 While I stand by the spring, if a girl comes out to draw water and I say to her, ’Please give me a little water to drink from your pitcher,’

44 if she replies, ’Drink by all means, and I shall draw water for your camels too,’ let her be the girl whom Yahweh has decreed for my master’s son.”

45 I was still saying this in my mind when Rebekah came out, her pitcher on her shoulder. She came down to the spring and drew water. I said to her, ”Please give me a drink.”

46 Quickly she lowered her pitcher saying, ”Drink, and I shall water your camels too.”

47 I asked her, ”Whose daughter are you?” She replied, ”I am the daughter of Bethuel, whom Milcah bore to Nahor.” Then I put this ring through her nose and these bracelets on her arms.

48 I bowed down and worshipped Yahweh, and I blessed Yahweh, God of my master Abraham, who had led me by a direct path to choose the daughter of my master’s brother for his son.

49 Now tell me whether you are prepared to show constant and faithful love to my master; if not, say so, and I shall know what to do.’

50 Laban and Bethuel replied, ’This is from Yahweh; it is not for us to say yes or no to you.

51 Rebekah is there before you. Take her and go; and let her become the wife of your master’s son, as Yahweh has decreed.’

52 On hearing this, Abraham’s servant bowed to the ground before Yahweh.

53 He brought out silver and gold ornaments and clothes which he gave to Rebekah; he also gave rich presents to her brother and to her mother.

54 They ate and drank, he and his companions, and spent the night there. Next morning when they were up, he said, ’Let me go back to my master.’

55 Rebekah’s brother and mother replied, ’Let the girl stay with us for ten days or so; then she can go.’

56 But he replied, ’Do not delay me, since Yahweh has made my journey successful; let me leave and go back to my master.’

57 They replied, ’Let us call the girl and find out what she has to say.’

58 They called Rebekah and asked her, ’Will you go with this man?’ She replied, ’I will.’

59 Accordingly they let their sister Rebekah go, with her nurse, and Abraham’s servant and his men.

60 They blessed Rebekah and said to her: Sister of ours, from you may there spring thousands and tens of thousands! May your descendants gain possession of the gates of their enemies!

61 And forthwith, Rebekah and her maids mounted the camels, and followed the man. The servant took Rebekah and departed.

62 Isaac meanwhile had come back from the well of Lahai Roi and was living in the Negeb.

63 While Isaac was out walking towards evening in the fields, he looked up and saw camels approaching.

64 And Rebekah looked up and saw Isaac. She jumped down from her camel,

65 and asked the servant, ’Who is that man walking through the fields towards us?’ The servant replied, ’That is my master.’ So she took her veil and covered herself up.

66 The servant told Isaac the whole story.

67 Then Isaac took her into his tent. He married Rebekah and made her his wife. And in his love for her, Isaac was consoled for the loss of his mother.

Chapter 025
1 Abraham married another wife whose name was Keturah;

2 and she bore him Zimram, Jokshan, Medan, Midian, Ishbak and Shuah.

3 Jokshan was the father of Sheba and Dedan, and the descendants of Dedan were the Asshurites, the Letushim and the Leummim.

4 The descendants of Midian were Ephah, Epher, Hanoch, Abida and Eldaah. All these were sons of Keturah.

5 Abraham left all his possessions to Isaac.

6 To the sons of his concubines Abraham made grants during his lifetime, sending them away from his son Isaac eastward, to the Land of the East.

7 The number of years Abraham lived was a hundred and seventy-five.

8 When Abraham had breathed his last, dying at a happy ripe age, old and full of years, he was gathered to his people.

9 His sons Isaac and Ishmael buried him in the cave of Machpelah facing Mamre, in the field of Ephron the Hittite son of Zohar.

10 This was the field that Abraham had bought from the Hittites, and Abraham and his wife Sarah were buried there.

11 After Abraham’s death, God blessed his son Isaac. Isaac settled near the well of Lahai Roi.

12 These are the descendants of Ishmael son of Abraham by Hagar, Sarah’s Egyptian slave-girl.

13 These are the names of the sons of Ishmael by name and line: Ishmael’s first-born was Nebaioth; then Kedar, Adbeel, Mibsam,

14 Mishma, Dumah, Massa,

15 Hadad, Tema, Jetur, Naphish and Kedemah.

16 These are the sons of Ishmael, and these are their names, according to their settlements and encampments, twelve chiefs of as many tribes.

17 The number of years Ishmael lived was one hundred and thirty-seven. When he breathed his last and died, he was gathered to his people.

18 He lived in the territory stretching from Havilah-by-Shur just outside Egypt on the way to Assyria, and he held his own against all his kinsmen.

19 This is the story of Isaac son of Abraham. Abraham fathered Isaac.

20 Isaac was forty years old when he married Rebekah the daughter of Bethuel the Aramaean of Paddan-Aram, and sister of Laban the Aramaean.

21 Isaac prayed to Yahweh on behalf of his wife, for she was barren. Yahweh heard his prayer, and his wife Rebekah conceived.

22 But the children inside her struggled so much that she said, ’If this is the way of it, why go on living?’ So she went to consult Yahweh,

23 and Yahweh said to her: There are two nations in your womb, your issue will be two rival peoples. One nation will have the mastery of the other, and the elder will serve the younger.

24 When the time came for her confinement, there were indeed twins in her womb.

25 The first to be born was red, altogether like a hairy cloak; so they named him Esau.

26 Then his brother was born, with his hand grasping Esau’s heel; so they named him Jacob. Isaac was sixty years old at the time of their birth.

27 When the boys grew up Esau became a skilled hunter, a man of the open country. Jacob on the other hand was a quiet man, staying at home among the tents.

28 Isaac preferred Esau, for he had a taste for wild game; but Rebekah preferred Jacob.

29 Once, when Jacob was cooking a stew, Esau returned from the countryside exhausted.

30 Esau said to Jacob, ’Give me a mouthful of that red stuff there; I am exhausted’ — hence the name given to him, Edom.

31 Jacob said, ’First, give me your birthright in exchange.’

32 Esau said, ’Here I am, at death’s door; what use is a birthright to me?’

33 Then Jacob said, ’First give me your oath’; he gave him his oath and sold his birthright to Jacob.

34 Then Jacob gave him some bread and lentil stew; he ate, drank, got up and went away. That was all Esau cared about his birthright.

Chapter 026
1 There was a famine in the country — different from the previous famine which took place in the time of Abraham — and Isaac went to Abimelech, the Philistine king at Gerar.

2 Yahweh had appeared to him and said, ’Do not go down to Egypt; stay in the country which I shall point out to you.

3 Remain for the present in that country; I shall be with you and bless you, for I shall give all these countries to you and your descendants in fulfilment of the oath I swore to your father Abraham.

4 I shall make your descendants as numerous as the stars of heaven, and I shall give them all these countries, and all nations on earth will bless themselves by your descendants

5 in return for Abraham’s obedience; for he kept my charge, my commandments, my statutes and my laws.’

6 So Isaac stayed at Gerar.

7 When the people of the place asked him about his wife he replied, ’She is my sister,’ for he was afraid to say, ’She is my wife,’ thinking, ’The people of the place will kill me because of Rebekah, since she is beautiful.’

8 When he had been there some time, Abimelech the Philistine king happened to look out of the window and saw Isaac fondling his wife Rebekah.

9 Abimelech summoned Isaac and said to him, ’Surely she must be your wife! How could you have said, ”She is my sister”?’ Isaac replied, ’Because I thought I might be killed on her account.’

10 Abimelech said, ’What a thing to do to us! One of the people might easily have slept with your wife. We should have incurred guilt, thanks to you.’

11 Then Abimelech issued this order to all the people: ’Whoever touches this man or his wife will be put to death.’

12 Isaac sowed his crops in that country, and that year he reaped a hundredfold. Yahweh blessed him

13 and the man became rich; he prospered more and more until he was very rich indeed.

14 He acquired flocks and herds and a large retinue. The Philistines began to envy him.

15 The Philistines had blocked up all the wells dug by his father’s servants — in the days of his father Abraham — filling them in with earth.

16 Then Abimelech said to Isaac, ’You must leave us, for you have become much more powerful than we are.’

17 So Isaac left; he pitched camp in the Valley of Gerar and there he stayed.

18 Isaac reopened the wells dug by the servants of his father Abraham and blocked up by the Philistines after Abraham’s death, and he gave them the same names as his father had given them.

19 But when Isaac’s servants, digging in the valley, found a well of spring-water there,

20 the herdsmen of Gerar disputed it with Isaac’s herdsmen, saying, ’That water is ours!’ So Isaac named the well Esek, because they had disputed with him.

21 They dug another well, and there was a dispute over that one too; so he named it Sitnah.

22 Then he left there, and dug another well, and since there was no dispute over this one, he named it Rehoboth, saying, ’Now Yahweh has made room for us to thrive in the country.’

23 From there he went up to Beersheba.

24 Yahweh appeared to him the same night and said: I am the God of your father Abraham. Do not be afraid, for I am with you. I shall bless you and multiply your offspring for my servant Abraham’s sake.

25 There he built an altar and invoked the name of Yahweh. There he pitched his tent, and there Isaac’s servants sank a well.

26 Abimelech came from Gerar to see him, with Ahuzzath his adviser and Phicol the commander of his army.

27 Isaac said to them, ’Why do you come to me since you hate me, and have made me leave you?’

28 ’It became clear to us that Yahweh was with you,’ they replied, ’and so we thought, ”It is time to have a treaty sworn between us, between us and you.” So let us make a covenant with you:

29 that you will not do us any harm, since we never molested you but were unfailingly kind to you and let you go away in peace. Henceforth, Yahweh’s blessing on you!’

30 He then made them a feast and they ate and drank.

31 Early next morning, they exchanged oaths. Then Isaac bade them farewell and they left him as friends.

32 It happened, the same day, that Isaac’s servants brought him news about the well they had been digging. ’We have found water!’ they said to him.

33 So he called the well Sheba, and hence the town is named Beersheba to this day.

34 When Esau was forty years old he married Judith daughter of Beeri the Hittite, and Basemath daughter of Elon the Hittite.

35 These were a bitter disappointment to Isaac and Rebekah.

Chapter 027
1 When Isaac had grown old, and his eyes were so weak that he could no longer see, he summoned his elder son Esau. ’Son!’ he said, and Esau replied, ’Here I am.’

2 He then said, ’Look, I am old and do not know when I may die.

3 Now take your weapons, your quiver and bow; go out into the country and hunt me some game.

4 Make me the kind of appetising dish I like and bring it to me to eat and I shall give you my special blessing before I die.’

5 Rebekah was listening while Isaac was talking to his son Esau. So when Esau went into the country to hunt game for his father,

6 Rebekah said to her son Jacob, ’I have just heard your father saying to your brother Esau,

7 ”Bring me some game and make an appetising dish for me to eat and then I shall bless you in Yahweh’s presence before I die.”

8 Now, son, listen to me and do as I tell you.

9 Go to the flock and bring me back two good kids, so that I can make the kind of special dish your father likes.

10 Then take it to your father for him to eat, so that he may bless you before he dies.’

11 Jacob said to his mother Rebekah, ’Look, my brother Esau is hairy, while I am smooth-skinned.

12 If my father happens to touch me, he will see I am cheating him, and I shall bring a curse down on myself instead of a blessing.’

13 But his mother replied, ’On me be the curse, my son! Just listen to me; go and fetch me the kids.’

14 So he went to fetch them and brought them to his mother, and she made the kind of special dish his father liked.

15 Rebekah took her elder son Esau’s best clothes, which she had at home, and dressed her younger son Jacob in them,

16 covering his arms and the smooth part of his neck with the skins of the kids.

17 She then handed the special dish and the bread she had made to her son Jacob.

18 He went to his father and said, ’Father!’ ’Yes?’ he replied. ’Which of my sons are you?’

19 Jacob said to his father, ’I am Esau your first-born; I have done as you told me. Please sit up and eat some of the game I have brought and then give me your soul’s blessing.’

20 Isaac said to his son, ’Son, how did you succeed so quickly?’ He replied, ’Because Yahweh your God made things go well for me.’

21 Isaac said to Jacob, ’Come closer, son, so that I can feel you and be sure whether you really are my son Esau or not.’

22 Jacob went closer to his father Isaac, who felt him and said, ’The voice is Jacob’s voice but the arms are the arms of Esau!’

23 He did not recognise him since his arms were hairy like his brother Esau’s, and so he blessed him.

24 He said, ’Are you really my son Esau?’ And he replied, ’I am.’

25 Isaac said, ’Serve it to me, so that I can eat my son’s game and give you my special blessing.’ He served it to him and he ate; he offered him wine, and he drank.

26 His father Isaac said to him, ’Come closer, and kiss me, son.’

27 He went closer and kissed his father, who sniffed the smell of his clothes. Then he blessed him, saying: Ah, the smell of my son is like the smell of a fertile field which Yahweh has blessed.

28 May God give you dew from heaven, and the richness of the earth, abundance of grain and wine!

29 Let peoples serve you and nations bow low before you! Be master of your brothers; let your mother’s other sons bow low before you! Accursed be whoever curses you and blessed be whoever blesses you!

30 As soon as Isaac had finished blessing Jacob, and just as Jacob was leaving his father Isaac, his brother Esau returned from hunting.

31 He too made an appetising dish and brought it to his father, ’Father, please eat some of your son’s game and then give me your special blessing.’

32 His father Isaac asked, ’Who are you?’ ’I am your first-born son, Esau,’ he replied.

33 At this Isaac was seized with a violent trembling and said, ’Who was it, then, that went hunting and brought me the game? I finished eating it just before you came; I blessed him, and now blessed he will remain!’

34 On hearing his father’s words, Esau cried out loudly and bitterly and said to his father, ’Father, bless me too!’

35 But he replied, ’Your brother came by fraud and took your blessing.’

36 Esau said, ’His name should be Jacob right enough, for he has now supplanted me twice. First he took my birthright, and look, now he has gone and taken my blessing! But’, he added, ’have you not kept a blessing for me?’

37 Isaac replied to Esau, ’I have already made him your master; I have given him all his brothers as servants, I have given him grain and wine to sustain him. So what can I do for you, son?’

38 Esau said to his father, ’Can you bless only once, father? Father, bless me too.’ Isaac remained silent, and Esau began to weep aloud.

39 Then his father Isaac spoke again and said: ’Far from the richness of the earth and the dew of heaven above, your home will be.

40 By your sword you will live, and your brother will you serve. But when you win your freedom, you will shake his yoke off your neck.’

41 Esau hated Jacob because of the blessing his father had given him, and Esau said to himself, ’The time to mourn for my father will soon be here. Then I shall kill my brother Jacob.’

42 When the words of Esau, her elder son, were repeated to Rebekah, she sent for her younger son Jacob and said to him, ’Look, your brother Esau means to take revenge and kill you.

43 Now, son, listen to me; go at once and take refuge with my brother Laban in Haran.

44 Stay with him a while, until your brother’s fury cools,

45 until your brother’s anger is diverted from you and he forgets what you have done to him. Then I shall send someone to bring you back. I do not want to lose you both on one day!’

46 Rebekah said to Isaac, ’The Hittite women sicken me to death. If Jacob were to marry a Hittite woman like these, one of the local women, what would there be left in life for me?’

Chapter 028
1 So Isaac summoned Jacob and blessed him; and he gave him this order: ’You are not to marry any of the Canaanite women.

2 Go off to Paddan-Aram, the home of Bethuel your mother’s father, and there choose a wife for yourself from the daughters of Laban your mother’s brother.

3 May El Shaddai bless you; may he make you fruitful and make you multiply so that you become a group of nations.

4 May he grant you the blessing of Abraham, you and your descendants after you, so that one day you may own the country where you are now living as a stranger — which God gave to Abraham.’

5 Then Isaac sent Jacob away, and Jacob went to Paddan-Aram, to Laban son of Bethuel the Aramaean and brother of Rebekah the mother of Jacob and Esau.

6 When Esau saw that Isaac had blessed Jacob and sent him to Paddan-Aram to choose a wife there, and that in blessing him he had given him this order: ’You are not to choose a wife from the Canaanite women,’

7 and that, in obedience to his father and mother, Jacob had gone to Paddan-Aram,

8 Esau then realised how much his father Isaac disapproved of the Canaanite women.

9 So Esau went to Ishmael and chose for a wife, in addition to the wives he had, Mahalath daughter of Abraham’s son Ishmael and sister of Nebaioth.

10 Jacob left Beersheba and set out for Haran.

11 When he had reached a certain place, he stopped there for the night, since the sun had set. Taking one of the stones of that place, he made it his pillow and lay down where he was.

12 He had a dream: there was a ladder, planted on the ground with its top reaching to heaven; and God’s angels were going up and down on it.

13 And there was Yahweh, standing beside him and saying, ’I, Yahweh, am the God of Abraham your father, and the God of Isaac. The ground on which you are lying I shall give to you and your descendants.

14 Your descendants will be as plentiful as the dust on the ground; you will spread out to west and east, to north and south, and all clans on earth will bless themselves by you and your descendants.

15 Be sure, I am with you; I shall keep you safe wherever you go, and bring you back to this country, for I shall never desert you until I have done what I have promised you.’

16 Then Jacob awoke from his sleep and said, ’Truly, Yahweh is in this place and I did not know!’

17 He was afraid and said, ’How awe-inspiring this place is! This is nothing less than the abode of God, and this is the gate of heaven!’

18 Early next morning, Jacob took the stone he had used for his pillow, and set it up as a pillar, pouring oil over the top of it.

19 He named the place Bethel, but before that the town had been called Luz.

20 Jacob then made this vow, ’If God remains with me and keeps me safe on this journey I am making, if he gives me food to eat and clothes to wear,

21 and if I come home safe to my father’s home, then Yahweh shall be my God.

22 This stone I have set up as a pillar is to be a house of God, and I shall faithfully pay you a tenth part of everything you give me.’

Chapter 029
1 Continuing his journey, Jacob reached the Land of the Easterners.

2 And there, out in the open, he saw a well with three flocks of sheep lying beside it; this well was used for watering the flocks. Now the stone on the mouth of the well was a large one,

3 and only when all the flocks had collected there, did they roll the stone off the mouth of the well and water the sheep; then they would replace the stone over the mouth of the well.

4 Jacob said to the shepherds, ’Friends, where are you from?’ They replied, ’We are from Haran.’

5 He asked them, ’Do you know Laban son of Nahor?’ They replied, ’We do.’

6 Then he asked them, ’Is he well?’ ’He is,’ they replied, ’and here comes his daughter Rachel with the flock.’

7 Then he said, ’But it is still broad daylight, not the time to round up the animals. Why don’t you water the sheep and take them back to graze?’

8 To which, they replied, ’We can’t, until all the shepherds have assembled to roll the stone off the mouth of the well; then we can water the sheep.’

9 He was still talking to them, when Rachel arrived with her father’s flock, for she was a shepherdess.

10 As soon as Jacob saw Rachel, his uncle Laban’s daughter, with his uncle Laban’s flock, he went up and, rolling the stone off the mouth of the well, watered his uncle Laban’s sheep.

11 Jacob then kissed Rachel and burst into tears.

12 He told Rachel he was her father’s kinsman and Rebekah’s son, and she ran to tell her father.

13 As soon as he heard her speak of his sister’s son Jacob, Laban ran to greet him, embraced him, kissed him and took him to his house. Jacob told Laban everything that had happened,

14 and Laban said to him, ’You are indeed my bone and flesh!’ After Jacob had been staying with him for a month,

15 Laban said to Jacob, ’Just because you are my kinsman, why should you work for me for nothing? Tell me what wages you want.’

16 Now Laban had two daughters, the elder named Leah, and the younger Rachel.

17 Leah had lovely eyes, but Rachel was shapely and beautiful,

18 and Jacob had fallen in love with Rachel. So his answer was, ’I shall work for you for seven years in exchange for your younger daughter Rachel.’

19 Laban replied, ’It is better for me to give her to you than to a stranger; stay with me.’

20 So Jacob worked for seven years for Rachel, and they seemed to him like a few days because he loved her so much.

21 Then Jacob said to Laban, ’Give me my wife, for my time is up and I should like to go to her.’

22 Laban gathered all the people of the place together, and gave a banquet.

23 But when night came, he took his daughter Leah and brought her to Jacob, and he slept with her.

24 (Laban gave his slave-girl Zilpah to his daughter Leah as her slave.)

25 When morning came, it was Leah! So Jacob said to Laban, ’What have you done to me? Did I not work for you for Rachel? Why then have you tricked me?’

26 Laban replied, ’It is not the custom in our place to marry off the younger before the elder.

27 Finish this marriage week and I shall give you the other one too in return for your working for me for another seven years.’

28 Jacob agreed and, when he had finished the week, Laban gave him his daughter Rachel as his wife.

29 (Laban gave his slave-girl Bilhah to his daughter Rachel as her slave.)

30 So Jacob slept with Rachel too, and he loved Rachel more than Leah. He worked for Laban for another seven years.

31 When Yahweh saw that Leah was unloved, he opened her womb, while Rachel remained barren.

32 Leah conceived and gave birth to a son whom she named Reuben, meaning ’Yahweh has seen my misery’; and she said, ’Now my husband will love me.’

33 Conceiving again, she gave birth to a son and said, ’Yahweh heard that I was unloved, and so he has given me this one too’; and she named him Simeon.

34 Again she conceived and gave birth to a son, and said, ’This time my husband will become attached to me, because I have borne him three sons.’ Accordingly, she named him Levi.

35 Again she conceived and gave birth to a son, and said, ’Now I shall praise Yahweh!’ Accordingly, she named him Judah. Then she had no more children.

Chapter 030
1 Rachel, seeing that she herself gave Jacob no children, became jealous of her sister. And she said to Jacob, ’Give me children, or I shall die!’

2 This made Jacob angry with Rachel, and he retorted, ’Am I in the position of God, who has denied you motherhood?’

3 So she said, ’Here is my slave-girl, Bilhah. Sleep with her and let her give birth on my knees; through her, then, I too shall have children!’

4 So she gave him her slave-girl Bilhah as concubine. Jacob slept with her,

5 and Bilhah conceived and gave birth to a son by Jacob.

6 Then Rachel said, ’God has done me justice; yes, he has heard my prayer and given me a son.’ Accordingly she named him Dan.

7 Again Rachel’s slave-girl Bilhah conceived and gave birth to a second son by Jacob.

8 Then Rachel said, ’I have fought a fateful battle with my sister, and I have won!’ So she named him Naphtali.

9 Now Leah, seeing that she had ceased to bear children, took her slave-girl Zilpah and gave her to Jacob as concubine.

10 So Leah’s slave-girl Zilpah gave birth to a son by Jacob.

11 Then Leah exclaimed, ’What good fortune!’ So she named him Gad.

12 Leah’s slave-girl Zilpah gave birth to a second son by Jacob.

13 Then Leah said, ’What blessedness! Women will call me blessed!’ So she named him Asher.

14 One day, at the time of the wheat harvest, Reuben found some mandrakes in the field and brought them to his mother Leah. Rachel said to Leah, ’Please give me some of your son’s mandrakes.’

15 Leah replied, ’Is it not enough to have taken my husband, without your taking my son’s mandrakes as well?’ So Rachel said, ’Very well, he can sleep with you tonight in return for your son’s mandrakes.’

16 When Jacob came back from the fields that night, Leah went out to meet him and said, ’You must come to me, for I have hired you at the price of my son’s mandrakes.’ So he slept with her that night.

17 God heard Leah, and she conceived and gave birth to a fifth son by Jacob.

18 Then Leah said, ’God has given me my reward for giving my slave-girl to my husband.’ So she named him Issachar.

19 Again Leah conceived and gave birth to a sixth son by Jacob,

20 and said, ’God has given me a fine gift; now my husband will bring me presents, for I have borne him six sons.’ So she named him Zebulun.

21 Later she gave birth to a daughter and named her Dinah.

22 Then God remembered Rachel; he heard her and opened her womb.

23 She conceived and gave birth to a son, and said, ’God has taken away my disgrace!’

24 She named him Joseph, saying, ’May Yahweh add another son for me!’

25 When Rachel had given birth to Joseph, Jacob said to Laban, ’Release me and let me go home to my own country.

26 Give me my wives for whom I have worked for you, and my children, and let me go. You are well aware how long I have worked for you.’

27 Laban replied, ’If I have done what pleases you . . . I have learnt by divination that Yahweh has blessed me because of you.

28 So name your wages,’ he added, ’and I will pay.’

29 He replied, ’You know how hard I have worked for you, and how your stock has fared in my charge.

30 The little you had before I came has increased enormously, and Yahweh has blessed you wherever I have been. When am I to provide for my own household too?’

31 Laban said, ’How much am I to pay you?’ Jacob replied, ’You need not pay me anything. I shall change my mind and go on tending your flock, if you do this one thing for me.

32 ’Go through your entire flock today and remove every black animal among the sheep, and every speckled or spotted one among the goats. These will be my wages,

33 and my uprightness will answer for me later: when you come to check my wages, every goat I have that is not speckled or spotted, and every sheep that is not black will count as stolen by me.’

34 Laban replied, ’Good, just as you say.’

35 That same day he removed the striped and speckled he-goats and all the spotted and speckled she-goats, every one that had white on it, and all the black sheep, and entrusted these to his sons.

36 Then he put a three days’ journey between himself and Jacob, while Jacob grazed the rest of Laban’s flock.

37 Jacob then got fresh shoots from poplar, almond and plane trees, and peeled them in white strips, laying bare the white part of the shoots.

38 He set up the shoots he had peeled in front of the animals, in the troughs, in the water-holes where the animals came to drink. Since they mated when they came to drink,

39 the goats thus mated in front of the shoots and so the goats produced striped, spotted and speckled young.

40 The ewes, on the other hand, Jacob kept apart and made these face whatever was striped or black in Laban’s flock. Thus he built up droves of his own which he did not put with Laban’s flocks.

41 Furthermore, whenever the sturdier animals were mating, Jacob put the shoots where the animals could see them, in the troughs, so that they would mate in front of the shoots.

42 But when the animals were feeble, he did not put them there; so Laban got the feeble, and Jacob the sturdy.

43 Thus the man grew extremely rich, and came to own large flocks, men and women slaves, camels and donkeys.

Chapter 031
1 Jacob learned that Laban’s sons were saying, ’Jacob has taken everything that belonged to our father; it is at our father’s expense that he has acquired all this wealth,’

2 and Jacob also saw that Laban’s manner towards him was not as it had been in the past.

3 Yahweh said to Jacob, ’Go back to the land of your ancestors, where you were born, and I shall be with you.’

4 So Jacob had Rachel and Leah called to the fields where his flocks were,

5 and he said to them, ’I can see that your father’s manner towards me is not as it was in the past, but the God of my father has been with me.

6 You yourselves know that I have worked for your father with all my might,

7 and that your father has tricked me, changing my wages ten times over, and yet God has not allowed him to harm me.

8 Whenever he said, ”The spotted ones will be your wages,” all the animals produced spotted young; whenever he said, ”The striped ones will be your wages,” all the animals produced striped young.

9 Thus God has reclaimed your father’s livestock and given it to me.

10 Once, when the animals were on heat, I suddenly saw in a dream that the he-goats covering the females were striped or spotted or piebald.

11 In the dream the angel of God called to me, ”Jacob!” I said, ”Here I am.”

12 He said, ”Now take note: all the he-goats covering the females are striped or spotted or piebald — for I too have noted all the things that Laban has been doing to you,

13 I am the God who appeared to you at Bethel, where you poured oil on a pillar and made a vow to me. On your feet, then, leave this country and return to the land of your birth.” ’

14 In answer Rachel and Leah said to him, ’Are we still likely to inherit anything from our father’s estate?

15 Does he not think of us as outsiders now? For not only has he sold us, but he has completely swallowed up the money he got for us.

16 All the wealth that God has reclaimed from our father belonged to us and our children in any case. So do whatever God has told you.’

17 Forthwith, Jacob put his children and his wives on camels,

18 and drove off all his livestock — with all the possessions he had acquired, the livestock belonging to him which he had acquired in Paddan-Aram — to go to his father Isaac in Canaan.

19 Laban was away, shearing his sheep; Rachel in the meanwhile had appropriated the household idols belonging to her father,

20 and Jacob had outwitted Laban the Aramaean so that he would not be forewarned of his flight.

21 Thus he got away with all he had. He was soon across the River and heading for Mount Gilead.

22 Three days later Laban was told that Jacob had fled.

23 Taking his brothers with him, he pursued him for seven days and overtook him at Mount Gilead.

24 But God appeared to Laban the Aramaean in a dream that night and said to him, ’On no account say anything whatever to Jacob.’

25 Laban caught up with Jacob, who had pitched his tent in the hills; and Laban pitched camp on Mount Gilead.

26 Laban said to Jacob, ’What do you mean by outwitting me and then carrying off my daughters like prisoners of war?

27 Why did you flee in secret, stealing away without letting me know, so that I could send you on your way rejoicing, with songs and the music of tambourines and harps?

28 You did not even let me kiss my sons and daughters. You have behaved like a fool.

29 It is in my power to harm you, but the God of your father said to me last night, ”On no account say anything whatever to Jacob.”

30 Now it may be you really went because you had such a longing for your father’s house, but why did you steal my gods?’

31 Jacob answered Laban, ’I was afraid, thinking you were going to snatch your daughters from me.

32 But whoever is found in possession of your gods shall not remain alive. In the presence of our brothers, examine for yourself what I have, and take what is yours.’ Now Jacob did not know that Rachel had appropriated them.

33 Laban went into Jacob’s tent, and then into Leah’s tent and the tent of the two slave-girls, but he found nothing. He came out of Leah’s tent and went into Rachel’s.

34 Now Rachel had taken the household idols and put them inside a camel cushion, and was sitting on them. Laban went through everything in the tent but found nothing.

35 Then Rachel said to her father, ’Do not look angry, my lord, because I cannot rise in your presence, for I am as women are from time to time.’ Laban searched but did not find the idols.

36 Then Jacob lost his temper and took Laban to task. And Jacob said to Laban, ’What is my offence, what is my crime, for you to have hounded me like this?

37 You have gone through all my belongings; have you found anything belonging to your household? Produce it here in the presence of my brothers and yours, and let them decide between the two of us.

38 In all the twenty years I was under you, your ewes and your she-goats never miscarried, and I never ate rams from your flock.

39 Those mauled I never brought back to you, but bore the loss myself. You demanded compensation from me, whether the animal was stolen in daylight or at night.

40 In the daytime the heat devoured me, and frost at night; I never had a good night’s sleep.

41 It was like this for the twenty years I spent in your household. Fourteen years I slaved for you for your two daughters, and six years for your flock, since you changed my wages ten times over.

42 If the God of my father, the God of Abraham, the Kinsman of Isaac, had not been with me, you would have sent me away empty-handed. But God saw my plight and my labours, and last night he delivered judgement.’

43 Laban replied to Jacob, ’These daughters are my daughters and these children are my children, this livestock is my livestock: everything you see belongs to me. But what can I do today about my daughters here or about the children they have borne?

44 So come, let us make a pact, you and me . . . , and let that serve as a witness between us.’

45 Jacob then took a stone and set it up as a memorial.

46 Jacob said to his kinsmen, ’Collect some stones,’ and gathering some stones they made a cairn. They had a meal there, on the cairn, and

47 Laban called it Jegar-Sahadutha while Jacob called it Galeed.

48 Laban said, ’May this cairn be a witness between us today.’ That is why he named it Galeed,

49 and also Mizpah, because he said, ’Let Yahweh act as watchman between us when we are no longer in sight of each other.

50 If you ill-treat my daughters or marry other women besides my daughters, even though no one be with us, remember: God is witness between us.’

51 Then Laban said to Jacob, ’Here is this cairn I have thrown up between us, and here the pillar.

52 This cairn is a witness, and the pillar is a witness, that I am not to cross to your side of this cairn and you are not to cross to my side of this cairn and pillar, with hostile intent.

53 May the God of Abraham and the god of Nahor judge between us.’ Then Jacob swore by the Kinsman of his father Isaac.

54 He offered a sacrifice on the mountain and invited his kinsmen to the meal. They ate the meal, and passed the night on the mountain.

Chapter 032
1 Early next morning, Laban kissed his grandchildren and daughters and blessed them. Then Laban left to return home.

2 While Jacob was going on his way, angels of God encountered him,

3 and on seeing them he said, ’This is God’s camp,’ and he named the place Mahanaim.

4 Jacob sent messengers ahead of him to his brother Esau in Seir, the open country of Edom,

5 with these instructions, ’Say this to my lord Esau, ”Here is the message of your servant Jacob: I have been staying with Laban and have been delayed there until now,

6 and I own oxen, beasts of burden and flocks, and men and women slaves. I send news of this to my lord in the hope of winning your favour.” ’

7 The messengers returned to Jacob and told him, ’We went to your brother Esau, and he is already on his way to meet you; there are four hundred men with him.’

8 Jacob was greatly afraid and distressed. He divided the people with him, and the flocks and cattle, into two camps,

9 thinking, ’If Esau comes to one of the camps and attacks it, the remaining camp may be able to escape.’

10 Jacob said, ’God of my father Abraham, and God of my father Isaac, Yahweh who told me, ”Go back to your native land and I will be good to you,”

11 I am unworthy of all the faithful love and constancy you have shown your servant. I had only my staff when I crossed this Jordan, and now I have grown into two camps.

12 I implore you, save me from my brother Esau’s clutches, for I am afraid that he may come and attack me, mothers and children alike.

13 Yet it was you who said, ”I shall be very good to you, and make your descendants like the sand of the sea, which is too numerous to count.” ’

14 Then Jacob passed that night there. From what he had with him he chose a gift for his brother Esau:

15 two hundred she-goats and twenty he-goats, two hundred ewes and twenty rams,

16 thirty camels in milk with their calves, forty cows and ten bulls, twenty female donkeys and ten male.

17 He put them in the charge of his servants, in separate droves, and told his servants, ’Go ahead of me, leaving a space between each drove and the next.’

18 He gave the leading man this order: ’When my brother Esau meets you and asks, ”Whose man are you? Where are you going? Whose are those animals that you are driving?”

19 you will answer, ”Your servant Jacob’s. They are a gift sent to my lord Esau. And Jacob himself is just behind us.” ’

20 He gave the same order to the second and the third, and to all who were following the droves. ’That is what you must say to Esau when you find him.

21 And you must add, ”Your servant Jacob himself is just behind us.” ’ For he thought, ’If I conciliate him by sending a gift in advance, perhaps he will be well inclined towards me when I face him.’

22 The gift went ahead of him, but he himself spent that night in the camp.

23 That same night he got up and, taking his two wives, his two slave-girls and his eleven children, crossed the ford of the Jabbok.

24 After he had taken them across the stream, he sent all his possessions over too.

25 And Jacob was left alone. Then someone wrestled with him until daybreak

26 who, seeing that he could not master him, struck him on the hip socket, and Jacob’s hip was dislocated as he wrestled with him.

27 He said, ’Let me go, for day is breaking.’ Jacob replied, ’I will not let you go unless you bless me.’

28 The other said, ’What is your name?’ ’Jacob,’ he replied.

29 He said, ’No longer are you to be called Jacob, but Israel since you have shown your strength against God and men and have prevailed.’

30 Then Jacob asked, ’Please tell me your name.’ He replied, ’Why do you ask my name?’ With that, he blessed him there.

31 Jacob named the place Peniel, ’Because I have seen God face to face,’ he said, ’and have survived.’

32 The sun rose as he passed Peniel, limping from his hip.

33 That is why to this day the Israelites do not eat the thigh sinew which is at the hip socket: because he had struck Jacob at the hip socket on the thigh sinew.

Chapter 033
1 Looking up, Jacob saw Esau coming and with him four hundred men. He then divided the children between Leah, Rachel and the two slave-girls.

2 He put the slave-girls and their children in front, with Leah and her children following, and Rachel and Joseph behind.

3 He himself went ahead of them and bowed to the ground seven times, until he reached his brother.

4 But Esau ran to meet him, took him in his arms, threw himself on his neck and wept as he kissed him.

5 Then looking up he saw the women and children. ’Who are these with you?’ he asked. Jacob answered, ’The children whom God has bestowed on your servant.’

6 The slave-girls then came up with their children, and they all bowed low.

7 Then Leah too came up with her children, and they all bowed low. Finally Rachel and Joseph came up and bowed low.

8 Esau asked, ’What was the purpose of that whole camp I just met?’ ’To win my lord’s favour,’ he replied.

9 ’Brother, I have plenty,’ Esau answered, ’keep what is yours.’

10 Jacob protested, ’No, if I have won your favour, please accept the gift I offer, for in fact I have come into your presence as into the presence of God, since you have received me kindly.

11 So accept the gift I have brought for you, since God has been generous to me and I have all I need.’ And he urged him, and Esau accepted.

12 Esau said, ’Let us break camp and move off; I shall go beside you.’

13 But Jacob replied, ’As my lord knows, the children are weak, and the sheep and cows which have calved make it hard for me. If they are driven too hard, even for one day, the whole drove will die.

14 May it please my lord to go on ahead of his servant. For my part, I shall move at a slower pace, to suit the flock I am driving and the children, until I join my lord in Seir.’

15 Esau then said, ’At least let me leave you some of the people who are with me.’ ’What for?’ Jacob asked. ’Please indulge me, my lord!’

16 So that day Esau turned back towards Seir,

17 but Jacob made his way to Succoth, where he built himself a house and made shelters for his livestock; that is why the place was given the name of Succoth.

18 Jacob arrived safely at the town of Shechem in Canaanite territory, on his return from Paddan-Aram. He encamped opposite the town

19 and for one hundred pieces of silver he bought from the sons of Hamor father of Shechem the piece of land on which he had pitched his tent.

20 There he erected an altar which he called ’El, God of Israel’.

Chapter 034
1 Dinah, who was Jacob’s daughter by Leah, went out to visit some of the women of that region.

2 Shechem son of Hamor the Hivite, headman of the region, saw her, seized her and forced her to sleep with him.

3 He was captivated by Dinah daughter of Jacob; he fell in love with the girl and tried to win her heart.

4 Accordingly Shechem said to his father Hamor, ’Get me this girl; I want to marry her.’

5 Meanwhile, Jacob had heard how his daughter Dinah had been dishonoured, but since his sons were out in the countryside with his livestock, Jacob said nothing until they came back.

6 Hamor father of Shechem was visiting Jacob to discuss the matter with him,

7 when Jacob’s sons returned from the countryside and heard the news; the men were outraged and infuriated that Shechem had insulted Israel by sleeping with Jacob’s daughter — a thing totally unacceptable.

8 Hamor reasoned with them as follows, ’My son Shechem’s heart is set on your daughter. Please allow her to marry him.

9 Intermarry with us; give us your daughters and take our daughters for yourselves.

10 We can live together, and the country will be open to you, for you to live in, and move about in, and acquire holdings.’

11 Then Shechem addressed the girl’s father and brothers, ’Grant me this favour, and I will give you whatever you ask.

12 Demand as high a bride-price from me as you please, and I will pay as much as you ask. Only let me marry the girl.’

13 Jacob’s sons gave Shechem and his father Hamor a crafty answer, speaking as they did because he had dishonoured their sister Dinah.

14 ’We cannot do this,’ they said to them. ’To give our sister to an uncircumcised man would be a disgrace for us.

15 We can agree only on one condition: that you become like us by circumcising all your males.

16 Then we will give you our daughters, taking yours for ourselves; and we will stay with you to make one nation.

17 But if you will not agree to our terms about being circumcised, we shall take our daughter and go.’

18 Hamor and Shechem son of Hamor were pleased with what they heard.

19 The young man did not hesitate about doing this, for he was deeply in love with Jacob’s daughter. Moreover he was the most respected member of his entire family.

20 Hamor and his son Shechem went to the gate of their town and spoke to their fellow-townsmen as follows,

21 ’These men are friendly; let them settle in the region and move about freely in it; there is plenty of room here for them; we shall marry their daughters and give our daughters to them.

22 But these men will agree to settle with us and become a single nation only on this condition: that all our males be circumcised like them.

23 Will not the livestock they own, all their animals, become ours? Then let us give our assent to this, so that they can settle with us.’

24 All the citizens of the town agreed to the proposal made by Hamor and his son Shechem, and all the males were circumcised.

25 Now on the third day, when the men were still in pain, Jacob’s two sons Simeon and Levi, Dinah’s brothers, each took his sword and advanced unopposed against the town and slaughtered all the males.

26 They killed Hamor and his son Shechem with the sword, removed Dinah from Shechem’s house and came away.

27 When Jacob’s other sons came on the slain, they pillaged the town in reprisal for the dishonouring of their sister.

28 They seized their flocks, cattle, donkeys, everything else in the town and in the countryside,

29 and all their possessions. They took all their children and wives captive and looted everything to be found in the houses.

30 Jacob said to Simeon and Levi, ’You have done me an ill turn by bringing me into bad odour with the people of the region, the Canaanites and the Perizzites. I have few men, whereas they will unite against me to defeat me and destroy me and my family.’

31 They retorted, ’Should our sister be treated like a whore?’

Chapter 035
1 God said to Jacob, ’Move on, go to Bethel and settle there. Make an altar there for the God who appeared to you when you were fleeing from your brother Esau.’

2 Jacob said to his family and to all who were with him, ’Get rid of the foreign gods you have with you; cleanse yourselves, and change your clothes.

3 We must move on and go to Bethel. There I shall make an altar for the God who heard me when I was in distress, and gave me his help on the journey I made.’

4 They gave Jacob all the foreign gods in their possession, and the earrings that they were wearing. Jacob buried them under the oak tree near Shechem.

5 They broke camp; a divine terror struck the towns round about, and no one pursued the sons of Jacob.

6 When Jacob arrived at Luz in Canaan — that is, Bethel-and all the people with him,

7 he built an altar there and named the place El-Bethel, since it was there that God had appeared to him when he was fleeing from his brother.

8 Deborah, who had been Rebekah’s nurse, died and was buried below Bethel, under the oak tree; so they named it the Oak of Tears.

9 God again appeared to Jacob on his return from Paddan-Aram, and blessed him.

10 God said to him, ’Your name is Jacob, but from now on you will be called not Jacob but Israel.’ Thus he came by the name Israel.

11 God said to him, ’I am El Shaddai. Be fruitful and multiply. A nation, indeed an assembly of nations, will descend from you, and kings will issue from your loins.

12 The country which I gave to Abraham and Isaac, I now give to you; and this country I shall give to your descendants after you.’

13 Then God went up from him.

14 Jacob raised a monument at the spot where he had spoken to him, a standing-stone, on which he made a libation and poured oil.

15 Jacob named the place Bethel where God had spoken to him.

16 They left Bethel, and while they were still some distance from Ephrath, Rachel went into labour, and her pains were severe.

17 When her labour was at its hardest, the midwife said to her, ’Do not worry, this is going to be another boy.’

18 At the moment when she breathed her last, for she was dying, she named him Ben-Oni. His father, however, named him Benjamin.

19 So Rachel died and was buried on the road to Ephrath, now Bethlehem.

20 Jacob raised a monument on her grave, that same monument of Rachel’s Tomb which is there today.

21 Israel left and pitched his tent beyond Migdal-Eder.

22 While Israel was living in that district, Reuben went and slept with Bilhah his father’s concubine, and Israel found out. The sons of Jacob were now twelve.

23 The sons of Leah: Jacob’s eldest son Reuben, then Simeon, Levi, Judah, Issachar and Zebulun.

24 The sons of Rachel: Joseph and Benjamin.

25 The sons of Bilhah, Rachel’s slave-girl: Dan and Naphtali.

26 The sons of Zilpah, Leah’s slave-girl: Gad and Asher. These were the sons born to Jacob in Paddan-Aram.

27 Jacob came home to his father Isaac at Mamre, at Kiriath-Arba — now Hebron — where Abraham and Isaac had stayed.

28 Isaac was one hundred and eighty years old

29 when he breathed his last. He died and was gathered to his people, an old man who had enjoyed his full span of life. His sons Esau and Jacob buried him.

Chapter 036
1 These are the descendants of Esau, that is, Edom.

2 Esau chose his wives from the women of Canaan: Adah daughter of Elon the Hittite, Oholibamah daughter of Anah, son of Zibeon the Horite,

3 Basemath daughter of Ishmael and sister of Nebaioth.

4 Adah bore Eliphaz to Esau, Basemath bore Reuel,

5 Oholibamah bore Jeush, Jalam and Korah. These were the sons of Esau born to him in Canaan.

6 Esau took his wives, his sons and daughters, all the members of his household, his livestock, all his cattle and all the goods he had acquired in Canaan and left for Seir, away from his brother Jacob.

7 For they had acquired too much to live together. The land in which they were at that time could not support them both because of their livestock.

8 That is why Edom settled in the mountainous region of Seir. Esau is Edom.

9 These are the descendants of Esau, ancestor of Edom, in the mountainous region of Seir.

10 These are the names of Esau’s sons: Eliphaz son of Esau’s wife Adah, and Reuel son of Esau’s wife Basemath.

11 The sons of Eliphaz were: Teman, Omar, Zepho, Gatam and Kenaz.

12 Eliphaz son of Esau had Timna for concubine and she bore him Amalek. These were the sons of Esau’s wife Adah.

13 These were the sons of Reuel: Nahath, Zerah, Shammah and Mizzah. These were the sons of Esau’s wife Basemath.

14 And these were the sons of Esau’s wife Oholibamah daughter of Anah, son of Zibeon: she bore him Jeush, Jalam and Korah.

15 These are the chieftains of Esau. The descendants of Eliphaz, Esau’s eldest son: the chieftains of Teman, Omar, Zepho, Kenaz,

16 Gatam and Amalek. These are the chieftains of Eliphaz in Edom and are descended from Adah.

17 The descendants of Esau’s son Reuel: the chieftains of Nahath, Zerah, Shammah and Mizzah. These are the chieftains of Reuel in Edom and are descended from Esau’s wife Basemath.

18 The descendants of Esau’s wife Oholibamah: the chieftains of Jeush, Jalam and Korah. These are the chieftains of Esau’s wife Oholibamah daughter of Anah.

19 These were the sons of Esau — that is, Edom — and these are their chieftains.

20 These are the sons of Seir the Horite, natives of the country: Lotan, Shobal, Zibeon, Anah,

21 Dishon, Ezer and Dishan; these were the Horite chieftains descended from Seir, in Edom.

22 The sons of Lotan were Hori and Hemam, and Lotan’s sister was Timna.

23 These are the sons of Shobal: Alvan, Manahath, Ebal, Shepho and Onam.

24 These are the sons of Zibeon: Aiah, Anah — the Anah who found the hot springs in the desert while pasturing his father Zibeon’s donkeys.

25 These are the children of Anah: Dishon, and Oholibamah daughter of Anah.

26 These are the sons of Dishon: Hemdan, Eshban, Ithran and Cheran.

27 These are the sons of Ezer: Bilhan, Zaavan and Akan.

28 These are the sons of Dishan: Uz and Aran.

29 These are the Horite chieftains: the chieftains of Lotan, Shobal, Zibeon, Anah,

30 Dishon, Ezer and Dishan. These are the chieftains of the Horites, by their clans, in Seir.

31 These are the kings who reigned in Edom before an Israelite king.

32 In Edom reigned Bela son of Beor; his city was called Dinhabah.

33 Bela died and Jobab son of Zerah, from Bozrah, succeeded.

34 Jobab died and Husham from the land of the Temanites succeeded.

35 Husham died and Hadad son of Bedad succeeded; he defeated the Midianites in Moab, and his city was called Avith.

36 Hadad died and Samlah of Masrekah succeeded.

37 Samlah died and Shaul of Rehoboth-ha-Nahar succeeded.

38 Shaul died and Baal-Hanan son of Achbor succeeded.

39 Baal-Hanan died and Hadad succeeded; his city was called Pau and his wife’s name was Mehetabel daughter of Matred, from Mezahab.

40 These are the names of the chieftains of Esau — according to their clans and localities: the chieftains of Timna, Alvah, Jetheth,

41 Oholibamah, Elah, Pinon,

42 Kenaz, Teman, Mibzar,

43 Magdiel and Iram. These are the chieftains of Edom, as settled in the territory which they own. Esau was Edom’s ancestor.

Chapter 037
1 But Jacob settled in the land where his father had stayed, the land of Canaan.

2 This is the story of Joseph. Joseph was seventeen years old. As he was young, he was shepherding the flock with his brothers, with the sons of his father’s wives, Bilhah and Zilpah; and Joseph brought his father bad reports about them.

3 Jacob loved Joseph more than all his other sons, for he was the son of his old age, and he had a decorated tunic made for him.

4 But his brothers, seeing how much more his father loved him than all his other sons, came to hate him so much that they could not say a civil word to him.

5 Now Joseph had a dream, and he repeated it to his brothers, who then hated him more than ever.

6 ’Listen’, he said, ’to the dream I had.

7 We were binding sheaves in the field, when my sheaf suddenly rose and stood upright, and then your sheaves gathered round and bowed to my sheaf.’

8 ’So you want to be king over us,’ his brothers retorted, ’you want to lord it over us?’ And they hated him even more, on account of his dreams and of what he said.

9 He had another dream which he recounted to his brothers. ’Look, I have had another dream,’ he said. ’There were the sun, the moon and eleven stars, bowing down to me.’

10 He told his father and brothers, and his father scolded him. ’A fine dream to have!’ he said to him. ’Are all of us then, myself, your mother and your brothers, to come and bow to the ground before you?’

11 His brothers held it against him, but his father pondered the matter.

12 His brothers went to pasture their father’s flock at Shechem.

13 Then Israel said to Joseph, ’Your brothers are with the flock at Shechem, aren’t they? Come, I am going to send you to them.’ ’I am ready,’ he replied.

14 He said to him, ’Go and see how your brothers and the flock are doing, and bring me word.’ He sent him from the valley of Hebron, and Joseph arrived at Shechem.

15 A man found him wandering in the countryside and asked him, ’What are you looking for ? ’

16 ’I am looking for my brothers,’ he replied. ’Please tell me where they are pasturing their flock.’

17 The man answered, ’They have moved on from here; indeed I heard them say, ”Let us go to Dothan.” ’ So Joseph went after his brothers and found them at Dothan.

18 They saw him in the distance, and before he reached them they made a plot to kill him.

19 ’Here comes that dreamer,’ they said to one another.

20 ’Come on, let us kill him now and throw him down one of the storage-wells; we can say that some wild animal has devoured him. Then we shall see what becomes of his dreams.’

21 But Reuben heard, and he saved him from their clutches. ’We must not take his life,’ he said.

22 ’Shed no blood,’ said Reuben to them, ’throw him down that well out in the desert, but do not kill him yourselves’ — intending to save him from them and to restore him to his father.

23 So, when Joseph reached his brothers, they pulled off his tunic, the decorated tunic which he was wearing,

24 and catching hold of him, threw him into the well. The well was empty, with no water in it.

25 They then sat down to eat. Looking up, they saw a group of Ishmaelites who were coming from Gilead, their camels laden with gum tragacanth, balsam and resin, which they were taking to Egypt.

26 Then Judah said to his brothers, ’What do we gain by killing our brother and covering up his blood?

27 Come, let us sell him to the Ishmaelites, then we shall not have laid hands on him ourselves. After all, he is our brother, and our own flesh.’ His brothers agreed.

28 Now some Midianite merchants were passing, and they pulled Joseph out of the well. They sold Joseph to the Ishmaelites for twenty shekels of silver, and these men took Joseph to Egypt.

29 When Reuben went back to the well, there was no sign of Joseph. Tearing his clothes,

30 he went back to his brothers. ’The boy has gone,’ he said. ’What am I going to do?’

31 They took Joseph’s tunic and, slaughtering a goat, dipped the tunic in the blood.

32 Then they sent off the decorated tunic and had it taken to their father, with the message, ’This is what we have found. Do you recognise it as your son’s tunic or not?’

33 He recognised it and cried, ’My son’s tunic! A wild animal has devoured him! Joseph has been torn to pieces!’

34 Tearing his clothes and putting sackcloth round his waist, Jacob mourned his son for many days.

35 All his sons and daughters tried to comfort him, but he refused to be comforted. ’No,’ he said, ’I will go down to Sheol in mourning and join my son.’ Thus his father wept for him.

36 Meanwhile the Midianites had sold him in Egypt to Potiphar, one of Pharaoh’s officials and commander of the guard.

Chapter 038
1 It happened at about that time that Judah left his brothers, to go down and settle with a certain Adullamite called Hirah.

2 There Judah saw the daughter of a Canaanite called Shua. He made her his wife and slept with her.

3 She conceived and gave birth to a son whom she named Er.

4 She conceived again and gave birth to a son whom she named Onan.

5 Yet again she gave birth to a son whom she named Shelah. She was at Chezib when she gave birth to him.

6 Judah took a wife for his first-born Er, and her name was Tamar.

7 But Er, Judah’s first-born, offended Yahweh, and Yahweh killed him.

8 Then Judah said to Onan, ’Take your brother’s wife, and do your duty as her brother-in-law, to maintain your brother’s line.’

9 But Onan, knowing that the line would not count as his, spilt his seed on the ground every time he slept with his brother’s wife, to avoid providing offspring for his brother.

10 What he did was offensive to Yahweh, who killed him too.

11 Then Judah said to his daughter-in-law Tamar, ’Go home as a widow to your father, until my son Shelah grows up,’ for he was thinking, ’He must not die like his brothers.’ So Tamar went home to her father.

12 A long time passed, and then Shua’s daughter, the wife of Judah, died. After Judah had been comforted he went up to Timnah for the shearing of his sheep, he and his friend Hirah the Adullamite.

13 When Tamar was told, ’Look, your father-in-law is going up to Timnah for the shearing of his sheep,’

14 she changed out of her widow’s clothes, wrapped a veil around her to disguise herself, and sat down at the entrance to Enaim, which is on the way to Timnah; for she saw that, although Shelah was grown up, she had not been given to him as his wife.

15 Judah, seeing her, took her for a prostitute, since her face was veiled.

16 Going up to her on the road, he said, ’Here, let me sleep with you.’ He did not know that she was his daughter-in-law. ’What will you give me for sleeping with you?’ she asked.

17 ’I will send you a kid from the flock,’ he said. ’Agreed, if you give me a pledge until you send it,’ she replied.

18 ’What pledge shall I give you?’ he asked. ’Your seal and cord and the staff you are holding,’ she replied. He gave them to her and slept with her, and she conceived by him.

19 Then she got up and left him and, taking off her veil, resumed her widow’s weeds.

20 Judah sent the kid by his friend the Adullamite, to recover the pledge from the woman. But he did not find her.

21 He enquired from the men of the place, ’Where is the prostitute who was by the roadside at Enaim?’ ’There has been no prostitute there,’ they answered.

22 So returning to Judah he said, ’I did not find her. What is more, the men of the place told me there had been no prostitute there.’

23 ’Let her keep the things,’ Judah said, ’or we shall become a laughing-stock. At least I sent her this kid, even though you did not find her.’

24 About three months later, Judah was told, ’Your daughter-in-law has played the harlot; furthermore, she is pregnant, as a result of her misconduct.’ ’Bring her out,’ Judah ordered, ’and let her be burnt alive!’

25 But as she was being led off, she sent word to her father-in-law, ’It was the owner of these who made me pregnant. Please verify’, she said, ’whose seal and cord and staff these are.’

26 Judah recognised them and said, ’She was right and I was wrong, since I did not give her to my son Shelah.’ He had no further intercourse with her.

27 When the time for her confinement came, there were twins in her womb!

28 During the delivery, one of them put out a hand, and the midwife caught it and tied a scarlet thread to it, indicating that this was the first to arrive.

29 Whereupon, he drew back his hand, and out came his brother. Then she said, ’What a breach you have opened for yourself!’ So he was named Perez.

30 Then his brother came out with the scarlet thread on his hand, so he was named Zerah.

Chapter 039
1 Now Joseph had been taken down into Egypt. Potiphar the Egyptian, one of Pharaoh’s officials and commander of the guard, bought him from the Ishmaelites who had taken him down there.

2 Yahweh was with Joseph, and everything he undertook was successful. He lodged in the house of his Egyptian master,

3 and when his master saw how Yahweh was with him and how Yahweh made everything he undertook successful,

4 he was pleased with Joseph and made him his personal attendant; and his master put him in charge of his household, entrusting him with all his possessions.

5 And from the time he put him in charge of his household and all his possessions, Yahweh blessed the Egyptian’s household out of consideration for Joseph; Yahweh’s blessing extended to all his possessions, both household and estate.

6 So he left Joseph to handle all his possessions, and with him there, concerned himself with nothing beyond the food he ate. Now Joseph was well built and handsome,

7 and it happened some time later that his master’s wife cast her eyes on Joseph and said, ’Sleep with me.’

8 But he refused. ’Look,’ he said to his master’s wife, ’with me here, my master does not concern himself with what happens in the house, having entrusted all his possessions to me.

9 He himself wields no more authority in this house than I do. He has exempted nothing from me except yourself, because you are his wife. How could I do anything so wicked, and sin against God?’

10 Although she spoke to Joseph day after day, he would not agree to sleep with her or be with her.

11 But one day when Joseph came into the house to do his work, and none of the men of the household happened to be indoors,

12 she caught hold of him by his tunic and said, ’Sleep with me.’ But he left the tunic in her hand, took to his heels and got out.

13 When she saw that he had left the tunic in her hands as he ran out,

14 she called her servants and said to them, ’Look at this! My husband brought in a Hebrew to make a fool of me! He burst in on me, but I screamed,

15 and when he heard me scream, he left his tunic beside me and ran out of the house.’

16 She kept his tunic by her until his master came home.

17 Then she told him the same tale, ’The Hebrew slave you brought to us burst in on me to make a fool of me.

18 But when I screamed, he left his tunic beside me and ran away.’

19 When his master heard his wife say, ’This was how your slave treated me,’ he became furious.

20 Joseph’s master had him arrested and committed to the gaol where the king’s prisoners were kept. And there in gaol he stayed.

21 But Yahweh was with Joseph. He showed him faithful love and made him popular with the chief gaoler.

22 The chief gaoler put Joseph in charge of all the prisoners in the gaol, making him responsible for everything done there.

23 The chief gaoler did not bother about anything put in his charge, since Yahweh was with him, and Yahweh made everything he undertook successful.

Chapter 040
1 It happened some time later that the king of Egypt’s cup-bearer and his baker offended their master the king of Egypt.

2 Pharaoh was angry with his two officials, the chief cup-bearer and the chief baker,

3 and put them in custody in the house of the commander of the guard, in the gaol where Joseph was a prisoner.

4 The commander of the guard assigned Joseph to them to attend to their wants, and they remained in custody for some time.

5 Now both of them had dreams on the same night, each with its own meaning for the cup-bearer and the baker of the king of Egypt, who were prisoners in the gaol.

6 When Joseph came to them in the morning, he saw that they looked gloomy,

7 and he asked the two officials who were in custody with him in his master’s house, ’Why these sad looks today?’

8 They replied, ’We have each had a dream, but there is no one to interpret it.’ ’Are not interpretations God’s business?’ Joseph asked them. ’Tell me about them.’

9 So the chief cup-bearer described his dream to Joseph, telling him, ’In my dream there was a vine in front of me.

10 On the vine were three branches; no sooner had it budded than it blossomed, and its clusters became ripe grapes.

11 I had Pharaoh’s cup in my hand; I picked the grapes and squeezed them into Pharaoh’s cup, and put the cup into Pharaoh’s hand.’

12 ’This is what it means,’ Joseph told him. ’The three branches are three days.

13 In another three days Pharaoh will lift up your head by restoring you to your position. Then you will hand Pharaoh his cup, as you did before, when you were his cup-bearer.

14 But be sure to remember me when things go well with you, and keep faith with me by kindly reminding Pharaoh about me, to get me out of this house.

15 I was kidnapped from the land of the Hebrews in the first place, and even here I have done nothing to warrant being put in the dungeon.’

16 The chief baker, seeing that the interpretation had been favourable, said to Joseph, ’I too had a dream; there were three wicker trays on my head.

17 In the top tray there were all kinds of pastries for Pharaoh, such as a baker might make, and the birds were eating them off the tray on my head.’

18 Joseph replied as follows, ’This is what it means: the three trays are three days.

19 In another three days Pharaoh will lift up your head by hanging you on a gallows, and the birds will eat the flesh off your bones.’

20 And so it happened; the third day was Pharaoh’s birthday and he gave a banquet for all his officials. Of his officials he lifted up the head of the chief cup-bearer and the chief baker,

21 the chief cup-bearer by restoring him to his cup-bearing, so that he again handed Pharaoh his cup;

22 and by hanging the chief baker, as Joseph had explained to them.

23 But the chief cup-bearer did not remember Joseph; he had forgotten him.

Chapter 041
1 Two years later it happened that Pharaoh had a dream: there he was, standing by the Nile,

2 and there, coming up from the Nile, were seven cows, sleek and fat, and they began to feed among the rushes.

3 And then seven other cows, wretched and lean, came up from the Nile, behind them; and these went over and stood beside the other cows on the bank of the Nile.

4 The wretched and lean cows ate the seven sleek and fat cows. Then Pharaoh woke up.

5 He fell asleep and dreamed a second time: there, growing on one stalk, were seven ears of grain, full and ripe.

6 And then sprouting up, behind them, came seven ears of grain, meagre and scorched by the east wind.

7 The scanty ears of grain swallowed the seven full and ripe ears of grain. Then Pharaoh woke up; it had been a dream.

8 In the morning Pharaoh, feeling disturbed, had all the magicians and wise men of Egypt summoned to him. Pharaoh told them his dream, but there was no one to interpret it for Pharaoh.

9 Then the chief cup-bearer addressed Pharaoh, ’Today, I recall having been at fault.

10 When Pharaoh was angry with his servants, he put myself and the chief baker in custody in the house of the commander of the guard.

11 We had a dream on the same night, he and I, and each man’s dream had a meaning for himself.

12 There was a young Hebrew with us, one of the slaves belonging to the commander of the guard. We told our dreams to him and he interpreted them for us, telling each of us what his dream meant.

13 It turned out exactly according to his interpretation: I was restored to my position, but the other man was hanged.’

14 Then Pharaoh had Joseph summoned, and they hurried him from the dungeon. He shaved and changed his clothes, and presented himself before Pharaoh.

15 Pharaoh said to Joseph, ’I have had a dream, and there is no one to interpret it. But I have heard it said of you that you can interpret a dream the instant you hear it.’

16 ’Not I,’ Joseph replied to Pharaoh, ’God will give Pharaoh a favourable answer.’

17 So Pharaoh told Joseph, ’In my dream there I was, standing on the bank of the Nile.

18 And there were seven cows, fat and sleek, coming up out of the Nile, and they began to feed among the rushes.

19 And then seven other cows came up, behind them, starved, very wretched and lean; I have never seen such poor cows in all Egypt.

20 The lean and wretched cows ate up the first seven fat cows.

21 But when they had eaten them up, it was impossible to tell they had eaten them, for they looked as wretched as ever. Then I woke up.

22 And then again in my dream, there, growing on one stalk, were seven ears of grain, beautifully ripe;

23 but then sprouting up behind them came seven ears of grain, withered, meagre and scorched by the east wind.

24 Then the shrivelled ears of grain swallowed the seven ripe ears of grain. I have told the magicians, but no one has given me the answer.’

25 Joseph said to Pharaoh, ’Pharaoh’s dreams are one and the same: God has revealed to Pharaoh what he is going to do.

26 The seven fine cows are seven years and the seven ripe ears of grain are seven years; it is one and the same dream.

27 The seven gaunt and lean cows coming up behind them are seven years, as are the seven shrivelled ears of grain scorched by the east wind: there will be seven years of famine.

28 It is as I have told Pharaoh: God has revealed to Pharaoh what he is going to do.

29 Seven years are coming, bringing great plenty to the whole of Egypt,

30 but seven years of famine will follow them, when all the plenty in Egypt will be forgotten, and famine will exhaust the land.

31 The famine that is to follow will be so very severe that no one will remember what plenty the country used to enjoy.

32 The reason why Pharaoh had the same dream twice is that the event is already determined by God, and God will shortly bring it about.

33 ’Pharaoh should now find someone intelligent and wise to govern Egypt.

34 Pharaoh should take action and appoint supervisors for the country, and impose a tax of one-fifth on Egypt during the seven years of plenty.

35 They will collect all the food produced during these good years that are coming, and store the grain under Pharaoh’s authority, putting it in the towns and keeping it.

36 This food will form a reserve for the country against the seven years of famine which are coming on Egypt, so that the country will not be destroyed by the famine.’

37 Pharaoh and all his ministers approved of what he had said.

38 Then Pharaoh asked his ministers, ’Can we find anyone else endowed with the spirit of God, like him?’

39 So Pharaoh said to Joseph, ’Since God has given you knowledge of all this, there can be no one as intelligent and wise as you.

40 You shall be my chancellor, and all my people shall respect your orders; only this throne shall set me above you.’

41 Pharaoh said to Joseph, ’I hereby make you governor of the whole of Egypt.’

42 Pharaoh took the ring from his hand and put it on Joseph’s. He dressed him in robes of fine linen and put a gold chain round his neck.

43 He made him ride in the best chariot he had after his own, and they shouted ’Abrek!’ ahead of him. Thus he became governor of the whole of Egypt.

44 Pharaoh said to Joseph, ’Although I am Pharaoh, no one is to move hand or foot without your permission throughout Egypt.’

45 Pharaoh named Joseph Zaphenath-Paneah, and gave him Asenath daughter of Potiphera, priest of On, to be his wife. And Joseph began to journey all over Egypt.

46 Joseph was thirty years old when he entered the service of Pharaoh king of Egypt. After leaving Pharaoh’s presence, Joseph travelled throughout the length and breadth of Egypt.

47 During the seven years of plenty, the soil yielded generously.

48 He collected all the food of the seven years while there was an abundance in Egypt, and stored the food in the towns, placing in each the food from the surrounding countryside.

49 Joseph gathered in grain like the sand of the sea, in such quantity that he gave up keeping count, since it was past accounting.

50 Before the year of famine came, two sons were born to Joseph: Asenath daughter of Potiphera, priest of On, bore him these.

51 Joseph named the first-born Manasseh, ’Because’, he said, ’God has made me completely forget my hardships and my father’s House.’

52 He named the second Ephraim, ’Because’, he said, ’God has made me fruitful in the country of my misfortune.’

53 Then the seven years of plenty that there had been in Egypt came to an end,

54 and the seven years of famine set in, as Joseph had predicted. There was famine in every country, but throughout Egypt there was food.

55 But when all Egypt too began to feel the famine and the people appealed to Pharaoh for food, Pharaoh told all the Egyptians, ’Go to Joseph and do whatever he tells you.’

56 There was famine all over the world. Then Joseph opened all the granaries and rationed out grain to the Egyptians, as the famine grew even worse in Egypt.

57 People came to Egypt from all over the world to get supplies from Joseph, for the famine had grown severe throughout the world.

Chapter 042
1 Jacob, seeing that there were supplies to be had in Egypt, said to his sons, ’Why do you keep staring at one another?

2 I hear’, he said, ’that there are supplies in Egypt. Go down and procure some for us there, so that we may survive and not die.’

3 So ten of Joseph’s brothers went down to procure grain in Egypt.

4 But Jacob did not send Joseph’s brother Benjamin with his brothers. ’Nothing must happen to him,’ he thought.

5 Thus the sons of Israel were among the other people who came to get supplies, there being famine in Canaan.

6 It was Joseph, as the man in authority over the country, who allocated the rations to the entire population. So Joseph’s brothers went and bowed down before him, their faces touching the ground.

7 As soon as Joseph saw his brothers he recognised them. But he did not make himself known to them, and he spoke harshly to them. ’Where have you come from?’ he asked. ’From Canaan to get food,’ they replied.

8 Now when Joseph recognised his brothers, but they did not recognise him,

9 Joseph remembered the dreams he had had about them, and said to them, ’You are spies. You have come to discover the country’s weak points.’

10 ’No, my lord,’ they said, ’your servants have come to get food.

11 We are all sons of the same man. We are honest men, your servants are not spies.’

12 ’Oh no,’ he replied, ’you have come to discover the country’s weak points.’

13 ’Your servants were twelve brothers,’ they said, ’sons of the same man in Canaan, but the youngest is at present with our father, and the other one is no more.’

14 To which Joseph retorted, ’It is as I said, you are spies.

15 This is the test you are to undergo: as sure as Pharaoh lives you shall not leave unless your youngest brother comes here.

16 Send one of your number to fetch your brother; you others will remain under arrest, so that your statements can be tested to see whether or not you are honest. If not, then as sure as Pharaoh lives you are spies.’

17 Whereupon, he put them all into custody for three days.

18 On the third day Joseph said to them, ’Do this and you will live, for I am a man who fears God.

19 If you are honest men, let one of your brothers be detained where you are imprisoned; the rest of you, go and take supplies home for your starving families.

20 But you must bring your youngest brother back to me; in this way, what you have said will be verified, and you will not have to die!’ And this is what they did.

21 And they said to one another, ’Clearly, we are being punished for what we did to our brother. We saw his deep misery when he pleaded with us, but we would not listen, and now this misery has come home to us.’

22 Reuben retorted to them, ’Did I not tell you not to wrong the boy? But you would not listen. Now comes the accounting.’

23 They did not know that Joseph understood, because there was an interpreter between them.

24 He turned away from them and wept. When he was able to speak to them again, he chose Simeon out of their number and had him bound while they looked on.

25 Joseph gave the order to fill their panniers with grain, to put back each man’s money in his sack, and to give them provisions for the journey. This was done for them.

26 Then they loaded their supplies on their donkeys and went away.

27 But when they camped for the night, one of them opened his sack to give his donkey some fodder and saw his money — there it was in the mouth of his sack.

28 He said to his brothers, ’My money has been put back; here it is, in my sack!’ Their hearts sank, and they looked at one another in panic, saying, ’What is this that God has done to us?’

29 Returning to their father Jacob in Canaan, they gave him a full report of what had happened to them,

30 ’The man who is lord of the country spoke harshly to us, accusing us of spying on the country.

31 We told him, ”We are honest men, we are not spies.

32 We were twelve brothers, sons of the same father. One of us is no more, and the youngest is at present with our father in Canaan.”

33 But the man who is lord of the country said to us, ”This is how I shall know whether you are honest: leave one of your brothers with me. Take supplies for your starving families and be gone,

34 but bring me back your youngest brother and then I shall know that you are not spies but honest men. Then I shall give your brother back to you and you will be free to move about the country.” ’

35 As they emptied their sacks, each discovered his bag of money in his sack. On seeing their bags of money they were afraid, and so was their father.

36 Then their father Jacob said to them, ’You are robbing me of my children; Joseph is no more; Simeon is no more; and now you want to take Benjamin. I bear the brunt of all this!’

37 Then Reuben said to his father, ’You may put my two sons to death if I do not bring him back to you. Put him in my care and I will bring him back to you.’

38 But he replied, ’My son is not going down with you, for now his brother is dead he is the only one left. If any harm came to him on the journey you are undertaking, you would send my white head down to Sheol with grief!’

Chapter 043
1 But the famine in the country grew worse,

2 and when they had finished eating the supplies which they had brought from Egypt their father said to them, ’Go back and get us a little food.’

3 ’But’, Judah replied, ’the man expressly warned us, ”You will not be admitted to my presence unless your brother is with you.”

4 If you are ready to send our brother with us, we will go down and get food for you.

5 But if you are not ready to send him, we will not go down, in view of the man’s warning, ”You will not be admitted to my presence unless your brother is with you.” ’

6 Then Israel said, ’Why did you bring this misery on me by telling the man you had another brother?’

7 They replied, ’He kept questioning us about ourselves and our family, asking, ”Is your father still alive?” and, ”Have you another brother?” That is why we told him. How could we know he was going to say, ”Bring your brother down here”?’

8 Judah then said to his father Israel, ’Send the boy with me, and let us be off and go, if we are to survive and not die, we, you, and our dependants.

9 I will go surety for him, and you can hold me responsible for him. If I do not bring him back to you and produce him before you, let me bear the blame all my life.

10 Indeed, if we had not wasted so much time we should have been there and back twice by now!’

11 Then their father Israel said to them, ’If it must be so, then do this: take some of the country’s best products in your baggage and take them to the man as a gift: some balsam, some honey, gum tragacanth, resin, pistachio nuts and almonds.

12 Take double the amount of money with you and return the money put back in the mouths of your sacks; it may have been a mistake.

13 Take your brother, and go back to the man.

14 May El Shaddai move the man to be kind to you, and allow you to bring back your other brother and Benjamin. As for me, if I must be bereaved, bereaved I must be.’

15 The men took this gift; they took double the amount of money with them, and Benjamin. They set off, went down to Egypt and presented themselves before Joseph.

16 When Joseph saw Benjamin with them he said to his chamberlain, ’Take these men into the house. Slaughter a beast and prepare it, for these men are to eat with me at midday.’

17 The man did as Joseph had ordered, and took the men to Joseph’s house.

18 The men were afraid at being taken to Joseph’s house and said, ’We are being taken there because of the money replaced in our sacks the first time. They will set on us; they will fall on us and make slaves of us, and take our donkeys too.’

19 So they went up to Joseph’s chamberlain and spoke to him at the entrance to the house.

20 ’By your leave, sir,’ they said, ’we came down once before to get supplies,

21 and when we reached camp and opened our sacks, there was each man’s money in the mouth of his sack, to the full. But we have brought it back with us,

22 and we have brought more money with us for the supplies. We do not know who put our money in our sacks.’

23 ’Set your minds at ease,’ he replied, ’do not be afraid. Your God and the God of your father put treasure in your sacks for you. I received your money.’ And he brought Simeon out to them.

24 The man then took the men into Joseph’s house. He offered them water to wash their feet, and gave their donkeys fodder.

25 They arranged their gift while they waited for Joseph to come at midday, for they had heard they were to dine there.

26 When Joseph arrived at the house they offered him the gift they had with them, bowing low before him.

27 He greeted them pleasantly, asking, ’Is your father well, the old man you told me of ? Is he still alive?’

28 ’Your servant our father is well,’ they replied, ’he is still alive,’ and they bowed respectfully.

29 Looking about, he saw his brother Benjamin, his mother’s son. ’Is this your youngest brother’, he asked, ’of whom you told me?’ And he added, ’God be good to you, my son.’

30 Joseph hurried out; so strong was the affection he felt for his brother that he wanted to cry. He went into his room and there he wept.

31 After washing his face he returned and, controlling himself, gave the order: ’Serve the meal.’

32 He was served separately; so were they, and so were the Egyptians who ate in his household, for the Egyptians could not take food with Hebrews; Egyptians have a horror of doing so.

33 They were placed facing him in order of seniority, from the eldest to the youngest, and the men looked at one another in amazement.

34 He had portions carried to them from his own dish, the portion for Benjamin being five times larger than any of the others. And they feasted with him and drank freely.

Chapter 044
1 Then Joseph instructed his chamberlain as follows: ’Fill these men’s sacks with as much food as they can carry, and put each man’s money in the mouth of his sack.

2 And put my cup, the silver one, in the mouth of the youngest one’s sack as well as the money for his rations.’ He did as Joseph had instructed.

3 At daybreak, the men were sent off with their donkeys.

4 They had gone only a little way from the city, when Joseph said to his chamberlain, ’Away now and follow those men. When you catch up with them, say to them, ”Why have you repaid good with evil?

5 Is this not what my lord uses for drinking and also for reading omens? What you have done is wrong.” ’

6 So when he caught up with them he repeated these words.

7 They asked him, ’What does my lord mean? Your servants would never think of doing such a thing.

8 Look, we brought you back the money we found in the mouths of our sacks, all the way from Canaan. Are we likely to have stolen silver or gold from your master’s house?

9 Whichever of your servants is found to have it shall die, and the rest of us shall be slaves of my lord.’

10 ’Very well, then, it shall be as you say,’ he replied, ’the one on whom it is found shall become my slave, but the rest of you can go free.’

11 Each of them quickly lowered his sack to the ground, and each opened his own.

12 He searched, beginning with the eldest and ending with the youngest, and found the cup in Benjamin’s sack.

13 Then they tore their clothes, and when each man had reloaded his donkey they returned to the city.

14 When Judah and his brothers arrived at Joseph’s house he was still there, so they fell on the ground in front of him.

15 ’What do you mean by doing this?’ Joseph asked them. ’Did you not know that a man such as I am is a reader of omens?’

16 ’What can we answer my lord?’ Judah replied. ’What can we say? How can we clear ourselves? God himself has uncovered your servants’ guilt. Here we are then, my lord’s slaves, we no less than the one in whose possession the cup was found.’

17 ’I could not think of doing such a thing,’ he replied. ’The man in whose possession the cup was found shall be my slave, but you can go back unhindered to your father.’

18 At this, Judah went up to him and said, ’May it please my lord, let your servant have a word privately with my lord. Do not be angry with your servant, for you are like Pharaoh himself.

19 My lord questioned his servants, ”Have you father or brother?”

20 And we said to my lord, ”We have an old father, and a younger brother born of his old age. His brother is dead, so he is the only one by that mother now left, and his father loves him.”

21 Then you said to your servants, ”Bring him down to me, so that I can set eyes on him.”

22 We replied to my lord, ”The boy cannot leave his father. If he leaves him, his father will die.”

23 But you said to your servants, ”If your youngest brother does not come down with you, you will not be admitted to my presence again.”

24 When we went back to your servant my father, we repeated to him what my lord had said.

25 So when our father said, ”Go back and get us a little food,”

26 we said, ”We cannot go down. We shall go only if our youngest brother is with us for, unless our youngest brother is with us, we shall not be admitted to the man’s presence.”

27 So your servant our father said to us, ”You know that my wife bore me two children.

28 When one of them left me, I supposed that he must have been torn to pieces, and I have never seen him since.

29 If you take this one from me too and any harm comes to him, you will send my white head down to Sheol with grief.”

30 If I go to your servant my father now, and we do not have the boy with us, he will die as soon as he sees that the boy is not with us, for his heart is bound up with him;

31 and your servants will have sent your servant our father’s white head down to Sheol with grief.

32 Now your servant went surety to my father for the boy. I said: ”If I do not bring him back to you, let me bear the blame before my father all my life.”

33 Let your servant stay, then, as my lord’s slave in place of the boy, I implore you, and let the boy go back with his brothers.

34 How indeed could I go back to my father and not have the boy with me? I could not bear to see the misery that would overwhelm my father.’

Chapter 045
1 Then Joseph could not control his feelings in front of all his retainers, and he exclaimed, ’Let everyone leave me.’ No one therefore was present with him while Joseph made himself known to his brothers,

2 but he wept so loudly that all the Egyptians heard, and the news reached Pharaoh’s palace.

3 Joseph said to his brothers, ’I am Joseph. Is my father really still alive?’ His brothers could not answer him, they were so dumbfounded at seeing him.

4 Then Joseph said to his brothers, ’Come closer to me.’ When they had come closer to him he said, ’I am your brother Joseph whom you sold into Egypt.

5 But now, do not grieve, do not reproach yourselves for having sold me here, since God sent me before you to preserve your lives.

6 For this is the second year there has been famine in the country, and there are still five years to come without ploughing or harvest.

7 God sent me before you to assure the survival of your race on earth and to save your lives by a great deliverance.

8 So it was not you who sent me here but God, and he has set me up as a father to Pharaoh, as lord of all his household and governor of the whole of Egypt.

9 ’Return quickly to your father and tell him, ”Your son Joseph says this: ’God has made me lord of all Egypt. Come down to me without delay.

10 You will live in the region of Goshen where you will be near me, you, your children and your grandchildren, your flocks, your cattle and all your possessions.

11 There I shall provide for you — for there are five years of famine still to come — so that you, your household and all yours are not reduced to penury.’ ”

12 You can see with your own eyes, and my brother Benjamin can see too, that I am who I say I am.

13 Give my father a full report of all the honour I enjoy in Egypt, and of all you have seen; and quickly bring my father down here.’

14 Then throwing his arms round the neck of his brother Benjamin he wept; and Benjamin wept on his shoulder.

15 He kissed all his brothers, weeping on each one. Only then were his brothers able to talk to him.

16 News reached Pharaoh’s palace that Joseph’s brothers had come, and Pharaoh was pleased to hear it, as were his servants.

17 Pharaoh told Joseph, ’Say to your brothers, ”Do this: load your beasts and hurry away to Canaan.

18 Fetch your father and your families, and come back to me. I will give you the best territory in Egypt, where you will live off the fat of the land.”

19 And you, for your part, give them this order: ”Do this: take waggons from Egypt, for your little ones and your wives. Get your father and come.

20 Never mind about your property, for the best of all Egypt will be yours.” ’

21 Israel’s sons did as they were told. Joseph gave them waggons as Pharaoh had ordered, and he gave them provisions for the journey.

22 To each and every one he gave new clothes, and to Benjamin three hundred shekels of silver and five changes of clothes.

23 And to his father he sent ten donkeys laden with the best that Egypt offered, and ten she-donkeys laden with grain, bread and food for his father’s journey.

24 And so he sent his brothers on their way. His final words to them were, ’And let there be no upsets on the way!’

25 And so they left Egypt. When they reached their father Jacob in Canaan,

26 they gave him this report, ’Joseph is still alive. He is at this moment governor of all Egypt!’ But he was as one stunned, for he did not believe them.

27 However, when they told him all Joseph had said to them, and when he saw the waggons that Joseph had sent to fetch him, the spirit of their father Jacob revived,

28 and Israel said, ’That is enough! My son Joseph is still alive. I must go and see him before I die.’

Chapter 046
1 So Israel set out with all his possessions. Arriving at Beersheba, he offered sacrifices to the God of his father Isaac.

2 God spoke to Israel in a vision at night, ’Jacob, Jacob,’ he said. ’Here I am,’ he replied.

3 ’I am El, God of your father,’ he said. ’Do not be afraid of going down to Egypt, for I will make you into a great nation there.

4 I shall go down to Egypt with you and I myself shall bring you back again, and Joseph’s hand will close your eyes.’

5 So Jacob left Beersheba. Israel’s sons conveyed their father Jacob, their little children and their wives in the waggons Pharaoh had sent to fetch him.

6 Taking their livestock and all that they had acquired in Canaan, they arrived in Egypt — Jacob and all his offspring.

7 With him to Egypt, he brought his sons and grandsons, his daughters and granddaughters — all his offspring.

8 These were the names of the Israelites, Jacob and his descendants, who arrived in Egypt: Reuben, Jacob’s first-born,

9 and the sons of Reuben: Hanoch, Pallu, Hezron and Carmi.

10 The sons of Simeon: Jemuel, Jamin, Ohad, Jachin, Zohar, and Shaul the son of the Canaanite woman.

11 The sons of Levi: Gershon, Kohath and Merari.

12 The sons of Judah: Er, Onan, Shelah, Perez, and Zerah (Er and Onan had died in Canaan), and Hezron and Hamul sons of Perez.

13 The sons of Issachar: Tola, Puvah, Jashub and Shimron.

14 The sons of Zebulun: Sered, Elon and Jahleel.

15 These were the sons that Leah had borne to Jacob in Paddan-Aram, besides his daughter Dinah; in all, his sons and daughters numbered thirty-three.

16 The sons of Gad: Ziphion, Haggi, Shuni, Ezbon, Eri, Arodi and Areli.

17 The sons of Asher: Jimnah, Jishvah, Jishvi, Beriah, with their sister Serah; the sons of Beriah: Heber and Malchiel.

18 These were the sons of Zilpah whom Laban gave to his daughter Leah; she bore these to Jacob — sixteen persons.

19 The sons of Rachel wife of Jacob: Joseph and Benjamin.

20 Born to Joseph in Egypt were: Manasseh and Ephraim sons of Asenath, daughter of Potiphera priest of On.

21 The sons of Benjamin: Bela, Becher, Ashbel, Gera, Naaman, Ehi, Rosh, Muppim, Huppim and Ard.

22 These were the sons that Rachel bore to Jacob — fourteen persons in all.

23 The sons of Dan: Hushim.

24 The sons of Naphtali: Jahzeel, Guni, Jezer and Shillem.

25 These were the sons of Bilhah whom Laban gave to his daughter Rachel; she bore these to Jacob — seven persons in all.

26 Altogether, the members of Jacob’s family who arrived with him in Egypt — his own issue, not counting the wives of Jacob’s sons — numbered sixty-six all told.

27 With Joseph’s sons born to him in Egypt — two persons — the members of Jacob’s family who went to Egypt totalled seventy.

28 Israel sent Judah ahead to Joseph, so that Judah might present himself to Joseph in Goshen. When they arrived in Goshen,

29 Joseph had his chariot made ready and went up to Goshen to meet his father Israel. As soon as he appeared he threw his arms round his neck and for a long time wept on his shoulder.

30 Israel said to Joseph, ’Now I can die, now that I have seen you in person and seen you still alive.’

31 Then Joseph said to his brothers and his father’s family, ’I shall go back and break the news to Pharaoh. I shall tell him, ”My brothers and my father’s family who were in Canaan have come to me.

32 The men are shepherds and look after livestock, and they have brought their flocks and cattle and all their possessions.”

33 Thus, when Pharaoh summons you and asks, ”What is your occupation?”,

34 you are to say, ”Ever since our boyhood your servants have looked after livestock, we and our fathers before us,” so that you can stay in the Goshen region — for the Egyptians have a horror of all shepherds.’

Chapter 047
1 So Joseph went and told Pharaoh, ’My father and brothers have arrived from Canaan with their flocks and cattle and all their possessions. Here they are, in the region of Goshen.’

2 He had taken five of his brothers, and he now presented them to Pharaoh.

3 Pharaoh asked his brothers, ’What is your occupation?’ and they gave Pharaoh the answer, ’Your servants are shepherds, like our fathers before us.’

4 They went on to tell Pharaoh, ’We have come to stay in this country for the time being, since there is no pasturage for your servants’ flocks, Canaan being stricken with famine. So now please allow your servants to settle in the region of Goshen.’

5 Then Pharaoh said to Joseph,’They may stay in the region of Goshen, and if you know of any capable men among them, put them in charge of my own livestock.’ Jacob and his sons went to Egypt where Joseph was. Pharaoh king of Egypt heard about this and said to Joseph, ’Your father and brothers have come to you. The country of Egypt is open to you: settle your father and brothers in the best region.’

6 The country of Egypt is open to you: settle your father and brothers in the best region.’

7 Joseph brought his father and presented him to Pharaoh. Jacob paid his respects to Pharaoh.

8 Pharaoh asked Jacob, ’How many years have you lived?’

9 Jacob said to Pharaoh, ’The years of my stay on earth add up to one hundred and thirty years. Few and unhappy my years have been, falling short of my ancestors’ years in their stay on earth.’

10 Jacob then took leave of Pharaoh and withdrew from his presence.

11 Joseph then settled his father and brothers, giving them land holdings in Egypt, in the best part of the country, the region of Rameses, as Pharaoh had ordered.

12 Joseph provided his father, brothers and all his father’s family with food, down to the least of them.

13 And on all the earth around there was now no food anywhere, for the famine had grown very severe, and Egypt and Canaan were both weak with hunger.

14 Joseph accumulated all the money to be found in Egypt and Canaan, in exchange for the supplies being handed out, and put the money in Pharaoh’s palace.

15 When all the money in Egypt and Canaan was exhausted, all the Egyptians came to Joseph, pleading, ’Give us food, unless you want us to die before your eyes! For our money has come to an end.’

16 Joseph replied, ’Hand over your livestock and I shall issue you food in exchange for your livestock, if your money has come to an end.’

17 So they brought their livestock to Joseph, and Joseph gave them food in exchange for horses and livestock, whether sheep or cattle, and for donkeys. Thus he saw them through that year with food in exchange for all their livestock.

18 When that year was over, they came to him the next year, and said to him, ’We cannot hide it from my lord: the truth is, our money has run out and the livestock is in my lord’s possession. There is nothing left for my lord except our bodies and our land.

19 If we and our land are not to perish, take us and our land in exchange for food, and we with our land will become Pharaoh’s serfs; only give us seed, so that we can survive and not die and the land not revert to desert!’

20 Thus Joseph acquired all the land in Egypt for Pharaoh, since one by one the Egyptians sold their fields, so hard pressed were they by the famine; and the whole country passed into Pharaoh’s possession,

21 while the people he reduced to serfdom from one end of Egypt to the other.

22 The only land he did not acquire belonged to the priests, for the priests received an allowance from Pharaoh and lived on the allowance that Pharaoh gave them. Hence they had no need to sell their land.

23 Then Joseph said to the people, ’This is how we stand: I have bought you out, with your land, on Pharaoh’s behalf. Here is seed for you to sow the land.

24 But of the harvest you must give a fifth to Pharaoh. The other four-fifths you can have for sowing your fields, to provide food for yourselves and your households, and food for your children.’

25 ’You have saved our lives!’ they replied. ’If it please my lord, we will become serfs to Pharaoh.’

26 So Joseph made a law, still in force today, as regards the soil of Egypt, that one-fifth should go to Pharaoh. Only the land of the priests did not go to Pharaoh.

27 Thus Israel settled in Egypt, in the region of Goshen. They acquired property there; they were fruitful and grew very numerous.

28 Jacob lived seventeen years in Egypt; thus Jacob’s total age came to a hundred and forty-seven years.

29 When Israel’s time to die drew near he sent for his son Joseph and said to him, ’If you really love me, place your hand under my thigh as pledge that you will act with faithful love towards me: do not bury me in Egypt!

30 When I lie down with my ancestors, carry me out of Egypt and bury me in their tomb.’ ’I shall do as you say,’ he replied.

31 ’Swear to me,’ he insisted. So he swore to him, and Israel sank back on the pillow.

Chapter 048
1 Some time later, Joseph was informed, ’Your father has been taken ill.’ So he took with him his two sons Manasseh and Ephraim.

2 When Jacob was told, ’Look, your son Joseph has come to you,’ Israel, summoning his strength, sat up in bed.

3 ’El Shaddai appeared to me at Luz in Canaan,’ Jacob told Joseph, ’and he blessed me,

4 saying to me, ”I shall make you fruitful and numerous, and shall make you into an assembly of peoples and give this country to your descendants after you, to own in perpetuity.”

5 Now your two sons, born to you in Egypt before I came to you in Egypt, shall be mine; Ephraim and Manasseh shall be as much mine as Reuben and Simeon.

6 But with regard to the children you have had since them, they shall be yours, and they shall be known by their brothers’ names for the purpose of their inheritance.

7 ’When I was on my way from Paddan, to my sorrow death took your mother Rachel from me in Canaan, on the journey while only a short distance from Ephrath. I buried her there on the road to Ephrath — now Bethlehem.’

8 When Israel saw Joseph’s two sons, he asked, ’Who are these?’

9 ’They are my sons, whom God has given me here,’ Joseph told his father. ’Then bring them to me’, he said, ’so that I may bless them.’

10 Now, Israel’s eyes were dim with age, and he could not see. So Joseph made them come closer to him and he kissed and embraced them.

11 Then Israel said to Joseph, ’I did not think I should ever see you again, and now God has let me see your children as well!’

12 Then Joseph took them from his lap and bowed to the ground.

13 Then Joseph took the two of them, Ephraim with his right hand so that he should be on Israel’s left, and Manasseh with his left hand, so that he should be on Israel’s right, and brought them close to him.

14 But Israel held out his right hand and laid it on the head of Ephraim, the younger, and his left on the head of Manasseh, crossing his hands — Manasseh was, in fact, the elder.

15 Then he blessed Joseph saying: May the God in whose presence my fathers Abraham and Isaac walked, the God who has been my shepherd from my birth until this day,

16 the Angel who has saved me from all harm, bless these boys, so that my name may live on in them, and the names of my ancestors Abraham and Isaac, and they grow into teeming multitudes on earth!

17 Joseph saw that his father was laying his right hand on the head of Ephraim, and this he thought was wrong, so he took his father’s hand and tried to shift it from the head of Ephraim to the head of Manasseh.

18 Joseph protested to his father, ’Not like that, father! This one is the elder; put your right hand on his head.’

19 But his father refused. ’I know, my son, I know,’ he said. ’He too shall become a people; he too will be great. But his younger brother will be greater, his offspring will be sufficient to constitute nations.’

20 So he blessed them that day, saying: By you shall Israel bless itself, saying, ’God make you like Ephraim and Manasseh!’ putting Ephraim before Manasseh.

21 Then Israel said to Joseph, ’Now I am about to die. But God will be with you and take you back to the land of your ancestors.

22 As for me, I give you a Shechem more than your brothers, the one I took from the Amorites with my sword and bow.’

Chapter 049
1 Jacob called his sons and said, ’Gather round, so that I can tell you what is in store for you in the final days.

2 Gather round, sons of Jacob, and listen; listen to Israel your father.

3 Reuben, you are my first-born, my vigour, and the first-fruit of my manhood, foremost in pride, foremost in strength,

4 uncontrolled as water: you will not be foremost, for you climbed into your father’s bed, and so defiled my couch, to my sorrow.

5 Simeon and Levi are brothers in carrying out their malicious plans.

6 May my soul not enter their council nor my heart join their company, for in their rage they have killed men and hamstrung oxen at their whim.

7 Accursed be their rage for its ruthlessness, their wrath for its ferocity. I shall disperse them in Jacob, I shall scatter them through Israel.

8 Judah, your brothers will praise you: you grip your enemies by the neck, your father’s sons will do you homage.

9 Judah is a lion’s whelp; You stand over your prey, my son. Like a lion he crouches and lies down, a mighty lion: who dare rouse him?

10 The sceptre shall not pass from Judah, nor the ruler’s staff from between his feet, until tribute be brought him and the peoples render him obedience.

11 He tethers his donkey to the vine, to its stock the foal of his she-donkey. He washes his clothes in wine, his robes in the blood of the grape.

12 His eyes are darkened with wine and his teeth are white with milk.

13 Zebulun will live by the seashore and be a sailor on board the ships, with Sidon on his flank.

14 Issachar is a strong donkey lying down among sheepfolds.

15 When he saw how good the resting-place and how pleasant the country, he bowed his shoulder to the load and became a slave to forced labour.

16 Dan will govern his people like any other of the tribes of Israel.

17 May Dan be a snake on the road, a viper on the path, who bites the horse on the hock so that its rider falls off backwards!

18 I long for your deliverance, Yahweh!

19 Gad will be raided by raiders, and he will raid at their heels.

20 Rich the food produced by Asher: he will furnish food fit for kings.

21 Naphtali is a swift hind bearing lovely fawns.

22 Joseph is a fruitful plant near a spring whose tendrils reach over the wall.

23 Archers in their hostility drew their bows and attacked him.

24 But their bows were broken by a mighty One, the sinews of their arms were snapped by the power of the Mighty One of Jacob, by the Name of the Stone of Israel,

25 the God of your father who assists you, El Shaddai who blesses you: blessings of heaven above, blessings of the deep lying below, blessings of the breasts and womb,

26 blessings of the grain and flowers, blessings of the eternal mountains, bounty of the everlasting hills — may they descend on Joseph’s head, on the crown of the one dedicated from among his brothers!

27 Benjamin is a ravening wolf, in the morning he devours the prey, in the evening he is still sharing out the spoil.’

28 All these make up the tribes of Israel, twelve in number, and this is what their father said to them as he bade them farewell, giving each an appropriate blessing.

29 Then he gave them these instructions, ’I am about to be gathered to my people. Bury me with my ancestors, in the cave that is in the field of Ephron the Hittite,

30 in the cave in the field at Machpelah, facing Mamre, in Canaan, which Abraham bought from Ephron the Hittite as a burial site of his own.

31 There Abraham and his wife Sarah were buried. There Isaac and his wife Rebekah were buried; and there I buried Leah-

32 the field and the cave in it which were bought from the Hittites.’

33 When Jacob had finished giving his instructions to his sons, he drew his feet up into the bed, and breathing his last was gathered to his people.

Chapter 050
1 At this Joseph threw himself on his father’s face, covering it with tears and kisses.

2 Then Joseph ordered the doctors in his service to embalm his father. The doctors embalmed Israel,

3 and it took them forty days, for embalming takes forty days to complete. The Egyptians mourned him for seventy days.

4 When the period of mourning for him was over, Joseph said to Pharaoh’s household, ’If you have any affection for me, see that this message reaches Pharaoh’s ears,

5 ”My father put me under oath, saying: I am about to die. In the tomb which I dug for myself in Canaan, that is where you are to bury me. So may I have leave to go up and bury my father, and then come back?” ’

6 Pharaoh replied, ’Go up and bury your father, as he made you swear to do.’

7 Joseph went up to bury his father, and with him went all Pharaoh’s officials, the dignitaries of his palace and all the dignitaries of Egypt,

8 as well as all Joseph’s family, his brothers and his father’s family. The only people they left behind in Goshen were those unfit to travel, and their flocks and cattle.

9 Chariots and horsemen went up with him too; it was a very large retinue.

10 On arriving at Goren-ha-Atad, which is across the Jordan, they there held a long and solemn lamentation, and Joseph observed seven days’ mourning for his father.

11 When the Canaanites, the local inhabitants, witnessed the mourning at Goren-ha-Atad, they said, ’This is a solemn act of mourning by the Egyptians,’ which is why the place was given the name Abel-Mizraim-it is across the Jordan.

12 His sons did what he had ordered them to do for him.

13 His sons carried him to Canaan and buried him in the cave in the field at Machpelah, facing Mamre, which Abraham had bought from Ephron the Hittite as a burial site of his own.

14 Then Joseph returned to Egypt with his brothers and all those who had come up with him to bury his father.

15 Seeing that their father was dead, Joseph’s brothers said, ’What if Joseph intends to treat us as enemies and pay us back for all the wrong we did him?’

16 So they sent this message to Joseph: ’Before your father died, he gave us this order:

17 ”You are to say to Joseph: Now please forgive the crime and faults of your brothers and all the wrong they did you.” So now please forgive the crime of the servants of your father’s God.’ Joseph wept at the message they sent to him.

18 Then his brothers went to him themselves and, throwing themselves at his feet, said, ’Take us as your slaves!’

19 But Joseph replied, ’Do not be afraid; is it for me to put myself in God’s place?

20 The evil you planned to do me has by God’s design been turned to good, to bring about the present result: the survival of a numerous people.

21 So there is no need to be afraid; I shall provide for you and your dependants.’ In this way he reassured them by speaking affectionately to them.

22 So Joseph stayed in Egypt with his father’s family; and Joseph lived a hundred and ten years.

23 Joseph saw the third generation of Ephraim’s line, as also the children of Machir son of Manasseh, who were born on Joseph’s lap.

24 At length Joseph said to his brothers, ’I am about to die; but God will be sure to remember you kindly and take you out of this country to the country which he promised on oath to Abraham, Isaac and Jacob.’

25 And Joseph put Israel’s sons on oath, saying, ’When God remembers you with kindness, be sure to take my bones away from here.’

26 Joseph died at the age of a hundred and ten; he was embalmed and laid in a coffin in Egypt.

(Fr)

Croire au christianisme – verset biblique genisis

Source : https://rkbijbel.nl/kbs/bijbel/willibrord1975/neovulgaat https://nl.wikipedia.org/wiki/Genesis_(book)

La traduction de Willibrord est la traduction standard de la communauté de foi catholique romaine dans la région de langue néerlandaise et est publiée par la Fondation biblique catholique, en étroite collaboration avec la Fondation biblique flamande. La traduction Willibrord est largement appréciée en tant que traduction fidèle au texte original et offrant en même temps un texte en néerlandais contemporain compréhensible.

La Genèse (en grec : Γένεσις , « origine ») est le premier livre de la Bible hébraïque. La désignation hébraïque תישארב , Bereshit signifie « au commencement » et suit la tradition de désigner les livres par leur premier mot ; en néerlandais, le livre commence par la phrase : « Au commencement, Dieu créa les cieux et la terre ».

La Genèse est la première partie d’une construction narrative encore plus vaste, couvrant l’arc de la création à la fin du royaume de Juda et de la captivité babylonienne – la Genèse à travers 2 Rois. Au sein de ces histoires interdépendantes, la Genèse raconte l’histoire depuis le début, la création, à travers les patriarches des Israélites jusqu’à la captivité de la famille et des disciples de Jacob en Égypte.

La Genèse est traditionnellement attribuée à Moïse, mais l’érudition biblique contemporaine considère que l’œuvre est un produit des VIe et Ve siècles av.

Création (chapitre 1 – 2:3)

La Genèse commence par deux histoires de création. La première histoire raconte comment Dieu a créé le ciel, la terre, les plantes, les animaux et finalement l’homme en six jours. Le septième jour, il se reposa.

Histoire du paradis (chapitre 2:4 – 3:24)

Dans l’histoire du paradis, Dieu a créé après la terre avec des plantes et des animaux de la terre le premier homme, Adam, et l’a placé dans un beau jardin, le paradis (le jardin d’Eden). Dieu a interdit à Adam de manger de l’arbre de la connaissance du bien et du mal. Il a amené tous les animaux à Adam pour les nommer. Alors Dieu a endormi Adam et a fait la femme, Eve, d’une de ses côtes. Eve a été tentée par un serpent de manger un fruit de l’arbre interdit et à son tour elle a tenté Adam de le faire. À ce moment-là, ils se rendirent compte qu’ils étaient nus et en avaient honte, après quoi ils se couvrirent de feuilles de figuier. Pour empêcher Adam et Eve de manger aussi de l’arbre de vie et d’obtenir ainsi la vie éternelle, Dieu les a expulsés du jardin d’Eden.

Le premier meurtre (chapitre 4)

Adam et Eve ont eu deux fils : Caïn et Abel. Caïn est devenu jaloux d’Abel parce que Dieu a accepté l’offrande d’Abel et non la sienne. Il a tué Abel. Caïn parcourra désormais la terre. Il s’installe finalement au pays de Nod , à l’ est de

Eden. Il construisit une ville et lui donna le nom de son fils Enoch . Eve a eu un autre fils, Seth. Le chapitre 4 se termine par les mots : « A ce moment-là, ils commencèrent à invoquer le nom de l’Éternel.

Généalogie (chapitre 5)

Le chapitre 5 enregistre les générations successives d’Adam à Noé . Comme dans de nombreux mythes, les humains ont vécu jusqu’à un âge extrêmement avancé, atteignant près de 1 000 ans.

Le déluge (chapitre 6 – 9)

Après la chute, l’humanité s’est développée de mal en pis. De plus, les fils de Dieu (certains disent des anges déchus) ont épousé des femmes humaines et engendré des géants appelés nephilim . Dieu a décidé de donner à l’humanité 120 ans de plus, puis de les punir par un déluge. Seuls Noé et sa famille (sa femme, ses trois fils et leurs femmes) seraient sauvés en construisant une arche sur l’ordre de Dieu et en y prenant tous les animaux (de chaque animal pur sept paires, de l’impur). Noé avait alors 600 ans. Alors Dieu a envoyé le déluge : il a plu pendant 40 jours et nuits. Finalement, l’eau s’est retirée et l’arche a atterri sur le mont Ararat.[3] Dieu a promis de ne plus jamais apporter de déluge sur la terre et l’a confirmé avec le signe de l’arc-en-ciel. Après cela, Dieu a donné l’ordre de disperser et de remplir la terre de descendants.

Liste des nations (chapitre 10)

Le chapitre 10 contient une généalogie des descendants de Noé , la liste des nations.

Tour de Babel (chapitre 11)

Pourtant, le peuple a continué à vivre ensemble et à construire une ville dans la plaine de Shinar, et voulait là une tour qui atteindrait les cieux, avec laquelle maintenir l’unité et acquérir la renommée, la tour de Babel. Dieu est venu sur terre pour créer une confusion dans la langue, de sorte que les gens ne se comprennent plus et finalement ils se sont divisés en différents peuples. Ceci explique la propagation de l’humanité sur la terre.

Le reste de ce chapitre contient les généalogies des descendants de Sem et Térah . Il est frappant dans ces généalogies que l’âge des genres successifs diminue rapidement.

Résumé des histoires des patriarches Abraham (chapitres 12-25)

Le père d’Abraham, Térah, partit d’ Ur pour Haran et emmena son fils, qui à cette époque s’appelait encore Abram. A Haran , Abraham reçut l’ordre de Dieu de quitter son pays. Lui et son cousin Lot sont allés à Canaan, où Dieu lui a dit que ses descendants y vivraient. Dieu a promis à Abraham qu’il deviendrait une grande nation. Parce qu’il y avait une famine dans cette région à ce moment-là, Abraham est allé en Égypte. Après des frictions entre les bergers d’Abraham et de Lot, Lot se dirigea vers Sodome et Gomorrhe , tandis qu’Abraham se dirigea vers Hébron. Après une promesse répétée de Dieu de

Abraham que ses descendants hériteraient du pays de Canaan, Abraham a couché avec l’esclave Agar, parce que sa femme Sarah était trop vieille pour avoir un autre enfant. De là est né Ismaël. Après cela, Dieu fit une alliance avec Abraham, utilisant la circoncision comme signe.

Pendant ce temps, Lot était parti vivre à Sodome. Dieu voulait détruire Sodome et Gomorrhe à cause de la méchanceté des habitants. Bien qu’Abraham ait supplié Dieu d’épargner les villes, Dieu a maintenu sa décision. Deux anges ont averti Lot afin qu’il puisse échapper à la destruction. Sa femme s’est transformée en statue de sel quand elle a regardé en arrière. Les filles de Lot enivrent leur père, couchent avec lui, et toutes deux ont un fils.

Abraham avait un autre fils, cette fois de sa femme Sarah. Il l’appelait Isaac. Sarah a exhorté Abraham à renvoyer Agar et son fils. Un ange les a sauvés juste au moment où ils sont sur le point de périr dans le désert.

Dieu a demandé à Abraham de sacrifier Isaac. Un ange est intervenu quand Abraham a voulu tuer son fils. Après la mort de Sarah, Abraham envoya un serviteur chercher une femme pour Isaac. Il revint avec Rebekah, une sœur de Laban et une nièce d’Isaac. Après cela, une famine éclata et Isaac se rendit dans la ville philistine de Gerar . Là-bas, Dieu lui a également promis qu’il donnerait le pays de Canaan à ses descendants.

Après la mort d’Abraham, il fut enterré par ses fils Isaac et Ismaël.

Jacob (chapitres 25-37)

Isaac a eu deux fils, des jumeaux : Esaü et Jacob. Esaü était un chasseur et a vendu son droit d’aînesse à Jacob pour un bol de soupe aux lentilles. En vieillissant, Isaac est devenu malvoyant. Il convoqua Esaü pour le bénir et en faire son héritier. Cependant, à l’initiative de Rebecca, Jacob prétendit être Esaü et reçut la bénédiction. Il s’enfuit à Laban. En chemin, il a rêvé de l’échelle de Jacob. Il entendit aussi la voix de Dieu lui promettant que ses descendants auraient le pays de Canaan.

Jacob est allé travailler comme berger à Laban. Il est tombé amoureux de Rachel, la fille de Laban. Après sept ans de travail, il a été autorisé à l’épouser, mais Laban l’a trompé et il a épousé Léa, la fille aînée de Laban. Selon la tradition, la fille aînée devait se marier avant la cadette. Jacob a ensuite épousé Rachel, mais en guise de dot, il a dû à nouveau travailler pour Laban pendant sept ans. A cette époque, Jacob avait douze fils de ses deux femmes, et deux concubines Bilha et Zilpa . Dieu bénit Jacob et son troupeau grandit rapidement. Il est devenu un homme riche. Jacob craignit que Laban ne soit jaloux et décida de le quitter secrètement et de retourner auprès de son père Isaac. Cependant, Laban l’a rattrapé parce qu’il pensait que Jacob avait emporté ses idoles avec lui, ce que Rachel avait fait. Laban trouva Jacob, ne trouva pas les images et fit alliance avec lui.

À son retour, Jacob avait peur d’ Ésaü et lui a envoyé de nombreux cadeaux avant leur rencontre. Esaü n’était plus en colère, cependant.

Jacob a dressé ses tentes dans la ville de Sichem . Dina, fille de Jacob, y fut violée par Sichem, fils de Hamor, roi de la ville. Puis il a voulu épouser Dina. Les fils de Jacob conseillèrent à leur père d’accepter, mais d’exiger que tous les hommes de la ville soient circoncis. Cela arriva, et quand les hommes eurent la fièvre des plaies, les fils de Jacob tuèrent toute la ville. Jacob est ensuite allé à Béthel.

Joseph (chapitres 37-50)

Joseph interprète les rêves du boulanger et échanson (peut-être par Jan Mostaert ) Joseph était le fils aîné de l’épouse bien-aimée de Jacob, Rachel et était favorisé par son père. Les frères l’ont détesté pour cela et l’ont vendu en esclavage et ont dit à leur père que Joseph avait été mutilé par une bête sauvage. Joseph a été emmené en Égypte et est venu comme esclave dans la maison de Potiphar , un courtisan de Pharaon, où il a bâti la confiance totale de son maître.

La femme de Potiphar a essayé de séduire Joseph, mais il a résisté. La femme a ensuite accusé Joseph de tentative de viol. Potiphar jeta Joseph en prison. Un jour, le chef échanson et le chef boulanger de Pharaon furent jetés en prison. Là, ils ont fait un rêve et Joseph peut leur interpréter ce rêve. Il a prédit que le majordome serait réintégré mais que le boulanger encourrait la peine de mort. Et ainsi c’est arrivé.

Deux ans plus tard, Pharaon fit un rêve que personne ne pouvait lui expliquer. L’échanson lui montra Joseph, qui était toujours en prison. Joseph a été pris. Il a interprété le rêve de Pharaon qu’il y aurait sept ans d’abondance puis sept ans de famine. De plus, Joseph a donné des conseils. Pharaon nomma Joseph vice-roi et lui laissa toutes les affaires de l’État.

Joseph a veillé à ce que les greniers soient remplis dans les années d’abondance. Alors commença le temps de la famine. Il régna également sur le pays de Canaan, où vivait Jacob. Au bout de deux ans, les frères de Joseph sont venus en Égypte pour acheter du grain. Juste pour être sûr, le fils préféré de Jacob, Benjamin, est resté à la maison. Joseph a reconnu ses frères, mais les frères ne l’ont pas reconnu, et Joseph ne s’est pas identifié. Il accuse les hommes d’espionnage. Siméon a été emprisonné. Joseph a ordonné aux autres de rentrer chez eux et d’amener leur petit frère Benjamin avec eux la prochaine fois.

Quand la nourriture fut finie, les frères durent retourner en Egypte. Jacob a permis à contrecœur à Benjamin d’aller aussi. Joseph fit libérer Siméon de prison et reçut chaleureusement les frères. Puis il les renvoya chez eux avec des sacs de céréales remplis, mais sa coupe était cachée dans le sac de Benjamin. Peu de temps après leur départ, Joseph a envoyé son gardien après les frères pour trouver la coupe. La tasse a été mise dans le sac

de Benjamin, il fut donc fait prisonnier. Juda a supplié Joseph, offrant sa propre vie si seulement Benjamin pouvait retourner auprès de son père. Maintenant, il était clair pour Joseph que le caractère de ses frères avait changé. Il se fait connaître et invite Jacob à vivre en Egypte, dans la région de Goshen , où le meilleur du pays d’Egypte serait pour lui.

chapitre 001

1 Au commencement Dieu créa le ciel et la terre.
2 La terre était informe et vide; les ténèbres couvraient l’abîme, et l’Esprit de Dieu se mouvait au-dessus des eaux.
3 Dieu dit: ” Que la lumière soit! ” et la lumière fut.
4 Et Dieu vit que la lumière était bonne; et Dieu sépara la lumière et les ténèbres.
5 Dieu appela la lumière jour, et les ténèbres Nuit. Et il y eut un soir, et il y eut un matin; ce fut le premier jour.
6 Dieu dit: ” Qu’il y ait un firmament entre les eaux, et qu’il sépare les eaux d’avec les eaux. ”
7 Et Dieu fit le firmament, et il sépara les eaux qui sont au-dessous du firmament d’avec les eaux qui sont au-dessus du firmament. Et cela fut ainsi.
8 Dieu appela le firmament Ciel. Et il y eut un soir et il y eut un matin; ce fut le second jour.
9 Dieu dit: ” Que les eaux qui sont au-dessous du ciel se rassemblent en un seul lieu, et que le sec paraisse. ” Et cela fut ainsi.
10 Dieu appela le sec Terre, et il appela Mer l’amas des eaux. Et Dieu vit que cela était bon.
11 Puis Dieu dit: ” Que la terre fasse pousser du gazon des herbes portant semence, des arbres a fruit produisant, selon leur espèce, du fruit ayant en soi sa semence, sur la terre. ” Et cela fut ainsi.
12 Et la terre fit sortir du gazon, des herbes portant semence selon leur espèce, et des arbres produisant, selon leur espèce, du fruit ayant en soi sa semence. Et Dieu vit que cela était bon.
13 Et il y eut un soir, et il y eut un matin; ce fut le troisième jour.
14 Dieu dit: ” Qu’il y ait des luminaires dans le firmament du ciel pour séparer le jour et la nuit; qu’ils soient des signes, qu’ils marquent les époques, les jours et les années,
15 et qu’ils servent de luminaires dans le firmament du ciel pour éclairer la terre. ” Et cela fut ainsi.
16 Dieu fit les deux grands luminaires, le plus grand luminaire pour présider au jour, le plus petit luminaire pour présider à la nuit; il fil aussi les étoiles.
17 Dieu les plaça dans le firmament du ciel pour éclairer la terre, pour présider au jour et à la nuit,
18 et pour séparer la lumière et les ténèbres. Et Dieu vit que cela était bon.
19 Et il y eut un soir, et il y eut un matin ce fut le quatrième jour.
20 Dieu dit: ” Que les eaux foisonnent d’une multitude d’êtres vivants, et que les oiseaux volent sur la terre, sur la face du firmament du ciel. ”
21 Et Dieu créa les grands animaux aquatiques, et tout être vivant qui se meut, foisonnant dans les eaux, selon leur espèce, et tout volatile ailé selon son espèce.
22 Et Dieu vit que cela était bon. Et Dieu les bénit, en disant: ” Soyez féconds et multipliez, et remplissez les eaux de la mer, et que les oiseaux multiplient sur la terre. ”
23 Et il y eut un soir, et il y eut un matin: ce fut le cinquième jour.
24 Dieu dit: ” Que la terre fasse sortir des êtres animés selon leur espèce, des animaux domestiques, des reptiles et des bêtes de la terre selon leur espèce. ”
25 Et cela fut ainsi. Dieu fit les bêtes de la terre selon leur espèce, les animaux domestiques selon leur espèce, et tout ce qui rampe sur la terre selon son espèce. Et Dieu vit que cela était bon.
26 Puis Dieu dit: ” Faisons l’homme à notre image, selon notre ressemblance, et qu’il domine sur les poissons de la mer, sur les oiseaux du ciel, sur les animaux domestiques et sur toute la terre, et sur les reptiles qui rampent sur la terre. ”
27 Et Dieu créa l’homme à son image; il le créa à l’image de Dieu: il les créa mâle et femelle.
28 Et Dieu les bénit, et il leur dit: ” Soyez féconds, multipliez, remplissez la terre et soumettez-la, et dominez sur les poissons de là mer, sur les oiseaux du ciel et sur tout animal qui se meut sur la terre. ”
29 Et Dieu dit: ” Voici que je vous donne toute herbe portant semence à la surface de toute la terre, et tout arbre qui porte un fruit d’arbre ayant semence; ce sera pour votre nourriture.
30 Et à tout animal de la terre, et à tout oiseau du ciel, et à tout ce qui se meut sur la terre, ayant en soi un souffle de vie, je donne toute herbe verte pour nourriture. ” Et cela fut ainsi.
31 Et Dieu vit tout ce qu’il avait fait, et voici cela était très bon. Et il y eut un soir, et il y eut un matin: ce fut le sixième jour.

chapitre 002

1 Ainsi furent achevés le ciel et la terre, et toute leur armée.
2 Et Dieu eut achevé le septième jour son oeuvre qu’il avait faite, et il se reposa le septième jour de toute son oeuvre qu’il avait faite.
3 Et Dieu bénit le septième jour et le sanctifia, parce qu’en ce jour-là il s’était reposé de toute l’oeuvre qu’il avait créée en la faisant,
4 – Voici l’histoire du ciel et de la terre quand ils furent créés, lorsque Yahweh Dieu eut fait une terre et un ciel.
5 Il n’y avait encore sur la terre aucun arbrisseau des champs, et aucune herbe des champs n’avait encore germé; car Yahweh Dieu n’avait pas fait pleuvoir sur la terre, et il n’y avait pas d’homme pour cultiver le sol.
6 Mais une vapeur montait de la terre et arrosait toute la surface du sol.
7 Yahweh Dieu forma l’homme de la poussière du sol, et il souffla dans ses narines un souffle de vie, et l’homme devint un être vivant.
8 Puis Yahweh Dieu planta un jardin en Eden du côté de l’Orient, et il y mit l’homme qu’il avait formé.
9 Et Yahweh Dieu fit pousser du sol toute espèce d’arbres agréables à voir et bons à manger, et l’arbre de la vie au milieu du jardin, et l’arbre de la connaissance du bien et du mal.
10 Un fleuve sortait d’Eden pour arroser le jardin, et de là il se partageait en quatre bras.
11 Le nom du premier est Phison; c’est celui qui entoure tout le pays d’Hévilath, où se trouve l’or.
12 Et l’or de ce pays est bon; là aussi se trouvent le bdellium et la pierre d’onyx.
13 Le nom du second fleuve est Géhon; c’est celui qui entoure toute la terre de Cousch.
14 Le nom du troisième est le Tigre; c’est celui qui coule à l’orient d’Assur. Le quatrième fleuve est l’Euphrate.
15 Yahweh Dieu prit l’homme et le plaça dans le jardin d’Eden pour le cultiver et pour le garder.
16 Et Yahweh Dieu donna à l’homme cet ordre:
17 ” Tu peux manger de tous les arbres du jardin; mais tu ne mangeras pas de l’arbre de la connaissance du bien et du mal, car le jour où tu en mangeras, tu mourras certainement. ”
18 Yahweh Dieu dit: ” Il n’est pas bon que l’homme soit seul; je lui ferai une aide semblable â lui.”
19 Et Yahweh Dieu, qui avait formé du sol tous les animaux des champs et tous les oiseaux du ciel, les fit venir vers l’homme pour voir comment il les appellerait, et pour que tout être vivant portât le nom que lui donnerait l’homme.
20 Et l’homme donna des noms à tous les animaux domestiques, aux oiseaux du ciel et à tous les animaux des champs; mais il ne trouva pas pour l’homme une aide semblable à lui.
21 Alors Yahweh Dieu fit tomber un profond sommeil sur l’homme, qui s’endormit, et il prit une de ses côtes et referma la chair à sa place.
22 De la côte qu’il avait prise de l’homme, Yahweh Dieu forma une femme, et il l’amena à l’homme.
23 Et l’homme dit: ” Celle-ci cette fois est os de mes os et chair de ma chair! Celle-ci sera appelée femme, parce qu’elle a été prise de l’homme. ”
24 C’est pourquoi l’homme quittera son père et sa mère, et s’attachera à sa femme, et ils deviendront une seule chair.
25 Ils étaient nus tous deux, l’homme et sa femme, sans en avoir honte.

chapitre 003

1 Le serpent était le plus rusé de tous les animaux des champs que Yahweh Dieu ait faits. Il dit à la femme: ” Est-ce que Dieu aurait dit: ” Vous ne mangerez pas de tout arbre du jardin? ”
2 La femme répondit au serpent: ” Nous mangeons du fruit des arbres du jardin.
3 Mais du fruit de l’arbre qui est au milieu du jardin, Dieu a dit: Vous n’en mangerez point et vous n’y toucherez point, de peur que vous ne mouriez. ”
4 Le serpent dit à la femme: ” Non, vous ne mourrez point;
5 mais Dieu sait que, le jour où vous en mangerez, vos yeux s’ouvriront et vous serez comme Dieu, connaissant le bien et le mal. ”
6 La femme vit que le fruit de l’arbre était bon à manger, agréable à la vue et désirable pour acquérir l’intelligence; elle prit de son fruit et en mangea; elle en donna aussi à son mari qui était avec elle, et il en mangea.
7 Leurs yeux à tous deux s’ouvrirent et ils connurent qu’ils étaient nus; et, ayant cousu des feuilles de figuier, ils s’en firent des ceintures.
8 Alors ils entendirent la voix de Yahweh Dieu passant dans le jardin à la brise du jour, et l’homme et sa femme se cachèrent de devant Yahweh Dieu au milieu des arbres du jardin.
9 Mais Yahweh Dieu appela l’homme et lui dit: ” Où es-tu? ” Il répondit: ”
10 J’ai entendu ta voix, dans le jardin, et j’ai eu peur, car je suis nu; et je me suis caché. ”
11 Et Yahweh Dieu dit: ” Qui t’a appris que tu es nu? Est-ce que tu as mangé de l’arbre dont je t’avais défendu de manger? ”
12 L’homme répondit: ” La femme que vous avez mise avec moi m’a donné du fruit de l’arbre, et j’en ai mangé. ” Yahweh Dieu dit à la femme:
13 ” Pourquoi as-tu fait cela? ” La femme répondit: ” Le serpent m’a trompée, et j’en ai mangé.”
14 Yahweh Dieu dit au serpent: ” Parce que tu as fait cela, tu es maudit entre tous les animaux domestiques et toutes les bêtes des champs; tu marcheras sur ton ventre, et tu mangeras la poussière tous les jours de ta vie.
15 Et je mettrai une inimitié entre toi et la femme, entre ta postérité et sa postérité; celle-ci te meurtrira à la tête, et tu la meurtriras au talon.
16 ” A la femme il dit: ” je multiplierai tes souffrances, et spécialement celles de ta grossesse; tu enfanteras des fils dans la douleur; ton désir se portera vers ton mari, et il dominera sur toi. ”
17 Il dit à l’homme: ” Parce que tu as écouté la voix de ta femme, et que tu as mangé de l’arbre au sujet duquel je t’avais donné cet ordre: Tu n’en mangeras pas, le sol est maudit à cause de toi. C’est par un travail pénible que tu en tireras , ta nourriture, tous les jours de ta vie;
18 il te produira des épines et des chardons, et tu mangeras l’herbe des champs.
19 C’est à la sueur de ton visage que tu mangeras du pain, jusqu’à ce que tu retournes à la terre, parce que c’est d’elle que tu as été pris; car tu es poussière et tu retourneras en poussière.”
20 Adam donna à sa femme le nom d’Eve, parce qu’elle a été la mère de tous les vivants.
21 Yahweh Dieu fit à Adam et à sa femme des tuniques de peau et les en revêtit.
22 Et Yahweh Dieu dit: ” Voici que l’homme est devenu comme l’un de nous, pour la connaissance du bien et du mal. Maintenant, qu’il n’avance pas sa main, qu’il ne prenne pas aussi de l’arbre de vie, pour en marger et vivre éternellement. ”
23 Et Yahweh Dieu le fit sortir du jardin d’Éden, pour qu’il cultivât la terre d’où il avait été pris.
24 Et il chassa l’homme, et il mit à l’orient du jardin d’Éden les Chérubins et la flamme de l’épée tournoyante, pour garder le chemin de l’arbre de vie.

chapitre 004

1 Adam connut Eve, sa femme; elle conçut et enfanta Caïn, et elle dit ” j’ai acquis un homme avec le secours de Yahweh! ”
2 Elle enfanta encore Abel, son frère. Abel fut pasteur de brebis, et Caïn était laboureur.
3 Au bout de quelque temps, Caïn offrit des produits de la terre en oblation à Yahweh;
4 Abel, de son côté, offrit des premiers-nés de son troupeau et de leur graisse.
5 Yahweh regarda Abel et son offrande; mais il ne regarda pas Caïn et son offrande.
6 Caïn en fut très irrité et son visage fut abattu.
7 Yahweh dit à Caïn: ” Pourquoi es-tu irrité, et pourquoi ton visage est-il abattu? Si tu fais bien, ne seras-tu pas agréé? Et si tu ne fais pas bien, le péché ne se couche-t-il pas à ta porte? Son désir se tourne vers toi; mais toi, tu dois dominer sur lui. ”
8 Caïn dit à Abel, son frère: ” Allons aux champs. ” Et, comme ils étaient dans les champs, Caïn s’éleva contre Abel, son frère, et le tua.
9 Et Yahweh dit à Caïn: ” Où est Abel, ton frère? ” Il répondit: ” Je ne sais pas; suis-je le gardien de mon frère?”
10 Yahweh dit ” Qu’as-tu fait? La voix du sang de ton frère crie de la terre jusqu’à moi.
11 Maintenant tu es maudit de la terre, qui a ouvert sa bouche pour recevoir de ta main le sang de ton frère.
12 Quand tu cultiveras la terre, elle ne donnera plus ses fruits; tu seras errant et fugitif sur la terre. ”
13 Caïn dit à Yahweh: ” Ma peine est trop grande pour que je la puisse supporter.
14 Voici que vous me chassez aujourd’hui de cette terre, et je serai caché loin de votre face; je serai errant et fugitif sur la terre, et quiconque me trouvera me tuera. ”
15 Yahweh lui dit ” Eh bien, si quelqu’un tue Caïn, Caïn sera vengé sept fois. ” Et Yahweh mit un signe sur Caïn, afin que quiconque le rencontrerait ne le tuât pas.
16 Puis Caïn s’éloigna de devant Yahweh, et il habita dans le pays de Nod, à l’orient d’Eden.
17 Caïn connut sa femme; elle conçut et enfanta Hénoch. Et il se mit à bâtir une ville qu’il appela Hénoch, du nom de son fils.
18 Irad naquit à Hénoch, et il engendra Maviaël; Maviaël engendra Mathusaël, et Mathusaël engendra Lamech.
19 Larnech prit deux femmes; le nom de l’une était Ada, et celui de la seconde Sella.
20 Ada enfanta Jabel: il a été le père de ceux qui habitent sous des tentes et au milieu de troupeaux.
21 Le nom de son frère était Jubal: il a été le père de tous ceux qui jouent de la harpe et du chalumeau.
22 Sella, de son côté, enfanta TubalCaïn, qui forgeait toute espèce d’instruments tranchants d’airain et de fer. La soeur de Tubal-Caïn était Noéma.
23 Lamech dit à ses femmes: Ada et Sella, entendes ma vola, femmes de Lamech, écoutez ma parole J’ai tué un homme pour ma blessure, et un jeune homme pour ma meurtrissure.
24 Caïn sera vengé sept fois, et Lamech soixante-dix-sept fois.
25 Adam connut encore sa femme; elle enfanta un fils et l’appela Seth, car, dit-elle, ” Dieu m’a donné une postérité à la place d’Abel, que Caïn a tué. ”
26 Seth eut aussi un fils, qu’il appela Enos. Ce fut alors que l’on commença à invoquer le nom de Yahweh.

chapitre 005

1 Voici le livre de l’histoire d’Adam. Lorsque Dieu créa Adam, il le fit à la ressemblance de Dieu.
2 Il les créa mâle et femelle, et il les bénit, et il leur donna le nom d’Homme, lorsqu’ils furent créés.
3 Adam vécut cent trente ans, et il engendra un fils à sa ressemblance, selon son image, et il lui donna le nom de Seth.
4 Les jours d’Adam, après qu’il eut engendré Seth, furent de huit cents ans, et il engendra des fils et des filles.
5 Tout le temps qu’Adam vécut fut de neuf cent trente ans, et il mourut.
6 Seth vécut cent cinq ans, et il engendra Enos.
7 Après qu’il eut engendré Enos, Seth vécut huit cent sept ans, et il engendra des fils et des filles.
8 Tout le temps que Seth vécut fut de neuf cent douze ans, et il mourut.
9 Enos vécut quatre-vingt-dix ans, et il engendra Caïnan.
10 Après qu’il eut engendré Caïnan, Enos vécut huit cent quinze ans, et il engendra des fils et des filles.
11 Tout le temps qu’Enos vécut fut de neuf cent cinq ans, et il mourut.
12 Caïnan vécut soixante-dix ans, et il engendra Malaléel.
13 Après qu’il eut engendré Malaléel, Caïnan vécut huit cent quarante ans, et il engendra des fils et des filles.
14 Tout le temps que Caïnan vécut fut de neuf cent dix ans, et il mourut.
15 Malaléel vécut soixante-cinq ans, et il engendra Jared.
16 Après qu’il eut engendré Jared, Malaléel vécut huit cent trente ans, et il engendra des fils et des filles.
17 Tout le temps que Malaléel vécut fut de huit cent quatre-vingt-quinze ans, et il mourut.
18 Jared vécut cent soixante-deux ans, et il engendra Hénoch.
19 Après qu’il eut engendré Hénoch, Jared vécut huit cents ans, et il engendra des fils et des filles.
20 Tout le temps que Jared vécut fut de neuf cent soixante-deux ans, et il mourut.
21 Hénoch vécut soixante-cinq ans, et il engendra Mathusalem.
22 Après qu’il eut engendré Mathusalem, Hénoch marcha avec Dieu trois cents ans, et il engendra des fils et des filles.
23 Tout le temps qu’Hénoch vécut fut de trois cent soixante-cinq ans.
24 Hénoch marcha avec Dieu, et on ne le vit plus,car Dieu l’avait pris.
25 Mathusalem vécut cent quatre-vingt-sept ans, et il engendra Lamech.
26 Après qu’il eut engendré Lamech, Mathusalem vécut sept cent quatre-vingt-deux ans, et il engendra des fils et des filles.
27 Tout le temps que Mathusalem vécut fut de neuf cent soixante-neuf ans, et il mourut.
28 Lamech vécut cent quatre-vingt-deux ans, et il engendra un fils.
29 Il lui donna le nom de Noé, en disant: ” Celui-ci nous soulagera de nos fatigues et du travail pénible de nos mains, provenant de ce sol qu’a maudit Yahweh. ”
30 Après qu’il eut engendré Noé, Lamech vécut cinq cent quatre-vingt-quinze ans, et il engendra des fils et des filles.
31 Tout le temps que Lamech vécut fut de sept cent soixante-dix-sept ans, et il mourut.
32 Noé, âgé de cinq cents ans, engendra Sem, Cham et Japheth.

chapitre 006

1 Lorsque les hommes eurent commencé à être nombreux sur la surface de la terre, et qu’il leur fut né des filles,
2 les fils de Dieu virent que les filles des hommes étaient belles, et ils en prirent pour femmes parmi toutes celles qui leur plurent.
3 Et Yahweh dit: ” Mon esprit ne demeurera pas toujours dans l’homme, car l’homme n’est que chair, et ses jours seront de cent vingt ans. ”
4 Or, les géants étaient sur la terre en ces jours-là, et cela après que les fils de Dieu furent venus vers les filles des hommes, et qu’elles leur eurent donné des enfants: ce sont là les héros renommés dès les temps anciens.
5 Yahweh vit que la méchanceté des hommes était grande sur la terre, et que toutes les pensées de leur coeur se portaient chaque jour uniquement vers le mal.
6 Et Yahweh se repentit d’avoir fait l’homme sur la terre, et il fut affligé dans son coeur,
7 et il dit: ” J’exterminerai de dessus la terre l’homme que j’ai créé, depuis l’homme jusqu’aux animaux domestiques, aux reptiles et aux oiseaux du ciel, car je me repens de les avoir faits. ”
8 Mais Noé trouva grâce aux yeux de Yahweh.
9 Voici l’histoire de Noé. Noé était un homme juste, intègre parmi les hommes de son temps;
10 Noé marchait avec Dieu. Noé engendra trois fils, Sem, Cham et Japheth.
11 Or la terre se corrompit devant Dieu et se remplit de violence.
12 Dieu regarda la terre, et voici qu’elle était corrompue, car toute chair avait corrompu sa voie sur la terre.
13 Alors Dieu dit à Noé: ” La fin de toute chair est venue devant moi, car la terre est pleine de violence à cause d’eux; je vais les détruire, ainsi que la terre.
14 Fais-toi une arche de bois résineux; tu la feras composée de cellules et tu l’enduiras de bitume en dedans et en dehors.
15 Voici comment tu la feras: la longueur de l’arche sera de trois cents coudées, sa largeur de cinquante coudées et sa hauteur de trente.
16 Tu feras à l’arche une ouverture, à laquelle tu donneras une coudée depuis le toit; tu établiras une porte sur le côté de l’arche, et tu feras un premier, un second et un troisième étage de cellules.
17 Et moi, je vais faire venir le déluge, une inondation de la terre, pour détruire de dessous le ciel toute chair ayant en soi souffle de vie; tout ce qui est sur la terre périra.
18 Mais j’établirai mon alliance avec toi; et tu entreras dans l’arche, toi et tes fils, ta femme et les femmes de tes fils avec toi.
19 De tout ce qui vit, de toute chair, tu feras entrer dans l’arche deux de chaque espèce, pour les conserver en vie avec toi; ce sera un mâle et une femelle.
20 Des oiseaux des diverses espèces, des animaux domestiques des diverses espèces, et de toutes les espèces d’animaux qui rampent sur le sol, deux de toute espèce viendront vers toi, pour que tu leur conserves la vie.
21 Et toi, prends de tous les aliments que l’on mange et fais-en provision près de toi, afin qu’ils te servent de nourriture, ainsi qu’à eux. ”
22 Noé se mit à l’oeuvre; il fit tout ce que Dieu lui avait ordonné.

chapitre 007

1 Yahweh dit à Noé: ” Entre dans l’arche, toi et toute ta maison, car je t’ai vu juste devant moi au milieu de cette génération.
2 De tous les animaux purs, tu en prendras avec toi sept paires, des mâles et leurs femelles, et de tous les animaux qui ne sont pas purs, tu en prendras deux, un mâle et sa femelle;
3 sept paires aussi des oiseaux du ciel, des mâles et leurs femelles, pour conserver en vie leur race sur la face de toute la terre.
4 Car, encore sept jours et je ferai pleuvoir sur la terre pendant quarante jours et quarante nuits, et j’exterminerai de la face de la terre tous les êtres que j’ai faits. ”
5 Noé fit tout ce que Yahweh lui avait ordonné.
6 Il avait six cents ans quand eut lieu le déluge, une inondation de la terre.
7 Noé entra dans l’arche avec ses fils, sa femme et les femmes de ses fils pour échapper aux eaux du déluge.
8 Des animaux purs et de ceux qui ne sont pas purs, des oiseaux et de tout ce qui rampe sur le sol,
9 chaque paire, mâle et femelle, vint vers Noé dans l’arche, comme Dieu l’avait ordonné à Noé.
10 Et, au bout de sept jours, les eaux du déluge se répandirent sur la terre.
11 L’an six cent de la vie de Noé, au deuxième mois, le dix-septième jour du mois, en ce jour-là, toutes les sources du grand abîme jaillirent et les écluses du ciel s’ouvrirent,
12 et la pluie tomba sur la terre durant quarante jours et quarante nuits.
13 Ce même jour, Noé entra dans l’arche, avec Sem, Cham et Japhet, fils de Noé, la femme de Noé et les trois femmes de ses fils avec eux,
14 eux et toutes les bêtes des diverses espèces, tous les animaux domestiques des diverses espèces, tous les reptiles des diverses espèces qui rampent sur la terre, et tous les oiseaux des diverses espèces, tous les petits oiseaux, tout ce qui a des ailes.
15 Ils vinrent vers Noé dans l’arche, deux à deux, de toute chair ayant souffle de vie.
16 Ils arrivaient mâle et femelle, de toute chair, comme Dieu l’avait ordonné à Noé. Et Yahweh ferma la porte sur lui.
17 Le déluge fut quarante jours sur la terre; les eaux grossirent et soulevèrent l’arche, et elle s’éleva au-dessus de la terre.
18 Les eaux crûrent et devinrent extrêmement grosses sur la terre, et l’arche flotta sur les eaux.
19 Les eaux, ayant grossi de plus en plus, couvrirent toutes les hautes montagnes qui sont sous le ciel tout entier.
20 Les eaux s’élevèrent de quinze coudées au-dessus des montagnes qu’elles recouvraient.
21 Toute chair qui se meut sur la terre périt: oiseaux, animaux domestiques, bêtes sauvages, tout ce qui rampe sur la terre, ainsi que tous les hommes.
22 De tout ce qui existe sur la terre sèche, tout ce qui a souffle de vie dans les narines mourut.
23 Tout être qui se trouve sur la face du sol fut détruit, depuis l’homme jusqu’à l’animal domestique, jusqu’aux reptiles et jusqu’aux oiseaux du ciel; ils furent exterminés de la terre, et il ne resta que Noé et ce qui était avec lui dans l’arche.
24 Les eaux furent hautes sur la terre pendant cent cinquante jours.

chapitre 008

1 Dieu se souvint de Noé, de toutes les bêtes et de tous les animaux domestiques qui étaient avec lui dans l’arche, et Dieu fit passer un vent sur la terre, et les eaux baissèrent;
2 les sources de l’abîme et les écluses du ciel se fermèrent, et la pluie cessa de tomber du ciel.
3 Les eaux se retirèrent de dessus la terre, allant et revenant, et elles s’abaissèrent au bout de cent cinquante jours.
4 Au septième mois, le dix-septième jour du mois, l’arche s’arrêta sur les montagnes d’Ararat.
5 Les eaux allèrent se retirant jusqu’au dixième mois; et, au dixième mois, le premier jour du mois, apparurent les sommets des montagnes.
6 Au bout de quarante jours, Noé ouvrit la fenêtre qu’il avait faite à l’arche,
7 et lâcha le corbeau, qui sortit, allant et revenant, jusqu’à ce que les eaux fussent séchées au-dessus de la terre.
8 Il lâcha ensuite la colombe d’auprès de lui, pour voir si les eaux avaient diminué de la surface de la terre.
9 Mais la colombe, n’ayant pas trouvé où poser la plante de son pied, revint vers lui dans l’arche; parce qu’il y avait encore des eaux à la surface de toute la terre. Il étendit la main et, l’ayant prise, il la fit rentrer auprès de lui dans l’arche.
10 Il attendit encore sept autres jours, et il lâcha de nouveau la colombe hors de l’arche,
11 et la colombe revint vers lui sur le soir, et voici, une feuille d’olivier toute fraîche était dans son bec; et Noé reconnut que les eaux ne couvraient plus la terre.
12 Il attendit encore sept autres jours, et il lâcha la colombe; et elle ne revint plus vers lui.
13 L’an six cent un, au premier mois, le premier jour du mois, les eaux avaient séché sur la terre. Noé ôta la couverture de l’arche et regarda, et voici, la surface du sol avait séché.
14 Au second mois, le vingt-septième jour du mois, la terre fut sèche.
15 Alors Dieu parla à Noé, en disant:
16 ” Sors de l’arche, toi et ta femme, tes fils et les femmes de tes fils avec toi.
17 Toutes les bêtes de toute chair, qui sont avec toi, oiseaux, animaux domestiques, et tous les reptiles qui rampent sur la terre, fais-les sortir avec toi; qu’ils se répandent sur la terre, qu’ils soient féconds et multiplient sur la terre. ”
18 Noé sortit, lui et ses fils, sa femme et les femmes de ses fils.
19 Toutes les bêtes, tous les reptiles et tous les oiseaux, tous les êtres qui se meuvent sur la terre, selon leurs espèces, sortirent de l’arche.
20 Noé construisit un autel à Yahweh et, ayant pris de tous les animaux purs et de tous les oiseaux purs, il offrit des holocaustes sur l’autel.
21 Yahweh sentit une odeur agréable, et Yahweh dit en son coeur: ” Je ne maudirai plus désormais la terre à cause de l’homme, parce que les pensées du coeur de l’homme sont mauvaises dès sa jeunesse, et je ne frapperai plus tout être vivant, comme je l’ai fait.
22 Désormais, tant que la terre durera, les semailles et la moisson, le froid et le chaud, l’été et l’hiver, le jour et la nuit ne cesseront point. ”

chapitre 009

1 Dieu bénit Noé et ses fils et leur dit ” Soyez féconds, multipliez et remplissez la terre.
2 Vous serez craints et redoutés de toute bête de la terre, de tout oiseau du ciel, de tout ce qui se ment sur la terre et de tous les poissons de la mer ils sont livrés entre vos, mains.
3 Tout ce qui se meut et qui a vie vous servira de nourriture; je vous donne tout cela, comme je vous avais donné l’herbe verte.
4 Seulement vous ne mangerez point de chair avec son âme, c’est-à-dire avec son sang.
5 Et votre sang à vous, j’en demanderai compte à cause de vos âmes, j’en demanderai compte à toute bête; de la main de l’homme, de la main de l’homme qui est son frère, je redemanderai l’âme de l’homme.
6 Quiconque aura versé le sang de l’homme, par l’homme son sang sera versé, car Dieu a fait l’homme à son image.
7 Vous, soyez féconds et multipliez; répandez-vous sur la terre et vous y multipliez.”
8 Dieu dit encore à Noé et à ses fils avec lui:
9 ” Et moi, je vais établir mon alliance avec vous et avec votre postérité après vous,
10 avec tous les êtres vivants qui sont avec vous, oiseaux, animaux domestiques et toutes les bêtes de la terre avec vous, depuis tous ceux qui sont sortis de l’arche Jusqu’à toute bête de la terre.
11 J’établis mon alliance avec vous: aucune chair ne sera plus détruite par les eaux du déluge, et il n’y aura plus de déluge pour ravager la terre. ”
12 Et Dieu dit: ” Voici le signe de l’alliance que je mets entre moi et vous, et tous les êtres vivants qui sont avec vous, pour toutes les générations à venir.
13 J’ai mis mon arc dans la nue, et il deviendra signe d’alliance entre moi et la terre.
14 Quand j’assemblerai des nuées au-dessus de la terre, l’arc apparaîtra dans la nue,
15 et je me souviendrai de mon alliance entre moi et vous et tout être vivant, de toute chair, et les eaux ne deviendront plus un déluge détruisant toute chair.
16 L’arc sera dans la nue et, en le regardant, je me souviendrai de l’alliance éternelle qui existe entre Dieu et tous les êtres vivants, de toute chair, qui sont sur la terre. ”
17 Et Dieu dit à Noé: ” Tel est le signe de l’alliance que j’ai établie entre moi et toute chair qui est sur la terre. ”
18 Les fils de Noé qui sortirent de l’arche étaient Sem, Chan et Japheth; et Cham était père de Chanaan.
19 Ces trois sont les fils de Noé, et c’est par eux que fut peuplée toute la terre.
20 Noé, qui était cultivateur, commença à planter de la vigne.
21 Ayant bu du vin, il s’enivra, et il se découvrit au milieu de sa tente.
22 Cham, père de Chanaan, vit la nudité de son père, et il alla le rapporter dehors à ses deux frères.
23 Alors Sem avec Japheth prit le manteau de Noé et, l’ayant mis sur leurs épaules, ils marchèrent à reculons et couvrirent la nudité de leur père.
24 Comme leur visage était tourné en arrière, ils ne virent pas la nudité de leur père. Lorsque Noé se réveilla de son ivresse, il apprit ce que lui avait fait son plus jeune fils, et il dit:
25 Maudit soit Chanaan! Il sera pour ses frères le serviteur des serviteurs!
26 Puis il dit: Béni soit Yahweh, Dieu de Sem, et que Chanaan soit son serviteur!
27 Que Dieu donne de l’espace à Japheth, qu’il habite dans les tentes de Sem, et que Chanaan soit son serviteur!
28 Noé vécut après le déluge trois cent cinquante ans.
29 Tous les jours de Noé furent de neuf cent cinquante ans, et il mourut.

chapitre 010

1 Voici la postérité des fils de Noé, Seul, Cham et Japheth. Il leur naquit des fils après le déluge.
2 Fils de Japheth: Gomer,Magog, Madaï, Javan, Thubal, Mosoch et Tiras.
3 Fils de Gomer: Ascénez, Riphath et Thogorma.
4 Fils de Javan: Elisa et Tharsis, Cetthim et Dodanim.
5 C’est d’eux que viennent les peuples dispersés dans les îles des nations, dans leurs divers pays, chacun selon sa langue, selon leurs familles, selon leurs nations.
6 Fils de Cham: Chus, Mesraïm, Phuth et Chanaan.
7 Fils de Chus: Saba, Hévila, Sabatha, Regma et Sabathaca. Fils de Regma: Saba et Dadan.
8 Chus engendra Nemrod: celui-ci fut le premier un homme puissant sur la terre.
9 Ce fut un vaillant chasseur devant Yahweh; c’est pourquoi l’on dit: ” Comme Nemrod, vaillant chasseur devant Yahweh. ”
10 Le commencement de son empire fut Babel, Arach, Achad et Chalanné au pays de Sennaar.
11 De ce pays il alla en Assur, et bâtit Ninive, Rechoboth-ir, Chalé,
12 et Résen, entre Ninive et Chalé; c’est la grande ville.
13 Mesraïm engendra les Ludim, les Anamim, les Laabim, les Nephthuim,
14 les Phétrusim, les Chasluim,
14 d’où sont sortis les Philistins, et les Caphtorim.
15 Chanaan engendra Sidon, son premier-né, et Heth,
16 ainsi que les Jébuséens, les Amorrhéens, les Gergéséens, les Hévéens,
17 les Aracéens, les Sinéens, les Aradiens, les Samaréens
18 et les Hamathéens. Ensuite les familles des Chananéens se répandirent dans le pays,
19 et le territoire des Chananéens alla depuis Sidon, dans la direction de Gérare, jusqu’à Gaza; et, dans la direction de Sodome, Gomorrhe, Adama, et Séboïm, jusqu’à Lésa.
20 Tels sont les fils de Cham selon leurs familles, selon leurs langues, dans leurs divers pays, dans leurs nations.
21 Des fils naquirent aussi à Sem, qui est le père de tous les fils d’Héber et le frère aîné de Japheth.
23 Fils de Sem: Elam, Assur, Arphaxad, Lud et Aram.
23 Fils d’Aram: Us, Hul, Géther et Mes.
24 Arphaxad engendra Salé, et Salé engendra Héber.
25 Et il naquit à Héber deux fils: le nom de l’un était Phaleg, parce que de son temps la terre était partagée, et le nom de son frère était Jectan.
26 Jectan engendra Elmodad, Saleph, Asarmoth,
27 Jaré, Aduram, Uzal, Décla, Ebal,
28 Abimaël, Saba, Ophir, Hévila et Jobab.
29 Tous ceux-là sont fils de Jectan.
30 Le pays qu’ils habitèrent fut la montagne d’Orient, à partir de Mésa, dans la direction de Séphar.
31 Tels sont les fils de Sem, selon leurs familles, selon leurs langues, dans leurs divers pays, selon leurs nations.
32 Telles sont les familles des fils de Noé selon leurs générations, dans leurs nations. C’est d’eux que sont sorties les nations qui se sont répandues sur la terre après le déluge.

chapitre 011

1 Toute la terre avait une seule langue et les mêmes mots.
2 Etant partis de l’Orient, les hommes trouvèrent une plaine dans le pays de Sennaar, et ils s’y établirent.
3 Ils se dirent entre eux: ” Allons, faisons des briques, et cuisons-les au feu. ” Et ils se servirent de briques au lieu de pierres, et de bitume au lieu de ciment.
4 Ils dirent encore: ” Allons, bâtissons-nous une ville et une tour dont le sommet soit dans le ciel, et faisons-nous un monument, de peur que nous ne soyons dispersés sur la face de toute la terre. ”
5 Mais Yahweh descendit pour voir la ville et la tour que bâtissaient les fils des hommes.
6 Et Yahweh dit: ” Voici, ils sont un seul peuple et ils ont pour eux tous une même langue; et cet ouvrage est le commencement de leurs entreprises; maintenant rien ne les empêchera d’accomplir leurs projets.
7 Allons, descendons, et là même confondons leur langage, de sorte qu’ils n’entendent plus le langage les uns des autres. ”
8 C’est ainsi que Yahweh les dispersa de là sur la face de toute la terre, et ils cessèrent de bâtir la ville.
9 C’est pourquoi on lui donna le nom de Babel, car c’est là que Yahweh confondit le langage de toute la terre, et c’est de là que Yahweh les a dispersés sur la face de toute la terre.
10 Voici l’histoire de Sem: Sem, âgé de cent ans, engendra Arphaxad, deux ans après le déluge.
11 Après qu’il eut engendré Arphaxad, Sem vécut cinq cents ans, et il engendra des fils et des filles.
12 Arphaxad vécut trente-cinq ans, et il engendra Salé.
13 Après qu’il eut engendré Salé, Arphaxad vécut quatre cent trois ans, et il engendra des fils et des filles.
14 Salé vécut trente ans, et il engendra Héber.
15 Après qu’il eut engendré Héber, Salé vécut quatre cent trois ans, et il engendra des fils et des filles.
16 Héber vécut trente-quatre ans, et il engendra Phaleg.
17 Après qu’il eut engendré Phaleg, Héber vécut quatre cent trente ans, et il engendra des fils et des filles.
18 Phaleg vécut trente ans, et il engendra Réü.
19 Après qu’il eut engendré Réü, Phaleg vécut deux cent neuf ans, et il engendra des fils et des filles.
20 Réü vécut trente-deux ans, et il engendra Sarug. Après qu’il eut engendré Sarug,
21 Réü vécut deux cent sept ans, et il engendra des fils et des filles.
22 Sarug vécut trente ans, et il engendra Nachor.
23 Après qu’il eut engendré Nachor, Sarug vécut deux cents ans, et il engendra des fils et des filles.
24 Nachor vécut vingt-neuf ans, et il engendra Tharé.
25 Après qu’il eut engendré Tharé, Nachor vécut cent dix-neuf ans, et il engendra des fils et des filles.
26 Tharé vécut soixante-dix ans, et il engendra Abram, Nachor et Aran.
27 Voici l’histoire de Tharé. Tharé engendra Abram, Nachor et Aran.
28 Aran engendra Lot. Et Aran mourut en présence de Tharé, son père, au pays de sa naissance, à Ur en Chaldée.
29 Abram et Nachor prirent des femmes: le nom de la femme d’Abram était Saraï, et le nom de la femme de Nachor était Melcha, fille d’Aran, père de Melcha et père de Jesca.
30 Or Saraï fut stérile: elle n’avait point d’enfants.
31 Tharé prit Abram, son fils, et Lot , fils d’Aran, son petit-fils, et Saraï, sa belle-fille, femme d’Abram, son fils, et ils sortirent ensemble d’Ur des Chaldéens, pour aller au pays de Chanaan; mais, arrivés à Haran, ils s’y établirent.
32 Les jours de Tharé furent de deux cent cinq ans, et Tharé mourut à Haran.

chapitre 012

1 Yahweh dit à Abram: ” Va-t-en de ton pays, de ta famille et de la maison de ton père, dans le pays que je te montrerai.
2 Je ferai de toi une grande nation, je te bénirai et je rendrai grand ton nom.
3 Tu seras une bénédiction: je bénirai ceux qui te béniront, et celui qui te maudira, je le maudirai, et toutes les familles de la terre seront bénies en toi. ”
4 Abram partit, comme Yahweh le lui avait dit, et Lot s’en alla avec lui. Abram avait soixante-quinze ans quand il sortit de Haran.
5 Abram prit Saraï, sa femme, et Lot, fils de son frère, ainsi que tous les biens qu’ils possédaient et les serviteurs qu’ils avaient acquis à Haran, et ils partirent pour aller au pays de Chanaan. Et ils arrivèrent au pays de Chanaan.
6 Abram traversa le pays jusqu’au lieu nommé Sichem, jusqu’au chêne de Moré. Les Chananéens étaient alors dans le pays.
7 Yahweh apparut à Abram et lui dit: ” je donnerai ce pays à ta postérité. ” Et Abram bâtit là un autel à Yahweh qui lui était apparu.
8 Il passa de là à la montagne, à l’orient de Béthel, et il dressa sa tente, ayant Béthel au couchant et Haï à l’orient. Là encore il bâtit un autel à Yahweh, et il invoqua le nom de Yahweh.
9 Puis Abram s’avança, de campement en campement, vers le Midi.
10 Il y eut une famine dans le pays, et Abram descendit en Egypte pour y séjourner; car la famine était grande dans le pays.
11 Comme il était près d’entrer en Egypte, il dit à Saraï, sa femme: ” Voici, je sais que tu es une belle femme; quand les Egyptiens te verront, ils diront:
12 C’est sa femme, et ils me tueront et te laisseront vivre.
13 Dis donc que tu es ma soeur, afin que je sois bien traité à cause de toi, et qu’on me laisse la vie par égard pour toi.”
14 Lorsque Abram fut arrivé en Egypte, les Egyptiens virent que sa femme était fort belle.
15 Les grands de Pharaon, l’ayant vue, la vantèrent à Pharaon, et cette femme fut prise et emmenée dans la maison de Pharaon.
16 Il traita bien Abram à cause d’elle, et Abram reçut des brebis, des boeufs, des ânes, des serviteurs et des servantes, des ânesses et des chameaux.
17 Mais Yahweh frappa de grandes plaies Pharaon et sa maison, à cause de Saraï, femme d’Abram.
18 Pharaon appela alors Abram et lui dit: ” Qu’est-ce que tu m’as fait? Pourquoi ne m’as-tu pas déclaré qu’elle était ta femme?
19 Pourquoi as-tu dit: C’est ma soeur; de sorte que je l’ai prise pour femme? Maintenant, voici ta femme; prends-la et va-t’en!”
20 Et Pharaon, ayant donné des ordres à ses gens au sujet d’Abram, ils le renvoyèrent, lui et sa femme, et tout ce qui lui appartenait.

chapitre 013

1 Abram remonta d’Égypte vers le Midi, lui, sa femme et tout ce qui lui appartenait, et Lot avec lui.
2 Or Abram était fort riche en troupeaux, en argent et en or.
3 Puis il alla, de campement en campement, du Midi jusqu’à Béthel, jusqu’au lieu où il avait la première fois dressé sa tente, entre Béthel et Haï, à l’endroit où était l’autel qu’il avait précédemment élevé.
4 Et là Abram invoqua le nom de Yahweh.
5 Lot, qui voyageait avec Abram, avait aussi des brebis, des boeufs et des tentes,
6 et la contrée ne leur suffisait pas pour habiter ensemble; car leurs biens étaient trop considérables pour qu’ils pussent demeurer ensemble.
7 Il y eut une querelle entre les bergers des troupeaux d’Abram et les bergers des troupeaux de Lot.
8 Les Chananéens et les Phérézéens étaient alors établis dans le pays. – Abram dit à Lot: ” Qu’il n’y ait pas, je te prie, de débat entre moi et toi, ni entre mes bergers et tes bergers; car nous sommes des frères.
9 Tout le pays n’est-il pas devant toi? Sépare-toi donc de moi. Si tu vas à gauche, je prendrai la droite; et si tu vas à droite, je prendrai la gauche. ”
10 Lot, levant les yeux, vit toute la plaine du Jourdain qui était entièrement arrosée c’était, avant que Yahweh eût détruit Sodome et Gomorrhe, comme le jardin de Yahweh, comme la terre d’Égypte du côté de Tsoar.
11 Lot choisit pour lui toute la plaine du Jourdain, et il s’avança vers l’orient; c’est ainsi qu’ils se séparèrent l’un de l’autre.
12 Abram habitait dans le pays de Chanaan, et Lot habitait dans les villes de la plaine, et il dressa ses tentes jusqu’à Sodome.
13 Or les gens de Sodome étaient fort mauvais et grands pécheurs contre Yahweh.
14 Yahweh dit à Abram, après que Lot se fut séparé de lui: ” Lève les yeux et, du lieu où tu es, regarde vers le septentrion et vers le midi, vers l’orient, et vers le couchant:
15 tout le pays que tu vois, je le donnerai à toi et à ta postérité pour toujours.
16 Je rendrai ta postérité nombreuse comme la poussière de la terre; si l’on peut compter la poussière de la terre, on comptera aussi ta postérité.
17 Lève-toi, parcours le pays en long et en large, car , je te le donnerai. ”
18 Abram leva ses tentes et vint habiter aux chênes de Mambré, qui sont en Hébron; et il bâtit là un autel à Yahweh.

chapitre 014

1 Au temps d’Amraphel, roi de Sennaar, d’Arioch, roi d’Ellasar, de Chodorlahomor, roi d’Elam, et de Thadal, roi de Goïm,
2 il arriva qu’ils firent la guerre à Bara, roi de Sodome, à Bersa, roi de Gomorrhe, à Sennaab, roi d’Adama, à Séméber, roi de Séboïm, et au roi de Bala qui est Ségor.
3 Ces derniers s’assemblèrent tous dans la vallée de Siddim, qui est la mer Salée.
4 Car, pendant douze ans, ils avaient été soumis à Chodorlahomor, et la treizième année ils s’étaient révoltés.
5 Mais, la quatorzième année, Chodorlahomor se mit en marche avec les rois qui étaient avec lui, et ils battirent les Réphaïm à Astaroth-Carnaïm, les Zusim à Ham, les Emim dans la plaine de Cariathaïrn
6 et les Horréens dans leur montagne de Séir, jusqu’à El-Pharan, qui est près du désert.
7 Puis, s’en retournant, ils arrivèrent à la fontaine du jugement, qui est Codés, et ils battirent tout le pays des Amalécites, ainsi que les Amorrhéens qui habitaient à Asason-Thamar.
8 Alors le roi de Sodome s’avança avec le roi de Gomorrhe, le roi d’Adama, le roi de Séboïm et le roi de Bala, qui est Ségor,
9 et ils se rangèrent en bataille contre eux dans la vallée de Siddim, contre Chodoriahornor, roi d’Elam, Thadal, roi de Goïm, Arnraphel, roi de Sennaar, et Arioch, roi d’Ellasar, quatre rois contre les cinq.
10 Il y avait dans la vallée de Siddim de nombreux puits de bitume; le roi de Sodome et celui de Gomorrhe prirent la fuite, et ils y tombèrent;
11 le reste s’enfuit dans la montagne. Les vainqueurs enlevèrent tous les biens de Sodome et de Gomorrhe et tous leurs vivres, et ils s’en allèrent.
12 Ils prirent aussi Lot, fils du frère d’Abram, et ses biens, et ils s’en allèrent; or, il demeurait à Sodome.
13 Un des fugitifs vint l’annoncer à Abram l’Hébreu, qui habitait aux chênes de Mambré, l’Amorrhéen, frère d’Eschol et frère d’Auer; ils étaient des alliés d’Abram.
14 Dès qu’Abram apprit que son frère avait été emmené captif, il mit sur pied ses gens les mieux éprouvés, nés dans sa maison, au nombre de trois cent dix-huit, et il poursuivit les rois jusqu’à Dan.
15 Là, ayant partagé sa troupe pour les attaquer de nuit, lui et ses serviteurs, il les battit et les poursuivit jusqu’à Hoba, qui est à gauche de Damas.
16 Il ramena tous les biens; il ramena aussi Lot, son frère, et ses biens, ainsi que les femmes et les gens.
17 Comme Abram revenait vainqueur de Chodorlahomor et des rois qui étaient avec lui, le roi de Sodome sortit à sa rencontre, dans la vallée de Savé; c’est la vallée du Roi.
18 Melchisédech, roi de Salem, apporta du pain et du vin; il était prêtre du Dieu Très-Haut. Il bénit Abram et dit:
19 Béni soit Abram par le Dieu Très-Haut, qui a créé le ciel et la terre!
20 Béni soit le Dieu Très-Haut, qui a livré tes ennemis entre tes mains! ” Et Abram lui donna la dîme de tout.
21 Le roi de Sodome dit à Abram:
21 ” Donne-moi les personnes et prends pour toi les biens. ”
22 Abram répondit au roi de Sodome: ” j’ai levé la main vers Yahweh, le Dieu Très-Haut, qui a créé le ciel et la terre:
23 D’un fil à une courroie de sandale, je ne prendrai quoi que ce soit qui t’appartienne! afin que tu ne dises pas: j’ai enrichi Abram.
24 Rien pour moi! Ce qu’ont mangé les jeunes gens et la part des hommes qui sont venus avec moi, Aner, Eschol et Mambré, eux, ils prendront leur part. ”

chapitre 015

1 Après ces événements, la parole de Yahweh fut adressée à Abram en vision: ” Ne crains point, Abram; je suis ton bouclier; ta récompense sera très grande. ”
2 Abram répondit: ” Seigneur Yahweh, que me donnerez-vous? je m’en vais sans enfants, et l’héritier de ma maison, c’est Eliézer de Damas. ”
3 Et Abram dit: ” Voici, vous ne m’avez pas donné de postérité, et un homme attaché à ma maison sera mon héritier. ”
4 Alors la parole de Yahweh lui fut adressée en ces termes: ” Ce n’est pas lui qui sera ton héritier, mais celui qui sortira de tes entrailles sera ton héritier. ”
5 Et, l’ayant conduit dehors, il dit: ” Lève ton regard vers le ciel et compte les étoiles, si tu peux les compter.” Et il lui dit: ”Telle sera ta postérité. ”
6 Abram eut foi à Yahweh, et Yahweh le lui imputa à justice.
7 Et il lui dit: ” je suis Yahweh, qui t’ai fait sortir d’Ur des Chaldéens, afin de te donner ce pays pour le posséder. ”
8 Abram répondit: ” Seigneur Yahweh, à quoi connaîtrai-je que je le posséderai? ”
9 Et Yahweh lui dit: ” Prends une génisse de trois ans, une chèvre de trois ans, un bélier de trois ans, une tourterelle et un jeune pigeon. ”
10 Abram lui amena tous ces animaux et, les ayant partagés par le milieu, il mit chaque moitié vis-à-vis de l’autre; mais il ne partagea pas les oiseaux.
11 Les oiseaux de proie s’abattirent sur les cadavres, et Abram les chassa.
12 Comme le soleil se couchait, un profond sommeil tomba sur Abram; une terreur, une obscurité profonde tombèrent sur lui.
13 Yahweh dit à Abram: ” Sache bien que tes descendants seront étrangers dans un pays qui ne sera pas à eux; ils y seront en servitude et on les opprimera pendant quatre cents ans.
14 Mais je jugerai la nation à laquelle ils auront été asservis, et ensuite ils sortiront avec de grands biens.
15 Toi, tu t’en iras en paix vers tes pères; tu seras mis en terre dans une heureuse vieillesse.
16 A la quatrième génération ils reviendront ici; car jusqu’à présent l’iniquité de l’Amorrhéen n’est pas à son comble. ”
17 Lorsque le soleil fut couché et qu’une profonde obscurité fut venue, voici qu’un four fumant et un brandon de feu passaient entre les animaux partagés.
18 En ce jour-là, Yahweh fit alliance avec Abram, en disant: ” Je donne à ta postérité ce pays,
19 depuis le fleuve d’Egypte jusqu’au grand fleuve, au fleuve de l’Euphrate:
20 le pays des Cinéens, des Cénézéens, des Cadmonéens, des Héthéens,
21 des Phéréséens, des Rephaïm, des Amorrhéens, des Chananéens, des Gergéséens et des Jébuséens.

chapitre 016

1 Saraï, femme d’Abram, ne lui avait pas donné d’enfants; et elle avait une servante égyptienne, nommée Agar.
2 Saraï dit à Abram: ”Voici que Yahweh m’a rendue stérile; viens, je te prie, vers ma servante; peut-être aurai-je d’elle des fils. ”
3 Abram écouta la voix de Saraï. Saraï, femme d’Abram, prit donc Agar l’Egyptienne, sa servante, après qu’Abram eut habité dix années dans le pays de Chanaan, et elle la donna à Abram, son mari, pour être sa femme.
4 Il alla vers Agar, et elle conçut; et quand elle vit qu’elle avait conçu, elle regarda sa maîtresse avec mépris.
5 Saraï dit à Abram: ” L’outrage qui m’est fait tombe sur toi. J’ai mis ma servante dans ton sein et, quand elle a vu qu’elle avait conçu, elle m’a regardée avec mépris. Que Yahweh juge entre moi et toi! ”
6 Abram répondit à Sara: ” Voici, ta servante est sous ta puissance; agis à son égard comme bon te semblera. ”Alors Saraï la maltraita, et Agar s’enfuit de devant elle.
7 L’ange de Yahweh la trouva près d’une source d’eau dans le désert, près de la source qui est sur le chemin de Sur.
8 Il dit: ”Agar, servante de Saraï, d’où viens-tu et où vas-tu? ” Elle répondit ” Je fuis loin de Saraï, ma maîtresse. ”
9 L’ange de Yahweh lui dit: ” Retourne vers ta maîtresse et humilie-toi sous sa main. ”
10 L’ange de Yahweh ajouta: ” Je multiplierai extrêmement ta postérité; on ne pourra la compter, tant elle sera nombreuse. ”
11 L’ange de Yahweh lui dit encore: ” Voici que tu es enceinte, et tu enfanteras un fils, et tu lui donneras le nom d’Ismaël, parce que Yahweh a entendu ton affliction.
12 Ce sera un âne sauvage que cet homme; sa main sera contre tous, et la main de tous sera contre lui, et il habitera en face de tous ses frères. ”
13 Agar donna à Yahweh qui lui avait parlé le nom de Atta-El-Roi. car elle avait dit: ” Ai-je donc ici même vu le Dieu qui me voyait? ”
14 C’est pourquoi on a appelé ce puits le puits Lachaï-Roï. Il est situé entre Cadès et Barad.
15 Agar enfanta un fils à Abram, et Abram donna le nom d’ Ismaël au fils qu’Agar avait mis au monde.
16 Abram était âgé de quatre-vingt-six ans lorsqu’Agar enfanta Ismaël à Abram.

chapitre 017
1 Lorsque Abram fut arrivé à l’âge de quatre-vingt-dix-neuf ans, Yahweh lui apparut et lui dit: ” je suis le Dieu tout-puissant; marche devant ma face et sois irréprochable:
2 j’établirai mon alliance entre moi et toi, et je te multiplierai à l’infini. ”
3 Abram tomba la face contre terre, et Dieu lui parla ainsi:
4 ” Moi, voici mon alliance avec toi: tu deviendras père d’une multitude de nations.
5 On ne te nommera plus Abram, mais ton nom sera Abraham, car je te fais père d’une multitude de nations.
6 Je te ferai croître extraordinairement, je ferai de toi des nations, et des rois sortiront de toi.
7 J’établis mon alliance, entre moi et toi et tes descendants après toi, d’âge en âge, en une alliance perpétuelle, pour être ton Dieu et le Dieu de tes descendants après toi.
8 Je te donnerai, à toi et à tes descendants après toi, le pays où tu séjournes comme étranger, tout le pays de Chanaan, en possession perpétuelle, et je serai leur Dieu”.
9 Dieu dit à Abraham: ” Et toi, tu garderas mon alliance, toi et tes descendants après toi, d’âge en âge.
10 Voici l’alliance que vous avez à garder, l’alliance entre moi et vous, et tes descendants après toi tout mâle parmi vous sera circoncis.
11 Vous vous circoncirez dans votre chair, et ce sera le signe de l’alliance entre moi et vous.
12 Quand il aura huit jours, tout mâle parmi vous, d’âge en âge, sera circoncis, qu’il soit né dans la maison, ou qu’il ait été acquis à prix d’argent d’un étranger quelconque, qui n’est pas de ta race.
13 On devra circoncire le mâle né dans la maison ou acquis à prix d’argent, et mon alliance sera dans votre chair comme alliance perpétuelle.
14 Un mâle incirconcis, qui n’aura pas été circoncis dans sa chair, sera retranché de son peuple: il aura violé mon alliance. ”
15 Dieu dit à Abraham: ” Tu ne donneras plus à Sarai, ta femme, le nom de Saraï, car son nom est Sara.
16 Je la bénirai, et je te donnerai aussi d’elle un fils; je la bénirai, et elle deviendra des nations; des rois de peuples sortiront d’elle. ”
17 Abraham tomba la face contre terre, et il rit, disant dans son coeur ” Naîtra-t-il un fils à un homme de cent ans? Et Sara, une femme de quatre-vingt-dix ans, enfantera-t-elle? ”
18 Et Abraham dit à Dieu: ” Oh! qu’ Ismaël vive devant votre face! ”
19 Dieu dit: ” Oui, Sara, ta femme, t’enfantera un fils; tu le nommeras Isaac, et j’établirai mon alliance avec lui comme une alliance perpétuelle pour ses descendants après lui.
20 Quant à Ismaël, je t’ai entendu. Voici, je l’ai béni, je le rendrai fécond et je le multiplierai extrêmement; il engendrera douze princes, et je ferai de lui une grande nation.
21 Mais mon alliance, je l’établirai avec Isaac, que Sara t’enfantera l’année prochaine, à cette époque. ”
22 Et ayant achevé de parler avec lui, Dieu remonta d’auprès d’Abraham.
23 Abraham prit Ismaël, son fils, ainsi que tous les serviteurs nés dans sa maison et tous ceux qu’il avait acquis à prix d’argent, tous les mâles parmi les gens de sa maison, et il les circoncit en ce jour même, comme Dieu le lui avait commandé.
24 Abraham était âgé de quatre-vingt-dix-neuf ans lorsqu’il fut circoncis;
25 et Ismaël, son fils, avait treize ans lorsqu’il fut circoncis.
26 Ce même jour, Abraham fut circoncis, ainsi qu’Ismaël, son fils; et tous tes hommes de sa maison,
27 ceux qui étaient nés chez lui et ceux qui avaient été acquis des étrangers à prix d’argent, furent circoncis avec lui.

chapitre 018

1 Yahweh lui apparut aux chênes de Mambré, comme il était assis à l’entrée de la tente pendant la chaleur du jour, il leva les yeux et il regarda,
2 et voici que trois hommes se tenaient debout devant lui. Dès qu’il les vit, il courut de l’entrée de la tente au-devant d’eux et, s’étant prosterné en terre, il dit:
3 ” Seigneur, si j’ai trouvé grâce à tes yeux, ne passe pas, je te prie, loin de ton serviteur.
4 Permettez qu’on apporte un peu d’eau pour vous laver les pieds.
5 Reposez-vous sous cet arbre; je vais prendre un morceau de pain, vous fortifierez votre coeur et vous continuerez votre chemin; car c’est pour cela que vous avez passé devant votre serviteur. ” Ils répondirent: ” Fais comme tu l’as dit .”
6 Abraham s’empressa de revenir dans la tente vers Sara, et il dit: ” Vite, trois mesures de farine; pétris et fais des gâteaux. ”
7 Puis Abraham courut au troupeau et, ayant pris un veau tendre et bon, il le donna au serviteur qui se hâta de l’apprêter.
8 Il prit aussi du beurre et: du lait, avec le veau qu’on avait apprêté, et il les mit devant eux; lui se tenait debout près d’eux sous l’arbre. Et ils mangèrent.
9 Alors ils lui dirent: ” Où est Sara, ta femme? ” Il répondit: ” Elle est là; dans la tente. ”
10 Et il dit: ” je reviendrai chez toi à cette époque même, et voici, Sara, ta femme, aura un fils. ” Sara entendait ces paroles à l’entrée de la tente, derrière lui.
11 Or Abraham et Sara étaient vieux, avancés en jours;
12 Sara était hors d’âge. – Sara rit en elle-même, en se disant: ” Vieille comme je suis, connaîtrais-je encore le plaisir? Et mon seigneur aussi est vieux. ”
13 Yahweh dit à Abraham: ” Pourquoi Sara a-t-elle ri en disant: Est-ce que vraiment j’aurais un enfant, vieille comme je suis?
14 Y a-t-il rien qui soit étonnant de la part de Yahweh? Au temps fixé, je reviendrai vers toi, à cette même saison, et Sara aura un fils. ”
15 Sara nia, en disant ” je n’ai pas ri ”; car elle eut peur. Mais il lui dit: ” Non, tu as ri. ”
16 Ces hommes se levèrent pour partir et se tournèrent du côté de Sodome; Abraham allait avec eux pour les accompagner.
17 Alors Yahweh dit: ” Cacherai-je à Abraham ce que je vais faire?
18 Car Abraham doit devenir une nation grande et forte, et toutes les nations de la terre seront bénies en lui. je l’ai choisi,
19 en effet, afin qu’il ordonne à ses fils et à sa maison après lui de garder la voie de Yahweh, en pratiquant l’équité et la justice, et qu’ainsi Yahweh accomplisse en faveur d’Abraham les promesses qu’il lui a faites. ”
20 Et Yahweh dit: ” Le cri qui s’élève de Sodome et de Gomorrhe est bien fort, et leur péché bien énorme.
21 Je veux descendre et voir si, selon le cri qui est venu jusqu’à moi, leur crime est arrivé au comble; et s’il n’en est pas ainsi, je le saurai. ”
22 Les hommes partirent et s’en allèrent vers Sodome; et Abraham se tenait encore devant Yahweh.
23 Abraham s’approcha et dit: ” Est-ce que vous feriez périr aussi le juste avec le coupable?
24 Peut-être y a-t-il cinquante justes dans la ville: les feriez-vous périr aussi, et ne pardonnerez-vous pas à cette ville à cause des cinquante justes qui s’y trouveraient?
25 Loin de vous d’agir de la sorte, de faire mourir le juste avec le coupable! Ainsi il en serait du juste comme du coupable! Loin de vous! Celui qui juge toute la terre ne rendrait-il pas justice?”
26 Yahweh dit: ” Si je trouve à Sodome cinquante justes dans la ville, je pardonnerai à toute la ville à cause d’eux. ”
27 Abraham reprit et dit: ” Voilà que j’ai osé parler au Seigneur, moi qui suis poussière et cendre.
28 Peut-être que des cinquante justes i! en manquera cinq; pour cinq hommes détruirez-vous toute la ville? ” Il dit: ” le ne la détruirai pas, si j’en trouve quarante-cinq. ”
29 Abraham continua encore à lui parler et dit: ” Peut-être s’y trouvera-t-il quarante justes.” Et il dit: ” je ne le ferai pas, à cause de ces quarante. ”
30 Abraham dit: ” Que!e Seigneur veuille ne pas s’irriter, si je parle! Peut-être s’en trouvera-t-il trente. ” Et il dit: ” je ne le ferai pas, si j’en trouve trente. ”
31 Abraham dit: ” Voilà que j’ai osé parler au Seigneur. Peut-être s’en trouvera-t-il vingt. ” Et il dit: ” A cause de ces vingt, je ne la détruirai pas. ”
32 Abraham dit: ”Que le Seigneur veuille ne pas s’irriter, et je ne parlerai plus que cette fois: Peut-être s’en trouvera-t-il dix. ” Et il dit: ” A cause de ces dix, je ne la détruirai point. ”
33 Yahweh s’en alla, lorsqu’il eut achevé de parler à Abraham, et Abraham retourna chez lui.

chapitre 019

1 Les deux anges arrivèrent à Sodome le soir, et Lot était assis à la porte de Sodome. En les voyant, Lot se leva pour aller au-devant d’eux et il se prosterna le visage contre terre, et il dit:
2 ” Voici, mes seigneurs, entrez, je vous prie, chez votre serviteur pour y passer la nuit; lavez vos pieds; vous vous lèverez de bon matin et vous poursuivrez votre route. ” Ils répondirent: ” Non, nous passerons la nuit sur la place. ”
3 Mais Lot leur fit tant d’instances qu’ils vinrent chez lui et entrèrent dans sa maison. Il leur prépara un festin et fit cuire des pains sans levain; et ils mangèrent.
4 Ils n’étaient pas encore couchés que les hommes de la ville, les hommes de Sodome, entourèrent la maison, depuis les enfants jusqu’aux vieillards, le peuple entier, de tous les bouts de la ville.
5 Ils appelèrent Lot et lui dirent: ” Où sont les hommes qui sont entrés chez toi cette nuit? Fais-les sortir vers nous, pour que nous les connaissions. ”
6 Lot s’avança vers eux à l’entrée de la maison et, ayant fermé la porte derrière lui, il dit ” Non, mes frères, je vous en prie, ne faites pas le mal”
7 Voici, j’ai deux filles qui n’ont pas connu d’homme; laissez-moi vous les amener, et vous leur ferez ce qu’il vous plaira.
8 Mais ne faites rien à ces hommes, car c’est pour cela qu’ils sont venus s’abriter sous mon toit. ”
9 Ils répondirent: ” Ote-toi de là! ” Et ils ajoutèrent: ” Cet individu est venu comme étranger, et il fait le juge! Eh bien, nous te ferons plus de mal qu’à eux.” Et, repoussant Lot avec violence, ils s’avancèrent pour briser la porte.
10 Les deux hommes étendirent la main et, ayant retiré Lot vers eux dans la maison, ils fermèrent la porte.
11 Et ils frappèrent d’aveuglement les gens qui étaient à l’entrée de la maison, depuis le plus petit jusqu’au plus grand, et ceux-ci se fatiguèrent inutilement à chercher la porte.
12 Les deux hommes dirent à Lot: ” Qui as-tu encore ici? Gendres, fils et filles, et qui que ce soit que tu aies dans la ville, fais-les sortir de ce lieu.
13 Car nous allons détruire ce lieu, parce qu’un grand cri s’est élevé de ses habitants devant Yahweh, et que Yahweh nous a envoyés pour le détruire. ”
14 Lot sortit et parla à ses gendres, qui avaient pris ses filles: ” Levez-vous, leur dit-il, sortez de ce!;eu, car Yahweh va détruire la ville. ” Mais, aux yeux de ses gendres, il parut plaisanter.
15 Dès l’aube du jour, les anges pressèrent Lot, en disant: ” Lève-toi, prends ta femme et tes deux filles qui sont ici, afin que tu ne périsses pas dans le châtiment de la ville. ”
16 Comme i! tardait, ces hommes le prirent par la main, lui, sa femme et ses deux filles, car Yahweh voulait l’épargner; ils l’emmenèrent et le mirent hors de la ville.
17 Lorsqu’ils les eurent fait sortir, l’un des anges dit: ” Sauve-toi, sur ta vie. Ne regarde pas derrière toi, et ne t’arrête nulle part dans la Plaine; sauve-toi à la montagne, de peur que tu ne périsses. ”
18 Lot leur dit: ” Non, Seigneur. Voici votre serviteur a trouvé grâce à vos yeux,
19 et vous avez fait un grand acte de honte à mon égard en me conservant la vie; mais je ne puis me sauver à la montagne, sans risquer d’être atteint par la destruction et de périr.
20 Voyez, cette ville est assez proche pour m’y réfugier, et elle est peu de chose; permettez que je m’y sauve, – n’est-elle pas petite? – et que je vive. ”
21 Il lui dit: ”Voici,je t’accorde encore cette grâce, de ne pas détruire la ville dont tu parles.
22 Hâte-toi de t’y sauver, car je ne puis rien faire que tu n’y sois arrivé. ” C’est pour cela qu’on a donné à cette ville le nom de Ségor.
23 Le soleil se leva sur la terre, et Lot arriva à Ségor.
24 Alors Yahweh fit pleuvoir sur Sodome et sur Gomorrhe du soufre et du feu d’auprès de Yahweh, du ciel.
25 Il détruisit ces villes et toute la Plaine, et tous les habitants des villes et les plantes de la terre.
26 La femme de Lot regarda en arrière et devint une colonne de sel.
27 Abraham se leva de bon matin et se rendit au lieu où il s’était tenu devant Yahweh.
28 Il regarda du côté de Sodome et de Gomorrhe, et sur toute l’étendue de la Plaine, et il vit monter de la terre une fumée, comme la fumée d’une fournaise.
29 Lorsque Dieu détruisit les villes de la Plaine, il se souvint d’Abraham, et il fit échapper Lot au bouleversement, lorsqu’il bouleversa les villes où Lot habitait.
30 Lot monta de Ségor et s’établit à la montagne, ayant avec lui ses deux filles, car il craignait de rester à Ségor; et il habitait dans une caverne avec ses deux filles.
31 L’aînée dit à la plus jeune: ” Notre père est vieux., et il n’y a pas d’homme dans le pays pour venir vers nous, selon l’usage de tous les pays.
32 Viens, faisons boire du vin à notre père et couchons avec lui, afin que nous conservions de notre père une postérité. ”
33 Elles firent donc boire du vin à leur père cette nuit-là, et l’aînée alla coucher avec son père, et il ne s’aperçut ni du coucher de sa fille ni de son lever.
34 Le lendemain, l’aînée dit à la plus jeune: ” Voici, j’ai couché la nuit dernière avec mon père; faisons-lui boire du vin encore cette nuit, et va coucher avec lui afin que nous conservions de notre père une postérité ”.
35 Cette nuit-là encore elles firent boire du vin à leur père, et la cadette alla se coucher auprès de lui, et il ne s’aperçut ni de son coucher ni de son lever.
36 Les deux filles de Lot devinrent enceintes de leur père.
37 L’aînée mit au monde un fils, qu’elle nomma Moab: c’est le père des Moabites, qui existent jusqu’à ce jour.
38 La cadette eut aussi un fils, qu’elle nomma Ben-Ammi: c’est le père des fils d’Ammon, qui existent jusqu’à ce jour.

chapitre 020

1 Abraham partit de là pour la contrée du Midi; il s’établit entre Cades et Sur,
2 et fit un séjour à Gérare. Abraharo disait de Sara, sa femme: ” C’est ma soeur. ” Abimélech, roi de Gérare, envoya prendre Sara.
3 Mais Dieu vint à Abimélech en songe pendant la nuit, et lui dit: ” Voici, tu vas mourir à cause de la femme que tu as prise: car elle a un mari. ”
4 Or Abimélech ne s’était pas approché d’elle; il répondit: ” Seigneur, ferez-vous mourir des gens même innocents? Ne m’a-t-il pas dit: C’est ma soeur?
5 Et elle-même m’a dit aussi: C’est mon frère. C’est avec un coeur intègre et des mains pures que j’ai fait cela. ”
6 Dieu lui dit en songe: ” Moi aussi, je sais que c’est avec un coeur intègre que tu as agi; aussi t’ai-je retenu de pécher contre moi. C’est pourquoi je n’ai pas permis que tu la touches.
7 Maintenant, rends la femme de cet homme, car il est prophète; il priera pour toi, et tu vivras. Si tu ne la rends pas, sache que tu mourras certainement, toi et tous ceux qui t’appartiennent. ”
8 Abimélech se leva de bon matin, appela tous ses serviteurs et leur rapporta toutes ces choses; et ces gens furent saisis d’une grande frayeur.
9 Puis Abimélech appela Abraham et lui dit: ” Qu’est-ce que tu nous as fait? En quoi ai-je manqué à ton égard, que tu aies fait venir sur moi et sur mon royaume un si grand péché? Tu as fait avec moi des choses qui ne se font pas. ”
10 Abimélech dit encore à Abraham: ” A quoi as-tu pensé en agissant de la sorte? ”
11 Abraham répondit: ” je me disais: Il n’y a sans doute aucune crainte de Dieu dans ce pays, et l’on me tuera à cause de ma femme.
12 Et d’ailleurs elle est vraiment ma soeur; elle est fille de mon père, quoiqu’elle ne soit pas fille de ma mère, et elle est devenue ma femme.
13 Lorsque Dieu me fit errer loin de la maison de mon père, je dis à Sara: Voici la grâce que tu me feras: dans tous les lieux où nous arriverons, dis de moi C’est mon frère. ”
14 Alors Abimélech prit des brebis et des boeufs, des serviteurs et des servantes, et les donna à Abraham; et il lui rendit Sara, sa femme.
15 Abimélech dit: ”Voici, mon pays est devant toi; habite où il te plaira. ”
16 Et il dit à Sara: ” je donne à ton frère mille pièces d’argent; cela te sera un voile sur les yeux pour tous ceux qui sont avec toi et pour tous; te voilà justifiée. ”
17 Abraham intercéda auprès de Dieu, et Dieu guérit Abimélech, sa femme et ses servantes, et ils eurent des enfants.
18 Car Yahweh avait rendu tout sein stérile dans la maison d’Abimélech, à cause de Sara, femme d’Abraham.

chapitre 021

1 Yahweh visita Sara, comme il l’avait dit; Yahweh accomplit pour Sara ce qu’il avait promis.
2 Sara conçut et enfanta à Abraham un fils dans sa vieillesse, au terme que Dieu lui avait marqué.
3 Abraham donna au fils qui lui était né, que Sara lui avait enfanté, le nom d’ Isaac.
4 Et Abraham circoncit Isaac, son fils, à l’âge de huit jours,
5 comme Dieu le lui avait ordonné.
6 Abraham avait cent ans à la naissance d’Isaac, son fils. Et Sara dit: ” Dieu m’a donné de quoi rire; quiconque l’apprendra rira à mon sujet. ”
7 Elle ajouta ” Qui eût dit à Abraham Sara allaitera des enfants? Car j’ai donné un fils à sa vieillesse. ”
8 L’enfant grandit, et on le sevra. Abraham fit un grand festin le jour où Isaac fut sevré.
9 Sara vit le fils d’Agar, l’Égyptienne, qu’elle avait enfanté à Abraham, qui riait,
10 et elle dit à Abraham: ” Chasse cette servante et son fils; car le fils de cette servante ne doit pas hériter avec mon fils, avec Isaac. ”
11 Cette parole déplut beaucoup aux yeux d’Abraham, à cause de son fils Ismaël.
12 Mais Dieu dit à Abraham: ” Que cela ne déplaise pas à tes yeux, à cause de l’enfant et de ta servante; quoi que Sara te demande, consens-y, car c’est d’Isaac que naîtra la postérité qui portera ton nom.
13 Néanmoins du fils de la servante je ferai aussi une nation, parce qu’il est né de toi. ”
14 Abraham s’étant levé de bon matin, prit du pain et une outre d’eau, les donna à Agar et les mit sur son épaule; il lui remit aussi l’enfant, et il la renvoya.
15 Elle s’en alla, errant dans le désert de Bersabée.
16 Quand l’eau qui était dans l’outre fut épuisée, elle jeta l’enfant sous l’un des arbrisseaux, et elle s’en alla s’asseoir vis-à-vis, à une portée d’arc; car elle disait: ” je ne veux pas voir mourir l’enfant. ”
17 Elle s’assit donc vis-à-vis, éleva la voix et pleura. Dieu en tendit la voix de l’enfant, et l’ange de Dieu appela du ciel Agar, en disant ” Qu’as-tu Agar? Ne crains point, car Dieu a entendu la voix de l’enfant, dans le lieu où il est.
18 Lève-toi, relève l’enfant, prends-le par la main, car je ferai de lui une grande nation. ”
19 Et Dieu lui ouvrit les yeux, et elle vit un puits d’eau; elle alla remplir l’outre d’eau et donna à boire à l’enfant.
20 Dieu fut avec l’enfant, et il grandit; il habita dans le désert et devint un tireur d’arc.
21 Il habitait dans le désert de Pharan, et sa mère prit pour lui une femme du pays d’Égypte.
22 En ce temps-là, Abimélech, accompagné de Phicol, chef de son armée, parla ainsi à Abraham:
23 ” Dieu est avec toi dans tout ce que tu fais. Jure-moi donc ici, par le nom de Dieu, que tu ne tromperas ni moi, ni mes enfants, ni mes petits-enfants, mais que tu auras pour moi et pour ce pays où tu séjournes la même bienveillance dont j’ai usé envers toi. ” Abraham dit: ” je le jurerai. ”
24 Mais Abraham fit des reproches à Abimélech au sujet d’un puits d’eau
25 dont les serviteurs d’Abimélech s’étaient emparés de force.
26 Abimélech répondit: ” j’ignore qui a fait cela; toi-même tu ne m’en as pas informé, et je n’en ai entendu parler qu’aujourd’hui. ”
27 Et Abraham prit des brebis et des boeufs, et les donna à Abimélech, et ils firent alliance tous deux.
28 Abraham mit à part sept jeunes brebis du troupeau, et Abimélech dit à Abraham:
29 ” Qu’est-ce que ces sept jeunes brebis, que tu as mises à part? ”
30 Il répondit: ”Tu accepteras de ma main ces sept jeunes brebis, afin que ce soit pour moi un témoignage que j’ai creusé ce puits. ”
31 C’est pourquoi on a appelé ce lieu Bersabée, parce que c’est là qu’ils ont tous deux prêté serment.
32 C’est ainsi qu’ils firent alliance à Bersabée. Après quoi Abimélech se leva, avec Phicol, chef de son armée, et ils retournèrent au pays des Philistins.
33 Abraham planta un tamaris à Bersabée, et il invoqua là le nom de Yahweh, Dieu éternel;
34 et Abraham séjourna longtemps dans le pays des Philistins.

chapitre 022

1 Après cela, Dieu mit Abraham à l’épreuve et lui dit: ” Abraham! ”
2 Il répondit: ” Me voici. ” Et Dieu dit ” Prends ton fils, ton unique, celui que tu aimes, Isaac, et va-t’en au pays de Moria, et là offre-le en holocauste sur l’une des montagnes que je t’indiquerai. ”
3 Abraham se leva de bon matin et, ayant sellé son âne, il prit avec lui deux de ses serviteurs et son fils Isaac; il fendit le bois de l’holocauste et partit pour aller au lieu que Dieu lui avait dit.
4 Le troisième jour, Abraham, levant les yeux, aperçut le lieu de loin;
5 et Abraham dit à ses serviteurs: ” Restez ici avec l’âne; moi et l’enfant, nous voulons aller jusque-là et adorer, puis nous reviendrons vers vous. ”
6 Et Abraham prit le bois de l’holocauste, et le mit sur Isaac, son fils, lui-même portait dans sa main le feu et le couteau, et ils s’en allèrent tous deux ensemble.
7 Isaac parla à Abraham, son père, et dit: ”Mon père! ” Il répondit: ” Me voici, mon fils.”
8 Et Isaac dit: ” Voici le feu et le bois; mais où est l’agneau pour l’holocauste?” Abraham répondit: ” Dieu verra à trouver l’agneau pour l’holocauste, mon fils. ” Et ils allaient tous deux ensemble.
9 Lorsqu’ils furent arrivés au lieu que Dieu lui avait désigné, Abraham y éleva l’autel et arrangea le bois;
10 puis il lia Isaac, son fils, et le mit sur l’autel, au-dessus du bois.
11 Et Abraham étendit la main et prit le couteau pour égorger son fils. Alors l’ange de Yahweh lui cria du ciel et dit: ” Abraham! Abraham! ”
12 Il répondit: ” Me voici .” Et l’ange dit ” Ne porte pas la main sur l’enfant et ne lui fais rien;
13 car je sais maintenant que tu crains Dieu et que tu ne m’as pas refusé ton fils, ton unique. ” Abraham, ayant levé les yeux, vit derrière lui un bélier pris dans un buisson par les cornes; et Abraham alla prendre le bélier et l’offrit en holocauste à la place de son fils.
14 Et Abraham nomma ce lieu: ” Yahweh-Yiréh ”, d’où l’on dit aujourd’hui ” Sur la montagne de Yahweh, il sera vu. ”
15 L’ange de Yahweh appela du ciel Abraham une seconde fois, en disant:
16 ” je l’ai juré par moi-même, dit Yahweh: parce que tu as fait cela, et que tu ne m’as pas refusé ton fils, ton unique,
17 je te bénirai; je multiplierai ta postérité comme les étoiles du ciel et comme le sable qui est au bord de la mer, et ta postérité possédera la porte de ses ennemis.
18 En ta postérité seront bénies toutes les nations de la terre, parce que tu as obéi à ma voix. ”
19 Abraham retourna vers ses serviteurs et, s’étant levés, ils s’en allèrent ensemble à Bersabée. Et Abraham habita à Bersabée.
20 Après ces événements, on apporta à Abraham cette nouvelle: ” Voici, Melcha a aussi enfanté des fils à Nachor, ton frère:
21 Hus, son premier-né, Buz, son frère, Camuel, père d’Aram, Cased, Azau,
22 Pheldas, Jedlaph et Bathuel. ” Bathuel fut père de Rébecca.
23 Ce sont là les huit fils que Melcha enfanta à Nachor, frère d’Abraham.
24 Sa concubine, nommée Roma, eut aussi des enfants: Tabée, Gaham, Taas et Maacha.

chapitre 023

1 Sara vécut cent vingt-sept ans: telles sont les années de sa vie.
2 Sara mourut à Qiriath-Arbé, qui est Hébron, dans le pays de Chanaan; et Abraham vint pour faire le deuil de Sara et pour la pleurer.
3 Puis Abraham se leva de devant son mort, et parla ainsi aux fils de Heth
4 ” je suis un étranger et un hôte parmi vous un sépulcre, afin que je puisse ôter de devant moi mon mort et l’enterter. ”
5 Les fils de Heth répondirent à Abraham en lui disant:
6 ” Ecoute-nous, mon seigneur; tu es un prince de Dieu au milieu de nous; enterre ton mort dans le plus beau de nos sépulcres; aucun de nous ne te refusera son sépulcre pour y déposer ton mort. ”
7 Alors Abraham se leva et, se prosternant devant le peuple du pays, devant les fils de Fieth,
8 il leur parla en ces termes: ” Si vous voulez que j’ôte mon mort de devant moi pour l’enterrer, écoutez-moi
9 et priez pour moi Ephron, fils de Séor, de me céder la caverne de Macpéla, qui lui appartient et qui est an bout de son champ, de me la céder en votre présence pour l’argent qu’elle vaut, cornme un lieu de sépulture qui soit à moi. ”
10 Or Ephron était assis au milieu des fils de Heth. Ephron le Héthéen répondit à Abraham en présence des fils de Heth, de tous ceux qui entraient par la perte de sa ville;
11 il lui dit: ” Non, mon seigneur, écoute-moi: je te donne le champ et je te donne la caverne qui s’y trouve;
12 je te!a donne aux yeux des fils de mon peuple; enterre ton mort. ”
13 Abraham se prosterna devant le peuple du pays, et il parla ainsi à Ephron en présence du peuple du pays: ” Qu’il te plaise seulement de m’écouter:
14 je donne le prix du champ; reçois-le de moi, et j’enterrerai là mon mort. ”
15 Ephron répondit à Abraham en lui disant: ” Mon seigneur, écoute-moi: une terre de quatre cents sicles d’argent, entre moi et toi, qu’est-ce que cela?
16 Enterre ton mort. ” Abraham écouta Ephron, et Abraham pesa à Ephron l’argent qu’il avait dit en présence des fils de Heth, savoir quatre cents sicles d’argent ayant cours chez le marchand.
17 Ainsi le champ d’Ephron, qui est à Macpéla, vis-à-vis de Marnbré,!e champ et la caverne qui s’y trouve, ainsi que tous les arbres qui sont dans le champ
18 et dans ses confins tout autour, devinrent la propriété d’Abraham, aux yeux des fils de Heth, de tous ceux qui entraient par la porte de la ville.
19 Après cela, Abraham enterra Sara, sa femme, dans la caverne de Macpéla, vis-à-vis de Mambré, qui est Hébron, dans le pays de Chanaan.
20 Le champ, avec la caverne qui s’y trouve, demeura à Abraham en toute propriété comme lieu de sépulture, provenant des fils de Heth.

chapitre 024
1 Abraham était vieux, avancé en âge, et Yahweh avait béni Abraham en toutes choses.
2 Et Abraham dit à son serviteur, le plus ancien de sa maison, qui administrait tous ses biens: ”
3 Mets donc ta main sous ma cuisse, et je te ferai jurer par Yahweh, Dieu du ciel et Dieu de la terre, que tu ne prendras pas pour mon fils une femme parmi les filles des Chananéens, au milieu desquels j’habite;
4 mais ce sera dans mon pays et dans ma patrie que tu iras prendre une femme pour mon fils pour Isaac. ”
5 Le serviteur lui répondit: ” Peut-être la femme ne voudra-t-elle pas me suivre dans ce pays; devrai-je ramener ton fils dans le pays d’où tu es sorti? ”
6 Abraham lui dit: ” Carde-toi d’y ramener mon fils!
7 Yahweh, le Dieu du ciel, qui m’a pris de la maison de mon père et du pays de ma naissance, qui m’a parlé et qui m’a fait serment en disant: je donnerai ce pays à ta postérité, lui-même enverra son ange devant toi, et tu prendras de là une femme pour mon fils.
8 Si!a femme ne veut pas te suivre, tu seras dégagé de ce serment que je te demande; mais tu ne ramèneras pas là mon fils. ”
9 Alors le serviteur mit sa main sous la cuisse d’Abraham, son maître, et lui prêta serment à ce sujet.
10 Le serviteur prit dix des chameaux de son maître, et Il se mit en route; or il avait à sa disposition tous les biens de son maître. S’étant levé, il alla en Mésopotamie, à la ville de Nachor.
11 Il fit ployer les genoux aux chameaux hors de la ville, près d’un puits, vers le soir, à!’heure où les femmes sortent pour puiser de l’eau.
12 Et il dit: ” Yahweh, Dieu d’Abraham, mon maître, veuillez me faire rencontrer aujourd’hui ce que je désire, et usez de bonté envers mon maître Abraham.
13 Voici que je me tiens près de la source d’eau, et les filles des habitants de la ville vont sortir pour puiser de l’eau.
14 Que la jeune fille à laquelle je dirai Penche ta cruche, je te prie, pour que je boive, – et qui répondra: Bois, et je donnerai aussi à boire à tes chameaux, – soit celle que vous avez destinée à votre serviteur Isaac! Et par là je connaîtrai que vous avez usé de bonté envers mon maître.
15 Il n’avait pas encore fini de parler, et voici que sortit, sa cruche sur l’épaule, Rebecca, fille de Bathuel, fils de Melcha, femme de Nachor, frère d’Abraham.
16 La jeune fille était fort belle de figure; elle était vierge, et nul homme ne l’avait connue.
17 Elle descendit à la source, remplit sa cruche et remonta. Le serviteur courut au-devant d’elle et dit: ” Permets que je boive un peu d’eau de ta cruche. ”
18 Elle répondit: ” Bois, mon seigneur ”; et, s’empressant d’abaisser sa cruche sur sa main, elle lui donna à boire.
19 Quand elle eut achevé de lui donner à boire, elle dit: ” Je puiserai aussi de l’eau pour les chameaux, jusqu’à ce qu’ils aient bu assez. ”
20 Et elle se hâta de vider sa cruche dans l’abreuvoir, et courut encore au puits pour puiser, et elle puisa pour tous les chameaux.
21 L’homme la considérait en silence, pour savoir si Yahweh avait fait réussir son voyage, ou non.
22 Quand les chameaux eurent fini de boire, l’homme prit un anneau d’or du poids d’un demi-sicle, et deux bracelets du poids de dix sicles d’or,
23 et il dit: ” De qui es-tu fille? Dis-le moi donc. Y a-t-il dans la maison de ton père une place où nous puissions passer la nuit? ”
24 Elle répondit: ” Je suis fille de Bathuel, le fils de Melcha, qu’elle enfanta à Nachor. ”
25 Elle ajouta: Il y a chez nous de la paille et du fourrage en abondance, et aussi de la paille pour y passer la nuit. ”
26 Alors cet homme s’inclina et se prosterna devant Yahweh, et il dit:
27 ” Béni soit Yahweh, le Dieu d’Abraham, mon maître, qui n’a pas manqué à sa bonté et à sa fidélité envers mon maître. Moi-même, Yahweh m’a conduit par le chemin chez les frères de mon maître. „
28 La jeune fille courut raconter chez sa mère ce qui s’était passé.
29 Rebecca avait un frère, nommé Laban. Laban courut dehors vers cet homme, près de la source.
30 Il avait vu l’anneau et les bracelets aux mains de sa soeur, et Il avait entendu les paroles de Rebecca, sa soeur, disant: ” L’homme m’a parlé ainsi. ” Il vint donc à cet homme, qui se tenait auprès des chameaux, à la source, et il dit:
31 ” Viens, béni de Yahweh; pourquoi restes-tu dehors? J’ai préparé la maison et une place pour les chameaux. ”
32 Et l’homme entra à là maison. Laban débâta les chameaux, et il donna de la paille et du fourrage aux chameaux, et de l’eau pour laver les pieds de l’homme et les pieds des gens qui étaient avec lui.
33 Puis il lui servit à manger; mais l’homme dit: ” Je ne mangerai point que je n’aie dit ce que j’ai à dire. Parle, ” dit Laban.
34 Il dit: Je suis serviteur d’Abraham. Yahweh a comblé de bénédictions mon maître, et il est devenu puissant.
35 Il lui a donné des brebis et des boeufs, des serviteurs et des servantes, des chameaux et des ânes.
36 Sara, femme de mon maître, a enfanté dans sa vieillesse un fils à mon maître, et il lui a donné tous ses biens.
37 Mon maître m’a fait jurer, en disant: Tu ne prendras pas pour mon fils une femme parmi les filles des Chananéens, dans le pays desquels j’habite.
38 Mais tu iras dans la maison de mon père et dans ma parenté, et tu prendras là une femme pour mon fils.
39 – Je dis à mon maître: Peut-être la femme ne voudra-t-elle pas me suivre.
40 Et il m’a répondu: Yahweh, devant qui je marche, enverra son ange avec toi et fera réussir ton voyage, et tu prendras pour mon fils une femme de ma parenté et de la maison de mon père.
41 Tu seras dégagé du serment que tu me fais, une fois que tu te seras rendu dans ma parenté; si on ne te l’accorde pas, tu seras dégagé du serment que je te demande.
42 En arrivant aujourd’hui à la source, j’ai dit: Yahweh, Dieu de mon maître Abraham, si vous daignez faire réussir le voyage que je fais,
43 voici que je me tiens près de la source d’eau; que la jeune fille qui sortira pour puiser et à qui je dirai: Laisse-moi boire, je te prie, un peu d’eau de ta cruche, et qui me répondra:
44 Bois toi-même, et je puiserai aussi pour tes chameaux, -qu’elle soit la femme que Yahweh a destinée au fils de mon maître.
45 Je n’avais pas encore fini de parler en mon coeur, voici que Rebecca sortait, sa cruche sur l’épaule; elle est descendue à la source et a puisé; et je lui ai dit: Donne-moi à boire, je te prie.
46 -Abaissant aussitôt sa cruche de dessus son épaule, elle me dit: Bois, et je donnerai aussi à boire à tes chameaux. J’ai donc bu, et elle a aussi donné à boire aux chameaux.
47 Et je l’ai interrogée, en disant: De qui es-tu fille? Elle a répondu: Je suis fille de Bathuel, le fils de Nachor, que Melcha lui a enfanté.
48 Alors j’ai mis l’anneau à ses narines et les bracelets à ses mains. Puis je me suis incliné et prosterné devant Yahweh, et j’ai béni Yahweh, le Dieu de mon maître
49 Abraham, qui m’a conduit dans le vrai chemin pour prendre la fille du frère de mon maître pour son fils. Maintenant, si vous voulez user de bonté et de fidélité envers mon maître, déclarez-le-moi; sinon, déclarez-le-moi encore, et je me tournerai à droite ou à gauche. ”
50 Laban et Bathuel répondirent, en disant: ” La chose vient de Yahweh, nous ne pouvons te dire ni mal ni bien.
51 Voici Rebecca devant toi; prends-la et t’en va; qu’elle soit la femme du fils de ton maître, comme Yahweh l’a dit. ” Lorsque le serviteur d’Abraham eut entendu ces paroles, il se prosterna à terré devant
53 Yahweh. Et le serviteur tira des objets d’argent, des objets d’or et des vêtements, qu’il donna à Rebecca; il fit aussi de riches présents à son frère et à sa mère.
54 Ensuite ils mangèrent et burent, lui et les gens qui étaient avec lui, et ils passèrent là la nuit.
55 Le matin, quand ils furent levés, le serviteur dit: ” Laissez-moi retourner vers mon maître. ” Le frère et la mère de Rebecca dirent: ” Que la jeune fille demeure avec nous quelques jours encore, une dizaine; après quoi elle partira. ”
56 Il leur répondit: ” Ne me retardez pas, puisque Yahweh a fait réussir mon voyage; laissez-moi partir, pour que je retourne vers mon maître.”
57 Ils dirent: ”Appelons la jeune fille, et demandons-lui ce qu’elle désire.
58 Ils appelèrent donc Rebecca et lui dirent: ” Veux-tu partir avec cet homme? ”
59 Elle répondit: ” Je partirai. ” Alors ils congédièrent Rebecca, leur soeur et sa nourrice, avec le serviteur d’Abraham et ses gens.
60 Ils bénirent Rebecca et lui dirent: ” O notre soeur, puisses-tu devenir des milliers de myriades!
61 Puisse ta postérité posséder la porte de ses ennemis! ” Alors Rebecca et ses servantes, s’étant levées, montèrent sur les chameaux, et suivirent cet homme. Et le serviteur emmena Rebecca et se mit en route.
62 Cependant Isaac était revenu du puits de Chai-Roï, et il habitait dans le pays du Midi.
63 Un soir qu’ Isaac était sorti dans les champs pour méditer, levant les yeux, il vit des chameaux qui arrivaient.
64 Rebecca leva aussi les yeux et, ayant aperçu Isaac, elle sauta à bas de son chameau.
65 Elle dit au serviteur: ” Qui est cet homme qui vient dans les champs à notre rencontre?” Le serviteur répondit: ”C’est mon maître. ” Et elle prit son voile et se couvrit.
66 Le serviteur raconta à Isaac
66 toutes les choses qu’il avait faites.
67 Et Isaac conduisit Rebecca dans la tente de Sara, sa mère. Il prit Rebecca, qui devint sa femme, et il l’aima; et Isaac se consola de la mort de sa mère.

chapitre 025

1 Abraham prit encore une femme, nommée Cétura.
2 Et elle lui enfanta Zamran, Jecsan, Madan, Madian, Jesboc et Sué. – Jecsan engendra Saba et Dadan;
3 les fils de Dadan furent les Assurim, les Latusim et les Laomim.
4 – Les fils de Madian furent Epha, Opher, Hénoch, Abida et Eldaa. – Ce sont là tous les fils de Cétura.
5 Abraham donna tous ses biens à Isaac:
6 Quant aux fils de ses concubines, il leur donna des présents, et il les envoya de son vivant loin de son fils Isaac, à l’orient, au pays d’Orient.
7 Voici les jours des années de la vie d’Abraham: il vécut cent soixante-quinze ans.
8 Abraham expira et mourut dans une heureuse vieillesse, âgé et rassasié de jours, et il fut réuni à son peuple.
9 Isaac et Ismaël, ses fils, l’enterrèrent dans la caverne de Macpéla, dans le champ d’Ephron, fils de Séor le Héthéen, qui est vis-à-vis de Mambré:
10 c’est le champ qu’Abraham avait acheté des fils de Heth. Là fut enterré Abraham, avec Sara, sa femme.
11 Après la mort d’Abraham, Dieu bénit Isaac son fils; et Isaac habitait près du puits de Lacha’ï-Roi.
12 Voici l’histoire d’Ismaël, fils d’Abraam, qu’avait enfanté à Abraham Agar ï’Egyptienne, servante de Sara.
13 Voici les noms des fils d’Ismaël, selon les noms de leurs postérités: premier-né d’ Ismaël, Nebaïoth;
14 puis Cédar, Acibéel, Mabsam, Masma, Duma, Massa, Hadad,
15 Théma, Jéthur, Naphis et Cedma.
16 Ce sont là les fils d’ Ismaël, ce sont là leurs noms, selon leurs villages et leurs campements: ce furent les douze chefs de leurs tribus.
17 Voici les années de la vie d’ Ismaël: cent trente-sept ans; puis il expira et mourut et il fut réuni à son peuple.
18 Ses fils habitèrent depuis Hévila jusqu’à Sur qui est en face de l’Egypte, dans la direction de l’Assyrie. Il s’étendit en face de tous ses frères.
19 Voici l’histoire d’Isaac, fils d’Abraham.
20 Abraham engendra Isaac. Isaac était âgé de quarante ans quand il prit pour femme Rebecca, fille de Bathuel l’Araméen, de Paddan -Aram, et soeur de Laban, l’Araméen.
21 Isaac implora Yahweh au sujet de sa femme, car elle était stérile; Yahweh l’exauça et Rebecca, sa femme, conçut.
22 Les enfants se heurtaient dans son sein, et elle dit: ” S’il en est ainsi, pourquoi suis-je enceinte? ”
23 Elle alla consulter Yahweh; et Yahweh lui dit. ” Deux nations sont dans ton sein; deux peuples, au sortir de tes entrailles, se sépareront; un peuple l’emportera sur I’autre, et le plus grand servira le plus petit.”
24 Le temps où elle devait enfanter arriva, et voici, il y avait deux jumeaux dans son sein.
25 Celui qui sortit le premier était roux, tout entier comme un manteau de poil, et ils l’appelèrent Esaü;
26 ensuite sortit son frère, tenant dans sa main le talon d’Esaü, et on le nomma Jacob. Isaac était âgé de soixante ans quand ils naquirent.
27 Ces enfants grandirent. Esaü devint un habile chasseur, un homme des champs; mais Jacob était un homme paisible, demeurant sous la tente.
28 Isaac prit en affection Esaü, parce qu’il aimait la venaison, et l’affection de Rebecca était polir Jacob.
29 Comme Jacob faisait un potage, Esaü arriva des champs, accablé de fatigue.
30 Esaü dit à Jacob: ” Laisse-moi donc manger de ce roux, de ce roux-là, car je suis fatigué. ”
31 – C’est pour cela qu’on a donné à Esaü le nom d’Edom.
32 – Jacob dit: ” Vends-moi d’abord ton droit d’aînesse. ” Esaü répondit: ”Voici je m’en vais mourir; que me servira mon droit d’aînesse? ”
33 Et Jacob dit: ” Jure-le-moi d’abord. ” Il jura et vendit son droit d’aînesse à Jacob.
34 Alors Jacob donna à Esaü du pain et du potage de lentilles; celui-ci mangea et but; puis il se leva et s’en alla. C’est ainsi qu’Esa méprisa le droit d’aînesse.

chapitre 026

1 Il v eut une famine dans le pays, outre la première famine qui avait eu lieu du temps d’Abraham; et Isaac alla à Gérare, vers Abimélech, roi dés Philistins.
2 Yahweh lui apparut et dit: ” Ne descends point en Egypte, mais demeure dans le pays que je te dirai.
3 Séjourne dans ce pays-ci; je serai avec toi et je te bénirai, car je donnerai toutes ces contrées à toi et à ta postérité, et je tiendrai le serment que j’ai fait à Abraham, ton père.
4 Je multiplierai ta postérité comme les étoiles du ciel, et je donnerai à ta postérité toutes ces contrées, et en ta postérité seront bénies toutes les nations de la terre,
5 parce qu’Abraham a obéi à ma voix et a gardé mon ordre, mes commandements, mes statuts et mes lois. ”
6 Isaac demeura donc à Gérare.
7 Les gens du lieu le questionnaient sur sa femme, il disait: ” C’est ma soeur ”; car il craignait de dire: ” Ma femme ”, de peur, pensait-il, que les gens du lieu ne me tuent à cause de Rebecca ”, car elle était belle de figure.
8 Comme son séjour à Gérare se prolongeait, il arriva qu’Abimélech, roi des Philistins, regardant par la fenêtre, aperçut Isaac qui faisait des caresses à Rebecca, sa femme.
9 Abimélech appela Isaac et dit: ” Elle ne peut être que ta femme; comment as-tu dit: C’est ma soeur? ” Isaac lui répondit: ” C’est que je me disais: je crains de mourir à cause d’elle. ”
10 Et Abimélech dit: ” Qu’est-ce que tu nous as fait? Car peu s’en est fallu qu’un homme du peuple couche avec ta femme, et tu aurais fait venir sur nous un péché. ”
11 Alors Abimélech donna cet ordre à tout le peuple: ” Celui qui Touchera cet homme ou sa femme sera mis à mort. ”
12 Isaac fit des semailles dans ce pays, et il recueillit cette année-là le centuple.
13 Yahweh le bénit; et cet homme devint riche, et il alla s’enrichissant de plus en plus, jusqu’à devenir très riche.
14 Il avait des troupeaux de menu bétail et des troupeaux de gros bétail et beaucoup de serviteurs, et les Philistins lui portèrent envie.
15 Tous les puits qu’avaient creusés les serviteurs de son père, du temps de son père Abraham, les Philistins les bouchèrent, en les remplissant de terre.
16 Et Abimélech dit à Isaac: ”Va-t’en de chez nous, car tu es devenu beaucoup plus puissant que nous. ”
17 Isaac s’en alla et, ayant établi son campement dans la vallée de Gérare, il y demeura.
18 Isaac creusa de nouveau les puits d’eau qu’on avait creusés du temps d’Abraham, son père, et que les Philistins avaient bouchés après la mort d’Abraham, et il leur donna les mêmes noms que son père leur avait donnés.
19 Les serviteurs d’ Isaac creusèrent encore dans la vallée et y trouvèrent un puits d’eau vive.
20 Et les bergers de Gérare se querellèrent avec les bergers d’Isaac, en disant: ” L’eau est à nous. ”
21 Et il nomma le puits Eseq, parce qu’ils avaient eu un débat avec lui. Ses serviteurs creusèrent un autre puits, au sujet duquel il y eut encore une querelle, et il le nomma Sitna.
22 Étant parti de là, il creusa un autre puits, pour lequel il n’y eut plus de querelle, et il le nomma Rechoboth ” Car maintenant, dit-il, Yahweh nous a mis au large, et nous prospérerons dans le pays. ”
23 De là, il remonta à Bersabée.
24 Yahweh lui apparut cette nuit-là et dit: ” Je suis le Dieu d’Abraham, ton père; ne crains point, car je suis avec toi; je te bénirai et je multiplierai ta postérité, à cause d’Abraham, mon serviteur. ”
25 Il éleva là un autel et invoqua le nom de Yahweh, puis il y dressa sa tente; et les serviteurs d’Isaac y creusèrent un puits.
26 Abimélech vint vers lui, de Gérare, avec Ochozath, son ami, et Phicol, chef de son armée.
27 Isaac leur dit: ” Pourquoi êtes-vous venus vers moi, vous qui nie haïssez et qui m’avez renvoyé de chez vous? ”
28 Ils répondirent: ” Nous avons vu clairement que Yahweh est avec toi, et nous avons dit: Qu’il y ait un serment entre nous, entre nous et toi, et que nous fassions une alliance avec toi.
29 Jure de ne pas nous faire de mal, de même que nous ne t’avons pas touché, et que nous ne t’avons fait que du bien, et t’avons laissé partir en paix. Tu es maintenant le béni de Yahweh. ”
30 Isaac leur fit un festin, et ils mangèrent et burent.
31 Et, s’étant levés de bon matin, ils se prêtèrent serment l’un à l’autre; puis Isaac les congédia et ils s’en allèrent de chez lui en paix.
32 Ce même jour, les serviteurs d’Isaac vinrent lui apporter des nouvelles du puits qu’ils Creusaient; lis lui dirent ” Nous avons trouvé de l’eau. ”
33 Et il appela le puits Schibéa. C’est pour cela que la ville se nomme Bersabée jusqu’à ce jour.
34 Esaü, âgé de quarante ans, prit pour femmes Judith, fille de Bééri, le Héthéen, et Basemath, fille d’Elon, le Héthéen.
35 Elles furent un sujet d’amertume pour Isaac et Rebecca.

chapitre 027

1 Isaac était devenu vieux, et ses yeux ’étaient obscurcis au point de ne plus voir. Il appela Esaü, son fils aîné, et lui dit: ” Mon fils ” Celui-ci lui -répondit: ” Me voici. ”
2 Isaac dit: ” Voici donc, je suis vieux; je ne connais pas le jour de ma mort.
3 Maintenant donc, prends tes armes, ton carquois et ton arc, va dans la campagne et tue-moi du gibier.
4 Fais-m’en un bon plat, selon mon goût, et apporte-le-moi, que je le mange, afin que mon âme te bénisse avant que je meure. ”
5 – Rebecca entendait pendant qu’Isaac parlait à Esaü, son fils. – Et Esaü s’en alla dans la campagne pour tuer du gibier et I’apporter.
6 Alors Rebecca parla ainsi à Jacob, son fils -”Voici, j’ai entendu ton père qui parlait ainsi à ton frère Esaü:
7 Apporte-moi du gibier et fais-m’en un bon plat, afin que je le mange et que je te bénisse devant Yahweh avant de mourir.
8 Maintenant. mon fils, écoute ma voix dans ce que je vais te commander.
9 Va au troupeau et prends-moi deux beaux chevreaux; j’en ferai pour ton père un bon plat, selon son goût,
10 et tu le porteras à ton père, et il en mangera, afin qu’il te bénisse avant de mourir.”
11 Jacob répondit à Rebecca, sa mère: ” Voici, Esaü, mon frère, est velu, et moi j’ai la peau lisse.
12 Peut-être que mon père me touchera, et je passerai à ses yeux pour m’être joué de lui, et j’attirerai sur moi une malédiction au lieu d’une bénédiction. ”
13 Sa mère lui dit: ” Je prends sur moi ta malédiction, mon fils. Ecoute seulement ma voix et va me prendre les chevreaux. ”
14 Jacob alla les prendre et les apporta à sa mère, qui en fit un bon plat, selon le goût de son père.
15 Et Rebecca prit les habits d’Esaü, son fils aîné, les plus beaux, qu’elle avait dans la maison, et elle en revêtit Jacob, son fils cadet.
16 Puis elle lui couvrit les mains de la peau des chevreaux, ainsi que la partie lisse du cou.
17 Et elle mit dans la main de Jacob, son fils, le bon plat et le pain qu’elle avait préparés.
18 Il vint vers son père et dit: Mon père! ’ – ” Me voici, dit Isaac; qui es-tu, mon fils? ”
19 Jacob répondit à son père: «Je suis Esaü, ton premier-né; j’ai fait ce que tu m’as dit. Lève-toi, je te prie, assieds-toi et mange de ma chasse, afin que ton âme me bénisse. ”
20 Isaac dit à son fils: ” Comment as-tu trouvé si vite, mon fils? ” Jacob, répondit: ” C’est que Yahweh, ton Dieu, l’a fait venir devant moi. ”
21 Et Isaac dit à Jacob: ” Approche donc, que je te touche, mon fils, pour savoir si tu es bien mon fils Esaü, ou non. ”
22 Jacob s’étant approché d’Isaac, son père, celui-ci le toucha et dit: ” La voix est la voix de Jacob, mais les mains sont les mains d’Esaü. ”
23 Il ne le reconnut pas, parce que ses mains étaient velues, comme les mains d’Esaü, son frère, et il le bénit.
24 Il dit ” C’est bien toi qui es mon fils Esaü? ”
25 -”C’est moi”, répondit Jacob. Et Isaac dit: ” Sers-moi, que je mange du gibier de mon fils et que mon âme te bénisse. ” Jacob le servit, et il mangea; il lui présenta aussi du vin, et il but.
26 Alors Isaac, son père, lui dit: ” Approche-toi donc et baise-moi, mon fils. ”
27 Jacob s’approcha et le baisa; et Isaac sentit l’odeur de ses vêtements, et il le bénit en disant: ” Voici, l’odeur de mon fils est comme l’odeur d’un champ qu’a béni Yahweh. ”
28 Que Dieu te donne de la rosée du ciel et de la graisse de la terre, et abondance de froment et de vin!
29 Que des peuples te servent, et que des nations se prosternent devant toi! Sois le maître de tes frères, et que les fils de ta mère se prosternent devant toi! Maudit soit qui te maudira, et béni soit qui te bénira!
30 Isaac avait achevé de bénir Jacob, et Jacob venait de quitter Isaac, son père, lorsqu’Esaü, son frère, revint de la chasse.
31 Il prépara, lui aussi, un bon plat, et l’apporta à son père; et il dit à son père: ” Que mon père se lève et mange de la chasse de son fils, afin que ton âme me bénisse. ”
32 Isaac, son père, lui dit: ” Qui es-tu? ” Il répondit: ” Je suis ton fils, ton premier-né, Esaü. ”
33 Isaac fut saisi d’une terreur extrême, et il dit: ”Qui est donc celui qui a chassé du gibier et m’en a apporté? J’ai mangé de tout avant que tu vinsses, et je l’ai béni; et il sera béni en effet. ”
34 Lorsqu’Esaü eut entendu les paroles de son père, il jeta un grand cri, une plainte très amère, et il dit à son père:
35 ” Bénis-moi, moi aussi, mon père. ” Isaac dit: ” Ton frère est venu avec ruse, et il a pris ta bénédiction. ”
36 Esaü dit: ” Est-ce parce qu’on l’appelle Jacob qu’il m’a supplanté deux fois? Il a pris mon droit d’aînesse, et voilà maintenant qu’il a pris ma bénédiction! ” Il ajouta: ” N’as-tu pas réservé pour moi une bénédiction? ”
37 Isaac répondit et dit à Esaü: ” Voici, je l’ai établi ton maître et j e lui ai donné tous ses frères pour serviteurs, et je l’ai pourvu de froment et de vin; et pour toi donc, que puis-je faire, mon fils?
38 Esaü dit à son père: ” N’as-tu que cette seule bénédiction, mon père? Bénis-moi, moi aussi, mon père! ” Et Esaü éleva la voix et pleura.
39 Isaac, son père, lui répondit: ” Privée de la graisse de la terre sera ta demeure, privée de la rosée qui descend du ciel.
40 Tu vivras de ton épée, et tu seras asservi à ton frère; mais il arrivera que, en secouant son joug, tu le briseras de dessus ton cou. ”
41 Esaü conçut de la haine contre Jacob à cause de la bénédiction que son père lui avait donnée, et Esaü dit en son coeur: ” Les jours où je ferai le deuil de mon père approchent; alors je tuerai Jacob, mon frère. ”
42 On rapporta à Rebecca les paroles d’Esaü, son fils aîné. Elle fit appeler Jacob, son fils cadet, et lui dit:
43 ” Voici qu’Esaü, ton frère, veut se venger de toi en te tuant.
44 Maintenant donc, mon fils, écoute ma voix: lève-toi, fuis vers Laban, mon frère, à Haran; et tu resteras quelque temps auprès de lui, jusqu’à ce que la fureur de ton frère soit apaisée,
45 jusqu’à ce que la colère de ton frère se soit détournée de toi, et qu’il ait oublié ce que tu lui as fait; alors je t’enverrai chercher de là. Pourquoi serais-je privée de vous deux en un même jour? ”
46 Rebecca dit à Isaac: ” Je suis dégoûtée de la vie, à cause des filles de Heth. Si Jacob prend une femme, comme celles-là, parmi les filles de Heth, parmi les filles de ce pays, à quoi me sert la vie?”

chapitre 028

1 Isaac appela Jacob et le bénit, et il lui donna cet ordre: ”Tu ne prendras pas pour femme une des filles de Chanaan.
2 Lève-toi, va en Paddan-Aram, chez Bathuel, père de ta mère, et prends-y une femme parmi les filles de Laban, frère de ta mère.
3 Que Dieu le tout-puissant te bénisse, qu’il te fasse croître et multiplier, afin que tu deviennes une multitude de peuples!
4 Qu’il te donne la bénédiction d’Abraham, à toi et à ta postérité avec toi, afin que tu possèdes le pays où tu séjournes, et que Dieu a donné à Abraham! ”
5 Et Isaac congédia Jacob, qui s’en alla en Paddan-Aram, vers Laban, fils de Bathuel l’Araméen, frère de Rebecca, la mère de Jacob et d’Esaü.
6 Esaü vit qu’Isaac avait béni Jacob et qu’il l’avait envoyé en Paddan-Aram pour y prendre une femme, et qu’en le bénissant, il lui avait donné cet ordre ” Tu ne prendras pas pour femme une des filles de Chanaan ”,
7 et que Jacob, obéissant à son père et à sa mère, était parti pour Paddan-Aram.
8 Esaü vit donc que les filles de Chanaan déplaisaient à Isaac, son père,
9 et Esaü s’en alla vers Ismaël, et il prit pour femme, outre les femmes qu’il avait déjà, Mahéleth, fille d’Ismaël, fils d’Abraham, et soeur de Nabaïoth.
10 Jacob partit de Bersabée et s’en alla à Haran.
11 Il arriva dans un lieu; et Il y passa la nuit, parce que le soleil était couché. Ayant pris une des pierres qui étaient là, il en fit son chevet, et il se coucha dans ce lieu.
12 Il eut un songe: et voici, une échelle était posée sur la terre et son sommet touchait au ciel; et voici, sur elle des anges de Dieu montaient et descendaient, et au haut se tenait Yahweh.
13 Il dit: ” Je suis Yahweh, le Dieu d’Abraham, ton père, et le Dieu d’Isaac. Cette terre sur laquelle tu es couché, je té la donnerai, à toi et à ta postérité.
14 Ta postérité sera comme la poussière de la terre; tu t’étendras à l’occident et à l’orient, au septentrion et au midi, et toutes les familles de la terre seront bénies en toi et en ta postérité.
15 Voici, je suis avec toi, et je te garderai partout où tu iras et je te ramènerai dans ce pays. Car je ne t’abandonnerai point que je n’aie fait ce que je t’ai dit.”
16 Jacob s’éveilla de son sommeil et il dit: ” Certainement Yahweh est en ce lieu, et moi je ne le savais pas! ”
17 Saisi de crainte, il ajouta: ” Que ce lieu est redoutable! C’est bien ici la maison de Dieu, c’est ici la porte du ciel. ”
18 S’étant levé de bon matin, Jacob prit la pierre dont il avait fait son chevet, la dressa pour monument et versa de l’huile sur son sommet.
19 Il nomma ce lieu BétheI; mais primitivement l’a ville s’appelait Luz.
20 Et Jacob fit un voeu en disant: ” Si Dieu est avec moi et me garde dans ce voyage que je fais; s’il me donne du pain à manger et des habits pour me vêtir,
21 et si je retourne heureusement à la maison de mon père, Yahweh sera mon Dieu;
22 cette pierre que j’ai dressée pour monument sera une maison de Dieu, et je vous paierai la dîme de tout ce que vous me donnerez. ”

chapitre 029

1 Jacob reprit sa marche et s’en alla au pays des fils de l’Orient.
2 Il regarda, et voici, il y avait un puits dans la campagne, et voici, il y avait à côté trois troupeaux de brebis qui étaient couchés, car c’était à ce puits qu’on abreuvait les troupeaux, et la pierre qui était sur l’ouverture du puits était grande.
3 Là se réunissaient tous les troupeaux; on roulait la pierre de dessus I’ouverture du puits, on faisait boire les troupeaux, et l’on remettait la pierre à sa place sur l’ouverture du puits.
4 Jacob dit aux, bergers: ” Mes frères, d’où êtes-vous? ” ils répondirent: ” Nous sommes de Haran. ”
5 Il leur dit: ” Connaissez-vous Laban, fils de Nicher? ” Ils répondirent: ” Nous le connaissons. ”
6 Il leur dit: ” Est-il en bonne santé? ” Ils répondirent: ” Il est en bonne santé, et voici Rachel, sa fille, qui vient avec ces brebis. ”
7 Il dit: ” Voici, il est encore grand jour, et ce n’est pas le moment de rassembler les troupeaux; abreuvez les brebis et retournez les faire paître. ”
8 Ils répondirent: ” Nous ne te pouvons pas jusqu’à ce que tous les troupeaux soient rassemblés et qu’on roule la pierre de dessus l’ouverture du puits; alors nous abreuverons les brebis. ”
9 Il s’entretenait encore avec eux, lorsque Rachel arriva avec les brebis de son père: car elle était bergère.
10 Dès que Jacob vit Rachel fille de Laban, frère de sa mère, et les brebis de Laban, frère de sa mère, il s’approcha, roula la pierre de dessus l’ouverture du puits, et abreuva les brebis de Liban, frère de sa mère.
11 Et Jacob baisa Rachel et il éleva la voix et pleura.
12 Jacob apprit à Rachel qu’il était frère de son père, qu’il était fils de Rebecca; et elle courut l’annoncer à son père.
13 Quand Laban eut entendu parler de Jacob, fils de sa soeur, il courut au-devant de lui, et l’avant pris dans ses bras, il lui donna des baisers et l’amena dans sa maison. Jacob raconta à Laban toutes ces choses,
14 et Laban lui dit: ” Oui, tu es mes os et ma chair. ” Et Jacob demeura avec lui un mois entier.
15 Alors Laban dit à Jacob Est-ce que, parce que tu es mon frère, tu me serviras pour rien? Dis-moi quel sera ton salaire. ”
16 Or Laban avait deux filles; l’aînée se nommait Lia, et la cadette Rachel.
17 Lia avait les yeux malades; mais Rachel était belle de taille et belle de visage.
18 Comme Jacob aimait Rachel il dit: ” Je te servirai sept ans pour Rachel, ta fille cadette.”
19 Et Laban dit: ” Mieux vaut te la donner que la donner à un autre; reste avec moi.
20 ” Et Jacob servit pour Rachel sept années, et elles furent à ses yeux comme quelques jours, parce qu’il l’aimait. Jacob dit à. Laban:
21 ”Donne-moi ma femme, car mon temps est accompli, et j’irai vers elle. ”
22 Laban réunit tous les gens du lieu et fit un festin;
23 et le soir, prenant Lia, sa fille, il l’amena à Jacob, qui alla vers elle.
24 Et Laban donna sa servante Zelphi pour servante à Lia, sa fille.
25 Le matin venu voilà que c’était Lia. Et Jacob dit à Laban: ” Que m’as-tu fait? N’est-ce pas pour Rachel que j’ai servi chez toi? Pourquoi m’as-tu trompé?” Laban répondit: ”
26 Ce n’est point l’usage dans notre pays de donner la cadette avant I’aînée.
27 Achève la semaine de celle-ci, et nous te donnerons aussi l’autre pour le service que tu feras encore chez moi pendant sept autres années. ”
28 Jacob fit ainsi, et il acheva la semaine de Lia; puis Laban lui donna pour femme Rachel sa fille.
29 Et Laban donna sa servante Sala pour servante à Rachel, sa fille.
30 Jacob alla aussi vers Rachel et il l’aima aussi plus que Lia; il servit encore chez Laban sept autres années.
31 Yahweh vit que Lia était haïe, et il la rendit féconde, tandis que Rachel était stérile.
32 Lia conçut et enfanta un fils, et elle le nomma Ruben, car elle dit: ” Yahweh a regardé mon affliction; maintenant mon mari m’aimera. ”
33 Elle conçut encore et enfanta un fils, et elle dit: ” Yahweh a entendu que j’étais haïe, et il m’a encore donné celui-là ”. Et elle le nomma Siméon.
34 Elle conçut encore et enfanta un fils, et elle dit: ” Cette fois mon mari s’attachera à moi car je lui ai enfanté trois fils. ” C’est pourquoi on le nomma Lévi.
35 Elle conçut encore et enfanta un fils, et elle dit: ” Cette foi je louerai Yahweh. ” C’est pourquoi elle le nomma Juda. Et elle cessa d’avoir des enfants.

chapitre 030

1 Rachel voyant qu’elle n’enfantait pas d’enfant à Jacob, fut jalouse de sa soeur, et elle dit à Jacob: ” Donne-moi des enfants, ou je meurs! ”
2 La colère de Jacob s’enflamma contre Rachel, et il dit: ” Suis-je à!a place de Dieu, qui t’a refusé la fécondité? ”
3 Elle dit: ” Voici ma servante Bala; va vers elle; qu’elle enfante sur mes genoux, et par elle j’aurai, moi aussi, une famille. ”
4 Et elle lui donna Bala, sa servante, pour femme, et Jacob alla vers elle.
5 Bala conçut et enfanta un fils à Jacob.
6 Et Rachel dit: ” Dieu m’a rendu justice, et même il a entendu ma voix et m’a donné un fils. ” C’est pourquoi elle le nomma Dan.
7 Bala, servante de Rachel, conçut encore et enfanta un second fils à Jacob.
8 Et Rachel dit: ” J’ai lutté auprès de Dieu à l’encontre de ma soeur, et je l’ai emporté. ” Et elle le nomma Nephthali.
9 Lorsque Lia vit qu’elle avait cessé d’avoir des enfants, elle prit Zelpha, sa servante, et la donna pour femme à Jacob.
10 Zelpha, servante de Lia, enfanta un fils à Jacob; et Lia dit: ” Quelle bonne fortune! ” et elle le nomma Gad.
12 Zelpha, servante de Lia, enfanta un second fils à Jacob;
13 et Lia dit: ” Pour mon bonheur! car les filles me diront bienheureuse. ” Et elle!e nomma Aser.
14 Ruben sortit au temps de la moisson des blés et, ayant trouvé des mandragores dans les champs, il les apporta à Lia, sa mère. Alors Rachel dit à Lia: ” Donne-moi, je te prie, des mandragores de ton fils. ”
15 Elle lui répondit: ” Est-ce peu que tu aies pris mon mari, pour que tu prennes encore les mandragores de mon fils? ” Et Rachel dit: ” Eh bien, qu’il couche avec toi cette nuit pour les mandragores de ton fils. ”
16 Le soir, comme Jacob revenait des champs, Lia sortit à sa rencontre et lui dit: ” C’est vers moi que tu viendras, car je t’ai loué pour les mandragores de mon fils.” Et il coucha avec elle cette’ nuit-là.
17 Dieu exauça Lia; elle conçut et enfanta à Jacob un cinquième fils;
18 et Lia dit: ” Dieu m’a donné mon salaire, parce que j’ai donné ma servante à mon mari. ” Et elle le nomma Issachar.
19 Lia conçut encore et enfanta un sixième fils à Jacob;
20 et elle dit: ” Dieu m’a fait un beau don; cette fois mon mari habitera avec moi, puisque je lui ai enfanté six fils. ” Et elle le nomma Zabulon.
21 Elle enfanta ensuite une fille, qu’elle appela Dina.
22 Dieu se souvint de Rachel; il l’exauça et la rendit féconde.
23 Elle conçut et enfanta un fils, et elle dit: ” Dieu a ôté mon opprobre. ”
24 Et elle le nomma Joseph, en disant: ” Que Yahweh m’ajoute encore un autre fils! ”
25 Lorsque Rachel eut enfanté Joseph, Jacob dit à Laban: ” Laisse-moi partir, et que je retourne chez moi, dans mon pays.
26 Donne-moi mes femmes, ainsi que mes enfants, pour lesquels je t’ai servi, et je m’en irai, car tu sais quel service j’ai fait pour toi. ”
27 Laban lui dit: ”Si j’ai trouvé grâce à tes yeux… J’ai observé que Yahweh m’a béni à cause de toi;
28 fixe-moi ton salaire, et je te le donnerai. ”
29 Jacob lui dit: ” Tu sais toi-même comment je t’ai servi et ce qu’est devenu ton bétail avec moi.
30 Car c’était peu de chose que ton bien avant moi; mais il s’est extrêmement accru, et Yahweh t’a béni sur mes pas. Maintenant quand travaillerai-je aussi pour ma maison? ” Laban dit: ” Que te donnerai-je? ”
31 Et Jacob dit: ”Tu ne me donneras rien. Si tu m’accordes ce que je vais dire, je recommencerai à paître ton troupeau et à le garder.
32 Je passerai aujourd’hui à travers tout ton troupeau, en mettant à part parmi les agneaux toute bête tachetée et marquetée et toute bête noire, et parmi!es chèvres tout ce qui est marqueté et tacheté: ce sera mon salaire.
33 Ma droiture témoignera pour moi demain, quand tu viendras reconnaître mon salaire. Tout ce qui ne sera pas tacheté et marqueté parmi les chèvres, et noir parmi les agneaux sera chez moi un vol.
34 Laban dit: ” Eh bien, qu’il en soit selon ta parole. ”
35 Et le jour même, il mit à part les boucs rayés et marquetés, toutes les chèvres tachetées et marquetées, toutes celles qui avaient du blanc, et tout ce qui était noir parmi!es agneaux; et il les mit entre les mains de ses fils.
36 Puis il mit l’espace de trois journées de chemin entre lui et Jacob. Et Jacob faisait paître le reste du troupeau de Laban.
37 Jacob prit des baguettes vertes de peuplier, d’amandier et de platane; il y pela des bandes blanches, mettant à nu le blanc qui était sur les baguettes.
38 Puis il plaça les baguettes qu’il avait pelées en regard des brebis dans les rigoles, dans les abreuvoirs où les brebis venaient boire; et elles entraient en chaleur quand elles venaient boire.
39 Et les brebis, entrant en chaleur devant les baguettes, faisaient des petits rayés, tachetés et marquetés.
40 Jacob mettait à part les agneaux, et il tournait la face du troupeau vers ce qui était rayé et tout ce qui était noir dans le troupeau de Laban. Il se fit ainsi des troupeaux à lui, qu’il ne joignit pas au troupeau de Laban.
41 En outre, c’était quand les brebis vigoureuses entraient en chaleur que Jacob mettait sous les yeux des brebis les baguettes dans les abreuvoirs, afin qu’elles entrassent en chaleur près des baguettes.
42 Quand les brebis étaient chétives, il ne les mettait point, en sorte que les agneaux chétifs étaient pour Laban, et les vigoureux pour Jacob.
43 Cet homme devint ainsi extrêmement riche; il eut de nombreux troupeaux, des servantes et des serviteurs, des chameaux et des ânes

chapitre 031

1 Jacob entendit les propos des fils de Laban, qui disaient: ” Jacob a pris tout ce qui était à notre père, et c’est avec le bien de notre père qu’il s’est fait toute cette richesse. ”
2 Jacob remarqua aussi le visage de Laban, et voici, il n’était plus à son égard comme auparavant.
3 Et Yahweh dit à Jacob: ” Retourne au pays de tes pères et au lieu de ta naissance, et je serai avec toi. ”
4 Alors Jacob fit dire à Rachel et à Lia devenir le trouver aux champs, où il faisait paître son troupeau.
5 Il leur dit ” Je vois que le visage de votre père n’est plus le même envers moi qu’auparavant; or le Dieu de mon père a été avec moi.
6 Vous savez vous-mêmes que j’ai servi votre père de tout mon pouvoir; et votre père s’est joué de moi, changeant dix fois mon salaire;
7 mais Dieu ne lui a pas permis de me causer du préjudice.
8 Quand il disait: Les bêtes tachetées seront ton salaire, toutes les brebis faisaient des agneaux tachetés. Et s’il disait: Les bêtes rayées seront ton salaire, toutes les brebis faisaient des agneaux rayés.
9 Dieu a donc pris le bétail de votre père et me l’a donné.
10 Au temps où les brebis entrent en chaleur, je levai les yeux et je vis en songe que les béliers qui couvraient les brebis étaient rayés, tachetés et marquetés.
11 Et un ange de Dieu me dit en songe: Jacob! Je répondis: Me voici.
12 Et il dit: Lève les yeux et regarde: tous les béliers qui couvrent les brebis sont rayés, tachetés et marquetés; car j’ai vu tout ce que t’a fait Laban.
13 Je suis le Dieu de Béthel, où tu as oint un monument, où tu m’as fait un voeu Maintenant lève-toi, sors de ce pays et retourne au pays de ta naissance. ”
14 Rachel et Lia répondirent en disant: ” Est-ce que nous avons encore une part et un héritage dans la maison de notre père?
15 Ne sommes-nous pas regardées par lui comme des étrangères, puisqu’il nous a vendues et qu’il mange notre argent?
16 D’ailleurs tout le bien que Dieu a enlevé à notre père, nous l’avons, nous et nos enfants. Fais donc maintenant ce que Dieu t’a ordonné. ”
17 Jacob se leva et fit monter ses enfants et ses femmes sur les chameaux.
18 Il emmena tout son troupeau et tout le bien qu’il avait acquis, le troupeau qu’il possédait, qu’il avait acquis à Paddan-Aram; et il s’en alla vers Isaac, son père, au pays de Chanaan.
19 Comme Laban était allé tondre ses brebis, Rachel déroba les théraphim de son père.
20 Et Jacob trompa Laban, l’Araméen, en ne l’informant pas de sa fuite.
21 Il s’enfuit, lui et tout ce qui lui appartenait et, s’étant levé, il traversa le fleuve et se dirigea vers la montagne de Galaad.
22 Le troisième jour, on annonça à Laban que Jacob s’était enfui.
23 Il prit avec lui ses frères et le poursuivit pendant sept journées de chemin; il l’atteignit à la montagne de Galaad.
24 Et Dieu vint en songe, de nuit, vers Laban l’Araméen, et il lui dit: ” Garde-toi de rien dire à Jacob, ni en bien ni en mal.”
25 Laban atteignit donc Jacob. – Jacob avait dressé sa tente sur la montagne, et Laban avait aussi dressé la sienne, avec ses frères, sur la montagne de Galaad.
26 Laban dit à Jacob: ” Qu’as-tu fait? tu as abusé mon esprit et tu as emmené mes filles comme des captives prises par l’épée?
27 Pourquoi as-tu pris secrètement la fuite et m’as-tu trompé, au lieu de m’avertir, moi qui t’aurais laissé allé dans l’allégresse des chants, au son du tabourin et de la harpe?
28 Tu ne m’as pas laissé embrasser mes fils et mes filles! Vraiment tu as agi en insensé.
29 Ma main est assez forte pour vous faire du mal; mais le Dieu de votre père m’a parlé cette nuit en disant: Garde-toi de rien dire à Jacob, ni en bien ni en mal.
30 Et maintenant, tu es parti parce que tu languissais après la maison de ton père; mais, pourquoi as-tu dérobé mes dieux? ”
31 Jacob répondit et dit à Laban: ” C’est que j’avais de la crainte, en me disant que peut-être tu m’enlèverais tes filles.
32 Quant à celui chez qui tu trouveras tes dieux, il ne vivra pas! En présence de nos frères, reconnais ce qui t’appartient chez moi et prends-le. ”
33 – Or Jacob ignorait que Rachel les eût dérobés.- Laban entra dans la tente de Jacob, dans la tente de Lia et dans la tente des deux servantes, et il ne trouva rien. Puis il sortit de la tente de Lia et entra dans la tente de Rachel.
34 Rachel avait pris les théraphim, les avait mis dans la selle du chameau et s’était assise dessus. Laban fouilla toute la tente, sans rien trouver.
35 Et Rachel dit à son père: ” Que mon seigneur ne s’irrite point de ce que je ne puis me lever devant toi, car j’ai ce qui est ordinaire aux femmes.” Il chercha, mais ne trouva pas les théraphim.
36 Jacob se mit en colère et adressa des reproches à Laban; et Jacob prit la parole et dit à Laban: ” Quel est mon crime, quelle est ma faute, que tu t’acharnes après moi?
37 Quand tu as fouillé tous mes effets, qu’as-tu trouvé des effets de ta maison? Produis-le ici devant mes frères et tes frères, et qu’ils soient juges entre nous deux.
38 Voilà vingt ans que j’ai passés chez toi; tes brebis et tes chèvres n’ont pas avorté, et je n’ai pas mangé les béliers de ton troupeau.
39 Ce qui était déchiré par les bêtes sauvages, je ne te l’ai pas rapporté; c’est moi qui en ai supporté la perte. Tu me réclamais ce qui avait été dérobé de jour et ce qui avait été dérobé de nuit.
40 J’étais dévoré le jour par la chaleur, et la nuit par le froid, et mon sommeil fuyait de mes yeux.
41 Voilà vingt ans que je suis dans ta maison; je t’ai servi quatorze ans pour tes deux filles et six ans pour ton bétail, et tu as changé mon salaire dix fois.
42 Si le Dieu de mon père, le Dieu d’Abraham et la Terreur d’Isaac n’eût pas été pour moi, tu m’aurais maintenant laissé partir à vide. Dieu a vu ma souffrance et le travail de mes mains, et cette nuit il a jugé entre nous. ”
43 Laban répondit et dit à Jacob. ” Ces filles sont mes filles, ces enfants mes enfants, ces troupeaux mes troupeaux, et tout ce que tu vois est â moi. Que ferais-je aujourd’hui à rues filles, à elles et aux fils qu’elles ont enfantés?
44 Maintenant donc, viens, faisons alliance, moi et toi, et qu’il y ait un témoin entre moi et toi.
45 Jacob prit une pierre et la dressa pour monument.
46 Et Jacob dit à ses frères: ” Amassez des pierres. ” Ils prirent des pierres et en firent un monceau, et ils mangèrent là sur le monceau.
47 Laban l’appela Yegar-Sahadutha, et Jacob l’appela Galaad.
48 Et Laban dit: ” Ce monceau est témoin entre moi et toi aujourd’hui. ”C’est pourquoi on lui donna le nom de Galaad,
49 et aussi celui de Mitspa, parce que Laban dit: ” Que Yahweh nous surveille, moi et toi, quand nous serons séparés l’un de l’autre.
50 Si tu maltraites mes filles et si tu prends d’autres femmes à côté de mes filles, ce n’est pas un homme qui sera avec nous; mais, prends-y garde, c’est Dieu qui sera témoin entre moi et toi. ”
51 Laban dit encore à Jacob: ” Voici ce monceau et voici le monument que j’ai dressé entre moi et toi.
52 Ce monceau est témoin et ce monument est témoin que je n’avancerai pas vers toi au delà de ce monceau, et que tu n’avanceras pas vers moi au delà de ce monceau et de ce monument, pour faire du mal.
53 Que le Dieu d’Abraham, le Dieu de Nachor et le Dieu de leurs pères soient juges entre nous! ” Et Jacob jura par la Terreur d’Isaac.
54 Et Jacob offrit un sacrifice sur la montagne, et il invita ses frères au repas. Ils mangèrent donc et passèrent la nuit sur la montagne.

chapitre 032
1 Laban se leva de bon matin; il baisa ses fils et ses filles et les bénit; puis il partit, pour retourner dans sa maison.
2 Jacob poursuivit son chemin, et des anges de Dieu le rencontrèrent.
3 En les voyant, il dit: ” C’est le camp de Dieu! ” et il donna à ce lieu le nom de Maha-ïm.
4 Jacob envoya devant lui des messagers vers Esaü, son frère, au pays de Seïr, dans la campagne d’Edom.
5 Il leur donna cet ordre: ” Voici ce que vous direz à mon seigneur, à Esaü: Ainsi parle ton serviteur Jacob: J’ai séjourné chez Laban et j’y suis resté jusqu’à présent,
6 J’ai des boeufs et des ânes, des brebis, des serviteurs et des servantes, et j’en fais informer mon seigneur, pour trouver grâce à tes yeux. ”
7 Les messagers revinrent auprès de Jacob en disant: ” Nous sommes allés vers ton frère Esaü, et il marche à ta rencontre avec quatre cents hommes. ”
8 Jacob eut une grande frayeur et fut dans l’angoisse. Il partagea en deux camps les gens qui étaient avec lui, les brebis les boeufs et les chameaux,
9 et il dit: ” Si Esaü rencontre l’un des camps et le frappe, le camp qui restera pourra être sauvé. ”
10 Jacob dit: ” Dieu de mon père Abraham, Dieu de mon père Isaac, Yahweh, qui m’avez dit: Retourne en ton pays et au lieu de ta naissance, et je te ferai du bien
11 je suis trop petit pour toutes les grâces et pour toute la fidélité dont vous avez usé envers votre serviteur; car j’ai passé ce Jourdain avec mon bâton, et maintenant je suis devenu deux camps.
12 Délivrez-moi, je vous prie, de la main de mon frère, de la main d’Esaü; car je crains qu’il ne vienne me frapper, la mère avec les enfants.
13 Et vous, vous avez dit: Je te ferai du bien et je rendrai ta postérité pareille au sable de la mer, si nombreux qu’on ne peut le compter. ”
14 Jacob passa là cette nuit. Et il prit de ce qu’il avait sous la main, pour faire un présent à Esaü, son frère:
15 deux cents chèvres et vingt boucs, deux cents brebis et vingt béliers,
16 trente chamelles qui allaitaient, avec leurs petits, quarante vaches et dix taureaux, vingt ânesses et dix ânons.
17 Il les remit à ses serviteurs, chaque troupeau à part, et il leur dit: ” Passez devant moi, et laissez un intervalle entre chaque troupeau.”
18 Et il donna ordre au premier: ” Quand Esaü, mon frère, te rencontrera et te demandera: A qui es-tu, où vas-tu, à qui appartient ce troupeau qui va devant toi?
19 tu répondras: A ton serviteur Jacob; c’est un présent qu’il envoie à mon seigneur, à Esaü; et voici que lui-même vient derrière nous. ”
20 Il donna le même ordre au second, au troisième et à tous ceux qui suivaient les troupeaux, en disant: ”Vous parlerez ainsi à Esaü quand vous le rencontrerez; vous direz:
21 Voici, ton serviteur Jacob vient aussi derrière nous. ” Car il se disait: ” Je l’apaiserai par ce présent qui va devant moi, et ensuite je verrai sa face; peut-être me fera-t-il bon accueil. ”
22 Le présent passa devant lui, et il resta cette nuit-là dans le camp.
23 Il se leva dans la même nuit et, ayant pris ses deux femmes, ses deux servantes et ses onze enfants, il passa le gué du Jabot.
24 Il les prit et leur fit passer le torrent; il fit aussi passer ce qui lui appartenait.
25 Jacob resta seul; et un homme lutta avec lui jusqu’au lever de l’aurore.
26 Voyant qu’il ne pouvait le vaincre, il le toucha à l’articulation de la hanche, et l’articulation de la hanche de Jacob se démit pendant qu’il luttait avec lui.
27 Et il dit à Jacob: ” Laisse-moi aller, car l’aurore se lève. ” Jacob répondit: ” Je ne te laisserai point aller que tu ne m’aies béni. ”
28 Il lui dit: ” Quel est ton nom? ” Il répondit: ” Jacob. ”
29 Et il dit: ” Ton nom ne sera plus Jacob, mais Israël, car tu as combattu avec Dieu et avec des hommes, et tu l’as emporté. ”
30 Jacob l’interrogea, en disant: ” Fais-moi, je te prie, connaître ton nom. ” Il dit: ” Pourquoi demandes-tu quel est mon nom? ”
31 Et il le bénit là. Jacob nomma ce lieu Phanuel; ” car, dit-il, j’ai vu Dieu face à face, et ma vie a été sauve. ”
32 Et le soleil se leva quand il eut passé Phanuel, mais il boitait de la hanche.
33 C’est pourquoi les enfants d’Israël ne mangent point jusqu’à ce jour le grand nerf qui est à l’articulation de la hanche, parce que Dieu a touché l’articulation de la hanche de Jacob au grand nerf.

chapitre 033

1 Jacob leva les yeux et regarda, et voici, Esaü venait, ayant avec lui quatre cents hommes. Ayant distribué les enfants par groupes auprès de Lia, auprès de Rachel et auprès des deux servantes,
2 il plaça en tête les servantes avec leurs enfants, puis Lia avec ses enfants, et enfin Rachel avec Joseph.
3 Lui-même passa devant eux, et il se courba vers la terre sept fois, jusqu’à ce qu’il fût proche de son frère Esaü.
4 Esaü courut à sa rencontre, l’embrassa, se jeta à son cou et le baisa; et ils pleurèrent.
5 Puis, levant les yeux, Esaü vit les femmes et les enfants, et il dit: ” Qui sont ceux que tu as là? ” Jacob répondit:
6 ” Ce sont les enfants que Dieu a accordés à ton serviteur. ” Les servantes s’approchèrent, elles et leurs enfants, et se prosternèrent.
7 Lia et ses enfants s’approchèrent aussi, et ils se prosternèrent; ensuite s’approchèrent joseph et Rachel, et ils se prosternèrent.
8 Et Esaü dit: ” Que veux-tu faire avec tout ce camp que j’ai rencontré? ” Et Jacob dit: ” C’est pour trouver grâce aux yeux de mon seigneur. ”
9 Esaü dit ” Je suis dans l’abondance, mon frère; garde ce qui est à toi. ”
10 Et Jacob dit ” Non, je te prie, si j’ai trouvé grâce à tes yeux, accepte mon présent de ma main; car c’est pour cela que j’ai vu ta face comme on voit la face de Dieu, et tu m’as accueilli favorablement.
11 Accepte donc mon offrande qui t’a été amenée, car Dieu m’a accordé sa faveur et je ne manque de rien. ” Il le pressa si bien qu’Esaü accepta.
12 Esaü dit: ” Partons, mettons-nous en route; je marcherai devant toi. ”
13 Jacob répondit: ”Mon seigneur sait que les enfants sont délicats, et que je suis chargé de brebis et de vaches qui allaitent; si on les pressait un seul jour, tout le troupeau périrait.
14 Que mon seigneur prenne les devants sur son serviteur, et moi, je suivrai doucement, au pas du troupeau qui marche devant moi, et au pas des enfants, jusqu’à ce que j’arrive chez mon seigneur, à Séir. ”
15 Esaü dit: ” Permets du moins que je laisse auprès de toi une partie des gens qui sont avec moi.” Jacob répondit: ” Pourquoi cela? Que je trouve grâce aux yeux de mon seigneur. ”
16 Et Esaü reprit ce jour-là le chemin de Séir.
17 Jacob partit pour Socoth et il se construisit une maison. Il fit aussi des cabanes pour ses troupeaux; c’est pourquoi on a appelé ce lieu Socoth.
18 A son retour de Paddan-Aram, Jacob arriva heureusement à la ville de Sichem, au pays de Chanaan, et il campa devant la ville.
19 Il acheta des fils de Hémor, père de Sichem, pour cent késitas, la pièce de terre où il avait dressé sa tente;
20 il éleva là un autel, et l’appela El-Elohé-Israël.

chapitre 034

1 Dina, la fille que Lia avait enfantée à Jacob, sortit pour voir les filles du pays.
2 Sichem, fils de Hémor, le Hévéen, prince du pays, l’ayant aperçue, l’enleva, coucha avec elle et lui fit violence.
3 Son âme s’attacha à Dina, fille de Jacob; il aima la jeune fille et parla au coeur de la jeune fille.
4 Et Sichem dit à Hémor, son père: ” Prends-moi cette jeune fille pour femme. ”
5 Or Jacob apprit qu’il avait outragé Dina, sa fille; mais, comme ses fils étaient aux champs avec son troupeau, Jacob garda le silence jusqu’à leur retour.
6 Hémor, père de Sichem, sortit vers Jacob, pour lui parler.
7 Or les fils de Jacob étaient revenus des champs quand ils apprirent la chose; ces hommes furent outrés et entrèrent en une grande colère, parce que Sichem avait commis une infamie contre Israël, en couchant avec la fille de Jacob, ce qui ne devait pas se faire.
8 Hémor leur parla ainsi: ”L’âme de Sichem, mon fils, s’est attachée à votre fille; donnez-la-lui pour femme, je vous prie.
9 Alliez-vous avec nous; vous nous donnerez vos filles, et vous prendrez pour vous les nôtres.
10 Vous habiterez chez nous, et le pays sera à votre disposition, pour vous y établir, y trafiquer et y acquérir des propriétés. ”
11 Sichem dit au père et aux frères de Dina: ” Que je trouve grâce à vos yeux, et je donnerai ce que vous me direz.
12 Exigez de moi un fort prix d’achat et de grands présents, et ce que vous me direz, je le donnerai; ruais donnez-moi la jeune fille pour femme. ”
13 Les fils de Jacob, répondirent et parlèrent avec ruse à Sichem et à Hémor, son père, parce que Sichem avait déshonoré Dina, leur soeur;
14 ils leur dirent ” C’est une chose que nous ne pouvons pas faire que de donner notre soeur à un homme non circoncis, car ce serait un opprobre pour nous.
15 Nous ne consentirons à votre désir qu’à la condition que vous deveniez comme nous, et que tout mâle parmi vous soit circoncis.
16 Ainsi nous vous donnerons nos filles, et nous prendrons pour nous les vôtres; nous habiterons avec vous et nous formerons un seul peuple.
17 Mais si vous ne voulez pas nous écouter et vous circoncire, nous reprendrons notre fille et nous nous en irons. ”
18 Leurs paroles plurent à Hémor et à Sichem, fils de Hémor;
19 et le jeune homme ne tarda pas à faire la chose, car il était épris de la fille de Jacob, et il était l’homme le plus considéré de la maison de son père.
20 Hémor et Sichem, son fils, se rendirent donc à la porte de la ville, et ils parlèrent aux hommes de leur ville, en disant:
21 ” Ces gens-là sont des hommes pacifiques au milieu de nous; qu’ils s’établissent dans le pays et qu’ils y trafiquent; voici que le pays, à droite et à gauche, est assez vaste pour eux. Nous prendrons leurs filles pour femmes, et nous leur donnerons nos filles.
22 Mais ces hommes ne consentiront à habiter avec nous, pour devenir un même peuple, qu’à une condition, c’est que tout mâle parmi nous soit circoncis, comme ils sont eux-mêmes circoncis.
23 Leurs troupeaux et leurs biens et toutes leurs bêtes de somme ne seront-ils pas à nous? Seulement, accédons à leur désir et qu’ils s’établissent chez nous. ”
24 Tous ceux qui sortaient par la porte de la ville écoutèrent Hémor et Sichem, son fils, et tout mâle fut circoncis, tout homme sortant par la porte de la ville.
25 Le troisième jour, lorsqu’ils étaient souffrants, deux fils de Jacob, Siméon et Lévi, frères de Dina, prirent chacun leur épée, marchèrent sans crainte sur la ville et tuèrent tous les mâles.
26 Ils passèrent aussi au fil de l’épée Hémor et Sichem, son fils; et, ayant enlevé Dina de la maison de Sichem, ils sortirent.
27 Les fils de Jacob se jetèrent sur les morts et pillèrent la ville, parce qu’on avait déshonoré leur soeur.
28 Ils prirent leurs brebis, leurs boeufs et leurs ânes, ce qui était dans la ville et ce qui était dans les champs.
29 Ils emmenèrent comme butin tous leurs biens, leurs enfants et leurs femmes, et tout ce qui se trouvait dans les maisons.
30 Alors Jacob dit à Siméon et à Lévi: ” Vous m’avez troublé, en me rendant odieux aux habitants du pays, aux Chananéens et aux Phérézéens. Je n’ai avec moi que peu de gens; ils s’assembleront contre moi et me tueront, et je serai détruit, moi et ma maison. ”
31 Ils répondirent: ”Traitera-t-on notre soeur comme une prostituée? ”

chapitre 035

1 Dieu dit à Jacob: ” Lève-toi, monte à Béthel et demeures-y, et dresse là un autel au Dieu qui t’est apparu quand tu fuyais devant Esaü,’ton frère.”
2 Jacob dit à sa famille et à tous ceux qui étaient avec lui: ” Citez les dieux étrangers qui sont au milieu de vous; purifiez-vous et changez de vêtements.
3 Nous nous lèverons et nous monterons à Béthel, et là je dresserai un autel au Dieu qui m’a exaucé au jour de mon angoisse, et qui a été avec moi, dans le voyage que j’ai fait. ”
4 Et ils donnèrent à Jacob tous les dieux étrangers qui étaient entre leurs mains et les boucles qu’ils avaient aux oreilles, et Jacob les enfouit sous le térébinthe qui est à Sichem.
5 Ils partirent, et la terreur de Dieu se répandit sur les villes d’alentour, et on ne poursuivit pas les fils de Jacob.
6 Jacob, avec tous les gens qui étaient avec lui; arriva à Luz, au pays de Chanaan c’est Béthel.
7 Il y bâtit un autel, et il appela ce lieu El-Béthel, car c’est là que Dieu lui était apparu lorsqu’il fuyait devant son frère.
8 Alors mourut Débora, nourrice de Rebecca, et elle fut enterrée au-dessous de Béthel, au pied du chêne auquel on donna le nom de Chêne des pleurs.
9 Dieu apparut encore à Jacob, après son retour de Paddan-Aram, et il le bénit.
10 Dieu lui dit: ” Ton nom est Jacob; tu ne seras plus appelé Jacob, mais Israël sera ton nom. ” Et il le nomma Israël.
11 Dieu lui dit: ” Je suis le Dieu tout-puissant. Sois fécond et multiplie; il naîtra de toi une nation et une assemblée de nations, et de tes reins sortiront des rois.
12 Le pays que j’ai donné à Abraham et à Isaac, je te le donnerai, et je donnerai ce pays à ta postérité après toi.”
13 Et Dieu remonta d’auprès de lui, dans le lieu où il lui avait parlé.
14 Et dans le lieu où il lui avait parlé, Jacob dressa un monument de pierre, sur lequel il fit une libation et versa de l’huile.
15 Il donna le nom de Béthel au lieu où Dieu lui avait parlé.
16 Ils partirent de Béthel. Il y avait encore une certaine distance avant d’arriver à Ephrata, lorsque Rachel enfanta, et son accouchement fut pénible.
17 Pendant les douleurs de l’enfantement, la sage-femme lui dit: ” Ne crains point, car c’est encore un fils que tu vas avoir. ”
18 Comme son âme s’en allait, – car elle était mourante, – elle le nomma Bénoni; mais son père l’appela Benjamin.
19 Rachel mourut, et elle fut enterrée au chemin d’Ephrata, qui est Bethléem.
20 Jacob éleva un monument sur sa tombe; c’est le monument de la Tombe de Rachel, qui subsiste encore aujourd’hui.
21 Israël partit, et il dressa sa tente au delà de Migdal-Eder.
22 Pendant qu’Israël demeurait dans cette contrée, Ruben vint et coucha avec Bala, concubine de son père; et Israël l’apprit.
23 Les fils de Jacob étaient au nombre de douze. Fils de Lia: Ruben, premier-né de Jacob, Siméon, Lévi, Juda, Issachar et Zabulon.
24 Fils de Rachel: Joseph et Benjamin.
25 Fils de Bala, servante de Rachel: Dan et Nephthali.
26 Fils de Zelpha, servante de Lia: Gad et Aser. Ce sont là les fils de Jacob, qui lui naquirent à Paddan-Aram.
27 Jacob arriva auprès d’Isaac, son père, à Mambré, à Qiryath-Arbé, qui est Hébron, où avaient séjourné Abraham et Isaac.
28 Les jours d’Isaac furent de cent quatre-vingts ans.
29 Isaac expira et mourut, et il fut réuni à son peuple, vieux et rassasié de jours. Esaü et Jacob, ses fils, l’enterrèrent.

chapitre 036

1 Voici l’histoire d’Esaü, qui est Edom. Esaü prit ses femmes parmi les filles de Chanaan:
2 Ada, fille d’Elon, le Héthéen; Oolibama, fille d’Ana, fille de Sébéon, le Hévéen;
3 et Basemath, fille d’Ismaël, soeur de Nabaioth.
4 Ada enfanta à Esaü Eliphaz, Basemath enfanta Rahuel,
5 et Oolibama enfanta Jéhus, Ihélon et Coré. Ce sont là les fils d’Esaü, qui lui naquirent au pays de Chanaan.
6 Esaü prit ses femmes, ses fils et ses filles, et toutes les personnes de sa maison, ses troupeaux, tout son bétail et tous les biens qu’il avait acquis dans le pays de Chanaan, et il s’en alla dans un autre pays, loin de Jacob, son frère.
7 Car leurs biens étaient trop considérables pour qu’ils demeurassent ensemble, et le pays où ils séjournaient ne pouvait leur suffire à cause de leurs troupeaux.
8 Esaü s’établit dans la montagne de Séir; Esaü est Edorn.
9 Voici la postérité d’Esaü, père d’Edom, dans la montagne de Séir.
10 Voici les noms des fils d’Esaü: Eliphaz, fils d’Aria, femme d’Esaü; Rahuel, fils de Basemath, femme d’Esaü.
11 – Les fils d’Eliphaz furent: Théman, Omar, Sépho, Gatham et Cénez.
12 Thamna fut concubine d’Eliphaz, fils d’Esaü, et elle enfanta Amalech à Eliphaz. Ce sont là les fils d’Aria, femme d’Esaü.
13 – Voici les fils de Rahuel: Nahath, Zara, Samma et Méza. Ce sont là les fils de Basemath, femme d’Esaü.
14 – Voici les fils d’Oolibama, fille d’Ana, fille de Sébéon, femme d’Esaü: elle enfanta à Esaü Jéhus, Ihélon et Coré.
15 Voici les chefs des tribus issues des fils d’Esaü. Fils d’Eliphaz, premier-né d’Esaü le chef Théman, le chef Omar, le chef Sépho,
16 le chef Cénez, le chef Coré, le chef Gatham, le chef Amalech. Ce sont là les chefs issus d’Eliphaz, au pays d’Edom; ce sont là les fils d’Ada.
17 – Fils de Rahuel, fils d’Esaü: le chef Nahath, le chef Zara, le chef Somma et le chef Méza. Ce sont là les chefs issus de Rahuel, au pays d’Edom; ce sont là les fils de Basemath, femme d’Esaü.
18 – Fils d’Oolibama, femme d’Esaü: le chef jéhus, le chef Ihélon et le chef Coré. Ce sont là les chefs issus d’Oolibama, fille d’Ana et femme d’Esaü.
19 – Ce sont là les fils d’Esaü, et ce sont là leurs chefs; c’est Edom.
20 Voici les fils de Séir, le Horréen, qui habitaient le pays: Lotan, Sobal, Sébéon, Ana, Dison, Eser et Disan.
21 Ce sont là les chefs des Horréens, fils de Séir, au pays d’Edom.
22 – Les fils de Lotan furent Hori et Héman, et Thamma était soeur de Lotan.
23 -Voici les fils de Sobal: Alvan, Manahat, Ebal, Sépho et Onam.
24 – Voici les fils de Sébéon: Aja et Ana. C’est cet Ana qui trouva les sources chaudes dans le désert, en faisant paître les ânes de Sébéon, son père.
25 – Voici les enfants d’Ana: Dison et Oolibama, fille d’Ana.
26 – Voici les fils de Dison: Hamdan, Eséban, jéthram et Charan.
27 – Voici les fils d’Eser: Balan, Zavan et Acan.
28 -Voici les fils de Disan: Hus et Aram.
29 Voici les chefs des Horréens: le chef Lotan, le chef Sobal, le chef Sébéon, le chef Ana, le chef Dison, le chef Eser, le chef Disan.
30 Ce sont là les chefs des Horréens, chacun de leurs chefs au pays de Séir.
31 Voici les rois qui ont régné dans le pays d’Edom, avant qu’un roi régnât sur les enfants d’Israël:
32 Béla, fils de Béor, régna en Edom, et le nom de sa ville était Denaba.
33 – Béla mourut, et à sa place régna Jobab, fils de Zara, de Bosra.
34 – Jobab mourut, et à sa place régna Husam, du pays des Thémanites.
35 -Husam mourut, et à sa place régna Adad, fils de Badad, qui défit Madian dans les champs de Moab; le nom de sa ville était Avith.
36 – Hadad mourut, et à sa place régna Semla, de Masréca.
37 -Semla mourut, et à sa place régna Saül, de Rohoboth sur le fleuve.
38 -Saül mourut, et à sa place régna Balanan, fils d’Achor.
39 – Balanan, fils d’Achor, mourut, et à sa place régna Hadar; le nom de sa ville était Phaü, et le nom de sa femme Méétabel, fille de Matred, fille de Mézaab.
40 Voici les noms des chefs issus d’Esaü, selon leurs tribus, leurs territoires et d’après leurs noms:
41 le chef Thamma, le chef Alva, le chef jétheth, le chef Oolibarra, le chef Ela, le chef Phinon,
42 le chef Cénez, le chef Théman, le chef Mabsar, le chef Magdiel, le chef Hiram.
43 Ce sont là les chefs d’Édom, selon leurs demeures dans le pays qu’ils occupent. C’est là Esaü, père d’Edom.

chapitre 037

1 Jacob s’établit dans le pays où son père avait séjourné dans le pays de Chanaan.
2 Voici l’histoire de Jacob. Joseph, âgé de dix-sept ans, faisait paître les brebis avec ses frères; comme il était encore jeune, il se trouvait avec les fils de Bala et avec les fils de Zelpha, femmes de son père; et Joseph rapporta à leur père de mauvais bruits qui couraient sur leur compte.
3 Or Israël aimait Joseph plus que tous ses autres fils, parce que c’était un fils de sa vieillesse; et il lui fit une robe longue.
4 Ses frères, voyant que leur père l’aimait plus qu’eux tous, le prirent en haine, et ils ne pouvaient plus lui parler amicalement.
5 Joseph eut un songe, et il le raconta à ses frères, qui le haïrent encore davantage.
6 Il leur dit: ” Ecoutez, je vous prie, le songe que j’ai eu:
7 Nous étions à lier des gerbes au milieu des champs; et voici, ma gerbe s’est levée et s’est tenue debout, et vos gerbes l’ont entourée et se sont prosternées devant elle. ”
8 Ses frères lui dirent: ” Est-ce que tu régneras sur nous? est-ce que tu nous domineras? ” Et ils le haïrent encore davantage pour ses songes et pour ses paroles.
9 Il eut encore un autre songe, qu’il raconta à ses frères. Il dit: ” J’ai eu encore un songe: le soleil, la lune et onze étoiles se prosternaient devant moi. ”
10 Il le raconta à son père et à ses frères, et son père le réprimanda, en disant: ” Que signifie ce songe que tu as eu? Faudra-t-il que nous venions, moi, ta mère et tes frères, nous prosterner à terre devant toi? ”
11 Et ses frères furent jaloux de lui, mais son père conservait la chose dans son coeur.
12 Les frères de Joseph allèrent paître les troupeaux de leur père à Sichem.
13 Et Israël dit à Joseph: ” Tes frères ne paissent-ils pas le troupeau à Sichem? Viens, que je t’envoie vers eux. ”
14 Il répondit ” Me voici. ” Et Israël lui dit: ” Va donc, et vois si tes frères vont bien et si le troupeau est en bon état, et tu m’en apporteras des nouvelles. ”
15 Et il l’envoya de la vallée d’Hébron, et Joseph alla à Sichem. Un homme, l’ayant rencontré errant dans la campagne, le questionna, en disant:
16 ” Que cherches-tu? ” Il répondit: ” Je cherche mes frères; indique-moi, je te prie, où ils font paître leur troupeau. ”
17 Et l’homme dit: ” Ils sont partis d’ici; car je les ai entendus dire: Allons à Dothain. ” Joseph alla après ses frères, et il les trouva à Dothain.
18 Ils l’aperçurent de loin et, avant qu’il fût près d’eux, ils complotèrent de le faire mourir.
19 Ils se dirent l’un à l’autre ” Voici l’homme aux songes; c’est bien lui qui arrive.
20 Venez donc, tuons-le et jetons-le dans une des citernes, et nous dirons qu’une bête féroce l’a dévoré; nous verrons ce qui en sera de ses songes! ”
21 Ruben entendit et il le délivra de leurs mains. Il dit: ”Ne le frappons pas à mort.”
22 Ruben leur dit ” Ne versez pas le sang; jetez-le dans cette citerne qui est dans le désert, et ne portez pas la main sur lui. ” – Son dessein était de le délivrer de leurs mains, pour le faire retourner vers son père. –
23 Lorsque Joseph arriva auprès de ses frères, ils le dépouillèrent de sa robe, de la robe longue qu’il portait;
24 et, l’ayant pris, ils le jetèrent dans la citerne. Cette citerne était vide: il n’y avait pas d’eau. Puis ils s’assirent pour manger.
25 Levant les yeux, ils virent, et voici qu’une caravane d’Ismaélites venait de Galaad; leurs chameaux étaient chargés d’astragale, de baume et de ladanum, qu’ils transportaient en Egypte.
26 Alors Juda dit à ses frères: ”Que gagnerons-nous à tuer notre frère et à cacher son sang?
27 Allons le vendre aux Ismaélites et ne portons pas la main sur lui; car il est notre frère, notre chair. ” Ses frères l’écoutèrent et,
28 quand les marchands madianites passèrent, ils tirèrent Joseph et le firent remonter de la citerne; et ils le vendirent pour vingt pièces d’argent aux Ismaélites, qui l’emmenèrent en Egypte.
29 Ruben revint à la citerne, et voici que Joseph n’était plus dans la citerne.
30 Il déchira ses vêtements et, étant retourné vers ses frères, il dit: ” L’enfant n’y est plus, et moi, où irai-je? ”
31 Ils prirent alors la robe de Joseph et, ayant tué un bouc, ils plongèrent la robe dans le sang.
32 Et ils envoyèrent à leur père la longue robe, en lui faisant dire: ” Voilà ce que nous avons trouvé; reconnais si c’est la robe de ton fils, ou non. ”
33 Jacob la reconnut et dit: ” C’est la robe de mon fils! Une bête féroce l’a dévoré! Joseph a été mis en pièces! ”
34 Et il déchira ses vêtements, mit un sac sur ses reins et fit le deuil de son fils pendant longtemps.
35 Tous ses fils et toutes ses filles vinrent pour le consoler; mais il refusa d’être consolé; il disait: ” Je descendrai dans le deuil vers mon fils au séjour des morts. ” Et son père le pleura.
36 Les Madianites le vendirent en Egypte
36 à Putiphar, officier de Pharaon, chef des gardes.

chapitre 038
1 En ce temps-là Juda, s’éloignant de ses frères, descendit et arriva jusqu’auprès d’un homme d’Odollam, nommé Hira.
2 Là, Juda vit la fille d’un Chananéen, nommé Sué, et il la prit pour femme et alla vers elle.
3 Elle conçut et enfanta un fils, et il le nomma Her.
4 Elle conçut encore et enfanta un fils, et elle le nomma Onan.
5 Elle conçut de nouveau et enfanta un fils, et elle le nomma Séla; Juda était à Achzib quand elle le mit au monde.
6 Juda prit pour Her, son premier-né, une femme nommée Thamar.
7 Her, premier-né de Juda, fut méchant aux yeux de Yahweh et Yahweh le fit mourir.
8 Alors Juda dit à Onan: ” Va vers la femme de ton frère, remplis ton devoir de beau-frère et suscite une postérité à ton frère. ”
9 Mais Onan savait que cette postérité ne serait pas à lui et, lorsqu’il allait vers la femme de son frère, il se souillait à terre afin de ne pas donner de postérité à son frère.
10 Son action déplut au Seigneur, qui le fit aussi mourir.
11 Et Juda dit à Thamar, sa belle-fille ” Demeure comme veuve dans la maison de ton père jusqu’à ce que Séla, mon fils, soit devenu grand. ” Car il se disait: ” Il ne faut pas que lui aussi meure comme ses frères. ” Thamar s’en alla et demeura dans la maison de son père.
12 Après beaucoup de jours, la fille de Sué, femme de Juda, mourut. Lorsque Juda eut fini son deuil, il monta vers ceux qui tondaient ses brebis à Thamna, lui et son ami Hira, l’Odollamite.
13 On en informa Thamar, en disant: ” Voici ton beau-père qui monte à Thamna pour tondre ses brebis. ”
14 Alors elle ôta ses vêtements de veuve, se couvrit d’un voile, et, ainsi enveloppée, elle s’assit à l’entrée d’Enaïm, sur le chemin de Thamna, car elle voyait que Séla était devenu grand et qu’elle ne lui était pas donnée pour femme.
15 Juda, l’ayant vue, la prit pour une femme de mauvaise vie; car elle avait couvert son visage.
16 Il se dirigea de son côté, vers le chemin, et dit: ” Laisse-moi aller vers toi. ” Car il ignorait que ce fût sa belle-fille. Elle dit ” Que me donneras-tu pour venir vers moi? ”
17 Il répondit: ” Je t’enverrai un chevreau du troupeau. ” Elle dit: ” A condition que tu me donnes un gage jusqu’à ce que tu l’envoies . ”
18 Il dit: Quel gage dois-je te donner? ”Elle dit ” Ton anneau, ton cordon et ton bâton que tu tiens à la main. ” Il les lui donna et alla vers elle, et elle devint enceinte de lui.
19 Puis, s’étant levée, elle s’en alla; et elle ôta son voile et revêtit ses vêtements de veuve.
20 Juda envoya le chevreau par son ami, l’Odollamite, pour retirer le gage des mains de cette femme; mais il ne la trouva point.
21 Il interrogea les gens du lieu, en disant: ” Où est cette prostituée qui se tenait à Enaïm au bord du chemin? ” Ils répondirent: ” Il n’y a point eu ici de prostituée. ”
22 Il revint donc vers Juda et dit: ” Je ne l’ai point trouvée; et même les gens du lieu ont dit: il n’y a point eu ici de prostituée. ”
23 Juda dit: ” Qu’elle garde son gage; il ne faut pas qu’on se moque de nous. Voici, j’ai envoyé le chevreau promis, et tu ne l’as pas trouvée. ”
24 Environ trois mois après, on vint dire à Juda: ” Thamar, ta belle-fille, s’est prostituée, et même la voilà enceinte à la suite de ses prostitutions. ” Juda dit ” Faites-la sortir et qu’elle soit brûlée. ”
25 Comme on l’emmenait dehors, elle envoya dire à son beau-père: ”C’est de l’homme à qui ces objets appartiennent que je suis enceinte. Regarde bien, ajouta-t-elle, à qui sont cet anneau, ce cordon et ce bâton. ” Juda les reconnut et dit:
26 ”Elle est plus juste que moi, puisque je ne l’ai pas donnée à Séla, mon fils. ” Et il ne la connut plus.
27 Quand elle fut au moment d’enfanter, voici, il y avait deux jumeaux dans son sein.
28 Pendant l’accouchement, l’un d’eux étendit la main; la sage-femme la prit et y attacha un fil écarlate, en disant: ” C’est celui-ci qui est sorti le premier. ”
29 Mais il retira sa main, et voici que son frère sortit. ” Quelle brèche tu as faite! dit la sage-femme; la brèche soit sur toi! ” Et on le nomma Pharès.
30 Ensuite sortit son frère, qui avait à la main le fil écarlate; et on le nomma Zara.

chapitre 039
1 Joseph fut emmené en Egypte, et Putiphar, officier de Pharaon, chef des gardes, Egyptien, l’acheta des Ismaélites qui l’y avaient amené.
2 Yahweh fut avec Joseph, qui faisait prospérer toutes choses; il habitait dans la maison de son maître, l’Egyptien.
3 Son maître vit que Yahweh était avec lui et que Yahweh faisait réussir entre ses mains tout ce qu’il faisait.
4 Joseph trouva donc grâce à ses yeux et il fut employé à son service; son maître l’établit sur sa maison et remit en ses mains tout ce qu’il avait.
5 Dès qu’il l’eut établi sur sa maison et sur tout ce qu’il avait, Yahweh bénit la maison de l’Égyptien à cause de Joseph, et la bénédiction de Yahweh fut sur tout ce qu’il avait, soit à la maison, soit aux champs.
6 Et il abandonna tout ce qu’il avait aux mains de Joseph, ne s’informant plus de rien avec lui, si ce n’est des aliments qu’il prenait. Or Joseph était beau de corps et beau de figure.
7 Il arriva, après ces choses, que la femme de son maître jeta les yeux sur Joseph et lui dit: ” Couche avec moi. ”
8 Il refusa et dit à la femme de son maître ” Voici, mon maître ne s’informe avec moi de rien dans la maison et il a remis tout ce qu’il a entre mes mains.
9 Il n’est pas plus grand que moi dans cette maison, et il ne m’a rien interdit que toi, parce que tu es sa femme. Comment ferais-je un si grand mal et pécherais-je contre Dieu? ”
10 Quoiqu’elle en parlât tous les jours à Joseph, il ne consentit pas à coucher auprès d’elle ni à être avec elle.
11 Un jour qu’il était entré dans la maison pour faire son service, sans qu’il y eût là aucun des gens de la maison,
12 elle le saisit par son vêtement, en disant: ” Couche avec moi. ” Mais il lui laissa son vêtement dans la main, et il s’enfuit au dehors.
13 Quand elle vit qu’il lui avait laissé son vêtement dans la main et qu’il s’était enfui dehors,
14 elle appela les gens de sa maison et leur parla en disant ” Voyez, il nous a amené un Hébreu pour folâtrer avec nous. Cet homme est venu vers moi pour coucher avec moi, et j’ai appelé à grands cris.
15 Et quand il a entendu que j’élevais la voix et que je criais, il a laissé son vêtement à côté de moi et s’est enfui au dehors. ”
16 Puis elle posa près d’elle le vêtement de Joseph jusqu’à ce que son maître rentrât à la maison.
17 Et elle lui parla selon ces paroles-là, en disant: ” Le serviteur hébreu que tu nous as amené est venu vers moi pour folâtrer avec moi.
18 Et comme j’ai élevé la voix et jeté des cris, il a laissé son vêtement à côté de moi et s’est enfui dehors. ”
19 Quand le maître de Joseph eut entendu les paroles de sa femme, qui lui parlait en ces termes ” Voilà ce que m’a fait ton serviteur ” sa colère s’enflamma.
20 Il prit Joseph et le mit dans la prison; c’était le lieu où étaient détenus les prisonniers du roi. Et il fut là en prison.
21 Yahweh fut avec Joseph; il étendit sur lui sa bonté, et le mit en faveur aux yeux du chef de la prison.
22 Et le chef de la prison plaça sous sa surveillance tous les prisonniers qui étaient dans la prison, et tout ce qui s’y faisait se faisait par lui.
23 Le chef de la prison ne regardait à rien de tout ce que Joseph avait en mains, parce que Yahweh était avec lui; et Yahweh faisait réussir tout ce qu’il faisait,

chapitre 040
1 Après ces choses, il arriva que l’échanson et le panetier du roi d’Égypte offensèrent leur maître, le roi d’Égypte.
2 Pharaon fut irrité contre ses deux officiers, contre le chef des échansons et le chef des panetiers;
3 et il les fit enfermer chez le chef des gardes, dans la prison, dans le lieu où Joseph était enfermé.
4 Le chef des gardes établit Joseph auprès d’eux, et il les servait; et ils furent un certain temps en prison.
5 L’échanson et le panetier du roi d’Égypte, qui étaient enfermés dans la prison, eurent tous deux un songe dans la même nuit, chacun le sien, ayant une signification différente.
6 Joseph, étant venu le matin vers eux, les regarda; et voici, ils étaient tristes.
7 Il interrogea donc les officiers de Pharaon qui étaient avec lui en prison, dans la maison de son maître, et leur dit: ” Pourquoi avez-vous le visage triste aujourd’hui? ”
8 Ils lui dirent: ” Nous avons eu un songe, et il n’y a personne ici pour l’expliquer. ” Et Joseph leur dit: ” N’est-ce pas à Dieu qu’appartiennent les interprétations? Racontez-moi, je vous prie, votre songe. ”
9 Le chef des échansons raconta son songe à Joseph, en disant: ” Dans mon songe, voici, il y avait un cep devant moi, et ce cep avait trois branches;
10 il poussa des bourgeons, la fleur sortit et ses grappes donnèrent des raisins mûrs.
11 La coupe de Pharaon était dans ma main; je pris des raisins, j’en pressai le jus dans la coupe de Pharaon et je mis la coupe dans la main de Pharaon. ”
12 Joseph lui dit: ” En voici l’interprétation: les trois branches sont trois jours.
13 Encore trois jours, et Pharaon relèvera ta tête et te rétablira dans ta charge, et tu mettras la coupe de Pharaon dans sa main, selon ton premier office, lorsque tu étais son échanson.
14 Si tu te souviens de moi quand le bonheur te sera rendu, et si tu daignes user de bonté à mon égard, rappelle-moi au souvenir de Pharaon, et fais-moi sortir de cette maison.
15 Car c’est par un rapt que j’ai été enlevé du pays des Hébreux, et ici même je n’ai rien fait pour qu’on m’ait mis dans cette prison. ”
16 Le chef des panetiers, voyant que Joseph avait donné une interprétation favorable, lui dit: ” Moi aussi, dans mon songe, voici que j’avais sur la tête trois corbeilles de pain blanc.
17 Dans la corbeille de dessus se trouvaient toutes sortes de pâtisseries pour Pharaon, et les oiseaux les mangeaient dans la corbeille qui était sur ma tête. ”
18 Joseph répondit: ” En voici l’interprétation: les trois corbeilles sont trois jours.
19 Encore trois jours, et Pharaon enlèvera ta tète de dessus toi et te pendra à un bois, et les oiseaux dévoreront ta chair de dessus toi. ”
20 Le troisième jour, qui était le jour de la naissance de Pharaon, il donna un festin à tous ses serviteurs; et il éleva la tête du chef des échansons et la tête du chef des panetiers:
21 il rétablit le chef des échansons dans son office d’échanson, et celui-ci mit la coupe dans la main de Pharaon;
22 et il fit pendre le chef des panetiers, selon l’interprétation que Joseph leur avait donnée.
23 Mais le chef des échansons ne parla pas de Joseph, et l’oublia.

chapitre 041

1 Deux ans s’étant écoulés, Pharaon eut un songe. Voici, il se tenait près du fleuve,
2 et voici que du fleuve montaient sept vaches belles à voir et grasses de chair, et elles se mirent à paître dans la verdure.
3 Et voici qu’après elles montaient du fleuve sept autres vaches, laides à voir et maigres de chair, et elles vinrent se mettre à côté des vaches qui étaient sur le bord du fleuve.
4 Et les vaches laides à voir et maigres de chair dévorèrent les sept vaches belles à voir et grasses. Alors Pharaon s’éveilla.
5 Il se rendormit, et il eut un second songe. Et voici, sept épis s’élevaient d’une même tige, gras et beaux.
6 Et sept épis maigres et brûlés par le vent d’orient poussaient après ceux-là.
7 Et les épis maigres engloutirent les sept épis gras et pleins. Alors Pharaon s’éveilla. Et voilà, c’était un songe.
8 Le matin, Pharaon eut l’esprit agité, et il fit appeler tous les scribes et tous les sages d’Egypte. Il leur raconta ses songes, mais personne ne put les expliquer à Pharaon.
9 Alors le chef des échansons, prenant la parole, dit à Pharaon: ” Je vais rappeler aujourd’hui mes fautes.
10 Pharaon était irrité contre ses serviteurs, et il m’avait mis en prison dans la maison du chef des gardes, moi et le chef des panetiers.
11 Nous eûmes un songe dans la même nuit, moi et lui, nous rêvâmes chacun selon la signification de son songe.
12 Il y avait là avec nous un jeune Hébreu, serviteur du chef des gardes. Nous lui racontâmes nos songes, et il nous en donna l’interprétation; à chacun il interpréta son songe,
13 et les choses se passèrent comme il avait interprété: moi, Pharaon me rétablit dans mon poste, et lui, on le pendit. ”
14 Pharaon envoya appeler Joseph, et on le fit sortir en hâte de la prison. Il se rasa, mit d’autres vêtements et se rendit vers Pharaon.
15 Et Pharaon dit à Joseph: ” J’ai eu un songe que personne ne peut interpréter; et j’ai entendu dire de toi que, quand tu entends un songe, tu l’interprètes. ”
16 Joseph répondit à Pharaon en disant:” Ce n’est pas moi, c’est Dieu qui donnera une réponse favorable à Pharaon. ”
17 Pharaon dit alors à Joseph: ” Dans mon songe, voici, je me tenais sur le bord du fleuve,
18 et voici que du fleuve montaient sept vaches grasses de chair et de belle apparence, et elles se mirent à paître dans la verdure.
19 Et voici qu’après elles montaient sept autres vaches, maigres, fort laides d’aspect et décharnées; je n’en ai point vu de pareilles en laideur dans tout le pays d’Egypte.
20 Les vaches maigres et laides dévorèrent les sept premières vaches, celles qui étaient grasses;
21 celles-ci entrèrent dans leur ventre, sans qu’il parût qu’elles y fussent entrées; leur aspect était aussi laid qu’auparavant.
22 Et je m’éveillai. Je vis encore en songe, et voici sept épis qui s’élevaient sur une même tige, pleins et beaux;
23 et voici, sept épis chétifs, maigres et brûlés par le vent d’orient, qui poussaient après ceux-là.
24 Et les épis maigres engloutirent les sept beaux épis. J’ai raconté cela aux scribes, et aucun d’eux ne me l’explique. ”
25 Joseph dit à Pharaon: ” Le songe de Pharaon est un; Dieu a fait connaître à Pharaon ce qu’il va faire.
26 Les sept belles vaches sont sept années, et les sept beaux épis sont sept années, c’est un seul songe.
27 Les sept vaches chétives et laides qui montaient après elles sont sept années, et les sept épis vides, brûlés par le vent d’orient, seront sept années de famine.
28 Telle est la parole que j’ai dite à Pharaon
29 Dieu a fait voir à Pharaon ce qu’il va faire. Voici, sept années de grande abondance vont venir dans tout le pays d’Égypte.
30 Sept années de famine viendront ensuite, et l’on oubliera toute cette abondance dans le pays d’Égypte, et la famine consumera le pays.
31 On ne s’apercevra plus de l’abondance à cause de cette famine qui suivra dans le pays; tant elle sera grande.
32 Et si le songe a été répété à Pharaon deux fois, c’est que la chose est décidée de la part de Dieu, et que Dieu se hâtera de l’exécuter.
33 Maintenant, que Pharaon trouve un homme intelligent et sage, et qu’il l’établisse sur le pays d’Égypte.
34 Que Pharaon établisse en outre des intendants sur le pays, pour lever un cinquième des récoltes du pays d’Égypte pendant les sept années d’abondance.
35 Qu’ils rassemblent tout le produit de ces bonnes années qui viennent; qu’ils fassent des amas de blé à la disposition de Pharaon, comme provisions dans les villes, et qu’ils les conservent.
36 Ces provisions seront pour le pays une réserve pour les sept années de famine qui arriveront au pays d’Egvpte, et le pays ne sera pas consumé par la famine. ”
37 Ces paroles plurent à Pharaon et à tous ses serviteurs.
38 Et Pharaon dit à ses serviteurs: ” Pourrions-nous trouver un homme pareil à celui-ci, ayant en lui l’esprit de Dieu? ”
39 Et Pharaon dit à Joseph: ” Puisque Dieu t’a fait connaître toutes ces choses, il n’y a personne qui soit aussi intelligent et sage que toi.
40 C’est toi qui gouverneras ma maison, et tout mon peuple obéira à ta bouche; par le trône seulement je serai plus grand que toi.”
41 Et Pharaon dit à Joseph: ” Voici que je t’établis sur tout le pays d’Égypte. ”
42 Et Pharaon ôta son anneau de sa main et le mit à la main de Joseph, et il le fit revêtir d’habits de fin lin et lui mit au cou un collier d’or.
43 Il le fit monter sur le second de ses chars, et on criait devant lui: ”A genoux! ” C’est ainsi qu il fut établi sur tout le pays d’Égypte.
44 Et Pharaon dit à Joseph: ” Je suis Pharaon, et sans toi nul ne lèvera la main ni le pied dans tout le pays d’Égypte. ”
45 Pharaon nomma Joseph Tsaphnath-Panéach, et il lui donna pour femme Aseneth, fille de Putiphar, prêtre d’On. Et Joseph partit pour visiter le pays d’Égypte.
46 Joseph était âgé de trente ans lorsqu’il se présenta devant Pharaon, roi d’Égypte; et il quitta Pharaon pour parcourir tout le pays d’Égypte.
47 La terre rapporta à pleines mains pendant les sept années d’abondance.
48 Joseph rassembla tous les produits des sept bonnes années qu’il y eut au pays d’Égypte, et il fit des approvisionnements dans les villes, déposant dans l’intérieur de chaque ville les productions des champs d’alentour.
49 Joseph amassa du blé comme le sable de la mer, en si grande quantité, qu’on cessa de compter, parce qu’il était sans nombre.
50 Avant qu’arrivât l’année de famine, il naquit à Joseph deux fils, que lui enfanta Aseneth, fille de Putiphar, prêtre d’On.
51 Joseph donna au premier-né le nom de Manassé, ” car, dit-il, Dieu m’a fait oublier toute ma peine et toute la maison de mon père. ”
52 Il donna au second le nom d’Ephraïm, ” car, dit-il, Dieu m’a fait fructifier dans le pays de mon affliction. ”
53 Les sept années d’abondance qu’il y eut en Egypte étant achevées,
54 les sept années de famine commencèrent à venir, comme Joseph l’avait annoncé. Il y eut famine dans tous les pays, tandis qu’il y avait du pain dans tout le pays d’Égypte.
55 Puis tout le pays d’Égypte fut aussi affamé, et le peuple cria à Pharaon pour avoir du pain. Et Pharaon dit à tous les Egyptiens: ” Allez vers Joseph, faites ce qu’il vous dira. ”
56 La famine étant sur toute la face du pays, Joseph ouvrit tous les greniers qu’on y avait établis et vendit du blé aux Egyptiens; et la famine s’accrut dans le pays d’Égypte.
57 De toute la terre on venait en Egypte pour acheter du blé auprès de Joseph; car la famine s’était aggravée sur toute la terre.

chapitre 042

1 Jacob, voyant qu’il y avait du blé en Egypte, dit à ses fils: ” Pourquoi vous regardez-vous les uns les autres?
2 Il dit: Voici, j’ai appris, qu’il y a du blé en Egypte; descendez-y pour nous en acheter là, afin que nous vivions et que nous ne mourions point. ”
3 Les frères de Joseph descendirent au nombre de dix pour acheter du blé en Egypte.
4 Mais pour Benjamin, frère de Joseph, Jacob ne l’envoya pas avec ses frères, car il s’était dit: ” Il est à craindre qu’il ne lui arrive malheur. ”
5 Les fils d’Israël vinrent donc pour acheter du blé, avec d’autres qui venaient aussi, car la famine était au pays de Chanaan.
6 Joseph était le chef du pays, et c’est lui qui vendait le blé à tous les gens du pays. Les frères de Joseph, étant arrivés, se prosternèrent devant lui, la face contre terre.
7 En voyant ses frères, Joseph les reconnut, mais il feignit d’être un étranger pour eux, et leur parla avec rudesse, en disant: ” D’où venez-vous? ” Ils répondirent: ” Du pays de Chanaan, pour acheter des vivres. ”
8 Joseph reconnut donc ses frères, mais eux ne le reconnurent pas.
9 Joseph se souvint alors des songes qu’il avait eus à leur sujet, et il leur dit ” Vous êtes des espions; c’est pour reconnaître les points faibles du pays que vous êtes venus. ”
10 Ils lui répondirent: ” Non, mon seigneur; tes serviteurs sont venus pour acheter des vivres.
11 Tous nous sommes fils d’un même homme; nous sommes d’honnêtes gens; tes serviteurs ne sont pas des espions.”
12 Il leur dit: ”Point du tout; vous êtes venus reconnaître les endroits faibles du pays. ”
13 Ils répondirent: ” Nous, tes serviteurs, nous sommes douze frères, fils d’un même homme, au pays de Chanaan. Et voici, le plus jeune est maintenant avec notre père, et il y en a un qui n’est plus. ”
14 Joseph leur dit: ” Il en est comme je viens de vous le dire vous êtes des espions.
15 En ceci vous serez éprouvés: par la vie de Pharaon! vous ne sortirez point d’ici que votre jeune frère ne soit venu.
16 Envoyez l’un de vous chercher votre frère, et vous, restez prisonniers. Vos paroles seront ainsi mises à l’épreuve, et l’on verra si la vérité est avec vous; sinon, par la vie de Pharaon! vous êtes des espions. ”
17 Et il les fit mettre ensemble en prison pendant trois jours.
18 Le troisième jour, Joseph leur dit: ” Faites ceci et vous vivrez: je crains Dieu!
19 Si vous êtes d’honnêtes gens, que l’un de vous, votre frère, reste lié dans votre prison; et vous, allez, emportez du blé pour calmer la faim de vos familles.
20 Et amenez-moi votre plus jeune frère; et vos paroles seront reconnues vraies, et vous ne mourrez point. ” Et ils firent ainsi.
21 Alors ils se dirent l’un à l’autre: ”Vraiment nous sommes punis à cause de notre frère; car nous avons vu l’angoisse de son âme, quand il nous demandait grâce, et nous ne l’avons pas écouté! Voilà pourquoi cette détresse est venue vers nous. ”
22 Ruben, prenant la parole, leur dit: ” Ne vous disais-je pas: Ne commettez pas de péché contre l’enfant? Et vous n’avez pas écouté; et voici, son sang est redemandé. ”
23 Ils ne savaient pas que Joseph comprenait, car ils lui parlaient par l’interprète.
24 Et il s’éloigna d’eux et il pleura. Etant ensuite revenu vers eux, Il leur parla; et Il prit parmi eux Siméon et le fit lier sous leurs yeux.
25 Puis Joseph commanda qu’on remplît de blé leurs vaisseaux, qu’on remit l’argent de chacun dans son sac et qu’on leur donnât des provisions pour la route. Et il leur fut fait ainsi.
26 Ayant chargé le blé sur leurs ânes, ils partirent.
27 A l’endroit où ils passèrent la nuit, l’un d’eux ouvrit son sac pour donner du fourrage à son âne, et il vit son argent, qui était à l’entrée du sac.
28 Il dit à ses frères: ” On a remis mon argent; le voici dans mon sac! ” Et le coeur leur manqua, et ils se dirent en tremblant l’un à l’autre: ” Qu’est-ce que Dieu nous a fait? ”
29 Ils revinrent auprès de Jacob, leur père, au pays de Chanaan, et ils lui racontèrent tout ce qui leur était arrivé, en disant:
30 ”L’homme qui est le maître du pays nous a parlé durement et nous a pris pour des gens espionnant le pays.
31 Nous lui avons dit: Nous sommes d’honnêtes gens, nous ne sommes pas des espions.
32 Nous sommes douze frères, fils d’un même père; l’un n’est plus, et le plus jeune est maintenant avec notre père, au pays de Chanaan.
33 Et l’homme qui est le maître du pays nous a dit: En ceci je saurai que vous êtes d’honnêtes gens laissez auprès de moi l’un de vous, votre frère; prenez de quoi calmer la faim de vos familles et partez;
34 et amenez-moi votre plus jeune frère. Je saurai ainsi que vous n’êtes pas des espions, mais que vous êtes d’honnêtes gens. Je vous rendrai alors votre frère et vous pourrez trafiquer dans le pays. ”
35 Comme ils vidaient leurs sacs, le paquet d’argent de chacun était dans son sac. Ils virent, eux et leur père, leurs paquets d’argent, et ils furent effrayés.
36 Jacob, leur père, leur dit: ” Vous me faites sans enfants! Joseph n’est plus, Siméon n’est plus, et vous allez prendre Benjamin! C’est sur moi que tout cela retombe. ”
37 Ruben dit à son père: ” Tu feras mourir mes deux fils, si je ne te ramène pas Benjamin; remets-le entre mes mains,
38 et moi, je te le ramènerai. ” Il dit: ” Mon fils ne descendra point avec vous, car son frère est mort, et lui reste seul. S’il lui arrivait malheur dans le voyage que vous allez faire, vous feriez descendre mes cheveux blancs avec douleur dans le séjour des morts.

chapitre 043
1 La famine s’appesantissait sur le pays.
2 Quand ils eurent fini de manger le blé qu’ils avaient apporté d’Égypte, leur père leur dit: ” Retournez nous acheter un peu de vivres. ”
3 Juda lui répondit: ” Cet homme nous a fait cette déclaration formelle: Vous ne verrez point ma face que votre frère ne soit avec vous.
4 Si donc tu laisses venir notre frère avec nous, nous descendrons et nous t’achèterons des vivres.
5 Mais si tu ne le laisses pas venir, nous ne descendrons point; car cet homme nous a dit Vous ne verrez pas ma face que votre frère ne soit avec vous. ”
6 Et Israël dit: ” Pourquoi m’avez-vous causé cette peine, de dire à cet homme que vous aviez encore un frère? ”
7 Ils dirent: ” Cet homme nous a adressé beaucoup de questions sur nous et sur notre famille, en disant: Votre père vit-il encore? Avez-vous un autre frère? Et nous avons répondu selon ces questions. Pouvions-nous savoir qu’il dirait: Faites descendre votre frère? ”
8 Et Juda dit à Israël, son père: ” Laisse partir l’enfant avec moi, afin que nous nous levions et nous mettions en route, et nous vivrons et ne mourrons point, nous, toi et nos petits enfants.
9 C’est moi qui réponds de lui, tu le redemanderas de ma main. Si je ne le ramène pas auprès de toi, si je ne le mets pas devant toi, je serai coupable envers toi à tout jamais.
10 Car si nous n’avions pas tant tardé, nous serions maintenant deux fois de retour. ”
11 Israël, leur père, leur dit: ” Eh bien, puisqu’il le faut, faites ceci: Prenez dans vos vaisseaux des meilleures productions du pays et portez à cet homme un présent: un peu de baume et un peu de miel, de l’astragale, du ladanum, des pistaches et des amandes.
12 Prenez dans vos mains de l’argent en double, et reportez celui qui a été mis à l’entrée de vos sacs, peut-être par erreur.
13 Prenez votre frère, levez-vous et retournez vers cet homme.
14 Que le Dieu tout-puissant vous fasse trouver grâce devant cet homme, afin qu’il laisse revenir avec vous votre autre frère, ainsi que Benjamin! Pour moi, si je dois être privé de mes enfants, que j’en sois privé! ”
15 Les hommes prirent ce présent, et ils prirent dans leurs mains de l’argent au double, ainsi que Benjamin; et, s’étant levés, ils descendirent en Egypte et se présentèrent devant Joseph.
16 Dès que Joseph vit Benjamin avec eux, il dit à son intendant: ” Fais entrer ces gens dans la maison, tue des victimes et apprête un repas, car ces gens mangeront avec moi à midi. ”
17 Cet homme fit ce que Joseph avait ordonné, et il conduisit ces gens dans la maison de Joseph.
18 Pendant qu’on les conduisait à la maison de Joseph, les hommes eurent peur, et ils dirent: ” C’est à cause de l’argent rapporté l’autre fois dans nos sacs qu’on nous emmène; c’est pour nous assaillir, tomber sur nous, nous prendre comme esclaves avec nos ânes. ”
19 S’étant approchés de l’intendant de la maison de Joseph, ils lui adressèrent la parole, à l’entrée de la maison, en disant:
20 ” Pardon, mon seigneur. Nous sommes déjà descendus une fois pour acheter des vivres.
21 Au retour, quand nous arrivâmes à l’endroit où nous devions passer la nuit, nous avons ouvert nos sacs, et voici, l’argent de chacun était à l’entrée de son sac, notre argent selon son poids: nous le rapportons avec nous;
22 et en même temps nous avons apporté d’autre argent pour acheter des vivres. Nous ne savons pas qui a mis notre argent dans nos sacs. ”
23 Il leur dit: ” Que la paix soit avec vous! Ne craignez rien. C’est votre Dieu, le Dieu de votre père, qui vous a donné un trésor dans vos sacs. Votre argent m’a été remis. ” Et il leur amena Siméon.
24 Cet homme, les ayant fait entrer dans la maison de Joseph, leur donna de l’eau et ils se lavèrent les pieds; il donna aussi du fourrage à leurs ânes.
25 Ils préparèrent leur présent, en attendant que joseph vint à midi; car on leur avait annoncé qu’ils mangeraient chez lui.
26 Quand Joseph fut arrivé chez lui, ils lui apportèrent dans la maison le présent qu’ils avaient dans la main, et se prosternèrent par terre devant lui.
27 Il leur demanda comment ils se portaient, puis il dit: ” Votre vieux père, dont vous avez parlé, est-il en bonne santé? vit-il encore? ”
28 Ils répondirent: ” Ton serviteur, notre père, est en bonne santé; il vit encore ”; et ils s’inclinèrent et se prosternèrent.
29 Joseph leva les yeux, et il vit Benjamin, son frère, fils de sa mère; il dit: ” Est-ce là votre jeune frère dont vous m’avez parlé? ”
30 Et il dit: Que Dieu te soit favorable, mon fils! ” Alors, en toute hâte, car ses entrailles étaient émues pour son frère, Joseph chercha un endroit pour pleurer; il entra dans sa chambre et il y pleura.
31 Après s’être lavé le visage, il sortit et, faisant des efforts pour se contenir, il dit: ” Servez à manger. ”
32 On le servit à part, et ses frères à part, à part aussi les Egyptiens qui mangeaient avec lui, car les Egyptiens ne peuvent prendre leurs repas avec les Hébreux: c’est une abomination pour les Egyptiens.
33 Les frères de Joseph s’assirent devant lui, le premier-né selon son droit d’aînesse, et le plus jeune selon son âge; et ils se regardaient les uns les autres avec étonnement.
34 Il leur fit porter des portions de devant lui, et la portion de Benjamin était cinq fois plus forte que les portions d’eux tous. Ils burent joyeusement avec lui.

chapitre 044

1 Joseph donna cet ordre à l’intendant de sa maison: ” Remplis de vivres les sacs de ces gens, autant qu’ils en pourront porter, et mets l’argent de chacun à l’entrée de son sac.
2 Tu mettras aussi ma coupe, la coupe d’argent, à l’entrée du sac du plus jeune, avec l’argent de son blé. ” L’intendant fit ce que Joseph lui avait ordonné.
3 Le matin, dès qu’il fit jour, on renvoya les hommes avec leurs ânes.
4 Ils étaient sortis de la ville, sans en être encore bien éloignés, lorsque Joseph dit à son intendant: ” Lève-toi, poursuis ces gens; et, quand tu les auras atteints, tu leur diras: Pourquoi avez-vous rendu le mal pour le bien?
5 N’est-ce pas la coupe dans laquelle boit mon seigneur, et dont il se sert pour deviner? C’est une action mauvaise que vous avez faite. ”
6 L’intendant, les ayant rejoints, leur dit ces mêmes paroles. Ils lui répondirent:
7 ” Pourquoi mon seigneur parle-t-il ainsi? Dieu préserve tes serviteurs d’avoir commis une telle action!
8 Voici, nous t’avons rapporté du pays de Chanaan l’argent que nous avons trouvé à l’entrée de nos sacs; comment aurions-nous dérobé dans la maison de ton seigneur de l’argent ou de l’or?
9 Que celui de tes serviteurs sur qui sera trouvée la coupe meure, et que nous soyons aussi nous-mêmes les esclaves de mon seigneur. ”
10 Il leur dit: ” Eh bien, qu’il en soit selon vos paroles! Celui chez qui se trouvera la coupe sera mon esclave; et vous, vous serez quittes. ”
11 Chacun descendit aussitôt son sac à terre et chacun ouvrit son sac.
12 L’intendant les fouilla, commençant par le plus âgé et finissant par le plus jeune; et la coupe se trouva dans le sac de Benjamin.
13 Ils déchirèrent leurs vêtements et, chacun ayant rechargé son âne, ils retournèrent à la ville.
14 Juda avec ses frères arriva à la maison de Joseph, qui s’y trouvait encore, et ils se prosternèrent devant lui jusqu’à terre.
15 Joseph leur dit: ” Quelle action avez-vous faite? Ne saviez-vous pas qu’un homme tel que moi saurait bien deviner? ”
16 Juda répondit: ” Que pouvons-nous dire à mon seigneur? Comment parler? comment nous justifier? Dieu a trouvé l’iniquité de tes serviteurs. Nous voici esclaves de mon seigneur, nous et celui chez qui s’est trouvée la coupe. ”
17 Et Joseph dit: ”Dieu me garde de faire cela! l’homme chez qui la coupe a été trouvée sera mon esclave; et vous, remontez en paix vers votre père. ”
18 Alors Juda, s’approchant de Joseph, lui dit: ” De grâce, mon seigneur, que ton serviteur puisse dire une parole aux oreilles de mon seigneur, et que ta colère ne s’enflamme pas contre ton serviteur! car tu es l’égal de Pharaon.
19 Mon seigneur a interrogé ses serviteurs, en disant:
20 Avez-vous un père ou un frère. Et nous avons répondu à mon seigneur: Nous avons un vieux père et un jeune frère, enfant de sa vieillesse; cet enfant avait un frère qui est mort, et il reste seul de la même mère, et son père l’aime.
21 Tu as dit à tes serviteurs: Faites-le descendre vers moi, et que je pose mes yeux sur lui.
22 Nous avons répondu à mon seigneur L’enfant ne peut pas quitter son père; s’il le quitte, son père mourra.
23 Tu as dit à tes serviteurs: Si votre jeune frère ne descend pas avec vous, vous ne reverrez plus ma face.
24 Lorsque nous sommes remontés vers ton serviteur, mon père, nous lui avons rapporté les paroles de mon seigneur.
25 Et quand notre père a dit Retournez, achetez-nous un peu de vivres,
26 nous avons répondu: Nous ne pouvons pas descendre; mais, si notre plus jeune frère est avec nous, nous descendrons, car nous ne pouvons voir la face de cet homme à moins que notre jeune frère ne soit avec nous.
27 Ton serviteur, notre père, nous a dit: Vous savez que ma femme m’a enfanté deux fils.
28 L’un s’en est allé d’avec moi, et j’ai dit: Il faut qu’il ait été dévoré, car je ne l’ai pas revu jusqu’à présent.
29 Si vous me prenez encore celui-ci et qu’il lui arrive malheur, vous ferez descendre mes cheveux blancs avec douleur au séjour des morts.
30 – Maintenant, quand je retournerai auprès de ton serviteur, mon père, sans avoir avec nous l’enfant, à l’âme duquel est attachée son âme,
31 dès qu’il verra que l’enfant n’y est pas, il mourra, et tes serviteurs auront fait descendre avec douleur au séjour des morts les cheveux blancs de ton serviteur, notre père.
32 Car ton serviteur a répondu de l’enfant en le prenant à mon père; il a dit: Si je ne le ramène pas auprès de toi, je serai coupable envers mon père à tout jamais.
33 Permets donc, je te prie, que moi, ton serviteur, je reste à la place de l’enfant comme esclave de mon seigneur, et que l’enfant remonte avec ses frères.
34 Comment pourrais-je remonter vers mon père, si l’enfant n’est pas avec moi? Non, que je ne voie point l’affliction qui accablerait mon père! ”

chapitre 045
1 Alors Joseph ne put se contenir devant tous ceux qui étaient présents; il s’écria: ” Faites sortir tout le monde. ” Et il ne resta personne avec lui quand il se fit connaître à ses frères.
2 Il éleva la voix en pleurant; les Egyptiens l’entendirent, et la maison de Pharaon l’entendit.
3 Joseph dit à ses frères: ” Je suis Joseph! Mon père vit-il encore? ” Mais ses frères ne purent lui répondre, tant ils étaient bouleversés devant lui.
4 Et Joseph dit à ses frères: ” Approchez-vous de moi. ”; et ils s’approchèrent. Il dit: ” Je suis Joseph, votre frère, que vous avez vendu pour être mené en Egypte.
5 Maintenant ne vous affligez pas et ne soyez pas fâchés contre vous-mêmes de ce que vous m’avez vendu pour être conduit ici; c’est pour vous sauver la vie que Dieu m’a envoyé devant vous.
6 Car voilà deux ans que la famine est dans ce pays, et pendant cinq années encore il n’y aura ni labour ni moisson.
7 Dieu m’a envoyé devant vous pour vous assurer un reste dans le pays et vous faire subsister pour une grande délivrance.
8 Et maintenant, ce n’est pas vous qui m’avez envoyé ici, mais c’est Dieu; il m’a établi père de Pharaon, seigneur sur toute sa maison et gouverneur de tout le pays d’Egypte.
9 Hâtez-vous de monter vers mon père, et vous lui direz: Ainsi a parlé ton fils Joseph: Dieu m’a établi seigneur sur toute l’Egypte; descends vers moi sans tarder.
10 Tu habiteras dans le pays de Gessen, et tu seras près de moi, toi et tes fils, et les fils de tes fils, tes brebis et tes boeufs, et tout ce qui est à toi.
11 Là, je te nourrirai, – car il y aura encore cinq années de famine, – afin que tu ne souffres pas, toi, ta maison et tout ce qui est à toi.
12 Voici, vos yeux voient, ainsi que les yeux de mon frère Benjamin, que c’est ma bouche qui vous parle.
13 Racontez à man père toute ma gloire en Egypte et tout ce que vous avez vu, et faites au plus tôt descendre ici mon père. ”
14 Alors il se jeta au cou de Benjamin, son frère, et pleura; et Benjamin pleura sur son cou.
15 Il baisa aussi tous ses frères, et pleura en les tenant embrassés; puisses frères s’entretinrent avec lui.
16 Le bruit se répandit dans la maison de Pharaon que les frères de Joseph étaient venus: ce qui fut agréable à Pharaon et à ses serviteurs.
17 Et Pharaon dit à Joseph: ” Dis à tes frères: Faites ceci chargez vos bêtes et partez pour le pays de Chanaan et,
18 ayant pris votre père et vos familles, revenez auprès de moi. Je vous donnerai ce qu’il y a de meilleur au pays d’Égypte, et vous mangerez la graisse du pays.
19 Tu es autorisé à leur dire: Faites ceci: prenez dans le pays d’Égypte des chariots pour vos enfants et pour vos femmes; amenez votre père et venez.
20 Que vos yeux ne s’arrêtent pas avec regret sur les objets que vous devrez laisser, car ce qu’il y a de meilleur dans tout le pays d’Égypte est à votre disposition. ”
21 Les fils d’Israël firent ainsi; Joseph leur donna des chariots, selon l’ordre de Pharaon, ainsi que des provisions pour la route.
22 Il leur donna à tous des vêtements de rechange, et il donna à Benjamin trois cents pièces d’argent et cinq vêtements de rechange.
23 Il envoya également à son père dix ânes chargés des meilleurs produits de l’Égypte, et dix ânesses chargées de blé, de pain et de vivres, pour son père pendant le voyage.
24 Puis il congédia ses frères, qui partirent; et il leur dit: ” Ne vous querellez pas en chemin. ”
25 Ayant monté de l’Égypte, ils arrivèrent dans le pays de Chanaan, auprès de Jacob, leur père.
26 Ils lui dirent: ” Joseph vit encore, c’est même lui qui gouverne tout le pays d’Égypte. ” Mais son coeur resta froid, parce qu’il ne les croyait pas.
27 Ils lui rapportèrent alors toutes les paroles que Joseph avait dites. Lorsqu’il eut vu les chariots que Joseph avait envoyés pour le transporter, l’esprit de Jacob, leur père, se ranima, et Israël dit:
28 ”C’est assez! Joseph, mon fils, vit encore! j’irai et je le verrai avant de mourir. ”

chapitre 046

1 Israël partit avec tout ce qui lui appartenait. Arrivé à Bersabée, il offrit des sacrifices au Dieu de son père Isaac.
2 Et Dieu parla à Israël dans une vision de nuit, et il dit: ” Jacob! Jacob! ”
3 Israël répondit: ” Me voici. ” Et Dieu dit: ” Je suis le Dieu fort, le Dieu de ton père. Ne crains point de descendre en Egypte, car là je te ferai devenir une grande nation.
4 Moi-même je descendrai avec tel en Egypte, et moi-même aussi je t’en ferai sûrement remonter; et Joseph posera sa main sur tes yeux. ”
5 Jacob, se levant, quitta Bersabée; et les fils d’Israël mirent Jacob, leur père, ainsi que leurs femmes et leurs enfants, sur les chariots que Pharaon avait envoyés pour le transporter.
6 Ils prirent aussi leurs troupeaux et leurs biens qu’ils avaient acquis dans le pays de Chanaan. Et Jacob se rendit en Egypte avec toute sa famille.
7 Il emmena avec lui en Egypte ses fils et les fils de ses fils, ses filles et les filles de ses fils, et toute sa famille.
8 Voici les noms des fils d’Israël qui vinrent en Egypte: Jacob et ses fils. – Premier-né de Jacob, Ruben. –
9 Fils de Ruben: Hénoch, Phal!u, Hesron et Charmi. –
10 Fils de Siméon: Jamuel, Jamin, Ahod, Jachin et Sohar, et Saut, fils de la Chananéenne. –
11 Fils de Lévi: Gerson, Caat et Mérari. –
12 Fils de Juda: Her, Onan, Séla, Pharès et Zara; mais Her et Onan étaient morts au pays de Chanaan. Les fils de Pharès furent Hesron et Hamul. –
13 Fils d’Issachar: Thola, Phua, Job et Semron. –
14 Fils de ZabuIon: Sared, Elon et Jahélel –
15 Ce sont là les fils que Lia enfanta à Jacob à Paddan-Aram, avec sa fille Dina. Ses fils et ses filles étaient en tout trente-trois personnes.
16 Fils de Gad: Séphion, Haggi, Suni, Esebon, Heri, Arodi et Aréli.
17 Fils d’Aser: Jamné, Jésua, Jessui et Béria, et Sara, leur soeur. Les fils de Béria furent Héber et Melchiel. –
18 Ce sont là les fils de Zelpha, que Laban avait donnée à Lia, sa fille; et elle les enfanta à Jacob: en tout seize personnes.
19 Fils de Rachel, femme de Jacob: Joseph et Benjamin.
20 Il naquit à Joseph, au pays d’Égypte, des fils que lui enfanta Aseneth, fille de Putiphar, prêtre d’On, savoir Manassé et Ephraïm.-
21 Fils de Benjamin: Béla, Bochor, Asbel, Géra, Naaman, Echi, Ros, Mophim, Ophim et Ared. –
22 Ce sont là les fils de Rachel, qui naquirent à Jacob: en tout quatorze personnes.
23 Fils de Dan: Husim. –
24 Fils de Nephtali: Jasiel, Guni, Jéser et Salem. –
25 Ce sont là les fils de Bala, que Laban avait donnée à Rachel, sa fille; et elle les enfanta à Jacob: en tout sept personnes.
26 Toutes les personnes qui vinrent avec Jacob en Egypte, issues de lui, sans compter les femmes des fils de Jacob, étaient au nombre de soixante-six en tout.
27 Les fils de Joseph qui lui étaient nés en Egypte étaient deux.- Le total des personnes de la famille de Jacob qui vinrent en Egypte était de soixante-dix.
28 Jacob avait envoyé Juda devant lui vers Joseph pour préparer son arrivée en Gessen.
29 Lorsque Jacob et les siens furent entrés en Gessen, Joseph fit atteler son char et y monta, pour aller en Gessen, à la rencontre d’Israël, son père. Il se montra à lui et, s’étant jeté à son cou, il pleura longtemps sur son. cou.
30 Israël dit à Joseph: ” Je puis mourir maintenant, puisque j’ai vu ton visage et que tu vis encore! ”
31 Joseph dit à ses frères et à la famille de son père: ” Je vais avertir Pharaon et je lui dirai: Mes frères et la famille de mon père, qui étaient au pays de Chanaan, sont venus vers moi.
32 Ces hommes font paître des brebis, car ce sont des propriétaires de troupeaux; ils ont amené leurs brebis et leurs boeufs, et tout ce qui leur appartient.
33 Et quand Pharaon vous appellera et dira: Quelle est votre occupation?
34 vous répondrez: Nous, tes serviteurs, sommes des propriétaires de troupeaux depuis notre jeunesse jusqu’à présent comme l’étaient nos pères . De cette manière vous habiterez dans le pays de Gessen, car tous les bergers sont en abomination aux Egyptiens. ”

chapitre 047

1 Joseph alla porter la nouvelle à Pharaon, en disant: ” Mon père et mes frères sont venus du pays de Chanaan avec leurs brebis et leurs boeufs, et tout ce qui leur appartient, et les voici dans le pays de Gessen. ”
2 Ayant pris cinq de ses frères, il les présenta à Pharaon;
3 et Pharaon leur dit: ” Quelle est votre occupation? ” Ils répondirent à Pharaon ” Nous, tes serviteurs, sommes bergers, comme l’étaient nos pères. ”
4 Ils dirent encore à Pharaon: ” Nous sommes venus pour séjourner dans le pays, car il n’y a plus de pâture pour!es brebis de tes serviteurs, la famine s’étant appesantie sur le pays de Chanaan. Permets donc à tes serviteurs d’habiter dans le pays de Gessen. ”
5 Pharaon dit à Joseph: ” Ton père et tes frères sont venus auprès de toi. Le pays d’Égypte est devant toi établis ton père et tes frères dans la meilleure partie du pays.
6 Qu’ils demeurent dans le pays de Gessen; et, si tu trouves parmi eux des hommes capables, mets-les à la tête des troupeaux qui m’appartiennent. ”
7 Joseph fit venir Jacob, son père, et le présenta à Pharaon. Jacob bénit Pharaon;
8 et Pharaon dit à Jacob: ” Quel est le nombre de jours des années de ta vie? ”
9 Jacob répondit à Pharaon: ” Les jours des années de mon pèlerinage sont de cent trente ans. Courts et mauvais ont été les jours des années de ma vie, et ils n’ont point atteint les jours des années de la vie de mes pères durant leur pèlerinage. ”
10 Jacob bénit encore Pharaon et se retira de devant Pharaon.
11 Joseph établit son père et ses frères, et leur assigna une propriété dans le pays d’Égypte, dans la meilleure partie du pays, dans la contrée de Ramsès, ainsi que Pharaon l’avait ordonné;
12 et Joseph fournit de pain son père et ses frères, et toute la famille de son père, selon le nombre des enfants.
13 Il n’y avait plus de pain dans tout le pays, car la famine était très grande; le pays d’Égypte et le pays de Chanaan étaient épuisés à cause de la famine.
14 Joseph recueillit tout l’argent qui se trouvait dans le pays d’Égypte et dans I le pays de Chanaan, contre le blé qu’on achetait, et il fit entrer cet argent dans la maison de Pharaon.
15 Quand il n’y eut plus d’argent dans le pays d’Égypte et dans le pays de Chanaan, tous les Egyptiens vinrent à Joseph, en disant: ” Donne-nous du pain! Pourquoi mourrions-nous en ta présence? Car nous sommes à bout d’argent. ” Joseph dit:
16 ” Amenez vos troupeaux, et je vous donnerai du pain en échange de vos troupeaux, puisque vous êtes à bout d’argent.”
17 Ils amenèrent leurs troupeaux à Joseph, et Joseph leur donna du pain en échange des chevaux, des troupeaux de brebis et de boeufs, et des ânes. Il leur fournit ainsi du pain cette année-là, en échange de tous leurs troupeaux.
18 Lorsque cette année fut écoulée, ils vinrent à Joseph l’année suivante, et lui dirent: ” Nous ne cacherons point à mon seigneur que l’argent est épuisé et que les troupeaux de bétail ont été donnés à mon seigneur; il ne reste devant mon seigneur que nos corps et nos terres.
19 Pourquoi péririons-nous sous tes yeux, nous et nos terres? Achète-nous, ainsi que nos terres, pour du pain, et nous serons, nous et nos terres, serfs de Pharaon; et donne-nous de quoi semer, afin que nous vivions et que nous ne mourions pas, et que nos terres ne soient pas désolées. ”
20 Joseph acquit ainsi toutes les terres de l’Égypte à Pharaon; car les Egyptiens vendirent chacun leur champ, parce que la famine les pressait, et le pays devint la propriété de Pharaon.
21 Il fit passer le peuple dans les villes, d’une extrémité à l’autre du territoire de l’Égypte.
22 Il n’y eut que les terres des prêtres qu’il n’acquit pas; car les prêtres recevaient de Pharaon une portion déterminée, et ils vécurent de leur revenu que Pharaon leur assignait: c’est pourquoi ils ne vendirent point leurs terres.
23 Joseph dit au peuple: ” Je vous ai acquis aujourd’hui avec vos terres pour Pharaon. Voici pour vous de la semence, ensemencez la terre.
24 A la récolte, vous donnerez le cinquième à Pharaon, et vous aurez les quatre autres parties pour ensemencer vos champs et pour vous nourrir, vous et ceux qui sont dans vos maisons, et pour nourrir vos enfants. ”
25 Ils dirent: ” Nous te devons la vie! Que nous trouvions grâce auprès de mon seigneur, et nous serons esclaves de Pharaon. ”
26 Joseph fit de cela une loi, qui subsiste jusqu’à ce jour, et en vertu de laquelle le cinquième du produit des terres d’Égypte appartient à Pharaon; seules les terres des prêtres ne sont pas à lui.
27 Israël habita au pays d’Égypte, dans la contrée de Gessen; ils y acquirent des possessions, ils furent féconds et multiplièrent beaucoup.
28 Jacob vécut dix-sept ans dans le pays d’Égypte; et les jours de Jacob, les années de sa vie furent de cent quarante-sept ans.
29 Quand les jours d’Israël approchèrent de leur fin, il appela son fils Joseph et lui dit: ” Si j’ai trouvé grâce à tes yeux, mets, je te prie, ta main sous ma cuisse, et use envers moi de bonté et de fidélité: ne m’enterre pas en Egypte.
30 Quand je serai couché avec mes pères, tu me transporteras hors de l’Égypte, et tu m’enterreras dans leurs sépulcres. ” Joseph répondit: ” Je ferai selon ta parole. ”
31 Et Jacob dit: ” Jure-le-moi. ” Joseph le lui jura; et Israël se prosterna sur le chevet du lit.

chapitre 048

1 Après ces choses, on vint dire à Joseph: ” Voici que ton père est malade. ” Il prit avec lui ses deux fils, Manassé et Ephraïm.
2 On avertit Jacob, en disant: ” Voici ton fils Joseph qui vient vers toi. ” Israël rassembla ses forces et s’assit sur son lit.
3 Jacob dit à Joseph: ” Le Dieu tout-puissant m’est apparu à Luz, dans le pays de Chanaan,
4 et il m’a béni, en disant: Je te rendrai fécond, je te multiplierai, et je te ferai devenir une assemblée de peuples; je donnerai ce pays à ta postérité après toi, pour qu’elle le possède à jamais.
5 Et maintenant, les deux fils qui te sont nés dans le pays d’Égypte, avant mon arrivée vers toi en Egypte, seront miens; Ephraïm et Manassé seront miens, comme Ruben et Siméon.
6 Mais les enfants que tu as engendrés après eux seront tiens; ils seront appelés du nom de leurs frères quant à leur part d’héritage.
7 Et moi, quand je revenais de Paddan, Rachel mourut en route auprès de moi, dans le pays de Chanaan, à une certaine distance d’Ephrata; et c’est là que je l’ai enterrée sur le chemin d’Ephrata, qui est Bethléem. ”
8 Alors Israël vit les fils de Joseph, et dit: ” Qui sont ceux-ci? ”
9 Joseph répondit à son père: ” Ce sont mes fils, que Dieu m’a donnés ici. ” Et Israël dit: ” Fais-les approcher de moi, je te prie, afin que je les bénisse. ”
10 Car les yeux d’Israël étaient obscurcis par l’âge, et il ne pouvait plus bien voir. Joseph les fit approcher de lui, et Israël les baisa, en les tenant embrassés.
11 Et Israël dit à Joseph ” Je ne pensais plus revoir ton visage, et voici que Dieu me fait voir aussi ta postérité! ”
12 Joseph les retira d’entre les genoux de son père et, s’étant prosterné en terre devant lui,
13 Joseph les prit tous les deux, Ephraïm à sa droite, à la gauche d’Israël, et Manassé à sa gauche, à la droite d’Israël, et il les fit approcher.
14 Israël étendit sa main droite et la posa sur la tête d’Ephraïm, qui était le plus jeune, et il posa sa main gauche sur la tête de Manassé; c’est à dessein qu’il posa ainsi ses mains, car Manassé était l’aîné.
15 Il bénit Joseph, en disant:” Que le Dieu en présence duquel ont marché mes pères Abraham et Isaac, que le Dieu ’’ qui m’a nourri depuis que j’existe jusqu’à ce jour,
16 que l’ange qui m’a délivré de tout, mal, bénisse ces enfants! Qu’ils soient appelés de mon nom et du nom de mes pères, Abraham et Isaac, et qu’ils multiplient en abondance au milieu du pays! ”
17 Joseph, voyant que son père posait sa main droite sur la tête d’Ephraïm, en eut du déplaisir; il prit la main de son père pour l’écarter de dessus la tête d’Ephraïm et la porter sur celle de Manassé; et Joseph dit à son père:
18 ” Pas ainsi, mon père, car celui-ci est le premier-né: mets ta main droite sur sa tête. ”
19 Mais son père refusa, en disant: ” Je le sais, mon fils, je le sais; lui aussi deviendra un peuple, lui aussi sera grand; mais son frère cadet sera plus grand que lui, et sa postérité deviendra une multitude de nations. ”
20 Il les bénit donc ce jour-là et dit: ” Par toi Israël bénira, en disant: Que Dieu te rende tel qu’Ephraïm et Manassé! ” Et il mit Ephraïm avant Manassé.
21 Israël dit â Joseph: ” Voici que je vais mourir. Mais Dieu sera avec vous, et il vous ramènera dans le pays de vos pères.
22 Je te donne, de plus qu’à tes frères, une portion que j’ai prise de la main des Amorrhéens avec mon épée et mon arc. ”

chapitre 049

1 Jacob appela ses fils et leur dit: ” Rassemblez-vous, et je vous annoncerai ce qui vous arrivera à la fin des jours.
2 Rassemblez-vous et écoutez, fils de Jacob; écoutez Israël, votre père.
3 RUBEN, toi, mon premier-né, ma force, et le premier fruit de ma vigueur, supérieur en dignité et supérieur en puissance,
4 tu as bouillonné comme l’eau; tu n’auras pas-la prééminence! Car tu es monté sur la couche de ton père, et tu as souillé ma couche en y montant!
5 SIMÉON et LÉVI sont frères; leurs glaives sont des instruments de violence.
6 Que mon âme n’entre point dans leur conseil! Que mon âme ne s’unisse point à leur assemblée! Car, dans leur colère, ils ont égorgé des hommes, et, dans leur emportement, ils ont coupé les jarrets des taureaux.
7 Maudite soit leur colère, car elle a été violente, et leur fureur; car elle a été cruelle! Je les diviserai en Jacob, et je les disperserai en Israël.
8 Toi, JUDA, tes frères te loueront; ta main sera sur le cou de tes ennemis; les fils de ton père se prosterneront devant toi.
9 Juda est un jeune lion. Tu es remonté du carnage, mon fils! Il a ployé les genoux, il s’est couché comme un lion, comme une lionne: qui le fera lever?
10 Le sceptre ne s’éloignera point de Juda, ni le bâton de commandement d’entre ses pieds, jusqu’à ce que vienne Schiloh; c’est à lui que les peuples obéiront.
11 Il attache à la vigne son ânon, au cep le petit de son ânesse; il lave son vêtement dans le vin, son manteau dans le sang de la grappe.
12 Il a les yeux rouges de vin, et les dents blanches de lait.
13 ZABULON habite le bord de la mer, il est sur le rivage où abordent les navires; son flanc est du côté de Sidon.
14 ISSACHAR est un âne robuste, qui se couche dans ses parcs.
15 Il voit que le repos est bon, et que le pays est agréable; et il courbe son épaule sous le fardeau; il est devenu un homme asservi au tribut.
16 DAN juge son peuple, comme l’une des tribus d’Israël.
17 Dan est un serpent sur le chemin, une vipère sur le sentier, qui mord les talons du cheval, pour que le cavalier tombe à la renverse.
18 J’espère en ton secours,
0 Yahweh!
19 GAD, des bandes armées le pressent, et lui, à son tour, les presse sur les talons.
20 D’ASER vient le pain savoureux, il fournit les mets délicats des rois.
21 NEPHTALI est une biche en liberté, il prononce des paroles gracieuses.
22 JOSEPH est lé rejeton d’un arbre fertile, le rejeton d’un arbre fertile sur les bords d’une source; ses branches s’élancent au-dessus de la muraille.
23 Des archers le provoquent, ils lui lancent des flèches et l’attaquent.
24 Mais son arc reste ferme, ses bras et ses mains sont rendus agiles, par les mains du Puissant de Jacob, par celui qui est le Pasteur et le Rocher d’Israël.
25 Que du Dieu de ton père – il t’aidera! – et du Tout-Puissant – il te bénira! te viennent les bénédictions du ciel en haut, les bénédictions de l’abîme en bas, les bénédictions des mamelles et du sein maternel!
26 Les bénédictions de ton père surpassent les bénédictions des montagnes antiques, la beauté des collines éternelles qu’elles soient sur la tête de Joseph, sur le front du prince de ses frères!
27 BENJAMIN est un loup qui déchire; le matin il dévore la proie, le soir il partage le butin.
28 Ce sont là tous ceux qui formèrent les douze tribus d’Israël; c’est ainsi que leur parla leur père et qu’il les bénit. Il les bénit chacun selon sa bénédiction.
29 Puis il leur donna cet ordre: ” Je vais être réuni à mon peuple; enterrez-moi avec mes pères dans la caverne qui est dans le champ d’Ephron, le Héthéen,
30 dans la caverne du champ de Macpéla, en face de Mambré, au pays de Chanaan: c’est la caverne qu’Abraham a acquise d’Ephron, le Héthéen, avec le champ, pour avoir un sépulcre qui lui appartienne.
31 C’est là qu’on a enterré Abraham et Sara, sa femme, c’est!à qu’on a enterré Isaac et Rebecca, sa femme, et c’est là que j’ai enterré Lia. ”
32 Le champ et la caverne qui s’y trouve ont été acquis des fils de Heth.
33 Lorsque Jacob eut achevé de donner ses ordres à ses fils, ayant retiré ses pieds dans le lit, il expira et fut réuni à ses pères.

chapitre 050

1 Joseph se jeta sur le visage de son père, pleura sur lui et le baisa.
2 Puis Il ordonna aux médecins à son service d’embaumer son père, et les médecins embaumèrent Israël.
3 Ils y employèrent quarante jours, car c’est le temps que l’on emploie à embaumer; et les Egyptiens le pleurèrent soixante-dix jours.
4 Quand les jours de son deuil furent passés, Joseph s’adressa aux gens de la maison de Pharaon, et leur dit: ” Si j’ai trouvé grâce à vos yeux, rapportez ceci, je vous prie, aux oreilles de Pharaon:
5 Mon père m’a fait jurer, en disant: Voici que je vais mourir; tu m’enterreras dans le sépulcre que je me suis creusé au pays de Chanaan. Je voudrais donc y monter pour enterrer mon. père; et je reviendrai. ”
6 Pharaon répondit: ” Monte et enterre ton père, comme il te l’a fait jurer. ”
7 Joseph monta pour enterrer son père. Avec lui montèrent tous les serviteurs de Pharaon, les anciens de sa maison, et tous les anciens du, pays d’Égypte, toute la maison de Joseph,
8 ses frères et la maison de son père: ils ne laissèrent dans le pays de Gessen que leurs petits enfants, leurs brebis et leurs boeufs.
9 Il montait encore avec Joseph des chars et des cavaliers, en sorte que le cortège était très nombreux.
10 Arrivés à l’aire d’Atad, qui est au delà du Jourdain, ils firent entendre de grandes et profondes lamentations, et Joseph célébra en l’honneur de son père un deuil de sept jours.
11 Les habitants du pays, les Chananéens, ayant vu ce deuil dans l’aire d’Atad, dirent: ” Voilà un grand deuil parmi les Égyptiens! ” C’est pourquoi l’on a donné le nom d’Abel-Mitsraïm à ce lieu, qui est au delà du Jourdain.
12 Les fils de Jacob firent donc envers lui comme il leur avait commandé.
13 Ses fils le transportèrent au pays de Chanaan et l’enterrèrent dans la caverne du champ de Macpéla, qu’Abraham avait acquise d’Ephron le Héthéen, avec le champ, pour avoir un sépulcre qui lui appartint, vis-à-vis de Mambré.
14 Après avoir enterré son père, Joseph retourna en Egypte avec ses frères et tous ceux qui étaient montés avec lui pour enterrer son père.
15 Quand les frères de Joseph virent que leur père était mort, ils dirent: ” Si Joseph nous prenait en haine, et nous rendait tout le mal que nous lui avons fait!”
16 Et ils firent dire à Joseph: ” Ton père a donné cet ordre avant de mourir:
17 Vous parlerez ainsi à Joseph: Oh! pardonne le crime de tes frères et leur péché, car ils t’ont fait du mal! Maintenant donc, je te prie, pardonne le crime des serviteurs du Dieu de ton père. ” Joseph pleura, en entendant ces paroles.
18 Ses pères vinrent eux-mêmes se prosterner devant lui, en disant: ”Nous sommes tes serviteurs. ”
19 Joseph leur dit: ” Soyez sans crainte; car suis-je à la place de Dieu?
20 Vous aviez dans la pensée de me faire du mal; mais Dieu avait dans la sienne d’en faire sortir du bien, afin d’accomplir ce qui arrive aujourd’hui, afin de conserver la vie à un peuple nombreux.
21 Soyez donc sans crainte; je vous entretiendrai, vous et vos enfants.” C’est ainsiqu’il les consola, en parlant à leurs coeurs..
22 Joseph demeura en Egypte, lui et la maison de son père. Il vécut cent dix ans.
23 Joseph vit les fils d’Ephraïm jusqu’à la troisième génération; des fils de Machir, fils de Manassé, naquirent aussi sur les genoux de Joseph.
24 Joseph dit à ses frères: ”pour moi, je vais mourir, mais Dieu vous visitera certainement et vous fera remonter de ce pays dans la pays qu’il a juré de donner à Abraham, à Isaac et à Jacob.”
25 Joseph fit jurer les fils d’Israel , en disant: ”certainement Dieu vous visitera, et vous ferez remonter mes os d’ici.”
26 Joseph mourut, agé de cent dix ans. On l’embauma et on le mit dans un cercueil en Egypte. Fin du livre de la Genèse.